Lezen

Zondebloemen (1)

  yoghurt op Griekse wijze schuimzeep pitloze pruimen honing konijn kaaskroketten     Roeland overloopt het boodschappenlijstje en vermoedt dat hij het konijn met rode ogen niet zal kunnen vinden, ook niet slapend, de oren naar beneden, onderin het rek bij de kassa, onder de kauwgom, doosjes tic tac en condooms met de fletse smaak van vroeggeplukte aardbeien. Hij stapt verder tot hij voor een koeltoog staat, waar ze roerloos liggen, in een kunststof schaaltje onder vershoudfolie, lepeltje-lepeltje, telkens een bruine bloedworst tegen een witte pens aangedrukt.   Krijg je lichtbruine stoelgang van en de kaaskroketten van den Aldi zijn beter. Supersmeuïg. Goudbruine korst. Geloof me. Terwijl er helemaal geen Aldi is in Tillegem en tante Galdys geen frietpot heeft, duwt Roeland met zijn wijsvinger krachtig op één van die gevulde varkensdarmen. Geen leven in die neger te krijgen! Een vrouw achter de koeltoog kijkt argwanend toe. "Of je ook placenta hebt, het liefst die van Adam of Eva?", is de vraag die hem op de lippen zwelt, maar hij zwijgt, legt één schaaltje worsten in het karretje en als hij de pamperafdeling voorbijrijdt, denkt hij aan zijn oudste nicht Vanessa.   Toen die haar melkbusjes na het baren en zogen van twee mollige dochters volledig wilden wegkwijnen, heeft ze nog Franse implantaten laten inbrengen, maar tevergeefs. De rek bleek volledig uit haar huwelijk te zijn en toen kocht haar man Kevin zich een BMW-brommer met twee voorwielen. Hij verhuisde, ging alleen wonen in de plooien van het Heuvelland om daar elk weekend gezwind bergop-bergaf te crossen; de lucht gierde hem als een zuiverende zeebries door zijn leeggesnoten neusgaten.   Na het vergeefs afschuimen van verschillende datingsites -alleen is maar alleen- heeft Vanessa een reis naar Cuba geboekt, werd daar halsoverkop verliefd op een bruine Adonis. Vanessa hertrouwde. Het werd een feest met rum, rommeltoetjes en roombotergebak. Adonis kreeg na enkele weken zijn verblijfs- en werkvergunning en nachten-, weken-, maandenlang, van heilige Justinus tot heilige Libertus, lagen ze bij elk ochtendgloren, net als een beulink tegen een witte braadworst, bloot in het schaaltje van het hete bed te bekomen van hun daden.   Maar toen het lente werd, kocht ook Adonis kocht zich een brommer, één met één voorwiel minder dan Kevin en is er mee weggereden naar god weet waar, de vergunningen veilig in zijn achterzak, om nooit meer terug te keren.     Roeland nadert de kassa. Het bleke meisje, dat er voor een rek vol met korte drank zit, heeft vier knoopjes van haar lichtblauwe schort openstaan, waardoor ze zichtbaar worden, het spannende shirt met rolkraag, een kruisjeshanger, ketting en borsten die als peren, als ferme muilpeertjes hangen te rijpen.   Zwijgend scant ze, terwijl ze passeren: de Griekse wijze die zich de buik volspoot met eigen yoghurt, kinderschuim, een valse baard, honing achter zuiver glas en in hun rayon blijven ze onaangeroerd liggen, pruimen in zakkjes naast rozijnen voor de sultan.   De Griekse wijze neuriet moeilijk hoorbaar en Roeland staart naar de kleine glasplaat met die rode schijn, wacht telkens op de volgende 'piep' van een gescande barcode. Had hij maar geen lege doos met opschrift Lucky Dog genomen. De hondenbrokkengeur, die uit het karton opstijgt, overheerst alles, het parfum van de kassierster, de smaak van weerbarstige pruimen of van honingkoekjes in de vestzakken van een kruimeldief.   Als hij buitenkomt, wacht diezelfde vrijdag hem weer op, aarzelt hij om naar de kassierster te wuiven. Met zijn rekker bindt hij de doos op de fietsstaander en vertrekt, rijdt door een onwel, naar berkenwants riekende dreef naar het huis van tante Gladys. Het poortje van de tuin staat open en tante Gladys trekt onkruid in de voorhof. Haar kale kameeltje bengelt in een los zomerkleedje. "Alles gevonden?", vraagt ze en Roeland denkt terug aan het meisje bij de kassa.   "Bijna, neen, niet alles. Het konijn was nergens te bespeuren en die pruimen heb ik dan ook maar niet gekocht", zegt hij, terwijl hij het schaaltje met de worsten uit de Luck-Dog-doos neemt en met zijn wijsvinger twee putjes als oogkassen in elk van de worsten duwt. "Roeland met vlezige worsten in z’n pollen?", zegt Gladys met een bedenkelijke blik, "en toen je het konijn niet kon vinden heb je die worsten maar gekocht?". "Omdat ze zo zorgeloos tegen elkander lagen, die ene is precies een blanke meisjesworst met biosproeten". "En die andere?", vraagt tante Gladys. "Dat is een neger", antwoordt hij. "Een zwarte, zal je bedoelen en die kaaskroketten bakken we wel in een casserole. Een flinke scheut olie erin. Maar een blanke meisjesworst, gij malle loeder. Hoe kom je erbij?".   Roeland zweet nog van het fietsen en in de badkamer gaat hij zijn tronie wat spoelen. Als hij de deur opentrekt, ziet hij hem daar languit liggen in een bad vol schuim. De Griekse wijze met zeepbellenbaard staart hem aan, haalt van onder het schuim een bloedworst tevoorschijn, prikt er wat bellen mee dood en tante Gladys is intussen ook de badkamer binnengekomen. Poedelnaakt. Haar rosse schaamhaar prijkt als een bermudadriehoek op haar onderbuik.   Ze zet zich neer op de rand van het bad, spreidt de benen en strijkt met haar rechter middelvinger door de klonters yoghurt, die als gestold eiwit aan de borstharen van die ouwe geilaard kleven. Daarna likt ze de vinger binnensmonds schoon en brengt haar hand naar haar dief, duwt de schaamlippen wat open en zegt spottend: "Hier groeit echt geen blanke meisjesworst, mijn lieve Roeland, eerder het puntje van een hete peper".   De ouwe bok met saterkop richt zich op en brengt de bloedworst over de verraderlijke bermudadriehoek tot bij die glimmende dief om, na wat heen en weer gefrot met die ronde dichtgeknoopte top, hem bijna volledig in de hongerige poes van tante Gladys te laten verdwijnen. Enkel het knoopje dat aan de andere van de worst zit, ziet Roeland nog. De vunzige bellenbaardemaker trekt er wat aan en wrijft het knoopje heftig tegen het puntje van haar pepertje. Haar buik- en mosselspieren spannen zich meer en meer op. Tante Gladys sluit de ogen, houdt haar adem in en schreeuwt dan enkele seconden lang, als een dolle duivelsdochter, als een vurig lam dat net de staart afgehakt werd.   Roeland wendt zijn blik af, schudt zich de natte kop voor de blinde spiegel, wrijft de waterspatten van zijn gezicht en kijkt daarna opnieuw naar het bad. Het bad is leeg en als hij terugkomt in de keuken, is Gladys appels aan het schillen. "Van eigen boom, compote, voor bij de worst," zegt ze vrolijk, "proef alvast een kaaskroketje". Hij neemt er één tussen duim en wijsvinger, bijt door de krokante bast en al gauw voelt hij de kaas smelten op zijn tong terwijl zij naar een beha grijpt in de wasmand. Haar armen haalt ze uit kleedje met motief van doornloze rozen en het valt op haar heupen. Ze draait zich om, steekt haar armen in de frisgewassen soutien en heft haar rijke natuur erin, kijkt over een schouder eerst naar Roeland en dan naar de haakjes van haar beha. Roeland knikt, springt recht, veegt zijn vette vingers en de chapelurekruimels af aan zijn broek, haakt de beha dicht, legt de wreef van zijn hand even op die wervels waarin het liefste merg van de ganse wereld zich schuilhoudt, en gaat dan weer zitten. Ze verlegt haar puppy’s nog wat en de rozen kruipen terug omhoog, over haar rug en schouders.   Het vuur zet ze snel op een lager pitje en roerend door de kokende appelen, zegt ze warm: "Straks worst met compote en als dessert honing op een kwakje Griekse yoghurt".         Yoghurt op Griekse wijze deel 1 van 'Zondebloemen' uit de reeks  'Roeland Wittebolle'

Bernd Vanderbilt
1 0

Tijd heelt altijd te laat

‘Waarmee kan ik u van dienst zijn, mevrouw?’ vroeg Marcel die net de sleutel in de deur van de pastorie had gestopt. ‘Meneer pastoor, dit is voor jou,’ zei de vrouw met hijgende stem en een lichtjes rood aangelopen hoofd. Verbouwereerd nam hij het boek aan. Nog voor hij iets kon zeggen, was ze al geruisloos in de uitgestorven straat verdwenen.   Het boek Het huis van de moskee had een bibliotheeksticker op de rug. Toen hij het boek wou neerleggen op het glazen tafeltje in de hal, merkte hij tussen de vergeelde pagina’s een klein, wit driehoekje op dat als een handje van een drenkeling omhoog stak, schreeuwend om gered te worden. Het bleek het uitleenticket van de vorige ontlener. Sabrina De Cock. Onder Het huis van de moskee had ze een getallenreeks gekrabbeld: 22  39  29  32  36  25. Ze had nog een boek ontleend: Godverdomse dagen op een godverdomse bol van Dimitri Verhulst. Dat is wel heel veel vloeken voor een titel van een boek, dacht hij. Onder al dat gevloek weer een reeks getallen:   52   35   46   29   40   23. Het verbaasde hem hoe hij plots gebiologeerd was door een vrouwennaam, twee boeken en twaalf getallen. De gedachte dat ook zij dit stukje papier aangeraakt had, ontlokte hem een siddering van genot. Hij rook eraan met zijn ogen dicht. Hij ademde niet zozeer de geur van papier in, maar het aroma van streelzachte vingers en een snuifje kersenrode lippen. Al wist hij dat het niet kon. Dat het niet mocht. Hoe meer hij het wou loslaten, hoe dwingender de gedachten werden. Zijn geest maakte vreemde bokkensprongen van een verhitte omstrengeling over losgerukte kleren tot verrukking in de hoogste graad. Hij zat als een gladiator zonder teugels in een strijdkar achter losgeslagen paarden, paarden van verlangens naar de intimiteit met een vrouw. Maar een verzonnen vuur verwatert snel. Marcel zuchtte eens diep en legde het briefje in de onderste la van zijn bureau, onder wat dikke dossiers. De inleverdatum van het boek noteerde hij keurig in zijn agenda. Dagen gingen voorbij, weken gingen voorbij. Traag, maar ze gingen voorbij. Hij doopte een kindje met dezelfde verwondering als voorheen. Hij zegende huwelijken in geheel eigen stijl in. Met veel beeldspraak, veel humor en tomeloze passie. De koppels keken hem dankbaar aan alsof ze de zegen van een engel hadden ontvangen. Als een zingend kind op een fiets trok hij elke dag een spoor van blijdschap door de stad. Hij straalde een vorm van zorgeloosheid uit waar anderen hem om benijdden. Ware geluk is elke avond gaan slapen met een gerust gemoed, zo formuleerde hij dat. Hoewel hij af en toe eens een nachtje wakker lag, had hij zijn leven weer helemaal onder controle.   Tot een artikel in het Brugsch Handelsblad zijn nieuwsgierigheid opnieuw had geprikkeld. Een speling van het lot. Ja, daar kon Marcel het op afschuiven. Het artikel handelde over bijzondere trouwdata. Een koppel uit het naburige Assebroek was getrouwd op woensdag 11 december 2013, om 14 uur 15 minuten en 16 seconden. Omwille van de rekenkundige reeks 11 12 13 14 15 16. Zes getallen! Een rekenkundige reeks, dat hij daar niet aan gedacht had! Hij haastte zich naar zijn bureau, deed de onderste la open en diepte het ticketje vanonder de dossiers op. Hij bestudeerde opnieuw de reeks getallen: 22   39   29  32  36   25. Nu pas zag hij twee fijne puntjes achter de getallenreeks staan. Hij moest de rij aanvullen met twee andere getallen, natuurlijk. Maar welke? Uit zijn hoofd lukte het niet, dan maar op papier. Rusteloos zocht hij alle mogelijke verbanden, kraste en telde. Tot hij opeens het licht zag alsof God hem persoonlijk de code toefluisterde. Het eerste, derde en vijfde getal wordt telkens met 7 verhoogd, de andere getallen met 7 verminderd: 36 + 7 = 43, 25 – 7 = 18. Twee getallen: 43 en 18. Pagina 43, regel 18, net als psalmen en verzen. Vlug bladerde hij in het boek, naar pagina 43, regel 18: Ik geloof niet in toeval. Sabrina gelooft niet in toeval. Dus ze heeft dit spel bewust opgezet. De andere getallen, 52  35  46  29  40  23, alweer gevolgd door twee puntjes. Natuurlijk, de oneven getallen min zes, de even getallen ook. Dus 40 - 6 = 34, 23 – 6 = 17. Pagina 34, regel 17 uit de Godverdomse dagen. Vlug rende hij naar de bibliotheek. Wie of wat hij onderweg tegenkwam, zag hij niet, hoorde hij niet. Hij had Sabrina in zijn hoofd. En veel fantasieën. En ook een angst die hij niet kon verklaren. Zoeken bij VERH van Verhulst. Hij vond het boek. Hij bladerde gejaagd door naar pagina 34 en las regel 17: Bloot blijft altijd mode. Zijn ogen bleven een tijdje kleven op bloot. Nieuwsgierig las hij verder. Enkele regels later: Priester is een schone stiel. En onderaan in potlood geschreven: ‘Molenweg 102 – elke dinsdag 10 uur’. De adrenaline gierde als een gek door heel zijn lijf. Daar stond hij in de bibliotheek, een geile priester met het boek Godverdomse dagen in zijn handen. En een spoor naar Sabrina. Hij had het hierbij kunnen laten maar de vlam waarvan hij dacht dat die gedoofd was, wakkerde opnieuw aan. Ook al wist hij dat één kaars een heel huis in de as kan leggen, zelfs die onheilspellende gedachte kon het monster van de begeerte niet verdrijven.   Elke dag, vanaf de woensdag dat hij haar adres gezien had tot de volgende dinsdag, duurde wel een eeuwigheid. Hij genoot van het vuur dat door zijn aderen stroomde, hij gaf voor het eerst in zijn leven een tournée générale in het café dat niet bekend stond om een katholieke geloofsovertuiging. Hij speelde er zelfs tafelvoetbal met de frivole dochter van de kroegbaas. Hij had zichzelf heruitgevonden. Als je beseft wie je bent, dacht hij, heb je twee keuzes: of je begint te leven, of je begint te sterven. Hij koos voor het eerste.   Uiteindelijk, na zes lange dagen en nog langere slapeloze nachten stond hij voor het huis van Sabrina. Hij keek nog eens links en rechts – alsof hij zich daar onzichtbaar mee zou maken – en belde aan. De seconden tot zijn ontmoeting met Sabrina leken wel uren. Zou het dan toch waar zijn dat het meest angstige moment het moment is waarop je een droom kunt realiseren? Hij keek nog eens opzij in de straat. Niemand te zien. De deur ging open. Hij stond oog in oog met een man van tussen de dertig en de veertig jaar. Zijn scherp gezicht kwam hem niet onbekend voor. Toch kon Marcel hem niet thuisbrengen. ‘En?’ vroeg hij. ‘Euh… ik kom eigenlijk voor Sabrina,’ stamelde Marcel. ‘Wat wil je dan?’ Marcel zweeg. Hij kon het niet over zijn lippen krijgen. ‘Wil je misschien weten of Sabrina buiten mag spelen? Dat zul je aan haar mama moeten vragen,’ zei hij. Deze situatie had hij zich niet voorgesteld. ‘Euh… ja, neen… ik denk dat ik me vergist heb. Sorry voor het storen.’ ‘Ach, doe niet zo gek. Kom binnen, ik ging toch juist vertrekken. Het is boven te doen. Eerste deur rechts.’ Hij trok Marcel nogal hardhandig aan zijn arm zodat hij in een fractie van een seconde in de hal stond, alleen, in een onbekend huis en niets anders voor hem dan een uitdagende wenteltrap. Danig in de war door het vreemde gesprek, aarzelde hij om naar boven te gaan. Hij kon nog terug, dat was zeker. Maar hij kon ook naar boven. Naar het paradijs. Of naar de hel. ‘Kom maar,’ riep een lieve vrouwenstem. Dat het niet de stem van een kind was, was al een hele opluchting. Op de trap hield hij de leuning goed vast. Zijn flanellen benen boden nauwelijks nog steun. De eerste deur rechts stond op een kier. Zijn opgewondenheid haalde het van zijn zenuwachtigheid, zijn lust won het van zijn verstand. Hij duwde voorzichtig de deur open. Hij zag een groot bed, maar geen Sabrina. Schuifelend, voetje voor voetje, trad hij dit heiligdom binnen. De warmte overviel hem meedogenloos. Hij keek rond maar zag niemand. Op het nachttafeltje een Boeddhabeeldje. Het lachte Marcel toe, maar stelde hem niet gerust. Was dit een grap? Of een val? Hij moest daar weg, er klopte iets niet. Hij draaide zich om en keek recht in de donkere ogen van een beeldschone vrouw. Zwarte krullen, bruine teint, vuurrode lippen. Haar purperen kimono viel net niet open, maar onthulde toch al genoeg. Ze glimlachte. Alle onrust maakte plaats voor een heftig hunkeren. Ze deed de deur dicht, ze liet haar kimono van haar lichaam glijden en kuste zacht zijn mond. Nog geen half uur later verliet Sabrina de kamer. Marcel lag naakt op het bed. Er werd op de deur geklopt. Hard. Nog voor Marcel kon reageren, kwam er een man binnen, die zonder aarzelen naast hem op het bed ging zitten. ‘Je herkent me niet hé?’ vroeg de jongeman. ‘Ja, van daarstraks… beneden,’ zei Marcel die ondertussen rechtop zat, met een hoofdkussen tussen zijn opgetrokken knieën. ‘Don Boscocollege… internaat… 1979… misschien was ik niet memorabel genoeg… of was ik een van de zo velen,’ zei hij. Hij bleef Marcel stuurs aankijken. ‘Een leerling?’ vroeg Marcel. ‘Zo kun je het stellen. Alleen heb ik iets te veel van jou geleerd. Iets wat niet in het lessenpakket zat.’ Zijn bitsigheid verlamde Marcel. ‘Wat er hier gebeurd is, heb ik opgenomen op video.’ Hij wees naar een piepklein oogje aan het plafond. ‘Sabrina is nu onderweg naar de politie. Hoe lang staat er op verkrachting, denk je?’ Marcel werd lijkbleek en voelde zich misselijk worden. Angsttranen schoten in zijn ogen. ‘Ge zijt een zielig ventje. Ze moesten je in een diepe put steken. Ge hebt zelfs mijn moeder niet herkend, ja, diegene die het boek is komen geven. Zij haat je evenveel als ik. Maar nu is het definitief gedaan.’ Marcel probeerde tevergeefs zijn bijtende klanken weg te laten vloeien als vuil afwaswater in de gootsteen. Hij werd overwoekerd door gedachten, als een muur vol klimop. Vluchten uit deze vretende gedachtestroom kon hij niet. Hij voelde hoe zijn vuisten zich opspanden. Zijn vingernagels sneden in zijn handpalm. Met alle macht die hem restte, greep hij naar het lachende Boeddhabeeldje.  

Gino Dekeyzer
0 0

Link naar webpagina + tekst bij expo (afstudeerproject academie).

(1) http://www.geel.be/sherborne/default.aspx?id=3576   (2)     Eerst leerden we over licht. Het licht in een gaatjescamera en het licht in de doka. We leerden ook dat een fotograaf moet bewegen. Geen voyeuristische strooptochten meer met een zoomlens. Dichter bij het onderwerp moesten we komen. Daar stond ik met mijn camera, midden in de gebeurtenissen. Ik merkte tot mijn grote opluchting dat een fotograaf na een tijd onzichtbaar wordt.   Dan kwamen de studiosessies. Met een lichtmeter en softboxen. Mijn eerste model was een teddybeer. Teddyberen wachten vriendelijk tot het technisch helemaal goed zit met de lichtmeter en de softboxen. Een echt model laten wachten, dat durfde ik niet. Mijn eerste portretten waren onderbelicht en niet echt scherp. Ik durfde het model niet de tijd vragen die ik nodig had om scherp te stellen en goed te belichten. Nu weet ik dat wachten goed is. Wachten levert die afwezige blik op die me zo intrigeert.   De studiosessies werden heel intiem, met thema's als sensualiteit en mannelijkheid. Ik schrok van de aantrekkingskracht van het model. Misschien was ik te dichtbij gekomen. Misschien moest ik maar weer middeleeuwse heiligenbeelden fotograferen. Ik ging op zoek naar literatuur over de relatie tussen een kunstenaar en zijn model. Ik vond antwoorden in de psychoanalyse, in een tekst van Slavoj Zizek over het sublieme bij David Lynch. Het model als subliem object. Ik was niet te dicht bij het model gekomen. Ik was heel dicht bij mijn eigen verlangens gekomen.   Ik leerde nog dichterbij komen, bijna zo dicht als de fotograaf in Blow-Up van Antonioni. Ik vond inspiratie bij Henri Cartier-Bresson en ging op zoek naar de “innerlijke stilte” van de man voor mijn camera. Mijn model was niet langer een model. Fotograferen was niet langer fotograferen. Fotograferen werd tijd nemen. En kijken. Ik keek naar de man en fotografeerde. In het halfduister van zijn appartement, in het nachtelijk licht van de Brusselse metro, in zijn auto onderweg in een tunnel, op de festivalweide van Leffingeleuren en in de luwte van een zestiende eeuwse overdekte binnenplaats, waar we helemaal alleen waren, op wat verloren Japanse toeristen na.   Ik kreeg genoeg van het gedoe met computers en printers en ging weer analoog werken. De oude Yashica van mijn vader werd mijn vaste camera. Middenformaat. De man voor mijn camera ging vaak duiken in de buurt van de haven. Ik ging mee en fotografeerde, tot ik goed met de Yashica overweg kon en weer helemaal onzichtbaar was geworden. Je wordt heel snel onzichtbaar met een oude Yashica.   Ik ontdekte dat ik een slechte kopie van een goede foto veel sterker vond dan het origineel. Ik wilde weer onscherpe en slecht belichte beelden maken. Als ik wilde tonen wat er echt was, dan moest ik ruimte laten voor het onzichtbare, het donkere. Ik vond steun bij fotografen en filmmakers. Robert Frank, Sarah Moon, Julien Coulommier, Sakiko Nomura, Masao Yamamaoto, Watabe Yukichi, Moï Wer, Peter Lindbergh, Cy Twombly, Daido Moriyama. Ik creëerde afstand, liet de man voor mijn camera een masker dragen en fotografeerde alleen nog zijn schaduw. Ik kopieerde het beeld tot er niet veel meer van overbleef. De afstand maakte de nabijheid alleen maar groter. Of het gebrek eraan. Mijn beelden gaan over nabijheid en de onmogelijkheid daartoe. Ze gaan over hunkeren. En gemis.                                                                                                                    

Elisabeth Leysen
0 0

Geen kat in een zak dankzij pleegzorg

GEEN KAT IN EEN ZAK DANKZIJ PLEEGZORG   Hallo LIBELLE-lezer(es) Helemaal vertederd door dit schatje van een katje? Verdienen dieren een waardig bestaan? Een leuk beestje in huis halen, hoort een bewuste keuze te zijn?    Ik zeg alvast volmondig “JA” Ik? hoor ik je denken... Ik ben Evy, bezielster van pleegzorgproject KATTENOPVANG WAASLAND vzw.   Gered uit de mesthoop=onderschrift foto   Mijn missie: kattenopvang tot het uiterste... Kitten met aids of kater met pensioen; kerngezond of van de hongerdood gered, met onze vzw gaan we voor elke kat voluit! In ons pleegzorgproject krijgen katten zonder (t)huis wat ze nodig hebben: voeding, (medische) verzorging, geborgenheid en onderdak in afwachting van een definitieve, passende stek.   “GOEDE ZORGEN VRAGEN LIEFDE, INZET EN GELD: AL VOOR 33 CENT PER DAG LAAT JIJ DE JA VOOR ONZE ORGANISATIE LUIDER KLINKEN” 6 manieren om JA te zeggen Ook voor kattenfans zonder mogelijkheid er (nog) eentje te houden: Steek je kleingeld in één van onze spaarpotjes. Of stort je vrije bijdrage op rekening BE87 0017 7463 4194 – Bic GEBABEBB. Zo help je de kosten te dragen die de verzorging van onze katten in pleegzorg met zich meebrengen. Voor slechts 10 EUR per maand ben je peter of meter van een pleeggezin. Dit gezin vangt de kat op en stimuleert hem of haar in de sociale omgang. Om in een latere fase een succesvolle adoptie te realiseren, is het van belang een goed zicht te krijgen op de sociale eigenschappen van het dier. Voeding, benodigdheden en medische kosten worden met jouw tussenkomst gefinancierd. In ruil voor je bijdrage ontvang je foto’s en een update over de ontwikkelingen en de belevenissen van de kat. Gezelschap en huiselijkheid zijn cruciaal=foto-onderschrift   GEEN KAT IN EEN ZAK DANKZIJ PLEEGZORG   3. Vanaf 10 EUR per diertje ben jij meter of –peter van een katje. Katje zonder naam? Aan jou de eer om de spinnende viervoeter in kwestie de mooiste naam cadeau te doen. Met foto’s en een berichtje word je op de hoogte gehouden over jouw favoriet tot aan zijn of haar adoptie. Stort je gift als peter of meter van een pleeggezin of katje op rekening BE06 0016 7337 8322 - Bic GEBABEBB. Heb je al een katje en voel je meer voor een win-win situatie? Doe je aankopen voor je lieveling via de link van ZOOPLUS op www.kattenopvangwaasland.com Voor elke aankoop bij ZOOPLUS ontvangt Kattenopvang Waasland een percentage dat integraal naar onze opvang gaat. Bruikbare kattenspullen in huis die niemand meer dienen? We nemen ze graag aan. Als het ietsje meer mag zijn 6. Heb je net dat streepje meer engagement? Word zélf pleeggezin. Van een Garfield? Een oude poes? Jong geweld? Dankzij jouw liefde en zorg zal het diertje zich tonen zoals het is in een huiselijke sfeer. Op deze informatie baseren we ons om de beste match te vinden tussen adoptiegezin & -kat. We hopen zo beiden te behoeden voor een kat in een zak.   Kinderen en katten: een leerzame combinatie=foto onderschrift   Doneer, word peter, meter of pleeggezin en alles komt op zijn pootjes terecht! De katten zullen je dankbaar zijn, 9 levens lang!   Vriendelijke groeten   Evy Waltens   Info & contact Evy gsm: 0475 36 75 16 (ma-za: 17-21u, zo & wo: 9-21u) Kate gsm: 0494 72 63 58 (ma-vr:17-21u , za-zo: 9-21u ) www.kattenopvangwaasland.com Dontaties op rekening BE87 0017 7463 4194 – Bic GEBABEBB Peter/meter - bijdrages op rekening BE06 0016 7337 8322 - Bic GEBABEBB   PS Een kat, wat kost dat? Met minder dan een brood per dag maak je zijn week.

pedl
0 0

De man en zijn sigaret

Maandagochtend en ik zit, gelukkig en voldaan, op de trein. In diepe gedachten verzonken mijmer ik over het fabuleuze weekend. De gedachte alleen al tovert een superieure glimlach op mijn gezicht en ik voel me gewoonweg fantastisch. Een beetje onuitgeslapen... maar ja... fabuleuze weekends en weinig slaap gaan nu eenmaal hand in hand. Half doezelend laat ik me door de trein heen en weer wiegen en ik maak het me zo makkelijk mogelijk. Niet zo moeilijk als je een hele bank kunt inpalmen zonder iemand tot last te zijn. Dat is nu het voordeel als je buiten de spits met de trein reist: het ding rijdt praktisch leeg. Of toch bijna leeg. In hetzelfde compartiment zit een oudere heer rustig het voorbij flitsende landschap te observeren. Vluchtig, door de spleetjes van mijn vermoeide slaapoogjes, kijk ik hem aan. Hij is verzorgd in maatpak gestoken en heeft een olijfkleurige huid die je alleen in mediterrane landen kunt vinden. Zijn keurig geknipt, zwart haar verbergt enkele grijze sprietjes waardoor de man er heel gedistingeerd voorkomt. In mijn fantasie zie ik al hoe deze man, met een wapen in de hand, een gepassioneerde tirade voert tegen George Clooney over het correcte gebruik van het theelepeltje in de hogere kringen. Een brandgeur wekt mij abrupt uit die droom. De man heeft een sigaret opgestoken! Allerlei voorschriften over brandveiligheid schieten door mijn half wakkere brein. De situatie begint uit de hand te lopen nu de sigarettenrook langzaam door het treincompartiment kringelt en hoestend in mijn ogen prikt. Mijn brein schiet nu helemaal wakker! En terwijl ik allerlei statistieken van de gezondheidsdienst in mijn hoofd opdreun, komt mijn grijze massa tot de conclusie dat er iemand iets moet doen. Er zit niemand op de trein, dus is het aan deze jonge snaak om de oude man te vragen zijn sigaret te doven. De regels op de trein moet je gehoorzamen!En dan speelt er zich dit af in mijn hoofd."Hoe moet ik dit aanpakken?Zal ik hem niet beledigen?Hopelijk wordt ie niet kwaad?Waarmee kan ik dit gesprek op gang trekken?Wat als ik te bot overkom?Moet ik niet eerst de treinbegeleider erbij halen?En als hij nu zijn sigaret gewoon uitdooft nog voordat ik de kans krijg hem te vragen om zijn sigaret te doven?"Ik sta onzeker op en ga heel ongemakkelijk op de man af."Excuseer... sorry dat ik stoor... maar U kunt op deze trein niet roken." Om mijn betoog extra kracht te geven, mompel ik een hele lijst op die bol staat met allerhande redenen. Het waren dingetjes aangaande de specifieke veiligheid tot en met algemene en elementaire beleefdheden.Tot mijn eigen grote verbazing wordt de man niet kwaad. Hij legt zijn rechterhand op zijn hart en verontschuldigt zich uitgebreid. Onwillekeurig volg ik zijn voorbeeld en leg, excuses stamelend, mijn eigen hand op mijn hart. Ik dank de man voor zijn begrip en ga licht beschaamd terug naar mijn plaats.Wat heb ik in naam der goden gedaan? Het voelt niet goed, alsof ik het mensenrecht op de sigaret heb geschonden. "Ja, ik weet hoe belachelijk dit klinkt in onze gezonde maatschappij... maar wie zijn wij om iemands rechten in te perken? Met alle accijnzen die bij iedere begroting worden verhoogd, beperken we de bevolking om vrij te kiezen voor een rokersdood!" Mompel ik.Waar komen deze rebellerende gedachten toch vandaan? Heb ik dat echt luidop gezegd? Vermoeid schud ik mijn verwarde hoofd en probeer mijn gedachten op orde te zetten. Ik denk niet dat ik iets verkeerds heb gedaan. In feite heb ik de man zelfs behoed van een zware boete! De trein wiegt me heen en weer totdat de slaap me weer overmant. Tijdens mijn laatste heldere moment bedenk ik me nog: ik heb een goeie daad verricht.En zo viel ik, gerust gesteld, in slaap.

Wibboo Jozefs
2 0

Laurent

Moeizaam schuifelde hij de krantenwinkel binnen met zijn onafscheidelijke vriend, zijn wollige hondje. Hij diepte zijn portefeuille op en gaf de krantenman een verfrommeld lottobriefje. Twee vrouwen stopten hun zinloos gesprek en bekeken heel het tafereel met een laatdunkende blik. “Goedemorgen, Laurent, ik zal het formuliertje eerst eens wat gladstrijken,” grapte de krantenman. “Zijn kledij kan ook wat strijk en zeker een wasbeurt gebruiken,” mompelde de ene vrouw tegen de andere. “Dank u vriendelijk, Thomas,” zei Laurent. In zijn ooghoek zag Laurent hoe de vrouwen hun neus dichtknepen. De hond gromde naar de vrouwen. “Pluisje, stil, de dames willen je geen kwaad doen. Geef de dames eens een pootje,” reageerde Laurent. Maar zij doken in de vrouwenbladen en hadden plots heel veel interesse in de laatste escapades van het koningshuis. “Weer niets gewonnen, Laurent,” meldde Thomas. “Ik speel al heel lang en nog nooit heb ik wat gewonnen,” probeerde Laurent een gesprek te voeren tegen de vrouwen. Zij negeerden hem compleet en keken ostentatief de andere kant op. Laurent was wat bedroefd omdat hij ook hier geen gehoor kreeg. Alleen zijn trouwe viervoeter gunde hem een blik en kwispelde verlangend. Laurent aaide zijn Pluisje.  “Ik probeer nog maar eens.” Hij legde wat muntstukken op de toog. Thomas valideerde het formulier en gaf het aan Laurent. Het geld stopte hij in zijn kassa. Laurent slenterde naar buiten. Het leek of de hond zijn baasje leidde. “Tot ziens,” riep Thomas. “Tot ziens,” antwoordde Laurent en sloot onhandig de deur. “Hij zoekt vriendschap!” zei Thomas tegen de vrouwen. “Hij is al even vuil als zijn hond. Zo’n armoezaaier wil ik niet in mijn vriendenkring. De dames van de kunstkring zouden nogal ogen opzetten,” reageerde de ene vrouw. De andere vrouw knikte schaapachtig en onderdrukte een grimlach. “Mevrouw Robijns, u bent wel voorzitster van de kunstkring ‘Ars Universalis’, maar dat geeft u niet het recht om op die manier te praten over mensen die uw geluk niet gevonden hebben,” strufte Thomas. “Meneer Thomas Elst, je ziet mij hier niet meer. Ik spreek over… dat gepeupel zoals ik dat wil. In mijn vriendenkring zitten meer notabelen dan dat jij hier boektitels hebt. Eén woord en je kan dit winkeltje sluiten. Kom, mevrouw Esmarald, we zijn weg,” riep mevrouw Robijns vuurrood. Met de neus in de wind verlieten zij de winkel en sloegen de deur zo hard dicht dat de bel eraf donderde. Beduusd keek Thomas naar de deur. “Ben ik te ver gegaan?” sprak hij tegen zichzelf. Een zware stem vanachter het tijdschriftenrek doorbrak de stilte. “Goed gezegd en vrees niets. Veel geblaat en weinig wol, deze wolven in schapenvacht.” Thomas herkende de stem en was dankbaar dat deze bezoeker het hele verhaal gehoord had.   In de vroege morgen zongen vogeltjes een vrolijk liedje. De zon gaf al warmte. Het zou een mooie dag worden. Een straalblauwe hemel met enkele wolkjes lachte Laurent tegemoet toen hij de gordijnen van zijn sjofele slaapkamer opende. “We gaan een flinke wandeling maken,” zei hij tegen zijn hond terwijl hij zich aankleedde. Pluisje kwispelde ongeduldig en streek met zijn hoofd tegen het been van Laurent. Een lieftallige aai was het antwoord. Als een onafscheidelijk duo gingen zij naar de keuken. Laurent trok de kast open en strooide wat hondenbrokken in Pluisjes bakje. Hij vulde tevens het drinkbakje met wat fris water. Pluisje begon gretig te eten en lonkte dankbaar naar zijn baasje. “Flinke jongen!” glimlachte de eenzaat. Plots kreeg Laurent een pijnscheut in zijn hoofd. Hij hield de tafel vast en strompelde naar de zetel. Hij plofte zich neer en greep met beide handen naar zijn hoofd. “Ai, wat een pijn. Ik heb anders nooit hoofdpijn,” jammerde Laurent. Pluisje wist niet wat er gebeurde en kwam tot bij zijn baasje. Vertederd legde hij het hoofd op het been van Laurent, die roerloos in de zetel lag. De hond begon zachtjes te huilen. Laurent reageerde niet. Pluisje blafte en ijsbeerde van de zetel naar de deur. “Het is niets, jongen. De pijn is voorbij,” zei Laurent na een tijdje. Hij stond op, wankelde nog wat, maar ging dan naar de keuken. Pluisje volgde hem. Laurent zette wat water op en haalde een paar sneetjes brood uit de trommel. Rechtstaand smeerde hij wat confituur op de boterhammen. Krakend gleed het mes over het oude brood. Het water was warm en Laurent schonk thee op. Suiker en een wolkje melk vervolledigde het ochtendritueel.  Als hij klaar was met zijn ontbijt, tuurde hij vanaf de tafel naar buiten.  “Zo’n mooie dag laat ik niet verpesten door wat hoofdpijn,” zei hij vastberaden. Hij voegde meteen de daad bij het woord, stond recht en ging naar buiten. Pluisje liep in zijn voetsporen het huis uit. Het dorp lag er nog wat verlaten bij. De kerkklokken luidden negen uur. “Oh ja, het is zondag vandaag,” zei Laurent tegen Pluisje. Voor de bakker stond een lange rij wachtenden. Klanten verlieten haastig de winkel volgeladen met broodzakken en gebakdoosjes. Lachende kinderen verwelkomden hun vader of moeder in de auto’s, kriskras geparkeerd in de straat. De wagens vertrokken snel en Laurent kon nog net Pluisje opzij trekken.  Drie lummeljongens wezen zittend vanop een tuinhek naar het tweetal. Eén gooide een steentje naar Pluisje, die kermde. De anderen lachten om deze heldendaad. Laurent gebaarde boos naar hen, maar een opgestoken middelvinger was het antwoord. Ze sprongen van het hek, passeerden Laurent en keken hem minachtend in de ogen. Eén trapte nog naar Pluisje, de andere spuwde een fluim voor de voeten van Laurent. Voor het kerkportaal wenkte hun vader en devoot gingen zij het gebouw binnen. Klanken van het orgel vloeiden de straat in. Laurent luisterde naar de muziek. “Johan Sebastian Bach,” zei hij tegen Pluisje terwijl hij naar de kerk wandelde.  Even leek het of de hond zijn oren spitste voor deze muziek, maar het was voor de poort die scheurend gesloten werd door de koster.  “Geen honden in de kerk,” riep deze tegen Laurent. Laurent vlijde zich neer op de trappen voor de kerk. Hij luisterde naar de muziek die uit de ramen ontsnapte. Hij droomde weg en dacht aan de tijd dat hij het symfonisch orkest dirigeerde, met het jaarlijks paasconcert in deze kerk.   Na enige tijd kondigde klokkengelui het einde van de kerkdienst aan. De poort vloog open en de koster verscheen. “Ga weg, geen bedelaars aan de kerk!” brieste de koster. Pluisje gromde, maar Laurent stelde hem gerust. “Het is niets, Pluisje.” Laurent stond recht en verliet het portaal. De kerkgangers kwamen buiten en de pastoor aan de zware deur staand, wenste hen een gezellige zondag. Familieleden en vrienden hielden nog een praatje voor de kerk alvorens naar hun wagens te hollen en zich over te geven aan een leuke familiale namiddag. “Wij hebben toch elkaar, hé Pluisje,” zei Laurent. Hij veegde een traan uit zijn ogen. “Lastig die wind.”   Het was woensdag. Laurent en Pluisje wandelden over de markt. Laurent hield halt aan het groentekraam. Hij keurde vooral het fruit. De sinaasappelen leken hem heerlijk. “We brengen de Spaanse zon in huis,” zei hij tegen Pluisje. De hond keek verlekkerd naar de kraam aan de overkant. Smakelijke worstjes lokten naar hem. Laurent volgde de blik van zijn vriend. “Ik zal wat worstjes voor je kopen. We zullen ze straks samen opeten.” De groenteboer kwam tot bij hem en Laurent bestelde het fruit. Hij nam zijn geldbeugel. Net voor hij het briefje wilde overhandigen, werd het zwart voor zijn ogen. Hij hoorde flarden van gesprekken, gegil en dan niets meer.   “Hij komt bij,” hoorde Laurent in de verte. Hij opende zijn ogen. Hij vroeg zich af waar hij was. Naast hem stonden een man en een vrouw. Zijn rechterarm werd opgetild. Hij voelde iets raars rond zijn bovenarm dat aanspande. In zijn linkerarm stak een infuus. Stilaan besefte hij dat hij in een ziekenhuis lag. “Twaalf over negen.  Dat is goed,” zei de verpleegster tegen de arts. “Meneer Dhosse, goedendag, ik ben dokter Verburgt. U bent vorige week opgenomen hier in het UZA. We hebben u onderzocht en hebben helaas geen goed nieuws.” “Waar is Pluisje?” vroeg Laurent aan de arts. “Meneer Dhosse, wie is Pluisje?” “Dat is mijn hond. Waar is hij?” “Toen we bij u aankwamen op de markt, hebben we geen hond gezien. Er stond heel wat volk rond u. Ik zal de sociale dienst eens navraag laten doen.” “Dank u wel, dokter,” zei Laurent. “Meneer Dhosse, we hebben een kwaadaardige tumor bij u gevonden. We kunnen u niet meer opereren, maar met de nodige medicatie kunnen wij het leed verzachten.” Laurent slikte en tuurde opzij door het raam. Het was een stralende lucht. Hij dacht aan de dag dat hij ging wandelen met Pluisje. “Hoe lang heb ik nog? Geen gedoe, gewoon de waarheid,” gebood Laurent. De arts kuchte en zuchtte: “Hooguit twee maanden.” “En wat moet er Pluisje gebeuren?” jammerde Laurent, “Hij is al heel zijn leven bij mij. Waar is hij nu? Ik moet hem zoeken. Wanneer mag ik naar huis?” “Meneer Dhosse, ik hou je nog een paar dagen hier voor observatie. Daarna mag je naar huis, maar je moet je medicatie nemen.” “Oké, maar zorg alsjeblieft snel voor Pluisje. Wie weet wat er met hem is gebeurd?” “Yanthi, schakel zo snel mogelijk de sociale dienst in!’ zei Verburgt tegen de verpleegkundige. Zij begroetten Laurent en verlieten de kamer. Laurent sloot de ogen en weende.   Na enkele dagen vroeg Yanthi aan Laurent of hij geen familie of kennissen had. Zij verwonderde zich dat hij nooit bezoek kreeg. Hij heeft zelfs het aanbod van de aalmoezenier afgewimpeld.  “Ik wil alleen maar naar huis om mijn Pluisje te zoeken,” was zijn antwoord. Verburgt kwam de kamer binnen. “Meneer Dhosse, ik zie geen reden om je hier langer te houden. Je mag naar huis, maar ik heb de sociale dienst verwittigd. Zij zullen u opvolgen.” “Ik heb geen babysit nodig,” antwoordde hij bitsig. Yanthi wilde hem helpen, maar Laurent was haar te vlug af. Vlug kleedde hij zich aan en scharrelde zijn weinige bezittingen bij elkaar.  Hij kreeg zijn ontslagpapieren van de verpleegkundige, toen iemand van de sociale dienst binnenkwam. “Meneer Dhosse, ik ben Arne. Ik zal u naar huis brengen en daar het een en ander in orde brengen. Ik kom je bezoeken wanneer het nodig is.” “Dankjewel, maar dat hoeft niet. Ik kan perfect voor mezelf zorgen.” “Maar je naar huis brengen, dat doe ik zeker,” was het kordate antwoord van Arne.   De ogen van Laurent begonnen te glinsteren toe de wagen zijn straat inreed. Voor het woonhuis wachtte geduldig zijn trouwe viervoeter. De auto stopte en Laurent stapte uit.  Pluisje stormde tegen hem aan en sprong op zijn achterste pootjes. Arne was ook uitgestapt en bleef op de achtergrond om deze hartelijke begroeting niet te storen. Na een tijdje kuchte Arne: “Kom, meneer Dhosse, laat ons naar binnengaan.” Laurent nam de sleutel en samen met Arne traden zij de woning binnen. Pluisje bleef maar  springen en kwispelen. Hij was wel vermagerd. Arne hielp mee met uitpakken, schikte wat in de keuken en keek de kasten na. “Ik zal wat aankopen doen,” zei hij. Laurent gaf wat geld en Arne verliet het huis. “Eindelijk terug samen!” zuchtte Laurent, maar dacht aan de uitslag van zijn onderzoek. Bedroefd ging hij in de zetel zitten en onmiddellijk legde Pluisje zijn hoofd in de schoot van Laurent. Het hondje snapte het plotse verdriet niet.    De deurbel schrikte Laurent op die ingedut was. Pluisje gromde en liep naar de deur. Laurent volgde en opende. Arne bracht de boodschappen. “Ik heb een krant meegebracht,” zei hij. “Dankjewel, Arne.” Laurent nam alles over. Arne begroette hem, aaide Pluisje en ging weg. Pluisje keek wantrouwig. “Ik zal wel telefoneren als ik je nodig heb,” riep Laurent hem na. “Ik kom morgen terug!” was het antwoord. “Morgen, morgen, wat een gedoe!” morde Laurent. Hij zette alles op tafel, nam de krant en vleide zich neer in de zetel. Zijn oog viel op een artikel: “Enige winnaar Euromillions maakte zich nog niet bekend.” Hij grabbelde in zijn portefeuille en diepte het lottoformulier op. “Verdorie, ik heb de juiste combinatie! Ik ben die winnaar!” jubelde hij. Pluisje kwispelde omdat zijn baasje zo vrolijk was.  “We zijn rijk!” Maar dan sloeg zijn vreugde om toen hij zich de uitslag van het ziekenhuis herinnerde. “Geld genoeg, maar leven dat is wat anders.” Pluisje sloeg alles gade, maar begreep de plotse stemmingswissel niet. Laurent staarde voor zich. “Wat moet ik nu doen?” vroeg hij zich af, “Ik heb geen familie of vrienden. Ik heb alleen Pluisje. Bovendien heb ik niet lang meer te leven. Wat moet ik met die miljoenen?” De hond week geen ogenblik van de zijde van zijn baasje.  De hand van Laurent streelde over het hoofd van Pluisje. Hij voelde aan de halsband en sprong dan recht. “Dat is het! Ik heb een idee.” Laurent greep een pen en papier en begon naarstig te schrijven. Als hij met het briefje klaar was, voegde hij het lottoformulier eraan toe, rolde beiden op en stak het in de halsband van Pluisje. Zijn hond liet alles gewillig toe. “Kom Pluisje, we gaan wat wandelen.” Pluisje kwispelde en sprong op. Ze gingen naar buiten. Laurent voelde de pijn in zijn hoofd en wist dat het niet lang meer zou duren. Hij was de laatste week erg verzwakt. Zijn hond was zijn enig doel, maar nu had hij voor hem ook een oplossing. Ze kwamen aan een bushalte. Hier stopte Laurent en zette zich neer. Hij knuffelde zijn hond hartstochtig. Hij keek op het uurrooster en zag dat de bus snel ging komen. Hij pakte de leiband van Pluisje en bond hem vast naast het bushokje. Pluisje werd onrustig. De bus kwam eraan en Laurent stapte snel op. De chauffeur sloot de deuren en vertrok. Pluisje huilde en trok aan de leiband. De knoop loste en Pluisje rende achter de bus. Hij zag zijn baasje zitten en blafte. Laurent hoorde zijn hond, maar keek niet om. Over zijn wangen rolden de tranen.  De afstand tussen Pluisje en de bus vergrootte en uiteindelijk bleef de hond hijgend staan. Bedroefd zag hij hoe de bus uit het zicht verdween. Het papiertje van zijn baasje jeukte aan zijn halsband.

Ludo Herwijn
23 0

IJSPRET

Ondanks het gebonk in zijn hoofd stond Dieter bij het bord: ‘Vereniging “IJspret”, vrij schaatsen voor leden’ en raspte met zijn vlezige hand over de zwierige letters waaraan geschilderde ijspegels hingen. Eronder schoten gestileerde figuurtjes over spiegelglad ijs.Gisteren had Versluis – what’s in a name - het sluisje naar de beek opengezet; een feestelijke handeling die al zeventien keer eerder tevergeefs was uitgevoerd. Vroeger kwam de carnavalskapel spelen, valse klanken uit instrumenten vol butsen, maar ook zij hadden geen animo meer.Dieter was ervan overtuigd dat er ook dit jaar geen ijs zou komen. Ja, het was koud, maar alleen vanwege de venijnige oostenwind die een gevoelstemperatuur van tien graden onder nul veroorzaakte, terwijl het in werkelijkheid niet onder het vriespunt kwam. Dieter keek naar de waterrimpels op het ondergelopen land waar kokmeeuwen in groepen bij elkaar dreven. Hun habitat was plotseling vergroot, maar ze leken daarvan niet onder de indruk.Na afloop van de ceremonie was het bestuur van vereniging “IJspret” bij elkaar gekomen in café “De Egelantier”. Versluis had het kort gehouden. Een terugblik op het afgelopen jaar - geen ijs - en melding van het ledenbestand - helaas met achttien afgenomen. Daarna waren de taken verdeeld. Oud-onderwijzer en secretaris Van Halderen zou de leden een digitale nieuwsbrief sturen, doorspekt met kreten als ‘schaatskoorts’, ‘ijzers uit het vet’ en ‘zwart ijs’, maar waarin bovenal werd aangedrongen op tijdige betaling van de contributie. Dieter, slager en penningmeester, moest de lichtmasten rond de baan inspecteren en controleren of het bord nog in goede staat verkeerde. Einde vergadering. Daarna werd traditiegetrouw een houten kist op tafel getild met kristallen glaasjes en een fles zeer oude jenever gevat in sleets fluweel. Er waren vijf glaasjes, voor vijf bestuursleden, maar dat aantal werd al lang niet meer gehaald. Dus maakten zij noodgedwongen gedrieën de fles soldaat, want tradities moeten worden hooggehouden.Dieter keek naar het bord en zijn mond verstrakte. Achttien jaar wachten op iets wat waarschijnlijk nooit meer gaat komen. Een volwassen leven vergooid aan een illusie, een farce. Ondanks de gure wind kreeg hij het warm en een vuurrood hoofd. En met een woeste schreeuw die de gierende oostenwind overstemde, wierp hij zijn brede schouder naar voren. De poten kraakten en het bord klapte op het kille water. De meeuwen dobberden onverstoorbaar verder, maar op de komende vergadering was er in ieder geval iets te melden.

Grand Foulard
0 0

Mensen van alsof

Alsof alles altijd alsof is en je dus de ene dag een paard van goud hebt, of twee. Ze staan in de wei te grazen. Ze kijken en zien jou mislukken. Je blaast ballonnen op die ontploffen. En daarna ben je tweeëntachtig en weet je niets meer, alleen dat er oorlog was en jij plat op je buik lag in het zand. De bommen sloegen geen ramen in, maar levens en ze vielen. Je hebt er vijf van opgevangen. Dat van je moeder in de eerste plaats, opdat ze eindelijk eens gelukkig zou zijn. Dat werd ze niet.   Dan was de dag een bos op zondag en je liep hand in hand met jezelf van horen zeggen. Het meisje dat ballet deed en van lenigheid haar hart vergroot had en er mensen in stopte die er niet hoorden. Anderen die opeens verdwenen en dingen achterlieten, als een blad waarop geschreven stond: ik moest je nog zoveel zeggen, maar ben het nu vergeten. En je de ‘nu’ uit die zin hebt uitgegomd omdat in die witruimte dan de woorden zouden kunnen vallen die ze niet gezegd kregen.   Soms ben je vijfentwintig en heb je almaar het verkeerde hoofd gedragen als een plastic tasje dat je steeds weer ergens vergeet en de kamers ruiken naar appels, alsof daar bomen groeiden waarin je klom om sterren te tellen toen je dat eigenlijk nog niet kon. Maar je hebt ze op je huid gezet en ze blonken.   Mensen van alsof vertellen geen verhalen, ze weten  al van alles. Dat hoe je staat, bepaald wordt door hoe je handig je met liefde bent. Dat kijken ook een manier is van vergeten. Dat koffie drinken de stilte kleiner maken is. Je zegt nog dat je het liefst een trein zou zijn waarop iedereen vloekend moet wachten. Of die minuut voor het wakker worden en de droom nog een boek is dat gelezen kan worden. Of twee handen die elkaar al langer kennen en tien vingers waarmee je het beste kunt herinneren. 

LiesGallez
0 1