Lezen

De aanloop

Eind november, begin december. We zitten in volle aanloopperiode. Eerst de aanloop naar het sinterklaasfeest en daarna de aanloop naar Kerstmis. Waarna we in het nieuwe jaar springen. Het is niet voor niets een vermoeiende periode, met al die aanlopen. Zelfs de kinderen worden er moe van. Tijdens het wandelen zagen we een papa zijn dochtertje troosten. Tranen met tuiten en eindeloos snikken. De mamma stond even verder te wachten. Het was de dag dat Sinterklaas naar het stadscentrum kwam. Het zijn voor die kinderen ook best moeilijke dagen. Al die lijstjes, al dat geknip, al die verwachtingen. Maar het lukte de papa om dochterlief te troosten, waarna ze gedrieën hand in hand verder stapten. Bij toeval belandden we samen in hetzelfde koffiehuisje. Van verdriet was helemaal geen sprake meer. Het kan bij kinderen ook zomaar verdwijnen. Wonderlijk toch. Helemaal in orde was het toen de sint met zijn gevolg door de straat kwam gereden. De zwarte pieten, maar ook heel wat kijk- en kooplustigen. Het blijft een curieus gegeven, dat sinterklaasfeest. Want toen een zwarte piet door het raam zwaaide, zetten zelfs de grote mensen hun tas koffie neer. Allemaal vrolijk zwaaiend. Even later kwam ook het allang niet meer verdrietige meisje terug naar binnen. Geen handvol, maar twee handen vol letterkoekjes.     Niet lang daarna wandelden we huiswaarts en kwamen we een groter gezin tegen. Met twee kinderen voorop die vrolijk lachten, want de jongste van de bende, even achterop met de ouders, had al een cadeau. Het was zo een toeter die bij het WK voetbal in Zuid-Afrika opgang maakte. Een vuvuzela. Met een geluid dat je je ergste vijand niet toewenst. De papa hield zijn handen al voor zijn oren. Ik dacht nog, die hebben duidelijk een kat in een zak gekocht. En dat met Sinterklaas.   

Rudi Lavreysen
21 0

Schoenenverslijter

Het gebeurde wel eens dat de meester of juf ons vroeger vertelde dat we onze broek zaten te verslijten op de schoolbanken. Zeker als we weer eens niet aan het opletten waren. De ene leerkracht nam de zegswijze al wat vaker in de mond dan de andere. Ik herinner me dat ik de opmerking in het begin nogal letterlijk opvatte. Ik was bang dat mijn ouders voor hoge kosten inzake nieuwe broeken kwamen te staan als ik mijn aandacht niet bij het bord hield. Och, het is allemaal goed gekomen. In plaats van een broekenverslijter, ben ik eerder een schoenenverslijter geworden. Hoe dat komt weet ik niet, maar op de een of andere manier zijn die van mij snel stuk. Gelukkig is er dan de schoenlapper. Naast het feit dat de schoenmaker uit ons stadje mijn schoenen altijd voortreffelijk weet te repareren, valt er nog iets op als je binnenkomt. Je wordt er verwelkomd door de hond van de schoenlapper. Bij mijn laatste bezoek dacht ik, straf dat hij geen schoenen naar het hoofd gesmeten krijgt door mensen die niet zo tuk zijn op hondjes. Daarenboven vroeg ik me af of hij "Sloef" zou heten, want zijn naam heb ik nog niet te horen gekregen. Een mens denkt wat af, dacht ik nog, terwijl ik mijn beurt stond af te wachten. Want ik stelde me ook voor dat deze hond toch een probleem heeft als hij getraind is op het halen van schoenen of pantoffels. Keuzestress, het is een modern probleem.   Niet lang daarna was ik aan de beurt en kon ik mijn schoenenproblemen op de toonbank leggen. De herstelling was geen enkel probleem. Ik had evenwel vergeten om centen mee te nemen, want je moet er op voorhand betalen, wat niet onlogisch is. Daarom moest ik snel naar de bank fietsen. Toen ik vijf minuten later een tweede keer binnenkwam, begon Sloef opnieuw te blaffen. "Nee, die meneer ken je al", zei de schoenlapper vriendelijk lachend, maar dat maakte weinig indruk op de hond. En bij het afhalen van mijn schoenen schoot Sloef alweer uit zijn sloffen. Misschien wilde hij met zijn geblaf me iets duidelijk maken? Dat ik maar eens in zijn schoenen moest staan? Het zou best kunnen. Al moet ik het wellicht niet te ver zoeken. Hij is gewoon blij dat hij me ziet, met mijn kapotte schoenen. Al kan het ook zijn dat hij telkens met mijn voeten speelt natuurlijk.  

Rudi Lavreysen
7 0

Zwerm

(Eventueel vertelt met een soundscape)   Ik heb al je spullen bewaard. Foto’s, kleren, een duikbril. En je cassettes. Vooral je cassettes. Als je ons huis verliet sprak je boodschappen in. Die kon ik afspelen terwijl ik wachtte.               ‘Ik ben even gaan zwemmen. Ik ben zo terug!           Ik heb havermout voor je gemaakt.           Het staat in de koelkast!’     Je houdt ervan om in het midden van een meer te wonen. Ik ook. Je houdt vooral van de voorbijdrijvende spullen. Verloren spullen van de mensen uit de stad. Je verzamelt ze. Samen verzinnen we er verhalen bij. Op de vensterbank staat je laatste vangst. Een popje met een wit kleed. Een eenzame bruid.   We woonden hier met twee. Of eigenlijk met 887, als je alle verlaten voorwerpen meetelt. Ze staan uitgestald in ons huis. Onze tentoonstelling van wat wij denken dat de stad is.               ‘Ik heb net een zwerm vogels gezien.           Het leek wel of de lucht explodeerde.           Ik ga erachter met de boot.           Ik weet niet hoe lang ik wegblijf.           Misschien zie jij ze ook in de verte.           Goed kijken. Dan zien we hetzelfde.           Daag!’     Het is tien jaar geleden ondertussen. Je bent nog steeds niet terug. Ik wacht op je.   Één keer per jaar zie ik ook de lucht exploderen. Net als jij tien jaar geleden. Dan vliegt de zwerm vogels boven ons huis. Over het meer. Ze blijven dan even hangen en dansen.   Vandaag is het weer zover. Ik wacht. Ik wacht op de vogels. Ze komen vandaag. Ik denk aan jou. Het regent. Het regent steeds harder. Maar dat houdt de vogels niet tegen. Er komt water onder de deur. Mijn sokken zijn nat maar ik wil niet dweilen. Ik moet eerst naar de vogels kijken. Ik moet ze zien en weten dat jij hetzelfde ziet. Je bent gewoon op een andere plek. Maar we gaan vandaag hetzelfde zien. Er komt nu veel water onder de deur.   Mijn voeten zijn nu helemaal nat. Een golf duwt de deur open. Het water stroomt binnen. De stoelen en de tafel dobberen langzaam naar buiten. De verloren spullen drijven een voor een het huis uit. Richting het meer. Ik moet de vogels zien. Ook al regent het, en is alles nat. Ik neem je duikbril. Ik zet hem op en ga naar buiten.   In het midden van het meer drijf ik tussen de verloren spullen. Er komt water in mijn duikbril. De regen tikt zoals tegen een dakraam op het glas.   En dan zie ik ze. De zwerm vogels. Boven ons huis. Ze dansen. Voor mij. Ik kijk. Jij kijkt ook. Vanuit je bootje. Dat weet ik. Wij zien hetzelfde. De vogels dansen. Synchroon. Het regent. Mijn gezicht is nat. Mijn duikbril vol water.               ‘Ik heb net een zwerm vogels gezien.           Het leek wel of de lucht explodeerde.           Ik ga erachter met de boot.           Ik weet niet hoe lang ik wegblijf.           Misschien zie jij ze ook in de verte.           Goed kijken. Dan zien we hetzelfde.           Daag!’

Anke Van Meer
0 0

De weg van het vlees

De weg van het vlees   Alleen de slager, Jean Devilder was getuige van de ontmoeting tussen Lob en Aagje op het dorpsplein. Het was erg vroeg op een zondag. De klanten van zijn slagerij vonden die ontmoeting toeval. Jean geloofde daar niet in; hij was ervan overtuigd dat elk levend wezen ooit een ander levend wezen zou ontmoeten dat bij hem paste. Twee mensen of dieren die elkaar tegenkwamen en besloten om samen verder te gaan: dat was beslist geen onvoorzien voorval. Jean zag het gebeuren. De hond, een buldog, was op het pleintje beland nadat zot Marieke was gestorven. Lob was nog een puppy toen Marieke hem in huis nam. Hij groeide op en werd een prima waakhond. Dat had de postbode met zijn broekspijp aan flarden hem zuur verteld. In zijn jonge jaren - toen het vreemde Marieke nog leefde - heette hij Lobje. Zo wist Marieke te vertellen toen ze de eerste keer bij Jean binnen kwam en een stuk vlees voor de hond kocht. Voor zichzelf hoefde ze nooit wat. Jean vroeg zich af of ze van knollen en bieten leefde. Met het opgroeien viel het verkleinwoord weg, eerst werd het ‘Lobbes’, en daarna ‘Lob’. Maar nu was zot Marieke een week geleden gestorven. De dikke doktersvrouw, die meer met dieren inzat dan met mensen, vertelde in de slagerij hoe ze de hond onder een struik bij Mariekes huis had zien liggen. Hoe hij lag te janken. De klanten haalden hun schouders op. De vrouw had hem proberen te lokken, maar hij legde het hoofd op de poten en verroerde geen poot. Voor het stulpje van Marieke was een zwarte wagen voorgereden, enkele mensen droegen het vrouwtje in een eenvoudige kist naar buiten. Kort nadien stuurde de gemeente een bulldozer en werd het krotje van Marieke met de grond gelijkgemaakt. Lob was wanhopig naar het dorpspleintje gelopen, had zich gelaten onder de linde gelegd. Jean vond een buldog een vreemde keuze voor een oud vrouwtje. Een hond die niet vooraan stond bij het uitdelen van de schoonheid, maar wel in de rij van de betrouwbaarheid. Hij glimlachte toen hij begreep dat dit het was wat de twee, het vreemde Marieke en de goedaardige lobbes, aan elkaar bond.   En ineens was er dat pienter poesje. Op een dag kwam ze aangewaaid. Jean was voor de derde keer die dag het geld in de kassa aan het tellen toen hij door de openstaande winkeldeur het aanzwellend gebrom van een motor hoorde. Hij keek op en met een luid geraas denderde de motorrijder het pleintje rond, terwijl er in een bocht een zwart bolletje door de lucht zeilde. Dat was Aagje. Jean liep naar achter. ‘Ik heb zojuist een vliegende kat gezien.’ ‘Je moet eens wat vroeger gaan slapen,’ zei zijn vrouw. Ze was nog klein, de poes, een maand of twee hooguit. Ze vloog uit een boodschappenmand die zich in het zijspan van een motor bevond. In die snelle bocht van het dorpsplein was ze er uit gekatapulteerd, zonder dat de motorrijder merkte van de lancering van het harige projectiel. Ze viel pal onder de hond neer, klauwde met haar pootjes in het ijle, bleef dan versuft liggen. Na enkele minuten keek ze naar boven, schrok hevig en wipte als een veertje op waardoor ze voor de tweede keer tegen zijn kaak vloog. Jean moest glimlachen toen hij zag hoe Lob mistroostig om zoveel kabaal zijn kop schudde. Tot zijn vrolijke verbazing gaf de hond haar een paar ruwe likken. Deze keer bleef ze rustig in zijn schaduw nieuwsgierig rondkijken. Op dat moment besloot de slager om het katje ‘Aagje’ te noemen. Van die dag af trokken die twee samen op. Lob was de neus, Aagje was oren en ogen. De slager zag het angstige en nerveuze poesje opgroeien tot een rustige en zelfverzekerde kat. Haar alertheid en Lobs scherpe reukzin behoedden hen voor allerlei gevaren, of voorzag hen van eten. Het was op zijn minst een vruchtbare symbiose tussen Aagje en Lob, en op zijn best was het een vrolijke, maar diepe vriendschap.   Zo leerde de slager hen kennen, als een onafscheidelijk stel, die leefden als kat en hond. De behulpzame, onhandige Lob, en het slaperige alerte Aagje.   Op een dag zat Jean op zijn knieën de vitrine van de koeltoog te reinigen, de winkeldeur stond open, het warme meizonnetje kwam net zoals het geld weldadig binnen, en zijn vrekkige moeder had enkele weken geleden haar laatste adem uitgeblazen. Wat kon er nog verkeerd gaan? Toen hij puffend met het zeemvel in zijn knuist weer rechtkwam zag hij Aagje op de drempel staan. Met haar kopje een tikje schuin monsterde ze hem. De slager moedigde haar glimlachend aan, gaf een vriendelijk knikje, en knipoogde eens. Tot zijn verbazing knipoogde die zwarte deugniet terug. Jean liep binnen en grabbelde in zijn toog, nam er een schijfje kalfsworst uit. Hij hield het in de lucht en zwaaide er mee, boog door zijn knieën, en stak het in de richting van de aarzelende poes. Maar Aagje kende haar wereld, en bleef lief op de drempel staan kijken. Beetje bij beetje kwam hij dichterbij, en legde het stukje kalfsworst behoedzaam op de drempel. Toen bleef hij toekijken. De poes bewoog niet. Hij keek haar een tijdje peinzend aan. ‘Wel poes, lust je het niet?’ Maar Aagje bleef hem vragend aankijken. De slager zuchtte, ging terug naar de koeltoog en nam een ander stukje vlees. Toen hij zich weer omdraaide was de poes mét het stukje vlees verdwenen. Een beetje verder zaten kat en hond broederlijk het stukje kalfsworst op te eten. Jean schudde het hoofd en klopte zijn zeemvel uit. De hond verzwolg zijn stukje in één hap, en keek weer droevig in zijn richting. Dit had hij nooit meegemaakt. Jean krabde eens in zijn spaarzame haren. Hij hield het hoofd schuin, en floot tussen het spleetje van zijn tanden. Wanneer hij de volgende dag luid zingend zijn etalage stond te poetsen, was die zwarte belhamel daar opnieuw. Ze hield het hoofd schuin, toen hij glimlachend knipoogde beantwoordde ze dat met een trage knipoog. Grijnzend nam hij een mooi stuk worst tevoorschijn, en hij probeerde opnieuw Aagje dichterbij te lokken, weer bleef ze beleefd op de drempel wachten en hield het hoofd halsstarrig scheef. ‘Wel, wel,’ grinnikte hij, ‘jij bent een speciale poes!’     Hij wist wat hem te doen stond. Hij wandelde naar de deur, legde het stuk worst op de drempel. Net zoals de dag daarvoor wachtte de poes. Hij dus ook. Hij wachtte een kwartier, maar de poes bewoog niet, ze knipperde niet eens met haar ogen. Toen kreeg hij een idee. Hij wandelde naar zijn koeltoog zeggend dat hij een ander stukje vlees ging halen, en toen hij de helft van de afstand afgelegd had draaide hij zich schielijk om. De poes had niet eens bewogen, en het leek wel of ze hem uitlachte. Een eindje verder lag de hond met de kop op de poten. Grinnikte die ook niet? Toen hij zich omdraaide om zijn vrouw als getuige te roepen en zich weer omkeerde was de kat verdwenen. Hij ging naar de deuropening. Daar zaten beide dieren enkele passen verder samen het stuk worst op te smullen. Het leek wel of er op dat onmogelijk trieste gelaat van die buldog een grijns verscheen.   De dag daarop zat de hond wat dichter als was het om hem uit te dagen, maar de poes bleef netjes op de drempel, en hield zich aan hetzelfde scenario. Zo bleef de slager die hele zomer de sluwste trucjes uitvinden om de poes te betrappen op het moment dat ze het stukje vlees in haar bek nam. Het was toverij, bedacht de slager. Hij bleef, ondanks het succes van beide dieren, toch argwanend. Het was en bleef tenslotte een zwarte kat. Die brachten ongeluk. Jean vertelde zijn wedervaren aan ieder die het horen wilde, de mensen werden nieuwsgierig en nooit tevoren draaide zijn zaak zo goed als die zomer. Sommige klanten bleven tot een halfuur na sluitingstijd toekijken of die kat niet stiekem zou toeslaan. Niemand slaagde erin om haar op heterdaad te betrappen. Iemand beweerde dat de oude Frans, die aan de overzijde van het pleintje woonde, het een keer had gezien, maar die lag de helft van de tijd stomdronken op de sofa voor zijn raam te snurken dus dat geloofde niemand. Aagje en Lob werden in de omgeving bekend als het meest succesvolle paar bedelaars en niemand van de drie personages, de kat, de hond noch de slager, voelde zich genoodzaakt om enige verandering in hun ritueel te brengen.   Op een donderdagochtend in september slofte de slager naar zijn brievenbus. Hij opende die met een lichte glimlach die wegtrok toen hij de bekende bruine belastingomslag ontdekte met daarop zijn naam ‘Jean Devilder’, en de inhoud ervan begon te lezen. Eerst keek hij bedenkelijk, toen trok hij wit weg, en liep tenslotte paars aan. Zwaaiend met die bruine omslag liep hij met grote passen vloekend naar achter. Een half uur later werden zowel de buurt als de klanten in de winkel opgeschrikt door een ijselijk gebrul, toen een kletterend geluid, zoals een mes zou klinken dat op een stenen vloer valt, en meteen daarop kwam Jean vloekend en met grote passen naar buiten gelopen, zijn hand onder het bloed. Toen hij de open monden van de verbaasde klanten merkte klapte de zijne dicht. Zo keken ze elkaar enige seconden aan, toen riep hij: ‘Ik heb me gesneden!’ De slagersvrouw toverde een dappere glimlach tevoorschijn en sleurde Jean naar achter om de hand te verbinden. De klanten keken elkaar met opgetrokken wenkbrauwen aan wanneer ze zijn gejammer hoorden. De derde resem vloeken kwam later op de dag, een uurtje voor sluitingstijd, toen zijn lieve vrouw hem voorzichtig op de hoogte bracht van de komst en erger: het nakende verblijf van zijn schoonmoeder. Die tang zou hem minachtend monsteren als een te vet achterkwartier. Net als die dag toen hij met haar dochter trouwde. Hij was nooit een goede partij geweest, hij had niet het vereiste diploma, was van arme komaf. Ze was bovendien vegetariër. En juist op het moment dat hij met de hakbijl in zijn handen woedend naar buiten keek om te zien of dat kadaver van een schoonma nog niet de straat in kwam waggelen, merkte hij de zwarte kat op de drempel. Die zat hem lieftallig te bekijken en wierp hem een knipoogje. Hij wierp wat terug: met een zwaai vloog de zware hakbijl door de lucht. ‘Jij bent de oorzaak van al die tegenslag, jij vuile zwarte kat, jij ongeluksbrenger!’ De bijl zoefde door de lucht en miste op een haar na de kat die recht veerde, een halve meter de lucht insprong, en naar buiten spurtte, recht de straat over, ze zag niet eens de zware truck aankomen, remmen piepten, iemand gilde en met een klap belandde Aagje in de goot. Ze klauwde enkele seconden hulpeloos met de pootjes in het ijle, en toen bleven die stil. Lob had dit tafereel met stijgende verontrusting gadegeslagen. Toen Aagje voor dood bleef liggen, en in haar ogen een heel dorp wegstierf, krabbelde hij jankend recht en viel met ontblote tanden, een grauw en een grom de slager aan. Jean deinsde achteruit de winkel in, wou de deur nog dichtgooien maar hij was te laat. Hij gleed uit over iets glibberigs en sloeg met zijn hoofd op de marmeren toogbank en Lob stortte met een kletterend lawaai over hem heen in de vitrine van de koeltoog, glas zweefde naar alle kanten, Jean hoorde zijn vrouw gillen, er was een kluwen en een gehijg rond hem, toen was er niets meer. Overal droop bloed. Er vielen nog enkele glasscherven en toen werd het doodstil in de winkel. De slagersvrouw gilde, het hoofd van haar man lag in een vreemde hoek opzij, en keek in de richting van de deur. In de keel van Lob stak een messcherp stuk glas, en donker vocht gulpte uit de slagader.   Uit de huizen kwamen vrouwen naar buiten. De chauffeur van de truck stapte uit zijn cabine. Een buurman begon met zijn mobieltje te telefoneren. De truckchauffeur wees naar Aagje. Iemand riep iets over die dekselse kat. Andere mensen wierpen boze blikken in de richting van de hond wiens huid nog rilde. Lob zuchtte nog één keer en bleef stil liggen. Een ambulance kwam met zwaailichten aangestoven. Er werd gemompeld en gewezen. De twee witte uniformen liepen met de slager op de berrie naar de wagen. Aan de achterzijde ervan wisselden ze een blik en sloten de deuren. Als een gillende kat vloog de ambulance weer richting stad.    

simondupee
0 0

# MIETOE

Ach ik ben nog steeds een beetje verwonderd dat er nu plotsklaps een, nu al wat oudere, generatie actrices opstaat en luidkeels over seksuele intimidatie en verkrachting begint te roepen. Wat heeft hen belet om destijds de sexy kat de bel aan te binden? Het opstapje naar hun carrière? Was dit een goede rede om jaren te wachten en het potje ongewenste intimiteiten goed ‘gedekt’ te houden? Tot ze eindelijk een glansrol binnenpijpten of de eerste Oscar binnen was? Wat had dat jonge vrouwelijke aankomend talent nu verwacht als een befaamde regisseur hen in zijn suite uitnodigde..dat dit was, om een potje UNO te spelen? Als zo’n talentenscout, na een avondje stappen, zo’n jong op carrière belust ding mee naar zijn kamer uitnodigt, dan is dat meestal niet om een spelletje scrabbelen, maar om een rondje poesje grabbelen te doen. Alleen als je, als leuk naïef meisje, jaren onder een steen geleefd of ergens in een donker religieus gat gewoond hebt, dan kan ik begrijpen dat de alarmbellen niet afgaan. Maar bij alle andere vrouwen moeten toch , bij zo’n ‘kom-je-nog-een-koffie-drinken-in-mijn-kamer-invitatie’, de SOS tekens rond je oren vliegen! En als je dan toch in de val gelokt werd, moest je dan als toekomstige actrice dan niet alert genoeg zijn om op tijd tegen die smeerpoespiet te roepen MIETOE in plaats van jaren later #METOO! Natuurlijk is NEE een NEE. Er lopen inderdaad, in het ‘t is eender welke firma of organisatie, een aantal notoire naast de potpissers rond, die voor de kick hun Willie in het is eender welke vrouw willen rammen. Geef die schuinsmarcheerders dan onmiddellijk lik op (hun) stuk! Doe zoals een aantal Vlaamse actrices gedaan hebben, verwittig je collega’s en zorg dat je nooit met zo’n op seksbeluste vrouwenjager alleen bent, tenzij je van zijn avances gediend bent natuurlijk. Overal waar mannen en vrouwen samenwerken, hangt er een prettige gender verschillende sfeer. En geef nu eens eerlijk toe. Was het niet megastrelend als een roedel bouwvakkers je van op het dak nafloten. Was het niet een reuze opsteker als een collega zei: ‘Meidje, wat zie je er fantastisch uit vandaag.’Wil die man dan stante pede met je tussen de lakens rotzooien?  Misschien wel, maar dat heb je dan toch zelf in de hand.. Is dit seksuele intimidatie? Meestal waren het alleen de dames die nooit op ’t straat nagefloten werden, die nooit enige mannelijke aandacht kregen en die na elk firmafeestje met hun overspelvoorbereiding een blauwtje liepen, die dan ’s anderdaags met veel verontwaardiging verhalen van ongewenste seksuele intimiteiten over de mannen rondbazuinden. Diezelfde dames die steeds met jaloerse blikken naar hun collega’s bleven loeren, die wel nu en dan een complimentje of mannelijke aandacht kregen. Die hun nietsvermoedende vrouwelijke medewerksters roddelend met leugens de grond probeerden in te boren. Wat hadden die graag, na de eindejaarsfuif een paar graaihanden op hun achterste gevoeld. Ik spreek van ondervinding als ik schrijf, dat ook ik door een collega lastiggevallen werd. Toen ik op de zolderverdieping van de firma, waar de papierberg gestockeerd werd, een paar documenten ging uitzoeken, kwam een medewerker achter mij aan en grabbelde naar mijn borsten.  Ik heb toen heel hard geroepen dat ik niet gediend was van zulke onzin en dat hij zo dadelijk het knietje kon krijgen. Toen hij zei, dat hij dacht dat ik interesse in hem had,omdat ik altijd zo lief en vriendelijk lachte, kon ik alleen maar verbijsterd antwoorden, dat ik godverdomme tegen iedereen lief en vriendelijk lachte. Enfin, ik had misschien veel geluk dat de Romeo, zonder verder handtastelijk te worden, teleurgesteld afdroop. Vanaf die dag, kroop hij bijna onder de vaste vloerbekleding langs mijn zitplaats het bureel door…Veel bedreigender vind ik, dat er nu een nieuwe lading haantjes opstaat, die onze meisjes, met een kort rokje of een hotpants aan,  naroepen dat ze een hoer zijn…Zij durven zonder blikken of blozen die meisjes lastig te vallen en als de rest van hun rondhangende schorriemorrie er op staat te kijken, wiebelen zij zelfs met hun hand onder die rokjes …Cool hé! Dus aan alle vrouwen die soms ongewild in zulke situaties terecht komen, laat jullie niet vangen met de vraag om een laatste afzakkertje in zijn kamer. Het enige wat waarschijnlijk zal afzakken is zijn broek. Wees assertief, reageer onmiddellijk, nagel ze met hun kruis aan het kruis en vooral BENEN TOE EN HOU BOVEN ALLES  JE MIE TOE!   Sim,  Edegem  29 oktober 2017    

Sim
71 2

Orkaan Heidi

Niet te stoppen imposant, zo komt ze naar haar toe. Orkaan Heidi komt verwoestend over Cassandra heen gewaaid en doet haar op haar zwakke grondvesten daveren. Haar dunne fundament van stilettohakken en strakke skinnyjeans wankelt. Ze zegt er iets heel gevats bij. Enkele welgekozen woorden, waarmee ze een krachtig statement maakt en Cassandra achterlaat met de beschaamde mond vol tanden en met voor het eerst het besef van wat ze aangericht heeft. Haar stem klinkt best stoer. Ruig als rockers. Ze is groots en ongenaakbaar nu. Ze staat erboven. Ze vindt haar zwakke plaatsen en strooit er kilo’s zout over. Het moet pijn doen. Cassandra valt. Ze kronkelt op een grond van ruwe klinkers en is stil als de hulpeloze worm die ze lijkt. Hoe harder ze spartelt, hoe feller de wonden. (Destijds plukte de juf heel zorgvuldig met een pincet de kleine steentjes uit haar open knieën toen ze op de grintspeelplaats gevallen was na pootjelap.) Maar Heidi plukt niet. Ze duwt krachtig. Ze is sterk en geniet van het berouw. Nu schijnt ze toch iets te willen zeggen. De worm wil gehoord worden. Cassandra’s stem klinkt iel. Maar Heidi verstaat heel duidelijk het woord waar ze al een eeuwigheid op wacht. Van in de lagere school, toen Cassandra haar yoghurtpotje met veel leedvermaak liet ploffen door haar boekentas heel hard tegen de muur te gooien. Op de kermis op het dorpsplein, toen ze haar in het spookhuis had achtergelaten en heel hard had moeten lachen toen Heidi pas een half uur later huilend was buitengekomen. In de Chiro, toen ze haar “per ongeluk” met niet-uitwasbare verf in Smurfin had geschminkt. Elke keer als ze gezongen hadden van “Heidi in Tirol”. Tijdens de les Fysica, toen Cassandra had gespiekt en de lerares dan ook maar Heidi een onvoldoende had gegeven. Toen ze aan Harry was gaan vertellen dat Heidi verliefd op hem was. En of Harry het aan wou met Heidi. Maar Heidi wilde Harry nog in geen honderd jaar. Toen ze gelachen had omdat Heidi de as van haar overleden hond in een hart-hangertje om haar hals droeg.  “Sorry”, piept de worm. “Het spijt me”, zegt Cassandra. Het komt binnen. Het wekt haar tot leven. Als het galmende belletje in de hotellobby, wanneer er niemand aan de balie zit en je de receptionist nodig hebt: “ping”. “Ik zal het niet meer doen, Heidi”. De stormram wordt tot stoppen gebracht. Ze wil niet meer kwetsen nu. Ze voelt zich geheeld. Geen razende orkaan meer. Helder licht en windstil. “PING” Ze hangt de dolby-surround koptelefoon weer in de haak van de Fnac CD-afdeling. Radiohead maakt dromen waar. Muziek geneest kortstondig. Heidi wandelt de trap af, de blik omlaag gericht.

KLG
0 0