Lezen

Zinloos vastberaden.

Vastberaden zinloosheid: Niet alles wat ik doe, doe ik ambitieus of dient een groter doel in een een uitgekiend plan. Niet in alles wat ik neerpen heb ik naarstige aspiraties om een doelwit te treffen of om te beroeren. Neem nu deze bijdrage (als je dat zo al mag noemen). Een paar woorden op papier die tot niets leiden! Alleen maar opgeschreven ter eer en glorie van mijn verveling om heel duidelijk te maken dat ik niks te vertellen heb. Kenschetsend mijn zinloze alledaagsheid neerschrijven is in geen buut maar alleen maar een bezigheid die geen enkele maatschappelijke relevantie heeft en maakt op geen enkele manier deel uit van een strategisch plan om dingen in beweging te krijgen. Mijn bescheidenheid fluistert me in dat er al genoeg dingen in beweging zijn die beter stilletjes onberoerd hadden gebleven. Dus zoek niet achter een diepere verborgen beweegreden waarom deze nietszeggende redekalving op papier verscheen want je zal ze niet vinden.En nu ga ik vissen. Ook al zo'n bezigheid waarover de vraag kan gesteld worden welk hoger doel het zou kunnen dienen. Ogenschijnlijk geen enkele dus... of toch?In t beste geval kom ik daar een uurtje tot rust en tot het benul dat ik me in al mijn onbezonnenheid niet hoef bezig te houden met grootse dingen en weidse plannen en dat ik al de drukte en heisa rustig aan mij kan laten voorbij gaan zonder dat ik me er een minuut zorgen over hoef te maken.  Zinloze vastberadenheid om geen enkel verschil te maken.

jan pultau
0 0

Niet meer

Mijn gedachten vertragen, stollen. Ik probeer naar ze te grijpen, reik naar ze met onzichtbare tentakels van pure wilskracht, maar steeds weer kan ik er net niet bij. Ik kan ze aanraken, strelen, maar als ik mijn tentakel eromheen wil krullen, schieten ze weg. Het is een hopeloos gevecht tussen mijn verschillende zenuwcellen, sterk en zwak, waarbij de winnaar al lang vastligt.  Dementie, noemen mensen het — maar dat kan ik me nu ook al niet meer herinneren. Vijf jaar geleden begon mijn geheugen beetje bij beetje te verbrokkelen, en nu blijft er niet veel meer over dan een klomp basis overlevingstechnieken, bijeengehouden door een snoer aan vage herinneringen. Ik zie gezichten voor mijn geestesoog drijven, namen, woorden, maar kan het ene niet aan het andere koppelen. Het zijn losse stukken die niets met elkaar te maken lijken te hebben, ook al weet ik ergens nog dat ze hand in hand gaan. Als ik ze probeer te combineren, vervagen ze allemaal en veranderen in een stekende pijn in mijn achterhoofd. Sommige dingen weet ik wel. Willekeurige begrippen, herinneringen, feitjes. Het Italiaanse restaurant waar ik elke zondag een heerlijke carpaccio van rundvlees at; de uitslag van de  Olympische Zomerspelen van 1992 in Barcelona; jaartallen van bepaalde oorlogen, zoals de Varkensoorlog in 1906 of de Brabantse Successieoorlog van 1355 tot 1357. Maar de echt zinvolle zaken gaan aan me voorbij. Ik ben een oud omhulsel, helemaal versleten, met nog net genoeg hersencapaciteit om te bestaan, maar te weinig om nog honderd procent levend genoemd te kunnen worden. En ik haat het. Ik haat het niet meer goed kunnen en ik haat het helemaal niet meer kunnen en ik haat het dat alles wat ik was nu steeds meer begint te vergaan. Ik haat het niet weten en ik haat het eindeloos wachten, maar veel meer kan ik niet doen. Dus grijp ik met mijn tentakels naar de wegschietende herinneringen, alsof het een spel is, en registreer gezichten en namen en stemmen zonder te weten wie ze zijn of wat ze voor mij betekenen.      

Nel
0 0

opdracht Lieve en opdracht Riet

Opdracht 1 Riet Evers   Voor de derde keer kijk ik op mijn horloge. Alsof ik nog niet weet dat het 23.22 uur is en dat ik met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid mijn laatste trein zal missen. In mijn hopeloze haast zwier ik mijn tas iets te wild over mijn schouder. Los tegen een even late medereizigster aan. Ze zoekt even naar haar evenwicht, maar duwt me dan prompt en met vaste hand op het wachtbankje in de stationshal. “Zitten!” “Euh…, sorry… mevrouw,” stamel ik. “Ah. Hij kan toch met twee woorden spreken”, zegt ze, meer tegen zichzelf dan tegen mij. “Eens kijken.” En ze graait mijn geruite pet van mijn hoofd. “Mevrouw…”, stamel ik weer, terwijl ik me afvraag waar ik dat vrouwmens eerder gezien heb. Is dat niet die zelfverklaarde kookboekschrijfster die Paul Jambers dagelijks een tong draait nadat ze haar portie vers fruit in de mixer heeft gegooid? “Wat zit er in die tas?”, vraagt ze. “Mevrouw Jambers,” zeg ik, “dat gaat u geen reet aan.” Ze keilt mijn hoofddeksel tegen mijn neus en beent zonder verder nog iets te zeggen de stationshal uit. De wijzers van de stationsklok hebben de twaalf ingehaald. Ik kan het niet laten om nog even naar mijn horloge te kijken: 00.06 uur. Een nieuwe dag, een nieuw verhaal.   Opdracht Lieve Laureyssen   Ik vroeg hem of hij niet naar binnen wilde komen. “Sebiet”, mompelde hij. De pretlichtjes in zijn bijna zwarte ogen keken heel even in mijn richting. De herfstzon was achter de horizon verdwenen en het werd kil in de schaduw van de langgevelhoeve waar mijn grootouders een halve eeuw gewoond hadden. Met tussenpozen van exact 48 seconden steeg er een rookwolkje op uit zijn pijp. Het bankje waarop hij sinds mensheugenis zijn avonden doorbracht was ooit koningsblauw gelakt geweest. Het had al lang geen verf meer gezien. Dat was niet anders voor de raamkozijnen en de voordeur. Mijn grootvader was een man in grijstinten geworden. Zijn huid had de allures van een oude krant. “'k zen ze kwaat”, zei hij elke avond na een laatste blik geworpen te hebben op het bloemenperkje dat hij plichtsbewust maar met grote tegenzin onderhield sinds mijn grootmoeder overleden was. Ik ging naar binnen om mijn wollen vest te halen, want ‘sebiet’ zou nog wel even duren. Toen ik stilletjes naast hem wilde gaan zitten, zag ik dat zijn pijp op de grond gevallen was. De pretlichtjes waren uit. Ik had er alles voor gegeven om de tijd 5 minuten te kunnen terugdraaien.

KarenC
0 0

Aanstaande bruid

Opdracht van Prisca – voor tweede bijeenkomst - uitgewerkt door Jenneke 1. Lippenstift, pen, notitieboekje, spiegeltje, stophoest, maandverband, mobiele telefoon, katoenen sjawl, gevulde lunchtrommel, portemonnee, zakdoekjes, reservetasje, deo,  leesboekje    2. labello, armband, zonnebril , dropjes, telefoon, koeken, appel, flesje water, broodjes, telefoon, kleedje    3.+4. 1.zonnebril > zomer > handtas 2.dropjes > keelpijn > verkouden 3.armband > mooi > feest 4.broodjes > picknick > romantisch 5.telefoon > Facebook > vind ik leuk 6.appel > appelboom > appels plukken   5. *Katie is een echt buitenmens, een natuurliefhebber. Ze houdt van de zomer als het lekker warm is in de zon en de bomen die dan in bloei staan. Dan gaat ze erop uit met haar zonnebril op . *Ze gaat overmorgen trouwen met John. Ze wil er op haar trouwdag wel goed uitzien met de perfecte jurk, armband en lippenstift. Ze maakt zich wel  een beetje zorgen, want  ze heeft al een paar dagen last van haar keel. *Ze is dol op mooie dingen en vindt het leuk om zichzelf mooi te maken. *Op Facebook heeft ze zojuist een leuke man ontmoet, die luistert naar de naam Sam.   6.  Aanstaande bruid   ‘Ben je er klaar voor? ...  Hallo …. Katie ben je er klaar voor?’  Ineens drong de stem van haar vriendin Suus haar hoofd binnen.  Met een ruk draaide Katie zich om op het zonnige bloemenkleed op het gras. Ze keek op en zag twee lachende ogen en een bos wiebelende krullen. ‘Uhm ja waarvoor bedoel je?, zei ze ietwat  geschrokken.  ‘Of je er klaar voor bent om te trouwen, natuurlijk. Hé, waar was jij met je gedachten’, zei Suus vrolijk, waarna ze een hap van een broodje nam. ‘Lekker zeg die eiersalade. Wil je ook een broodje salade  of liever één met  kaas?’, ratelde ze door.  ‘Die appelsap is ook goed, proef maar eens. Nu in de aanbieding bij de Appie voor een euro. Kost geen drol, haha.  Hier … en pas op voor je lippenstift. Die kleur is echt mooi bij jou.’ Katie pakte de groene beker aan. ‘Ja, vind je?’ ‘Jaaa, die donkerrode kleur staat je echt goed! Je moet nu niet meer van kleur veranderen. Dit is gewoon perfect.  Zeker weten.’ ‘Okee’, lachte Katie, ‘als jij het zegt.’ Ze sloot eventjes haar ogen en voelde de zomerse zonnestralen over haar gezicht kruipen. Het gaf haar een warm en behaaglijk gevoel en ze ontspande zich. Alle stress van die morgen gooide  ze van zich af.  De laatste pas-sessie van haar bruidsjurk en bruidssieraden zat erop.  Katie had Suus meegevraagd. De meiden kenden elkaar al toen ze nog kleuters van vier waren en  sindsdien waren ze hartsvriendinnen.  In de zomer gingen ze vaak samen gezellig naar het park om te picknicken en om bij te kletsen. Ze vertelden elkaar altijd alles… ‘Als John jouw vrijdag ziet, dan kan hij vast zijn ogen niet van je afhouden. Ik dacht al ‘wauw’ en ik ben alleen maar je bruidsmeisje. Dus wat moet John dan wel niet denken, want hij is de bruidegom. ‘ Katie knikte instemmend.  Ze wilde graag stralen als bruid.  Ze kende John al vijf jaar. Nu was hij nog haar vriend, maar nog twee nachtjes slapen en dan kon ze hem haar ‘man’ noemen.  Het hele afgelopen jaar had in het teken gestaan van de bruiloft.  Romantisch als hij was, had John haar ten huwelijk gevraagd als een echte prins op het witte paard. In de maanden daarna had ze het druk gehad om alles rond de bruiloft goed te regelen. Ze had echt naar haar trouwdag toe geleefd, maar nu kwam het wel dichtbij. Straks was ze echt mevrouw De Vries. Het klonk toch anders dan Katie van Dijk, wat ze al haar hele leven gewend was. Katie nam een slokje uit de beker en een heerlijke, frisse en appelzoete streelde haar tong.  Ze tuurde het grasveld over.  In de verte kwamen twee verliefde stelletjes het park in lopen. Haar gedachten gingen naar Sam, die heel anders dan John was en met wie ze om de gekste dingen kon lachen.  Met John was het anders, die was heel lief voor haar, maar altijd veel serieuzer. Plots klonk er het harde gemekker van een geit.  ‘Wat is dat?’, zei Suus geschrokken, terwijl Katie meteen in haar handtas graaide. Het was haar mobieltje die afging en aan het geluid te horen was het een bericht  van Sam. Ze kende hem nu een paar weken van de volleybal.  En ook al wilde ze het niet toegeven, ze vond hem erg aantrekkelijk. Dat gevoel probeerde ze te negeren, ze had immers al een verloofde. Ze keek op het scherm en zag dat ze gelijk had.  Haar hart maakte een sprongetje en ze hoopte dat Suus het niet zou merken. Toen ze opnam en ‘Hallo, met Katie’ zei, voelde ze hoe haar gezicht rood kleurde.   Suus keek haar verbaasd aan.  ‘Nee, dit ga je niet menen …  wie heb jij aan de telefoon?’ zei ze, terwijl ze er wilde armbewegingen bij maakte.

Jenneke
0 0

Twee scènes (opdracht 1)

Scène (opdracht Riet) Snel… de hoek om… Te laat… ik kom te laat…. Vlug! Jas uit, schoenen aan de kant! Ik zie zwarte vlekken voor mijn ogen van het lopen. Waar is die afwasschort? En mijn werkschoenen? Misschien ziet hij me niet, als hij achteraan de koelkast aan het vullen is, dan glip ik zo binnen. Ik adem te luid, van het lopen…. shshsh…. stiller, rustig, rustig… “Hey, gast, te laat??? Hoe zit dat, vind jij je eigen werkuren uit? En wij maar travakken, en meneer ligt in zijn bed… Begin maar met de bloedworst, ontvellen en aan Jani geven, die gaat alles bakken. Waar wacht je op? Of wil jij de gastvrouw spelen misschien?  Die komt later, ja, zij wel, bloemekes water geven en tafels indekken… Awel? Tong verloren?” De chef snauwt en draait zich om naar het drankkot. Als een gek begin ik de stapels glazen en borden in de machine te stouwen, en duw op de rode knop. Onmiddellijk schiet het ding in gang. Ik heradem, dat was het voor vandaag wel weer? Gisteren was zalig, ze was zo blij met die ring, ze heeft hem zeker nog aan. Het was maar een kleintje en de diamant was ook al geen echte, maar het ging om het gebaar, toch? Alleen stom dat ik weer door die wekker sliep. En die stond nog wel op maximum, maar ik hoor het echt niet! Het komt zo sullig over, ik heb me verslapen. De waarheid maakt geen indruk. Pff….. rotjob…. Ik wil iets anders….. ‘Money, money, money…. It’s so funny…. !’, zingt de chef mee met de radio vanachter de stoof. Luid en vals.   Scène (opdracht Karen) De herfstzon voelt warm op mijn handen en de gloed verspreidt zich langzaam onder mijn huid. Ik zit stil op mijn plekje aan het keukenraam om de twee meesjes niet te storen. Ze vliegen vanop een uitsparing in de bakstenen muur hoekig tussen de hortensia’s door. De kop thee verwarmt mijn handen nu ook aan de binnenkant. ‘Ik heb te lang staan schilderen in die onverwarmde kamer, maar ik weet hoe lastig het is om opnieuw te beginnen als ik stop. De herfst is begonnen, die kleuren, die ga ik straks gebruiken voor de achtergrond.’ ‘Wat zal ik klaarmaken als avondmaal? Ik heb asperges waar Diego zo verlekkerd op is, maar komt hij wel? Wie weet met wie hij nu weer op stap is! Niet aan denken, gewoon doordoen, alsof er niets aan de hand is. Dus asperges misschien? Met wat eieren? Het voelt als wiskunde vroeger, wanhopig verderdoen zonder te weten waar je gaat uitkomen. ‘ ‘Ik ga nu eerst nog wat verder schilderen, nog even, tot het te donker wordt. Het licht is zacht nu en mijn borstels staan te wachten. Die achtergrond wil ik vandaag nog klaar hebben, morgen zie ik maar weer welke kant het opgaat. Die kop thee gaat mee.’

Lieve Lauryssen
1 0

De kok met k-o-k

Het Vriendje is kok, niet van beroep maar wel van opleiding. Het Vriendje is wel een blijvertje, toch zolang hij zo blijft koken.   Ik ben daar eens goed over nagedacht en ik ben tot de conclusie gekomen dat je als vrouw geen betere man kan hebben dan eentje die graag en goed kookt. Koken is namelijk iets dat iedere dag terugkeert in het huishouden. Je bent toch meteen een uurtje per dag bezig aan dat koken, een uurtje waarin je iets anders kan doen.  Een boek lezen, met de hond gaan wandelen, je benen ontharen, allemaal dringende zaken. En tegen dat je klaar bent schuif je je voetjes onder tafel.   Een man dat handig is en wel raad weet met de klusjes, is ook zeker makkelijk maar op uiteindelijk zijn de meeste klusjes wel gedaan en wat moet je hem dan laten doen? Uiteraard moet de man ook nog aan de klusjes willen beginnen. Uit ervaring en verhalen van andere lotgenoten hoor ik al te vaak dat hun man weliswaar handig is maar dat je even geduld moet hebben tegen dat hij er aan begint. Een maandje of 6 is zo het gemiddelde. Maar koken… wel een man heeft ook honger, de meeste altijd, dus alleen al uit eigen belang begint hij  dan maar te koken en wij vrouwen genieten daarvan mee. Zolang hij niet te veel desserts maakt en een halve kilo boter gebruikt voor een stukje vis uiteraard. Je moet hem voor je eigen gezondheid wel nog een beetje opleiden en sturen maar daar weten we wel raad mee. Je moet ze tenslotte ook leren dat hun sokken in de wasmand horen en niet ernaast. Het zal later aan de weegschaal te merken zijn of de opleiding al dan niet gelukt is. En ook aan de kledingstukken naast je wasmand.   Een man vinden die én goed kookt, dat ook iedere dag wilt doen én dan nog handig is, en die klusjes ook nog eens meteen immédiatement klaart én bij voorkeur ook nog zijn sokken in de wasmand doet. Nou ik zal maar stoppen want ik kom bijna niet meer bij van het lachen.   Dus ik ben zeer tevreden met het Vriendje die goed kookt en wiens sokken bijna altijd de wasmand bereiken. Ik zal die vijs dan wel in de muur draaien. Mijn vijskunsten overtreffen ruim mijn kookkunsten. I rest my case.

Dana's plakboek
0 0

Agentschapsdag

Tweejaarlijks organiseert het agentschap Wonen een agentschapsdag in telkens een andere stad. Dit jaar was de ‘Koekenstad’ aan de beurt.   Tijdens de voormiddag was er een ruim keuze aan activiteiten. Cultuurliefhebbers konden zich vergapen aan de rijke geschiedenis van de Stad, ofwel een bezoek aan de Ruien, het MAS, MOMU, FOMU of Red Star Line. De sportievelingen konden tijdens een gegidste wandeling of begeleidende fietstocht meerdere pareltjes van de stad ontdekken.   Na de keuzeactiviteit was het tijd voor een walking buffet in feestzaal De Ark. Een idyllische plaats aan de rand van de Schelde met zicht op de Antwerpse haven. Strompelend kwam iedereen de zaal binnen, vooral lachende gezichten maar hier en daar ook moeë blikken. Heerlijk genietend van de uitgebreide lunch met de hoge middagzon op je aangezicht. De zon die glinsterde op het zacht kabbelende water en de langzaam voorbijvaren schepen deed je af en toe je wegdromen. Iedereen had ervoor gekozen om de wandelingen vanuit de binnenstad te voet af te leggen. Een extra troef was natuurlijk een kijkje op het nieuwe havenhuis, een architecturaal hoogstandje van de inmiddels overleden architecte Zaha Hadid. Voor sommigen een omstreden ontwerp dat hier en daar behoorlijk wat discussies uitlokte.   Kortom, een ontspannend dagje waarvan de meesten genoten hebben.   -----   Opmerking: Halverwege gestopt omdat ik meer en meer de indruk kreeg dat ik beschrijvend schreef. Dit is eerder de fase van info verzamelen met een intern verslagje voor mijn collega’s als resultaat. Helaas geraakte ik niet tot een opiniërende tekst.

Griet
0 0

Zinnen herschrijven

Blz.24 Naamwoordstijl en nominalisering vermijden helpt je leesbaar schrijven. Als je leesbaar wil schrijven, vermijd je best naamwoordstijlen en normaliseringen.   blz.28 in ons land wil elke gemeente opkomen voor groepen mensen die omwille van hun afkomst, huidskleur, levensbeschouwing kwetsbaar zijn voor discriminatie en sociale uitsluiting. Om een gericht diversiteitsbeleid te voeren is het noodzakelijk om deze etnisch-culturele minderheden te bereiken om: klantgerichte dienstverlening te organiseren; meer inspraak en participatie te ontwikkelen begrijpelijke info aan te reiken over de werking van hun gemeente.   blz.30 (synoniemen geven) anticiperen: verwachten attitude: houding capabel: bekwaam complex: moeilijk concept: idee continu: voortdurend discrepantie: ongelijkheid effectief: werkelijk evident: vanzelfsprekend frequent: vaak impressie: indruk innoveren: vernieuwen integraal: volledig intentie: bedoeling mutatie: verandering participeren: meedoen prioriteit: voorrang regio: streek restrictie: beperking sporadisch: af en toe substantieel: hoofdzakelijk urgent: dringend vigeren: gelden   blz. 33 Het provinciaal integratiecentrum vindt de individuele keuzevrijheid en privacy voor inburgeraars belangrijk.   blz. 34 De Centra voor Basiseducatie en voor Volwassenonderwijs zorgen voor de toegankelijkheid van hun diensten voor mensen met een migratieachtergrond. Ons adviesorgaan wil daarom deelnemen aan de raden van bestuur om beter zicht te krijgen op de specifieke noden voor deze nieuwkomers.   De kleuter raakte gewond door een dronken chauffeur.   Wilt u graag op de hoogte blijven van de uitgestippelde wandeltochten in het Hageland? Vul dan het inschrijvingsformulier in dat u in onze folder vindt.   Michel probeert elke dag een uurtje huiswerk maken voor zijn nieuwe school, ook al heeft hij er een hekel aan.   blz. 35 Eind oktober presenteerde het PRIC het beleidsplan aan de coördinatoren van lokale steunpunten in Leuven.   Dat is niet waar ik hoofdzakelijk voor kies. Op dit ogenblik voelt het bestuur er niets voor. Ik spreek niet tegen dat we ook schuldig zijn. Hij bevestigde dat hij de documenten had doorgespeeld aan de pers. We aanvaarden enkel schriftelijke en tijdig ingediende aanvragen.   blz.37 De cliënt kan zonder begeleiding alleen gaan wonen als de thuissituatie verandert.

Griet
0 0

Roger en Jeannine (opdracht David) / Igor (opdracht Dennis)

‘Met Rombouts’   ‘Euhm… spreek ik met Jeannine? ‘Nee, met haar man. Wie heb ik aan de lijn?’ ‘Roger. Kan ik Jeannine spreken?’ 'Roger wie?' 'Roger Flamenne'  ‘Ik geef haar door, momentje.’   ‘Met Jeannine’ ‘Jeaninne, zijt gij het? Het is Roger hier. Roger Famenne.’ ‘Roger!  Ge hebt het dus gelezen.  Ik wist niet dat gij Famenne heet met uw achternaam.’ ‘Er is veel van mij dat ge niet weet. Enfin, ik van u ook niet.  Die avond in café De Welkom dacht ik dat gij alleen een hondje had, maar er blijkt daar nog eentje te wonen.'  ‘Het is niet wat ge denkt, Roger, maar anders dan … ’ ‘Dus gij zoekt mij, gij schrijft dat in het groot in de gazet,  ik ben zo goed u te bellen – ik had dat ook kunnen negeren hé – en uw man pakt op. Schoon Jeannine. Is dat wat ge wilde uitleggen? Zijt ge daarom gaan lopen toen?.’ ‘Roger. Kan ik u later eens terug bellen? Dan kunnen we rustig praten.’ ‘Kunt ge nu niet praten omdat hij ernaast staat? Is het dat? Staat hij daar met zijn oor naast dat van u? Dat oor waar ik heel de avond heb aan staan lebberen in De Welkom?’ ‘Dit is niet het moment, Roger, ik...'  ‘Nee, Jeannine, ik bel u nu. Ge hebt hier verdorie iets uit te leggen. Ge hebt het zelf geschreven in de gazet ‘Ik kan alles uitleggen’, met naam en al,  iedereen kan het lezen, en iedereen weet over welke Roger het gaat, ah ja, Roger van naast het politiebureau, zo zijn er geen drie, ah nee,  en dan bel ik u en dan kunt ge niet praten. Dat klopt dus niet, Jeannine, daar zit geen logica  in…’ ‘Het is niet wat ge denkt Roger, maar ik moet nu inleggen.'  ‘Durf het niet hé, Jeannine. Jeannine?’ ….. ‘Godverdomme Jeannine.’       Igor (Opdracht Dennis)   Igor draait zich nog een laatste keer op zijn andere zij. Binnen een kwartier loopt zijn wekker af. Hij wordt altijd een kwartier voor zijn wekker wakker. Hoewel hun bed groot is, draait Lina met hem mee. Hij wrijft over het litteken op zijn linkerschouder. Dat doet hij vaak ’s ochtends. Lina kruipt dichter tegen hem aan en nestelt haar gezicht diep tussen zijn schouderbladen, alsof ze zich daar schuilhoudt voor iets. ‘Als ik je niet zie, jij mij ook niet.’  De vochtige wolken van haar adem tegen zijn rug, de damp van vertrouwde liefde. Het litteken heeft de vorm van een vlinder. De eerste dagen, toen het vlees nog vochtig was en de wonde open, had hij erover gewreven met een mengeling van trots en ongeloof. Iemand had zich op een brutale manier in zijn leven naar binnen gebeten. Hij had zoiets nooit meegemaakt, dat soort verbetenheid.  Dat soort geilheid ook. Toen het malse vlees een dikke korst werd, had hij de trofee fier getoond aan al zijn vrienden. Later, toen ze was weggegaan, was hij erover blijven wrijven. En hoewel hij  nu niet meer aan haar dacht als hij het litteken streelde, stelde het hem gerust. De geruststelling van ooit iets te hebben meegemaakt,  liefde misschien. Terwijl zijn vingers de randen van de vlinder volgen, raken Lina’s vingers de zijne. Misschien moet hij vandaag langer in bed blijven. Haar dampende adem bereikt zijn hand. Ze kust zijn hand, daarna het litteken. Dit heeft ze nog nooit gedaan, maar hij laat haar begaan. Zijn linkerschouder als bedevaartsoord van de liefde. Hij wil dat het verder gaat, hij begint hijgende geluidjes uit te stoten. Hij hoort Lina iets fluisteren, maar verstaat niet wat ze zegt. Als hij beter luistert, merkt hij dat het geen fluisteren is, maar eerder een soort van dierlijk ademhalen. Ze gromt. Hij zet zich schrap. Hij herkent dit geluid. Nog voor hij zich kan omdraaien, haalt ze uit naar zijn linkerschouder. Haar tanden dringen het vlees binnen. Hij wrikt zich los en kijkt haar recht in de ogen. De ogen van een in het nauw gedreven wolvin. De wekker gaat. Er zit bloed op de lakens.

claire
0 0

Scènes (opdracht van Karen en Lieve)

Scène 1 in opdracht van Karen   Meer vel dan vruchtvlees   “Goed kauwen, schat van me! Dat is toch wat je wonderdokter je gezegd heeft? Op eten moet je kauwen. Ook op mandarijnen.” Ik haatte het als Paul zich zo bijdehand gedroeg. Sinds mijn maagverkleining behoort een strikt dieet tot het dagelijks leven. En ja, ik eet nog steeds de hele dag, een verrukkelijk aanbod van druiven, appels, ananas. Deze periode ben ik zelfs in opperbest humeur, want de mandarijntjestijd is aangebroken. Voor mij kan dat oranje seizoen niet lang genoeg duren. Ik hou van mandarijnen, ik eet graag mandarijnen, ik vreet mandarijnen! Een mandarijn zit vol vitaminen en vezels en bevat amper 25 calorieën. Het is ongevaarlijk voedsel, met die kleine beentjes, meer vel dan vruchtvlees. Paul wordt gek als hij me met een mandarijn ziet. Hij ergert zich te pletter als ik de velletjes er minutieus afpel. Het pellen is een soort ritueel, het geeft mij meer tijd om met het fruit bezig te zijn, minder tijd die overschiet om aan mijn volgend shot voedsel te denken. In wiskunde en sluwe berekeningen was ik altijd al goed.   Paul komt hier al jaren over de vloer, we delen een stadstuintje. Zijn bekende klop op de achterdeur geeft mij telkens een versnelde hartslag. Soms verstop ik me, dan hoort hij me wegstormen. Meestal roept hij dan iets gemeens. “Zullen we pizza met mandarijn bestellen, Hanneke?” Of: “Zullen we naakt in bed gaan liggen?” Hij weet dat ik dan volledig dichtklap. Onze grootste ruzie kregen we toen de lieverd op een avond voor me kwam koken. Ik zag dat hij moeite had gedaan. Hij was naar de kapper geweest, had duidelijk de prentjes met modellenkapsels in de kapperszaak bekeken, was vergeten dat halskettingen voor mannen uit de mode waren sinds 1985. Hij had bovendien speciaal magere vis gekocht. Met gepaste trots hield hij de verse zeetong hoog boven zijn hoofd. Gillend, dat het uit de beste vishandel van de stad kwam. “Voor jou enkel kwaliteit!” Het zou een topavond worden, brulde hij er nog achteraan. Ik zie nog altijd het ongeloof in zijn blik toen ik zei dat zeetong lang niet de magerste vissoort is. Zijn pakje vis dat hij trots boven zijn hoofd hield, bleef secondenlang in de lucht hangen. Zijn linkeroog trilde, de kaken in een gekwetste klem. Sinds die avond aten we nooit meer samen.   Scène 2 in opdracht van Lieve   Verrassend weg   Mooi beeld. Oude man met fluwelen pet, schurende stoppelwangen, pijp in de mond. Waarschijnlijk nog een wandelstok bij de hand waar hij de loslopende honden mee verjaagt. Rond hem hangt een geur van tabak en vervlogen eau de cologne die zijn dochter voor hem meebracht van haar reis naar Oostenrijk. Het beeld klopte. Avto zat gemoedelijk voor zich uit te staren op het bankje voor zijn huis. De kinderen uit de buurt liepen met een boog om hem heen. Wegens de beruchte wandelstok. Na een schel, sissend gefluit tussen zijn tanden mochten ze dichterbij komen. Kwam er geen geluid, dan bleven de buurjongetjes waar ze waren. Geen haar op hun hoofd dat het erop zou wagen om dichterbij te gaan zonder de schelle verwittiging. Veel zekerheden waren er niet in het dorp, maar dit was er eentje van. Zekerheden zijn goed, ze gaven het uitzichtloze bestaan van de opgroeiende jeugd wat kleur. Avto was er, Avto bleef er. Avto rookte pijp. Hij zou er alles voor geven als hij de tijd vijf minuten kon terugdraaien. Dat zei zijn blik. Al sinds zijn geboorte.   “Klinkt heel naturel, dit verhaal”, roept Dolf. “Georgische oude man, een stuk in de tachtig. Heeft niks meer te verliezen en plaagt de plaatselijke jeugd wat met gespeelde strengheid. Dit is ‘m! Mooi shot, Vanessa! Heb je die man een fles wijn gegeven? Geen onverwachte neef die advocaat is en ons met auteursrechten of wet op de privacy zal lastigvallen? Goed, dan hebben wij onze Georgiër voor de brochure ‘Verrassend weg’. Leuk werk, jongens! Wat is het volgende land op de lijst? Bhutan, dacht ik? Iemand al ideeën of lunchen we eerst?”

Riet
1 0

Klacht Verbeterings- en/of aanpassingspremie

Geachte   U heeft ons geschreven omdat u van mening bent dat u ten onrechte een renovatiepremie werd geweigerd. U betwist dat het aanbrengen van spuitkurk op de gevel van uw woning niet in aanmerking komt omdat het volgens u, en deskundigen die u raadpleegde, wel als gevelbekleding of -bepleistering kan beschouwd worden.   We hebben uw klacht grondig onderzocht.   Bij bepleistering brengt men steeds de specie aan in een bepaalde dikte aan op de gevel en vervolgens geëffend. Spuitkurk wordt in dunne lagen van enkele millimeters op een gevel gespoten. Dit wordt eerder als een verfsysteem dan een bepleisteringstechniek aanzien. Niettegenstaande verfsystemen een positieve invloed hebben op de waterdichtheid van de gevel, werd het niet weerhouden in de lijst van de subsidiabele werkzaamheden. De toepassing van dergelijke technieken komt eerder voor in de decoratieve sfeer, de verfraaiing en de afwerking.   Onder de term gevelbekleding verstaat men het aanbrengen van een stijf materiaal, meestal met enige tussenstand aan de oorspronkelijke gevel. Het gaat over platen, panelen, stroken, ... van verschillende materialen (natuursteen, gebakken materiaal, vezelcement, kunststof, hout, aluminium, zink, ... ). Bijgevolg is spuitkurk geen gevelbekleding.   Omtrent de misleidende informatie die u heeft ontvangen van de dienst Stedenbouw kunnen wij helaas geen oordeel vellen. Ons agentschap is niet bevoegd voor het toezicht of de controle op de goede werking van dergelijke diensten.   Het spijt ons te moeten meedelen dat spuitkurk niet als een gevelbekleding kan worden beschouwd, evenmin als een bepleistering, zoals bedoeld in de regelgeving. We kunnen de weigering dan ook niet herzien en beschouwen uw klacht als ongegrond.   Bent u niet tevreden met de behandeling van uw klacht, dan kunt u voor een tweede beoordeling terecht bij de Vlaamse Ombudsdienst (Leuvenseweg 86, te 1000 Brussel; gratis telefoonnummer 0800 240 50, fax: 02 552 48 00; e-mail: info@vlaamseombudsdienst.be ; website: www.vlaamseombudsdienst.be).   Met vriendelijke groet       naam, Administrateur-generaal

Griet
0 0

Tot ziens, Marianne (deel 20)

De man die me wakker schudt, lijkt op het kerstmannetje. Scheef op zijn kop staat een rode muts en hij heeft een knalrode neus. Aan zijn snor hangen kleine stalactieten en zijn wenkbrauwen en baard zijn wit van de aangevroren dauw.   “Kom, jongen, maak dat je wegkomt,” zegt hij. Ik richt me op en wrijf mijn ogen uit. Met een verdwaasde blik kijk ik om me heen. Het duurt even voor ik me realiseer waar ik me bevind.   “Kom! Wegwezen!” dringt hij aan. Hij port me aan met de tip van zijn groene rubberen laars. Ik krabbel overeind. Moeizaam, want mijn hele lijf doet pijn. Ik ben totaal verkleumd en ril alsof ik hoge koorts heb. De man geeft me een duw in mijn rug om gauw van me af te zijn. Buiten de beschutting van het winkelportaal waait een ijzige wind. Ik sla mijn armen om me heen in een poging mijn lichaamswarmte te behouden. Tevergeefs. Ik beef alsof ik de ziekte van Parkinson heb.   Terwijl ik me een weg baan door de dikke sneeuwlaag schiet me een voorval te binnen van toen ik een jaar of tien was. Toen ik het net zo koud had als nu. Het had toen ook hevig gesneeuwd. Ik was naar school gegaan in korte broek, omdat moeder van oordeel was dat een kind geen pantalon hoorde te dragen. Lange broeken waren voor grote mensen, zei ze. Of het nu vijftig graden boven nul was of twintig eronder… een korte broek was wat ik aan kreeg. Het enige verschil was dat ik ’s zomers korte sokken droeg en ’s winters dikke wollen kousen tot net onder de knie. En dat ik ’s zomers een blazer droeg en ’s winters een gevoerde anorak. Ik weet nog hoe ik na school naar huis liep en op het plein achter de kerk een zestal jongens een sneeuwgevecht zag houden. Het waren kerels uit onze school, een paar jaar ouder dan ik. Pubers met een pesterig kantje. Toen ik langs hen heen liep, mikte één van hen een stevig samengeperste sneeuwbal tegen mijn kop. Het kwam aan als een kei. In een impuls grabbelde ik ook een handvol sneeuw bij elkaar, vormde een bal en keilde deze in hun richting. Ik raakte één van hen recht in zijn gezicht. Een seconde later lag ik spartelend in de sneeuw, bedolven onder een groep slaande, schoppende en krijsende jongens. Ik trachtte mijn hoofd te beschermen met mijn armen, maar de slagen kwamen van overal. Ze bleven op me inbeuken tot ik het bewustzijn verloor.   Pas toen ik overeind werd geholpen, kwam ik weer bij. Het was de aardige mijnheer De Greef die me onder de arm nam. Mijnheer De Greef was de buur met de hogere functie in het bedrijf waar ook vader werkte. Als zijn naam thuis werd uitgesproken, was het altijd met een zweem van afgunst. Of om er kwaad over te spreken. Dat hij zijn hoge functie had afgekocht. Of dat hij goed was in hielen likken. Het was doorgaans moeder die deze woorden sprak. Ze braakte ze uit, alsof ze giftig waren. Maar ik vond mijnheer De Greef een vriendelijke man. Ik mocht van geluk spreken dat hij het was die me aantrof.   “Boris, jongen toch, wat is er met je gebeurd?” vroeg hij bezorgd, terwijl hij met zijn eigen zakdoek het gestolde bloed van onder mijn neus wreef. Waar mijn hoofd had gelegen, had de sneeuw een vage rode kleur. En mijn anorak vertoonde vooraan een grote scheur. Wat zou moeder zeggen? Ik vertelde mijnheer De Greef wat er was gebeurd toen ik na school naar huis liep. Hij keek op zijn polshorloge en trok een bedenkelijk gezicht.   “Vreemd dat je vader je niet heeft gevonden,” zei hij. “Hij moet hier een kwartier geleden zijn voorbij gegaan.” Zijn woorden drongen nauwelijks tot me door. Ik beefde zo hard dat ik mijn knoken hoorde rammelen.   Mijnheer De Greef droeg me naar huis, omdat mijn stijf bevroren ledematen me niet meer konden dragen. Als een lappenpop lag ik in zijn armen, met wiegende onderbenen.   Moeder was in alle staten. Niet alleen omdat ik meer dan anderhalf uur later thuis kwam dan normaal, maar ook omdat mijn anorak was gescheurd. En misschien nog het meest omdat het mijnheer De Greef was die me naar huis bracht. Ze liet de aardige man niét binnen. Hij vertelde haar, staande aan de deur, dat hij me had gevonden op het plein, achter de kerk, en maakte haar er fijntjes opmerkzaam op dat hij het vreemd vond dat vader me niet had zien liggen.   Nadat ze zich van mijnheer De Greef had ontdaan, verzorgde moeder mijn wonden: mijn kapotte knieën, geschaafde kin, voorhoofd en linkerslaap. Daarna legde ze me in bed. Twee uur later lag ik nog te rillen van de kou. Ondertussen hadden mijn ouders ruzie. Ik hoorde moeder schreeuwen tot boven. Ik verstond niet helemaal wat ze zei, maar ze had het voortdurend over mijnheer De Greef.   Vijf dagen lag ik ziek te bed. Hoge koorts. Moeder deed haar best om me er gauw weer bovenop te helpen. Ze bracht me thee en koekjes, die ik telkens na een kwartier weer uitkotste. Maar vader kwam al die tijd niet één keer op mijn kamer. Toen ik hem vijf dagen later zag, op de overloop, keek hij even stiekem om zich heen en gaf me een gemene klap tegen mijn achterhoofd. Zomaar. Ik deed niets. Van het schrikken plaste ik in mijn pyjamabroek, wat me op een tweede klap kwam te staan. Vaders klappen kwamen altijd hard aan. De meest gemene mep die ik ooit heb gekregen was tijdens een kerkdienst, gedurende de consecratie. Net nadat de priester de woorden had gesproken: “Want dit is mijn lichaam” Vader had me al vier keer gewaarschuwd dat ik niet achterom mocht kijken. Maar Elsje zat enkele rijen achter ons. Ze had een jurkje aan dat tot net boven haar knieën reikte en ik trachtte onder de stoelen door tussen haar benen te gluren. De klap die ik kreeg, net toen de priester de hostie hoog in de lucht hield, galmde door de kerk als een zweepslag. Mijn hoofd vloog enkele centimeter vooruit en ik slaakte een luide gil. De priester liet van het schrikken zijn hostie bijna uit zijn handen glippen en wierp ons een vernietigende blik toe.   Ik ban de herinnering uit mijn gedachten en sleep me voort. Doordat ik al enkele dagen geen maaltijd meer heb gehad, voel ik me duizelig. Alsof ik een drug heb genomen en ik in hogere sferen verkeer. Het lijkt alsof ik geen deel meer uitmaak van deze wereld. Dat alles buiten mij om gebeurt. Dát doet echte honger dus met een mens.   Mijn voeten malen hectometers, maar het is alsof ze dat uit zichzelf doen. Dat ik er geen controle over uitoefen. Stap na stap slepen ze me door het pak sneeuw. Af en toe glijden ze weg en houd ik me recht door hevig met mijn armen te zwaaien. Eén keer lukt het me niet om overeind te blijven. Mijn steunvoet schuift onhoudbaar voor me uit en doet me plat op mijn rug belanden. De val in het dikke pak sneeuw is niet pijnlijk, maar uit pure vermoeidheid blijf ik liggen.     “Gaat het, jongen?” hoor ik iemand vragen. Het is een dame met een bontjas die zich over me buigt. Ze kijkt me bezorgd aan van onder een gigantische Russische berenmuts. Haar knalrode lippen steken erg af tegen het witte landschap. Ze helpt me recht en biedt me aan om even op adem te komen in het gebouw waar ze werkt.   In de bloedheet gestookte ruimte is het alsof ik ontdooi. Mijn vingers lijken oververhitte koolstaafjes die elk moment vuur kunnen vatten. De pijn is haast niet te harden. Wanneer ik ontdek dat in het gebouw, waar ik ben binnen geloodst, de stadsdiensten zijn gevestigd, vraag ik of ik een inlichting kan bekomen bij het kadaster. De dame is welwillend en zorgt ervoor dat ik als eerste aan de beurt kom.   De man achter het bureau hijst zich met een verveelde zucht overeind en loopt naar de wandkast achter hem. Ik bekijk hem van onder tot boven. Hij draagt een keurig pak, maar om zijn voeten zitten bruine suède laarzen, die lelijke vochtkringen vertonen. Sneeuw heeft de gewoonte mensen te doen afzien van vestimentaire etiquette. Na enig zoeken diept hij een ordnermap op, welke hij, staande bij de wandkast, openslaat. Hij bladert met zijn wijsvinger, die hij om de haverklap bevochtigt aan zijn onderlip, doorheen de documenten tot hij heeft gevonden wat hij zocht. Dan pas komt hij terug naar het bureau, knipt de ijzeren beugels van de ordner open en schuift me een document toe.   “Hier,” zegt hij. Hij wijst met een kromme, nicotinebruine vinger op een paragraaf. Ik buig me voorover en lees. Er wordt melding gemaakt van een kavel die sinds 1968 aan ene Hendricus Janssen zou toebehoren. Merkwaardig genoeg bevindt deze kavel zich op hetzelfde adres als ons huis.   “Is de heer Janssen uw vader?” vraagt hij.   “Nee. Mijn vader heet Edouard Wolfs,” zeg ik.   “Voilà! Dan moet u zich vergissen,” besluit hij. “Het perceel waarvan u spreekt is eigendom van de heer Janssen. En zoals u hier kunt lezen, heeft die het tot op heden nooit bebouwd.”   “Maar dat kan niet!” roep ik uit. “Mijn vader heeft dit perceel gekocht in de jaren zeventig en heeft er nog datzelfde jaar een huis op laten bouwen!” De man schudt vastberaden het hoofd.   “Kan niet,” zegt hij. “Het pand waarover u spreekt, heeft nooit bestaan.”   “Maar ik heb mijn hele leven in dat huis gewoond!” schreeuw ik. “Een paar weken geleden stond het er nog.”   “Wel, als dat zo is, dan stond de woning er illegaal en lijkt het me niet meer dan normaal dat ze is afgebroken,” antwoordt hij kordaat. Hij bergt het document weer op in de ordner en klapt ze dicht.   “Ja, maar…” doe ik verward.   “Mag ik u nu verzoeken om plaats te maken!” zegt hij. “Er wachten nog mensen.”   “Maar… ú moet zich vergissen!” roep ik huilerig. “Ik zeg u toch dat ik…”   “PLAATSMAKEN!” blaft hij me toe. Ik voel me bleek wegtrekken en mijn ademhaling wordt zwaar, alsof ik van de zuurstof word afgesloten. Ik sta op van mijn stoel en werp een blik achter me. Er zitten vijf mensen te wachten om geholpen te worden. Twee vrouwen en drie mannen. Er bekruipt me een beklemmend gevoel wanneer ik hen herken. Het zijn exact dezelfde mensen die me gisteren in de wachtzaal van het station zaten te bespieden. Er kan geen twijfel meer over bestaan dat ik word geschaduwd! Er klinkt een heldere toon. Op een monitor in de hoek van de kamer verschijnt een nieuw volgnummer. De man met de hagedisogen, die me in het station de hele tijd zat aan te staren, staat op en komt mijn richting uit. Ik deins achteruit. Terwijl hij me voorbijloopt, werpt hij me een geringschattende blik toe en doet “kssst”, alsof hij een kat verjaagt.   Ik hol door de lange gang en houd halt bij de balie, waar de aardige dame werkt die me heeft binnengelaten. Ik kijk achter me om zeker te zijn dat ik niet word gevolgd, druk me tegen de balie aan en zeg met gedempte stem: “Mevrouw, u moet me helpen!” De dame kijkt op van haar computerscherm.   “Wat kan ik voor u doen?” vraagt ze. Ik kijk nogmaals achterom om te verifiëren of niemand me is gevolgd en zeg: “Ik kan nergens mijn familie vinden. Mijn ouders, mijn broers, mijn zussen… allemaal zijn ze verdwenen!”   “Oei! Dat is erg,” reageert ze bezorgd. “Maar wat wilt u dat ik daaraan doe? Zou het niet nuttiger zijn indien u zich tot de politie zou wenden?”   “Dat heb ik al gedaan,” fluister ik, “maar ze wilden me niet geloven. Ze dreigden er zelfs mee me in de bak te gooien.” Ze kijkt me aan met een bedenkelijke blik.   “Waarom zouden ze dat willen doen?” vraagt ze.   “Weet ik niet. Ik wilde gewoon aangifte doen van de verdwijning van mijn familie. En van ons huis, want dat is óók verdwenen.”   “Uw huis?! O, daarom wilde u het kadaster raadplegen.”   “Precies. Maar de beambte was ook al geen hulp. Hij beweert dat ons huis er nooit heeft gestaan. Maar dat is een leugen! Ik heb er 21 jaar gewoond! Weet u…” Ik buig me naar haar toe en fluister: “Volgens mij ben ik het slachtoffer van een complot.” De dame zet een stap achteruit, alsof ik haar heb meegedeeld dat ik een besmettelijke ziekte heb. Er verandert iets in haar blik. Er sluipt een zekere argwaan in.   “Sorry,” zegt ze, “maar ik vrees dat ik niets voor u kan doen.”   “Jawel! U moét me helpen!” doe ik huilerig. “Ik weet niet meer wie ik moet contacteren! En ik heb het koud! En ik heb honger! ” Ik plooi mijn bovenlichaam over de balie en neem haar bij haar polsen. Ze slaakt een kreet alsof ze wordt verkracht.   “Laat me los!” schreeuwt ze. “Laat me los!” Op dat moment zwaait de buitendeur open en komt een man binnen. Hij stampt de sneeuw van zijn laarzen en komt recht op me toegestapt. Ik laat de polsen van de vrouw los en maak me onmiddellijk uit de voeten.   De wind huilt een naargeestig lied en ik voel me angstig. Terwijl ik doelloos langs de straten loop, doemen steeds meer beelden uit het verleden in me op. Ik zie me aan de rok van moeder hangen. Letterlijk. Tot mijn twaalfde klampte ik me aan haar vast als een aapje. Zolang ik een schoolkind was, beschouwde ik mijn moeder als de ideale mama. Het was pas toen ik in mijn puberteit kwam dat ik de dingen in vraag begon te stellen. Door andere kinderen over hun ouders te horen praten, leerde ik dat er naast zorg ook zoiets bestond als affectie. Ik zag hoe andere ouders met hun kinderen omgingen. Warmer. Hechter. Ik zag hoe jongens van mijn leeftijd liefdevol over hun bol werden geaaid. Ik hoorde hoe hen vragen werden gesteld over wat ze hadden geleerd op school. Over wat ze hadden gedaan. Ik vroeg me af waarom vader nooit aan mij vroeg hoe het op school was geweest. En waarom moeder me nooit eens liefdevol over het hoofd streelde. Als ze met haar hand door mijn haar ging, was het om mijn pony van mijn voorhoofd te vegen waardoor die afzichtelijk ader zichtbaar werd. Het leek meer op pesten dan op een teder gebaar. Zodra dat besef begon te dagen, ging ik me losmaken van mijn ouders. Ik begon te zinnen op een eigen leven. Maar ik kon niet zomaar weggaan. Tot dat idee begon te rijpen van Sydney. Dat gebeurde nadat ik op een site was gestoten die “Gap Year na het middelbaar” heette, en als ondertitel droeg: “Wil jij graag de wereld ontdekken na het middelbaar?” Mijn interesse was meteen gewekt. Een reis naar het andere eind van de wereld leek me een uitgelezen mogelijkheid om de navelstreng met mijn ouders door te knippen. Wist ik veel dat het zo zou lopen…   Ik sla het park in en waad door de massieve sneeuwlaag als een frontsoldaat door een modderige loopgraaf. Hoewel ik stilaan aan het eind van mijn krachten ben, word ik getroffen door de betoverende schoonheid van het plantsoen. Op de takken van de bomen ligt zoveel sneeuw dat ze doorbuigen. Het is een sprookjesachtig beeld, dat me zelfs in mijn dofste ellende even oog doet hebben voor het fraais dat de aarde biedt. Ik maak me de bedenking dat deze wereld een aards paradijs zou kunnen zijn. Als dieren en mensen elkaar niet naar het leven zouden staan. De ene uit overlevingsdrang, de andere voor zijn plezier. En als het leven niet op ons woog als sneeuw op de takken van de bomen. Ik vraag me af of we het leven moeten beschouwen als een cadeau of als een geseling? Onze hersenen zorgen ervoor dat we nadenken over dingen waarover we beter niet zouden nadenken. Een dier leeft zijn leven. Sterft het morgen, het zij zo. Ze hebben wel een overlevingsinstinct. Maar aan hun dood gaat geen gepieker vooraf. Geen in vraag stellen. Geen deprimerende gedachten. Een dier is per definitie fatalistisch, zij het uit onwetendheid. Zou het niet beter zijn indien de mens zich ook wat makkelijker zou schikken in zijn lot? Ik houd halt. Misschien moet ik beginnen bij mezelf. Ik voel mijn krachten afnemen en kom door de decimeter dikke sneeuwlaag haast niet meer vooruit. Zou dit een indicatie zijn dat mijn leven hier en nu moet ophouden? Als ik me nu eens gewoon voorover liet vallen? Met mijn gezicht in de sneeuw. Zorgen dat ik geen adem meer krijg en langzaam stik… Ik ontspan mijn spieren en begin voorover te hellen. Eerst tergend langzaam, tot de zwaartekracht vat op me krijgt en ik met kracht in het dikke pak sneeuw plof. Het voelt koud aan, maar op één of andere manier ook behaaglijk, alsof ik in een comfortabele gewatteerde doodskist word gelegd. Stilaan wordt het ademen moeilijker. Het is wachten tot ik het bewustzijn zal verliezen…   “Tsjilp!” Een fijn vogelgeluidje trekt mijn aandacht.   “Tsjilp, tsjilp.” De herinnering aan het vogeltje uit mijn droom doet mijn bewustzijn weer toenemen. Met mijn laatste kracht duw ik me op en kijk omhoog. Boven me zie ik op een doorhangende tak het roodborstje zitten. Het lijkt mijn aandacht te willen trekken. Misschien wil het me er op wijzen dat mijn tijd nog niet is gekomen. Dat mijn taak nog niet is volbracht. Ik zuig een teug zuurstof diep in mijn longen en voel mijn kracht toenemen. Ik krabbel overeind en kijk waar het vogeltje zich bevindt. Het is opgevlogen en zit nu op een tak van een boom iets verderop. Het roept me met een onophoudelijk getsjilp. Ik ga achter het diertje aan en baan me strompelend een weg door de sneeuw. Telkens ik het vogeltje nader, vliegt het op en blijft in een volgende boom op me zitten wachten.   Wanneer we de rand van het park naderen, doemt door de kale takken van de heesters de gevel op van het huis waar Bea verblijft. Wit als een Indische tempel. Imponerend als een zestiende-eeuws kasteel. Ik blijf aan de overkant van de straat staan en werp een blik op het raam op de eerste verdieping. De ruit is niet beslagen en is er geen spoor van mijn broers of zussen. Het roodborstje zit nu op de motorkap van een auto die geparkeerd staat voor de deur van het gebouw. Het tsjilpt voortdurend en wipt nerveus heen en weer. Ik steek de straat over. Net wanneer ik tussen de geparkeerde auto’s door wil lopen, zwaait de zware eikenhouten deur van het witte huis open. Ik schrik en duik weg achter een auto. Glurend over de motorkap, zie ik een man de drempel afkomen. Hij trekt zijn kraag hoog op en loopt gehaast verder. Zijn voeten schuiven voortdurend heen en weer op de platgelopen sneeuw, maar hij slaagt er in overeind te blijven. De deur van het gebouw zwaait intussen langzaam dicht, vertraagd door een pomp die de bewoners moet behoeden voor een luide bons. Ik veer op uit mijn schuilplaats en slaag erin mijn voet net op tijd tussen de kier te wurmen. Even later sta ik geïmponeerd rond te kijken in de imposante inkomhal waar de geringste kik een oorverdovend geluid lijkt. Ik sluip op mijn tenen verder.   Tientallen deuren geven uit op een schier eindeloze gang. Zonder uitzondering zijn ze dicht. Achter sommige deuren hoor ik een eenzame stem opklinken. Soms zacht, soms luid en onbeheerst. Achter andere deuren is het angstwekkend stil, als in een mortuarium. Helemaal achteraan in de gang staat een deur op een kier. Ik sluip naderbij en duw ze net zo ver open dat ik mijn hoofd erdoor kan wurmen. Het is de keuken. Er is geen levende ziel te bespeuren, maar op het aanrecht ligt een pak beschuiten. Mijn honger is zo groot dat ik mijn angst even vergeet. Ik duw de deur verder open en scheur de verpakking van de beschuiten. In de koelkast zoek ik naar beleg. Het enige bruikbare wat ik er aantref is een grote pot mayonaise. Beschuit met mayonaise. Het lijkt vies, maar honger is de beste saus. Ik eet alsof ik me tegoed doe aan het lekkerste gerecht in een sterrenrestaurant.   Wanneer mijn ergste honger is gestild, steekt de angst weer op. Ik loop naar de deur en werp een blik in de gang. Er is nog steeds geen mens te bekennen. Ik verlaat de keuken en beklim de trap die me naar de eerste etage brengt, waar de kamer van Bea zich bevindt. Ook hier zijn alle deuren hermetisch gesloten, op één na. Ik sluip behoedzaam naderbij. Er stijgt een gedempt getokkel op uit het vertrek waarvan de deur wijd open staat. Ik plak me met mijn rug tegen de wand, vlak naast de deur, en gluur stiekem naar binnen. Bij het zien van de persoon, die aan een bureau zit te werken, lijkt mijn hart stil te vallen. Ik trek als de bliksem mijn hoofd terug en blijf als aan de grond genageld voor me uit staan kijken. Heb ik gezien wat ik heb gezien of was het een zinsbegoocheling? Pas een lange minuut later durf ik nog een blik in de kamer te werpen. Ik trek grote ogen als blijkt dat mijn zintuigen me niet hebben bedrogen. Achter een omvangrijk bureau zit een mij overbekende man een tekst te typen. Hoewel hij zijn haren voor één keer keurig heeft gekamd en hij zijn weelderige borstharen verborgen houdt achter een netjes gestreken hemd met stropdas, is er geen twijfel mogelijk. Het is Jan Byttebier! De enige echte! Ik slaak een kreet van verrukking, wat hem de ogen doet opslaan.   “Hey!” zegt hij wanneer hij me ziet staan.   “Hey!” doe ik ook, met aarzelend opgestoken hand.   “Is er iets? Kan ik je ergens mee helpen?” De tranen springen me in de ogen. Die vriendelijkheid waarmee hij me aanspreekt. Een gevoel van extreme gelukzaligheid overvalt me. Ik bekijk hem alsof hij een verschijning is.   “Is alles goed met je?” vraagt hij. Hij bekijkt me van onder tot boven. Bezorgd, lijkt het wel.   “Waarom draag je zoveel kleren boven elkaar?” wil hij weten. “En wat is dat witte goedje op je gezicht?” Ik tast aan mijn wangen en bemerk dat ze vol hangen met mayonaise.   “Gaat het weer niet goed met je?” vraagt hij. Ik schud het hoofd.   “Kom, zet je even,” zegt hij. “Vertel me eens wat er aan de hand is.” Ik stap op hem toe en neem plaats aan het bureau.   “Alles is weg,” zeg ik.   “Wat bedoel je met alles?”   “Alles en iedereen. Vader, moeder, mijn broers, mijn zussen, ons huis… Alles is weg.” Hij kijkt me monsterend aan.   “Ogenblikje,” zegt hij. “Ik werk dit even af, en kijk dan wat ik voor je kan doen.” Hij zet zich weer aan het typen. Ik bekijk hem aandachtig. Ik ben blij dat ik hem eindelijk heb gevonden. Alleen begrijp ik niet waarom hij plots zo toegankelijk is, nadat hij me weken uit de weg is gegaan. En waarom hij zo keurig gekleed gaat. Niet langer die Crocodile Dundee-achtige outfit, maar een keurig maatpak waarvan het vest over de leuning van zijn stoel hangt.   “Kennen Marianne en jij elkaar nu wel of niet?” vraag ik. Hij kijkt op van zijn scherm. Er tekent zich een frons af op zijn voorhoofd.   “Welke Marianne bedoel je?”   “De Marianne bij wie ik inwoonde in Sydney.”   “De Marianne bij wie je inwoonde in Sydney,” herhaalt hij. Hij schuift zijn klavier van zich af. “Daar moet je me even het fijne over vertellen. Wie is die Marianne precies? En waarom dacht je dat wij elkaar kenden?”   “Ik zag haar op een foto staan met een man die als twee druppels water op jou leek. Ik was er van overtuigd dat jij het was, maar zij beweerde dat het ene Davy Matthews betrof. Twee weken later zag ik jullie samen. Maar zij bleef halsstarrig beweren dat ik het me had ingebeeld. We hebben toen vreselijke ruzie gehad. Ik ben weggelopen en heb in een park geslapen. De dag erna ben ik teruggegaan om mijn spullen op te halen. Ze lag op het bed en zag er vreselijk uit. Ze zei dat ik bij haar moest blijven, maar dat wilde ik niet. Eergisteren heb ik dan het vliegtuig naar België genomen, maar tijdens de vlucht kreeg ik wroeging. Gisteren heb ik haar meerdere malen trachten te bereiken, maar het lukt me niet. Ik vrees dat ze zichzelf iets heeft aangedaan.” Hij kijkt me doordringend aan.   “Jan… kun jij me helpen?” vraag ik. “WIL jij me helpen? Alsjeblieft?” De tranen lopen me over de wangen. Hij lijkt even na te denken, neemt dan de hoorn van de haak en toetst een nummer in.

Lou Van Lier
21 0