Lezen

Sunshine

  Het is nog donker wanneer ik de deur open van de woonkamer.Twee fosforescerende ogen kijken me geboeid aan. Ik zie vaag een langer wordende witte streep met aanhangsel. Een witte pluim zwaait op het snelle ritme van een onzichtbare metronoom. Heel de witte gedaante komt op mij af en verhindert verdere stappen. Mijn benen worden door de metronoompluim gegeseld, de witte streep leunt zwaar tegen mijn knieën tot ik me buk en graai in de zachte, warme pels van ons harig familielid. Onze Golden Retriever die de naam Sunshine van mij meekreeg. Ik wou een ‘hondje’ en ging samen met mijn echtgenoot kijken naar een nestje Golden Retrievers. De broertjes en zusjes van een ondeugend hondje lagen samen te doezelen in een grote mand en keken met slaperige oogjes naar de zoveelste bezoeker die soms één van hen meenam. De ondeugende pup liep achter de kweker aan om speels in zijn pantoffels te bijten. De man glimlachte geamuseerd en beval het hondje vriendelijk los te laten. Het beestje keek schalks naar de man en week achterwaarts terug om plaats te maken. De voorlopige baas van het nestje zette de deugniet terug bij de andere pups die zo dicht op elkaar lagen dat het op een kussen leek met vier hoofdjes.Het beestje keek weinig enthousiast naar zijn slaperige broertjes en zusjes die niet wilden spelen, maar de gedaante over hen gebogen slaakte verrukt hoge zachte kreetjes.Benieuwd kroop het beestje voorzichtig over de andere donzen lijfjes tot bij de bron van het geluid. De onbekende stak een hand uit naar de snuffelende jonge avonturier en aaide hem zachtjes. De vrouw werd vervuld met een tederheid die het beestje aanvoelde, aanmoedigde om tot dicht bij haar te komen. Twee handen sloten zich rond het kleine lijfje om hem teder tegen haar borst te houden.De armen voelden warm aan en de pup hoorde het hart, net als bij zijn moeder, geruststellend kloppen. Het zuchtte tevreden en sloot de oogjes om te gaan slapen. Het hondje werd wakker toen een pluche deken hem verder induffelde. Het hoofdje draaide om naar het nestje pups dat verder sliep terwijl de gedaante een paar woorden tegen de kweker zei: “Sunshine. Ik noem hem Sunshine. Zo een vrolijk speels beestje laat me aan het zonnetje in huis denken. Het avontuur begon. Onze nieuwe aanwinst bleek een heel pienter hondje te zijn. Hij kon achteruit lopen, herkende dankzij een aantal koekjes de bench als zijn veilige haven en leerde alleen slapen. Zonder aandacht te geven las ik in stilte een boek tot hij rustig sliep en na drie dagen geduld ging hij probleemloos slapen. Janken deed hij niet en ‘begreep’ binnen de kortste keren een aantal commando’s. Sunshine junior leerde vlot maar werd dikwijls het slachtoffer van zijn enthousiasme met een plasje tot gevolg.Zijn blaas en darmen gingen namelijk sneller dan zijn pootjes de trap konden aflopen.We bezitten een open trap wat voor een dergelijk klein ukje beangstigend moest zijn. De eerste keer dat hij zelf naar beneden liep ging ik hem trap voor trap voor, hem met zachte woordjes en zijn naam aanmoedigend tot hij met zijn pootjes vaste grond bereikte. Dan prees ik hem uitgebreid en gaf hem nog iets lekkers. Eten is voor onze viervoeter altijd een goede drijfveer geweest, wat ons inzicht in zijn psychen vergrootte; hij dacht namelijk na met zijn maag. Sunshine junior wist dat hij alles netjes op sprietelige groen tapijt buitenhuis moest doen, stal ieders hart en maakte geen verschil tussen zijn speelgenootjes; volwassenen, kinderen, honden en zelfs poezen. De kattenliefde bleef spijtig genoeg niet duren toen hij een exemplaar tegenkwam met een antipathie voor honden.De vrolijk kwispelende staart kon de poes niet vermurwen die met ingetrokken nagels hem een paar snelle tikken op de gevoelige neus gaf. Nu nog zal hij een poes gerust laten als ze rustig blijft zitten, maar geblaas of weglopen, maakt zijn jachtinstinct wakker.Een hond dient binnen de twee minuten zijn bak leeg te eten, Sunshine deed het op één en sloeg alle records. Geduldig, zonder schooien bleef hij liggen tot we gedaan hadden met eten en wachtte op het commando om te beginnen eten. Na al die jaren is zijn timing beter; hoort hij het bestek niet meer in de borden, komt hij naast mij zitten en kijkt me veelbetekenend aan. Dan leg ik mijn oor te luisteren en vraag: beetjes?Wat zoveel betekent als brokken en geeft me dan zogenaamd antwoord door in mijn oor te blazen.Lig ik ziek in de zetel, komt hij naast me liggen en komt na een tijdje eens poolshoogte nemen. Doen alsof ik slaap wordt vakkundig onderuit gehaald. Eerst legt hij zijn hoofd op mijn buik, vervolgens op mijn borst en als dat niet helpt steekt hij zijn natte neus in mijn oor. Hij mag niet op de zetels dus af en toe kom ik op zijn mat liggen en kruipt hij dicht tegen me aan, nog het liefst met zijn kont naar mijn gezicht. Als hij losloopt waar het mag moet ik hem zelfs niet roepen, Sunshine houdt netjes zijn baas in het oog en komt als ik “hier” roep. Heeft het geregend dan schudt hij zich in huis niet uit, blijft wachten op de handdoek die hem afdroogt. Juist boven zijn staart heeft hij het liefst. Ondubbelzinnig legt hij dan zijn hoofd en voorpoten op de grond en steekt zijn achterwerk de hoogte in. Een Golden Retriever met een witte vacht, soms als een zwart-wit foto, wanneer hij weer eens in de sloot heeft gezeten. Naar gelang de diepte van het water heeft hij zwarte sokken of een zwart lijf. Gelukkig heeft hij een zelfreinigende pels, wat anders een probleem zou zijn vanwege zijn hekel aan de tuinspuit, maar wel te pas en onpas in een plas gaat liggen als hij het te warm krijgt na het lopen.Geef mijn man of de kinderen mij een knuffel komt hij er kwispelend bijstaan totdat we hem in de kring toelaten. Een echte hechte roedel met mezelf in de hoofdrol. Als donzig klein, speels ding liet hij ons dikwijls lachen. Nu is het ondenkbaar dat hij er niet bij hoort. Zijn liefde onvoorwaardelijk, zijn trouw onwrikbaar en zijn steun onmisbaar. Ik wu een hondje… en kreeg een engel in witte vacht.

Fanny Vercammen
0 0

op naar zoutelande!

Emma gaat met haar vriendje Mees 4 weken  naar zoutelande, vlak bij de zee en het strand super gezellig toch!! Ze gaan naar de tante van Emma en ze mocht een vriendinnetje meenemen Mees natuurlijk. Ze gaan naar hun tante tante Lisa. Ze is super lief maar knettergek!! De dag is aangebroken Emma wordt wakker ze is heel blij, vandaag gaat ze naar zoutelande!!! Eenmaal gegeten gaan ze op weg,maar een kwartiertje rijden dat is toch niet zo  veel vindt Emma. Ze doen heel veel leuke dingen naar het strand en naar de patatboer. Schelpen zoeken en varen. Emma en Mees vervelen zich heel erg ze gaan naar de zolder daar is altijd heel veel te beleven vindt emma ze gaat vaak bij tante Lisa langs. Ze gaan naar biven en neemt  Mees natuurlijk mee.  Als ze boven zijn loopt Emma gelijk naar de kist ,  met de spullen van vroeger. Daar liggen zo veel verkleedspullen. Emma doet een lange jurk aan en Mees is een boer zij loopt met haar  klompen over de zolder. Emma wil iets leuks doen dus ze pakt pen en papier. Ze schrijven een  brief :wij zijn ontvoerd Duinweg  6 redt ons..... Emma en Mees   Een uur later gaat de bel  tante Lisa roept Emma en Mees bij de deur staat een man hij zegt zo dames dus jullue zijn ontvoerd, ik denk door deze dame hier, hij wijst naar tante Lisa, Emma durft niks te zeggen ze kijkt naar Mees. Maar die durft ook niks te zeggen. De man zegt ik ben inspecteur  Bas, ik werd gebeld door een angstige vrouw.  Maar ik neem deze vrouw wel even mee naar boen, als ze later weg zijn z3zegt  Emma ik weet wat er is zij pakt de camera en samen gaan ze naar alle kamers ze zien niemand maar op zolder horen ze de trap kraken. Emma loopt samen met Meesde zoldertrap op dan maakt ze gauw een foto, jahoor  daar zijn ze inspecteur Bas en tante Lisa . Aan het zoenen  betrapt roept Emma, inspecteur Bas zegt goed gedaan speurneus! !! Ik ben geen inspecteur maar ik ben een kunstenaar ik heb een eigen atelier kom maar mee kom zegt hij, daar zijn ze bij een atelier vlakbij een boerderij hij zij ik houdt van koeien Emma zegt van die beesten kan je toch niet houden . Jawel hoor kom maar mee, als ze bij de koeien zijn zegt hij :dag dames . Ze komen allemaal  op hem afrennen, hij aait ze en klimt in de box. Later geeft hij hun een workshop  schilderen . Na 3 weken komen hun ouders en dan gaan ze met ze alle naar het strand de vier weken zijn al weer gauw om. Het was leuk maar ze moeten weer naar school         dit was het einde van mijn verhaal    groetjes maddy

maddy
0 0

De baas

De baas door Sandra J. Paul   In mijn caravan ben ik de baas. Hier beslis ík wat er gebeurt. Het ding dateert uit de late jaren tachtig, toen ik het nog in mijn hoofd haalde om op vakantie te trekken naar een goedkope camping, om te eindigen tussen een stel dronken Nederlanders. Jarenlang heb ik er niet naar omgekeken, stond het te verkommeren in een hoek van onze verouderde tuin, verstopt achter grote, onverzorgde haag. Vandaag, in deze kleine ruimte met zijn afbladerende muren, sijpelend vocht en een toilet dat niet meer doorspoelt, ben ik heer en meester. Zijn piepkleine, lekkende douche kraakt wanneer ik over de plastic vloer heen en weer stap. De raampjes kreunen onder hun versletenheid, de bank zit ongemakkelijk door de uitstekende springveren die steevast in mijn rug duwen. Maar ik zou er niets aan veranderen, ik ben het zo gewoon. Het ruikt muf, naar jarenlange stilstand en hondenpis, toen de wilde beesten van mijn buurman nog door het grote gat in de gemeenschappelijke haag op ons terrein geraakten en de open deur misbruikten om hun behoefte te doen tegen de kasten, op de zetel en zelfs op het aanrecht. Het doet me denken aan die verstikkende avonden op de camping, halverwege de jaren negentig, aan momenten dat het zo hard regende dat je zelfs niet onder het matte, duffe zeil kon schuilen maar verplicht werd om via een piepkleine TV naar een of ander storend Frans kanaal te staren, tegelijkertijd luisterend naar de luidruchtige buren die van jetje aan het geven waren. Het was de tijd pre-internet, toen mensen zich nog moesten bezighouden met radio, slechte televisie en boeken. Die tijd waren een afspiegeling van hoe ik me toen al voelde, gevangen door mijn impulsieve beslissing om met mijn jeugdliefde te trouwen. We dachten er zelfs niet over na. Ik vroeg haar ten huwelijk op een plastic terrasstoel die mijn achterwerk pijnigde, terwijl zij dronken van een cocktail naar me staarde alsof ik gek geworden was. Toch zei ze ja, zelfs toen ik geen ring tevoorschijn toonde en op mijn knieën ging. Het klonk à la ‘Euh, wat denk je, zullen we het dan maar doen?’ Deze caravan is het ultieme bewijs van mijn absurde huwelijk. Het is net als onze woning, onafgewerkt, saai en afbladerend. Het is net als de seks die we niet meer hebben, verkommerend in een hoek van onze slaapkamer. En ik weet dat ik even schuldig ben als zij. Maar weet je wat? Hier kan het me niet schelen. Hier, tussen deze vier sobere, sombere muren, doe ik lekker wat ik wil. Want dit is mijn terrein, mijn thuis weg van het huis dat ik haat, dat me herinnert aan alles wat ik had kunnen zijn en nooit ben geworden. Hier ben ík de heer en meester van mijn eigen Midden-Aarde, mijn ultieme Lord of the Rings-universum. Dit is mijn magistrale Gondor, mijn eigen Edoras. Hier ben ik een koning, een heerser, de baas. Hier, en enkel hier, kan ik mezelf zijn. In deze ruimte bestaan er geen managers en deadlines, verplichtingen of verantwoordelijken. Hier moet ik geen hypotheek of rekeningen betalen. Hier ben ik een nerd. Hier kan ik zijn wie ik altijd al was, wie ik wilde zijn na de burn-out die me maanden aan de kant hield. Wie ik niet mocht zijn van haar. In alle kastjes van de caravan, op elke vrije plaats mogelijk, steken honderden dure, kleine beeldjes die ik maandenlang met de hand beschilderd heb. Elke mens en elke elf werd zorgvuldig gecreëerd, alle details werden met liefde aangebracht. Wanneer ik de kasten opentrek, grijnzen ze naar me, klaar voor het ultieme gevecht dat op ons wacht. Maar niet enkel de kastjes zijn rijkelijk gevuld met mijn schatjes, ook het vale, krakende tafeltje, het vreselijk stinkende aanrecht, tot zelfs de douche toe, staan vol. Ik dagdroom van hen terwijl ik achter mijn laptop zit en doe alsof ik luister naar mijn manager tijdens een zoveelste saaie meeting, of programmerend aan een software waar niemand op zit te wachten. Ik denk aan hen terwijl ik na het werk thuis haastig wat voeding naar binnenspeel zonder zelfs te proeven wat ik eet. Ik droom over hen terwijl ik naast haar in bed lig en mijn armen onder mijn hoofd plooi. Wanneer ik wegglijd in de duisternis, kom in terecht in dromen waarin ik deel uitmaak van het gevecht bij Helm’s Deep, ben ik een van de aanvoerders die trots naast Aragorn staat en de vijand trotseert met zijn zwaard in de hand. Zij zijn zo heldhaftig! Maar elke ochtend, als ik ontwaak, voel ik me weer diep teleurgesteld dat het maar een droom was. Ik wil iemand zijn, een man met betekenis en ik weet dat ik dat overdag niet kan zijn. Nee, de belangrijkheid begint hier, in mijn stinkende, oude caravan. Binnen twee weken heb ik een belangrijke afspraak met mijn beste vriend Max, collega-mega-nerd, om de ultieme battle te organiseren tussen onze legers. Hij is even fanatiek bezig aan zijn leger als ik. Hij koos ervoor om een leger van Orcs en Uruk-hai’s te maken. Hij koos voor de duisternis, ik koos voor de goede kant.  Zodra we het gevecht aangaan, gooien we letterlijk alle remmen los. Ik word de heer en meester over mijn legers, beeld me in dat ik Aragorn ben en hij wordt Sauron. We vechten tot de dood, tot een van onze legers het zal opgeven. Ik verheug me hier al zes maanden op. De datum is geprikt, de deadline om mijn leger klaar te stomen, mag niet overschreden worden. Elke dag doe ik minutieus verder, met D-Day voor ogen. Geen minuut mag ik verliezen, alles is perfect uitgeteld. Ik heb de routine nodig om mezelf onder controle te houden, om die oude, vertrouwde angsten niet opnieuw te voelen. Om te verhinderen dat een paniekaanval me zes maanden in de tijd terugstuurt. De burn-out was maar een teken aan de wand, een signaal van het grotere, achterliggende probleem. Ik ben tweeënvijftig jaar oud, heb dertig jaar gewerkt en ben het bedrijf waar ik voor werk kotsbeu. Alles wordt bepaald voor me, ik heb geen enkel beslissingsrecht. Op kantoor doe ik wat anderen van me vragen, thuis doe ik wat mijn vrouw eist. Zij gelooft niet in burn-out, heeft me na een paar weken ziekteverlof teruggestuurd naar kantoor omdat ik thuis toch maar wat zat te suffen. ‘Wat moeten mensen wel niet zeggen? Hoe kan ik iemand ooit vertellen dat mijn man op het ziekenfonds leeft omdat hij beweert moe te zijn? Komaan, Jan. Zo werkt het niet.  Ik werk, jij werkt, wij werken allemaal. Zo is het nu eenmaal. Lanterfanters worden niet getolereerd in dit huis.’ Haar scherpe woorden waren vreselijker dan een mes in de buik. Ze toonde geen greintje medelijden. Dus ging ik veel sneller dan ik in staat was terug aan het werk en sprak wekelijks met de bedrijfspsycholoog die doorhad dat er echt wel iets mis was met me. ‘Je moet een hobby zoeken,’ raadde hij me aan, ‘iets dat je buiten je vrouw om kan doen, buiten je dagelijkse omgeving. Iets waar je haar niet voor nodig hebt, waar zij je niet kan domineren.’ ‘Ik heb geen hobby’s,’ mompelde ik als antwoord. Mijn wederhelft gunde me immers geen greintje rust. Als ik thuis was, moest ik in de tuin werken, een of andere kamer opruimen of schilderen. Denk aan je jeugd, wat vond je leuk? Waar haal jij je plezier uit?’ Ik keek op en zei, ‘The Lord of the Rings, dat is mijn grootste en fijnste jeugdherinnering. Ik was gek van die boeken.’ ‘Misschien kan je die passie wel terug vinden. Zoek in je ziel naar wie je was als kind, herbeleef het plezier dat je toen had. Je kunt het, Jan. Je bent nog veel te jong om je zomaar te laten gaan. Je moet jezelf heruitvinden.’ En dat deed ik. Ik vond mijn beduimelde boeken terug op de zolder van mijn moeder, herlas ze en keek naar de films wanneer mijn vrouw niet besliste wat er op televisie kwam. Na vijf minuten mompelde ze meestal dat ze het maar kutfilms vond en zette de film af. Maar ik hield vol en genoot van elke vijf minuten die ik kon winnen. De avonden dat ze van huis was, hoe weinig ook, herbekeek ik de Dvd’s tot ik elk detail van elke film kende. Ik droomde ervan, voelde me gesterkt door de menselijke verhalen achter de films en boeken. Terwijl ze naast me sliep, herlas ik ze tot ik elk detail, inclusief de appendices, uit het hoofd kende. Dan ging ik online en vond groepen over de films en de boeken, hoorde over clubs en de georganiseerde battles. Ik leerde Max kennen die me introduceerde in de wereld van de minifiguurtjes. Ik begon moediger te worden, zei mijn vrouw dat ik een hobby had gevonden en dat de therapeut me dit aanraadde. Ze belde hem zelfs op om dit te bevestigen. Toen ze hoorde dat ik gelijk had, gaf ze toe. ‘Maar je doet die smerige hobby van je niet in huis.’ Vanaf dan begon ik me zoveel mogelijk terug te trekken in mijn caravan. En telkens ik dat deed, wanneer ik een fijn figuurtje in mijn handen hield, verkleumde vingers of niet, voelde ik me tot rust komen. Dit is wie ik ben, wat ik doe, wat ik kan. Niemand, ook zij niet, kan me hier domineren. Ze zeurde over het geld dat ik uitgaf maar liet het toch toe, wellicht omdat ze goed genoeg wist dat ik de grootste broodwinner in huis was en zij de helft van haar inkomen uitgaf aan haar veel te uitgebreide garderobe. Ik focus me met een geconcentreerde grimas terwijl ik het vierhonderd-en-drieënveertigste beeldje afwerk. Een beetje geel hier, wat rood daar en zwart voor het haar van Aragorn, mijn ultieme koning. Trots leg ik het kleinood neer en bekijk het met nauwkeurige blik, vastberaden elke fout te vermijden. Max zou me uitlachen als er iets niet klopte met Aragorns ogen. Hij is mijn belangrijkste figuurtje, het moét tot in het laatste detail in orde zijn. Al wat nog ontbreekt, is een stipje wit hier en daar ter afwerking en Lord Aragorn ziet er perfect uit. Ik grijp blindelings naar het potje witte verf en verstom wanneer ik me realiseer dat het volledig leeg is. Zelfs schrapen lukt niet meer, het is gewoon op! Bezorgd kijk ik op, volledig uit mijn concentratie gerukt door deze schokkende conclusie.  Nee, dat kan niet. Er moet nog verf zijn, ik heb geen tijd om naar de winkel te gaan. Ik verlies er teveel tijd mee. Aragorn moet vandaag af, dat was de afspraak. Anders is mijn planning in de war, ik mag die niet negeren. De caravan schudt wanneer ik moeizaam opsta en naar de kleine, vermolmde kast met afbladderende witte verf stap in de hoop daar nog een restantje verf in een vergeten potje te vinden. Mijn knie stoot voor de tiende maal vandaag tegen de scherpe tafel die volstaat met witte en gekleurde figuurtjes. Ik vloek en hou me vast terwijl ik een wankele poging doe over de pijnlijke plek te wrijven. Een tiental figuurtjes vallen tegen de grond. Ik vloek wanneer ook mijn nog niet-gedroogde Aragorn op de vloer dendert en buk me haastig om het kostbare ijzeren beeldje op te rapen. Een duizeling door de plotse beweging wordt gevolgd door een bruuske kopstoot tegen het kastje boven me.  De deurtjes vliegen open en nog meer legers vliegen eruit en bekogelen me met hun scherpe, ijzeren randjes. Wanneer ik vloek en me haast om er nog een paar te redden, kieper ik door mijn onvoorzichtigheid ook nog eens de inhoud van het opklapbed tegen de grond. In het stof, tussen de verfvlekken en vuil liggen ze naar me te staren, hun gezichten verontwaardigd door de oneervolle behandeling die ik hen gaf. Teleurgesteld en kwaad staar ik naar de ravage, me realiserend dat ik hierdoor een serieuze achterstand op loop. Ik stoot hard met mijn grote voet tegen het laagste kastje wanneer ik de boel bij elkaar begin te rapen. Een grondige vloek ontsnapt mijn mond. Met een vod veeg ik elk kleinood zorgvuldig af. Aragorn is duidelijk boos op me, hij staart zo kwaad dat ik weet dat ik hem onrecht heb aangedaan. ‘Sorry maat,’ mompel ik. ‘Het geeft niet, baasje,’ fluistert hij terug, zijn stem vriendelijker dan zijn gelaat. ‘Je bent goed bezig.’ Dan vliegt de deur plots open. Mijn vrouw stompt binnen en staart maar me alsof ik gek geworden ben wanneer ze zich realiseert dat ik tegen mijn beeldje aan het praten ben. Dit is mijn terrein, denk ik kwaad, maar zeg niets. ‘Ben je nu ook al doof geworden? Ik heb je al vijfmaal geroepen om te komen eten.’ ‘Eten?’ Ik kijk verrast op met een haastige blik op mijn horloge. ‘Het is nog veel te vroeg!’ ‘Je bent al een kwartier te laat, Jan. Ben je nu nog niet klaar met die stomme beeldjes? Ik heb intussen al gegeten. Als ik op jou moet wachten, verhonger ik.’ ‘Zet het maar even in de microgolf,’ mompel ik afwezig, mijn blik op mijn figuurtjes gericht. ‘ik moet eerst Aragorn nog afwerken.’ Ze werpt een giftige blik op Aragorn die in mijn hand rust. ‘Whatever, idioot.’ Voor ik nog iets kan zeggen, draait ze zich om met een grimas die mensen compleet kan vernietigen en stompt naar het huis. De zon heeft intussen plaats gemaakt voor een stevige aprilse regenbui. Ik duw de caravandeur verder open. De gazon is zompig van de regen en ik moet erdoor, om een nieuw potje verf te halen en Aragorn af te werken. Ik had Max beloofd vandaag nog een foto door te sturen van het eindresultaat en hij heeft me een Sauron-Selfie beloofd. Als ik die afspraak verbreek, brengt het ongeluk voor onze battle. ‘Ga nu maar snel naar het huis,’ fluistert Aragorn me toe. ‘Ga de verf halen en negeer haar gewoon. Jij bent nog steeds de baas. Vergeet dat niet!’ Ik haast me door de kille regen naar de keuken waar ik met kletsnatte schoenen haar dierbare, witte keukenvloer betreed, om me daarna de trap op te haasten en in de derde slaapkamer door mijn voorraad verf te rommelen. Mijn hart bonst in mijn keel bij de gedachte dat alle witte verf op is, dit kan ik me echt niet veroorloven op dit cruciale moment! Daar is het, het allerlaatste witte voorraadje verf. Nog één potje wenkt me. Haastig trek ik het dekseltje open om te bevestigen dat het nog gevuld is. Ik druk het metalen plaatje achteloos terug en leg mijn duim erover, zodat het niet openvalt. Gelukkig als een klein kind knel ik het waardevolle potje in beide handen en haast me weer naar beneden waar mijn vrouw me opwacht, haar armen over elkaar gekruist, haar blik zo giftig dat ik weet dat ik niet zomaar kan ontsnappen naar mijn paradijs. ‘En mijn vloer dan?’ sist ze. ‘En je eten?’ ‘Ik eet later wel, dat heb ik toch al gezegd?’ ‘Ah ja?’ Ze grijpt het bord dat ze voor me klaargezet heeft met koude worst, rode kool en aardappelen, een klassiek Vlaams gerecht waar ik ooit gek op was. Nu kleeft het vet aan de worst en ziet de kool eruit alsof hij voorgekauwd werd. De zoete geur van appelen dringt in mijn neusgaten.  ‘Ik denk het niet, Jan!’ Afwezig denk ik aan mijn wachtende Aragorn terwijl ik nauwelijks let op wat zij doet. Ze grijpt het bord en smijt het demonstratief tegen haar hagelwitte vloer, net naast mijn voetspoor. Verbijsterd staar ik naar het witte porselein dat uit elkaar spat en mijn middagmaal verwoest. Ze neemt een stap voorwaarts, grijpt het potje uit mijn handen en kwakt het hard tegen de muur. Het dekseltje vliegt over het vuile fornuis en de waardevolle verf  spat alle richtingen uit, druipend over haar blauwe tegels, het marmeren aanrecht, in de wasbak en de grijze kasten. Verbijsterd staren we naar het eindresultaat van haar woede-uitbarsting. ‘Zo,’ zeg ik traag. ‘Dat heb je dan weer prima gedaan. Moet dit me bang maken?’ ‘Bang?’ Ze neemt een stap dichterbij, haar vuisten gebald, haar ogen spuwend van vuur. Ze verandert voor mijn ogen in een helse demon, een furie, een vrouw die zo kwaad is dat ze haast letterlijk duivels wordt. ‘Ik zal je bang maken!’ Haar handen reiken naar mijn keel, haar gemanicuurde nagels graaien als vijlen langs mijn huid. ‘Ik ben het beu, Jan!’ gilt ze. ‘Ik ben jou zo beu! De mensen lachen me uit, weet je dat wel? Besef je wel wat voor een loser jij bent? Ik hou dit niet meer uit!’ Ik knipper met mijn oogleden en staar haar geschokt aan, me realiserend dat ik niet langer in dit huis woon met mijn eigen vrouw maar met mijn aartsvijand.  Voor mijn ogen verandert ze in de ultieme vijand. Zij is Sauron. Het duivelse oog, de vijand, degene die me kapot wil maken. Haar gouden ring glanst in het licht en ik staar er als gehypnotiseerd naar. Ik deins angstig achteruit en duw haar van me af. Ze komt hard tegen het aanrecht terecht, haar stem krijsend in mijn oren terwijl ze me een tweede keer tracht aan te vallen. Haar stem krijgt een duivelse toon. Ik moet me verdedigen, de ultieme battle is nu begonnen! Waar is mijn zwaard? In paniek grijp ik naar een mes uit het houten blok op het aanrecht en steek verdedigend toe, recht in haar hals. Dan steek ik nogmaals en nog een keer, mijn zwaard stevig rustend in mijn hand. ‘Daar,’ sis ik, ‘ik win en jij verliest.’ Ze schuift op de grond, haar rug tegen de kast, starend naar het bloed dat uit haar keel gutst en als een straal over haar kledij en haar benen op de grond stroomt. Ze blijft stil zitten. Maar het kan me niet schelen. Ik heb gewonnen, Aragorn zal zo blij zijn! Ik steek mijn zwaard opnieuw weg, buk me en raap het potje op. Er zit nog voldoende verf in om mijn werk af te maken. Ik draai me om en laat haar achter. Ik bescherm het potje met mijn hand en ren zo door de regen terug naar de caravan, waar Aragorn op me wacht. Zijn legers staren me gelukzalig aan. Rustig concentreer ik me op hem. Een half uur later is hij klaar, starend naar me met een tevreden blik in zijn ogen. Hij is absoluut perfect. ‘Je hebt gelijk,’ fluistert hij zacht. ‘Jij bent vanaf nu voor altijd de baas.’   Einde

Sandra J. Paul
0 0

Politique politicienne familiale

“Dus het maakt wel uit?”   “Ja, maar met mate. Ik bedoel, soms wel, soms niet. Het gaat erom dat je bereikt wat je wil bereiken, ook al betekent dat dat je toegeeft op bepaalde aspecten. Het is niet omdat…”   “Maar dan bereik je toch net niet wat je wil bereiken?”, onderbrak Maarten zijn vader.   Dat haatte Patrick. Dat dat kleine snertjong van nauwelijks 16 (of 17, hij wist het nooit exact moest hij toegeven) hem zomaar onderbrak. Zie hem daar nu  kijken met zijn baardloze gezicht en lichtbruine krullen. Dacht hij nu echt dat hij, omdat hij in het Jongerenparlement (of zoiets toch) zat, dat hij zijn vader, al die jaren gerespecteerd écht parlementslid bij een roodblauwgeelachtige partij, eens kon gaan vertellen hoe politiek in mekaar zat?   “… en dan gaat het er toch om na te gaan wat je wil en daar vol voor te gaan”, ging Maarten verder. Hij stopte “Papa, je luistert niet!”, verhief Maarten zijn stem. Er klonk opkomende kwaadheid en ongeduld in door.   “Jawel, jawel”.   Patrick zuchtte. Hij voelde zijn eigen kwaadheid opkomen, maar zorgde ervoor dat zijn gesprekspartner het niet zag. Dat was zijn grote kracht. Hij had al vroeg geleerd dat je kwaad maken een eigenschap in de politiek was die enkel tegen je gebruikt werd. Vroeger was dat misschien anders, in de tijd dat rode vakbondsmannen of noeste sprekers op omgekeerde kisten met de vuist in de lucht opriepen tot een wilde staking of hun theorie weids debiterend naar voren brachtten. Nu was dat anders. Nu was kalmte een deugd; zeker in overbelichte mediadebatten.   Hij ging achterover leunen in zijn bruine fauteuil en raspte met zijn linkerhand over zijn beginnende stoppelbaard. Hij greep naar het salontafeltje dat links van hem stond en nam een pakje sigaretten.   Maarten sprong op: “hey, dat mag niet” “Dat is verboden”.   Patricks gezicht vertrok. Hij wist dat hij nu het gesprek moest starten, anders was hij bij voorbaat verloren. Maarten was echter eerst:   “We hebben er met het Jongerenparlement zo hard voor moeten knokken, maar het is gelukt. Het is verboden te roken in het bijzijn van kinderen. Dit kàn niet meer!”. Bij de laatste zin wees hij met een priemende vinger richting zijn vader.   Rottig, rottig puberkind. Je kindzijn uitspelen in wat een volwassenendebat zou moeten zijn Zie hem daar staan met zijn blauwe kaptrui. Is dit nu de toekomst? Patrick was er nog altijd niet goed van. Hoe is hij er in godsnaam in geslaagd om dat door het Parlement te loodsen? Het echte dan welteverstaan. Ah, ja met de hulp van zijn vader, die natuurlijk niet anders kon dan de oproep van zijn zoon steunen. Het feit dat hij rookte was minstens een publiek geheim en bovendien zouhet politiek ook heel dom geweest zijn om zijn zoon openlijk tegen te werken. Slecht voor de politieke reputatie.   Hij wou hem slaan. Loeihard. Maar dat mocht ook al niet meer. Wie vond die gekke regels eigenlijk uit?   Het was een smerige zet van zijn zoon. Hem misbruiken. Onder de gordel. Die sigaretten was het laatste echt leuke verzet dat hij had, nadat zijn vrouw hem had verlaten na een slag in het gezicht na één glas teveel. Al zijn politieke invloed had hij moeten gebruiken om ervoor te zorgen dat hij het hoederecht kreeg.  Een klein beetje moddersmijten kwam er ook aan te pas. En wat geld. De smerige trut. Maar zo kwam hij wel over als een echte goede vader. Hij, die als vader als een betere ouder wordt beschouwd dan de moeder. Dat moet pas een goede man zijn. Het had hem in ieder geval veel stemmen opgeleverd.   “Ik bedoel, heb jij wel een geweten. Jij doet maar. Je zwalpt van links naar rechts. Als één of ander stuurloos schip.” wou Maarten de eerste discussie doen herleven.   Patrick werd woest. En dus werd hij kalm, ijskoud kalm. “Het is mijn taak om te zien wat mijn partij kàn bereiken, niet wat ze wil bereiken. Uiteraard moeten die twee zo dicht mogelijk bij mekaar liggen. Maar het onmogelijke is nu éénmaal onmogelijk. En daar gaan we het bij laten. Ik ga even naar buiten.”   “Roken waarschijnlijk”, zei Maarten op treiterende toon.   Ja, roken. Hij greep zijn pakje sigaretten en ging naar de verandedeur die hij langzaam openschoof. Hij voelde dat hij deze keer zijn kwaadheid niet in rustige actie kon omzetten. Terwijl hij diep inhaleerde, besefte hij nu pas dat hij op juiste wijze had gehandeld. Zoals het een waarlijk politicus betaamt.   Het was een ander gesprek dat hem dat al had doen inzien. Toen ze op een zaterdagochtend samen aan het onbijten waren, verslikte hij zich letterlijk in zijn koffie toen zijn zoon plots een soort mijmerende gedachte begon te veruitwendigen.   “Weet je, opa, die heeft toch meegeholpen met de Duitsers. En…”   “De context was toen anders”, begon Patrick. De uitleg die hij altijd gaf. Hij wou verder gaan, maar Maarten onderbrak hem:   “Maar papa, context is toch maar wat het is. Ik bedoel, context maakt een wazige foto toch juist duidelijker. Door de context zie je dat het mes niet scherp, maar bot is. Maar het blijft toch een mes. En dat geldt ook voor…”   Patrick luisterde niet naar het vervolg, maar kon enkel nog naar zijn mes staren, waarmee hij net zijn pistolet had opengesneden om er een heerlijk stukje Brie de Meaux tussen te steken. Oké, juist. Hij had kaas nog als een soort minderwaardig vervangmiddel voor alcohol en consoorten.   Terug naar het heden komend, nam hij een laatste trek van zijn sigaret. Zo diep mogelijk. Om de rook pijnlijk zijn longen te voelen binnendringen. Hij wist niet wat hij tegen die belachelijke metafoor moest inbrengen op die nochtans zeer zonnige weekendochtend. Niet toen, niet nu. Hij ging terug naar binnen. Hij had de legerwagen in de verte al zien aankomen. Het zonlicht van deze eerste juli schitterde op de groenbruine wagen.   “Jongen”, begon hij, nadat hij terug langs de verandadeur binnenkwam. “Je bent geloprollt.” Huh, keek Maarten op vanuit de zwarte canapé, waar hij net een tijdschrift was beginnen lezen. Trends of zoiets, meende Patrick.   “Gerickrollt?” vroeg Maarten verrast.   “Nee, geloprollt van loprolling.” kaatste Patrick terug. Zijn Engels was niet zo goed.   Maarten legde het tijdschrift weg en deed een tweede poging om zijn vader te begrijpen: “Je bedoelt logrolling, waarbij verschillende partijen tot een alomvattend akkoord komen, daarbij het ene element gebruikend om…”   Patrick werd nu echt kwaad en begon bijna te roepen toen hij zijn zoon voor de zoveelste maal moest onderbreken:   “ik weet godverdomme wel wat het betekent”. Hij kon zich terug beheersen. De bel ging. Patrick deed open. Er stonden twee mannen:   “Is hij klaar?”, vroegen ze.   “Ja”, zei Patrick.   Maarten keek verrast: “Huh, wat is dit?”   “Hoe? Wist je dit niet?”   Een hyperzelfvoldane glimlach maakte zich meester van PAtrick  “Om genoeg steun te krijgen voor jouw domme sigarettenwet heb ik scholen de vrijheid moeten geven om disciplinaire maatregelen op te leggen aan leerlingen die “negatief gedrag” tentoonspreiden, zoals dat dan heet. En raad eens wat jouw school heeft beslist als reactie op jouw subversief gedrag”   Maarten werd bleek. Hij had inderdaad een paar keer teveel de discussie met een leerkracht aangegaan en het woord “kutwijf” iets te vrij naar haar hoofd geslingerd)   Zijn vader keek nu echt triomfantelijk. Het was bijna eng om naar te kijken.   “Twee weken op legerkamp!” ging hij verder   “Jaaaaa”, kirde Patrick nu op hoge toon, terwijl hij zijn handpalmen tegen bij elkaar bracht en zijn vingertoppen herhaaldelijk tegen mekaar tikte. “Whoepiiiiee!   “En als ik niet wil?”   “Tja, dan mogen ze je verplichten om heel de zomervakantie elke weekdag vier uur beschikbaar te zijn voor hen. Your call, son.”   Maarten smeet een intens hatende blik richting zijn vader.   “Ah, het gezicht van de nederlaag, heerlijk”, dacht Patrick in zichzelf. Bij een doorwinterde politicus of een peuter van 16 (of 17, hij was er nog steeds niet uit), eigenlijk deed het altijd deugd.   Maarten liet zijn blik niet los, op het moment dat hij met zijn gepakte zakken door de voordeur naar buiten stapte. “Hoe slaap jij ‘s nachts” vroeg hij nog aan zijn vader. Die knipoogde enkel terug. Een triomfantelijke glimlach begeleidde de knipoog.   Nadat de legerstoet was vertrokken, ging Patrick opnieuw rustig in de rode fauteil zitten en stak een sigaret op. Een geweten of een sigaret. Hij was er nog altijd niet uit wat het beste smaakte. Het laatste gaf in ieder geval een stuk sneller voldoening. Net als de volle glazen 33cl-bierfles die ijskoud in de koelkast op hem stond te wachten.   Het was een mooie dag. Misschien moest hij gewoon even buiten gaan roken. Dan stonk het hele huis niet zo.  

josvermeulen
0 0

Verstrikt.

Het is al laat als ik van de repetitie naar huis fiets. Een waaier van kleine druppels slaat op mijn gezicht terwijl ik mijn tekst repeteer. ‘Dan is de dood als een verliefde omhelzing, die pijn doet en verlangd wordt.’ Het lichtje van mijn fiets knippert fel zodat weggebruikers me zien komen nog voor ik er ben. ‘Los u op in regen, zware wolk, dan pas kan ik zeggen: De goden zelve wenen.’ Ik fiets de hoek om, bijna thuis, als ik een jongen op de stoep zie liggen. Snel kijk ik om me heen, niemand. Alleen die roerloze jongen op het voetpad. ‘Meneer.’ ‘Meneer, gaat het?’ Stomme vraag, hoe zou het gaan als je in de kou voor dood op het voetpad ligt maar er schiet me niks gepaster te binnen.   O, kan je spreken, ik hoor, hoe je de grote Caesar voor kortzichtige ezel scheldt.   Zou hij dronken zijn, of gedrogeerd? Een jongen, ergens tussen de 25 en 30 jaar, krijgt toch geen hartaanval? Stilte, enkel het lichtje knippert haastig verder. Mijn fiets laat ik midden op de weg achter en loop voorzichtig naar de jongen toe. Bloed! Zijn hoofd bloedt een beetje, zou hij geslagen zijn, gevochten? Ik kijk rond, niemand te zien, geen mogelijke aanvaller.   Wees trots nu dood, want in uw armen rust de heerlijkste...   Dan komen twee mannen de hoek om lopen. ‘Kom snel, er ligt hier iemand’, mijn stem klinkt hoog. De mannen kijken weg en lopen stevig door. Bel een ambulance, denk ik, ja maar, is dat wel nodig? Wat denk je zelf? De politie misschien? Slimmeke, die kunnen toch ook niks anders doen dan de ambulance bellen.   O kom dan, snel voleind, ik voel je nauwelijks.   Onhandig grabbel ik met mijn handschoen in mijn tas, steek mijn hand in mijn mond om met mijn tanden de handschoen van mijn hand te trekken en zoek opnieuw. Niks, geen gsm, verdomme thuis laten liggen. Snel kijk ik om me heen, er is niemand te zien. Als ik nu gewoon doorfiets, doe alsof ik niks gezien heb. Een jongen op straat, vast te veel gedronken, niks aan de hand. Schichtig kijk ik om me heen en loop naar mijn fiets die trouw knipperend op me staat te wachten.   Op deze vuige wereld, o, vaarwel.   Ik trap de laatste straten als bezeten naar huis.   Zullen deze handen ooit nog rein zijn?   ‘Je bent laat, hoe ging de repetitie?’ Mijn man staat in de keuken met de waterkoker in zijn hand. Ik sta te hijgen terwijl mijn natte jas een plasje maakt op de vloer. ‘Goed, ik kende mijn tekst’, een flauwe glimlach om mijn lippen. ‘Hard gefietst precies, wil je thee?’ Ik knik, whisky zou beter zijn maar thee is goed. In de verte hoor ik het gejank van sirenes, ik blaas overdreven de damp boven mijn kopje weg. Mijn man heeft de televisie aangezet maar ik zie enkel de jongen op het natte voetpad liggen. Hij ademde toch nog? Ja, hij ademde nog dat had ik gezien, het leek alsof hij rustig lag te slapen. Met mijn knieën hoog opgetrokken houd ik de kop thee met twee handen vast om weer warm te worden. 22:30, sirenes die wegsterven doorheen het gelach op tv. Hij is weg. ‘Ik ga naar bed’, ik voel me plots oneindig moe alsof ik door modder naar huis ben gewaad met benen trillend van inspanning.   Met mijn ogen dicht lig ik in bed, al uren. Als ik doe alsof, zal mijn lichaam wel volgen, dat hoop ik toch. In mijn hoofd is het kermis, woorden rollen over elkaar en stuiteren van de ene naar de andere kant.   Ik heb nog nooit zoiets gevoeld. In mijn buik. Alsof er iets zat. Iets zat daar ineen gekruld klaar om zich over mijn lijf te verspreiden.   Mijn hand ligt op mijn buik te verdrinken in angst. De koplampen van een enkele voorbijrijdende auto laten een streep van licht over het pikzwarte plafond glijden. Naast me hoor ik het zachte monotone gesnor van mijn man die op zijn rug in slaap gevallen is. Normaal zou ik hem allang een duw hebben gegeven waarna hij zich op zijn zij gerold zou hebben. Maar nu ben ik dankbaar met het tevreden gezoem dat een contrasterende soundtrack is bij de beelden die ik maar blijf zien als ik mijn ogen sluit.   Uiteindelijk moet ik toch in slaap gevallen zijn. Het wordt altijd morgen; dat is een zekerheid, tenminste voor mij. Hoe zou het zijn met die jongen? Mijn ogen zijn nog maar net open als de levenloze jongeman mijn gedachten weer beheerst. ‘Dag liefje, fijne dag’, mijn man kust me vluchtig op mijn mond en trekt de deur achter zich dicht. Ik schenk nog een kop koffie in en klap mijn laptop open, Google, regionaal nieuws.   Mijn hart klopt zo snel hierbinnen.   Niks te vinden over een jongen op straat, dood of levend. Zie je wel; hij is vast gewoon opgestaan en naar huis gegaan. Ik verwacht opluchting maar een kritische stem in mijn hoofd wijst me terecht. Geloof je het zelf, gewoon naar huis gegaan pffffff. Ik kan het ziekenhuis bellen om te horen of er gisteren een jongen binnen gebracht is. Ja, dat lijkt me een goed idee. Welk ziekenhuis is hier het dichtbij zijnde? Wat moet ik vragen? Er worden op een avond zoveel jongens binnengebracht op de spoed met bloed aan hun hoofd. Toch? En wat als ze mij verdacht vinden, als het geen ongeluk was en ik hoofdverdachte ben? Ik drink het laatste restje koude koffie op en moet me haasten, over een half uur begint de repetitie. Even laat de jongen me met rust, dank u wel.   ‘De lucht in; en wat een lijf scheen loste op als adem in de wind.’ ‘Was dat waarvan wij spreken werkelijkheid, of hebben wij die giftige plant gegeten die het verstand gevangen zet?’   ‘Luider praten, de vijfde rij kan je niet horen’, de regisseur schuift geërgerd zijn bril terug op zijn neus. Het schiet niet op, bij alles wat ik doe komen er aanwijzingen, verbeteringen en de première is overmorgen al. Ik lijk maar geen grip te krijgen op mijn personage. ‘Opnieuw, vanaf het begin.’ Zijn stem zal zeker te horen zijn op de vijfde rij, ik steek mijn tong denkbeeldig uit. Kom op, concentreer je, vermaan ik mezelf. De dag duurt lang, oneindig lang, ik wroet me door teksten die uit losse betekenisloze woorden lijken te bestaan. ‘Oké, we stoppen ermee voor vandaag’, de regisseur klapt zijn map dicht. Ik ben kwaad op mezelf, een verloren dag. Snel pak ik mijn spullen, ik wil naar huis, slapen. ‘Lies, dat kan beter, he’, hij kijkt me streng aan over zijn bril. ‘Ja, sorry’, stamel ik en loop als eerste de deur uit.   Maar kijk wat opgewekt; Benauwde blikken werken zeer suspect. En laat de rest aan mij.   Ik fiets naar huis, dezelfde weg als gisteren, dezelfde stoep als gisteren, geen jongen. Een druppel bloed verraadt de tragedie die hier gisterenavond laat heeft plaatsgevonden. Ik slik, een traan veeg ik geërgerd weg, koude wind, altijd tranen mijn ogen van de wind.   Thuis smijt ik mijn tas in een hoek en schenk een glas wijn in. ‘Hoe was het vandaag?’ Ik schrik, ‘oh, ben je al thuis?’ ‘Het ging wel’ ik heb geen zin om te praten. Hij kijkt me aan, zoekt mijn ogen maar ik ontwijk zijn blik en trek de koelkast open. Hij kent dit wel, vlak voor een première ben ik meestal niet te genieten, teveel in een andere wereld waar hij geen deel van uitmaakt. Hij weet niet dat het nu anders is, dat ik de entree van die andere wereld maar niet vind. Kon ik het hem maar zeggen, alles vertellen en dat hij dan zou zeggen: maar meisje toch, maak je niet druk, met die jongen is vast alles in orde. Ik durf het niet, stel je voor dat hij kwaad wordt, hoe ik zo stom had kunnen zijn, waarom ik geen ambulance heb gebeld. Nee, ik wil niet horen wat ik zelf denk. ‘Wat wil je eten? Het licht van de koelkast verlicht mijn gezicht, ik kijk maar zie niks. ‘Ik heb eigenlijk geen honger.’ Zachtjes sluit ik de deur en de spot die mijn gezicht gevangen houdt gaat uit. Zonder verder iets te zeggen loop ik naar boven en ga op bed liggen.   Het gezicht, de ogen gesloten als een onschuldig kind dat op een onhandige plaats in slaap is gevallen. Ik kijk, het ziet er zo vredig uit, een jongen in foetushouding op de grond. Zijn borst gaat zachtjes op en neer, de neusvleugels die bij elke inademing een beetje naar buiten gaan om de lucht naar binnen te zuigen. Zijn armen liggen er wat slordig bij, alsof ze vergeten zijn, achtergelaten door het slungelige lijf daar op de grond. Grote voeten, zeker maat 44 schat ik, met sportschoenen om hard te kunnen rennen. Ik glimlach, ja jongens moeten hard kunnen rennen. Ik kijk naar mijn eigen voeten, een stuk kleiner dan die van de jongen en op hakken, niet gemaakt om hard te rennen. Getver, wat is dat? Mijn voeten staan in een donkere stroperige brei. Met moeite trek ik een voet naar boven, het plakt, draden donker spul hangen aan mijn schoen. Ik zie hoe de plek groter wordt, hoe ze zuigend aan mijn voeten trekt. De koude lucht die gemeen bijt in mijn longen blijft halverwege steken, ik heb het gevoel dat ik stik. Wat is dit, waar komt dit vandaan? Een klokkend geluid, als een fles die wordt leeggegoten boven de gootsteen. Mijn ogen zoeken in het donker. Het is zijn hoofd. Een donkere vloeistof gulpt tussen de zorgvuldig gekamde haren de straat op. Ik wil wegrennen maar mijn voeten blijven waar ze zijn, vastgezogen door dat wat in grote hoeveelheden uit zijn hoofd stroomt. Paniek golft door mijn lichaam, waarbij mijn maag samen trekt en ik kokhals. Help, wil ik roepen maar er komt geen geluid. ‘He, Lies, wordt eens wakker’, ik voel hoe ik zachtjes heen en weer gewiegd wordt, mijn voeten stevig verankerd op de grond. Ik wordt van links naar recht geduwd, steeds harder en dan val ik om met mijn gezicht in de vloeistof. Ik gil en kijk mijn man recht in zijn ogen. Het zweet staat op mijn gezicht en mijn hart klopt alsof het eruit wil springen. ‘Slechte droom?’ hij pakt me vast en aait me over mijn klamme haar. Ik knik en luister naar zijn hart dat als een metronoom geruststellend de maat aangeeft.   Zal ik uiteindelijk rust vinden? Deze dolk zal ik gebruiken om mijn zorgen te verzachten Maar medelijden zegt me tot morgen te wachten Als de zon wegbrandt de ochtenddauw.   Ik slik het kleine pilletje door met wat water. Slapen. Ik wil echt slapen vannacht. De chemie doet zijn werk en binnen het uur ben ik vertrokken in een droomloze slaap.   De lucht hangt vol belofte, ik hoor hoe het publiek zijn plek vindt in de zaal. Nog even en we gaan beginnen. Normaal vind ik dit het heerlijkste moment van de avond. Alles kan nog. Een verhaal dat ontvouwen wordt voor het oog van de toeschouwers. Mijn lijf vol adrenaline dat naar een hoogtepunt gaat en bij het eindapplaus een zalige roes achter zal laten. Nu sta ik achter een onzichtbaar gordijn en ben mijn eigen toeschouwer. Ik zie mezelf staan, in kostuum, ogen die glazig voor zich uit staren. De woorden van de regisseur weerkaatsen in mijn hoofd. Lies, het trekt op niks wat je staat te doen, trekt op niks. Niks. Het kan me niet schelen, niks kan me nog schelen, ik wil naar huis met mijn hoofd onder de dekens, vergeten.   Ze heeft toegelaten dat haar persoonlijke gevoelens haar optreden in de weg stonden.   ‘Lies je moet op’, ik voel hoe mijn medespeelster me een duw geeft en ik struikel het podium op. Een spot schijnt recht in mijn ogen en ik voel hoe ik bevries. Stilte. Ogen, die ik niet kan zien maar wel kan voelen, kijken naar mij, vol verwachting. Mijn mond plakt maar het lukt me om mijn voeten in beweging te krijgen en ik loop naar voren. Ik sta zo dicht bij het publiek dat ik de gezichten van de eerste twee rijen kan zien. Het is doodstil, de lucht lijkt de ruimte verlaten te hebben, niemand ademt nog. Stil, te lang, het wordt pijnlijk gênant. ‘Bastaard, pokdalige lul......’, ik hoor mezelf schelden en publiek ademt weer. ‘Jij’......Dat is hem! Hij, die jongen van de stoep, kijkt me aan met donkere ogen die glanzen. ‘Jij? Het lijkt alsof hij licht geeft en de rest niet meer bestaat. Hij leeft, hier, nu, gewoon voor mij in de zaal. De stilte wordt ongemakkelijk, iemand kucht. Ik scheur me los uit zijn blik, slik de droogte in mijn mond weg. ‘Jij, jij bent geen heer’, mijn stem hervindt zijn kracht. Ik kijk hem recht aan, ‘is er dan niemand die hem op zijn plaats wil zetten?’ Er wordt aan mijn arm getrokken zoals we al zo vaak gerepeteerd hebben. ‘Nee, ik wil bloed zien’ mijn ogen spuwen vuur en ik begin ongecontroleerd te lachen. Met grote stappen loop ik de coulisse in. Hij leeft, hij leeft! Ik voel hoe het betonblok in mijn nek langs mijn ruggengraat naar beneden glijdt. Hoe het personage bezit van me neemt en me meeneemt naar de zestiende eeuw. Ik voel de woorden nazinderen in mijn buik, Shakespeare stroomt door mijn aderen. Ik speel niet meer, ik ben, voor hem, de jongen met de bruine ogen.   Het applaus is oorverdovend, publiek veert recht uit de pluchen zetels en ik laat me mee voeren door de stroom van een geweldige avond.   Hij leeft.              (C) tekst en beeld: Hanneke van de Kerkhof

Miss Blue Sky.
0 1

STOF

Stipt om acht uur ging de bel. Mirthe, zag hij door het kijkgaatje. Ze wilde hem absoluut beter leren kennen, had ze gezegd, ook al was hun eerste gesprekje nou niet bepaald soepel verlopen. Hij besefte ook wel dat Mirthes vraag ‘Heb je huisdieren?’ niet diende te worden beantwoord met: ‘Ja, zilvervisjes’, maar zijn ‘nee’ had veel te lang op zich laten wachten en had aarzelend geklonken, alsof hij het zelf niet zeker wist. Een kat of hond had ze willen horen, liefst een kat, omdat ze die zelf ook had. Overeenkomsten schiepen een band, ook al had iedereen het altijd over ‘elkaar aanvullen’. Gelul. In de liefde, zoals een relatie wel wordt genoemd, telde alleen het herkennen van jezelf in de ander. En zilvervisjes scoorden op dat vlak nu eenmaal niet erg hoog. De meeste mensen vonden ze walgelijk. Vanwege hun onverwachte snelheid, hun prehistorische uiterlijk waardoor ze groter leken dan ze waren, en omdat ze zilverstof afgaven als je ze na het overwinnen van je gruwel onder een tijdschrift had geplet. Vooral dat stof was verontrustend. Wat was dat eigenlijk voor spul? Iets uit een verhaal van Tolkien, waar je wratten van kreeg, of enge zweren. In het begin had Floris dat ook gedaan, zilvervisjes pletten. Of hij zette de kraan flink open als ze zo stom waren om in de wasbak te gaan zitten. Maar iets had zijn weerzin doen omslaan in fascinatie. Helemaal zeker wist hij het niet meer, maar het moment dat hij een uitzonderlijk groot exemplaar op zijn slaapkamermuur zag zitten, vormde waarschijnlijk het omslagpunt. Hij had het diertje met gemak kunnen verpletteren – Het bleef roerloos zitten, op een verder kale muur, zonder enig kiertje of naadje om in weg te schieten in de buurt – maar Floris had het laten leven. Uit dankbaarheid zat het daarna elke avond trouw op hem te wachten als hij naar bed ging. Hij gaf het een naam: Anton. Maar het bleef niet bij Anton. Had het diertje zijn soortgenoten geïnformeerd over Floris’ tolerante houding? In ieder geval kwamen er elke dag nieuwe zilvervisjes bij. En ze werden steeds vrijpostiger. Ze scharrelden in colonnes door het huis en namen niet eens de moeite om weg te schieten als Floris een lampje aanknipte. Het behang vertoonde inmiddels overal gaten en van zijn boeken was niet veel meer over. Ze aten zelfs van zijn krant terwijl hij die nog aan het lezen was. Maar deden ze iemand kwaad? Natuurlijk, Floris besefte ook wel dat het een beetje uit de hand was gelopen, maar een oplossing lag wat hem betreft niet in het verlagen van de luchtvochtigheid, zoals op internet werd gesuggereerd, veeleer in een getalsmatige benadering: de keuze tussen duizenden wezentjes en een enkel individu. Opnieuw ging de bel, langdurig dit keer. Floris wachtte tot Anton en de andere zich uit de voeten hadden gemaakt, greep de laatste roman van Karl Ove Knausgård van het gangkastje en opende toen pas de deur.     Beeld: Grand Foulard

Grand Foulard
0 0