Lezen

Moeders zijn gevaarlijke mensen!

                                                                                                          Ik ben van achter de dijk. Zo worden wij hier ook genoemd, net zoals de ‘Mensen achter de dijk’ uit het boek van Filip De Pillecyn, de schrijver die een standbeeld heeft aan het water. Aan de straatkant van ons huis ligt de Schelde, maar we zien enkel op de hoge dijk, die ons scheidt van de stroom. Hij belemmert ons het zicht op het water en de schorren maar beschermt ons ook tegen overstromingen, die hier vroeger veel ellende hebben veroorzaakt. De talrijke waterplassen in ons dorp zijn daar nog getuigen van. Ik woon hier al 14 jaar, mijn hele leven dus, maar ook mijn beide grootouders wonen in deze straat. Als je voor de brug links afslaat, is ons huis een van de eerste woningen, na het café van de graaf. Vroeger was het hier allemaal van de graaf maar de blauwwitte luiken, waaraan de kasteelheer zijn eigendommen herkende, verminderden drastisch. De edelman verblijft nog wel vaak op zijn kasteel maar het dorp werd door de bewoners verworven. Ons dorp heeft de vorm van een acht: de ene lus slingert zich rond het kasteel en de bossen. In de andere lus bevindt zich de dorpskerk met het kerkhof en de dorpsschool. In het kerkje ben ik nooit geweest … of toch. Ik zou liegen: ‘grote bompa’, de vader van mijn bompa is daar begraven en daar was ik bij. De vader van Kenzo was diaken en deed de dienst, want pastoors zijn er blijkbaar niet veel meer. Mama las een mooie brief voor aan grote bompa, die in een kruikje op een tafel stond. Na de dienst werd de as van grote bompa uitgestrooid op het kerkhof. “Stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren”, zei de diaken en grote bompa vloog tot in de haag en, van zodra we onze rug keerden, kwamen de vogels van zijn as pikken. Vaarwel, grote bompa. In onze dorpsschool is een lagere school en een middenschool gevestigd. Mijn moeder werkt op het secretariaat van de school en vader is gemeentewerkman. Als kleine jongen ging ik dus aan de hand van mijn moeder elke dag naar school. Ik haatte het als ze mijn hand vasthield tot op de speelplaats! De andere kinderen gaven hun ouders een vluchtige kus en renden hun kameraden tegemoet. Als ik op de speelplaats kwam, liepen de klasgenoten eerder weg, want mevrouw Willekens kwam samen met mij binnen en ze zou wel een opmerking hebben op hun wild gedoe of hun ongepast taalgebruik. Ook als mevrouw Willekens mijn hand loste, meden de klasgenoten mij. Zou ik hun kwajongensstreken niet gaan verklappen? Zelf moest ik ook niet veel uitspoken, want mevrouw Willekens wist het al voor ik mijn plannetje kon uitvoeren. En mijn punten kwamen reeds aan tafel ter sprake vooraleer er een rapport was uitgedeeld. Je moet mij dus absoluut niet benijden met een moeder, die alles van je schoolleven afweet! Gevaarlijk, hoor en … beperkend! Zo mocht ik in het zesde leerjaar niet mee met de klas naar het fort van Breendonk. Mama vond mij nog veel te jong om die gruwelijke verhalen te horen en vooral om foto’s van folterkamers en executieplaatsen te zien. De bus vertrok dus naar Breendonk zonder de zoon van mevrouw Willekens, die bleef als enige achter in de studiezaal! Na schooltijd kwam mijn grootmoeder mij ophalen, want mama moest nog doorwerken. De terugweg duurde lang, want bomma deed hier een praatje en daar een klappeke. Alle mensen in het dorp kenden elkaar en alleen eens groeten werd als zeer onvriendelijk beschouwd. Je zou ook vlug de naam hebben dat je nogal een air had! Een praatje over het weer of over de ‘klein gasten’ moest er dus afkunnen. We passeerden op de terugweg ook het huis van mijn grootouders langs vaderszijde, maar tegen die mensen spreken we niet. Ook al stonden ze buiten, of werkten ze in hun tuin: daar werd het hoofd afgewend en met fikse tred voorbijgestapt. Van ver herkende ik de volière van vava, want vroeger kwam ik er vaak en graag. Moemoe en vava hadden vogeltjes én poezen. Eén poes heette zelfs Joeri, zoals ik. Dat was dus mijn kat, die moest ik verzorgen en eten geven. Op mijn eerste lentefeest was er echter ruzie ontstaan. Vava was opgestaan, had moemoe verzocht om mee naar huis te gaan. Ze waren beiden vertrokken. Mama had de deur kwaad achter hen dichtgeslagen. Papa was hen nog nagelopen, was lang weggebleven maar wat er gebeurd of gezegd is, werd mij nooit verteld. Ze zijn hier sindsdien niet meer over de vloer geweest en noch papa noch ik mocht nog naar hen toe gaan van mama. Ik wilde weleens wuiven naar moemoe of vava, maar bomma trok mij naar de andere kant van de straat. Mijn grootouders langs moederszijde vingen mij dus na schooltijd op. Ik moest samen met bompa mijn huiswerk maken en mocht daarna nog wat in de tuin spelen, maar zonder mij vuil te maken, hé. Eens thuis was het de gewoonte dat papa en ik nog een eind langs de dijk gingen wandelen om onze hond, Narco uit te laten. Onderweg kwam ik mijn schoolkameraden tegen, die trokken naar het kasteelbos of de vijvers. Wat zou ik hen graag gevolgd zijn! Ik hoorde ze van ver joelen: ze klommen in de bomen, hadden koorden gespannen van de ene boom naar de andere en slingerden zich als aapjes rond of ze zaten met zelfgemaakte hengelsnoeren te vissen in de waterpoelen. Ze riepen naar me, vroegen of ik niet meedeed. - “Mag ik nog even meegaan?” vroeg ik dan aan papa maar dat moest ik aan mama vragen, was zijn antwoord. En mama vond het te gevaarlijk: ik kon verdrinken! Ik kon verdwalen! Ik kon mij bezeren! - “Ja, wat nog allemaal?!” dacht ik dan kwaad. Ik kan toch zwemmen! En verdwalen? Ik ken deze streek als mijn broekzak en, als ik mij dan toch zou bezeren, bestaat er nog altijd zoiets als pleisters en van een blauwe plek is nog niemand doodgegaan! Maar ik zweeg, trok naar mijn kamer en bokste mijn kwaadheid uit op mijn kussens. Tegen dat mama mij riep voor het avondeten, was mijn woede bekoeld en kon ik weer het brave jongetje spelen met zijn goede tafelmanieren en zijn meegaand karakter!             Na het avondeten trok ik naar mijn zolderkamer. Ook nu nog is dat mijn favoriete plek. Als ik op mijn buik lig, kan ik door het lage venster de bossen van het kasteel zien. Soms zie je de graaf te paard door de lanen wandelen. Dan droom ik dat ik ook een paard heb. Ik zou het zorgvuldig roskammen, zijn manen gladstrijken en het dan opzadelen. Ik heb op internet opgezocht dat het opzadelen van een paard niet heel moeilijk is, maar dat het wel goed moet gebeuren. Eerst moet je het hoofdstel aanbrengen, dan leg je een sjabrak op de rug van het paard en daarop komt het zadel. Ik zou het kunnen met mijn ogen dicht. Het enige wat mij ontbreekt is een paard, een hoofdstel, een sjabrak en een zadel. Dat zullen dan ook de eerste dingen zijn die ik later zal kopen, als ik wat geld heb gespaard. Wat moet het heerlijk zijn op de rug van zo’n dier door de bossen te kunnen draven. Ik vind een paard trouwens het mooiste dier dat er bestaat: forsgebouwd met een blinkende vacht en manen. Dan droom ik dat ik op mijn ros naar het kasteel galoppeer. Ik rijd de kasteelbrug over naar de stallingen, ontzadel mijn dier, zet het in de stal en geef het nog een wortel als dank. In het kasteel zelf zou ik niet willen wonen. Mijn ouders hebben mij eens op een zondagnamiddag meegenomen en we werden rondgeleid met een gids. Het is natuurlijk prachtig gelegen aan de oude Schelde en heeft schitterende torentjes en een imposante inrijpoort met het wapenschild erboven. ‘RUST ELDERS’ luidt de leuze. Maar de muren zijn grijs en de zolderingen hoog en ik vreesde toch heel de tijd dat het monster Gorgol uit de kasteelgracht zou komen gekropen of dat er zo een van die Marnixen de Sainte Aldegonde zou komen spoken. De familie Marnix de Sainte Aldegonde is immers al vele eeuwen eigenaar van dit ganse domein. Er is ook een museum in ondergebracht en mijn moeder bewonderde de schilderijen van Pieter Breugel, het kantwerk en de poppen maar ik trok liever naar het gedeelte waar de oude koetsen werden tentoongesteld. Met een teletijdmachine werd ik als het ware terug geflitst.  Door de Binnendijkstraat reed de graaf in zijn koets. Het enige verkeer dat hij tegenkwam was de melkboer, die met zijn kannen melk van deur tot deur leurde of boer Stijn met zijn paard en mestkar. Hij schepte zelfs de paardenvlaaien van de straat: alles was welkom om zijn veld te bemesten. Ik had dat beeld ergens opgepikt van een oud schilderij. Maar hoe deden ze dat vroeger eigenlijk allemaal: het land bemesten, ploegen, zaaien, maaien? Moest dat allemaal met de hand gebeuren? Daar mag je nu toch niet meer aan denken! Laat mij maar dromen van paardrijden als hobby maar ik wil later wel een Tesla om naar mijn werk te rijden en ik wil wel naar Kusadasi kunnen geraken, dus vliegtuigen zijn ook een goede uitvinding en wat zouden we doen zonder computer, gameboy of tablet? Mijn ouders moet ik het niet vragen, want dan begint mijn vader over ‘zijnen tijd’. - “Ik moest met de bus naar de Provinciale Technische School (PTS) in Boom”, zegt hij. - “Ik ook, hé pa!” - “Ja, ja”, antwoordt hij dan, “maar wij hadden thuis geen auto, die je kon brengen of halen, als je de bus gemist had.” Dat was een steek onder water, want hiermee alludeerde hij op mijn eerste schooldag dat ik naar de PTS ging. Ik stond op tijd in het bushokje, zag de bus aankomen, maar ik had waarschijnlijk moeten teken doen, want de chauffeur dacht blijkbaar dat er niemand wachtte en reed door. Dus ik moest met hangende pootjes terug naar huis om te vragen of ze mij alstublieft gauw met de auto naar de school wilden brengen! - “Wij hadden ook als laatste van de straat een televisie, zo’n oud model met een antenne op het dak”, herhaalt papa ook steeds. - “Als het maar speelde, hé pa”, zeg ik dan. Hij lacht erom maar draaft verder dat zij slechts enkele posten konden pakken, dat er van een gsm geen sprake was, laat staan van een computer of van al die spelletjes waar ‘de jeugd van tegenwoordig’ aan verslaafd is. Ik kan me dan wel verdedigen met te zeggen dat ik niet verslaafd ben maar dat je nu eenmaal alles, maar dan ook alles kunt opzoeken op internet, dat het toch handig is als je steeds bereikbaar bent en dat je toch moet kunnen chatten met je vrienden. Maar ik word dan steeds het zwijgen opgelegd door te zeggen dat ik overdrijf, dat ik niets anders meer doe dan op de zetel hangen met die schermpjes voor mijn gezicht, dat ik beter wat meer aan mijn schoolwerk zou denken, een boek zou lezen of aan sport zou doen. Ik voel me anders héél normaal hoor. Het zijn mijn ouders, die niet mee zijn, die nog nooit van chillen hebben gehoord! En ik wil ook wel aan sport doen. Ik voetbal geregeld met Noah en hij is een echte ster. Hij speelt bij de jeugd van de voetbalclub. Ik verlies steeds tegen hem maar heb toch veel van hem geleerd, vooral dat ik ook graag voetbal zou spelen. Ik zou doodgraag lid worden van een club, dan kon ik ook echt leren shotten, zoals Noah en…misschien kon ik dan nog eens van hem winnen. Thuis kaartte ik het voetballen aan. - “Mag ik ook gaan voetballen?” vroeg ik aan papa. Zijn antwoord was, zoals steeds: “Vraag dat maar aan mama.” En haar antwoord was, zoals steeds: “Neen!” Ze had natuurlijk haar argumenten: het was een harde sport, een gevaarlijke sport. Wou ik misschien een overgestampt been? En…ze had een tegenvoorstel: “Als we nu eens met z’n allen gingen korfballen!” Mama kende de mensen, die de kantine van de korfbal openhielden, ze kende zelfs een aantal trainers. Korfballen kon je zowel in de winter als in de zomer. Wat dacht ik daarvan? Wat moest ik daarvan denken? Ze was mij weer te slim af! Ik kon niet op tegen haar redeneringen en knikte dus maar. Mijn kamer! Waar was mijn kamer? Vlug…dat ik daar mijn teleurstelling kon uitwerken: stampen, slaan, vloeken, wenen…bedaren. Mama zal het heus wel goed met me menen en gemeend hebben. Te goed, zelfs. Ze wou en wil me steeds maar beschutten en beschermen maar ze denkt en voelt ook in mijn plaats, weet altijd wat best en beter voor me is. Maar wie ben ik eigenlijk? Heb ik geen recht om iets te voelen? Te willen? Moeders, hé, het zijn echt gevaarlijke mensen met al hun goede bedoelingen. ‘Opvoeden’ noemen zij het, ‘fnuiken’ vind ik het.

Hope
0 0

Twee Bloemen (kortverhaal)

Twee verwelkte bloemen staan op de vensterbank voor het raam. Ze delen een aarden bloempot en een schrale kluit potgrond. Rechts, een rode wijnvlek. Alsof de kleur uit miserie uit de kroonbladen is gegleden en is blijven liggen op het kozijn. Hun stengels en kelkbladen zijn verdord. Het genadeloze zonlicht droogt hen nog wat verder uit. Als je goed luistert, kan je ze horen kraken en verschrompelen. Ooit zo kleurrijk en fleurig, nu gedoemd om te verworden tot vuile bruine schilfers en snippers, waar niemand nog aan zal ruiken. # 1 Ze dronk haar glas leeg, zette het op tafel en schoof de stoel achteruit. Onderuitgezakt met een hand achter het hoofd, keek ze nog even naar de bloemen. Ze vroeg zich af hoe zoiets prachtig had kunnen veranderen in zoiets ellendig. Bedroevend. Treurig. Ze schudde haar hoofd, stond op en wandelde naar het raam. De geur van verlepte bloemen, vergane glorie, drong in haar neusgaten. Ze zou hen beter weggooien in plaats van ze daar verder te laten creperen. Het was echt geen zicht en het had iets meelijwekkend, maar ze kreeg het gewoon niet over haar hart. Het was haar schuld dat ze dood waren. Haar godverdomse schuld. # 2 Ze bedacht dat het geen toeval is dat bloemen geven een teken van liefde is. Een groots maar ook broos teken, want zoals geliefden van elkaar afhangen, zo hangen bloemen van hun eigenaars af. Vergeet hen water en wat zonlicht te geven en het schone verdwijnt even snel als het schuim op een slecht gemaakte cappuccino. Iemand die bloemen geeft, zegt eigenlijk: “Ik vertrouw erop dat jij even goed zorg zal dragen voor deze bloemen, als jij dat voor mij doet. Zorg ervoor dat ze zo lang mogelijk bloeien en groeien.” Een relatie is dus net zoals een ruiker bloemen. Zolang ze bloeien, is het allemaal mooi en goed, maar eens ze beginnen te verwelken, kan het vlug lelijk worden. # 1bis Hij liep over straat en zag mutsen en sjaals gedragen worden door zich daaronder verstoppende mensen. Ze verstopten zich voor de kou, uit schrik dat indien ze te diep zouden inademen, de koude lucht niet alleen hun tenen, maar ook hun hart zou bevriezen. Hij gaf ze geen ongelijk. Met een bevroren hart kun je niet leven. Enkel pretenderen dat te doen. Met een bevroren hart valt ook niet samen te leven. Dat wist hij ondertussen ook al. # 2bis Wat ze voor hem voelde, had ze in één welgemikte zin naar zijn hoofd geslingerd. “Je bent een kamerplant.” Hij had niet beter gevonden dan te antwoorden: “En jij, onkruid. Dat vergaat niet en parasiteert op de rest”. Het verbaasde hem niet dat een romance tussen een kamerplant en onkruid geen lang leven beschoren was, maar toen ze eraan begonnen, waren ze nog niet meneer Kamerplant en mevrouw Pisbloem. Neen, toen waren ze Monseigneur Grote Leeuwenbek en Madam Magnolia en leek het allemaal wel goed uit te zullen draaien. Ze zouden zich samen naar de zon richten en diens stralen omzetten in een onuitputtelijke energie om groter, sterker en mooier te worden. Het eeuwige samenzijn lachte hen toe. # 3 Ze duwde haar pink in de potgrond. Droog. Geen enkele korrel bleef kleven aan haar vinger. Alle levenskracht uit de aarde gezogen door de hongerige wortels. Arme aarde. Ze nam het plastic potje uit de vaas en zag dat de wortels er onderaan uit staken. Op zoek naar restjes water en mineralen, waren ze dieper en dieper gaan zoeken om ten slotte op de kale bodem van de bloempot te stoten. Ze moeten zo teleurgesteld zijn geweest als een ruimtevaarder die na maanden vliegen door het eindeloze zwarte heelal, eindelijk landt op een planeet, uitstapt en niets buiten stenen en stof ziet. Voor de wortels betekende de bodem het einde van reis en ze gaven het op. Een ruimtevaarder stapt terug in zijn ruimteschip en zoekt verder. Welk van de twee paden haar lot zou zijn, wist ze nog niet. # 3bis Hij liep voor een naderende bus in en wist net op tijd de stoep te bereiken. Hij voegde zich in de stroom winkelende mensen en diepte zijn trillende gsm op uit zijn borstzak. Het was een bericht, zijn gsm dan toch niet rillend van de kou. ‘Waar ben je?’ Goede vraag. Hij antwoordde haar: ‘Wie ben jij? Nu begon ze zich plots zorgen te maken. Nu, na maanden snoeien en pesticide sproeien, zou ze haar kamerplant eindelijk wat aandacht schenken. Nu was het te laat. De zure regen had zijn werk gedaan. Er zat niets meer in de aarde om verder op te groeien. Helemaal uitgeput. ‘Depleted’ zouden ze in Londen zeggen. # 4 Ze zonk neer in de zetel en legde haar gsm op het salontafeltje. Ze wist niet wat te doen. De kasten waren gevuld met boeken, geschriften waarin ze geen enkele raad zou vinden. De stoelen stonden rond de tafel, maar er was niemand om mee te overleggen. De stilte in huis was daar om gebroken te worden, maar bleef halsstarrig doorklinken. Nu had ze iemand nodig. Nu. Op dit ogenblik, in dit moment besefte ze hoe eenzaam hij moet geweest zijn. # 5 Ze bleef nog even rechtop zitten en liet zich vervolgens neervallen op de beige zetel. Ze tuurde naar het witte plafond. Hij was vrij duidelijk geweest en zij had het klaar en helder verstaan. Hij zou niet meer terugkomen tenzij voor zijn spullen te komen halen. Hun relatie was in een barre winter terechtgekomen. Beter, een ijstijd. De bomen waren zonder bladeren en zouden geen knoppen meer krijgen. Een dooi, een lente was onmogelijk geworden. # 4bis De lucht deed zijn grijs gewaad aan en begon dicht te trekken. Hij dwaalde door de stad en liet zich leiden door zijn automatische piloot. Die deed hem landen bij Bar Celona, waar Céline achter de toog stond. Hij bestelde een cappuccino en bleef staan aan de bar. “Alsjeblieft.” Ze zette een koffie met halfslachtig opgeklopte melk voor zijn neus. Het schuim verdween als sneeuw voor de zon. Gelukkig voor de zaak was ze beter in het tappen van pinten met een deftige schuimkraag. “Céline, wat als ik je zeg dat ik klaar ben om verpot te worden?” # 5bis Verpotten moet je in de lente doen, had hij ergens ooit gelezen. Moet je doen als de wortels uit de pot groeien, want dat betekent dat de plant geen kant meer uit kan en zou stoppen met groeien. Wel, dat moment was aangebroken. Zijn winterslaap had lang genoeg geduurd. Maanden binnen zitten, wachtend op een geniale inval, een antwoord, een aanbod. Hij snakte naar wat zonlicht, verse grond. Een nieuw begin. # 6 Hij had maanden zitten lanterfanten, terwijl zij met moeite de tijd kon nemen om eens fatsoenlijk te slapen. Duizenden ideeën vulden zijn hoofd, pende hij neer op papier, maar werden nooit bewaarheid. Hij wou ondernemen, uitvinden, de wereld verbeteren, maar kwam niet verder dan zijn eigen bureau. Behoorlijk tragisch. Hij weigerde, in afwachting van het grote licht, wat te werken waardoor zij de boel draaiende moest houden. ‘Later’ zou hij dat allemaal dubbel en dik terugverdienen. Nu zwart zaad, later gigantische bomen. Dat was zowat zijn motto, al vergat hij blijkbaar dat zaad te planten. Zelf stelde hij het dan voor als dat ‘de zon nu even niet scheen’. # 6bis Geen enkel idee zou ze kunnen opnoemen, mocht hij het haar vragen. In haar ogen vergooide hij zijn tijd. Was hij een verstrooide en nutteloze pater die opstond zonder doel, ging slapen zonder reden om wakker te worden en leefde zonder te bestaan. Zij wou vooruit, wou dingen bereiken, een richting kiezen en zo ver mogelijk geraken. Als hij haar dan vroeg welke richting, bleef het stil. Kon ze niet antwoorden. Zelf was ze in de eerste beste job getuimeld en had ze besloten daar alles voor op te geven. Om te bestaan zonder te leven. # 7 Die nacht lag ze op haar zij met haar ogen gesloten. Ze vroeg zich af of ze nu eigenlijk de achterkant van haar oogleden zag of dat haar ogen gewoon ophielden met werken. Veel maakte het in ieder geval niet uit, het resultaat zou het hetzelfde blijven. Als ze haar ogen sloot, liet ze een zwart doek neer. Een zwart doek waarop gedachten en twijfels, zo hardnekkig als onkruid, konden woekeren. Hoe harder ze probeerde hen tegen te houden en in te dammen, hoe verder ze zich verspreidden en uitbreidden. # 7bis De zwakke ochtendzon duwde zachtjes tegen de gordijnen en liet zichzelf na even twijfelen toch binnen. Céline lag met een speelse lach nog vredig langs hem te slapen. Zijn zaad was geplant. Nu nog een ander bloempje uittrekken, met wortel en al. Als dat geen goede reden was om op te staan. Hij zou een deel van zijn spullen gaan halen, vertrekken en tijdelijk bij Céline verblijven. De praktische zaken en de grote spullen zouden ze later wel afhandelen, dat kon wachten, maar hij moest en zou vandaag vertrekken. # 8bis De deurbel had weerklonken. Hij had het altijd een stom deuntje gevonden, maar nu werd hij er om een of andere reden vrolijk van, fleurde hij er van op. Hij keek rond zich en zag een kleine deuk in de muur. Die was daar gekomen toen hij vol goede moed de nieuwe zetel naar boven had gesleurd. Bleek dat ze hem toch niet zo leuk vond. Hij meldde haar dat ze hem dan maar zelf naar onder mocht brengen. De deur ging open. # 8 De deurbel had weerklonken. Ze zat net met haar koffie in bed, verschoot en verslikte zich. Ze wist haar kop op het nachtkastje te zetten en zo te vermijden dat haar gebroken witte lakens zouden veranderen in vodden die bescheten leken. Ze stapte in haar pantoffels en slofte naar de deur. Zaterdagmorgen, om negen uur, welke nietsnut heeft er dan niets beter te doen? Zonder te kijken, opende ze de deur. # 9 “Goedemorgen.”   “Dag Leo, wat kom je doen?”“Wat spullen en kleren halen.”   “Ben je niet beschaamd over het uur?”“Je bent toch wakker. Wat maakt het uit?”   “Niets dan. Kom binnen.”“Ik kom later nog terug voor m’n computer en zo te halen.”   “Waarom blijf je niet gewoon?”“Waar valt ervoor te blijven?”   “Dit, ons, wij.”“Neen, voor jou was het altijd al ik en jij.”   “Wat bedoel je daar mee?”“Gewoon, het is over, gedaan tussen jou en mij.”   “Het kan niet dat er niets meer is.”“Zie je die twee bloemen daar. Dat zijn wij. Gereed voor de composthoop. Miserabel groenafval.” # 9bis Ze wist niet wat te zeggen. Ze wou fel en nietsontziend, furieus tekeergaan. Hem neer-branden tot tegen de grond zoals dat gebeurde met de olijfgaarden van de oude Grieken. Dan zou het nog jaren duren vooraleer er terug vruchten zouden verschijnen. Ze wou hem met de grond gelijk maken, geen enkele spaander heel laten, maar deed het niet. Ze kreeg haar mond niet open. Alsof er terpentijn tussen haar lippen zat. Hij hoopte dat ze zou ontploffen. Dat ze met een wolk napalm heel zijn regenwoud zou affikken. “I love the smell of napalm in the morning”. Een Apocalyps en nu, graag. Hoe minder hij moest opruimen, hoe makkelijker het zou zijn om iets op te bouwen. Op een afgebrande akker groeien de dingen nu eenmaal beter. Maar het bleef stil. Hij nam een rugzak, vulde die met kleren en zocht twee paar schoenen uit. Ze stond en staarde. “Dan ga ik er maar mee vandoor” # 10 -01 Ze keek hem aan, sprak hem aan. Zonder woorden. Begreep hij wat zij wou. Hij keerde zich om, zonder vaarwel, en vertrok. De deur leek voor hem een grens. Een grens die hij over moest om opnieuw te kunnen beginnen. Te verrijzen uit zijn as. Een grens waar de douane zijn koffer niet zou openbreken maar zijn verleden voorgoed in beslag zou nemen. Zijn handel in verdrongen herinneringen en verbroken beloftes voorgoed kwijt. Ergens veilig weggestopt in een kluisje aan de grens.  

Egbert Dasdonk-Mirador
144 1