Lezen

Voor altijd hier

Liefste   Het is hier heerlijk. Als ik kon, zou ik voor altijd blijven. Gaan we later in Italië wonen?   Veel kusjes   P.S.: Alles doet me aan jou denken. Ik mis je.     Het kaartje hing al maanden tegen de muur boven zijn bureau. Hij keek nog elke dag naar het mooie, sierlijke handschrift, dat tegelijk verraadde dat ze het heel snel had moeten schrijven. Telkens stelde hij zich voor hoe ze daar zat met haar gezin, aan een tafeltje dat eigenlijk te klein was om met vier personen aan te eten, op het terras van een of ander Italiaans restaurant. Hoe ze van haar mama die kaartjes echt wel op dat moment moest schrijven, op die te kleine tafel tussen de gemorste etensresten, terwijl ze dat liever rustig in haar kamer had gedaan. Bij zulke beelden verscheen er onwillekeurig een glimlach op zijn gezicht en tegelijk een traan in zijn ooghoek. Soms streelde hij over haar foto, probeerde hij zich te herinneren hoe zacht ze was, en verzachtte dat de pijn een beetje. Andere keren veroorzaakte dat een heuse waterval met zijn wangen als pijnlijk decor. Het niet weten was misschien nog wel het ergste. Hij wilde stilaan verder met zijn leven, zich klaarmaken voor een nieuwe relatie, maar altijd was er dat ene stemmetje. Wat als ze nog terugkwam? Als ze ineens voor de deur stond en hij een nieuwe vriendin had? Zij zou kwaad zijn en hij een bedrieger. Toch? Misschien was ze wel bewust verdwenen. In dat geval had alleen hij het recht om boos te zijn. De twijfel knaagde aan hem. Ze spookte niet meer constant door zijn hoofd, maar als ze er was, kwam het extra hard aan. Sinds een maand of twee gebeurde dat vooral in zijn dromen. “Ben je die meid nu nog niet vergeten?”, reageerden zijn vrienden als hij probeerde om erover te praten. “Kom op, ze heeft je zomaar achtergelaten. Zo iemand wil je toch niet?” “Ze was je sowieso niet waard,” zeiden zijn ouders. “En is het nog geen tijd om die foto weg te halen?” Hij haalde dan zijn schouders op, negeerde het, veranderde van onderwerp en praatte verder in gedachten.   Een nachtje Spanje “Wil je met me naar de sterren kijken?” Hij knikte, trok haar tegen zich aan en drukte zijn lippen tegen haar kruin. De motorkap van zijn auto zat niet goed, maar dat maakte niet uit. Zij lag in zijn armen, de hemel was vergeven van kleine lichtjes die eigenlijk al lang gestorven waren en die je alleen in het donker kan zien. Ze zaten daar, kusten, knuffelden en zwegen. Elkaars gezelschap was genoeg. “Ik wil voor altijd hier blijven. Komen we later in Spanje wonen?” Zelfs in zijn droom besefte hij dat dat niet klopte – ze wilde naar Italië. Toch knikte hij en beloofde dat ze dat zouden doen. “Met jou wil ik overal gaan wonen. Jij bent mijn thuis.” Dat was goed, ze leek tevreden. De wereld draaide en zij bleven even stilstaan, op hun plekje alleen op een verlaten weg tussen het dorpje en hun afgelegen verblijfplaats, alsof alles voor eeuwig goed zou blijven en niets hen in de weg stond. “Ik houd van jou.” Ze draaide haar hoofd zo dat ze in zijn ogen kon kijken en hij wist dat ze het meende. “Ik ook van jou.” Hij had geen enkel tijdsbesef en bijgevolg wist hij niet hoe lang ze daar zo zaten. Het was veel te lang geleden dat hij nog eens in haar prachtige ogen had kunnen kijken, dat hij die vlinders in zijn buik gevoeld had en dat hij zo intens gelukkig was. Het duurde allemaal veel te kort. Een fractie van een seconde sloot hij zijn ogen, maar toen hij ze weer open deed, was ze weg. Hij zat nog steeds op de motorkap van zijn oude autootje met alleen een gapende leegte naast hem. In de verte hoorde hij een gil en het geluid van een geforceerde motor. De paniek sloeg hem om het hart, meteen daarna het schuldgevoel. Op dat moment werd hij zwetend wakker, zijn wangen vol tranen, zijn borstkas ging snel op en neer. Hij had niet eens gemerkt dat hij was beginnen huilen. Het is niet jouw schuld, fluisterde hij tegen zichzelf. Echt niet.   Hartzeer Hij had die droom wel vaker gehad. Elke keer liep het hetzelfde af, elke keer voelde hij zich even schuldig, elke keer hoopte hij dat ze terug zou komen en zou blijven. Ook elke keer vervloekte hij zichzelf omdat zijn gevoelens voor haar weer een beetje versterkt waren. Ogen zijn maar gewoon ogen, tot ze je in vuur en vlam zetten en je beseft dat ze misschien zelfs een beetje ziel in zich dragen. “Heb je haar weer gezien vannacht?” Zijn mama wist dat ze niet over dromen moest spreken, want het waren eerder nachtmerries, al zou hij ze zo ook niet omschrijven. Het waren beelden, scenario’s, wat gebeurd zou kunnen zijn, wat misschien niet was geweest als hij haar had kunnen helpen. Het waren bijna martelingen. “Ja. Vreselijk.” Ze knikte, liet het onderwerp met rust. Gelukkig herhaalde ze niet nog een keer dat hij haar moest vergeten, dat het tijd was voor een ander, dat zijn verdriet wel heel lang duurde. Hij at langzaam zijn boterham op en vertrok naar de les. Nog steeds zag hij haar lege stoel en deed dat pijn. De aula’s waren niet meer die waarin ze samen hadden gezeten, veel proffen had ze nooit gekend, medestudenten leken er niet aan te denken dat elke plek die zij niet invulden van haar had kunnen zijn. Haar afwezigheid was soms zo pijnlijk dat het leek alsof ze in zijn oren schreeuwde en zijn hart van binnenuit opvrat.   Een avond Londen De lichtjes van de stad verlichtten hun laatste avond in het hart van Engeland. Ze hadden niet veel eerder een laatste keer de eekhoorntjes van St. James’ Park gevoerd, de kirrende lach die zij had uitgestoten toen er eentje over haar been naar boven klom, weerkaatste nog steeds in zijn hoofd. “Je bent zo mooi,” zei hij. “Londen ook.” Hij glimlachte, schudde zijn hoofd, bedacht zich wat een typische reactie dit was en sloeg zijn arm om haar middel. “En het leven met jou.” Ze gaf hem een zoen, alsof ze zo wilde bevestigen dat zij er net hetzelfde over dacht. De wereld was alleen van hen. Een liedje van Clouseau kwam spontaan bij hem op en hij begon zachtjes te zingen. Ik wil jou de wereld geven, die van ons kan niet meer stuk; ‘k neem je mee naar warme oorden op een eindeloze reis, dit zijn meer dan mooie woorden: jij verdient de Nobelprijs. Ze danste om hem heen, over het voetpad, op de straat. “Pas op, er rijden auto’s,” waarschuwde hij haar nog. De lampen van typisch Londense taxi’s, rode bussen en andere voertuigen leken soms meer een spotlight dan een gevaar voor haar. Ze speelde ermee, liet haar witte jurkje in het rond zwieren. Hier was het licht te fel om sterren te zien. Het kwam echter niet eens bij hem op om omhoog te kijken, zij eiste al zijn aandacht op. Zij was zijn ster, zijn licht in de duisternis, zijn alles. Terwijl zij danste, zelf zong wanneer hij er even mee stopte en het verkeer gewoon doorging, droomde hij over hun toekomst, probeerde hij zich in te beelden dat ze daar waren met twee kindjes – een jongen en een meisje en na haar de liefdes van zijn leven. Ze leken meer op haar dan op hem. Getoeter en piepende remmen haalden hem uit zijn gedachten. Hij wilde zijn arm uitstrekken, haar tegenhouden. Het was te laat. Ze vloog de lucht in, werd naar achteren gekatapulteerd. Haar witte jurkje kleurde bijna even rood als de bus die nog maar net kon uitwijken en zijn leven zo zwart als de taxi die ze niet had zien aankomen. Hij schrok wakker. Het was donker in zijn kamer, in zijn hoofd, in zijn hart, overal. Je kon niets voor haar doen, zei hij tegen zichzelf. Echt niet.   Zwart De nacht was zwart, de dag was zwart, alles was zwart. Het rood van liefde leek te zijn verdwenen, zelfs die voor haar. Enkel ’s nachts keerde het af en toe nog terug, heel kort. Hij klom langzaam uit zijn dal, kon bijna accepteren dat ze niet meer terug zou komen.   Een dag Italië Ze zaten samen in een restaurantje in Italië. De tafel was groot genoeg voor twee, maar die voor vier waren eigenlijk te klein om met een gezin aan te eten. Het rook er naar pizza en pasta. “Proscuito e melone,” bestelde ze. Dat deed hem altijd even glimlachen. In warme landen was meloen met ham haar lievelingsgerecht, dat wist hij al. “Zullen we nu onze kaartjes schrijven?” Eerst protesteerde ze, ze wilde tijd om na te denken wat erop moest, om te beslissen wie welk kaartje kreeg en mooi te schrijven. Hij wist haar om te praten: hier in San Gimignano hingen postbussen en dan hadden ze een stempel van haar favoriete Italiaanse dorpje. Ideaal, vond hij. Oké, vond zij. Na even nadenken schreef ze op elk kaartje hetzelfde. Het is hier heerlijk. Zonnige groetjes uit Italië. Hij vond het nogal onorigineel, maar wist zelf ook niets beter te bedenken. Alleen bij het kaartje voor haar ouders schreef ze een zinnetje extra. Als ik kon, zou ik voor altijd blijven. “Gaan we later in Italië wonen?” Dat was tegen hem en hij knikte. “Het maakt me niet uit waar we wonen, jij bent mijn thuis.” Daarop pakte ze zijn hand vast, drukte haar zachte lippen er tegenaan en gaf hem zo onbewust duizenden vlinders. “Te quiero.” Ze lachte. “Dat is Spaans, slimmerik.” Hoe het in het Italiaans dan moest, wist ze niet. Ze schreven verder kaartjes en zij wilde aan alle postzegels likken, want dat vond ze lekker. “Vreemde smaak heb je.” Daarop kaatste ze de bal echter meteen terug. “Besef je dat je net ook jezelf hebt beledigd?” Het duurde even voor het tot hem doordrong wat ze bedoelde. Er verscheen spontaan een pijnlijk grimas op zijn gezicht en hij bewoog zijn hoofd heel zachtjes op en neer. Onderweg terug naar de auto postte ze de brieven, draaide ze rondjes onder zijn armen door, zoende ze hem op de meest onverwachte momenten op de vreemdste plaatsen. Mensen draaiden zich om en keken naar hen, maar dat maakte niet uit. Hij was trots op haar, op zijn eigen, gekke, lieve vriendin. Die avond zaten ze samen op het terras van hun Bed&Breakfast, keken naar de heuvels en eindeloze boomgaarden die zich voor hen uitstrekten. Af en toe vlogen er vogels voorbij, kwamen er merels drinken aan het zwembad, deed een wesp haar van haar stoel opspringen. “Weet je dat ik schreef dat ik hier zou willen blijven wonen?” “Ja, dat heb ik gezien.” Ze slikte, draaide haar hoofd lichtjes opzij en vermeed elk oogcontact. “Ik heb hier een studiootje gevonden. In Rome, eigenlijk. Morgen trek ik erin, overmorgen laat ik mijn naam veranderen en binnen drie dagen ben ik verdwenen in de massa. Zoek me niet, alsjeblieft. Het spijt me echt. Ik wil gewoon verdwijnen.” Hij werd wakker met tranen op zijn wangen, zijn hoofd begraven in zijn kussen. Het is haar eigen keuze, daar kan je niets aan doen, zei hij tegen zichzelf. Echt niet.   Stilletjes helen Zijn derde droom was het pijnlijkste en zachtste scenario dat hij zich kon voorstellen tegelijk. Ze leefde nog, was vast gelukkig, had ervoor gekozen om te verdwijnen en alles en iedereen achter zich te laten. Dat nam niet weg dat hij zich afvroeg waarom hij niet mee mocht. Had hij iets verkeerd gedaan? Soms dacht hij dat haar ouders misschien wel beslist hadden om in Italië te blijven en een nieuw leven te gaan leiden. Hadden ze geheimen? Wat wist hij allemaal niet? Het brak zijn hart, zijn hoofd, zijn slaappatroon, alles. Het helingsproces leek eeuwen in beslag te nemen. Op de meest vervelende momenten dook ze bij hem op, vroeg hij zich af wat er aan de hand was, of hij wel echt kon doen en laten wat hij wilde, want ze zou zomaar eens plots voor zijn deur kunnen staan. Na twee jaar moest hij wel stilaan accepteren dat dat niet zou gebeuren. Ze was weg, ze bleef weg. Haar lichaam leek onvindbaar, zijzelf ook. De politie schatte de kans dat ze nog leefde in op bijna nul. “Je kon er niets aan doen”, zei zijn mama dan. “Echt niet. Als je mee was geweest op vakantie met haar, dan zat jij hier nu misschien ook niet. Had je dat liever gewild?” Hij schudde elke keer zijn hoofd en meende dat hij het wel goed vond zo. De mogelijke scenario’s in zijn hoofd namen af, het gepieker verdween hoe langer hoe meer naar de achtergrond en een ander meisje begon haar plaats in te nemen. “Nee, dat niet.” Even dacht hij na, toen vulde hij aan. “Ooit ga ik op vakantie naar Italië, naar diezelfde plaatsen, zien wat zij zag en waar ze zo graag voor altijd wilde blijven, hetzelfde avontuur beleven en dezelfde dingen ontdekken. Als ik een lieve vriendin heb om mee te nemen en de kracht om alles te bezoeken zonder me in te beelden dat zij er ook is, dat ze met mij naar huis gaat, dat ze veilig is. Ik hoop niet dat ik haar ga vinden. Ze is weg. Voor altijd.”

Marthe
0 1

Zondagrituelen

Linda en Gert prutsen aan hun quads. Dat is hun zondagochtendritueel. Al jaren. Linda was ermee begonnen toen bleek dat Gert niet zo een viriele man was als hij de eerste vijf jaar liet uitschijnen. De eerste vijf jaar van hun verkering nam Gert immers elk vrij moment te baat om Linda in allerlei posities te grazen te nemen. Linda vond dat leuk. Ze werd graag te grazen genomen; zeker in de tuin wanneer de mogelijkheid bestond dat de frisse moslimbuurman hen kon beloeren. Maar nu wordt Linda niet te grazen genomen. Nu prutst Linda aan haar quad.   Claudia is acht en is de dochter van Linda en Gert. Ze is intelligent, knap, speels, moedig, grappig en bijt elke zaterdagnacht rond twee uur de banden van Linda's quad stuk. Ook de banden van die van Gert moeten eraan geloven. Claudia is namelijk verlekkerd op rubber. Haar droom is om een rubberplantage te beginnen in Congo. In het diepe binnenland van Congo.   Gert: 'Staat ons huwelijk op springen, liefje?' Linda: 'Geef me die moersleutel eens aan.' Gert: 'Ik bedoel... Ik ben ook niet meer gelukkig. Dus kunnen we geen regeling treffen?' Linda: 'Olie alsjeblief.' Gert: 'Ik weet niet of het Midden-Oosten de ideale plaats is om een dochter op te voeden.' Linda: 'Wil je ze?' Gert: 'Wie?' Linda: 'Je dochter.' Gert: 'Heb je het over het hoederecht?' Linda: 'Of co-ouderschap. Ik weet niet hoe die dingen noemen de dag van vandaag. Olie?' Gert geeft Linda de smeerolie. De wrijvingen verminderen onmiddellijk.   Claudia ligt in haar bed te dagdromen over Congolese rubberplantages. Ze mag haar kamer niet uit als straf voor de stukgebeten quadbanden. Al drie jaar mag ze 's zondags haar kamer niet uit. Maar Claudia voelt zich niet alleen. Ze voelt zich nooit alleen, ze dartelt in haar dromen rond tussen de rubberbomen van haar plantage. Ze zal de Congolezen een goed loon uitbetalen, denkt ze. En een quad. Elke Congolees zal een quad krijgen. En een goed loon.   Gert gaat zoals elke zondagavond darten met zijn vrienden. Dat is het moment waarop Linda het huis uit glipt en zich in het bed nestelt van haar frisse moslimbuurman. Hij neemt haar te grazen. Linda valt in slaap. De frisse moslimbuurman durft haar niet wakker te maken. Hij is onder de indruk van haar blondheid en borsten. Hij legt zijn hoofd op haar buik en hoopt dat ze beiden wakker worden in het paradijs maar hij beseft dat dat onzin is en neemt haar nogmaals te grazen. Ze vallen beiden in slaap. Gert ligt dronken te slapen op de vloer van het café waar hij dart. Zijn vrienden hebben dartpijltjes in zijn wangen gestoken bij wijzen van grap. Claudia dwaalt door het donkere huis. Ze heeft honger. Ze ziet de quads en hun banden. Ze kan er niet aan weerstaan.   Het is zondagnacht

Michaël Verest
36 0

Otto, deel 1

We zitten zwijgend naast elkaar in de auto. Bart lijkbleek achter het stuur, ik als in een pijnlijke roes. Het lijkt alsof mijn middenrif tegen mijn rug plakt. Ik probeer Barts blik te vangen, maar hij houdt zijn ogen strak op de weg gericht. De auto krijgt een stevige ruk wanneer een vrachtwagen ons met een rotvaart voorbij steekt. Bart klemt zijn kaken op elkaar, ik weet dat hij inwendig vloekt. Mijn oude Nissan Micra puft en steunt tegen negentig per uur op de rechterrijstrook, terwijl we om de paar seconden voorbij worden gestoken. Voor het eerst sinds we elkaar kennen steekt Bart het niet op de wagen en maak ik geen grapjes over zijn rijstijl. Vandaag heeft ons allebei het zwijgen opgelegd. Wanneer we na tien eindeloze minuten de snelweg verlaten en hij de wagen even later de oprit op manoeuvreert, voel ik hoe mijn lichaam zich overgeeft aan een opslorpende vermoeidheid. thuis. Hij is intussen om de auto heen gelopen en opent mijn portier. Een niet te benoemen gevoel gaat door me heen wanneer hij het wiegje van mijn schoot tilt. Ik onderdruk de neiging om ze uit zijn handen te trekken, stap uit en loop hem moeizaam achterna naar de voordeur. We zwijgen nog steeds. De hiel van zijn linkerschoen is helemaal scheefgelopen en de kraag van zijn hemd zit dubbel. Heel even lijkt het of hij terug mijn puisterige buurjongen is en we allebei weer dertien zijn. Ik weet niet meer wanneer mijn afgrijzen voor hem juist is omgeslagen in liefde. Hij is er gewoon nooit niet geweest. ‘Zal ik hem in zijn wieg leggen?’ vraagt hij zonder me aan te kijken. Ik wil hem vragen wat hij denkt. Of hij boos is op mij. Hem zeggen dat zijn kraag dubbel zit. ‘Ja, dank je. Vind je het goed als ik me even in de zetel leg?’ ‘Tuurlijk, schat. Ik ben in de keuken, roep maar als je me nodig hebt.’ Ik wacht tot hij in de keuken is verdwenen en buig me over het witte babybed. Otto is zo stevig ingepakt dat hij wel een popje lijkt. Hij ziet er prachtig uit. Zijn neus is rond en stevig, zijn kleine lippen zijn perfect gevormd. ‘Wat ben je mooi, lieveling.’ fluister ik tegen zijn volmaakte gezicht. ‘Mijn kleine, mooie Otto.’ Ik leg mijn hand op zijn gemutste hoofdje. De vroedvrouw heeft gezegd dat we daar beter afblijven omdat zijn schedel nog niet helemaal af is, maar ik kan me niet inhouden. Even lijkt het of hij beweegt. Alsof zijn lichaam zachtjes schokt en hij dadelijk zal wakker worden. Ik weet intussen dat hij koud en hard aanvoelt en ik zie de donkere vlek boven zijn linkeroog. En toch krijg ik de gedachte dat hij plots wakker kan worden maar niet uit mijn hoofd. Ik blijf beweging in zijn armen zien. Zoals eergisteren. Eerst bewoog hij zijn vuisten in lichte schokjes, daarna strekte hij zijn vingers en begon hij zijn hoofdje te schudden. Daar was ik niet op voorbereid. Hij opende zijn ogen en keek recht in de mijne. Helblauw. Daarna gleden ze zachtjes weer dicht. Ik heb altijd gedacht dat ik nooit over een vorm van moederinstinct zou beschikken, maar op dat moment voelde ik hoe het me bij de keel greep. Een enkele blik heeft mij van een doodgewone vrouw tot een moeder gemaakt. Twee, hooguit drie seconden. Ik kan onmogelijk uitleggen hoe het komt en hoe het voelt. Als ik lang genoeg naar hem kijk, lijkt het alsof hij zijn ogen toch opnieuw opent. Alsof het allemaal maar een droom was.

Annelies Leysen
0 0

Een blokje om

Om het avondeten te laten zakken proberen we na die laatste hap nog een blokje om te gaan. Al is het eigenlijk niet onmiddellijk na het eten, maar na de onvermijdelijke afwas. We rapen onze moed bij elkaar en we gaan de deur uit, om toch maar die 10.000 stappen per dag te halen. Dus in feite om die al even meedogenloze weegschaal ’s morgens te vriend te houden. Al wil dat wel eens tegenvallen. Net als die afwas. Maar kom, we waren bijna thuis, toen we uit een garage een fiets zagen komen. Een jongen van pakweg 10 jaar duwde die vooruit en niet lang daarna kwam zijn -wellicht- zusje ook naar buiten met haar bloemenfiets. U hebt ze ongetwijfeld al gezien, zo een fiets met een hele reeks bloemen aan het stuur. De jongen sprong als een volleerd ruiter op zijn kleine stalen ros en zijn zus, het bloemenmeisje, had moeite om hem te volgen. We hoorden hem roepen. “Kom, snel, wij fietsen langs hier, hun hebben denk ik de andere richting genomen. Dat is grappig.”    Nu moet u weten, even voordien was ons al een vrolijke bende fietsende kinderen voorbijgestoken. Waarbij die niet toevallig naar dat huis keken, waar broer en zus even later buiten kwamen. Hij wilde ze dus tegemoet rijden, maar koos toch dezelfde richting. Ze fietsten dus in de achtervolging. Met andere woorden, zijn grappig plannetje zou mislukken. Ik meende nog te roepen. “Nee, ze zijn ook die kant uit. Jullie fietsen ze nu achterna.” Maar ik besloot om het niet te doen. Laat hem maar fietsen, dacht ik. Dan had hij het maar moeten zeggen dat “zij” de andere richting hadden genomen. In plaats van die tenenkrullende ‘hun hebben’. Het zal hun leren.    Juist is juist. Dat zegt mijn weegschaal trouwens ook altijd.  

Rudi Lavreysen
0 0

huiszitten

1. ik ben aan het huiszitten. ik zorg voor de katten en de planten en als ik wakker word, strek ik mijn benen omhoog. daarna leg ik de lakens open zodat het bed kan verluchten. ik hou meer van mijn benen als ik ze omhoog strek, dus ik blijf tien minuten liggen om ernaar te kijken. er kloppen regendruppels op het raam; die klinken het mooist in de zomer.  mensen zouden veel gelukkiger zijn als ze wat vaker met hun benen in de lucht naar de regen luisterden.   2. Pax heeft een krulstaart.  ik heb haar gisteren een hij genoemd. ik heb me al vijf keer verontschuldigd en vanochtend leek ze me te hebben vergeven want ze kroop in de holte van mijn schoot  terwijl ik frambozen aan het eten was.  ik heb haar voor de zekerheid verteld dat ik ook overtuigd feministisch ben en ze miauwde en spinde instemmend. we hebben samen naar Orphan Black gekeken.   3. er liggen Marseille-zeepjes op de tafel. ik hou oneindig veel van blokken zeep  omdat je ze tegen je neus kan duwen en de geur dan tot in je hersenen kringelt.  douchegels zijn gemaakt voor doelmatigheid; ze vragen weinig inspanning en hoeven geen bakje. maar er is iets kalmerends aan een washandje inzepen omdat je moet wachten tot het stuk Marseille schuimt  en de hele badkamer naar passievrucht ruikt. dat wil ik nooit vergeten.   4. ik moet bananen en champignons gaan kopen.  het lijkt een beetje op vakantie want ik zoek de weg. in de langste straat rijdt een bebaarde man het gras af;  hij doet het in een ovalen patroon rond een vrouwbeeld.  de postbode draagt een polo en een H&M-bermuda. ik ben verward want ik dacht dat postbodes een uniform hadden maar ik kan me geen andere herinneren dus ik weet het nog steeds niet.  in de winkel wacht ik tot de buurt me ontmaskert als vreemdeling. het gebeurt niet.    5. het zoemen van vliegen klinkt anders  wanneer ze zich in een holle ruimte bevinden.  ik drink thee en maak twee staartjes terwijl de wasmachine draait. ik ben nog nooit zo geslaagd geweest in volwassen zijn. 

Kristien Spooren
19 0

lofdicht aan een schoolgebouw

het was een zomer die warm was, zoals zomers behoren te zijn. op de dag van mijn afstuderen wandelde ik door het bos omdat ik een enige keer iets wilde doen wat niet mocht. ik werd er nerveus van, rebellie is ook maar besteed aan de echte opposanten.   veel liever was ik de leerling die endorfine maakte op de voorste bank. ik hield van nieuwe dingen leren en de oorzaak van het probleem bestond eruit dat alles in de wereld op een andere manier een zekere vorm van intrige vertoonde.      Plato zegt dat mensen ideeën zijn.   men geloofde wel eens dat de school in al haar voegen wist hoe oud ze was. ik voelde me dan geïntimideerd, alsof ik stapte op de rimpels van een geleerde burcht en het glorieuze kraken van gebouwen. de gangen fluisterden dat cultuur de mooiste vorm van verdwalen is.   ik herinner me de lokalen die op slaapvertrekken leken. hoe ik dan dacht dat tijd zoiets als dromen was, en wij de geschiedenis op witte papieren konden verzinnen. het erfgoed tekende de contouren van verbeelding.   ze zeiden dat we leerden vliegen.   we waren vogels, ik een huismus. we broedden onze kennis onder bruggen die leraren stoïcijns gebouwd hadden. ik vond dat een mooi woord, stoïcijns, het deed me denken aan gemoedsrust.   we bladerden door de klassieke oudheid zoals reizigers door een atlas. onze vingers trokken grenzen tussen versvoeten.   het landschap van het schoolgebouw bracht ooit een hert naar de speelplaats.   een leerling was geen lijdend voorwerp. we konden vragen stellen en zelfs de muren hadden antwoorden. later bleken vraagstukken en hoofdletters relatief, toen gesprekken ook in stilte getuigden van een grote dosis menselijkheid.   sommige dingen moeten alleen maar gevoeld worden. als ik groot ben, word ik humanitair werker. ik spreek de taal van tederheid. gelukkig zijn er leerkrachten die weerloos bijna voedzaam en mussen de grootste trekvogels vinden.

Kristien Spooren
0 0

vlinders

een kind zegt dat er vlinders in mijn buik zitten. hoe weet je dat, vraag ik. ik zie het, zegt de jongen. ik kijk naar beneden om na te gaan of er een voelspriet door mijn navel prikt. twaalf opgevouwen vleugels slapen als een middenrif tussen mijn borst- en buikholte. hun achterlijven trillen bij elke uitademing.   doet het pijn, vraagt hij. ik denk het niet, zeg ik. er hebben nog nooit vlinders in mijn buik gewoond. ik denk dat het kriebelt als ze wakker worden. we fluisteren. ik vraag me af of ze aan me vast zitten, en of we dan samen oud zullen worden, hun latente schubben verfrommeld als rimpels in een gedateerde huid. de antennes van insecten dragen gevoelige receptoren die dienen om een geschikte partner te signaleren.   toen ik vannacht in spiegelbeeld naast haar lag, kropen ze comfortabel tussen ons in. ik denk aan hoe het was, met z’n vijven, hoe haar lach, en mijn ogen, hoe haar handen mijn lichaam stroomlijnden zoals chloorwater in een zwembad bij vlinderslag, en hoe we dan in zandlopervorm in slaap vielen, mijn vingers gekruld in de golven van haar haren.   god, ik mis u.   ik zei dat ik mijn ribben voelde lachen. de jongen zegt dat dat niet kan, en dat sommige vlinders vensters in hun vleugels hebben. ze lijken dan hun leven lang op fladderende herfstbladeren. ik hoop dat ze nooit per vergissing in herbaria belanden, naast vergankelijk gedroogde bloemen, hun pootjes wriemelend op dubbelzijdige kleefband onder een kader met naam en toenaam.   wij houden niet van hokjes, vul ik aan. gewoon van elkaar.   het kind vraagt of ik stuifmeel heb. ik denk het niet, zeg ik. ik heb vanmorgen wel aardbeien gegeten. ik heb de pitten uit de frambozen geplukt en ze naar het licht gehouden. er straalden roze stukken zon door. dat vonden we een warme gedachte.

Kristien Spooren
18 1

het zou een boek kunnen worden II

aapje,   toen ik vanmorgen wakker werd lag jij nog te slapen. ik weet niet hoe je het deed, maar je zag eruit alsof je dacht aan geometrische figuren, want je lag met je ene been gestrekt en het andere in driehoek zodat je een vlaggetje vormde. je armen kartelden horizontaal langs je hoofd. ik sloop zorgvuldig de kamer uit om ontbijt te maken.   je werd altijd bijzonder gelukkig van fruit. ik vroeg je ooit wat je lievelingsfruit was en je zei dat je dat een oneerlijke vraag vond omdat het hebben van lievelingsdingen bij definitie bevooroordeeld is.   soms hield je van de veelzijdigheid van nectarines, hoe je gulzig de pit uit de vrucht kon bijten en wedstrijdjes kon houden wie om ter snelst de laatste gele draadjes van de steen knabbelde. soms sneed je een ananas in kubieke stukken of pelde je bananen alsof het dromen waren.   ik zette rozenthee voor je. de dampen kringelden richting slaapkamer want toen ik ermee naar boven kwam hadden ze jouw ogen geopend.   je zag er zo doorzichtig uit.   achter jou waaiden de gordijnen op het ritme van de regen. de wolken hingen netjes gestreken in de lucht.   op de vraag wat je voelde zei je vervolgens:   weet je wat ik het meeste mis aan kind zijn? dat ik nog slaappitjes in mijn ogen had. ze bewezen dat ik een tijd niet bewust had bestaan en iedere ochtend wreef ik ze naar mijn ooghoeken alsof ik daardoor weer in werking kon treden. toen ik de pitjes op mijn vingers zag, vond ik dat ze op fossielen leken.   we zwegen. we dachten aan versteende verledens en of iemand ooit onze botten zou vinden. het kan ook zijn dat we dat niet dachten want stilte is altijd zo veelzeggend.   er zijn momenten die zich ongevraagd ergens tussen wringen. toen wij de ochtend van die eerste dag op bed lagen, nadat jij kapot was gegaan en voor we verder moesten, nam ik je favoriete boeken van het nachtkastje. ik legde ze horizontaal aan beide kanten van het bed.   zo voelde het om gedachtestreepjes in een zin te zijn, een onderbreking die los van alles staat.

Kristien Spooren
0 0

het zou een boek kunnen worden I

en zo ging ik dan kapot, zei je. de lavendelstruik achter ons ritselde. ik moest denken aan hoe de wind ooit stormde en jij met je jas open gilde dat je een zeearend was. geen gewone, had je geroepen, de grootste van Europa. je nam mijn hand en we dansten door het onweer alsof dat was wat we deden.   kapot.   je keek me aan met het soort bruine ogen die verwachtten dat ik een antwoord had. ik wilde je alleen maar opvouwen en als een pakketje in mijn armen nemen.   de enige waarheid is dat ik nog nooit iemand gekend heb die op zo'n mooie manier kapot is gegaan. het was bijna iets om jaloers op te worden. de zon straalde voorzichtig door jouw barsten. je verbleekte, jij en alle stukken waaruit je bestond. je was beschaamd en ik hield nog meer van je.   ik zag de kreuken in je voorhoofd en vroeg me af hoe lang je al bezorgd was. fronsen ontstaan niet van de ene op de andere dag. had ik de plooien glad kunnen strijken voor ze zich eeuwig in je huid tekenden?   en toch stond broosheid jou wonderschoon.   weet je nog hoe we 's nachts rillend een rivier in sprongen? ik voelde er eigenlijk niet veel voor, maar jij was zo aandoenlijk onbezonnen dat ik niet anders kon dan je achterna rennen, bloot, mijn badpak achterlatend als een vergeten accessoire. onze lichamen braken het maanlicht dat op het water een heldere streep achterliet.   wist je dat ze daar in het Zweeds een woord voor hebben? mångata. ik kwam het tegen toen ik op pinterest inspiratie zocht om gedichten te schrijven. ik wou dat ik het zelf had uitgevonden, zoals "ijsbergsla" of "ochtendnevel".   je huilde omdat de schoonheid van dat woord niet genoeg was. de zenuwen brulden door je lijf en je beet op je nagels. aapje, er was niemand die beter op haar nagels kon bijten dan jij. je deed het zorgvuldig, met kleine hapjes en in een boogje, zodat de mensen dachten dat je een schaartje had gebruikt. hoeveel keer wilde je eigenlijk die witte randen verscheuren?   je hebt me nooit in vertrouwen genomen wanneer de dijken achter jouw ogen braken en je zei dat het een kattenallergie was.   de dag dat we elkaar leerden kennen droeg je regenlaarzen, een jeans van je broer, donkergroene oorwarmers en een baksteenrode trui. ik wist niet eens dat dat een kleur was, baksteenrood, tot jij besloot dat we er zeker van moesten zijn en we het verhaal van een schilder vonden die alle bestaande kleuren op een doek naast elkaar had gestreept.   je rilde. ik vouwde mijn lichaam als een bolster rond het jouwe. voorlopig was dat het enige wat ik kon bedenken. je sliep en ik wou dat ik wist hoe het voelde om bang te zijn van de wereld terwijl je er radslagen op turnde.

Kristien Spooren
0 0
Tip

Jeuk

In de zomer van 1943 moest Gurkje op een namiddag eieren brengen naar een oom en tante die met hun kinderen uit Rotterdam waren gekomen, na de bombardementen. Ze waren in het huis naast de smidse getrokken, waar de oude Matse had gewoond. Ze liep traag, haar benen voelden zwaar. Oom en tante deden uit de hoogte, alleen maar omdat ze uit de stad kwamen. Altijd was ze bang iets doms te doen als ze bij hen was. En dan was neef Fer er nog, bij het vechten met de andere jongens dreigde hij met een mes. Huu. Hij was al vijftien en had een snorretje, een beetje een vies snorretje. Ach, misschien waren de nichtjes er wel. Hè, haar lange wollen kousen kriebelden zo achter haar knieën. Zou het vanavond weer helemaal rood zien, net als gisteren? Nou, ze smeerde er heus geen karnemelk op hoor. Niet nog eens. Moe kon dat wel zeggen, maar het was erg gaan stinken. Bah. Het kwam vast door de warmte dat die kousen zo kriebelden.   De keukendeur was open, Fer zat aan de keukentafel. Eigenlijk was er niks mis met zijn snorretje als je hem zo rustig zag zitten lezen. ‘Vader en moe zijn er niet,’ zei hij. Ze voelde haar hart bonzen, heel raar, niet alleen in haar keel maar ook ergens diep in haar buik. Daar zat haar hart toch helemaal niet? ‘Ik kom eieren brengen, de kippen hebben goed gelegd.’ Ze zette het mandje op tafel. Zou ze verder nog iets tegen haar neef moeten zeggen? Hij was best wel knap, zoals hij daar aandachtig naar haar zat te kijken. ‘Je bent toch een mooi meidje, voor in zo’n stom boerengat,’ zei hij. Ze wiebelde een beetje, van haar tenen naar haar hielen en terug, zijn stem klonk zo vreemd; stoer en beslist maar ook vriendelijk. Er kriebelde iets, maar het waren niet haar kousen en het kriebelde ook niet aan haar benen. Ze wist niet goed waar het wel kriebelde.  Zou dit nou vleien zijn, wat hij daar deed? De nonnen op school waarschuwden voor vleiende mannen. Maar hij was haar neef, of is dat ook een man. Fer stond op, nu kon ze niet meer naar buiten, haar neef en zijn stoel blokkeerden de weg tussen tafel en gootsteen. Wou ze dan weg? Nee, ze wou weten hoe het verder ging. Ze schuifelde naar achteren. Hè, ze moest plassen en het gemak was buiten, in de tuin. De kraan drupte, ze duwde haar bovenbenen steviger tegen elkaar. Fer had toch een mooie glimlach, zo volwassen, alsof hij alles wist. Gek dat ze dat niet eerder had gezien. Wanneer zou ze eigenlijk borsten krijgen? Oei, wat een rare gedachte, waar kwam die nou weer vandaan. Het was misschien wel een zondige gedachte. Zou het? Moe had ook borsten. Toen deed Fer zijn broek naar beneden, zonder iets te zeggen. Zijn piemel was dik en paars en stond omhoog. Ze voelde een zweetdruppeltje van tussen haar haren omlaag naar haar neus lopen en maagzuur dat naar boven kwam. Nu moest ze wel weg, straks ging ze nog zo over die piemel spugen. Ze loerde naar het keukenraam en de deur. Het lukte haar niet om te bewegen en er wou geen geluid uit haar mond komen. De jeuk achter haar knieën werd erger en ze moest nog steeds plassen. Plots werd de stilte van die zomermiddag verbroken door het gerammel van emmers bij de buren. Er ging een schok door Gurkje heen, ze keek van de tafel naar de deur, dook in elkaar en schoot onder de tafel door naar buiten. ‘Huh’, zei Fer. Hij stond nog bij de tafel toen ze door de tuin rende. Bij het hekje voelde ze dat ze in haar broek pieste. Een beetje maar.   Ze rende naar de nonnenschool, die was vlakbij. Achter de kapel kon niemand haar zien, de struiken daar stonden vol in blad. Ze schortte haar rok op, deed haar onderbroek naar beneden en hurkte. Ze voelde de pis naar buiten sproeien. In haar onderbroek zat een natte plek maar die zou met dit weer wel drogen. Weer aangekleed bleef ze daar nog wat staan. Het bonzen van haar hart nam af, haar maag werd rustig. Ze wreef over de jeukende plekken achter haar knieën. Vanuit de kapel hoorde je de nonnen zingen en bidden. Misschien moest ze iemand vertellen wat er gebeurd was, maar wie dan. En wat als ze Fer zijn dinges zou moeten beschrijven of als ze vroegen wat ze allemaal had gedacht. ‘Et in saecula saeculorúm, Amen,’ klonk het. De nonnen zouden zo naar buiten komen en daarna was het al bijna spertijd. Ze kon beter naar huis gaan. Gurkje kroop door de struiken naar de kant van de sloot. Hè, ze had het mandje vergeten, het stond nog op de keukentafel bij Fer. Nou kreeg ze natuurlijk een standje.

Marijke Roza-Scholten
37 3