Lezen

Quinoa – Paleo of niet?

Regelmatig krijg ik vragen over quinoa. Over wat quinoa eigenlijk is en wat er zo goed aan is? En dat als het een superfood is het dan zeker wel Paleo is? Tijd om quinoa eens van wat dichterbij te bekijken.   Goed. We starten met de vraag wat quinoa eigenlijk is. Je moet weten dat de Inca’s al meer dan 6000 jaar geleden quinoa kweekten. In hun taal betekent het ‘moeder van alle granen’. Ze bekeken het als goud en gaven het aan krijgers om hun uithoudingsvermogen te vergroten. Het is dus afkomstig uit Zuid-Amerika. Meer bepaald uit Peru, Ecuador en Bolivia. Door kruisingen is het gewas ondertussen sterk genoeg zodat het ook in Europa kan groeien.   Quinoa is geen graan. Net zoals amarant en boekweit, is het een pseudograan. Dit zijn grassen die erg lijken op granen. Maar biologisch klopt dit niet. Het is zelfs zo dat quinoa meer verwant is aan spinazie en biet dan aan granen. Sinds enkele jaren zit de verkoop in de lift. Omdat er geen gluten in zitten, is het erg populair bij mensen met glutenintolerantie en coeliakie.   Wat zijn de voordelen? Als het over superfoods gaat, staat quinoa steevast in de lijst. Allerlei spectaculaire verbeteringen worden toegeschreven aan superfoods. Je levenskracht en energie verhogen, je seksleven verbetert. Zelf ben ik er geen fan van het woord superfoods. Gewoon gezond eten is het beste dat je kunt doen.   Het hippe zaad bevat veel belangrijke voedingsstoffen. Rijk aan vezels en boordevol eiwitten en mineralen zoals ijzer en magnesium. En verder ook veel antioxidanten die het verouderingsproces schijnen tegen gaan. Dat klinkt allemaal veelbelovend maar is dat ook echt zo?   Wat zijn de nadelen? Over granen heb ik het al eerder gehad. Dat lees je hier. (invoegen link naar ‘Granen: wat is het probleem?’) Quinoa lijkt op een graan en gedraagt zich ook zo. De negatieve eigenschappen moet je er dus bijnemen. En die zijn niet gering.   In quinoa zitten, net zoals in granen, anti-nutriënten. Zowel granen als pseudogranen bevatten stoffen die een ingrijpend effect kunnen hebben op je spijsverteringsstelsel en je immuunsysteem.   Zo zijn er fytaten. Die stof zit in quinoa en verbindt zich met andere mineralen in je voeding. Het menselijk lichaam is niet in staat om fytaten te verteren. Hierdoor kan je dus ook de goede mineralen niet opnemen. Hoe gezond het voedsel ook lijkt, door de fytaten neemt je lichaam niks op.   Daarnaast is er ook lectine, een proteïne aangemaakt door planten om zichzelf te beschermen. Het is giftig en verstoort je spijsvertering. Lectines sijpelen door je darmwand in je bloedsomloop. Met ontstekingen tot gevolg en op termijn een mogelijke reactie van je auto-immuunsysteem.   En dan is er nog saponine.  Ook deze stof beschermt planten tegen insecten. Opgelost in water veroorzaakt saponine een zeepachtig schuim. Dit maakt de darmwand doorlaatbaar met ontstekingen en het lekkende darmsyndroom tot gevolg. Veel voedingsmiddelen bevatten saponine. De dosis bij pseudogranen is zo hoog dat je lichaam overbelast wordt.   Voor de krijger van de Maya’s was quinoa een primaire voedselbron, voor ons niet. Groenten, vlees, vis, fruit, noten en zaden. Wij hebben verschillende mogelijkheden om een gezond voedingspatroon te onderhouden. Zonder quinoa. Het is een pseudograan, een gras dat zich gedraagt als een graan. Geroemd als superfood vol vezels, eiwitten en mineralen maar met de negatieve eigenschappen van graan. De anti-nutriënten hebben een grote impact op spijsvertering en immuunsysteem.   Mag je het dan nooit eten? Na jarenlang geraffineerde granen, gepasteuriseerde zuivel, giftige zadenolie en tonnen suiker te eten, heb ik die behoefte niet. Als je Paleo eet volgens de 80/20 regel dan kan quinoa best weleens op het menu. Al zou ik mijn 20% aan iets anders besteden.         Bronnen: Waarom ik geen havermout eet. (en ook geen quinoa, rijst, boekweit of spelt), Less bad but not good: pseudograins and non-gluten grains, Alles over superfood, 11 bewezen gezondheidsvoordelen van quinoa, Is Quinoa Paleo?, Is Quinoa Paleo? A Deep Dive, How Do Grains, Legumes and Dairy Cause a Leaky Gut? Part 2: Saponins and Protease Inhibitors

Margot
6 0

Mens versus machine: wie wint?

Gaat er nog een plaats zijn voor mensen in deze veranderende wereld? Hoe zal de technologie ons leven beïnvloeden? En zullen wij over twintig jaar überhaupt nog moeten werken, of doen robots dan alles voor ons? Deze vragen stelt Steven Van Belleghem zich in zijn boek 'When digital becomes human'.   Steven is een grote fan van robots. Eén van zijn favoriete exemplaren werkt in een doe-het-zelf zaak. De robot herkent er mensen, helpt hen om net dat vijsje of die boorkop te vinden die ze zoeken. En hij bestaat echt, in de Verenigde Staten weliswaar. De meest populaire robot bij de familie van Belleghem in Vlaanderen is de stofzuigrobot. “Ik kan iedereen met kinderen onder de acht jaar zo'n stofzuigrobot aanraden. Hij werkt briljant. Ik druk op de clean-knop en dan komt er een geluid: toe-doem! Daarop zegt mijn oudste zoon: 'papa, je laat de robot toch niet los?' Ik antwoord bevestigend en ze weten dat ze dan nog precies dertig seconden hebben om hun Legoblokjes op te ruimen. Mijn vrouw en ik laaiend enthousiast, tot we plots beseften dat onze kinderen beter luisterden naar een machine dan naar ons, hun ouders. Dat was een moeilijk moment. Maar na veel overleg hebben we de knoop doorgehakt. We voeden voortaan onze kinderen op met z'n drieën: mijn vrouw, ikzelf en onze robot.”   En zo’n samenwerking tussen mens en machine is precies wat zich in sneltempo en op grote schaal voltrekt in de wereld. 2016 is een kantelpunt. “Iedereen heeft nu een smartphone en gebruikt de sociale media. Tien jaar geleden had iedereen een Nokia, waarvan de batterij zeven dagen mee ging. Het spannendste wat er gebeurde was dat je een sms kreeg. Nu staan duizenden mensen voor de mogelijk toekomstige president van de Verenigde Staten en wat doen ze? Ze draaien met hun rug naar haar toe, steken een plat toestelletje de lucht in en maken een selfie die ze nadien op sociale media delen. Tien jaar geleden was de iPhone nog niet aangekondigd en had Facebook 10.000 gebruikers. Als ik dit toen had voorspeld, had niemand mij geloofd.”   Apparaten komen tot leven   In de huidige fase van digitalisering komen apparaten tot leven. Steven werkt samen met een bedrijf dat slimme verwarmingsketels maakt. “Nu kom je na je werk thuis en je stelt vast dat je verwarmingsketel het laat afweten. Je moet beginnen telefoneren en hopen dat er snel een hersteller langs kan komen. Geen fijn einde van de dag. De slimme verwarmingsketel doet het anders. Die stuurt zijn eigenaar een sms een week voor hij stuk zal gaan. Hij kondigt de fout aan en geeft meteen ook de optie om de dag nadien een hersteller te sturen. Dit is geen science fiction. Die technologie bestaat en wordt in nieuwe verwarmingsketels ingebouwd.”   In het voorjaar van dit jaar won de computer Google Deepmind enkele spelletjes Go. Dat lijkt misschien niet zo bijzonder, maar het is het wel. In tegenstelling tot schaken heeft Go zoveel mogelijke zetten dat het onhaalbaar is om deze allemaal in een computer in te geven. Toen Deepmind dus vier van de vijf spelletjes won van de wereldkampioen Go, kon hij dat omdat hij het zelf had geleerd. “Zelflerende machines waren eigenlijk pas voorzien voor 2025.  We lopen tien jaar voor.”   Beslissen dankzij algoritmes   “In de toekomst zullen wij nog meer beslissingen nemen gebaseerd op algoritmes. Het bekendste voorbeeld uit de medische wereld is filmster Angelina Jolie. Zij liet haar borsten wegnemen omdat ze een grote kans had om een erfelijke vorm van borstkanker te krijgen. Dat is een ingrijpende, persoonlijke beslissing die zij maakte op basis van een wetenschappelijk algoritme.”   Ook in andere sectoren nemen de machines een steeds belangrijker plaats in. “Het bedrijf Planet Labs heeft een hele reeks kleine satellieten in twee banen om de aarde gebracht. Die scannen elke centimeter van het aardoppervlak en fotograferen onze planeet dagelijks met gespecialiseerde apparatuur. De grootste klant van Planet Labs is het Amerikaanse ministerie van Defensie. De op een na grootste is de agrarische sector. De satellietbeelden geven bijvoorbeeld gewasschade weer. In combinatie met sensoren in de grond zullen we in de toekomst het land bewerken via zelfrijdende, automatisch aangestuurde machines. Dankzij algoritmen zullen die op precies het juiste moment uitrijden om een taak te doen.”   Empathie, passie en creativiteit   De ervaring en het buikgevoel van de boer vervangen door sensoren. Hebben we dan geen mensen meer nodig? Worden we overbodig? Steven beantwoordt die vraag met een wet die de agrarische sector maar al te goed kent. De wet van de schaarste. Wanneer een goed schaars is, verhoogt het in waarde. “Bedrijven zullen in de toekomst moeten zorgen dat ze technologisch mee zijn om aan concurrentiële prijzen te produceren. Daarnaast moeten ze zich ook op menselijk vlak onderscheiden. Want daar kan je het verschil maken. Wij mensen moeten vooral goed zijn in datgene wat computers niet hebben: empathie, passie en creativiteit. In de toekomst zullen machines zo perfect geprogrammeerd zijn dat ze vlekkeloos werk leveren. Maar dan wel enkel met gestandaardiseerde oplossingen in gestandaardiseerde situaties. Computers voorspellen, mensen verrassen.”   “We worden tegenwoordig nog amper verrast. Gaan we uit eten, hebben we op internet al gekeken wat er op het menu staat. Staan we op reis bij een monument, kunnen we alleen maar beamen dat het eruit ziet zoals op Google. Maar wanneer ben jij voor het laatst echt fan geworden van een bedrijf? De kans is groot dat dat gebeurd is op een moment dat jijzelf een fout maakte, en een medewerker het heeft opgelost. Een hoogtechnologische firma zoals Amazon of Booking.com zal perfect werk leveren... volgens het boekje. Die keer dat ik in een pretpark stond met mijn hysterische zoon nadat bleek dat hij twee centimeter te klein was om op een attractie te mogen die ik hem had beloofd... toen was ik heel blij dat de medewerker ons langs de VIP-ingang naar een andere attractie bracht en daardoor hielp om dit kleine drama te vergeten. De computer meet mijn kind, excuseert zich en verbiedt hem de toegang. De mens gaat zijn boekje te buiten om mijn zoon toch een fijne dag te gunnen. Empathie, passie, creativiteit. Dat is onze kracht.” 

Liesbetje
0 0

Smakelijk!

“Ik zie graag dieren!” krijg ik vaak als reactie als ik mensen vertel dat ik fulltime vegetariër en parttime veganist ben. “Ik vind het milieu en ecologisch leven belangrijk! Ik ga zo veel mogelijk met de fiets.” Als ik vertel dat ik niet enkel omwille van het dierenleed ervoor kies om geen dieren te eten. Of hun producten te gebruiken.   Wist je dat de grootste oorzaak van de opwarming van de aarde, de veeteelt is, en niet het verkeer (land, zee, lucht)?   Ik respecteer de keuze van eenieder om wel nog vlees te eten. Leer te dragen. Met bont heb ik het moeilijker. En met (agora)wol ook. Of foie gras. Dit zijn pure luxeproducten, totaal overbodig maar wel een enorme bron van totaal nutteloos dierenleed. Niet dat er nuttig dierenleed bestaat. “Diervriendelijk vlees bestaat niet,” las ik eens op een sticker die ergens verloren op een lantaarnpaal plakte.   Ik veroordeel je niet als je ervoor kiest deze producten te gebruiken. Ik vind alleen wel dat je dan ook het lef mag hebben om de waarheid hierover te kennen. De beelden te bekijken van konijnen die bij volle bewustzijn kaalgeplukt worden (het gekrijs van zo’n konijn al eens gehoord?). De beelden van bloedende schapen omdat het scheren zo’n bandwerk is dat er met het dier geen rekening gehouden wordt. De beelden van ganzen die volgestouwd worden omdat mensen graag zieke lever eten. En de beelden van volle visnetten die uit zee gehaald worden. Daar zitten geen roze zalmfilets in, maar vooral “bijvangst”. Schildpadden, haaien, dolfijnen,… Kijk niet weg.   “In China eten ze hond!” zeggen (bijna-)alleseters met een gezicht vol afgrijzen. En “Ik eet geen lam, dat is veel te zielig, zo’n baby-dier!”   Ik denk aan de varkenshouderij waar we jaren geleden stiekem de varkensstal zijn ingelopen. Wij logeerden in het vakantiehuisje dat de varkenshouders als bijverdienste verhuurden. “Landbouwtoerisme,” heet dat. We hadden een idyllische tuin waarin een pony en twee snoezige siervarkens vrolijk liepen te scharrelen, samen met wat luxe-kippen. Het was een hete zomerdag. In België. De deur van iets dat op een gigantische schuur leek, stond open. “Verboden toegang,” waarschuwde een bordje. Dan moest de deur maar niet openstaan, toch? Met een klein hartje slopen we naar binnen. Het was redelijk donker en onze ogen moesten even wennen. Ik hoopte dat ik zou mogen ontdekken dat het allemaal nog wel meeviel.   Varkens. Varkens. En nog eens varkens. Op harde vloeren met gleuven om de mest af te voeren. De varkens waren vet. Zaten of lagen dicht op elkaar gepakt. Sommige lagen in hun eigen uitwerpselen, waren gewond geraakt, vertrappeld, konden niet meer recht. De blikken van de dieren die het dichtst bij de hekken stonden, kruisten meermaals de mijne en branden tot op de dag van vandaag nog op mijn netvliezen. Je moet dieren geen menselijke eigenschappen toe-eigenen. Maar lijden is universeel. Ik stak mijn hand uit en één van de dieren snuffelde er aan. Wist je dat varkens intelligenter zijn dan honden? Dat ze in staat zijn tot complexe emoties zoals empathie? Er leek geen einde te komen aan de gang en hoe verder we doorliepen, hoe donkerder en hoe erger het leed. De geluiden zijn gewoon niet te omschrijven met woorden.   Ik voelde me machteloos. Maakte grootse plannen in mijn hoofd. Maar ook ik was te laf om echt iets te ondernemen. Ik kwam niet verder dan wat over-en-weer gemail met de varkenshouder. Vond het wel chique dat hij de moeite nam te reageren op mijn verzuchtingen. En ik begreep zijn verhaal ook.   Ik zou schrijven. Mensen moesten lezen hoe het met deze varkens ging. Mijn toenmalige partner maakte foto’s. Die ging ik verspreiden.   In de plaats daarvan troostte ik me met de gedachte dat ik geen vlees eet. Dat ik niet rechtstreeks deelneem aan het dierenleed.   Honden zijn in China wat varkens voor de gemiddelde Belg zijn.   Een dier is een dier. Een levend wezen. Wie zijn wij om te oordelen welk leven belangrijk is en welk leven niet?   Een beetje meer respect en aandacht voor dierenwelzijn is geen overbodige luxe.        

Mandy
0 0

Supplement vitamine D: Oké of niet oké?

Help! De winter staat voor de deur. De dagen worden kouder en korter. De zon schijnt minder en mensen blijven meer binnen. Weldra spreekt elke dokter de diagnose uit: “u hebt een vitamine D-tekort”. Supplementen slikken dan maar. Of beter niet?   Zonnevitamine Steeds meer mensen nemen vitamine D-supplementen in. Vooral in de winter stijgt de verkoop van de supplementen. Ons lichaam maakt namelijk vitamine D aan wanneer de huid in contact komt met zonlicht. Helaas, tijdens een doorsnee Belgische winter stuurt de zon vaker haar kat dan dat ze zelf ten tonele verschijnt. Bovendien bestaat de winterse garderobe uit behoorlijk wat dikke lagen textiel, waardoor de schaarse zonnestralen enkel het gezicht kunnen bereiken. En zo krijgen we een tekort aan vitamine D. Geen zonnetje in huis? “Ain’t no sunshine when she’s gone”, die vitamine D. Want een tekort aan de zonnevitamine veroorzaakt: Lusteloosheid; Moeheid; een constant energietekort; een zwakker immuunsysteem; minder sterke botten, spieren en tandvlees; een verhoogde kans op hart- en vaatziekten; Recente onderzoeken doen zelfs vermoeden dat vitamine D kanker remmend werkt.   Wie niet van plan is om van oktober tot maart een winsterslaap te houden, moet op een andere manier heelhuids de winter zien door te komen. Hoe komt ons lichaam aan vitamine D als de zon niet schijnen wil?   D de dwarsligger Dirk Devroey van de afdeling huisartsgeneeskunde bij VUB, stelt dat gezonde volwassenen geen nood hebben aan een supplement vitamine D. Zij kunnen vitamine D halen uit boter, kaas, of vette vissoorten, zoals zalm of tonijn.   D is echter het buitenbeetje in de “familie Vitamine”. Volgens Ann Vandebroeck, medisch oncoloog bij ZNA Middelheim, halen we slechts 10 % van het aanbevolen gehalte vitamine D uit voeding. Dagelijks een klont boter zo groot als een baksteen verorberen, komt de gezondheid evenmin ten goede. Daarom raadt Vandebroeck net wel aan om vitamine D supplementen in huis te halen tijdens de wintermaanden.   Kies bij voorkeur voor een supplement met een vetlaag rond de capsule van de pil, want die zorgt voor een betere opname van vitamine D.   Mag het wat meer zijn? Voordat u naar de apotheker snelt en uw dosis zonnestralen in de vorm van een pilletje koopt, nog even dit: té veel vitamine D innemen kan leiden tot een overdosis. Bij zo’n overdosis bereikt het menselijk lichaam een calciumpiek, wat vervolgens het risico verhoogt op hartritmestoornissen, mentale problemen en verwardheid.   Wat een gezonde dosis van vitamine D-supplementen is, verschilt van mens tot mens. Uw individuele vitaminepeil kan de huisarts voor u onderzoeken. Met een bloedanalyse kan hij nagaan of u aan een vitamine D tekort lijdt en hoeveel supplement u kan nemen om het tekort weg te werken.   Geen nieuws onder de zon Het klinkt als een goed lijstje met goede voornemens voor een zorgeloze winter: gezond eten, de dokter bezoeken voor een bloedanalyse en half uur per dag in de zon wandelen. Als ze schijnt, ten minste. Anders kan u een reis naar de zon boeken tijdens de kerstvakantie. Er is en blijft immers geen betere leverancier van vitamine D dan de zon.   Bronnen: http://deredactie.be/cm/vrtnieuws/videozone/programmas/journaal/2.47747?video=1.2836104 http://deredactie.be/cm/vrtnieuws/binnenland/1.2296879 https://www.gezondheidsnet.nl/vitamines-en-mineralen/heb-ik-een-vitamine-d-tekort http://www.vitamine-info.nl/alle-vitamines-en-mineralen-op-een-rij/vitamine-d/ http://www.kanker.be/alles-over-kanker/mogelijk-risico/vitamine-d/heeft-vitamine-d-een-kankerremmend-effect Sessie Ann Vandebroeck, Voedings- en gezondheidscongres Brussel (18&19 november), Welke voedingssupplementen en voeding aanbevelen bij kanker? http://www.voedingscongres.be/  

Kristelw
0 0

Schenenschopper

 Schenenschopper   Edouard Manets ‘Muziek in de tuilerieën’   Kijk je anno 2016 naar dit schilderij van Edouard Manet dan zie je een groep opgedofte mannen en vrouwen in een park. We kunnen ons moeilijk voorstellen dat dit doek de toeschouwers met stomheid sloeg toen het in 1862 voor het eerst getoond werd. Intussen staat het bovenaan de ranglijst als een van de eerste ‘moderne’ schilderijen uit de kunstgeschiedenis. Hoe wist het schilderij die plek te verdienen?   Voorstelling Laten we beginnen bij de voorstelling: een groep mannen, vrouwen en kinderen in een park. Manet schilderde hier een wekelijkse activiteit van de Parijzenaren. Twee keer per week verzamelden ze zich in de tuinen voor het Louvre om te luisteren naar een klassiek concert. Zo ook Manet en zijn vrienden. De mannen staan, de vrouwen zitten. Manet benadrukte zo fijntjes de toenmalige rolverdeling tussen mannen en vrouwen. Manet schilderde geen willekeurige verzameling van personages. We kunnen namelijk enkele bekende inwoners uit het Parijs van die tijd identificeren. Zo zijn onder andere de dichter Charles Baudelaire en de componist Jacques Offenbach van de partij. Manet gaf zichzelf ook een plekje tussen zijn artistieke vrienden. Je ziet hem helemaal aan de linkerkant van het doek.   Trucje Manet kijkt uit het doek en de man voor hem ook. Waar zouden ze naar kijken? Wellicht naar de muzikanten die zich op jouw plek bevinden. Want waar kunnen de muzikanten anders staan? Manet speelt hier een spelletje met je dat schilders al vele eeuwen spelen. Door dat trucje lijk je als toeschouwer deel van het schilderij te zijn, maar toch ook weer niet. Het is een tactiek die andere kunstenaars als Boticelli of Velazquez al toepasten. Wilde Manet opzettelijk verwijzen naar die grootmeesters uit de kunstgeschiedenis?   Thema Manet schilderde hier dus een scène die uit het leven gegrepen was met bestaande personen als hoofdpersonages. Dat was absoluut ongezien en ongehoord! Met dit schilderij schopte Manet tegen de schenen van heel wat tijdgenoten. De schilderkunst werd in Manets tijd namelijk gedomineerd door religieuze, mythologische of historische scenes. Het was absoluut not done om het dagelijkse leven vast te leggen, zeker niet op een doek van dit formaat en het zo op hetzelfde niveau te tillen als bijvoorbeeld een Aanbidding der Koningen. Bovendien had hij dan ook nog eens het lef om het schilderij op een officiële tentoonstelling te tonen. Je kunt je voorstellen dat er heel wat moed nodig was om zo tegen de stroom in te gaan. Maar Manet liep niet graag in het gareel, dat bleek ook wel uit de doeken die hij later zou schilderen. Denk maar aan het choquerende Déjeuner sur l’Herbe met een naakte vrouw tussen twee (aangeklede) mannen, of Olympia, een naaktportret van een prostitué. In vergelijking met die doeken is de kunstenaar hier nog heel beschaafd!   Schilderstijl Het thema is tot slot niet de enige reden waarom het doek zo’n hoge ogen gooide. Een tweede ‘modern’ aspect is de schilderstijl. Hiervoor moet je beseffen dat in Manets tijd vooral schilderijen in de smaak vielen die heel glad en realistisch geschilderd waren. Je moest de penseelstreek eigenlijk niet kunnen zien, dan pas was je een goede schilder. Dat is hier wel anders! Kijk je goed naar Manets doek, dan zie je al snel hoe hij zich ook in de schilderstijl niet naar de traditie voegt. Hij ging heel schetsmatig en spontaan om met de verf, en gebruikte kleuraccenten om ruwweg de vormen aan te geven. Kijk maar eens naar de manier waarop hij de twee kinderen vooraan op het doek heeft geschilderd of het loofwerk van de bomen.   Voorloper Door de keuze voor het thema en de bijbehorende schilderstijl drukte Manet zijn onuitwisbare stempel op de kunstgeschiedenis. Hij maakte de weg vrij voor een nieuwe generatie schilders die zijn voorbeeld zou volgen. Stilaan zouden de goden en de heiligen voorgoed van het toneel verdwijnen.     voor een afbeelding bij het artikel zie:     https://upload.wikimedia.org/wikipedia/commons/9/94/MANET_-_Música_en_las_Tullerías_(National_Gallery,_Londres,_1862).jpg  

Marthy
0 0

Op straat geboren - Kortverhaal door de ogen van aan hun lot overgelaten zwerfpoezen

We zijn niet uniek .. We zijn niet speciaal .. We zijn vuil .. We hebben vlooien .. We zijn ziek .. We hoorden niet geboren te worden .. We werden gered en we werden geliefd ..   Mijn leven begon op straat. Of op een kerkhof .. of in een garage .. Maar dikwijls op straat .. net zoals de rest van mijn soort.   Ik herinner mij nog de dag dat ik geboren werd. Het was koud. Ik voelde een gure wind door onze nest waaien. Ik rilde. Mama legde zich over ons maar ook zij had het koud. Ze likte ons schoon en gaf ons melk te drinken. We zagen scheel van de honger maar veel had mama ons niet te bieden. Ze was klein, mager en voelde zich ziek. Zo jong als ze zelf was heeft ze ons op de wereld gebracht.  Ook kon zij ons amper ruiken of zien. Haar oogjes kleefden toe van de etter en haar neusje zat volledig verstopt. Maar ze deed haar uiterste best om ons een beter leven te geven dan dat ze zelf kon bieden.   Zoveel dagen na onze geboorte was het er nog steeds niet beter op geworden.   Ik had mijn jongste zusje al even niet meer gehoord. De dag dat mijn oogjes open gingen zou ik haar voor het eerst ontmoeten, samen met mijn andere zus. Ik zou zien hoe groot zij waren, hoe mijn mama eruit zag, hoe de wereld in elkaar zat en hoe we samen zouden spelen en leren om een grote poes te worden. Ik keek er wel naar uit! De dag kwam .. ik kon al een beetje meer zien. Mijn jongste zusje lag naast mij, ze bewoog niet. Ik dacht dat ze nog een beetje moe was toen mama haar wakker maakte en daar niet slaagde. Ze miauwde en duwde met haar kopje tegen mijn zusje haar buik. Ze leek mij gewoon in een heel diepe slaap.   Achteraf kwam ik er achter dat ze gestorven was. Ze zou te ziek en te zwak zijn geweest om te overleven. Het was nu enkel nog maar mijn grote zus en ik, samen met mama.   Intussen konden mijn grote zus en ik al een beetje beter zien. De wereld zag er maar sober en triest uit. Het was donker buiten en er lag een dik pak sneeuw. Maar wij wisten van niet beter dan er binnen in de huizen een betere wereld bestond. Daar zou er warmte zijn en voldoende lekker en gezond eten. Hier buiten kenden we enkel maar de kou en we aten als we het konden vinden. In de winter hebben we niet veel. Vogels trokken naar het zuiden en veel dieren hielden een winterslaap. Dus waar moesten wij ons eten vandaan halen als het niet in de vuilbakken lag? Mama liet ons vaak achter in onze kartonnen doos terwijl ze een beetje verder op het plein haar leven riskeerde voor een paar restjes. Soms kwam ze mankend terug en had ze pijn. Ze werd gestampt en geslagen omdat ze vuilzakken open had gekrabd. Ze was nergens meer welkom. Niet zo lang geleden werd ze zelf als kitten achtergelaten. Haar mama was per ongeluk zwanger geraakt, net zoals haar oma en die haar mama. Mama’s baasje had hen gewoon hier in het park gedumpt. Ze waren het beu om altijd maar voor die vuile katten te zorgen. Oma werd aangereden door een auto en stierf. Mama is zwanger geraakt door een andere zwerfpoes en toen werden wij geboren. Ik weet nog goed hoe ik verlangde naar wat warmte en een lekkere maaltijd die mijn maagje zou vullen.   We hebben het zo een paar weken volgehouden. ’s Nachts kropen we lekker warm onder mama’s buik en op een ochtend toen we wakker werden was mama gestorven. Die nacht was de laatste nacht dat we nog melk hadden gedronken. Onze uitgeputte moeder heeft haar leven gegeven om ons te voeden en ons warm te houden. Ik mis haar maar ik kan het mij amper herinneren, het is zo lang geleden. We hebben gehuild en gehuild, mama kwam niet terug. ’s Anderendaags werd haar lijkje opgeruimd door de gemeente terwijl wij twee jonge weesjes werden achtergelaten. De mannen met oranje pakken zagen ons en hoe eenzaam en hongerig wij ook waren, ze zagen ons niet staan, laat staan dat zij ons zouden helpen. We waren het zelfde lot beschoren als de rest van onze familie. En wellicht zoveel andere families hier op straat. Er zat niets anders op dan ons zwerversbestaan voort te zetten. We konden enkel maar dromen van een liefdevol leven tussen vier muren, een potje eten en een oh zo knus mandje. Alle dagen gingen we bedelen bij de mensen die ons voorbij liepen maar we kregen niets behalve viezigheid naar onze kop geslingerd. En wanneer we weg renden waren wij voor hen ook echt weg. Als we maar niet in het zicht leefden. En wat dan nog, niemand zou ons lijden zien. Alle avonden kropen we tussen de struiken om te gaan slapen.   Als het regende werden we wel nat maar het was beter dan niets. De wind blies door de struiken en tegen de ochtend waren we nat en verkouden. Voordien was het echter niet veel beter. De doos waar we vroeger in sliepen was allang geen doos meer maar een stuk nat, vuil, beschimmeld stuk karton.   We hadden honger en aan onze uitgemergelde lijfjes kon je zien dat we in geen weken meer deftig eten hadden gekregen. We zochten en zwierven hele straten af maar nergens leken we geluk te vinden. Ik voelde mij eigenlijk niet zo goed meer en mijn zus leek ook ziek te worden. We moesten heel de tijd niezen en ook onze ogen dropen van de etter. We wilden graag geholpen worden naar een beter leven maar mensen klaagden… ‘’Stinkende zwerfkatten halen vuilzakken leeg’’ werd er verteld. De gemeente kampte met een probleem dat moest opgelost worden … En wij waren duidelijk het probleem dat iedereen in de gemeente zo graag wilde oplossen. Wij hoopten dag per dag dat er verandering in ging komen. Wij poezen geloven niet in mirakels maar toch ging er een dag zijn dat we door onze zieke snotneusjes eten konden ruiken. En die dag was vandaag. Ik en mijn zus kropen langzaam verder in de richting die onze neusjes ons aangaven. We inhaleerden de geur van kip en zalm zo diep we konden en zette zo onze tred verder. Geen van ons beide vermoedde wat voor leed er ons nog te wachten kon staan na dat potje voer maar daar lagen we toch niet van wakker. Aarzelend kropen we dichterbij en deden ons te goed aan de smakelijke korrels. Eindelijk een deftig maaltje sinds onze geboorte. We zaten geen minuut te eten tot plots een luide klap weerklonk. We schrokken ons te pletter. Ik draaide me op en het viel me op dat we plots niet meer weg konden. Overal waar we keken was metaal te zien. Het harde, koude staal sloot ons op en we konden geen kant meer uit, het was gedaan met onze vrijheid. Het positieve zagen wij er niet van in, we waren opgesloten en het was koud. We miauwden zo luid en zo lang tot iemand ons wou helpen maar we zagen niemand. De ijskoude wind drong onze kooi binnen en nergens konden wij schuilen. Hoewel we alle twee huilden en miauwden om hulp leek het niemand iets te kunnen schelen. Iedereen wandelde voorbij en niemand keek om. Enkele uren later, nog net voor de avond viel hoorden we voetstappen onze richting uitgaan. Iemand tilde onze kooi op en sprak ons iets toe. Ik was doodsbang en mijn zus .. die was te moe en te suf van de koude. Zij keek alleen maar toe. Een motor startte en de man die ons droeg zette ons neer in de koffer van zijn auto. Dit was echt eng, nog nooit voelde ik mij zo bang. Het luide gebrom van de motor en het voorbij razende verkeer .. We hadden een goede reden om in de struiken te gaan wonen. Daar was het rustig.   Maar koud en er was amper voedsel.   Niet veel later werden we weer met kooi en al verzet maar deze keer leek het wel leuker te worden. Ik voelde de warmte op mijn koude pels slaan. Het deed ons zoveel deugd. Maar de wereld rond ons is nog enger geworden dan voordien. We waren zo vertrouwd met de struiken en het plein, maar dit .. Iedereen praat tegen ons en wij weten niet waarover ze het hebben. Wat zijn die mensen van plan met ons?  Anders ziet niemand ons staan of doen ze ons pijn. Maar deze mensen niet. Deze mensen zijn anders. Al die vreemde geluiden en het koude staal rondom ons maakte ons doodsbang. Ik wilde uit de kooi en hoe hard ik met mijn pootjes er tegen duwde .. het leek maar niet te lukken. Even dachten we dat we echt wel gedoemd waren. Ons kleine zusje was al gestorven, dan mijn mama en nu zijn wij aan de beurt.   Het was al donker buiten toen iemand de kooi leek open te doen. Mijn zus werd bij haar nekvel gegrepen en weggebracht. Ik miauwde, ik wilde mijn zus terug en ik wilde weg. Maar om eerlijk te zijn verstijfde ik van de schrik. Toen ik mijn zus niet meer hoorde had ik pas echt bang. Wat is er met haar gebeurd? Ik hoorde terug voetstappen en een stem. Weer greep iemand mijn nekvel vast. Ik spartelde tegen, blies en krabde. Het leek te helpen want ik werd terug neergezet.  En daar was mijn zus ook. We zaten in een andere kooi nu. Deze leek wel leuker te zijn. Er stond eten klaar en een potje met proper water. Mijn zus was al gulzig aan het schrokken en ik .. ik twijfelde. De vorige keer we ons tegoed deden aan al het lekkers werden we gevangen en opgesloten. Ik had wel dorst eigenlijk. Vol twijfel zette ik mijn stapjes naar het potje en proefde van het frisse water. Hier zat geen vreemde smaak aan. Het water dat wij gewoon waren is vaak regenwater dat al een tijdje op de straat ligt. Vaak vol vuiligheid en olie van de auto’s. Het duurde niet lang of ons buikje was rond gegeten en om eerlijk te zijn, het heeft ons wel gesmaakt. Heel de pot hebben we tot op de bodem opgepeuzeld. De mensen spraken ons aan maar het deed ons niets. Intussen zaten we al weer in een hoek van de kooi te blazen naar iedereen die naar ons keek. Ik herinner mij die dagen heel veel angst. Ik had continu het gevoel dat we elk moment weer werden pijn gedaan. Het enige wat anders was; was dat wij aandacht kregen als we miauwden. Mijn zus had zich in een knus dekentje gerold en ik wilde haar graag vergezellen. Het voelde nog zacht en warm aan, toch iets anders dan de struiken die we gewoon waren. Plus, het is hier droog. Een paar uur later werden we wakker, het licht ging aan en een vrouw benaderde ons.  Ze stak haar hand in de kooi om ons te aaien. Ik moest er niet te veel van weten, wat zou ik nu weer naar mijn hoofd geslingerd krijgen? Ik besloot mij maar te verdedigen, de vorige keer werkte het toch. Ik haalde met mijn klauwen uit naar haar hand en raak! De vrouw sloot de kooi en ging weg nadat ze ons eten had gegeven.   Nadat ik mij voldaan had besloot ik toch op verkenning te gaan. Op mijn weg kwam ik een bak tegen met vreemd zand. Het voelde zacht aan mijn pootjes en ik kon er heerlijk in graven. Zou het oké zijn als ik hier mijn plasje in maakte? Misschien een grote boodschap ook want ik moet toch wel dringend. Nadat ik geweest was besloot ik het mooi te begraven, het moet tenslotte toch netjes zijn?   Dezelfde hand kwam weer in de kooi. Mijn zus kroop er naar toe. Ik dacht nog ‘’wat doet  ze nu?! Blijf hier!’’ Er gebeurde niets. De vrouw zei niets en ook haar hand deed niets. Toch vreemd. Mensen kon ik niet vertrouwen. Mijn zus had er toch duidelijk minder moeite mee. Ze ging eens ruiken wat het was. Het bleek oké te zijn maar toch .. nee, mensen kan ik niet vertrouwen. Een dag later kreeg ik gelijk. Een man tilde mij uit mijn kooi en gaf mij een spuitje. Hij deed het voor mijn eigen bestwil beweerde hij. Maar hij deed mij pijn en opnieuw werd mijn vermoeden bevestigd dat mensen je gewoon altijd pijn willen doen. Mijn zus kreeg hetzelfde spuitje en ook voor haar gezondheid zou het goed zijn. Later bleek die man de dierenarts te zijn die ons er bovenop moet helpen. Hij zei ons dat we ziek waren en eerst moesten genezen voor er sprake is van een nieuwe thuis.   Dagen gingen voorbij en het was echt leuk om alle dagen lekker voer te krijgen, ons plasje te mogen doen in vers kattenzand en te tukken in een warm dekentje. Maar die mensen .. nee, het bleef eng en juist omdat we zoveel hadden meegemaakt lag het zo moeilijk om alles een kans te geven. Voor mij tenminste, mijn zusje deed goed haar best maar als de dierenarts kwam geloofde ook zij weer dat mensen kwaad konden doen. Maar ook die keer bedoelde de man het goed, hij hielp ons van onze jeuk af, het was gedaan met de vlooien. Daar was ik toch wel gelukkig om, mijn huid lag open van de krabletsels. Enkele weken later kwam er wel wat meer vooruitzicht in onze toekomst. We waren genezen en van onze vlooien verlost. De dame die al zo lang voor ons zorgde zocht een goede thuis voor ons. Intussen konden wij mensen beetje per beetje vertrouwen en ook speelgoed werd geïntroduceerd. We mochten voor het eerst uit onze kooi op verkenning. Het liep niet van een leien dakje.  Opnieuw ging er een wereld voor ons open, nog groter dan de vorige. Maar met wat aanmoediging lukte het wel. Nog duurde het enkele dagen dat we op die grote kattenpaal durfden. Mijn gekke zus was zoals gewoonlijk de eerste om alles uit te proberen. Ze toonde mij voor hoe ik mijn nagels kon scherpen en mijn klimkunsten kon oefenen. Uren hebben wij gespeeld ermee.   Soms kwam er bezoek en soms keken ze naar ons. We kregen complimenten dat we er wel lief uitzagen. Dat was het dan ook. We zagen er lief uit. Maar niet pluizig en niet meer klein. We hadden geen zielige oogjes meer en we waren bijna mooie katten geworden. Mensen wilden ons niet in huis halen omdat we niet meer zo schattig zijn. Al maakte het voor ons weinig uit, we zaten goed daar. Maar we moesten vlug plaats maken want er kwamen opnieuw kleine poesjes binnen. Ze zouden hetzelfde meegemaakt hebben als wij. Deze meisjes vonden wel meteen een thuis, ze waren sociaal en speels. Hun kopjes hingen vol met pluisjes en hadden een dikke zachte staart. Terwijl wij toekeken hoe zij geknuffeld werden haalde iemand een mand boven. Ze mochten mee naar hun nieuwe thuis. Wij bleven achter... We zouden nooit een goede thuis vinden waar we voor altijd mochten blijven. Tenzij wij hier bleven maar dat was nooit de bedoeling geweest. Deze mevrouw had haar huis ingericht tot een thuis, een thuis voor poezen zoals wij. En om elke poes een kans te geven moest er hier wel plaats zijn ook.   De lente kwam er aan en wij waren al mooi uitgegroeid tot flinke pubers met een grote neiging tot kattenkwaad. De mensen om ons heen hebben we uiteindelijk kunnen vertrouwen. De dierenarts was nog steeds onze vriend niet maar hij deed niet veel kwaad. Een kleine prik of een pilletje en ook werden we gesteriliseerd zodat we zelf geen nakomelingen op de wereld konden zetten. Nadat we een chip geplaatst kregen waren we er ook weer vanaf voor een tijdje.   De dag kwam dat er nog eens bezoek was voor een adoptie. Weer zou het zijn voor een klein schattig poesje … En wij bleven achter..   We herinneren ons nog de dag dat wij werden geadopteerd. Het was niet veel later na het laatste bezoek. Het deed pijn om ons vertrouwde huis achter te laten en zeker toen we zagen hoe de vrouw die ons redde van een eenzame dood huilde toen ze ons zag vertrekken. Ik mis haar soms. En zij ons ook denk ik. We moeten regelmatig op de foto om te laten zien aan onze redder in nood hoe wij het nu stellen in onze nieuwe thuis en hoe gelukkig wij hier zijn.   Maar eind goed al goed, Ons verhaal heeft een happy end, een grote kattenpaal, vers kattenzand en lekker eten voor de rest van onze dagen hier op aarde.   Wij waren weesjes Wij waren zwerfpoezen Wij waren aan ons lot over gelaten Wij zijn Mia en Gio   Dit is ons verhaal

Peursum Doreen
31 0

De woonconsulent aan het werk

Heb jij ook vragen over premies? Kan je er niet meer aan uit? Kom je wel of niet in aanmerking voor de premie? Er zijn zoveel vragen dat op elke arm van een kandelaar wel tien vragen passen. Een woonconsulent bekijkt elke kandelaar apart. De kandelaar kan één, twee of wel vijf armen met vragen hebben. Vragen over premies, huren, leegstand, renoveren? De antwoorden worden arm per arm door je woonconsulent beantwoord.   Tim Houben is één van de woonconsulenten binnen het intergemeentelijk woonproject ‘Wonen tussen Dijle en Velp’. Hij werkt ondertussen al tien jaar in de sociale sector, waarvan bijna vijf jaar voor dit project. Advies geven aan de inwoners van Haacht: dat is wat Tim wil doen. Tim: “Op mijn 18de ben ik verhuisd naar Leuven om te gaan studeren. Ik schreef mij in op de Sociale Hogeschool in Heverlee en volgde de richting Maatschappelijk Werk. Ik was klaar om het werkveld te ontdekken. Ik zag probleemsituaties  tussen partners, verwaarlozing van kinderen,… Deze situaties werden plots werkelijkheid.”   Je informeert en adviseert burgers. Kan iedereen dan zomaar langskomen? “Alle burgers uit de gemeenten die deel uitmaken van het intergemeentelijk woonproject kunnen met allerhande vragen bij mij terecht. Zolang de vragen maar met wonen te maken heeft. Daarnaast zijn ook gemeente- en OCMW-personeel welkom om alle vragen rond wonen aan mij te stellen. Dit kan gaan over energiebesparing, (ver)huren, (ver)bouwen en de premies die daarvoor mogelijk zijn, woningaanpassing en levenslang zelfstandig thuis blijven wonen,… .”   In de pers worden er vaak wijzigingen aangekondigd op vlak van wonen. Waar kunnen inwoners de juiste actuele informatie terugvinden? “Inwoners kunnen altijd langskomen tijden een spreekuur. De spreekuren gaan door in het gemeentehuis of bij de sociale dienst van het OCMW.. Bepaalde gemeenten kiezen voor een alternatieve locatie, zoals het gemeenschapscentrum. Als de mensen wegens omstandigheden niet kunnen langskomen, ga ik op huisbezoek. Zelf sta ik de inwoners ook via telefoon of per e-mail te woord. Informatie opsturen met de post doe ik dagelijks.”     “Elke vraag is anders. Iedere persoon en iedere vraag is uniek.”     Wat is jouw grootste uitdaging aan deze functie als woonconsulent? “Elke dag ziet er anders uit. Iedere persoon en iedere vraag is uniek. Naast de informatieverstrekking is er ook ruimte voor het organiseren van infosessies. Ik school mij wekelijks bij zodat de inwoners correct geïnformeerd worden. Een uitgebreid takenpakket is verzekerd!”   Je vertelde dat je deel uitmaakt van het woonproject Wonen tussen Dijle en Velp. Welke collega’s maken nog deel uit van dit team? “Naast mezelf is er nog één woonconsulente waarmee ik nauw samenwerk. We wisselen onze spreekuren wekelijks af en hebben dagelijks overleg. Is er iets wat op de lever ligt? Dan bespreken we dit. Succesverhalen delen we regelmatig met elkaar. Onze technisch adviseur geeft raad over woningkwaliteit. Zij controleert de woningen en geeft haar advies over schadegevallen of gebreken. Verder is er één leegstandsconsulente actief die de leegstand van onze zes gemeenten inventariseert. Onze beleidsmedewerker zorgt ervoor dat er gecommuniceerd wordt tussen de gemeenten, de Vlaamse Overheid en de Provincie Vlaams Brabant. Daarnaast is hij coördinator van het team.”   Hoe ziet de toekomst eruit? “Op 31 maart 2017 loopt de huidige pojectperiode af. De beleidsmedewerker is druk in de weer geweest om onze verlenging in orde te brengen. Na het opstellen van een groot dossier hebben we goed nieuws gekregen: ons project wordt verlengd tot eind 2019! Dit wil zeggen dat iedereen de komende jaren nog steeds welkom is met alle vragen over wonen.”    

erikavanhelmont
0 0

De onderschatte risico's van thuiswerk

België: het land van melk en honing. In dit land kan je vanuit je luie zetel werken en toch geld verdienen. Thuiswerk wordt dan ook steeds populairder. Het kent nog veel andere voordelen. Zo vermijdt je ’s ochtends de ellenlange lange files en kan je tijdens je middagpauze al aan die eindeloze stapel strijk beginnen. Toch loert er vaak een vergeten risico om de hoek. De werkpost op de bedrijfslocatie is doorgaans voorzien van instelbare apparatuur om de ergonomie te verhogen. Dit ontbreekt wel eens op een thuiswerkplek. Waarvoor moeten we opletten en wat zijn nu eigenlijk de verplichtingen van je baas bij thuiswerk? De tijd tikt Een nieuwsgierig musje gluurt door de keukengordijntjes. Het is 8 uur in de ochtend en je zit nog rustig te ontbijten in je pyjama. De laptop staat mee op de keukentafel. Vandaag werk je van thuis uit. Zonder je zorgen te maken, begin je je dagelijkse mails te lezen. Tussendoor doe je wat telefoontjes. Ook de tsunami aan administratieformulieren is weggewerkt. Voor je het weet, is het half 1. Tijd voor de middagpauze. Al die tijd heb je gewerkt aan de keukentafel en zat je op je houten keukenstoel. Is dat dan een probleem? Toch wel. Mensen die dit regelmatig doen, hebben een verhoogd risico op gezondheidsklachten. Terug naar de bron In 2005 werd er een CAO ondertekend dat zegt dat een werknemer wekelijks maximaal drie dagen mag thuiswerken. De thuiswerker geniet ook dezelfde rechten als vergelijkbare werknemers die op de bedrijfslocatie werken. Je thuiswerkplek moet in principe in orde zijn met de wetgeving rond beeldschermwerk. Volgens deze wetgeving is het aan je baas om de gepaste apparatuur te voorzien zoals een computer of laptop, een bureautafel, internet, etc. Het inrichten van een ergonomische werkplek kost zo’n €2000 tot €3500. Wanneer de werknemer hier zelf voor zorgt, kan hij een onkostenvergoeding krijgen.   Opgepast! In de praktijk stelt je baas zelden meubilair ter beschikking dat aan de normen voldoet om thuis te werken. Zelfs wanneer hij of zij dit wel doet, kiest de vastgeroeste thuiswerker nog al te vaak voor het werken aan de keukentafel of in de knusse zetel. Werken aan je keukentafel is wel gezellig, maar allesbehalve ergonomisch. Wanneer je dit vaak doet, ben je een vogel voor de kat. Mogelijke gevolgen hiervan zijn onder andere muisarmen, ontstoken schouders en nekklachten.   Als preventieadviseur en werkgever is het belangrijk om aandacht aan de thuiswerkplek te schenken. Zo kan je gezondheidsklachten bij je personeel voorkomen. Het inruilen van de keukentafel en de houten stoel voor een degelijke bureau en bureaustoel zal leiden tot een productievere thuiswerker. Wat op zijn beurt het bedrijf alleen maar ten goede komt.       Een handige tip!              Stel een checklist op en vraag aan de werknemers om deze te gebruiken om hun thuiswerkplek te beoordelen. Op die manier kan je nagaan of de werkplek voldoet aan de ergonomische eisen. Je kan eventueel ook vragen om een foto van de werkplek te maken.

Sara Bossers
0 0

Joshua

Rapper dan hij dacht dat zijn benen lopen konden, rende Joshua over de vlakte, achternagezeten door een kleine poema wier poten amper geluid voortbrachten. Hij dacht er niet over na hoe hij of dat dier daar waren gekomen op die vreemde plaats ergens in de omgeving van de Grand Canyon. Tijdens het lopen flitste er maar één gedachte door zijn hoofd: “Als ik hier ooit wegkom verwen ik mezelf een hele avond met bier en bifiworsten.” Een zalige gedachte, zeker als je weet dat de jongeman daar al enkele dagen moest zien te overleven op zijn eigen urine.Terwijl hij zijn urine aan het uitzweten was bleef hij zijn ene voor zijn andere en zijn andere voor zijn ene been plaatsen. Zo rap na elkaar dat het vanuit de verte bijna leek op een wiel. Een beetje zoals The Road Runner van Loony Tunes.Na een kat-en-muisspel van enkele uren met een koddige, kleine poema die hoogstwaarschijnlijk niet zo’n koddige bedoelingen had met Joshua’s mensenvlees, leek het erop dat hij het beest te slim af was geweest. Zijn hersenen lieten zijn benen stoppen, hij liet zich vallen en rustte even uit waarop hij zijn uitgeputte lichaam versleepte naar de dichtstbijzijnde rots, op zoek naar schaduw.Gedurende de tijd dat hij daar in de zalige schaduw genoot van de rust, verdween de overdosis aan adrenaline langzaam uit zijn aderen. Mijmerend dacht hij terug aan vroegere tijden. Tijden waarop hij veilig was geweest. Niet alleen voor poema’s, ook voor de melancholische gedachten die de menselijke geest kunnen teisteren. Het waren die melancholische gevoelens die hem naar het zuidwesten van de Verenigde Staten hadden gedreven. Op de vlucht voor verantwoordelijkheid, hoge verwachtingen, de allesoverheersende heimwee naar wat geweest is en misschien ook een beetje voor zichzelf.  Thuis had hij zijn ouders, volbloed broer en halfbroer achtergelaten. Tot op de dag van vandaag weet geen van hen waar hun geliefde zoon en broer naartoe is. Het zoeken hebben ze opgegeven, de hoop dat ze hem ooit nog zullen terugzien brokkelt elke dag langzaam af. Joshua dacht tijdens zijn zwerftocht nog regelmatig aan zijn vroegere leven, maar de gezichten en de stemmen van zijn bloedverwanten herinnert hij zich niet meer.Na het uitstapje in zijn hoofd besloot Josh terug verder te gaan. Zijn bloed en spieren duwden zijn fel vermagerde lichaam met wat moeite omhoog,  zijn benen droegen hem vervolgens verder. Het ene been voor het andere, het andere voor het ene. Zo liep Joshua recht in de stralende, warme armen van onze moederster.

Lore
0 0

“Behandel een ander zoals ge zelf behandeld wilt worden”

“Behandel een ander zoals ge zelf behandeld wilt worden”   Zorgen voor: de passie van thuisverpleegster Martine (47). Ze doet er alles aan om mensen thuis te laten zijn in hun eigen huis. Ondanks hun afhankelijkheid. Logisch? Niet in de zorg. Zo blijkt.   Peggy De Laet   Alléz, doe eens voort Woensdagavond, 20:15 uur . Gebonk op de deur. Sinterklaas, flitst het door mijn hoofd. “De thuisverpleegster” klinkt het. “Om u in ’t bed te leggen.”. Met tegenzin laat ik haar binnen. “Beetje vroeg” laat ik me ontvallen.” De enige reactie die ik krijg: “Ge moogt uw tanden uitdoen. Dat poetst gemakkelijker”. Eentje met humor? Oh, nee. Ze meent het. Ongeduldig kijkt ze me aan: “Alléz, doe eens voort, ge zijt niet mijn enige patiënt”. Ik probeer duidelijk te maken dat ik nog veel te jong ben voor een paar losse tanden en een kunstgebit. Morgenavond kruip ik wel met kleren aan in bed. Dan kan ik kiezen wanneer ik ga slapen. Nog wel even bedenken hoe ik mijn schoenen uit ga krijgen.   De volgende morgen. Een andere verpleegster, eenzelfde scenario: de deurbel galmt. Te luid. De eerste fase van mijn ochtendhumeur is ingezet. “Goeie morgen” schettert het in mijn oren. Tegelijk knipt het licht aan. 5 minuten later op het toilet: “Zijt ge nog niet gereed?” Het douchen valt mee. Het afdrogen heel wat minder. Ik vraag of ze nog eens onder mijn oksels wil wrijven met de handdoek. Ik voel me daar nog klam. ”Dat kan niet. Daar ben ik al geweest” snauwt ze. Ik informeer naar wat ze het leukste vindt aan haar job. “Het contact met de mensen. Ik zou geen andere job willen.“ Mensen hun neus af bijten. Zonder veel weerwerk. Het doet haar blijkbaar deugd. Mij niet.   Ik besluit een ander verpleegteam te contacteren. Eén aangeraden door een kennis. Of ze me vroeg kunnen verzorgen? “06:00 uur?” stelt de ietwat norse verantwoordelijke, Martine, voor. Ik ben geen vroege vogel. Maar liever voor dag en dauw gewassen en gestreken, dan kans te hebben in mijn pyjama naar het werk te moeten. Ja, jong, zorgbehoevend en werkend. Het bestaat. “Waar is uw badkamer? Medicatie? Kleerkast? Dat maakt het morgen wat gemakkelijker. Voor ons allebei.”   Tijd: een kostbaar iets Zo nors ze is tijdens onze kennismaking, zo vriendelijk is ze tijdens mijn verzorging. Martine. ’s Morgens tikt ze net hard genoeg op mijn slaapkamerraam om er wakker van te worden. Met mijn afstandsbediening laat ik haar binnen. Het licht gaat aan. Op de gang. Niet in mijn kamer. “Zo schijnt het licht niet recht in uw ogen, terwijl ik u uit bed help” zegt ze. Op naar het toilet. “Doe gerust. Ik zet intussen uw pillen klaar. Zal ik uw warm waterkruik al vullen? Nog iets?” Wat yoghurt in een kommetje zou handig zijn. Je mag het op de tafel zetten. Mijn huishoudhulp komt pas om 8:00 uur. Dan zit ik niet op mijn honger. “Ok. Kunt ge beschrijven wat ge aan wilt? Dan leg ik dat ook klaar.” Eindelijk niet meer kakken op commando. De opluchting alleen al zorgt voor beweging richting toiletpot. Me douchen, afdrogen, aankleden. Martine en haar team doen het allemaal even behoedzaam. ’s Avonds het tegenovergestelde ritueel. Zo tussen 21:00 uur en 21:30 uur. Zij geven me tijd. Eén van de mooiste cadeaus die een mens kan krijgen. Vandaag, 7 jaar later, verloopt mijn verzorging nog altijd zo. Althans met Martine. Haar oorspronkelijke team is niet meer. Een nieuw vast trio vormen lukt niet. Aansluiten bij een pool van een 30-tal verpleegkundigen brengt daar weinig verandering in. Zo’n pool zou vervanging garanderen bij ziekte, verlof of vrije dag. Ja, zou. Collega-verpleegkundigen vinden de ochtenden van Martine te druk. De avonden te laat. “Gordijnen open en dichtdoen? In de living en de keuken: daar dienen wij niet voor.” Een reactie die Martine regelmatig hoort.   “ ’s Morgens ben ik bij mijn eerste patiënt om 6:00 uur. Om 11u30 sluit ik mijn ochtendronde af.” Kunnen je kinderen zo vroeg terecht in de kinderopvang? “Mijn jongste is intussen een zelfstandige tiener die goed haar plan trekt.”   Zorgbehoevenden zijn geen kleuters “Ik start ’s avonds om 18:45 uur en zie alleen maar voordelen. Zo heb ik tijd om samen met mijn kinderen te eten. Eventueel te helpen met huiswerk. Ik ben er op de momenten dat ze wel eens iets kwijt willen over hun dag.” Veel collega’s willen hun kinderen zelf in bed stoppen. “Eens in bed, slapen ze” zegt Martine. Zij kiest bewust voor de conversatie aan tafel. Vertrekt Martine op ronde, dan past haar moeder op de kinderen. Tot de jongste 13 is. Vanaf dan zorgen de meisjes voor elkaar. Met hun vader in de buurt.   “Mensen die zorg nodig hebben, zijn geen kleuters. Of kluizenaars. Het is niet omdat ge hulp nodig hebt om uw pyjama aan te doen dat ge die om 19u al aan moet hebben. Ze kunnen verdorie hun hond nog niet meer uitlaten. Niet naar een feestje.” Martine windt zich op. “Ja, ik sta met mijn opvatting dikwijls alleen. Ik vraag me dan even dikwijls af: Wat zoudt gij ervan vinden als ze u vanaf morgen iedere dag om 20:00 uur in uw bed steken?   Mijn collega’s hebben geluk dat ik graag en veel werk. Zoveel bijspringen hoeft dus niet: ik werk 3 op 4 weekends. 4 ochtenden en 3 avonden in de week. Wilt ge als zelfstandige uw boterham verdienen? Dan moet ge uren kloppen. In eender welke sector. Ik heb 3 dochters. Mijn oudste is pas afgestudeerd. Mijn 2de is bijna klaar. Hun studies. Hun kot. Een auto om op stage en werk te geraken. Een spaarcentje voor elk…”   En dan is er koffie Een drukke agenda. “Elke job heeft voor- en nadelen. In het ziekenhuis werkt ge vroege, late, nacht. Is dat beter?” Tijdens haar verpleegstages ondervindt Martine er vooral nijd onder collega’s. En weinig tijd voor patiënten. Haren of voeten wassen? Nagels knippen? Zij doe dat. Terwijl collega’s aan een 2de kop koffie met koekje beginnen. Ze wordt erop aangesproken: “Haren, nagels, voeten: da’s voor thuis. Veel te veel aan ons hoofd hier.” “Aan de koffie, ja” foetert een verontwaardigde Martine.   Over koffie gesproken: ’s avonds vult Martine de koffiezet en haalt ze brood uit de vriezer. Bij een 90-jarige in een rolstoel. ’s Morgens, terwijl het oudje op het toilet zit, laat Martine de koffie doorlopen en smeert ze boterhammen. Zo heeft mevrouw ontbijt. “Ik weet dat het mijn werk niet is. Zonder mijn hulp moet ze naar een rusthuis. Dat wil ik haar niet aandoen.”   Je werkt veel en lange dagen. Hoe hou je dat vol? “Stilzitten en ik: dat gaat niet samen. Ik heb niet veel slaap nodig. 5 uurtjes per nacht is genoeg. Tenminste, als ik 1 ochtend en 2 avonden in de week vrij kan hebben. En 1 weekend op 4. Voor een speciale gelegenheid, een familiefeest of oudercontact, probeer ik te wisselen met een collega.   Op dit moment ligt dat alweer moeilijker want degene die mijn vrije momenten nu invult, stopt met thuisverpleging. Ik ga haar missen. Ze doet haar werk graag en goed. Dat merk ik bij de mensen. Vermoeidheid doet haar stoppen. Spijtig.” Het is niet iedereen gegeven om door te gaan zoals Martine. Na 23 uur te bed. Om 5 uur er terug uit. Dagen na elkaar. Net een Duracell konijn. Martine lacht.   De verantwoordelijke van de verpleegsterpool mag dus nog eens op zoek naar een nieuwe partner voor Martine. De hoeveelste? “Ik ben de tel kwijt. Samen met mijn patiënten. Keer op keer aanpassen en gewoon worden. Elke nieuwe collega gaat met mij op ronde. Elke eerste avond en ochtend.” Martine verzorgt, zegt en toont letterlijk alles wat ze doet. De nieuwe ontvangt die informatie ook uitgeschreven. Martine laat niks aan het toeval over. “Dat is ’t minste wat ik kan doen” zegt ze. Stel u maar eens voor dat er morgen een wildvreemde aan uw bed staat. Voor wie ge uw broek nog maar eens moet laten zakken. Wennen doet het nooit.”   Zorgen met hart & ziel. Altijd & overal Thuis zijn en blijven. Mensen hierin ondersteunen geeft Martine voldoening. "Hopelijk deelt mijn volgende collega mijn idee en energie. ’t Is de enige manier om voor lange tijd samen te werken.”   Als je dan toch eens vrij bent, hoe vul je die tijd dan in? Met het huishouden? Een hobby? “Met organisatietalent komt ge een heel eind. Ik poets een halve dag per week. Wassen doe ik op nachttarief. Voor ik op ronde vertrek, zet ik de droogkast aan. Op zondag, tussen twee schiften door, kook ik verse maaltijden. Die vries ik in. Ben ik op zaterdag vrij en spelen mijn kinderen een volleybalwedstrijd? Dan ga ik supporteren. Heeft mijn oudste 25 knutseldingen voor te bereiden voor haar kleuterklas? We doen het samen. Het is gezellig en gaat sneller vooruit.   En een vakantie? “Zegt me niks. Elke schoolvakantie ga ik met mijn dochters een dagje winkelen. En iets eten. Daar geniet ik van. Of van een avondje in de zetel. Met een goei glas wijn. Zijn mijn kinderen monitor op volleybalkamp, dan ben ik kookmoeder. Wanneer mijn jongste afstudeert, is er misschien een kleine op komst bij mijn oudste. Dan ga ik minder werken. Om voor mijn kleinkind te zorgen. Als dat nodig is.”   Wat als ze ooit zelf zorg nodig heeft? “Ze gaan een moeilijke klant aan mij hebben. Of ik moet gelijkgestemden treffen. Mensen die mijn visie op zorg(verlening) delen. Help het me hopen.”

pedl
0 0

The killing of logical thinking

In the silent night, red flames of  torches were visible from a distance. Out there, in the middle of lonely fields, a crowd had gathered. They stood next to each other, row after row, in a disciplined way.   The torches lightened up the outer faces but not those standing in the middle. There were animals of all different species coming together. In front of them, in a yellow robe, an owl stood. As the wind crawled through his clothes, he spread out his wings to silence the whispering among his followers. The air became filled with his thunderous words. “My fellow outside dwellers, we stand here today united in face of a common danger.” Eyebrows tilted upwards, his chest stretched out. The owl knew how to speak in front of a crowd.   “We have to meet in the dark, because our enemies eyes are everywhere. They come from the south, year after year they come”, the owl said while pointing towards the sky behind his audience. “Those animals have come to steal our homes, our seeds and our lives.” The crowd became louder “Don’t let them take our seeds!” a small mouse yelled. “Hush now my friends! We all know who I’m talking about of course. It are those filthy sparrows, small birds but always with enormous troops.” “Kill them all! Kill them all!” the crowd started to yell.   “But this year my friends, we’ll have a little surprise for them! We have managed to devise a plan that will set in motion the extermination of those lazy flying rats!”, the owl exclaimed. “Hey, nothing wrong with being a rat”, a faceless creature yelled from the middle of the crowd. “Ssshhhtt!”, his fellow followers said. “Just saying you know”, the creature defended himself.   “We will use the humans!” The Owl spread out his wings yet again, his eyes opened up wide. “Oooooh, the humaaaans”, the crowd whispered. “Yes, those killing machines will become our weapon… Do you want to hear the plan?”, he asked his followers. “Yes, Yes, tell us the plan!” “The humans have shiny vehicles they drive around with. They wash them every week, making sure no dust remains on it. We will attack those treasures, meaning we will defecate on them. But… there is more.” The Owl looked into the faces in front of him. “We will make sure they are only small shits, so the humans think it comes from the sparrows.” Raising his head, the Owl was still proud of  producing this plan.   The crowd was silent, and the leader knew now was the time to get them. “You”, he pointed to a small rat in a purple robe. “You, what do you think of the plan?” The rat had two shiny little teeth, and a long tail coming from under his robe. He clapped his little paws together and said “Yes, I like the plan…” “He likes the plan!”, the Owl yelled with a smirk. “… But I don’t see why we need to kill them all. I mean, is there no other way?” The Owl stopped smirking, and turned his head sideways. “Of course there is no other way. They are the enemy my friend, we need to get rid of them.” “Oh yes, they are quite a nuisance, but they are also very pretty to look at”, the rat said. “What… No no, they are not pretty to look at, they are the enemy of our entire society!” The Owl couldn’t believe his ears. “Now just wait, when I’m out in the fields and they are flying over me, those sparrows are actually nice, they never steal from me.” “They steal when you don’t see it! How many seeds have gone missing from our fields this year? That’s not because we take too much, but because the sparrows eat it all!” The crowd yelled “yes yes, they steal it all!”   “But we still have enough, don’t we? I mean, nobody of us is starving or dying”. The rat couldn’t help himself, logic had struck his little brain. “No, not yet you mean”, the owl pointed upward with his long feather. “Because we have learned to defend ourselves. We have learned to hide the food that belongs to US, AND NOT TO THOSE DAMNED IMMIGRANTS”. His followers threw their fists in the air, exclaiming “DEATH TO THE IMMIGRANTS!!” “Now, that’s another thing that strikes me as weird. We call them immigrants, but they come back every year. So are they truly immigrants?” The Owl stood baffled. “Of course they are immigrants. They’re even worse. The American squirrels were once immigrants as well, but they adapted and learned our values of hard work. The sparrows simply come when our food is in abundance, they eat it all and then when the cold swarms over the land, they leave for better weather!” The rat thought about it. His tongue sweeping over his two teeth, and his tailing waving gently behind him.   “So there is the solution”, he said. “Solution to what?”. The Owl was getting irritated, how could this rat possible think to have solved such a problem? “To all our suffering of course. It’s true, when the snow comes the sparrows leave, and we are left with cold feet and hard nuts. But what if we act like them? What if we simply migrate south as well? Maybe the sparrows aren’t the problem, but the solution.” The rat smiled, he had found a way out of the killing!   The Owl, however, watched his opponent with hatred as if the last sparrow in the world was standing in front of him. He clinched his wing, and pointed his right feather to the insurgent. “Kill him. Kill all the rats! They are spies of the enemy!”, he commanded.

Simon Sileghem
7 0