Lezen

MY famous blue raincoat

1975 : De vinylplaat Greatest Hits van Leonard Cohen wordt uitgebracht.  Op de  negende plaats van het  album prijkt zijn song ‘Famous bleu raincoat.’   1986 : Jeniffer Warnes  begeleid door saxofoon, piano en cello covert ‘Famous bleu raincoat’ van Cohen.   1989 : Joan Baez begeleid  door gitaar, cello en piano covert ‘Famous blue raincoat’ van Cohen.   1995 : Tori Amos begeleid door piano covert ‘Famous blue raincoat’ van Cohen.   Ook al is het origineel niet te evenaren, deze covers zijn, stuk voor stuk, pareltjes die vandaag gelukkig nog via You Tube of Spotify  kunnen beluisterd worden.   2017 : In November is het een jaar geleden dat Leonard Cohen is overleden.  Toevallig lees ik in DS Weekblad een column van Bernard De Wulf met de titel “Schaduw” en krijg deze flash back:   1953 : Mijn oudste broer is met zijn prille zeventien jaar ‘ingetreden’ bij de Luchtmacht van het Belgisch Leger. Hij zou piloot worden maar een viertal jaar later beslist het noodlot er anders over. Een valpartij met zijn brommer wordt hem haast fataal maar bij wonder overleeft hij.  Zijn pilotendroom moet hij opbergen maar zijn jongere zusjes en broertjes blijven naar hem opkijken in zijn indrukwekkende uniform.   1961 : Ik weet niet wat mij overkomt, maar mijn moeder zegt dat ik nu groot genoeg ben en geeft mij met  Kerstmis mijn eerste pakje sigaretten. Mijn Ma stamt uit de tijd dat al haar broers er vanaf hun dertiende al lustig op los paften.  Het is een geel pakje ‘Laurens filter’.   1963 : Mijn oudste broer is inmiddels getrouwd.  Bij het leger krijgt hij om de zoveel tijd een nieuw uniform. Bij die outfit hoort ook een donkerblauwe regenjas.  Hij heeft zijn oude regenjas niet moeten inleveren en laat hem thuis achter voor een van zijn jongere broers.  De jas is nog als nieuw en op mijn vijftiende voel ik mij de koning te rijk met het imposante kledingstuk.   Veel van de details zijn door de tand des tijds opgevreten maar ik herinner mij hoe ik ’s avonds met opgetrokken kraag in mijn blauwe regenjas het dorp introk.  Als ik dan onder een straatlantaarn liep zag ik voor mij mijn schaduw.  Dan stond ik even stil en stak een sigaret op. Met de rook om mijn hoofd waande mijn schaduw zich James Dean of een andere jeugdheld van het witte doek.   Dank zij mijn broers’ regenjas was het plots niet meer de onbehouwen slungel die in de winkelramen werd weerspiegeld. De jas werd een verlengstuk van mijn opgroeiende mezelf en gaf mij een gevoel van zekerheid en vertrouwen in de onzekere toekomst.   Nog beter werd het toen ik merkte dat bij sommige gelegenheden met neonverlichting er dames vanachter hun etalages opkeken en mij een zwoele blik of guitige knipoog toewierpen. Overwelmend bestaat niet volgens het groene boekje dus houd ik het bij 'overwhelming'.   Pas in 1988 schreef Cohen zijn: 'I am your man'.  Werd ik destijds niet zo door de meisjes overrompeld - ik had hen met die titel van antwoord kunnen dienen.   Onlangs werd in hetzelfde dorp de première opgevoerd van de musical: ‘Meisjes van Plezier’. Graag  had ik hem aan één van de bejubelde artiesten  willen uitlenen, maar helaas MIJN blauwe regenjas is niet meer.    

Vic de Bourg
14 1

Banaan

Ik had al opgemerkt dat hij er zeer goed in was om me  honderduit  over mezelf te laten vertellen zonder ook maar iets over zichzelf los te laten. En bijna was hij er weer in geslaagd.  Hij  had me uitgevraagd over mijn nieuwe job. Maar ik zou me niet laten vangen deze keer en dus vroeg ik hem: wat voor werk doe jij eigenlijk? Oh boy!  Achter het wit van zijn ogen gingen de rolluiken naar beneden en op ’s werelds meest verveelde toon zei hij : “Iets in de reclamewereld”. Het was een duidelijk afblokkingsmanoeuvre maar ik liet me niet zo snel ontmoedigen. “De reclamewereld, dat klinkt interessant”, zei ik aanmoedigend. “Niet echt”, zei hij, zijn stem een toonaard lager. “Maar wat doe je dan juist?” ging ik koppig verder.  Er volgde een haperende stilte waarin ik een dreigende wolk over zijn gezicht zag passeren.  Ik wilde net zeggen dat hij het niet hoefde te vertellen toen hij me toebeet: “Weet je niet iedereen is zo vol van zichzelf als jij”. Waarna hij zijn stoel achteruitschoof, zijn spullen bij elkaar pakte en verdween.  "What the f!" dacht ik en "Zeg, idioot!" Maar aan mijn vriendinnen vroeg ik wat ik nu in hemelsnaam verkeerd had gezegd. "Het is toch niet zo’n persoonlijke vraag?" "Niet iedereen doet zijn job graag", zei Katja schouderophalend "Wie weet werkt hij wel voor de staatsveiligheid en mag hij niet praten over zijn werk", zei Liesbeth "Of misschien is hij zo rijk dat hij helemaal niet hoeft te werken en wil hij dat niet laten merken",  lachte Belle "Of misschien is hij gewoon een eikel", zei Manja "Weer één", zuchtte Suzy Enkele weken later moest ik me aan de uitgang van het metrostation een weg banen tussen een team verkleed als vruchten die zakjes gedroogd fruit uitdeelden.  Ze waren of slecht georganiseerd of gehaast om van hun voorraad af te geraken want ik kreeg ze van overal toegestopt. Het laatste kwam van een gigantische banaan en omdat ik er al drie in de ene en twee in de andere hand had en de banaan een fractie van een seconde aarzelde, viel het op de grond. Automatisch bukten we allebei om het op te rapen.  Maar een banaan dat bukt niet zo makkelijk en zo ramde  mijn hoofd ongewild zijn bananenmaag.  De banaan wankelde achterover,  schoof over de stoeprand en zweefde eventjes in het ijle.  Toen keilde hij om en belandde met een klap op het wegdek  Zelf maakte ik een voorwaartse duik die zeer pijnlijk zou zijn afgelopen ware het niet dat iemand me stevig  bij  mijn arm vastgreep en me zo weer verticaal wist te krijgen. De banaan was echter geheel schilgewijs opengescheurd. En wie rolde eruit? Jawel, de man die iets in de reclamewereld deed.          

Paula Dumont
0 0

Schaduwkind, P.F. Thomése - Schrijver, Karl Over Knausgard - Het beste wat we hebben, Griet Op de Beeck

   Wie vertelt mij het verhaal? Weet hij alles of niet? Wat is het vertelperspectief, wisselt dat?  PF Thomése vertelt over zichzelf of ‘wij’ en richt zich regelmatig tot zijn vrouw/partner met ‘jij’. Maar ook soms rechtstreeks tot het kind met “jij”. Hij zoekt al schrijvend naar antwoorden of naar woorden om zijn gevoelens uit te drukken.  Wat vertelt de eerste zin? Hoe zet de schrijver de ‘toon’? ‘Vandaag een schutting geplaatst’ Hiermee geeft de schrijver aan hoe moeilijk hij het heeft in de omgang met mensen na het verlies van zijn dochtertje. Dit thema komt regelmatig terug in het boekje. Achter de schutting zitten Thomése zelf en zijn vrouw.  Door wiens ogen kijk ik en hoe beïnvloedt dit mijn kijk? Is het maar één persoon of zijn het er meer? De vader van het kind die zijn verdriet en dat van de moeder beschrijft. De vader, de moeder en het kind zijn de centrale figuren. De moeder komt toch maar zijdelings aan bod, waardoor de indruk ontstaat dat ze elk voor zich en weinig samen het verdriet verwerken.  Bij wie ligt mijn sympathie en in hoeverre word ik daarin gestuurd door de verteller? Het kind dat ze amper hebben kunnen leren kennen wordt vanuit heel verschillende hoeken beschreven. Het verlangen naar een toekomst die niet meer zal zijn. Het kortstondige gevoel van de wereld te rijk zijn. Het zoeken naar woorden om dit alles uit te drukken.  Als er meer vertellers, perspectieven zijn, wat zijn dan de onderlinge relaties, wat is ieders rol en motivatie in het verhaal? Hoe verhoudt iedereen zich tot de gebeurtenissen? Er is maar één perspectief. Hoewel er soms over ‘wij’ en soms over ‘jij’ gesproken wordt met zijn vrouw, voelt het toch alsof er tussen hen ook nog een grote afstand is. Er is niet duidelijk een zicht te krijgen op het proces dat de vrouw doormaakt. Het filosoferende, reflecterende wisselt af met hier en daar een kort beschrijvend stukje.  Zijn er personages in het boek van wie ik niet te weten kom wat zij zelf denken? Wat voor rol spelen zij? Alle omstanders komen niet uit de verf. Juist door die schutting. Schuchtere pogingen tot medeleven dringen niet door, vooral het gevoel van niet begrepen te worden door alle andere staat centraal.  Wat zou het verhaal zijn als ik het ‘in goede ‘chronologische volgorde’ zou vertellen? Wat is het effect (voordeel) van door elkaar gooien? Krijg ik uiteindelijk een sluitend verhaal of zitten er gaten in? Door deze ‘verknipte’ stukken is het nog lang raden naar wat er nu echt gebeurd is. De reden van het sterven wordt niet verklaard. Het gaat ook niet om een chronologisch zoeken, de flarden van emoties, de zoektocht, de beelden staan los van elkaar.  Hoe verhoudt de tijd binnen het verhaal zich tot de tijd die nodig is om het verhaal te vertellen? Zijn er sprongen in de tijd en hebben die een functie? Het is onduidelijk over welke tijdspanne dit gaat. Het lijken verschillende losse stukjes rond het thema. Van de verwachting tot de verwerking. Al weten we dat zo’n trauma nooit helemaal verwerkt zal zijn en is het schrijven van dit boekje ook een deel van dat proces. Alles wordt door elkaar gebracht. Het effect is dat de lezer echt het gevoel heeft in die wirwar van gedachten meegesleurd te worden. Het boekje moet met mondjesmaat gelezen worden. Door de zwaarte van het thema. Maar elk tekstje is ook als een snoepje. Neem de tijd om het ene te proeven, te laten nazinderen en nog lang de smaak mee te dragen, vooraleer je een volgend snoepje in je mond steekt. Daardoor is de leestijd van het boekje niet in verhouding met het aantal bladzijden. Ik heb mezelf ook al vaak betrapt op het herlezen van stukken die ik aangaf met de pen. Soms heb ik een heel hoofdstuk (max 2p) aangeduid, omdat ik het smelt voor het geheel en als optelsom van alle prachtige zinnen apart. Cfr De derde stem p. 89-90.  In welke maatschappelijk historische tijd en in welke omgeving speelt het verhaal zich af? Is er maar één periode of locatie? Hoe laat de schrijver de maatschappelijke context mee resoneren in het verhaal? Zijn er dingen die ik over die tijd weet die de schrijver nadrukkelijk of heel subtiel niet in het boek laat doorklinken? Zo ja, waarom is dat dan? Geen aanwijzingen hierover. Het is een tijdloos verhaal over verdriet van ouders die een kind verliezen. Hier een kind dat ze amper hebben kunnen leren kennen. De hoofdpersonages wonen duidelijk in een stad, dat lees je uit de wandelingen door de straten en de tocht achter de ambulance aan.  Moet ik dingen opzoeken om het verhaal te begrijpen? Wat? Neen  Waar ligt de focus van het verhaal? Op de dood van het kleine meisje en wat die met de ouders doet. Op één episode met een duidelijk begin en einde? Eén afgebakend voorval per episode? Waarover gaat het, wat is het verhaalgegeven? Staat er een probleem centraal? Wordt het anekdotische overstegen? Als het verhaal bestaat uit verschillende episodes, hoe is de samenhang tussen de gebeurtenissen, personen, plaats en (historische) tijd en zijn de overgangen dan duidelijk? Het gaat om allemaal ‘losse’ stukken die verenigd zijn rond het rouwproces. Van letterlijke beschrijvingen tot zeer allegorische stukken, afwisselend, vol van beeldspraak en vergelijkingen. Ze lijken zonder specifieke samenhang gebundeld te zijn, toch vermoed ik dat het heel bewust zo is geordend. Langzaam maar zeker ontrolt het verhaal zich en krijgt de lezer een zicht op wat er gebeurde.  Zijn er elementen in het verhaal die steeds terugkomen, die elkaar versterken of steeds een ander aspect laten zien? Kortom: welke motieven en thema’s kan ik vinden? De eenzaamheid van het verdriet, de vervreemding van de anderen. Twee keerpunten in de tijd: de geboorte van het meisje en kort nadien het sterven. De wereld die nooit meer zal zijn zoals voorheen.  En tot slot: kan ik beelden en beeldspraak vinden? Staan er metaforen of zelfs symbolen in het verhaal? En zo ja, hoe sturen zij mijn denken en gevoelens over de personages en het verhaal? Wat is hun functie, waar staan ze voor? Prachtig: het leven als een boek waarvan we zijn vergeten waar we zijn gebleven.  De derde stem: waar hij de zoektocht in het schrijven verbeeldt door twee handen op een piano te beschrijven. Waar hij tussen inhoud en vorm een derde stem zoekt, die door het samengaan van die twee andere ontstaat, maar die hij moet ‘meezingen’ om ze niet te verliezen. Ongelooflijk mooi beschreven! Ik ben vol bewondering voor deze schrijver. Het boek staat vol beelden en metaforen. Dat maakt het net zo sterk. Je leeft mee in de zoektocht van de schrijver in het omgaan met zijn onmetelijke verdriet. Via die beelden en metaforen slaagt hij erin om de lezer – die hopelijk zo’n groot verlies niet moest meemaken – te laten inleven in zijn ervaringen.   SCHRIJVER   - KARL OVE KNAUSGÅRD (deel 5 van Mijn Strijd) (Helaas slechts gelezen tot iets verder dan halverwege – p 360. Ik lees intussen voort maar de kans ik klein dat ik tegen 16 dec het boek uit heb)    Wie vertelt mij het verhaal? Weet hij alles of niet? Wat is het vertelperspectief, wisselt dat? De schrijver, die intussen terwijl hij dit schrijft is doorgebroken, vertelt terugblikkend op zijn studententijd. Vanuit zijn eigen perspectief, niet alleswetend.  Wat vertelt de eerste zin? Hoe zet de schrijver de ‘toon’? De eerste zin geeft aan dat dit boek over 14 jaar in Bergen gaat. De schrijver geeft meteen ook aan dat hij het een vreselijke tijd vond “ik wist zo weinig, wilde zo veel, kreeg niets voor elkaar”. Na een introductie over herinneringen zoomt hij in op het einde van zijn vakantie, waarin hij vol verwachting naar zijn tijd en het studentenleven in Bergen uitkeek. Het eerste stuk is redelijk a-typisch voor het boek dat zich voornamelijk in Bergen afspeelt.  Door wiens ogen kijk ik en hoe beïnvloedt dit mijn kijk? Is het maar één persoon of zijn het er meer? Door de ogen van de jonge Karl Ove. Die als het ware midden in het verhaal leeft. We worden chronologisch een zeer gedetailleerd meegenomen in zijn herinneringen.  Bij wie ligt mijn sympathie en in hoeverre word ik daarin gestuurd door de verteller? De ik-figuur staat centraal, zijn vrienden, liefdes en familie krijgen via hem mee de sympathie. Hij stuurt de lezer dus mee in zijn ervaring.  Als er meer vertellers, perspectieven zijn, wat zijn dan de onderlinge relaties, wat is ieders rol en motivatie in het verhaal? Hoe verhoudt iedereen zich tot de gebeurtenissen? Er is maar een verteller. En tot nu toe ook maar een perspectief. Hij vertelt heel chronologisch, in tegenstelling tot eerdere boeken (bv Vader) waar hij vaker in- en uitzoomt.  Zijn er personages in het boek van wie ik niet te weten kom wat zij zelf denken? Wat voor rol spelen zij? Alles gebeurt honderd percent vanuit de ogen van de jonge Knausgård. Hij is heel verhalend maar interpreteert amper wat de anderen zouden denken. Hij vertelt vooral wat hijzelf of dat moment denkt dat ze denken. Hij onderneemt ook weinig pogingen om zich in te leven in de gedachten van de anderen.  Wat zou het verhaal zijn als ik het ‘in goede ‘chronologische volgorde’ zou vertellen? Wat is het effect (voordeel) van door elkaar gooien? Krijg ik uiteindelijk een sluitend verhaal of zitten er gaten in? Dit is erg chronologisch opgesteld. In tegenstelling tot een aantal andere van zijn boeken, nl Vader en Liefde, waar vaak in tijd en locatie wordt geswitcht.  Hoe verhoudt de tijd binnen het verhaal zich tot de tijd die nodig is om het verhaal te vertellen? Zijn er sprongen in de tijd en hebben die een functie? Van het einde van een vakantie, eerste schooljaar (in de schrijversopleiding) in Bergen en nadien de studie literatuurwetenschappen in dezelfde studentenomgeving. Ook zijn vakantiewerk in een instelling voor zwaar mentaal gehandicapten komt uitgebreid aan bod.  In welke maatschappelijk historische tijd en in welke omgeving speelt het verhaal zich af? Is er maar één periode of locatie? Hoe laat de schrijver de maatschappelijke context mee resoneren in het verhaal? Zijn er dingen die ik over die tijd weet die de schrijver nadrukkelijk of heel subtiel niet in het boek laat doorklinken? Zo ja, waarom is dat dan? Bergen staat centraal in dit boek. Verder enkele bezoeken aan familie of vakantie. De tijd wordt weliswaar aangegeven in de eerste zin (1988-2002), misschien zijn de muziekbands waar hij over spreekt nog het meest duidend over dat tijdperk. Ook de mindere aanwezigheid van IT is opvallend. Zo blijft Karl Ove een hele tijd aan zijn huis gekluisterd in de hoop dat het meisje van zijn dromen zou langskomen. In deze tijd van mobiele communicatie zou dit niet meer denkbaar zijn.   Moet ik dingen opzoeken om het verhaal te begrijpen? Wat? Neen, ik moet wel even gaan opzoeken wanneer de schrijver geboren is om de vorige vraag te kunnen beantwoorden. Maar om het boek te begrijpen is dat niet nodig.  Waar ligt de focus van het verhaal? Op één episode met een duidelijk begin en einde? Eén afgebakend voorval per episode? Waarover gaat het, wat is het verhaalgegeven? Staat er een probleem centraal? Wordt het anekdotische overstegen? Als het verhaal bestaat uit verschillende episodes, hoe is de samenhang tussen de gebeurtenissen, personen, plaats en (historische) tijd en zijn de overgangen dan duidelijk? Zijn studententijd waarin hij wel weet dat hij schrijver wil worden, maar zich erg onzeker voelt. Het is eigen aan Knausgard dat hij zich bijzonder open en kwetsbaar opstelt, de lezer meeneemt in al zijn twijfels en wroeten. Hij kijkt meewarig terug op zijn eigen naïviteit en onzekerheid. Op de eerste bladzijde zegt hij dat hij het een vreselijke tijd vond en vat het zo samen: “ik wist zo weinig, wilde zo veel, kreeg niets voor elkaar” Knausgard neemt de lezer mee in zijn zeer dagelijkse gewone bezigheden. Hij beschrijft ze met een enorme accuraatheid, alsof hij ze nog maar net heeft meegemaakt. Hij slaagt erin een permanente spanningsboog te creëren waarin je telkens denkt ‘en nu gaat het gebeuren’ maar er gebeurt niets bijzonders. Al zijn boeken uit ‘Mijn Strijd’ slepen me mee in zijn wereld, het is alsof je de mens persoonlijk kent. Ik heb hem ook gezien bij Bozar in Brussel, hij sprak over zijn strijd en zijn boeken en tekende dit exemplaar voor me.  Zijn er elementen in het verhaal die steeds terugkomen, die elkaar versterken of steeds een ander aspect laten zien? Kortom: welke motieven en thema’s kan ik vinden? De overgang naar het studentenleven, het op eigen benen staan en het volwassen leven. Zijn zoektocht als schrijver, zijn onzekerheid over zijn schrijven zowel als over zijn sociale contacten.  En tot slot: kan ik beelden en beeldspraak vinden? Staan er metaforen of zelfs symbolen in het verhaal? En zo ja, hoe sturen zij mijn denken en gevoelens over de personages en het verhaal? Wat is hun functie, waar staan ze voor? Knausgard schrijft heel beeldend, hij brengt zijn omgeving met erg mooie woorden tot leven, maar is vooral erg realistisch. Soms verglijdt zijn beschrijving – zoals van een nat geregend bos- van een mooi beeldende weergave haast ongemerkt in een metafoor: hij vergelijkt de knoestige stammen en takken met de verwrongen lichamen in de instelling voor gehandicapten waar hij werkt.   Het beste wat we hebben – Griet Op De Beeck Intro: Dit boek komt niet voor op de lijst (is ook nog maar recent) en zou in eerste instantie ook niet autobiografisch genoemd worden, ware het niet dat Griet Op De Beeck bij het verschijnen ook publiekelijk over haar eigen traumatische ervaring heeft verteld. Dit geeft het boek wel een erg autobiografisch aspect. Ik koos bewust om dit boek te lezen, omdat ik zelf worstel met de vraag hoe expliciet autobiografisch ik wil schrijven of in hoeverre ik thema’s uit mijn eigen leven in een fictieverhaal wil verwerken.  Wie vertelt mij het verhaal? Weet hij alles of niet? Wat is het vertelperspectief, wisselt dat? De alwetende verteller is hier aan het woord vanuit de ogen van Lucas. Het is Suzanne, de zus van Lucas die als incestslachtoffer de personificatie is van de ervaring van Griet.  Wat vertelt de eerste zin? Hoe zet de schrijver de ‘toon’? “Hij had er drieënveertig jaar over gedaan om erachter te komen, maar hij was niet gemaakt om zich schrap te zetten.” Deze zin geeft aan dat deze man op deze leeftijd op een keerpunt in zijn leven staat. Daarmee weet je dat er duidelijk een nieuwe ‘fase’ start als het over zelfinzicht gaat.  Door wiens ogen kijk ik en hoe beïnvloedt dit mijn kijk? Is het maar één persoon of zijn het er meer? We kijken door de ogen va Lucas naar het gebeuren en het verleden. Het beïnvloedt zeker de kijk van de lezer. Zo stel ik me de vraag wat de achtergrond en (jeugd)ervaring van Isabelle is, die als hard en ambitieus wordt omgeschreven. Er wordt geen inzage gegeven in het waarom zij is zoals ze is, terwijl Lucas dat wel heel sterk doet als het gaat over zijn zus Suzanne, hemzelf of zelfs bij Pippa (zijn stiefdochter).  Bij wie ligt mijn sympathie en in hoeverre word ik daarin gestuurd door de verteller? De sympathie ligt bij de hoofdpersoon, diens zus en zijn nieuwe vrienden. Cfr hierboven, waar ik vind dat Isabelle wordt onderbelicht, zij wordt -weliswaar mild- als boosdoener afgeschilderd omdat zij geen behoefte voelt aan verdieping of (zelf)reflectie.  Als er meer vertellers, perspectieven zijn, wat zijn dan de onderlinge relaties, wat is ieders rol en motivatie in het verhaal? Hoe verhoudt iedereen zich tot de gebeurtenissen? Er is maar één perspectief  Zijn er personages in het boek van wie ik niet te weten kom wat zij zelf denken? Wat voor rol spelen zij? We krijgen vooral van Isabelle weinig zicht op haar innerlijke wereld. Het is net dat waar Lucas het zo moeilijk mee heeft, dat hij zij zo weinig gevoel lijkt te tonen. Ook de ouders en hun motieven zijn niet belicht. De vraag: ‘hoe komt het dat ze zijn zoals ze zijn’ wordt maar bij enkele personages uitgediept en bij anderen helemaal niet.  Wat zou het verhaal zijn als ik het ‘in goede ‘chronologische volgorde’ zou vertellen? Wat is het effect (voordeel) van door elkaar gooien? Krijg ik uiteindelijk een sluitend verhaal of zitten er gaten in? Het zijn juist de herinneringen die in stukken en brokken naar boven komen die mee bepalen hoe Lucas zich voelt. Ook zijn eigen twijfels over zijn relatie met Isabelle, met zijn werk en met de wereld worden gevoed met het terugblikken op het verleden. Het is een sluitend verhaal, vanuit Lucas zijn herinneringen. Maar chronologisch zou dit geen mooie spanningsboog opleveren.  Hoe verhoudt de tijd binnen het verhaal zich tot de tijd die nodig is om het verhaal te vertellen? Zijn er sprongen in de tijd en hebben die een functie? Het hele verhaal speelt zich op enkele weken tijd af, waarin Lucas aan de brug gaat wonen. Maar deze tijd gebruikt Lucas om terug te blikken op zijn kindertijd, zijn relatie van het begin tot waar ze momenteel gekomen is.  In welke maatschappelijk historische tijd en in welke omgeving speelt het verhaal zich af? Is er maar één periode of locatie? Hoe laat de schrijver de maatschappelijke context mee resoneren in het verhaal? Zijn er dingen die ik over die tijd weet die de schrijver nadrukkelijk of heel subtiel niet in het boek laat doorklinken? Zo ja, waarom is dat dan? Het boek is redelijk los van tijd en locatie geschreven, waardoor het herkenbaar kan blijven voor vele lezers. Anderzijds speelt het boek wel erg in op de hedendaagse thematieken: nl psychiatrie, onverwerkt verleden, nieuw samengesteld gezin, … Het verhaal speelt zich vooral af in de omgeving rond de brug of bij bezoeken aan de psychiatrisch instelling. Aan het einde bezoeken we ook het ouderlijk huis en een restaurant.  Moet ik dingen opzoeken om het verhaal te begrijpen? Wat? Neen  Waar ligt de focus van het verhaal? Op het proces dat Lucas doormaakt met al zijn twijfels. Een midlife crisis zouden sommigen het noemen. Op één episode met een duidelijk begin en einde? Eén afgebakend voorval per episode? Waarover gaat het, wat is het verhaalgegeven? Staat er een probleem centraal? Wordt het anekdotische overstegen? Zijn verblijf in het huis aan de brug. Vanaf de beslissing te vertrekken tot aan de knoop die hij doorhakt mbt zijn relatie. Als het verhaal bestaat uit verschillende episodes, hoe is de samenhang tussen de gebeurtenissen, personen, plaats en (historische) tijd en zijn de overgangen dan duidelijk?    Zijn er elementen in het verhaal die steeds terugkomen, die elkaar versterken of steeds een ander aspect laten zien? Kortom: welke motieven en thema’s kan ik vinden? Elk van de mensen die Lucas aan de brug ontmoet, zijn aanvullend in zijn zoektocht in het leven en geven hem weer een nieuwe kijk (de 11-jarige jongen, de oude dame, de jonge vrouw).  En tot slot: kan ik beelden en beeldspraak vinden? Staan er metaforen of zelfs symbolen in het verhaal? En zo ja, hoe sturen zij mijn denken en gevoelens over de personages en het verhaal? Wat is hun functie, waar staan ze voor? De brug? Een sprong maken of niet?  

Marieke Genard
164 0

Hoe is Sinterklaas een grote fan van Madonna geworden?

Er waren in Vlaanderen zeer veel brave meisjes en jongens. En vele van hen stonden in een lange rij in het Huis van de Sint te wachten tot zij met allerhande vragen de goedheiligman konden bestoken: wat hij nam als ontbijt, welke fiets hij had, hoe de naam was van zijn moeder en of hij ook een ezel had.   Toen die laatste vraag door Lars werd gesteld begon de Sint te bulderlachen, zodanig dat de jongeman bijna van schrik wegliep. Maar de jongen werd al vlug getroost toen Sinterklaas aan Nicodemus, zijn Opperpiet, vroeg om dichterbij te komen.‘Kijk,’ zei hij toen, ‘dat is mijn ezel, want hij draagt de allerzwaarste zakken en hij sleurt die over de berijmde en besneeuwde daken mee’.Mijn grote baas heeft toch een speciale zin voor humor, vond die brave helper, maar hij vergaf het hem want ze waren al eeuwenlang bevriend.‘Mag ik nog iets vragen beste Sint,’ vroeg het kleine baasje.‘Natuurlijk, ga je gang, Larsje,’ stelde de oude hem gerust.Of hij van moderne muziek hield, wilde de dreumes weten.‘Jazeker, ik ga met mijn tijd mee hoor. Honderdvijftig jaar geleden waren dat de walsdeuntjes en de operettes, maar nu zie ik Beyoncé en Katy Perry wel zitten hoor.’Lars kon zijn oren niet geloven. Hij hoorde de namen van de idolen van zijn oudere zus.‘Maar heb je ook een favoriet?’ wilde hij toch ook nog weten.‘Ja, ik heb een favoriete en dat is die al wat oudere maar toch wel getrouwe Madonna,’ bekende de oude snoeper.Van Madonna had het kleine jongetje nog nooit gehoord maar dat moest ie dan maar eens vragen aan zijn mama en vooral aan zijn papa had Sinterklaas vervolgens gezegd.‘Ik zal je verklappen waarom ik zo’n fan geworden ben van deze dame,’ wilde de muzikale kindervriend er nog aan toevoegen:‘Tijdens de afgelopen zomer, om precies te zijn op 15 augustus, was er een feestje in de hemel. Iedereen zou een nummertje opvoeren. En moeder Maria mocht beginnen. Zij steeg tot helemaal in de nok van de hemel en deed toen een imitatie van Madonna en ze zong “Like a virgin”. Heel de hemel stond op zijn kop. Sinte Pieter was van zijn wolk gevallen en was de sleutel van de hemelpoort bijna kwijtgespeeld. Het engelenkoor was helemaal buiten adem want de serafijntjes en de cherubijntjes waren enkel gewend om psalmen en madrigalen te zingen en geen stomende popmuziek. Sint Jozef deed alsof hij een ferm stuk in zijn voeten had en riep voortdurend: “Zie daar de onbevlekte gevangenis”. Gelukkig kon de zoon erom lachen. Hij had het feest georganiseerd en iedereen was na afloop dik tevreden. Met Kerstmis zou er opnieuw een fuif gehouden worden had hij ons verzekerd. Er zou dan tevens voor speciale verlichting gezorgd worden, iedereen zou pakjes krijgen en er zou voor één keer geen rijstpap met gouden lepeltjes worden gegeten, maar wel ganzenlever en everzwijnensteak. Er was maar één voorwaarde gesteld: iedereen moest een week later zorgen voor een mooie nieuwjaarsbrief. We hebben toen dadelijk Sint Sylvester en het heilig paterke van Hasselt ingeschakeld om ons daarbij te helpen. Ja, beste Lars, het is dus sinds deze zomer dat ik zo’n grote bewonderaar van deze zangeres ben geworden, maar natuurlijk kan niemand tippen aan Maria.’‘Maria, die ken ik niet en die heb ik nog nooit op Tv zien optreden,’ moest de verbaasde kleuter wel toegeven.‘Kijk maar eens af en toe op zondagvoormiddag,’ zei Sinterklaas, ‘maar vergis je niet van zender want dan zit je misschien met K3 opgezadeld en sorry hoor, die meisjes kunnen niet tippen aan Madonna, laat staan aan Maria.’

Marc M. Aerts
44 1

Voornaam

Dit jaar valt het nog mee.  Het was pas rond de dag van de Wapenstilstand herdenking dat er Sinten uit chocolade en speculaas in de winkels opdoken.  Verleden jaar was dat al rond Allerheiligen.    Alleen de concurrentie van de Kerstmannen valt tegen want die hebben hun versieringen al overal opgehangen.  Gisterenavond schrok ik mij een hoedje toen ik op de Leuvensesteenweg verblind werd door de overdadige en hoogst wansmakelijke Kerstverlichting van een villa of wat er moet voor doorgaan.   Wij zijn vandaag pas 1 december, dus nog  5 keer slapen voor de Sint komt.  Onze noorderburen moeten maar 4 keer meer slapen want zij houden reeds op 5 december hun pakjesavond.  De Nederlanders zijn altijd al wat ‘gedrevener’ geweest dan hun zuiderburen.  Ze zullen nooit toegeven dat ze op zeker willen spelen om als eersten de buit binnen te halen. Gelukkig weet de Sint beter en reserveert dan ook de betere chocolade, marsepein en speculaas voor de Belgskes.   Inmiddels weten wij dat de schimmel van de Sint ‘Slecht weer vandaag’ heet maar wie hoorde ooit het verhaal over de voornaam van Sinterklaas?   In de klaasperiode ziet men in haast alle groot- en kleinwarenhuizen, sportclubs, scholen, verenigingen, enz… de ‘helpers’ van de enige echte Sint opduiken.  Soms prachtig uitgedost, soms , zoals Toon Hermans zaliger reeds opmerkte, met het tafelkleed van de salontafel op de rug waarop de afdruk van de asbak te zien is.   Zo is Jefke met zijn mama naar één van de vele tronen van de Sint getrokken.  Bij thuiskomst toont hij aan zijn papa fier de puntzak met snoep die hij gekregen heeft en zegt: “Papa, ik weet een geheim.” “Zo, Jefke, laat horen”, zegt papa. “Ken jij de voornaam van Sinterklaas?” vraagt Jefke.  Papa kijkt verwonderd en schudt langzaam het hoofd van links naar rechts. “De voornaam van Sinterklaas is Oscar!” jubelt de kleine. “Hu?”, is alles wat de vader kan uitbrengen waarbij hij met een grimas naar de moeder kijkt. “Hoe weet jij dat zo zeker, Jefke?”, vraagt papa. “Toen ik op de schoot van de Sint zat, ging er een gordijntje opzij achter de troon en vroeg een dame aan hem : ‘Oscar, wil je een sjat koffie ?’ – en de Sint antwoordde: ‘Ja, graag Julia.’ “, antwoordt Jefke.   Voor onze noorderbuurtjes: een sjat is een leuk Vlaams woord voor een kopje.

Vic de Bourg
20 2

Waarom Sinterklaas zoveel mag drinken als hij wil

Gezeten op een grote fauteuil met vergulde poten en dito armleuningen en met boven zijn mijter een overdadig met brokaat versierd baldakijn, reikte Sinterklaas met zijn rechterhand naar het lege glas. Hij had aan de winkelverantwoordelijke uitgelegd dat zij best de fles ook maar op het tafeltje kon neerzetten. Dan moest hij haar niet telkens lastig vallen om zijn glas bij te vullen. Blijkbaar viel het niet in goede aarde bij de kwezelachtige bazin van de plaatselijke supermarkt. Het had haar sowieso al niet aangestaan toen de Sint een uurtje eerder een fles whisky vroeg in plaats van de voorziene anderhalve liter frisdrank in plastic uitvoering. Hij had de Schotse godendrank zelf mogen kiezen en dus stond de fles Auchentoshan Solera op het bijzettafeltje te pronken, weliswaar al half geledigd. Er gaat niks boven een lekkere single malt, dacht hij en hij goot het glas nog eens bijna vol. ‘Deze Solera is van een uitstekende kwaliteit jongedame. De naam doet mij aan de Spaanse zon denken,’ probeerde de goedheiligman het mens wat te sussen. Zij vroeg zich enkel af waarom de “classic” niet voldoende was geweest want die was driemaal goedkoper. ‘Mag mijn dochtertje u een vervelende vraag stellen Sinterklaas,’ vroeg een mooie mama waarvan de Sint vond dat ze op een Andalusische schone leek.‘Natuurlijk jongedame,’ antwoordde hij wat verlegen maar door zijn baard en snor zag Rosalie’s moeder niet dat hij tot achter zijn oren zat te blozen. Of was het de whisky die hem parten begon te spelen.‘Vertel eens meisje, wat wil jij weten?’ herpakte hij zich meteen.‘Ik had willen weten beste Sint of je wel zoveel mag drinken? Pintjes en zo, of whisky en …’Het arme kind werd onderbroken door de oude dronkaard:‘Eerst moet ik je zeggen dat je, zoals je mama dat net zo goed voordeed, mij moet aanspreken met “u” en niet met “je”. Dus vanaf nu mag jij mij u-wen en dan zal ik jou je-jen. OK?’‘Dat heb ik goed begrepen Sinterklaas. Ik zal u in het vervolg met u aanspreken maar hoe zit dat nu met die drank?’ herhaalde het meisje gevat.Eerst trok de Sint zijn beide dikke wenkbrauwen naar omhoog maar dan moest hij lachen.‘Jij bent mij toch een uitgekookt persoontje moet ik zeggen mijn beste Rosalie. Maar ik zal jou eens iets verklappen. Iets wat nog niet zo veel mensen weten en zeker geen kleine mensen zoals jij.’Sinterklaas deed teken aan het guitige wicht dat ze wat dichter moest komen en hij fluisterde in haar oor:‘Ik ben een sint, een heilige dus, en heilige mensen kunnen niet dronken worden. En weet je waarom?’Sinterklaas begon al bij voorbaat luidop te schateren: ‘Omdat wij ons altijd in hogere sferen bevinden. Snap je het?’De oude man vond zichzelf wel grappig.Rosalie begreep er niet zoveel van.‘Dag Sinterklaas. Ik zal het zo aan mijn papa vertellen’.Het verbouwereerde ukkie verliet aan haar mama’s arm de supermarkt.‘Mama, hogere sferen, wat zijn dat?’ vroeg het dochtertje wat confuus.‘Daar zal papa aanbeland zijn, als hij straks na het werk op café blijft hangen,’ antwoordde de zwoele Spaanse ad rem.‘Haha, nu begrijp ik het. Die Sint wordt toch echt wel oud hoor.’

Marc M. Aerts
0 1

Doorgetikt

Aan het soppen in de monden, terwijl dat het bloeden niet doet stoppen Porren de poriën open, van nachtmerries, die nog uit moeten komen Krabben de korsten weg die net gegroeid zijn, om dan weer nat bloed te zien stromen, gelogen?   Ik spreek uit mijn ogen, ik zie verdriet, verbittering en mensen die hun eigen leugens gelove, zien soms spoken en raken in hun eigen labyrint verloren Spelen verstoppertje met problemen, wie niet weg is is gezien Krijgen Rode wangen als ze rilatine of antipsychotica zien Terwijl ze zelf leven in wanen Op straten in staten die in de realiteit zelfs niet bestaan Verbeelden zichzelf gezond in het leven te stappen Vallen van trappen, in de valluiken gevallen Doorgetikte tikkende getikten Die beweren te weten wat normaal en wat getikt is Gek genoeg zijn zij de geschiften De shizofreen waar niemand naar durft om te kijken Huilt in bed denkend of hij nog normaal kan blijven Komt thuis drinkt een fles en hoopt dat de stemmen in zijn hoofd wegblijven Het meisje dat altijd maar lacht Sterft vanbinnen van eenzaamheid De angst voor het mislukken deed de student verdrinken in luiheid Wanneer die in het Donker met de muziek meebeent Verdoofd nog enkele lijnen neemt Dagen niet geslapen dagen niet naar de les In plaats van nu te pennen Schreef hij nu enkel met een mes   Van borderline naar geweld Van agressie naar drugs Van drugs naar psychopathie en dan weer helemaal terug Van angst naar depressie Van depressie naar manie Van duizend huilbuien Naar ik ken de wereld nie Van zelfmoordpoging tot poging Door doping tot verdoving Van tabak naar shisha Van shisha naar weed Van weed naar harddrugs Pillen paddo's md speed Lsd XTC enkel spuiten deed em niet   Mensen zoeken obsessief compulsief naar antwoorden Terwijl het bijna staat te lezen op hun voorhoofden Help help help mij Biedt me steun, vriendschap en hou van mij Luisterend oor nergens te bekennen Lachen het weer weg zeggen: die wordt wel weer hoe dat we hem kennen Terwijl hij op de rand van verval zit Trillend nog zijn laatste zinnen op papier zet Men denkt hun problemen te verzinnen Terwijl sommigen ten onder gaan aan Stemmingswisselingen Bipolair de polariteit van de populariteit van stoornissen we denken het is zijn eigen schuld Maar we kunnen ons ook vergissen   Daar loopt er weer zo iemand... Er ging weer vanalles mis Stoor je je aan een stoornis ? Weet dat DAT enkel de stoornis is Doortikkend op de lijnen Hou gezonden en gekken gescheiden? Heb schijt aan alles wat ze schrijven Leer dat ook jij gek bent En dat zult blijven

Anna Borodikhina
37 0

Waarom Sinterklaas soms een slagzin uit “Van Vlees en Bloed” gebruikt.

Het is zaterdag. Baddag dus.Sinterklaas is bloot op zijn mijter na. Hij stapt in een ruime flamingoroze badkuip. Hij heeft vandaag geen zin om zijn haar te wassen. Zijn schedel jeukt nochtans en zijn baard schilfert wat. Maar ’t is toch zo’n gedoe, vindt hij. Hij gaat wachten tot hij terug in zijn Andalusische haciënda is. Daar heeft hij zijn verzameling shampoos die hij van over heel de wereld bijeengesprokkeld heeft. En daar heeft hij ook méér tijd en een flinke haardroger te zijner beschikking om zijn weelderige haardos en knevel te föhnen en in de juiste vorm te brengen.Jaja, Sinterklaas is best een fiere man.   Hij zet de kraan helemaal open. Geen druppel komt er uit.‘Nicodemus,’ roept hij. Zijn Opperpiet kan hem niet horen. Hij staat wat verderop in een gesloten douchecabine. Maar hij heeft hetzelfde droogteprobleem.De Sint stapt dan maar weer uit bad. Afdrogen hoeft niet, want hij is niet nat.Nicodemus komt aangelopen in adamskostuum en niet in zwarte-pieten-pak. Het is een gek zicht: een moorkop op een wit lijf.‘Ook geen water in de douche?’ vraagt de goedheiligman.‘Geen water en ook geen zeep. Geen handdoeken en ook geen washandjes,’ zegt Nico wat knullig.‘Spijtig voor de Gamma. Kom, dan proberen we eens in de Brico, hier om het hoekje,’ zegt Sinterklaas enigszins beteuterd en hij vervolgt:‘Euh Nicodemus, zodra je aangekleed bent ga jij dan eerst met Slecht-Weer-Vandaag naar de carwash? Doe maar alles erop en eraan voor mijn witte schimmel.’Sinterklaas heeft binnenpretjes en roept zijn hoofdpiet nog na:‘Ik ben toch nogal een kerel hé. Met mij kunt ge nog eens lachen’.

Marc M. Aerts
73 1