Lezen

Doorlopende wenkbrauwen en gouden tanden in Brussel

Mooie dag op het Beursplein. Mensen fietsen, skateboarden, wandelen en lopen heen en weer over de Anspachlaan.   Aan de voorgevel van de McDonalds zit een bedelaar. Voor hem staan vier plastieken bekertjes met elk een naambordje. De bedoeling is dat mensen er geld in gooien. Eén bekertje heet drugs, een LSD, een bier en bij de vierde beker gaat de opbrengst naar eten. Ik gooi een paar rosse centen in het bekertje voor bier en vraag of ik even een foto mag nemen. ‘Bien sur mon amie!’ Hij gooit zijn armen in de lucht en glimlacht. Door de zon weerkaatst de schittering van zijn gouden tand in mijn ogen.   Ik besluit verder te lopen richting het Zuidstation. Er duiken allerlei cafeetjes op. Opvallend is dat op de terrassen alleen maar mannen zitten. Ze kletsen onderling. Sigaret in de hand, snor onder de neus. Hier en daar eendoorlopende wenkbrauw. De heren staren me aan als ik voorbijloop. Ik sta stil. Wat zou er gebeuren als ik me er gezellig tussenzet en een theetje bestel? Leuke verhalen? Ik aarzel, maar ben een te grote angsthaas en wandel verder.   Levend Manneken Pis   Daar is Pêle Mêle. Mijn favoriete winkel! Omdat ze er unieke boeken en cd’s verkopen, maar ook omdat er een knappe jongen werkt. Ziin echte naam weet ik niet. Ik noem hem Arthur. Het enige minpunt is dat Arthur me niet ziet staan. Hij leunt alleen maar verveeld achter de toog. Wachtend tot het 18 uur is en hij weer naar huis kan. Ik besluit toch nog eens mijn kans te wagen en loop de stoffige winkel binnen. Helaas. Geen Arthur deze keer. Wel een kalende man met laag uitgesneden hemd en ongekamd borsthaar. Volgens mij wil hij strips kopen. Veel strips. Hij loopt door de winkel met een hefkarretje. Ik gok dat er op zijn kar zo’n vijfhonderd albums liggen. De man moet zijn kin op de bovenste strip leggen om alles bij elkaar te houden. Een verkoper komt ongerust een kijkje nemen. ‘Ça va bien monsieur?’ De kale man draait zich om waardoor de striptoren zijn evenwicht verliest. Alle Kiekeboes en Kuifjes liggen nu verspreid over de houten vloer.   Ik loop snel naar buiten. Zwoel weertje aan het Anneessens. Tijd om nieuwe oorden te verkennen. Ik neem de metro naar een willekeurige plek. De Hallepoort. Ik loop uit het metrostation. Aan het Justitiepaleis staan rokende rechters. Gehuld in lang zwart gewaad en witte stropdas. Militairen knikken vriendelijk. Ze zweten in hun uniform.   Ik loop naar de lift. Daar is een prachtig uitzicht over Brussel. In de verte kan ik de negen bollen zien. Rechts van mij staat Manneken Pis, maar dan de levende versie. Hij gaat zijn gang in een struikje. Ik kan echt alles zien. Snel draai ik mijn hoofd de andere kant op. En dan kijk recht in de ogen van een bekend gezicht! Arthur? Nee, het is deman met gouden tand! Hij heeft een biertje in zijn hand en steekt het in de lucht. ‘Merci Mademoiselle!’   Mooie dag in Brussel.

catobel
0 0

De slachtoffers van tegenwoordig

Aan de generatie van de bomma Over ons verhaal met een punt Zonder komma Over Facebook en Pokémon Over weten hoe het eindigt en hoe het allemaal begon.We gaan allemaal dood En moeten kiezen tussen studeren, De goot, Of de andere slechte kant die het kan keren. We leven maar één keer En we kunnen het amper nog ontkennen Ik beloof, zonder meer Dat is wel even wennen. Hadden jullie mekaar nog veel te vertellen Dan was er zondag met krieken En frikadellen Tijd genoeg, want een leven Duurt na de dood braaf voort Niet al te stout zijn En de gebeden worden verhoord Maar weet u, tegen ons spraken ze Over de pieren aan onze Dode tenen Liefste anderen, onze hemel is Al lang verdwenen Dus maakten we snellere auto’s Kleurden we onze haren in pieken En kwamen er afhaalchinezenZonder krieken We verkleinden de afstand tussen ons Met een telefoon zonder draad We zuigen alles op, Want anders is ‘t te laat Beste generatie van de bommaWij lijken losgeslagen Maar ge moest eens weten Hoe het is om te verdragen Om door kennis te worden gebeten. Waar moeten wij naartoe? Ze zeggen het ons niet Wij zijn uitgebrand en moe Drinken en roken wiet Want dat kan evenveel kwaad Als het nieuws van elke dag Als moeten bestaan van smorgens tot laat Als weten wat moet en niet mag En beseffen dat doen wat niet mag Niet in een kerk kan worden ontdaan Met geen biecht of gebed Is ons onheil van de baanZe zeggen dat we geen oorlog hebben gekendDat is echter niet hoe je het zietWanneer je geboren bentIn een rampgebiedDe tijd tikt op alle schermen non-stopKom op tijd, zonder foutPssst: ons leven is een race tegen de klokWaar niemand echt van houdtNatuurlijk worden wij zot En lijken wij abnormaal De wereld legt ons lot Ongeneerd in ons eigen verhaal Bij dokters en bij wetenschap Bij IQ’s en andere getalen Ik moet iets begrijpen wat ik niet snap En ik ga volgens tal van onderzoekGegarandeerd falen.Generatie van de bomma, bompaHet is als een sprookje voor ons, jullie klaagzang over ooit En daarom wil ik vragen Blijf het ons vertellen, hoe wij het hebben vergooid    Maar hou ergens altijd rekening metHet feit dat jullie op een dorpEn wij Op een wereld zijn gezet.

Lot
0 0

Hou vast aan de kolven

  1. Toen de vos eenmaal geschoten was en gestolen de antieke bloempot uit de voortuin van tante Fabiola (men had het over vogels zonder kop, dolgedraaide chihuahua’s, een dodelijke, schuimbekkend virus dat zich via het internet verspreiden kon, originele urnes en de zelfmoordplannen van kamerplanten), brak er een nieuwe rustige tijd aan.   Zou kunnen. Verhalen, en grote misdaden staan in boeken, sommige worden verzwegen en massaslachtingen, ze kregen soms een kil museum, ik, toen ik vijftien werd een walkman, van Mark Vandewalle een cassetje: Heaven 17. Let’s all make a bomb. Terwijl ik luisterde en knutselde, verschool het alledaagse noodlot zich nog in kleine dingen, donker, onopvallend, droog en anders.   2. Waarde langenoten, de autoloze zondagen liggen intussen ver achter ons; de razernij weet van geen ophouden. Schuchter ben ik geworden, de vos is het altijd geweest. Op een dauwvolle ochtend stond het dier op nog geen twee meter van me, keek me aan en verdween. De maïs stond hoog en rijpe korrels hielden zich vast aan kolven, nog even, tot de droogte hen tot vallen dwong.   Ze ligt nog in haar bed, zoals bij iedere uitgerokken dageraad. Tante Fabiola zou graag sterven, alles vergeten, liever geen pampers meer dragen, kinderen gehad hebben, die bloempotten hadden kunnen erven, een bontjas, antieke kast met schuif, voorgedrukte rouwkaartjes, een legboord voor albums, foto’s van gelukkige levens.   3. Doch, de jager schoot. Verkeerd. In de onderbuik. Wortelen, prei uit eigen tuin, gekochte selder. Dit wordt de laatste soep. Taxusvruchtentaart voor haar verjaardag.   Enkele dagen later, volg ik het bloedspoor, tref verre familie zonder tranen, stamboomgegevens, krijg een potje stof, vluchtig en fijn. Geen einde zonder pijn.   Zou kunnen, ik fiets. Voorbij een vinkenzetting. Wie heeft de bloempot, de meeste streepjes op een stok, kent de kortse weg naar de monding?   Rustig! Rustig blijft de rivier, als ik het… als ik haar uitstrooi en met haar de vroeggeboren kinderen, de stilte van een man, de blik van een vos.       uit de reeks  'Over eelt en zurkelteelt'  

Bernd Vanderbilt
0 0

Het brandend paradijs

De wereld is gecompliceerd of misschien ook niet. Het hangt af welke invalshoek je hanteert en hoe je het beziet. Een verdorven maatschappij die niet leefbaar is op een denkbeeldig eiland. Rechtvaardigheid en geluk zijn begraven onder het hoopje zand. Zie je de meesters al lachen van welvaart en fortuin? Ze zien de mensen graven onder de door hun gemaakte puin. Ze zeggen santé al kijkend en starend naar elkaar. Onbespreekbare thema’s als democratie zijn er niet gangbaar. Twee mannen komen aangelopen om de vrijheid en tolerantie te introduceren. De zonen van het humanisme, er ontstaat een vriendschap voor het leven. De ene broeder struikelt, door het lachen ligt iedereen op de grond. Hijzelf vond het niet erg, ging rechtop staan alsof hij nooit was ingestort. De tweeën nemen de omgeving waar als scherpzinnige geesten. Voelen de dominantie en de onmogelijkheid tot verbeelding heersen. Ze zien het privébezit van het land misbruikt worden, met een toenemende criminaliteit. Eén godheid wordt er aanschouwt, ook al is er godsdienstverscheidenheid. Wie ook welke god aanziet, ze stemmen allen overeen. Dat is wat de broeders duidelijk wouden maken en geen muur bouwen van steen. De ene broer zei dat hij verlangt naar een heerlijke wereld van harmonie en gelijke kansen voor iedereen. Hij schreeuwde van het lachen en riep: ik bedoel het niet gemeen. Rijhuizen, gratis onderwijs, godsdienstvrijheid, wat een droom! Een vrijheid tot in de eeuwigheid, zonder spanning of schroom. Voel je de ademende zuurstof je longen bereiken? Wat is het zalig om de zeldzame schoonheid van de samenleving aan te moeten kijken. Toen werden ze wakker in een overrompeld samenspel van schijnheiligheid en doodsangst. Ze namen de confrontatie met de schaduwzijden van hun ideaalwereld in ontvangst. Een rijk waar de koning zowel de schoenen van de paus beloopt. Een doel als hervorming en uitbuiting en waar ieder zijn dagelijks voedsel verkoopt. De toeschouwers blijken al snel iets door te hebben en roepen: dat is toch geen spel! Waarna ze beseffen dat er geen ontsnappen is aan de brandende hel. Hij wou verandering en verbetering, de mogelijkheid om de maatschappij bruikbaar te maken. Maar de Kerk die de samenleving domineert moest wel onmiddellijk braken. Stappend naar de scène sprak de ene broeder de menigte toe. “Ik weet niet wat jullie denken, maar ik ben moe. Moe van de onenigheden en individuen die uitgesloten worden. Geen godsdienst-gedachtevrijheid op de uithangborden. Rituelen, heilige plaatsen, inspirerende personen worden misdadig opgenomen. Onpartijdigheid, welzijn, herverdeling van rijkdom, dat is waar we van dromen. Ik wil de passie, de gedrevenheid in het ongekende land. Ik wil vrijheid en brandende liefde voor elkaar, alsook op afstand. We verlangen het allemaal, al beweren sommigen van niet, uit schrik. Ja meneer, ook jij wil dat, standvastige lomperik. Ik vraag geen afschaffingen of de verplichting om te knielen. Iedereen voor zichzelf, niet bemoeien met andermans zielen. Voorbijgangers en getuigen, wij allen willen genoegen en heerlijkheid ervaren in het nergensland. In plaats van als mieren naar de heersers te kruipen en daarna doodgetrapt worden door de plaatselijke dominant." Net toen hij nog een woord wou uitspreken, glipte hij naar achter en botste met zijn hoofd tegen een steen. Een plotselinge dood was voor de koningen en keizers een duidelijk fenomeen. De laatste zin stond geschreven op het briefje, die lag naast het bedorven steen: We zijn allemaal aangekomen met verschillende schepen, maar vertrekken zullen we met één.  

Betti J.
0 0

Op een dodelijke dag

  Proloog   Jaap is geen beroepsvoetballer, hij is apotheker, één meter zesenzestig centimeter groot. Aan zijn huis hangt een groen kruis en op de ruit van de apotheek staat het voluit: Apotheker Jaap Alderweireld.   Jaap speelt desalniettemin elke zaterdag voetbal. Bij de locale club staat hij steevast in de goal. Van elke bal die in zijn richting komt, kan hij de curve zeer precies inschatten. Zijn kleine gestalte zit soms wat tegen, maar bovenal is hij dus een pietje precies. Dat hoort zo bij apothekers. Anders worden ze zot, sterven er mensen.     Het enige hoofdstuk   Het is maandag vandaag, vijf voor acht, en de lucht behoorlijk grijs. De tijd dringt. Ik moet naar Jaap (dit verhaal gaat immers ook over mezelf) en Jaap kent mij. Doch veel minder goed dan ik hem ken. Voor hem ben ik iemand zonder specifieke hobby’s, zonder bijzondere vaardigheden, gewoon iemand die pillen, ampules en korte naalden bij hem koopt.   Dat ik best veel beweeg, raadde hij me aan, toen ik voor het eerst bij hem mijn doosjes kocht.   Dat ik een busje met een laadvloer van minimaal tweeënhalve meter en wat planken wil kopen, zeg ik hem. Hij kijkt me met een scheef oog aan door het linker glas van zijn brilletje, dat veel ronder is dan de meeste pillen. Het wederwoord dat hij deze zaken niet verkoopt, bespaart hij me.   Waarmee kan ik U helpen, Meneer Somers? – Een laxeermiddel.   U kent het gebruik? – Ja, want de gedachte dat ik in broek doe als ik sterf is ondraaglijk. Ik sterf liever met een lege maag, een lege blaas en als het kan, ook met een leeg hoofd.   Heeft U concrete plannen? – Eerst dat busje en de planken. Voor de kist. Die timmer ik liever zelf ineen. Dan parkeer ik het busje op een dodelijk dag, met de kist achterin, op de oprit van een begrafenisondernemer. Liefst in de buurt van een stille rivier en dan kruipt mijn stervende ik daar, op die plaats, alvast in de kist.   Ja, nog zo gemakkelijk. – Neem ik best ook iets mee tegen de diarree? Ik zie er wel wat tegenop, dat geleuter gindsboven, van ontelbare oudjes.   Men eet daar doorgaans rijst, naar ik gehoord heb, hetgeen een stevige stoelgang bevordert en wat die oudjes betreft, dat zal best wel meevallen. – De Elyzeese velden zijn dus rijstvelden.   Waarom vertelt U mij dit alles? – Vanwege de grijze lucht en ach, er zullen daarboven zonder twijfel ook jongere vrouwen ronddolen, van wie de man nog leeft. Weet U of zij zich in die tussentijd dienen te onthouden van sexuele omgang met andere mannen?   Geen idee. – Geef mij voor de zekerheid toch maar een doosje condooms. Stop ze het best in je borstzakje, dicht bij je hart. De veerman merkt het niet.   – Ook een rolletje pepermunt, voor die veerman, met zijn rotadem. Of voor de veel te vroeg gestorven kinderen en bovendien, Meneer Somers, ik verkoop geen pepermunt! Niet aan U! Niet aan een veerman! Niet aan kinderen! Laat mij nu godverdorie verderwerken, aan mijn speciale bereidingen. Verlaat mijn apotheek! Anders word ik nog zot, vergis ik me.   – En sterven er mensen.     uit de reeks  'Ignace Somers'  

Bernd Vanderbilt
9 0

Tot ziens, Marianne (deel 17)

©photosuus   Xavier staat met gebalde vuisten tegenover me. Zijn knokkels heeft hij ingewonden met zwachtels. Zijn gelaat is krijtwit en zijn ogen roodomrand. Als een professioneel bokser wipt hij op en neer, alsof hij met blote voeten op een hete plaat staat. Af en toe strijkt hij met zijn duim langs zijn neus om een bengelende zweetdruppel af te vegen. Hij tracht een man-tegen-mangevecht met me aan te gaan, maar ik laat me niet opjutten. Niet dat ik zo vredelievend ben. Eerder een lafaard. Ik heb een erg lage pijngrens. Zo ik daartoe word uitgedaagd, wil ik nog wel eens een klap uitdelen, maar incasseren doe ik liever niet.   “Wat is er? Durf je niet? Lafaard!” roept hij me toe. Hij danst om me heen als een ballerina en haalt plotsklaps naar me uit. Met een felle linkse. Ik trek net op tijd mijn hoofd achteruit, waardoor zijn omzwachtelde vuist rakelings langs mijn neus scheert. Aan deze moordende dreun ben ik mooi ontsnapt, maar de volgende kan raak zijn.   “Lafaard! Kom op, als je durft!” schreeuwt hij me toe. Terwijl ik om me heen kijk om een vluchtweg te zoeken, blijft hij om me heen dansen. Het zweet druipt in beken van zijn gelaat, en op zijn sweater tekent zich een steeds groter wordende vochtvlek af. Ik krijg een arsenaal onaardigheden naar mijn hoofd geslingerd. Hij beschikt werkelijk over een onuitputtelijke bron aan scheldwoorden. Opnieuw schiet zijn linker uit. Ik wend mijn hoofd af en incasseer de klap op mijn wang. De dreun is niet hard genoeg om me neer te doen gaan, maar het aantal sterren dat ik zie, is niet te tellen. Ik ben bang dat het een kwestie van seconden is vooraleer ik uitgeteld op het canvas lig. Maar dan zie ik plots de cavalerie opdagen in de hoedanigheid van Marianne. Met zwiepende armen en hakkende hielen komt mijn beschermdame op ons toegelopen. Voor Xavier van zijn verbazing is bekomen, heeft ze naar hem uitgehaald. Als een moker planten haar knokkels zich op zijn neus. Bloedspetters spatten in mijn gezicht en op mijn kleren. Als een lappenpop zakt de Fransman in elkaar en blijft stuiptrekkend liggen. Ik kijk triomfantelijk op hem neer. De smaak der overwinning is zoet. Maar mijn vreugde is van korte duur. Vanuit mijn ooghoek zie ik Marianne’s vuist ook naar mij uitschieten. Voor ik de kans krijg te reageren, incasseer ik een voltreffer op mijn oog. Het volgende ogenblik lig ik uitgeteld bovenop Xavier.   Ik word gewekt door een hemels gefluit. Een magistraal gezang dat zich door een haast onwezenlijke stilte boort. Ik open mijn ogen en bemerk boven me een dik bladerdek. Op een overhangende tak zit een gitzwarte vogel met oranje bek zijn ziel uit zijn lijf te zingen. Ik luister ingetogen naar het lied, tot ik me herinner wat net is gebeurd. Ik richt me op en kijk onder me. Ik lig niet bovenop Xavier. Wel op een harde bank in een plantsoen. Van de Fransman geen spoor. Evenmin van Marianne. Langzaam dringt het tot me door dat ik een nare droom heb gehad. Ik rek mijn armen en mijn benen uit, die aanvoelen alsof ik geradbraakt ben. Een houten bank biedt ruim plaats om languit te liggen, maar comfortabel is ze niet. Terwijl ik een luide geeuw slaak, wordt mijn aandacht getrokken door snelle voetstappen. Ik kijk op en zie in de schemer van het ochtendlicht een man naar me toe komen hollen. Ik zet me schrap. Een belager in het halfduister is waar ik als de dood voor ben. Gelukkig blijkt het een vroege jogger te zijn. Wanneer de man mij voorbij loopt, stoot hij doorheen zijn hijgende adem een binnensmonds “Morning” uit. Ik beantwoord zijn groet met een flauwe hoofdknik. Zodra de man uit het zicht is verdwenen, sta ik op en loop om de bank heen, schuifelend als een oude man met reuma. Ik zet me tegen een boom en laat mijn gouden straal een holte boren in het mulle zand tussen de uitstekende wortels. Warme spetters spatten tegen mijn blote onderbenen. Ik neem weer plaats op de bank en krab onophoudelijk over mijn armen en benen, die onder de rode bultjes te zitten. De muggen hebben een lekkere prooi aan me gehad. Ik diep mijn mobieltje op. Het display verklapt me dat het half zes is in de ochtend, wat betekent dat ik amper een uur of vijf heb geslapen. Ik voel me uitgeput en leg me weer languit op de bank. Ik sluit mijn ogen in de hoop gauw de slaap te vatten, maar al na enkele minuten ga ik weer overeind zitten. Er klinkt een aanzwellend rumoer van auto’s die langs het park heen rijden en de nachtelijke rust aan stukken rijten. Slapen gaat me niet meer lukken nu de stad bezig is te ontwaken.   Ik sta op van de bank, gooi mijn benen even los en loop het park uit. Mijn maag scheurt van de honger. Ik heb sinds gisterenochtend geen fatsoenlijke hap meer door mijn keel gehad. Of beter: sinds eergisterenavond, want een half bevroren stuk karton met vegemite kun je bezwaarlijk een fatsoenlijke hap noemen. Even nagaan of op dit ontiegelijk vroege uur ergens in Sydney een ontbijt te nuttigen is.   Terwijl ik over straat loop, voel ik een kramp opkomen. Mijn darmen trachten me op een onbehaaglijke manier duidelijk te maken dat ze hun lading willen lossen. Een eind verderop hoor ik muziek klinken. Een vrolijk riedeltje dat me lokt als een zoete lekkernij. Ergens waar het zo vroeg op dag al een vrolijke bedoening is, wil ik graag mijn benen onder de tafel steken. Ik kan wat opmontering gebruiken.   De zaak waar het vrolijke wijsje weerklinkt, is een Ierse pub. Wanneer ik de deur openzwaai, komt me een verschaalde bierlucht tegemoet gewaaid. In combinatie met een aanzienlijk aantal kubieke meter aan sigarettenrook, genereert het een walgelijke stank. Aan de toog hangen enkele verlepte kerels, als was aan een draad. Stuk voor stuk leunen ze met hun ellebogen op de bar en staren wezenloos naar hun biertje. Eén man zit aan een tafeltje in ontbloot bovenlijf. Zijn borst is bedekt met een dikke dons. Op zijn knie zit een dame die in zijn borsthaar woelt en hem woordjes toefluistert. Het is niet zeker of de man er zich van bewust is dat hem het hof wordt gemaakt. Hij betuigt niet de minste interesse in de vrouw. Zijn oogleden lijken elk honderd kilo te wegen en zijn hoofd staat wankel op zijn romp.   Hoewel ik me niet aangetrokken voel tot dit gezelschap, betreed ik de kroeg en sluit de deur. Mijn darmen geven me met een pijnscheut te kennen dat ze geen uitstel meer dulden. De man achter de bar kijkt naar me op en vraagt wat ik moet. Ik vraag hem wat ze te eten bieden. Hij toont me een ketel waarin een prakje zit dat de hele nacht op kamertemperatuur heeft staan verkommeren. Ik bedank hem voor het aanbod. Mijn darmen zijn zo al opstandig genoeg. Koffie blijkt de man niet te schenken. Dus neem ik een cola, wat qua kleur en cafeïnegehalte een bakje troost het dichtst benadert. Ik neem een slok en ga op zoek naar het toilet. De vrouw, die op de schoot zat bij de dronkaard, is opgestaan en komt op me toegestapt, wankelend als een passagier op een dobberend schip. Ik trek grote ogen, want ze draagt broek noch rok. Het enige wat haar geslachtsdeel bedekt, is een minuscuul slipje dat haast transparant is van het geabsorbeerde vocht. Om haar bovenlijf draagt ze een mannenonderhemd dat aan de hals diep is uitgesneden. Het linker schouderstuk is afgezakt, waardoor haar ene borst bijna helemaal ontbloot is. Ze komt voor me staan en begroet me alsof ik een oude bekende ben.   “Hi, sweety!” zegt ze. Haar krakende bariton onthult de gevolgen van een zwaar leven. Terwijl ze me liefelijk aankijkt, streelt ze met haar knokige, naar nicotine ruikende vingers langs mijn wang. Ik kijk met grote ogen naar haar tepel die net boven de stof van het hemdje komt piepen. Een gigantische speen waarin een kind zich zou verslikken.   “You like my tit?” vraagt ze met een dikke tong. “If you buy me a drink, I let you suck it.” Ik slik hoorbaar, wat aan haar luchtpijp een ratelend geluid doet ontstijgen dat voor een lach moet doorgaan. Ik bekijk haar geopende mond met weerzin. Haar tanden hebben de kleur van melkchocolade.   Ik loop om haar heen en tref achterin de kroeg twee deuren aan. Op de afbladderende zwarte verf staat op de ene deur in felrode letters ‘FIR’ te lezen, op de andere ‘MBAN’. De weinig verkwikkelijke geur die zich door de kieren naar buiten wringt, laat er geen twijfel over bestaan dat achter deze deuren de toiletten verscholen liggen. Maar achter welke deur zich het herentoilet bevindt, is me een raadsel. Gaelic is een taal die ik niet machtig ben. Ik kies voor de deur waarop het woord ‘MBAN’ is aangebracht, omdat ik daarin het Nederlandse woord ‘man’ meen te herkennen. Wanneer ik de deur opentrek, tref ik echter een dame aan op de pot, die haar slip op haar enkels heeft hangen. Ik schrik me een ongeluk om dit misverstand, maar zelf lijkt ze het niet erg te vinden. Ze neemt niet eens de moeite om haar harige marmot voor me te verbergen. Ik duw de deur gehaast weer dicht en duik het hokje in naast het hare. Meteen begrijp ik waarom de dame heeft nagelaten de deur op slot te doen. Enkel een ijzeren plaatje verraadt dat er ooit een schuifslot aan de binnenkant van de deur heeft gezeten. Hoewel ik het een vreselijke gedachte vind het risico te lopen gestoord te worden tijdens een intieme aangelegenheid als schijten, gesp ik mijn riem los en laat mijn broek zakken. Net voor ik wil gaan zitten, valt mijn oog op een grote prop wc-papier die boven het toiletwater uitsteekt en waarop een gigantische drol ligt te dampen. De stank is niet te harden, dus ik besluit eerst even door te trekken. De gevolgen zijn niet te overzien. Het waterpeil stijgt meteen tot aan de rand en zakt slechts mondjesmaat. Toch ga ik zitten. Ik houd mijn fecaliën namelijk geen minuut langer op. Met mijn ene hand houd ik mijn piemel omhoog, zodat die niet in het vieze water komt te hangen. Met mijn andere hand houd ik de deur dicht.     Het rolletje toiletpapier blijkt geen velletje meer te bevatten. Ik zie geen andere mogelijkheid dan met het harde karton van het lege rolletje mijn kont af te vegen. Wanneer ik het toilet verlaat, staat het wijf met de rotte tanden me op te wachten. Ze klampt me aan. Ze wil iets van me, maar ik weet niet wat. Ze murmelt iets, maar ik begrijp er geen jota van. Ik ontwijk haar graaiende handen en haast me naar buiten. Geen minuut langer blijf ik in dit voorgeborchte van de hel.   De frisse buitenlucht doet me herademen en mijn hongergevoel steekt weer op. Het is de hoogste tijd om op zoek te gaan naar een zaak waar men koffie schenkt en betere dingen aan de man brengt dan halfbevroren toast met een laagje vegemite. Of een kwakje stew waar maden in verpoppen. Ter wille van de miljoenen toeristen die jaarlijks de stad platlopen, moét er in Sydney ’s morgens iets eetbaars te vinden zijn dat niet aan gesmolten asfalt of uitwerpselen refereert.   Na een dik uur door de stad te hebben gedoold, loop ik een straat in, waar een geur hangt die mijn speekselklieren aan het werk zet. Het is de geur van versgebakken brood, spek, eieren… Even verderop tref ik een kleine eetgelegenheid aan. Het interieur is krap, maar voor de etalage staan drie ronde tafeltjes met gietijzeren poot, waarvan het middelste onbezet is. Ik neem plaats en kijk monsterend om me heen. Links van me zitten twee heren tegenover elkaar. Ze praten luid en lijken me al erg goed wakker voor de tijd van de dag. De ene draagt een keurig overhemd met das. De andere, die flink wat kilo’s teveel met zich meedraagt en met zijn rug naar me toegekeerd zit, helt zo ver voorover dat zijn hemd achteraan omhoog geschort zit, waardoor een deel van zijn behaarde reet zichtbaar is. Niet erg appetijtelijk, maar als ik er niet naar kijk, heb ik er geen last van. Ik richt mijn blik op het jonge stel aan het tafeltje rechts van me. Ze kijken elkaar diep in de ogen en omklemmen elkaars handen alsof ze vermoeden dat de dag des oordeels is aangebroken. Achter hun rug staan twee trolleys tegen de etalage. Het heeft er alle schijn van dat hun reis er opzit en ze nog gauw een ontbijt nuttigen alvorens zich naar de luchthaven te reppen. Wanneer de ober hun ontbijt opbrengt, rek ik mijn nek uit om te zien wat op hun borden ligt: een kwak roerei, enkele lapjes gebakken spek en een paar knapperige worstjes. Ik weet meteen wat ik zal nemen. Daar heb ik geen menukaart meer voor nodig.   De ober noteert mijn bestelling op een beduimeld notitieboekje en haast zich de zaak in. Wat later wordt een papieren placemat voor me op tafel gelegd en krijg ik een mandje brood en een kartonnen hoesje waarin een mes, vork en papieren servet gevat zitten.   De koffie is zwart als de nacht. Nergens een spoor van melk of suiker. Vind ik niet lekker, maar ik durf de ober er niet om te vragen. Al te vaak nog slaag ik er niet in mijn kleed van schroom af te gooien. Een kwartier later krijg ik mijn ontbijt. Tegen die tijd schiet er van het brood niks over. Mijn honger was groter dan mijn geduld.   Het ei had best nog wat zout kunnen gebruiken, maar de uitgesproken hartige smaak van het spek en de worstjes maakt veel goed. Ik schrok alles naar binnen alsof ik een week op water en brood heb geleefd. De luide boer, die me na afloop ontsnapt, zou me in China op goedkeurend geknik komen te staan, maar doet in Sydney de wenkbrauwen fronsen. Het jonge stel, dat wacht op zijn rekening, kijkt afkeurend naar mij. De dikke man met de behaarde reet keert zich met enige moeite naar me om en zegt: “ Radio Baghdad wishes you a pleasant morning!”   Nadat ik heb afgerekend, zet ik koers richting Marianne’s flat. Ik kan er nu wel van op aan dat ze de deur uit is, wat me zal toelaten ongestoord mijn bezittingen bij elkaar te zoeken. Ik heb geen enkele behoefte meer haar te zien. Het enige wat ik nog wil is: alles wat me nog rest van bezittingen bij elkaar zoeken en via het internet een vlucht boeken naar België om daarna met de noorderzon te verdwijnen. Ik heb het gehad met Australië en in het bijzonder met Marianne en Xavier.   Hoewel ik vastberaden ben, overvalt me een vreemd gevoel wanneer ik de flat betreed. Een soort van weemoed. Gisteren was dit nog een warme thuis voor mij. Nu voel ik me een indringer. Ik laat de deur zachtjes achter me in het slot vallen om bij de buren geen argwaan te wekken en laat mijn blik rondgaan. Mijn laptop staat opengeklapt op de salontafel. Ik zet me neer op de bank. Een kwartier later heb ik een zitje geboekt op een vliegtuig richting België. Morgen laat ik Australië definitief achter me. Jammer dat ik nog één nacht in het park zal moeten slapen eer het zo ver is.   Ik klap de laptop dicht en begeef me naar de slaapkamer. Ik open de deur, maar kijk verbaasd op wanneer ik merk dat het er duister is. Het rolluik zit potdicht en er hangt een weeë nachtelijke geur. Vreemd, aangezien Marianne de gewoonte heeft de kamer te verluchten terwijl ze weg is. Ik ontsteek het licht en voel het bloed in mijn aderen stollen. Op het bed ligt Marianne. Roerloos. Op haar buik. Haar ene hand rust op het lege hoofdkussen naast haar, de andere hangt af naast het bed, als een liaan. Ze geeft geen teken van leven. Bevangen door angst wil ik op de vlucht slaan, maar ik verman me. Ik besef dat ik een zekere verantwoordelijkheid draag voor de toestand waarin ze zich bevindt. Het minste wat ik kan doen, is me vergewissen of ze nog leeft. Zo ja, is het mijn plicht om hulp te bieden. Zo nee, dan hoor ik er voor in te staan dat haar lichaam niet zal liggen wegrotten tot iemand de akelige ontdekking doet.   Ik loop aarzelend tot bij het bed en reik naar haar. Mijn hand beeft als een espenblad. Wanneer mijn vingertoppen haar gezicht raken, stijgt een diepe zucht op uit haar keel en opent ze abrupt haar ogen. Ik deins geschrokken achteruit en kom ten val. Wanneer ze zich opricht, krabbel ik in paniek achterwaarts naar de deur toe. Haar aanblik vervult me met afschuw. Ze ziet er uit alsof ze een maand in een middeleeuwse kerker heeft doorgebracht en de vreselijkste martelingen heeft doorstaan. Haar haren plakken in klissen tegen haar bezwete hoofd. De huid rond haar rooddoorlopen ogen hangt een beetje af, alsof hij te ruim is. Haar oogleden zijn gezwollen en roodomrand, en haar neusvleugels opgezet. Haar lippen tenslotte zijn vormeloos en droog. Terwijl ik als in trance naar haar zit te kijken, met opgetrokken knieën en mijn armen achter me om mijn bovenlichaam te ondersteunen, hijst ze zich uit bed en komt op me toegelopen. Poedelnaakt en strompelend. Ik krabbel gehaast overeind en wil me uit de voeten maken, maar ze slaat haar armen om mijn nek en gaat met haar hele gewicht aan me hangen. Ik zak bijna door mijn knieën.   “Boris, je bent teruggekomen,” murmelt ze in mijn oor. Haar stembanden lijken van schuurpapier. Ik grijp haar polsen en tracht me uit de omklemming te bevrijden, maar het lukt me niet. Ze ziet er teer uit maar heeft de kracht van een werkpaard.   “Ik ben blij dat je teruggekomen bent,” fluistert ze.   “Ik ben niet teruggekomen,” zeg ik. “Ik kom mijn spullen halen. Ik ga weg.” Ze laat me los, zet een pas achteruit en kijkt me verbijsterd aan.   “Hoezo, je gaat weg? Waar naartoe?”   “Naar België.”   “Wat? Boris! Zeg dat je een grapje maakt.”   “Ik maak geen grapje. Morgen vertrek ik.” Ze kijkt me doordringend aan. Haar blik schiet over en weer van mijn ene oog naar mijn andere en terug.   “Boris, lieve Boris,” zegt ze. “Ik begrijp dat je boos op me bent. Je kunt de dingen die gisteren zijn gebeurd niet plaatsen. Dat is niet abnormaal. Ik heb het er ook moeilijk mee. Maar je reageert vanuit een impuls. Geef jezelf de tijd om alles te laten bezinken. We hebben ruzie gehad. Oké, dat is niet prettig. Op zo’n moment lijkt het alsof je hele wereld instort. Maar over enkele dagen zie je de dingen vast weer in het juiste perspectief. Dus ik smeek je: neem geen overhaaste beslissingen. Doe geen dingen waarvan je later spijt zult hebben. Blijf hier… asjeblieft…”   “Het is te laat, Marianne,” zeg ik. “Mijn vlucht is reeds geboekt.” Ze klampt zich opnieuw aan me vast en laat haar tranen de vrije loop.   “Boris, ik red het niet zonder jou!” snikt ze. “Sinds ik jou heb leren kennen, is mijn hele leven veranderd. Jij hebt emoties in me losgeweekt waarover ik geen controle heb! Ik zweer het je: ik kan niet verder zonder jou!”   “Sorry, maar mijn besluit staat vast,” zeg ik. Ik maak me los van haar. Ze kijkt me doordringend aan.   “Weet dan, Boris, dat ik niet insta voor de gevolgen,” klinkt het onheilspellend.   “Welke gevolgen?”   “Als je weggaat doe ik mezelf wat aan,” zegt ze. Haar donkere timbre verleent zoveel drama aan haar woorden dat ik huiver. Ik laat me bijna leiden door mededogen. Maar onmiddellijk gaat er iets in me in het verweer. Tegen emotionele chantage heb ik me leren wapenen. Getraind door moeder. Zij kon me als geen ander schuld aanpraten. Lang heb ik daaronder geleden en ben ik onder de chantage bezweken. Maar dat overkomt me niet meer. Met onverschilligheid kom je een eind verder. Ik doe alsof de betekenis van Marianne’s woorden me ontgaat en wil om haar heen lopen, maar ze doet een stap zijwaarts, waardoor ik gekneld kom te zitten tussen haar lichaam en de openstaande deur.   “Boris,” zegt ze met zwoele stem, “ik heb zin in je…” Ze schuurt haar geslachtsdeel tegen me aan en kreunt ingehouden, alsof de aanraking haar op de rand van een orgasme brengt. Ik duw haar van me af en begin mijn kleren bij elkaar te rapen, die bij gebrek aan bergruimte verspreid liggen over de vloer. Terwijl ik gehurkt zit, gooit ze zich naast me op het bed, dat kraakt als een oude hooiwagen. Het stof, dat opdwarrelt, dringt zich in mijn neusholtes en doet me niezen. Ze grijpt me bij de pols en trekt me naar zich toe. Het voelt alsof me een handboei wordt omgedaan.   “Boris? Kunnen we de klok niet terugdraaien?” vraagt ze.   “Terugdraaien tot wanneer?” merk ik cynisch op. “Tot het punt voor ik me ervan bewust was dat je Jan kende?” Ze laat zich met haar achterhoofd op haar kussen ploffen en richt haar blik ten hemel.   “Goddamn, Boris. Hoe kan ik je ooit aan het verstand brengen dat ik die Jan Bitterbier van jou niet ken?” roept ze uit. “Ik zweer op het graf van mum en dad dat ik nooit van die man heb gehoord! Laat staan dat ik hem ken! Geloof me nou toch eens een keer!” Ik sta recht en kijk op haar neer. Ze klinkt zo radeloos dat ik begin te twijfelen. Zweren op het graf van je ouders doe je niet zomaar. Daar moet je een goede reden voor hebben. Stél dat ik me vergis en ik die man verkeerdelijk voor Jan houd… Ik besluit haar een laatste kans te geven de waarheid te spreken.   “Zeg me dan wie het was die gisteren bij jou stond,” zeg ik. “Was het die Matthew? Heb je nog steeds een relatie met hem?” Ze richt zich op. “Boris, voor de laatste keer: ik heb niemand gezien of gesproken toen jij in die winkel om bier was! Ik heb helemaal alleen op jou heb zitten wachten!” Dit neemt alle twijfel weg. Ze is van kwade wil. Dat ik me van persoon vergis, wil ik nog aannemen. Maar dat ze me wil doen geloven dat ik niemand bij haar heb zien staan, getuigt van absoluut misprijzen voor mij. Mijn ogen bedriegen me niet. Ik héb een man bij haar zien staan! Geen weg naast! Ik bijt haar toe dat ik het schijt heb aan haar leugens. Daarop laat ze zich achteruit op het bed vallen, waarbij haar hoofd even opveert voor het blijft liggen. Ik graai mijn kleren bij elkaar, prop ze in mijn rugzak en druk ze aan met een gebalde vuist. Voor ik de slaapkamer verlaat, werp ik nog even een vluchtige blik op haar. Ze ligt in foetushouding en huivert als een pas geschoren schaap.   In de woonkamer gris ik mijn laptop van de tafel. Met mijn rugtas over mijn schouder en mijn computer onder mijn oksel gekneld, loop ik naar de deur. Net voor ik het appartement wil verlaten, hoor ik achter me een gestommel klinken. Ik kijk over mijn schouder en zie dat Marianne de woonkamer komt in gehold.   “Boris, don’t do this to me,” roept ze luid. Ze kijkt me aan met diepliggende ogen, als een terdoodveroordeelde net voor zijn terechtstelling. Haar gezicht is nat van de tranen. Bij de aanblik voel ik mijn hart breken.   “Zeg me dan de waarheid,” probeer ik ultiem. Ze komt op me toegestapt en legt de vingers van één hand op mijn borst. Het is haast een religieus gebaar, als de aanraking van het kruis tijdens de offergang.   “Welke waarheid wil je horen, Boris?” vraagt ze kalm. “De echte waarheid of jouw waarheid? Want dat zijn twee verschillende dingen. Jij wilt te horen krijgen wat jij meent dat de waarheid is. Ik zou je daarin tegemoet kunnen komen en je een verhaaltje opdissen, maar wat ben je daarmee? Wat voor zin heeft het dingen toe te geven die zich niet hebben voorgedaan? Het is als een door marteling verkregen bekentenis: het heeft geen enkele waarde. Dus geloof me nou. Ik ben onschuldig. Terwijl jij in die winkel was, heb ik met niemand gesproken.” Ik sla haar vingers van me af als was het een kakkerlak, maar ze klampt zich aan me vast.   “Boris, laat me niet alleen. I beg you!” doet ze smekend. Ze neemt mijn hand en leidt deze naar haar geslacht, dat nat is als een spons. Ik duw haar van me af en hol naar de lift.   “Boris! Nee!!” schreeuwt ze me na. Haar kreet galmt in de traphal als een echo in de Alpen. Ik duw op de knop van de lift, maar deze is in gebruik, wat Marianne de tijd geeft om achter me aan te komen. Ze grijpt me bij de arm en trekt me weg van de lift. Ik tracht me te verzetten, maar haar kracht is immens. Stapje voor stapje weet ze me naar de flat te slepen. Aan de deurstijl klamp ik me vast, als een jongetje dat de school niet in wil. Daarop buigt ze zich naar mijn hand en bijt in mijn vingers. Ik slaak een kreet van pijn en los mijn greep. Met een ruk wil ze me de flat inslepen. Door de kracht die ze uitoefent op mijn arm, laat ik me mijn laptop ontglippen. Het toestel valt met een bons op de vloer en barst open. Van de verwarring maak ik gebruik om me los te wrikken en opnieuw naar de lift te rennen. Marianne wil meteen weer achter me aan hollen, maar struikelt over de laptop en valt. Ze smakt met haar hoofd op de harde stenen vloer en blijft roerloos liggen. Ik druk intussen als bezeten op de knop van de lift.   Terwijl ik wacht op de komst van de lift, hoor ik achter me plots een grommend geluid weerklinken. Ik kijk om en voel mijn haren ten berge rijzen. Marianne komt op handen en knieën naar me toe gekropen, met bloeddoorlopen ogen en borsten die als uiers tussen haar armen bengelen. Uit haar linkeroor sijpelt een fijn straaltje bloed. Ze lijkt wel een gewond dier dat op het punt staat een bloeddorstige aanval uit te voeren. Ik hamer uit alle macht met mijn vuist op de liftknop. Net voor ze haar graaiende hand om mijn enkel kan slaan, schuiven de deuren open en stort ik me in de kooi. Wanneer de deur zich achter me sluit en de lift zich in beweging zet, hoor ik een hartverscheurende kreet weerklinken, die uitsterft naarmate de lift verder daalt.

Lou Van Lier
0 0
Tip

Het Ponton

Ik probeerde mijn identiteitskaart te verscheuren maar dat viel niet mee. Het harde plastic werkte tegen. Er verschenen rode striemen op mijn vingertoppen. Ik plooide de kaart dan maar dubbel en duwde ze zo plat mogelijk tussen beide handen. Ik plooide ze terug en deed hetzelfde langs de andere kant. Vervolgens draaide ik de kaart een halve slag en deed hetzelfde. De plooien werden barsten en de barsten scheurden open. De kaart viel in vier delen uiteen. Ik deed mijn lenzen uit en vulde het potje met lenzenvloeistof. Ik kleedde me uit en trok een kleed aan, wit, met lange mouwen. Niks aan hoe ik eruitzag mocht mijn identiteit verraden. Ik had geen identiteit meer, en ook geen taal. Ik sloot me aan bij de stroom, de massa. Ik stapte met ze mee. We kwamen aan een tent, men sprak me aan in het Engels en vervolgens probeerde men nog een taal of drie. Ik knikte, maar sprak niet. Ik kreeg een linnenpakket en een sleutel. Mijn naam werd vervangen door een nummer. De stad had een ponton gehuurd. Wat voorheen een gevangenis was, was nu een drijvend opvangcentrum. Het stadspersoneel had de tralies die voor de ruiten zat weggezaagd. Ik opende de kamer en maakte het bed op. De matras stond nog in de plastic verpakking tegen de muur. Het bed was een stalen rechthoekige bak waarover een ijzeren web was gesponnen. Wat ik ook probeerde, ik kreeg de lakens niet rond de matras gespannen. Ze veerden terug omhoog als karton. Naast mijn kamer was er een grotere ruimte waar de maaltijden werden bereid. Ik kreeg een aluminium bakje eten. Ik nam plaats aan een lange tafel. Ik at en zweeg. Ik koop een kip en stel vast dat ze niet wordt aanvaard door de andere kippen. Zij waren hier eerst. Ze wordt aan haar veren uit het kippenhok gesleurd. Ze mag niet mee-eten met de groep. Ze wordt gepikt en op een kippenmanier beschimpt. Ik bouw een nieuw hok voor haar en plaats het bovenop het andere hok. Ze slaapt er alleen. Ze eet alleen. De restjes. Ze scharrelt alleen. Af en toe probeert ze het. Toenadering zoeken. Aanvaarding zoeken. Het mislukt. Ze wordt aangevlogen. Men deelde wat zakgeld uit. Een beetje scheergerief. Een handdoek en een tandenborstel. Ik schreef op alles mijn nummer. Ik hechtte er veel waarde aan. Ik dwaalde anoniem door de stad. Tenminste, dat probeerde ik. De mensen keken me aan en even snel keken ze terug weg. Hun blik naar de grond. In een fractie van een seconde hadden ze me ingedeeld. Ik was zij en zij waren wij.

Robbe Willems
28 0