Lezen

ALLES DOOR EEN VEEL TE ROZE BRIL

Het was 45 graden in de Belgische schaduw. We lagen voor pampus in de tuin. In mijn hoofd was ik deze column al aan het componeren. Ik wilde schrijven over hoe de toegang van onze zwembaden, recreatiegebieden en festivals meer en meer op de luchtvaartcontroles begonnen te gelijken. Hoe nieuwe Belgen nog steeds niet wilden begrijpen dat het reglementregeltje “ niet zwemmen in een zwemshort” ook voor hen van toepassing was. Dat het een zwemslip moest zijn en geen slinkse poging om in je onderbroek van de wipplank te duiken. Ik begrijp wel een beetje de boosheid als je zag dat enkele meters verder twee volledig ingepakte boerkinilijven in het zwembad spartelden. Twee vrouwen die zich in deze hitte, zwetend als een otter, onder hun zwarte bedekkende tenten tot aan het zwembad gesjokt hadden. Terwijl ik de ijsklontjes nog eens ronddraaide in mijn koel drankje, dacht ik ook aan de verontwaardiging van die ouders toen bleek dat hun dochtertjes door een paar frustratiehaantjes betast waren en uitgemaakt werden voor hoeren. Hoe een viertal toekomstige miniboefjes de meisjes in de ontluikende borstjes geknepen hadden en met hun zwembadnatte vingers de bikinibroekjes naar beneden getrokken hadden. Moest dit bij mijn kleindochter gebeuren dan zou er zulke stoom uit mijn oren komen waar ze het ganse zwembadwater mee hadden kunnen verwarmen. De politie werd erbij gehaald en de minderjarige verkrachtertjes in spé werden op heterdaad betrapt. Om geen enkele bevolkingsgroep te schofferen, haastte de media zich om heel duidelijk te stellen dat het hier om rasechte Belgen ging.  De ouders van Abdullah G, Mohammed T, Faisal O en Ali S reageerden geschokt en waren ervan overtuigd dat hun zoontjes zulke onterende dingen nooit zouden doen noch roepen. Het was niet een alleenstaand feit want tijdens de Belgische hittegolf had elk zwemparadijs met dezelfde problematiek te maken. Het lag dus duidelijk niet aan de opklimmende temperatuur maar aan de neergaande opvoeding.  In Duitsland verkrachtten vijf Bulgaarse en Roemeense minderjarigen een vrouw. De boefjes waren tussen de 12 en de 14 jaar!  Ook hier beweerden de ‘ouders’ dat hun legsel dit onmogelijk gedaan kon hebben, want dat ze op dat uur gezellig naast hun op de sofa zaten, naar de televisie keken en thee dronken. Wanneer gaat men die moeders en vaders eens mee veroordelen voor hun laksheid aan opvoeding? Ik wilde net mijn vingers in de azijn dompelen om deze column te typen en de laksheid aan het respect voor elkaar en het uitblijven van het daadwerkelijke integreren van bepaalde bevolkingsgroepen aan onze normen en waarden op pc te zetten, toen er ook plots iets grappigs de kranten en het journaal haalde. Onze gedetineerden zouden vanaf volgend jaar juli hun eigen kleding mogen dragen en wassen.  Weg met het gevangenisplunje. Om alle ontsnappingen te voorkomen moesten ze zich, alleen als ze bezoek kregen, nog in het grijze uniform hijsen. Kwestie dat de cipiers klaar en duidelijk konden zien, wie er de bezoeker en wie er de gevangene was. Toch mag niet alles. Er mogen geen aanstootgevende teksten op de t-shirts staan en schoeisel met stalen noppen werden verboden.  Om elke verwisseling tegen te gaan, mogen ze ook geen kleding dragen zoals hun bewakers. Er zouden wasmachines aangekocht worden en vanaf dan zou elke veroordeelde, die nu ook over zijn eigen mobiel mag beschikken,  instaan voor zijn eigen wasje. Een kind kan de was doen, zeker met pods, dat wordt ons via de reclame tienmaal daags ingehamerd! Ik kan me niet indenken dat zo’n bajesklant straks zijn 7 witte onderbroeken in de witte kookwas voorsorteert en voor zijn t-shirts en sokken netjes apart een 40 graden en een wolwasje gaat draaien.  Dus zonder enige twijfel lopen vanaf volgend jaar alle gevangen in mooi roze rond. Eén rode sok in de wasmachine en ‘t is gebeurd...   Sim, te warm om na te denken, 26/7/2019

Sim
12 0

'T WAS NACHT, 'T WAS NACHT MIDDEN IN DE NACHT

Nadat wij bijna gans Frankrijk kilometervretend doorkruist hebben, staan we dan als sluitstuk aan de Middellandse zee. Nog een kleine drie weekjes stralende zon, knalblauwe hemel en een lekker vakantiesfeertje…dachten wij! Het Mediterraans klimaat blijkt in Zuid Frankrijk, dit jaar, begin juni aan een twijfelzomer te beginnen. Gisteravond stak er een soort stormwind op. Niet direct een mistral maar toch enigszins een naverwant tergend passaatje dat de caravan heen en weer deed schommelen en de luifel als een bootzeil deed opbollen. Ik zei tegen manlief, dat het misschien geen slecht idee zou zijn alles wat extra te verstevigen en om de autohoes nog met wat meer knijpers vast te leggen. Als hij op dat moment echter met een kruiswoordraadseltje bezig is en hij liefst niet gestoord wenst te worden, dan mompelt hij woorden als ‘straks, misschien straks, morgen, misschien nooit in de hoop dat het zichzelf wel zal oplossen’. Dat reduceert mij plotsklaps tot een zo’n ‘subiet’ zeurend vrouwtje, zo’n ‘à la minute’ mokkel die manlief zijn rust op de meest onmogelijke momenten durft verstoren. Ik ben meer van ‘de-koe-bij-de-horens-nemen’ soort. In mijn CAO staat, dat iets onmiddellijk moet bekeken, direct geanalyseerd en op staande voet gerepareerd moet worden. Normaal zou ik uit de caravan stuiven en de autohoes zelf gaan vastpinnen, maar ik lig al geruime tijd naakt onder het warme fleece-dekentje een boek te lezen en bedenk dat manlief nog volledig aangekleed op de bank zit. Manlief is echter van het Jean-Luc Dehaene soort, die zegt dat de problemen zullen opgelost worden als ze zich stellen! Om half twee ’s nachts dus! Uit het warmte nestje, broeken en truien aan en aan de slag met het mini- rampenplan. Rammelende in elkaar gedonderde tentstokken, op zwiepende haringen (piketten), rond klapperende stormkoorden en een klepperende tentluifel die als een gigantische parachute tegen en over de caravan buitelde. In het midden van de nacht hebben we dus de luifel uit de rail getrokken op gevaar van zelf mee de lucht ingezogen te worden en onze autohoes gezocht, die twee auto’s verder heen en weer wapperde. Jullie willen niet weten wat voor verwensende woordenschat er op dat moment door mijn hoofd gaat…Probeer daarna maar eens terug in de caravan de slaap te vatten. Door de windstoten schudt onze villa over en weer zodat je bijna zeeziek wordt. Het lawaai van de wind en het constante beuken van de zeegolven dondert door je hoofd.  Je slaapritme wordt verstoord door caravankastdeurtjes die op het ritme mee rammelen. En tenslotte een manlief die zich meteen na de nachtelijke actie in bed oprolt en alvorens hij ook maar met één oor het kussen raakt, er als apotheose een snurkfanfare tegenaan gooit.   Sim, Vias-Plage  7 juni 2019

Sim
51 0

RIP

Terwijl ik gisteren nog schaterend naar manlief riep, dat Koning Filip, Peppi en Kokki van de twee meest verliezende partijen aangesteld had om gesprekken te voeren met alle politieke fracties om links en rechts te verzoenen, sta ik deze ochtend met een gevoel van weemoed op. Mijn gedachten zijn bij die twee schatten van mensen die op één week tijd overleden zijn en hun kinderen die nu in diepe rouw gedompeld zijn. Wij zijn in het zuiden van Frankrijk en zullen de begrafenis van Jos en Jansi niet kunnen bijwonen, maar hopen dat onze neven en nichten niet zullen opteren voor een kerkelijke begrafenis. Ik kan me al inbeelden hoe zo’n door het celibaat zwaar gefrustreerde pastoor op de kansel staat te wauwelen over de barmhartigheid van zijn God. Als er werkelijk een God bestaat, dan beschikt hij volgens mij over een serieuze dosis sadisme om twee mensen die zo intens jaren van elkaar hielden op zulke mensonterende manier aan hun einde te laten komen. Dementerend, zielig, elkaar, hun kinderen en hun vrienden totaal niet meer herkennend. Toegeven ze waren beiden al de kaap van de 90 voorbij, hadden een rijk gevuld en liefdevol leven gehad, maar moeten wij dan zogezegd zo menselijk zijn, dat wij het onmenselijke aan de dag  leggen om de reeds in hun hoofd afgestorven bejaarden nog enkele jaren op een mensonterende manier als een plant op een stoel of in een bed in leven te willen houden. Kan God dan hier niet eventjes wat gevoel aan de dag leggen en de strijd geen drie jaar laten duren? Hoe noemt men dat: ‘God is barmhartig’? Welk gevoel van mededogen kent hij als hij op één nacht tijd de enige 45 jarige dochter van mijn buurvrouwvriendin tot zich roept? Eventjes hartfalen en gedaan. Hoe overleef je zo’n drama? Je dochter, waar je nog allerlei plannen mee maakte en die lachend zei dat ze later voor jouw oude dag zou zorgen. De bodem totaal uit je leven weggeslagen, hoeveel mensen er ook tegen je zullen zeggen dat het leven gewoon doorgaat en dat alles slijt. Kon God hier ook niet eens wat inschikkelijker zijn? Hoe verwoordt zo’n pastoor dat?  “God roept alleen diegenen tot zich, die hij het liefst heeft!” Wat een grote egoïst! En diegenen die achterblijven, diegenen die lief hadden? Hoe noemt men deze God ook alweer? Barmhartig? Gisteren kregen wij ook nog te horen dat een 60 jarige ex collega een kankervonnis te horen kreeg en dat hij na drie weken de strijd al moest opgeven, een vrouw en twee kinderen vol wanhoop achterlatend. Een goddelijk oogje toeknijpen had ook hier minstens op zijn plaats geweest. Maar zoals alle gelovigen zeggen: “Gods wegen zijn ondoorgrondelijk.” En natuurlijk zitten wij nu in een generatieperiode dat allerlei familieleden, vrienden en kennissen zullen verdwijnen maar het blijft telkens schrikken. We worden dan telkens met onze neus op de feiten gedrukt dat het levenskoordje korter en korter wordt. Dag Jos, dag Jansi, dag Wendy, dag Louis, dag Francis het gaat jullie goed… Wij rouwen op afstand mee en ik kan maar één ding bedenken dat als er dan al een God zou bestaan: ‘dat deze God over een grote portie galgenhumor beschikt!”   Sim, Vias-plage    5 juni 2019    

Sim
5 0

REIS ROND DE WERELD IN 80 DAGEN

Het is niet omdat jullie al meer dan een maand geen letter meer van mij gelezen hebben, dat ik ergens ten velde met een bore- ,burn -out of een writersblock in de lappenmand lig. Niets is minder waar. Zoals een paar vrienden terecht opmerkten zijn wij nu bezig aan het scenario van “de reis rond de wereld in 80 dagen”. Alleen hebben wij voor de lichtere versie geopteerd en bereizen wij nu Frankrijk van noord naar west en van west naar zuid. Als al ons geld of onze geplande vakantiedagen opgesoupeerd zijn, breien wij er het laatste stukje van zuid naar noord aan. Vermits manlief zich nu in het stadium van een soort Alzheimer-light bevindt en hij van veel (te veel zegt hij..) al onze bestemmingen van de vorige eeuw zich soms totaal niets meer herinnert, hebben wij dus besloten om sommige delen van la douce France opnieuw te bezoeken. Via de vallei van de Somme, caravannen wij naar de Normandische landingskusten van de tweede Wereldoorlog. Het is begin mei en alhoewel het zonnetje overdag van de partij is, is het ’s nachts bitter koud. Met een fleece-deken, slaapzakken en zelfs een donsdeken, lekker tegen elkaar lepeltje- lepeltje, overleven we nachten van 2 graden. Alleen ’s morgens is er eventjes discussie, wie er het eerst, vanuit het warme nestje, zijn voeten op de doorkoude caravanvloer moet zetten. Dat er in een kwart eeuw wel degelijk van alles verandert, zien we al snel als we naar de noordelijke kant van Bretagne, richting St. Malo forenzen. Het toenmalige liefelijke oesterdorpje Cancale,  groeide uit tot een toeristische trekpleisterstad. Langs de rede, waar eerst de stootkarren stonden, waar je na een dagje site seeing voor een habbekrats een oestertje met een glaasje witte wijn kon meepikken, heeft men nu gigantische betaalparkings aangelegd. Waar je in de vorige eeuw, op een terrasje van enkele liefelijke restaurantjes over de zee kon staren, zie je nu niets dan blinkend autostaal. De toenmalige vijf restaurantjes zijn in die 25 jaar vertienvoudigd. Vermits ik al enkele jaren een schelpallergie heb, gaan we op zoek naar een restaurantje waar manlief een ‘fruits de mer’ voor één persoon kan bestellen en ik een hele krab kan te lijf gaan. We zitten lekker in het waterzonnetje en manlief besluit om een koffietje met een calvadosje na te nemen. Als de kelner grijnzend de bestelling opschrijft hoor ik de toeristtrap toe klappen. Ik schrijf speciaal in verkleinwoordjes want als we daarna de rekening krijgen voor het vingerhoedje koffie:3 euro en de twee soeplepeltjes calvados: 12 euro, wil ik spontaan een geel hesje aantrekken en het restaurant plat flamberen! We bezochten ook nog de wilde noordkant, de roze granietkust en de zuidkant van Bretagne. Toen we in Carnac boodschappen gingen doen, zakte onze broek af. Voor de winkel stonden grote borden met “wij beschermen onze lokale boeren en verkopen alleen traditionele Franse producten.” Vinden wij daar in de rekken, uien van Nieuw Zeeland en aardappelen van Israël! Ecologische voetafdruk..voer voor Anuna en haar Zweedse Pipi Langkaus. Terwijl België bol staat van allerlei verkiezingsgekakel, rijden wij in de richting van de Périgord.  Al gauw merken wij dat Frankrijk één grote betalende parking geworden is. Overal waar er ook maar iets te zien of te beleven valt, staan die betaalautomaten je vals gniffelend aan te staren. Liberté, fraternité et payer. Terwijl wij hier overal lekker confit en magret de canard gaan eten, zijn het zware dagen voor het Belgische Koningshuis. Onze ex koning moet DNA afstaan omdat zijn onechte dochter wil bewijzen dat hij zijn koninklijk sperma in een verkeerd paleis heeft gestort en onze koning heeft slapeloze nachten na de Waals linkse en de Vlaamse rechtse verkiezingsuitslag. Alle verliezers roepen dat ze gewonnen hebben. De Waalse PS droomt al hardop van de terugkeer van hun roze premier, terwijl Groen tevergeefs, na de Anuna-klimaatspijbelgolf,  een Turkse moe en een Catalaanse roeper in de strijd gooiden. Het uiterst rechtse Vlaams Belang heeft op de verkiezingsdraaimolen de flosj getrokken. Als zij echter op termijn, zoals zij in hun propaganda verkondigden, de zwarte haantjes exodus en de Moslim immigratie toestroom niet kunnen stoppen, dan zullen we maar al best een mooi en modieus hoofddoekje gaan uitkiezen. Morgen gaan we richting Middellandse Zee. We komen waarschijnlijk binnen een maand in een totaal ander België terug….   Sim, Sarlat, Périgord 1/6/2019

Sim
0 0

En dan: terug in de wagen

Terug in witte lijnen in wegen gekropen vraag ik me af wat meest in het witst van de strijd was geweest en wat me is ontgaan: jij bent me ontgaan, de teleurstelling is me ontgaan, de debiele wegenwacht die stedelijkheid verkracht is me ontgaan, de handige cultuurcheque voor een portie handige kannibalen en vice versa - is me ontgaan, maar wat wil ik, voyeurisme in het zonneland op zijn best? exotisme exploiteren waar het al geëxploiteerd is op zijn eerste benen de vloer de splinters in de benen in, weg houvast? een denkbeeldig aandenken aan wegwerpgebaren van de onverschillige overkant? een weinig tot verbeelding overlatend hevig hijgend windgeruis in de oren hé wat klinkt dat bekend - die we verwerpen, verpletteren, verdenken etc want hij is en blijft de andere kant? Een ogenschijnlijke waaier aan luchtventilatie op mijn hotelkamer aub.   En dan: terug in de wegen van de schijn.   Woestijn vind ik wel oké, niet omdat dat me de daver op het lijf bezorgt, maar aanstalten maken tot de tropen, dat smaak ik wel, de E19 is Babylon nog niet maar in de schemer van OCD is alles wel een nakend einde natuurlijk. Vroeger zouden de Tourette-patiënten vrolijk hebben meegekweeld om daarna hun hongerdood even te verven op het gelaat van de weigering. Nu alleen maar andere kant van het plaatje: alles waar niet is aan gedacht de fanatiekeling de bemiddelaar de onruststoker de weigeraar En dit allemaal in een wagen, in de schaduw het vergeten van de passieve speeltjes.   In de wegenwacht klinkt de herinnering. In de luchtwegen de afstand. In de afstand de wagen, die doorklinkt in de memoires van een zonderling.On pense pas monsieur, on pense pas. Wederom een straf geluid:   de zekerheid, de absolute zekerheid, de vrijheid in!   Nergens klinkt de stereo van alomtegenwoordigheid me nog bekend. Dan maar Brel. Tellen tot 4, tot de gedachten een vangnet voor de hamer van de slaap zouden kunnen vormen, dan de uitvoering: gracieus, roekeloos, en vlot.   Hij is dit gewend, de routine van een stoornis.   De stilstand rolt onze chevy voorbij. Niks daarvan. Chevyroletti pas ici hé. Dit is een autobahn, naar een autosnelwegritsstrook. Welkom in het beloofde wegennetwerk.   De toegepaste wanhoop zegt: niet slapen in deze misselijke buitenkant van het buitenland. Ik weet mezelf bijster snel te wrijven tot bolletje mens in een toekomst die niet zal nalaten.

Dries Verhaegen
0 0

Antverpia

Iemand die het al eens zong en nu niet opnieuw maar dat ik je er terug vind. Zo weten we, is er genoeg van de kwaaltjes die ons treiteren maar wat doe je als je dan met 2? Juist ja.   Om elke hoek schuilt standvastig decoratief goed met een kwinkslag inboedel te noemen - en dat doen we ze ook aan - zonder meer terug te vinden wanneer je ze nodig hebt, men zou hier huizen kunnen blutsen   uit de menig weifelende weigering die ons toch de bocht uit stuurt, laantje dan ook maar uit, steegje in, hier niet maar ergens dat ik je mis en wegwuif tot in mijn binnenste rioleringen: mij en jou in een notendop dat is wat je nalatigheid toelaat in jezelf.   Liefde is: hier misschien maar het wordt snel een overtocht die rond ons klemt en meeneemt naar zichzelf want kennen, een plek? Nergens dat hij vadsiger her en der de hoeken van de kamer liet zien want niets dat hier godverdomme eens blijft.   Alle mensen zwijgen maar ze spelen geen schaak dat heb ik je al gezegd dus wanneer de kerels beter weten zijn spiercellen een overbodig begrip, ik ken mijn afrodisiac al en vind het in de buitenstad waar alles toch zo levendig weeft tussen het oog en de voering van mijn pakje op-het-gemakje.   Anvèrpia zegt ze, maar nee dat is een understatement zeg ik en daarmee de kous af de laan uit, hop, opschieten, doe wat je moet doen in een stad die met weinig twijfel in één woord een oord te noemen is. Hoe zou dat lopen zonder twijfel?   We doen elkaar een voorstel, zij en ik waar een doorweekt woord uit de lucht een belofte betekent en de stemming in een café af te lezen is maar dan letterlijk.   En nu plots iedereen geil, krijg wat. Jezelf zou je mogen wegcijferen voor het hoger goed maar nog kun je ervan op aan dat je stevig weerwerk zult krijgen van een spastische neerbuigende interactie tussen jou en vrouw.   De blues zijn doordrenkt met stad en zo is het. Ergens dat het geschiedde en dan bloedde de kaart zijn dood dood, werkelijk ieder vat werd een pad en we kunnen drinken dat we liefhebben. Mooizo zegt ze.   Er bestaat geen koudere borrel dan je straat de straat uitvegen, en als ik me dat herinner giechelen.   Dit is me nu nog eens een dorp for a tourist zul je bedoelen, eigenlijk bedoelt ze dat maar a tourist weet wel beter en vooral: hij houdt niet van barbaarse sensatie en de lucht is blauw, dit is geen ratio naar zijn recht of kortom, hij had gehoopt op meer denkvermogen als aandenken en wij 2 zitten hier maar lullend de werkelijkheid af te keuren tot we er tussen man en vrouw uitzien en zo is het.   A tourist is like a toy dat is wat ze weten en nemen hem de vestiging dat de ratio zou kunnen zijn af, zalven zich de medicatie inbecause a tourist is also a boy en een toerist is dus ook gepaard gegaan met het cliché der clichés.   De medicatie ingezalfd, lekker uitrijden in de koepel klucht en ijzeren weefsel dat avondlicht eet uit stinkende houten kommetjes metgezellen, metabolisme in een notendop daarvoor doe je het af en toe wanneer de nood hoog is en clichés alweer vervallen in iets heiligs: namelijk geilheid, het hoge woord dat een stad voeren kan.   De stervelingen hier zijn ergens van doordrenkt, maar de vinger erop leggen zou automatisch de vinger er op leggen, en kom nou Chiquita wil je dat echt, of blijf je de sterke vaandeldragers van een regelrechte ramp genaamd ‘t stad soigneren.   De toerist vindt er zijn weg wel maar alleen als hij het nodig heeft de sekte met aandacht voor aandacht aan te kondigen, de Noorderburen lachen zich een hoed en wij zetten hem op, zitten we hier mooi in ons beloofde gelijke land zonder hand of tand om op te staan maar ja maar nee zeg ik u.   Nodige kwaaltjes worden heruitgevonden en alle tanden van van de onbesproken monden - zij moeten ook aan geld komen! - worden getrokken zeg ik u. Monddood de nacht in, kroeg.   Kuiltje nachtrust verstoord dus de beuk erin, ook nergens is een plek die we kunnen wegleggen in de groene zone van ontreddering.   Als kleuren de geste op bestelling laten opkomen (een heel klein zonnetje boven de stad) zie ik het: jij die zo onontkoombaar na lacht als ik het je vertel.

Dries Verhaegen
0 0

Bergbeest I & II

Bergbeest I   Je hoopt iets te vinden Dat er waarschijnlijk altijd al was Iets dat perfect in je navel past Maar dan groter (Is mijn theorie) Of je hoopt gevonden te worden Zomaar op straat En dat iemand zegt “Ik ben al tijden naar jou op zoek Nu kunnen we verder”   Het is hoe je kijkt Hoe alles uiteindelijk blijkt net niet genoeg te of veel te veel Hoe je de veren van je vleugels verloren denkt (Ik kan aan komen zetten met was zoveel ik wil) Hoe de gedachte dat je dingen te verliezen hebt je doet verdwijnen   Je rook eens aan een meisje Aan haar hals Was plots niet meer zeker van wat je daar te zoeken had Waar je op hoopte (Ik denk: iets vinden voor je navel of gevonden worden op straat maar het kan ook iets anders zijn geweest zoals het bergbeest - daar kom ik misschien nog op terug) En of ze wel jouw soort was   Haar hoofd ligt de laatste tijd vol met zandzakken Overvol Ze houdt zich voor het gemak graag van de domme en vergeet ondertussen voor het gemak haar naam Mensen zeggen wel eens dat met haar niet te praten valt of niet echt Daar verontschuldigt ze zich voor Ze valt vaak maar  Niet samen met zichzelf   Ze weet dat jij wel samenvalt (In de mate van het mogelijke) Ze vindt het onmogelijk om in jou geen homo universalis te zien hoe graag ze ook stiekem heel af en toe stilletjes op je zou willen neerkijken Elk mens verdient medelijden (In de mate van het fatsoenlijke) Als ze naar je omhoog kijkt moet ze denken aan Icarus en dat maakt haar bang Ze verstopt de was voor de veren achter het behang   Jij bent simultaan god en aanbidder Heel af en toe ook gewoon mens maar dat staat je minder Boetseert wolken doet klei zweven Even lijkt het alsof alles verbonden  En niets gevonden Omdat het er al is     Bergbeest II   We verhuizen later naar een berg die ook een beest is Die elk moment kan vertrekken Dan kreunen de bomen Schokt de grond Wij gezellig mee Of we bergen verzetten Of de berg zichzelf  Is uiteindelijk niet van belang              

Marieke Ornelis
94 1

Brussel Versie 2

Brussel uitrijden. De lelijke stad blind kunnen verlaten en toch kijken. Het is in deze blik dat een stad zich schuilhoudt en aardt naar inruilbare normen. Ook dit is een vorm van vergeten. Dit is de passe partout van het gaan en het uitsnijden van een bekrompen versie paradijs uit het kleine vlekje realiteit: het stationszicht: ijzeren omhulsels als vormgeving van het ballingschap en het daaruit leren bevrijden door angst, die we graag ingeboezemd krijgen.   Het is een blik die we werpen op het relaas van verloren tijd en hoe we die leren benijden. Nooit bevrijden! We leven ernaar. Tijd en altijd komt dan de spijt.   Het is dus een komen en gaan van de kitsch, de silo van het kijken, want ook daarin oogsten we tonnen ervaring en ambivalentie in doorzettingsvermogen. We willen maar zouden we niet anders en zo en zo en niet hoooo maar!   Ik ben de dupe. Ik ben de dupe. Ik ben de dupe die dan duwt in de richting van een ring waar we wachten en talmen en veiligheid is een veilig begrip, wat is taal toch een kluwen van houvast. Als je krampachtig schudt, zoals een laatste stuiptrekking genaamd Brussel, ben je net de stedelijke evolutie die etaleert met zijn vermogen tot het uitsteken jonge oogjes zonder al te veel angst.   Hier hebben we op gewacht. De ondergang, en we lopen mank tot we ophouden mank te zijn. Gent huilt en Mechelen wacht. Wij, wij zoeken, en worden onderdanig aan zij die opgehemelt worden, het mekka van het roepen, de allegorie, de essentie. Op je knieën schrijven, want op je knieën kan je niet schrijven, laat staan herbeginnen. Een opgave in de stenen maar automatisch dus niet tot onmogelijkheid gedoemd en permanent aanwezig. Reizen moet je meenemen als taal en niet omgekeerd! Het treinstel dient dan als handvat voor de verdubbeling van woorden in zinnen en referenties. Het materiaal dat je onderweg ziet en voelt, zal de nieuwe drijfveer zijn inzake het vermogen van je hoofd. Koppie erbij houden hè! Kortom, nergens meer dan onderweg, nergens meer dan nergens dus. Brussel is de ontmaagding van een reuzin en bevindt zich misschien wel in dit onderweg.   Ik zwaai naar die overkant. Ze laten je expres wat langer wachten tot de theorie over jezelf zichzelf niet meer is. Alsof we de wereld wat nog wat langer over het hoofd zouden willen zien en vergeten dat we bang zijn. Leven in deze illusie dan het doel op zich. Hier zijn om onderweg te blijven! De optelsom maken, teleurgesteld het doek neerhalen en lachen: There will be nothing you will not be be looking for in this world. Except in for your god. This is all a dream. A dream in death.   Achterhoofden kneden tot wat we zijn: tot je legioen marsvrouwen. Want dit is wat je wil. Je persoonlijke tijdsperk. Je wordt wakker. Dan pas ontwaken en de bijhorende ingebedde rituelen die een netwerk vormen aan vangnet, je plan B. Hallo zeggen en weten wat goed voor je is. Dat ontkennen en herbeginnen.  

Dries Verhaegen
4 0

Verbleekt rood

Rood haar zelf geknipt valt over haar zorgvuldig omlijnde ogen. Wanneer ze me aankijkt als ik binnenkom met mijn bagage van de dag knapt mijn overspannen hart.   Piercings wilt ze niet, een tattoo misschien en ze verbaast zich over zoveel onbegrip. Bijna vijftien is ze nu, nog altijd speurend naar verjaardag bezoek. Instagram is haar portaal, haar make up haar verhaal. Ze is het kind van een alcoholist, een kind uit het elfjesbos.   Ze flirt de godganse dag met haar eigen spiegelbeeld, maar vreest de marges tussen de omlijsting en haar kamer. Haar kaders zijn de muren van onze sociale huurwoning en haar overgebleven data.   Zomervakantie is voor haar een straf gevuld met lege dagen. Vriendinnen maken kan ze niet, vrienden zijn nog minder.   Ze is een dochter van een sterke vrouw zelfvoorzienend en alleen. Alleen zij kent de uitgegumde wazen over de lijnen van mijn verhaal.    Ze lijdt, ik zie het en alles wat ik haar bieden kan zijn mijn verstramde pogingen tot kalmte.   Ze plooit zich naar mijn humeur en naar mijn tijden van aankomst en vertrek. Ik duw, ik trek, ze trekt futloos terug.   Haar kont is van een jonge vrouw, haar duim nat van haar mond. Haar knuffel klampt zich vast aan haar wuivende kindertijd. Het heeft enkel nog een kopje, zijn lijf hangt aan elkaar van 15 jaar verdriet en eenzaamheid.   Ik wil haar dragen weg van hier naar stroomopwaarts. Naar een thuis waar een vader is, een zus en fijne buren en vrienden die spontaan binnenvallen en allen blijven eten.   In het weekend maakt ze plaats voor mijn opgebloeide liefde. Ze weet van zijn bedrog. Wanneer ik mijn lach lach zie ik haar schouders dalen, wanneer ik vloek zie ik haar rug, wanneer ze zachtjes de kamer verlaat.   Ze is mijn kind gegroeid in het beste van wat ik had, het beste van twee kwaden.  Ik wil haar geven alles wat ik kan maar ik kan niet meer.  

Susanna
26 0
Tip

Het is Robert Anker - Mechelen

Het is Robert Ankers stem die me wakker schudde. Wakker worden deed ik in de vertrekhal, is ook maar een woord. Zo blijven we bezig. De gesprekken die al in je drijven nog onuitgesproken, zo blijven we bezig. Leonie moet al op de toppen van haar tenen gaan staan voor een glimp van de zaal met taal, of noemde ze Justine, zo blijven we bezig. Maar het is een bewijs dat niets zeker is, alleen maar beter dan ervoor, want nu is nu en straks is dan nu. Meer hebben we niet in deze vondst. Dus verzinnen maar.   Ik zie wat taal niet ziet en ben het alweer vergeten. Sporen van handschrift zijn het, eerste mail van mijn emotie die in me gedrukt stond en nu verzonden naar de tong. Kijk uit, hij is geletterd.   Lezen is a) ontdekken b) verwekken   c) leuk want ik woon te Mechelen. Taal vormt het netje dat de buitensporigheden van empathie zou kunnen filteren, maar dit vervolgens niet doet en zegt: in mijn potentieel verveel ik me nooit. En wij maar luisteren. Dat ik vergeet hoe ik heet in de weifelachtig warme literatuur. Waarna ik opsta en mezelf voorstel. Ik ben mijn boek omdat ik heet wie ik denk. Ik denk dat ik groot ben maar daarmee verzet ik nog geen bakens en ben ik al helemaal niet onsterfelijk, want wat zouden we meer willen dan willen? Het lezen blijkt het wezen.   Dan belt moeder: zo is ze nog net geen schrijver. Moeder belt want ik ben een zoon en of ik er niet ben als ze niet belt. Zegt: hoi lust je vanavond alles want als kind wat je nu krijgt. Wat je zoals leest als je nee zegt: Vestdijk en Joyce want je vindt ze waar je zoekt. Neenee moeder, zo werkt dat niet. Ik ken de verkoper door er weer te komen en altijd. Hij kent me want heeft geen keuze en dit is Mechelen     Of de apotheek en de bib in één want dit pakje boeken staat me. Happy days, jij ook moeder. Zie je in de dagen dat ik nee zeg. Haha daar heb je me.   Moeder die ophangt. Ik die de dag in de volgende zin nestel: Ook morgen kan vandaag zijn als je de telefoondraad je hoofd in altijd maar bellen. Kan ik nu nooit eens.   Boek is al uit, next up: Het boek alfa of een Hellevaart. Niet geleerd, wel verknocht als tast op beenmerg. Harder fietsen Dora! Iloveyou maar je bent mijn hier en nu al. Harder fietsen als je me maar vastpakt ach zonder gemaar.   Ik heb niet gehuild toen je niet nee zei en ook niet zei. Doodnormale vriendin wat heb ik je. Dat we zonder elkaar enkel maar alleen net woord.   Nu is nergens maar op het lezen na vertel ik je de wereld in die om onze kant en klare verbinding draait. Dora die belt:   Slik ik de gesloten woorden in komen ze en zo weer de telefoon weg de weg uit naar jou. You but I’m always blue.Nergens zou ik de woorden weer onderuit kunnen halen maar erg gevat - zucht - roep ik haar weer tot leven.   Ze zwijgt me tot mijn naam vergeten maar ik zie de verkoper ook graag omdat ik er altijd.   Harder fietsen. Nu is toen toen er straks dan weer meer is. Dat we elkaar steeds weer naast elkaar zullen lopen en liefst nog draai ik mijn hand rond je naam en draag ik je ook nog eens terug de dag in. (Ik die de dag in de vorige zin in nestel)  

Dries Verhaegen
68 0

Pimpelmees van de foor.

Hoewel ik haar blik wou vermijden, ontmoetten onze ogen elkaar halverwege het gejoel, ergens tussen het schietkraam en de autoscooter, al heette die attractie in die tijd gewoon nog de botsauto’s. Zij keek snel verlegen weg en ik deed hetzelfde. Indien ik haar was blijven aankijken zou het me zeker zijn opgevallen dat ze lichtjes bloosde en dat ze met de tong voorzichtig haar bovenlip beroerde maar ik was nog veel te groen achter de oren om dat op te merken, dus keek ik ook snel achteloos weg, naar de prijzen die één kapotgeschoten pijpje in het schietkraam zouden kunnen opleveren. Zij kon onmogelijk weten dat ik heel veel moeite had gedaan om haar preutse oogopslag te vangen want telkens ze mij in de gaten kreeg, keek ze schaapachtig weg. Ik zal ook wel gebloosd hebben en mijn ogen zullen wel geblonken hebben maar dat was haar ook niet opgevallen. Mocht ik haar nu tegen het lijf lopen, ik zou haar garderobe goedkoop en een beetje vulgair vinden, maar toen gaven de zwarte plak-netkousen die ze onder haar grijze plooirokje droeg met daarboven een rode wollen jas met veel te brede schoudervulling haar iets mysterieus en onbereikbaar. Voor mij was ze de diva van de foor. ‘For your eyes only’, Sheena Easton zong door luidsprekers in woorden die ik maar half verstond omdat de BBC alleen aan de kust in het zenderpakket zat en we thuis dus alleen maar keken naar Nederlands gesproken uitzendingen van BRT één, BRT twee en Holland één. Ik had vijftig frank, drie jetons voor de botsauto’s en twee kaartjes voor de rups in mijn broekzak. Die zouden die bewuste namiddag nog goed besteed worden op het dorpsplein van Muizen waar de kermiskaravaan voor het lange weekend was neergestreken. In zaal Rerum Novarum vond op dat moment naar jaarlijkse gewoonte tijdens de grote kermis ook de vogelshow plaats. Een paar lokale duivenmelkers toonden hun prijsduiven en een handvol parkietenkwekers en kanarieliefhebbers gaven met evenveel lawaai als de vogels die ze tentoonstelden commentaar op hun favoriete gepluimde vrienden. Toevallig of niet maar zij paradeerde daar ook. Ze laveerde er tussen kooien en keven die overvol zaten met kippen en hanen en tussen volières waar exotische paradijsvogels en Chinese nachtegalen in rondfladderden. ‘Wist je dat de pimpelmees de trouwste zangvogel is en dat de rest van de mannetjesvogels al vreemd gaat vanaf het ogenblik dat de eieren gelegd zijn’, vroeg ik haar stompzinnig omdat ik geen andere veilige openingszin kon verzinnen. Toen ik haar met die wetenschap overviel zal ik zeker zo rood zijn aangelopen als de pioenen die bij mijn grootmoeder een paar straten verder in de voortuin bloeiden. ‘En wat voor vogel zijt gij dan wel? Een pimpelmees, een straatmus of een papegaai want ge kwettert wel nogal.’ Haar brutale antwoord stond me wel aan want ik antwoordde met heel slecht geacteerd zelfvertrouwen, dat ik haar dat wel in haar oor zou fluisteren in de rups. ‘Binnen vijf jaar dan toch’, bitste ze terug,  ‘wanneer ge uit uw korte broek gegroeid zijt’, en er verscheen een soort van glimlach op haar veel te rood gestifte lippen zodat het een grijns leek. Na twee zinnen stond ze al voor op punten en dat was slecht nieuws voor mijn gespeelde zelfverzekerdheid maar ik liet me er net als de vogels niet door uit mijn kot lokken. ‘Ziet ge die eend daar in die keef?’ en ik wees naar een mannetjeseend met een groene kop die wat verderop in een rieten mand nerveus rond trappelde. ‘Die is er veel slechter aan toe dan wij want als die gaat, waggelt zijn gat zo hard dat het lijkt alsof hij de ganse dag heeft paardgereden. Nu ziet ge dat niet maar als die stapt krijgt die zij poten niet meer toe.’ Ze probeerde ongeïnteresseerd haar ogen te rollen maar omdat zij een veel slechtere actrice was dan ik proestte ze het na twee seconden toch uit. ‘Gij zijt een grappig baazeke met uw korte broek en uwe grote mond, van waar zijt ge want ik heb u hier nog niet gezien?’ ‘Van over de stationsberg, van aan den overkant van de Steenweg. Zeg, zijt gij die vogels ook niet een beetje moe? Gaat ge met mij niet mee in de rups, ik heb al kaartjes.’ ‘Ja, om mij proberen binnen te doen zeker? Vergeet het maar, daarvoor is uw broek nog veel te kort. Betaal mij liever ne gesponnen suiker, als ge centen hebt tenminste, daarbij ge hebt me nog niet eens gezegd of ge nu een pimpelmees zijt of niet.’ Door die twee gesponnen suikers en die twee appels op een stokje was mijn kermisbudget een uur later al met een vijfde gesloken. Ik zat precies met een dure vogel op mijn dak bedacht ik en ik moest met mijn resterende veertig frank en met mijn drie jetons nog twee dagen toekomen. ‘Moogt gij karekollen?’ vroeg ik haar goed wetende dat haast geen enkel meisje van vijftien karrekollen lust. ‘Beikes!’, was dan ook zoals te verwachten haar antwoord omdat meiskes van standing in die tijd nog niet ‘ieuw’ zeiden. ‘Dat ga ik nooit van mijn leven eten, dat zijn precies dikke snottebellen uit de zee’, zei ze met een gezicht alsof ze die ooit al eens gegeten had. ‘Ik denk ook niet dat gij dat durft’, zei ik heel zelfzeker omdat ik wist dat ik met dat doordacht manoevre een lijn uit smeet ik waarmee ik in het Vrijbroekpark al dikkere karpers had bovengehaald. ‘Wat krijg ik als… , en ik zeg wel als ik dat toch doe?’ En ze liet die als klinken alsof de beloning er niet mee toe deed maar wel alsof ze tegenover een brutale snaak in korte broek geen gezichtsverlies wou leiden. ‘Ge moet met mij niet durven of doen spelen als ge dat niet wilt he, ik zou het niet op mijn geweten willen hebben dat ge straks ziek wordt …’ Ik kreeg de kans niet om mijn zin met ‘..in de rups’ af te maken want ze onderbrak me met een vastberadenheid alsof ik al haar dapperheid en pit met mijn opmerking in vraag had gesteld.  ‘Peisde echt dat ik dat niet durf, zeg het maar he, wat krijg ik of durft gij niet meer misschien?’ Ik toonde haar mijn jetons van de botsauto’s en de kaartjes voor de rups en zei, ‘als ge dat wilt kan ik u vandaag vrijhouden, ge moogt overal mee in waar ik in ga en ik wil er zelfs nog een kaartje van het spookhuis bijdoen, maar dan moet ge wel op die slakken bijten en ze niet zo maar doorslikken.’ De karrekollen kraakten tussen haar kiezen zoals zand dat doet wanneer je slecht gewassen mosselen proeft. Door het speels geplaag was de romantische spanning de hele middag naar een climax opgevoerd dus wisten we geen van beiden wie de weddenschap nu gewonnen had en wie ze verloren had. Toen in de krakende houten rups, tijdens het vierde rondje dat achterwaarts gereden werd de groene kap dicht viel en ze in mijn oor fluisterde dat ze hoopte dat ik een pimpelmees was, had ik nog veertien frank en vijfentwintig centiemen.

jan pultau
0 0