Over Lore Dewulf

Ik ben een moeder die moedert. Ondertussen al meer dan tien jaar. Eerst kwam mijn oudste dochter en daarna mijn jongste dochter (zo gaat dat met rangordes).
Tien jaar moederen, dat valt iets over te zeggen. Het was tien jaar zoeken en vinden. Definiëren en herdefiniëren van het moederschap.
Op loredewulf.be kan u het relaas van mijn zoektocht volgen. Ik schrijf over mijn twijfels en vragen als moeder, over misverstanden en -als het even kan - over overwinningen.
Ik schrijf voor moeders en vaders, voor dochters en zonen. Want opvoeding is onderdeel van elk mensenleven. Is het niet als moeder of vader, dan was het als kind.

Veel leesplezier!

Teksten

over podcasts, grootmoeders en klasfoto's

‘Wiens klasfoto is dit?’. Mijn jongste dochter wijst naar een zwart-wit foto in het huis van mijn grootmoeder. Mijn 89-jarige grootmoeder volgt de vinger van mijn dochter. Ze lacht: ‘dat is een foto van mijn gezin, met mijn mama, papa, broers en zussen’. Mijn oudste dochter komt er ook bij. ‘Die foto is genomen in 1942. Toen werden nog niet veel foto’s genomen. Een gezinsfoto was uitzonderlijk in die tijd. Kan je mij herkennen op de foto?’. Beide dochters wijzen de meisjes op de foto aan, op goed geluk. ‘Ik ben het jongste meisje’. Mijn grootmoeder is de voorlaatste in een rij van elf kinderen.   ‘Er leven nog twee mensen van op die foto, één van mijn zussen en ik’. Mijn grootmoeder heeft vochtige ogen en weemoed in haar stem. ‘Hoe heet je zus?, vraagt mijn oudste dochter. ‘Thérèse? Oh, hoe grappig. Die heet een getal in het Frans’.   Vorige week luisterde ik in mijn hangmat naar Bob, de podcast van Siona Houthuys, Nele Eeckhout en Mirke Kist. Deze podcast dateert van 2017 en is ondertussen al meer dan anderhalf miljoen keer gedownload. Het stond al lang op mijn verlanglijstje en de hittegolf leek het ideale moment om eraan te beginnen. Een waarschuwing vooraf: eens u begint, is er geen stoppen meer aan. De drie vrouwen vertellen in zes afleveringen het verhaal van de 85-jarige Elisa. Deze demente, oude dame woont in een rusthuis en praat over haar jeugdliefde Bob. De kinderen van Elisa kennen geen Bob en hebben nog nooit over deze man gehoord. Stukje bij beetje krijgen we deeltjes van de puzzel aangereikt, deeltjes die deel uitmaken van het ongehoorde leven van Elisa.   Ze slagen erin een intiem portret te schetsen, zonder oordeel en zonder sensatiezucht (een omgekeerde Dag Allemaal, zeg maar). Je voelt hun oprechte interesse en betrokkenheid. Ze stellen vragen zonder de integriteit van de betrokkenen te schaden en vertellen over hun inzichten zonder voorbarige conclusies te trekken. Het verhaal van Elisa ontroert me, omdat het diepmenselijk is. Elisa ontroert me, omdat ze ontwapenend is. Als ze in haar verleden duikt en over Bob praat, lacht ze schalks, als een verliefde jonge vrouw.   Het verhaal van Elisa voert me terug naar mijn grootmoeder. Wat zou zij vertellen mocht ze dementeren. Welk onderdeel van haar leven zou een eigen leven gaan leiden? Welke woorden zouden uit haar mond rollen als ze niet meer gevangen zouden zitten in haar eigen hoofd? Hoe meer ik erover nadenk, hoe fascinerender ik het vind om haar geschiedenis te kennen. Niet om de feiten te kennen, maar om te weten hoe zij was als jonge verliefde vrouw.     Moeder (wijzend naar een foto): dat is zijn jullie bedovergrootouders. Dochter: heb je ook een foto van hun ouders? Moeder: nee. Wat is de naam trouwens van die generatie? Dochter: dat zijn onze oudouders. Verwarrend toch, want jij bent ook al een oude ouder.  

Lore Dewulf
1 0

over bibliotheken, terminals en wildplassen

Ze staat te trappelen. Van opwinding, neem ik verkeerdelijk aan. Of omdat ze niet kan kiezen. Tot ze zegt: ‘mama, ik moet heel dringend…plas-…’. Bij het laatste woord voegt ze de daad bij het woord. Daar sta je dan, zwetend, met een hele stapel bibliotheekboeken in de ene hand, twee kinderfietshelmen in de andere. Eén kleuter die je op milde fluistertoon meedeelt dat haar zus zojuist in de kinderafdeling van de bibliotheek geplast heeft en een andere kleuter die je wijdbeens en beteuterd aankijkt. Ik keer in gedachten terug in de tijd. Waar ik in godsnaam het idee haalde om met die twee kleine kinderen naar de bibliotheek te fietsen. Ik moet niet ver zoeken: ik hou van bibliotheken, omdat ze een belofte in zich dragen. Een bibliotheek oefent een aantrekkingskracht op me uit, net zoals de schermen in de terminals van luchthavens. Ook zij hebben het vermogen om tot mijn verbeelding te spreken. Ze tonen het gemak waarmee onze schijnbaar verankerde levens zouden kunnen veranderen als we op een vliegtuig stappen. Dat vliegtuig kan ons in enkele uren naar een plaats brengen waar niemand onze naam kent. Een nieuwe wereld. Ook in een bibliotheek liggen andere werelden binnen handbereik. Boeken lezen is de puurste en minst destructieve vorm van escapisme. De romantiek, het idyllische plaatje vergeet ik even wanneer ik stapels boeken op een bijzettafel leg, me naar een medewerker van de bibliotheek begeef en haar al fluisterend en wijzend uitleg dat het kinderhoekje, welja, ondergelopen is. Zij is behulpzaam en geeft me materiaal om schoon te maken. Tussen een sip kijkende kleuter (ik wil naar hui-uis, ik wil andere kleren aandoen) en een instructies gevende kleuter (dáár ben je nog een beetje vergeten, mama) probeer ik het kinderhoekje weer kindvriendelijk te maken. Bij thuiskomst worden de boeken gerangschikt volgens kleur. De rode worden het eerst gelezen. Uit het blauwe boek lees ik net voor bedtijd voor. Als ik in bed lig, begin ik zelf aan een nieuw boek. Ik lees de achterflap en denk terug aan ons bibliotheekbezoek. Toen we eindelijk klaar waren met kiezen en kuisen, gingen we met onze boeken naar de balie. De bibliotheekmedewerkster knipoogde naar mij en zei tegen de kinderen: ‘Jullie hebben wel geluk met zo’n lieve mama’. Dat moet de beste ontdekking van de dag geweest zijn, de ontdekking van de wereld ín de bibliotheek.   Moeder: We moeten vandaag naar de bibliotheek. Dochter: Waarom? Moeder: Omdat mijn boeken anders weer te laat terug zijn. Dochter: Zo boeken, zo baasje.

Lore Dewulf
1 0

over turnen, Turkmenistan en machtsmisbruik

Om aan de top te komen is doorzettingsvermogen nodig. Daar is consensus over. Hoe doorzetten gestimuleerd wordt, is niet eenduidig. Gerrit Beltman werkte, samen met andere trainers, volgens de ‘domme koe’- methode. Die methode bestond uit het kleineren, vernederen, bodyshamen, onverantwoord omgaan met blessures (over de omschrijving van blessures kunnen we het later nog hebben, maar ik geef nu al mee dat ‘kruisbanden scheuren’ niet in de lijst staat), slaan, in het gezicht spuwen en ga zo maar door. Mentale en fysieke mishandeling van gymnasten zit ingebakken in de turnwereld. En niet alleen op het hoogste niveau. Jonge meisjes die topprestaties neerzetten zijn bijzonder kwetsbaar. Een ondersteunende omgeving is cruciaal. U hoeft geen motivatiepyscholoog te zijn om dit te begrijpen. Er bestaan verschillende manieren om te motiveren: door factoren buiten de persoon (‘ik ben gemotiveerd omdat ik afgestraft word als ik niet win’) of door factoren binnen de persoon (‘ik ben gemotiveerd om te winnen omdat ik dat zelf wil’). Dat laatste heet autonome motivatie. Uit de schrijnende getuigenissen van vele turnsters is duidelijk dat er geen sprake was van autonome motivatie. De trainer ziet winnen als zijn doel en reduceert gymnasten tot het middel om tot dat winnen te komen. De hele turnwereld stond erbij en keek ernaar. De mea culpa mantra van trainers is nobel, maar ontoereikend om dit probleem systematisch aan te pakken. Veel turnsters hadden na hun carrière traumatherapie nodig. Dit is misselijkmakend. Nu wordt er gegoocheld met ethische commissies en gedragscodes om tot een gezond topsportklimaat te komen. Maar een omwenteling van de heersende cultuur zal meer nodig hebben, zoals een gedegen opleiding voor trainers, waarbij ze kennis maken met de ware toedracht van autonome motivatie en motiverend coachen. Ik maakte laatst kennis met de president van Turkmenistan (niet persoonlijk, maar online, zoals het moderne mensen betaamt). Meneer Berdimuhamedov (moeilijke naam om te onthouden, gelukkig mag ik hem met zijn voornaam aanspreken: Gurbanguly) is niet alleen de autocratische leider van een politiestaat, hij heeft ook een obsessie met winnen. Hij heeft heel wat titels van het Guinness Book of Records op zijn naam staan. Dat gaat van de stad met het grootste aantal gebouwen bedekt met wit marmer, over het grootste indoor reuzenrad, tot het ‘achter elkaar rijden’ van 3246 fietsers. Hij gaf miljarden uit om deze records te behalen, terwijl de mensenrechten in het land ontelbare keren geschonden worden. Rest alleen nog de vraag: wie haalde de mosterd bij wie? De ethische standaarden tussen Turkmenistan en de gymnastenwereld zijn te gelijklopend om toeval te zijn. Bovendien zouden beide partijen geen genoegen nemen met een gedeelde eerste plaats. Daarom een nieuwe wedstrijd: om ter snelst een ethische standaard bereiken die hoger is dan het grootste indoor reuzenrad en die meer turnsters omhelst dan die schamele 3246. Wat er te winnen valt? Een stukje respect en als u geluk hebt ook een fractie van de veerkracht en het doorzettingsvermogen van alle turnsters die deze wandaden moe(s)ten doorstaan.   Dochter (wijzend naar de tv): Waaw, heb je gezien wat die turnster op de balk deed? Moeder: Ja, echt fenomenaal. Dochter: Waarom wrijft die trainer in zijn ogen? Moeder: Hij probeert die balk uit zijn ogen te krijgen.

Lore Dewulf
4 0

over wikipedia, astronauten en Tanja Dexters

‘Heb je een pagina op Wikipedia?’, vroeg hij. ‘Nee? Dan ben je klaarblijkelijk niet belangrijk genoeg’. Ik kon niet uitmaken of hij een grap maakte. Het feest liep ten einde en de betere gesprekken lagen al ver achter ons. Op weg naar huis kon ik maar één ding denken: ik schrijf zélf mijn Wikipagina, om zijn ongelijk te bewijzen. Maar dat bleek niet zo simpel. Dat ik niet in aanmerking kom voor een Wikipagina, kan ik begrijpen, maar ook personen die er wel één verdienen, krijgen er geen. Maak kennis met Donna Strickland, een Canadese hoogleraar Natuurkunde, die tot voor kort geen Wikipagina had. Iemand diende in 2018 een bijdrage over haar in, maar deze werd door een vrijwillige redacteur geweigerd omdat Stickland ‘niet aan de noodzakelijke criteria voldeed’ om gepubliceerd te worden. Later dat jaar won Strickland de Nobelprijs voor de Natuurkunde voor haar onderzoek in de laserfysica. Ze kreeg uiteindelijk wel haar Wikipagina. Je moet als vrouw blijkbaar een Nobelprijs winnen om in aanmerking te komen voor een Wikipagina (Ja, Tanja Dexters, ook hier ben jij door de mazen van het net geglipt, met je Wikipagina en zonder Nobelprijs). De Vlaamse Angelique Van Ombergen is een academicus die in 2019 door Forbes opgenomen werd in de lijst ’30 under 30’. Haar Wikipagina beperkt zich tot het Forbes weetje. Dat kan beter, hoor ik u denken. Zoveel is zeker. Ze deed niet alleen baanbrekend onderzoek naar hoe de hersenen van astronauten zich aanpassen aan een verblijf in de ruimte, ze won verschillende internationale awards, schreef kinderboeken over ruimtevaart en organiseerde ruimtekampen voor kinderen. In 2020 zijn minder dan 20% van de Wiki biografieën van vrouwen. Onze geschiedenis leest als een mannelijk verhaal. Terwijl vrouwen wel degelijk geschiedenis maakten. Het is alleen nog niet neergeschreven. Wikipedia is in de markt gezet als één van de grootste online encyclopedieën. Het vormt voor velen een vertrekpunt in hun zoektocht naar informatie. Als vrouwen systematisch ontbreken, dan heeft dit grote gevolgen voor onze perceptie van de geschiedenis. Ik zocht het even op: Wikipedia is een samentrekking van Wiki en Encyclopedie. Wiki is Hawaïaans voor snel, vlug. Snel staat in veel gevallen niet gelijk aan nauwkeurig. Wikipedia is in snelheid gepakt. Het is dringend tijd om de informatie over vrouwen neer te schrijven, anders verdwijnen ze geruisloos of gaat waardevolle informatie verloren. Op de Wikipagina van Tanja Dexters word ik doorverwezen naar haar eerste hit ‘Out of my mind’. Ze zingt: ‘I can’t get you out of my mind’. Je hoeft geen Nobelprijs in huis te hebben om te weten dat dit over alle vrouwen gaat die een Wikipagina verdienen.   Moeder: En hoe heette die schrijver? Dochter: Dominique… En nog iets. Is dat eigenlijk een jongen of een meisje? Moeder: Ik weet het niet. Weet je hoe we daar snel kunnen achter komen? Eens checken of die een Wikipagina heeft.

Lore Dewulf
5 0

over wandelen, creativiteit en Jean-Jacques Rousseau

Mijn dochters plaatsen allebei hun kampeerstoel op de oprit van ons huis en starten met straatvinken: een uur lang alle voetgangers, fietsers en voertuigen tellen die in onze straat passeren. Met die gegevens berekent de Ringland Academie, in samenwerking met de Universiteit Antwerpen, HIVA en KULeuven, elk jaar of je straat op de goede weg is naar duurzamer verkeer. Wat opvalt: een uur tellen leverde 11 voetgangers op. Ter vergelijking: ze telden 216 auto’s. Koning wie?   Die elf voetgangers intrigeren me: wat zijn hun beweegredenen? Is het wandelen voor die mensen een functionele bezigheid, verplaatsen ze zich van A naar B met een doel? Of is het wandelen an sich hun beweegreden en gaan ze dus wandelen van A naar A zonder meer?   Toen mijn dochters nog vrij jong waren, kregen ze stapschoenen cadeau. Die onthaalden ze vrij euforisch (joepie, nieuwe schoenen!), tot ze ontdekten dat er een activiteit gekoppeld was aan die nieuwe schoenen (maar ik heb geen zin om te gaan wandelen.). Tot hun ontsteltenis moesten ze vaststellen dat ik werkelijk elk nieuw oord wandelend wil verkennen.   Na meer dan tien jaar ervaring met wandelen met kinderen kwam ik tot volgende inzichten: er bestaan liedjes die ze na 100 keer zingen nog niet beu zijn (één champignonnetje, trala la la laaa), drie kilometer wandelen met een peuter in je nek kan ernstige gevolgen hebben voor je hoofd en haar (die hoofdmassage is leuk, maar mijn ogen hoef je niet te masseren), wegmarkeringen zoeken is voor een kleuter geen middel maar een doel op zich (we moeten hier naar links! nee, nee, andere links).   Tijdens het wandelen zijn er momenten waarop het volledige gezelschap in een gelijkmatig ritme zit. Op die momenten creëert de cadans van het stappen mentale ruimte. Ruimte om langverwachte of juist onverwachte gedachten te verwoorden. Zo vertelde mijn jongste dochter op één van onze wandelingen het verhaal achter haar gebroken been. Drie jaar – jawel, drie jaar – na de feiten kreeg ik te horen dat er een kindje vanop het klimrek per ongeluk op haar been was gesprongen. Ik keek naar haar terwijl ze dit vertelde en dacht bij mezelf: ‘waar komt dit ineens vandaan?’. Te weten dat ik drie jaar eerder talloze keren aan haar vierjarige zelf vroeg: ‘Maar weet je echt niet hoe het komt dat je been gebroken is?’. Ze haalde haar schouders op en zei iets over spelen en lopen en plots niet meer kunnen spelen en lopen. Ik hoorde nooit eerder over die jongen op het klimrek. Die nieuwe informatie was op dat moment onbruikbaar, maar ik vond het ronduit fascinerend dat ze net tijdens het wandelen die lang zoekgeraakte informatie uit haar brein terughaalde.   Wandelen heeft precies dat effect: het verheldert gedachten of ideeën. Marily Oppezzo en Daniel Schwartz van de Standford University onderzochten het effect van wandelen. Ze publiceerden in 2014 een artikel waarin ze concludeerden dat creativiteit met 60 procent toeneemt wanneer iemand wandelt. De studie bevestigt op een wetenschappelijke manier wat vooraanstaande denkers al langer wisten. Zo schreef Jean-Jacques Rousseau in Les Confessions: ‘Jamais je n’ai tant pensé, tant existé, tant vécu, tanté té moi-même, si j’ose ainsi dire, que dans les voyages que j’ai faits seul ou à pied’.   Redenen genoeg om niet af te stappen van het wandelen. Als u weinig creatieve ideeën hebt waar te starten: er is nog plaats in onze straat.     Moeder: Je bureau opruimen staat niet gelijk aan alles in één lade gooien. Je loopt er de kantjes vanaf, nietwaar?   Dochter: Hoe kan het ook anders met die stapschoenen?

Lore Dewulf
8 0

over logica in de supermarkt

‘Met kinderen naar de supermarkt’ staat voor veel ouders in de top vijf van activiteiten die u niet wil inplannen na een lange werk- en schooldag. Tenzij u bij alle partijen bepaalde communicatievaardigheden wil aanscherpen, zoals argumenteren, onderhandelen en overtuigen. De gesprekken in de supermarkt zijn gevarieerder dan u aanvankelijk zou denken. Het gaat niet enkel over de discussie ‘snoepen of geen snoepen’. Ook andere onderwerpen komen aan bod. De winkelkar: wie mag met de kar rijden?, nemen we ook een kleine winkelkar?. De boodschappen: die andere chips zijn veel lekkerder, de vorige keer mocht jij óók kiezen. De sanitaire voorzieningen: kan je niet wachten tot we thuis zijn? Nee, ik moet nu écht super-dringend plassen. Ok, we zullen nooit weten of we effectief in de snélste rij stonden aan de kassa’s (volgens mij wel). En het inladen: ja, je mag helpen inladen, maar steek de zwaarste boodschappen onderaan. Oei, mama, de bananen onderaan zijn ‘gepletterd’, denk ik. Die discussies zijn maar een klein onderdeel van het supermarktgebeuren. Ik kwam er onlangs achter dat er ook ongeschreven wetten bestaan in de jungle die supermarkt heet. Die ongeschreven wetten zijn bovendien onlogisch. Vóór de lockdown kwam er een kleuter naast mijn dochter (met klein winkelkarretje) en mij (met grote winkelkar) wandelen. Ze keek welke boodschappen er in het kleine karretje van mijn dochter lagen. Haar ogen blonken wanneer ze de doos snoepen zag. Mijn dochter glimlachte en lipte naar mij: ‘schattig kindje!’. Ik lachte terug. Op dat moment pakte dat kleine meisje de snoepen uit het winkelkarretje van mijn dochter en liep snel (volgens kleuternormen) weg. Mijn dochter wist niet wat haar overkwam en keek afwisselend naar haar karretje en naar de nog kleiner wordende rug van het meisje. Toen we bij de kassa (niét de snelste, geloof me) stonden, passeerde het meisje opnieuw. Deze keer had ze een doos koekjes bij zich. Ze kwam de doos zonder een woord te reppen in het winkelkarretje van mijn dochter leggen. De ongeschreven wet luidt hier: je mag geen boodschappen wegnemen uit de winkelkar van iemand anders. Maar, anderzijds: je mag ook geen boodschappen in andermans winkelkar leggen. De simpele indeling ‘de ene handeling is goed en de tegenovergestelde handeling is fout’ is in dit geval niet toereikend. In opvoedkundige termen is dit verwarrend. En onlogisch. Door de intercom vragen ze iemand naar de koekenafdeling te komen. Ik vraag me af of die kleuter er voor iets tussen zit. Misschien is ze rekken aan het herschikken volgens het aloude logische marketingprincipe: zet alle A-merken op ooghoogte. Als ze met haar lengte die logica volgt, is ze nog even zoet.     Dochter: Wanneer gaan we naar de supermarkt? Ik heb honger. Moeder: Naar de supermarkt gaan als je honger hebt, is geen goed idee. Dochter: Net wel, met al die proevertjes.

Lore Dewulf
16 1

over verlegenheid, ijsberen en Rosa Parks

‘Is ze altijd zo verlegen? Ik wil eens zien hoeveel ze gegroeid is, maar ze verstopt zich achter de rok van haar moeder. ‘Ja, kijk hoe verlegen ze is’. Aan het woord: een kennis van mijn ouders. Aan de rok: ik als kind. Haar meewarige toon, bezorgde blik en licht nee-knikkende hoofd. Uit de lichaamstaal van die vrouw maakte ik op dat verlegenheid geen eigenschap was die op haar goedkeuring of sympathie kon rekenen. Van achter mijn moeders rokken kon ik die vrouw goed bestuderen. Ik zag dat haar blouse verkeerd geknoopt was, waardoor de twee kanten scheef hingen. Ik zei maar niets, want dat doen verlegen meisjes niet, toch? Dit soort non-conversaties installeerden twee gedachten in mijn kinderhoofd. Knoop je blouse met een zekere toewijding en verlegenheid is een eigenschap die best geen zichtbaar deel uitmaakt van je persoonlijkheid. Mij attenderen op mijn verlegenheid zorgde voor een verhoging van mijn zelfbewustzijn: terwijl ik net heel hard mij best deed om niet te blozen, zorgde die opmerking ervoor dat ik net meer ging blozen. Een klassiek voorbeeld van actie-reactie. Het doet met denken aan het experiment waarin aan proefpersonen gevraagd wordt om gedurende vijf minuten niet aan een witte beer te denken. Als ze toch aan een witte beer denken, moeten ze een belletje rinkelen. Wat denkt u? Jawel hoor, jingle bells all the way. Misschien schuilt er een oplossing in de combinatie van beide processen: verlegen kinderen laten denken aan een witte beer wanneer ze vrezen te moeten blozen. We zijn ondertussen tig jaar later en mijn rokken doen ondertussen dienst als verstopplaats voor mijn dochters. De verstopplaats wordt voornamelijk gebruikt bij onbekende personen of op onbekend terrein. Het is als ouder verleidelijk om mee te gaan in het ‘ja-ze-is-verlegen-verhaal’ bij opmerkingen van buitenstaanders, maar wat zeg je daarmee, tegen je kinderen en tegen die persoon? Ik vind het vrijmoediger om de vraag terug te kaatsen: ‘Ach, hoe zijn we zelf op onbekend terrein? Op een feest waar we niemand kennen?’ Niet-stereotype verhalen over verlegen mensen kunnen inspireren, zoals het verhaal van Rosa Parks. Zij was een timide en verlegen vrouw, maar nam het uiteindelijk op tegen een bus vol misprijzende passagiers. Rosa Parks belichaamt en belicht kalme onverzettelijkheid en stille standvastigheid. Toch ligt het moeilijk om eenzelfde persoon als verlegen én moedig te zien. Parks leek zich bewust van die paradox en gaf haar autobiografie de titel Quiet Strength. Je hoeft niet altijd te roepen om gehoord te worden.   Moeder (tegen een kennis): ‘Ach, hoe zijn we zelf op onbekend terrein? Op een feest waar we niemand kennen?’ Dochter: Euh... Moeder: Wat zeg je, lieverd? Dochter (tegen de kennis): Je hebt je blouse verkeerd geknoopt.

Lore Dewulf
1 1

over inbrekers

‘Wat was dat’? Elk herkenbaar geluid wordt onherkenbaar en onheilspellend als de avond valt. Mijn jongste dochter ligt in bed en we (daarmee bedoel ik mezelf) zijn klaar om goeienacht te zeggen. Dan hoort ze iets ritselen, bonken of knappen. Ze meent dat het een inbreker is. Ik begrijp haar angst, ik was vroeger ook bang voor inbrekers. Mijn moeder slaagde er altijd in me gerust te stellen met laconieke redeneringen: ‘Boeven zoeken geld of dure spullen. Wij hebben geen van beide in huis. Ze hebben dus geen reden om in te breken’. ‘En onze televisie dan?’, vervolgde ik. Waarop mijn moeder een beeld schetste van een boef met een beeldbuistelevisie op zijn rug. ‘En de computer dan?’ We hebben het hier niet over een hedendaagse, ultradunne, lichtgewicht laptop. Nee, het gaat om een gigantische computer uit de jaren ’90: een lompe desktopcomputer met klavier en muis. Opnieuw schetste mijn moeder een beeld van een boef met die computer op zijn rug, klavier in de ene hand en muis in de andere. Ik had nog vragen over een aantal andere huishoudtoestellen, zoals de wasmachine, droogkast en de ingebouwde vaatwasser. Mijn moeder bleef haar mantra over de – ondertussen overbelaste – rug van de inbreker herhalen. Daarna kon het licht uit en vroeg ik mijn moeder om mijn kamerdeur op een grote kier te laten. Mijn dochter laat zich ook niet met één argument geruststellen. Ze verschilt van mijn eigen jongere versie, want zij verzint volledige scenario’s. Probleem en oplossing in één. Zo houdt ze er rekening mee dat de boef in ons huis rondloopt, maar geen nood, dan verandert ze zichzelf in een elf of laat ze de boef bevriezen. Of verstenen. Of ze tovert zichzelf weg. Na het bespreken van tien afweermechanismen zijn we (daarmee bedoel ik mezelf) klaar om goeienacht te zeggen. Het valt me op met hoeveel vuur ze spreekt over het verslaan van de boef. Ze schept er groot genoegen in de inbreker in haar fantasie ten val te brengen. Het doet me denken aan het gevoel wanneer de slechte in de film eindelijk moet incasseren. Ik vind het knap dat ze haar angsten kan bedwingen met haar fantasie. Een irreële angst bestrijden met een irreële oplossing, er valt iets voor te zeggen. Ik ruilde doorheen de tijd mijn angst voor boeven in voor een aantal andere angsten. Sommige daarvan hebben bestaansrecht, omdat ze gekoppeld zijn aan de realiteit. Anderen zijn onnodig, angst voor problemen die nooit kunnen voorkomen. Dan raak ik verstrikt in mijn eigen fictie. Doe mij maar de methode van mijn dochter: een irreële angst bestrijden met je fantasie in plaats van je door fantasie in te laten met allerlei angsten.   Dochter: In mijn boek van Harry Potter gaat het over de Dementor. Die kan je datgene laten voelen waar je het meest bang voor bent. Moeder: Dat klinkt wel eng! Als ik klein was, bestonden er nog geen Harry Potter boeken. Ik las de boeken van Pietje Puk. Dat was een postbode en die zong altijd een liedje ‘Eén twee drie vier, Pietje Puk die heeft plezier. Vijf zes zeven acht, ’t is Pietje Puk die altijd lacht’. Dochter: En dat is niet eng, ofzo? Wat een freak, zeg.

Lore Dewulf
5 2

over lichaamshaar

Als ik u vraag waar u het meest walging voor voelt: vrouwelijk okselhaar of maden in vlees, wat zou u dan antwoorden? Deze vergelijking heb ik niet zelf uitgevonden. Als ik één levensdoel heb, dan is het wel zo weinig mogelijk denken aan maden in vlees. In 2004 onderzochten Tiggemann en Lewis de relatie tussen lichaamshaar en de gevoeligheid voor walging. Ze kwamen tot de conclusie dat zowel mannen als vrouwen met walging op vrouwelijk lichaamshaar reageren. Wat bedoel je met walging, hoor ik u denken. Wel, dezelfde graad van walging als bij het zien van maden in vlees. Daar komen die maden dus vandaan. Waar komt die walging voor vrouwelijk lichaamshaar vandaan? Er bestaan uiteenlopende verklaringen, maar volgens mij is het simpel. We kunnen het spaarzaamheidsbeginsel inroepen: het wegnemen van alle onnodige ingewikkeldheden om bij de eenvoudigste verklaring uit te komen. De eenvoudigste verklaring is deze: de heersende norm over lichaamshaar is onderdeel van de vercommercialisering van ons lijf. We mogen er niet uitzien zoals we zijn, we moeten ons aanpassen. En hoe kunnen we dat best doen? Door producten te kopen natuurlijk! Producten om al dat lichaamshaar te scheren, waxen en epileren, zodat we haarloos door het leven kunnen. Want, zo weet iedereen, je kan pas naar het zwembad als je bikinilijn on point is. Het kan aan mij liggen, maar ‘badmuts’ krijgt opeens een heel andere betekenis. Ik vind de vercommercialisering van ons lijf absoluut geen fijne evolutie. Meer zelfs, ik vind het absurd. Maar zelfs al volg je het devies van Baz Luhrmann ‘don’t read beauty magazines, they will only make you feel ugly’, wat ik al jaren doe, dan nog ben je niet vrij van het zien van vercommercialiseerde lijven. De gladgeschoren lijven lachen je toe op social media, in tv-series en in films. Die maken ons onzeker over onszelf. Laatst stond ik onder de douche, terwijl ik mijn onderbenen schoor. Mijn dochters, die hun tanden aan het poetsen waren, vroegen waarom ik dat eigenlijk deed. Ik stond even met mijn mond vol ongepoetste tanden. Ja, waarom eigenlijk? Omdat ik het mooier vind? Omdat ik wil voldoen aan de heersende norm? Omdat ik niet wil dat mensen mij aanstaren omdat ik haar op mijn benen heb? Ik denk dat ik in alle eerlijkheid driewerf ja moet antwoorden. Ik zou het fijn vinden mochten mijn dochters hier voor zichzelf op een nuchtere manier mee kunnen omgaan. Dat ze een eigen keuze zullen maken en dat ze zich niet zullen laten gek maken door die vercommercialisering. Ik weet nu al dat ik bij hun eerste scheermesje heimwee zal hebben naar een simpele wereld, eentje waarin niet zoveel verwacht en bewerkt wordt. Tegelijkertijd vind ik het stom dat het zo naïef en pathetisch klinkt. Oh, trouwens, ik zocht het even op: het spaarzaamheidsbeginsel wordt ook wel eens het scheermes van Ockman genoemd. Dat kan geen toeval zijn.   Dochter: Vind je dat je zelf mooie vlechten kan maken in je haar? Moeder: Bwa. Gewone vlechten wel, ingevlochten vlechten vind ik wat moeilijker. Dochter: Schaam je je soms voor je vlechten? Moeder: Nee, dat niet. Waarom vraag je dat? Dochter: Om te weten of je schaamhaar hebt.

Lore Dewulf
9 2

over kappers

We hadden een familietraditie: haren knippen in het buitenland. Dit is verleden tijd en ik zal u vertellen hoe dat komt. Een aantal jaren geleden waren in Sri Lanka. Mijn ene dochter had op dat moment een froufrou die haar het zicht belemmerde, een gelegitimeerde reden om een kappersbezoek in te plannen. Mijn andere dochter wilde ook naar de kapper, omdat ze – naar eigen zeggen - langer haar wilde. Haar woorden. Dat vind ik een gelegitimeerde drogreden van een zesjarige voor een kappersbezoek. Het plan was er, solide in zijn eenvoud. Nu nog de uitvoering. Minder solide, minder eenvoudig. Op een namiddag passeerden we een aantal winkeltjes. Eén zaak was fel verlicht. Door de grote vensters zagen we een verscheidenheid aan verzorgingsproducten staan. Bij mij was dat voldoende reden om ervan uit te gaan dat dit een kapperszaak was. We gingen binnen en ik legde in mijn beste Singalees uit dat we een kapper zochten. De twee aanwezige kapsters keken me niet-begrijpend aan. Uit hun reactie maakte ik op dat ik mijn Singalees best nog wat kan bijschaven en niet dat we aan het verkeerde adres waren. Dan maar mijn gebarentaal voor op reis bovenhalen: ik maakte een schaarbeweging met mijn middel- en wijsvinger en nam wat haar van één van mijn dochters tussen mijn vingers ter illustratie. Het fronsen van de kapsters ging over in lachen. Eén van hen vond – na enig zoeken – zelfs een schaar. Ik had toen en daar moeten beseffen dat er iets niet klopte. Maar goed, de schaar was er, het haar was er, nu was het een kwestie van combineren. De dame met de schaar wees naar een stoel. Mijn oudste dochter vond dat ze lang genoeg gewacht had en ging vrolijk op de stoel zitten. Voor ik met mijn dochter kon bespreken hoe we dit best konden aanpakken, begon de dame te knippen. Vergeet wassen, vergeet kammen, vergeet het verdelen van het haar, gewoon knippen. Ik keek naar mijn dochters en we kregen de slappe lach. We kwamen niet meer bij. De kapbeurten duurden minder lang dan onze uitleg vooraf. Een impressie van hun kapsel? Denk Uma Thurman in Pulp Fiction. Of beter: denk Uma Thurman in Pulp Fiction als ze wakker wordt na haar needle in the heart. Denk dat ze op dat moment een schaar in haar hand heeft en in het wilde weg begint te knippen. Ziet u al iets? Ja, precies dat beeld. Bij het buitengaan zagen we op één wand posters van zorgvuldig gemanicuurde handen. Ik keek achterom en zag overal potjes nagellak (stonden die daar een half uur geleden ook al?). We waren in een nagelstudio. Hadden ze zonet de haren van mijn dochters geknipt met een nagelschaartje? Bij de volgende kapbeurt was ik de kapper van dienst. Dat ging niet gepaard met een spectaculair verhaal. Op een dag zei ik: ‘ík ga vandaag jullie haar knippen’. Ik had voor de gelegenheid een professionele kappersschaar aangeschaft. Professioneel materiaal is al de helft van het werk, nietwaar? Misschien werd ik wat overmoedig. Het moet gezegd: het resultaat zag er beter uit in mijn hoofd, dan op hun hoofd. De derde keer waagden we ons aan een echte kapper. In een kapsalon, met wassen vooraf en glitters achteraf. Mijn ontslag als kapper kwam niet als een klap. Het bleek geen vernauwing van mijn ouderlijke rollen, enkel een verschuiving. Ik ben nog steeds hun traiteur, chauffeur, huiswerkbegeleider, agendabeheerder, touroperator, styliste (mijn contract loopt ten einde), … Ik speel niet op elk moment elke rol met verve, maar hey, ik ben dan ook geen kapper.   Dochter: Jij past bij die outfit. Moeder: Welke outfit? Dochter: Gewoon, je bent oud en fit.

Lore Dewulf
0 0
Tip

over het vrouwenlichaam

Vrouwen zitten genetisch anders in elkaar dan mannen: vrouwen hebben twee x-chromosomen, mannen hebben één x en één y-chromosoom. Niemand is ooit geboren zonder minstens één x-chromosoom. Zonder het x-chromosoom is menselijk leven niet mogelijk. Daarmee kunnen we de oeroude discussie weer aanwakkeren: wie is het sterke geslacht? In het boek ‘het sterke geslacht’ van Sharon Moalem winnen de vrouwen, want al in de ondertitel van dit boek staat ‘een uitleg voor de genetische superioriteit van vrouwen’.   In de leeftijdscategorie van mijn dochters worden er vaak wedstrijdjes georganiseerd: jongens tegen meisjes. Deze wedstrijden gaan gepaard met hevige emoties bij beide partijen. De verliezende groep doorloopt bij sommige wedstrijden de volledige cyclus van rouw. Vaak gehoorde argumenten zijn ‘het is niet eerlijk, de anderen speelden vals’, ‘wij doen niet meer mee’ (dit argument kan ook al halverwege de wedstrijd in de strijd gegooid worden), ‘wacht maar tot de volgend keer, wie zal er dan winnen, huh?! (waarmee de battle of the sexes bij een volgende samenkomst opnieuw op de agenda komt). Volwassen-zijn staat niet gelijk aan een milder competitiegevoel. Bij de volwassen spelvariant ‘mannen tegen vrouwen’ transformeren sommige individuen terug naar hun tienjarige zelf (tegen hun sexegenoten ‘Haha, we zullen eens zien wie dit spel zal winnen!’ en tegen de tegenpartij: ‘Zijn jullie klaar om te verliezen?’). Het dingen naar de titel van ‘het sterke geslacht’ gaat voorbij aan andere discussies, namelijk de biologische, genetische en medische.   Vrouwen kunnen elk van de twee x-chromosomen gebruiken in elk van hun biljoen cellen. Vroeger dachten onderzoekers dat één van de twee x-chromosomen inactief was. Pas recent werd ontdekt dat de hypothese van de x-inactivatie niet klopt. Ongeveer een kwart van de inactieve x-chromosoom is nog altijd actief en toegankelijk voor vrouwelijke cellen, wat ervoor zorgt dat iedere cel extra genetische kracht heeft.   Tot zover het goede nieuws. We weten dus dat een vrouwelijk lichaam genetisch heel erg verschilt van een mannelijk lichaam. Maar we weten ook dat wetenschappelijk onderzoek zich bijna uitsluitend richt op mannenlichamen. Dat heeft verschillende redenen. Eeuwen geleden werden meer mannen dan vrouwen tot de dood veroordeeld, wat resulteerde in meer mannelijke lijken om open te snijden en  te onderzoeken. Doorheen de jaren werden dode criminelen vervangen door muizen. Maar ook hier werd gekozen voor mannelijke muizen. De verklaring is absurd: mannelijke muizen zijn goedkoper en gemakkelijker in gebruik. Wetenschappers kiezen de weg van de minste weerstand: vrouwelijke muizen kunnen veel sterkere immuunsystemen hebben en dat kan de resultaten van een experiment compliceren. Mannelijke muizen zorgen voor meer éénduidige en makkelijkere resultaten.   Het ontbreken van vrouwelijke proefdieren en vrouwelijke weefsels en cellen in preklinisch farmaceutisch onderzoek zorgt voor een gebrek aan kennis, waardoor artsen moeten schatten (en in het slechtste geval gokken) wat de beste dosis of behandeling is voor hun vrouwelijke patiënten. In 2020 (hetzelfde jaar waarin Elon Musk onderzoekt of we een tripje naar Mars kunnen maken) zijn de voorgeschreven dosissen van medicijnen te hoog voor vrouwen, omdat ze getest zijn op het lichaam van een man.   Ik zit niet te wachten op de zoveelste battle of the sexes. En voor wie toch competitie wil: om ter eerst meer onderzoek naar de werking van het vrouwenlichaam.     Moeder: heb je mijn briefje gevonden in je brooddoos? Dochter: ja, maar waarom zet je altijd twee x’en op het einde van elk briefje? Moeder: omdat ik een vrouw ben.

Lore Dewulf
94 7

over jarig zijn

‘Maar hoeveel kindjes mag ik uitnodigen?’. Mijn oudste dochter aan het woord, puppyblik on point. Ik dacht dat er een soort officieuze stelregel bestond: één kind per jaar. Dus in haar geval zijn dat – even tellen, nee hoor, grapje, gewoon even bekomen van de optelsom – negen kinderen. Is dat echt de stelregel? Daar moet dringend een maatschappelijk debat over gevoerd worden. De vraag over hoeveel kinderen ze mag uitnodigen, komt een aantal maanden vóór haar effectieve verjaardag. Als kind kan je nooit te vroeg starten met het plannen van je verjaardag. Als hoogbejaarde overigens ook niet. De dag na je 99ste verjaardag kan je best meteen op zoek gaan naar genodigde nummer 100, voor je volgende verjaardag. Als je de gewoonte hebt om veel mensen uit je eigen leeftijdscategorie uit te nodigen, kan je best een kleine reservelijst aanleggen. Je weet maar nooit. Wat ze graag wil doen, wat ze graag wil eten, hoe ze de uitnodigen wil maken. Elk deeltje verjaardag wordt nauwkeurig voorbereid. En uitgevoerd. Dat was vorig jaar. (Een jaar later. Enter Corona.) ‘Maar mag ik dan echt niemand uitnodigen?’ Je eerste verjaardag als tiener binnenshuis vieren met als enige gezelschap je ouders en je zus. Dat zat niet in haar planning. Maar als er één verjaardag als tiener is die je in dat gezelschap wil doorbrengen, dan zal het deze zijn. Ja toch? De verse tiener toont begrip. Er vallen een aantal bonnen in de brievenbus. Een bon om naar Technopolis te gaan, cinematickets, een bon voor het STAM museum. De bonnen van buiten de bubbel en de zelfgemaakte slingers en taart in de bubbel geven haar verjaardag een lockdown waardig feestgehalte. Ook al kreeg ze geen echte Bongo-Bon, ik zie het als mijn moedertaak om haar te waarschuwen voor het Bongo-Bon syndroom. Klinkt bekend? Eerst bekijk je vol enthousiasme de mogelijke opties van de bon, maar voor je het weet, is het je volgende verjaardag en doorzoek je gans het huis op zoek naar die f*cking Bongo-bon. Eens je die gevonden hebt, stel je vast dat de vervaldatum een week later volgt. Om dan als een gek te bellen om alsnog een plaatsje te reserveren bij je eerste, tweede of laatste keuze. Als ook dat op niets uitdraait, heb je dit jaar wel een voordeel: je kan Corona de schuld geven. ‘Overmacht’ is hét codewoord. De gevaren van het syndroom werden besproken. We besloten te anticiperen. De eerste week van het nieuwe normaal gaat mijn oudste dochter op één dag naar de Technopolis, de bioscoop en het STAM museum. Ze kijkt er nu al heel hard naar uit.   Moeder: Wauw. Je bent al tien jaar. Niet te geloven! Dochter: Juist. Ik ben nu geen meis-je meer. Wat is het vergrootwoord van meisje?

Lore Dewulf
1 0

over emoji stress

Ik groeide op in een tijdperk zonder smartphones. Dylan Moran noemt dit tijdperk in zijn comedy show Dr. Cosmos: the days when phones were still attached to buildings (Nee, dat betekent niet dat ik oud ben. Smartphones zijn verrraderlijk jong). Telkens ik ergens een vaste telefoon met draaischijf zie, begin ik mijn dochters heel enthousiast uit te leggen hoe zo’n telefoon werkt. Laat ik het zo stellen: hun interesse is omgekeerd evenredig met mijn enthousiasme. Met de komst van de mobiele telefoon kwamen ook de emoji’s. In den beginne was dit vrij eenvoudig en overzichtelijk. Je had een lachend gezichtje – de smiley - en een sip kijkend gezicht. Al snel kwamen er uitbreidingen: de knipoog met een komma, het lachen met open mond met een D en de tong uitsteken met een p. Ik moet eerlijk bekennen dat ik toen al een beetje de weg kwijt was. Want zeg nu zelf: wie steekt zijn tong meermaals uit bij een doordeweeks gesprek? Maar het ging hard in de wondere wereld van de emoji. Zo hard dat ik intussen een telefoon heb met honderden emoji’s. Sommige spreken voor zich. Zo is er een zon of een wolk als je het weerbericht wil meedelen aan de hand van symbolen in plaats van woorden. Zo is er ook een kat, voor als je je huisgenoot een herinnering wil sturen om de ‘insert cat emoji’ eten te geven. Ingewikkelder wordt het wanneer iemand je een bericht stuurt met een emoji die enkel ogen heeft en geen mond. Hoe moet ik dat lezen? Dat je geen affectie voelt met je neus-, keel- en oorspecialist bij wie je net op een consultatie ging? Dat je oogarts je wel kan krijgen? Of de tandartsassistente?En ook belangrijk: wat stuur ik terug? Meestal gebruik ik volgende methode: recycleer de emoji’s uit het gekregen bericht. Een vaak toegepaste communicatietechniek is immers het spiegelen: imiteer het gedrag van je gesprekspartner. Een tweede, minder complexe methode, is elk bericht eindigen met een hartje in een kleur naar keuze. Handig bij familie aangelegenheden, minder handig in een professionele context. Een derde, niet aan te raden methode, is elk zelfstandig naamwoord illustreren met een emoji. Dat kost niet alleen heel veel tijd (geloof me), mensen vinden dat na de derde keer niet meer grappig. U ziet het. Ik heb nog heel wat te leren. Gelukkig is daar de volgende generatie. Al voor ze konden spreken (dat bedoel ik spreekwoordelijk, want zeg nu zelf: vrijwillig je telefoon aan een peuter geven is geen goed idee) stuurden mijn dochters ellenlange, woordeloze berichten naar alle mogelijke familieleden. Die berichten kenden veel variatie: van een kerstboom, over een surfer, tot een groen gezicht. Het emoji verhaal was niet altijd even samenhangend, maar het aantal plotwendingen was substantieel. Plus: ze kregen altijd een antwoord. Van iedereen. Dat antwoord bestond uit emoji’s, afgewisseld met wat tekst. Met het ontcijferen van de emoji’s hadden mijn dochters geen enkel probleem, die waren leesbaar. Ik werd enkel als hulplijn ingeschakeld als er woorden uit het bericht moesten voorgelezen worden. Er komt een tijd in de toekomst (sommige gezinsleden beweren de nabije toekomst, anderen gezinsleden beweren de wat verdere toekomst) dat beide dochters een eigen telefoon zullen hebben. Een gezinsafspraak over het gebruik van emoji’s dringt zich op. Ach, wat maakt het uit. Wellicht zijn emoji’s in de wat verdere toekomst vreselijk passé. Denkt u niet?   Moeder: Ik kreeg net een bericht van je meter. Ze vraagt wat je graag wil voor je verjaardag. Dochter: Een telefoon. Moeder: Ok, ik stuur haar een bericht. Ik zet er een smiley bij.

Lore Dewulf
0 0

over sharenting

‘Ga je die foto posten op je instagram?’. Mijn dochters stellen die vraag elke keer weer. De intonatie van hun stem varieert bij die vraag van enthousiast (een foto met hun nieuwste mooiste tekening in de hand), over terughoudend (een foto terwijl ze dansen in de living), naar afkeurend (een foto met een chocomond). Ik ben al jaren verdeeld over dit vraagstuk. Ik ben als moeder trots op mijn kinderen en iedereen mag dat weten. De vraag is alleen: hoe toon ik mijn trotsheid? Deel ik foto’s van elke nieuwe stap in hun leven? Hun eerste babystapjes (te laat, ze is al gevallen), hun eerste schooldag (waarbij je je afvraagt: hey boekentas, waar ga je met dat kindje heen?), hun eerste geslaagde fietspoging (voooorzichtig!), hun eerste schaafwond (fietspoging bleek toch niet geslaagd), hun eerste geschreven woord (hun eigen naam uiteraard, terwijl mama toch ook een mooi woord is). Ik wil die beelden graag tonen aan de buitenwereld, maar ik ga toch telkens op de rem staan. Ik ben terughoudend om foto’s van mijn kinderen te delen op social media en ik zal je uitleggen waarom. Internet vergeet niet en internet verwijdert niet. Sommige vertederende kinderfoto’s kunnen een aantal jaren later gênant zijn. Dan denk ik aan die foto’s uit het fotoalbum van mijn kindertijd waar ik poseer in een grasveld met madeliefjes, met zonnebril en met jaren ’90 kuif. Of jaren later: die foto’s van dat studentenfeestje aan zee. Ik vind het geen fijne gedachte om op een sollicitatiegesprek aangesproken te worden op die foto’s, omdat die nu eenmaal verschijnen als je mijn naam intikt in google afbeeldingen. Je zit in je eigen veilige huiskamer als je die foto’s post, maar je weet niet wie er aan de andere kant van het scherm zit. Niet iedereen heeft integere intenties. Ik denk hierbij niet meteen aan de meest extreme gevallen, maar dan lees ik dat Professor Leen d’Haenens (KUL) waarschuwt: ‘Je kan je kinderen wel degelijk in gevaar brengen. Zo’n bikinifoto op Facebook komt makkelijk in pedofiele kringen terecht’. Internet kan zichtbaarheid creëren (ik wil gezien worden), maar ook onzichtbaarheid (ik wil niet gezien worden, maar ik zie jou wel). Ik weet niet wat ik het meest zorgwekkend vind. Misschien valt de discussie over foto’s delen voor mij te beslechten met één simpele vraag: ‘Vind ik het erg als er ongevraagd een foto van mij verschijnt op social media?’. Voor mij bestaat hier maar één antwoord op: ja. Kleine kinderen kunnen niet altijd zelf beslissen, dat klopt. Dan keert de bal terug naar jouw kamp als ouder. Al ben je op dat moment niet alleen ouder, je bent ook belangenbehartiger van je kind. Dit verhaal is nog niet ten einde. Op social media kan je niet alleen foto’s delen, het is ook een plaats om verhalen te delen. Ik hou ervan verhalen van andere ouders te lezen en sinds kort vertel ik ook mijn eigen verhaal als moeder. Mijn blog is ontstaan vanuit de intentie om mijn zoektocht als ouder te delen. Nina Mouton verwoordt dit passend: ‘Ik ben zoekende, en dat laat ik ook zien. Net die boodschap slaat aan. We zoeken allemaal, we doen dit samen, we zijn er voor elkaar. Het is altijd één van mijn missies geweest om ouders samen te brengen en online kan dat heel makkelijk’. Ik blijf verdeeld over het delen. Waar iemand de grens trekt is een persoonlijke keuze. En ook die van je kinderen.   Dochter: Wat vind je zo mooi aan mijn rug? Moeder: Waarom vraag je dat? Dochter: Op je instagram zie je alleen maar mijn achterkant. Moeder: Draai je eens om. Ik doe het niet voor je rug, denk ik, eerder voor je achterhoofd.

Lore Dewulf
9 0

over cat-calling

Elke keer dat ik naar de stad fiets (dat is meerdere keren per week), moet ik door een fietstunnel. Ik vind tunnels door de band genomen onaangenaam. Het enige nut dat ze mij bieden is om een telefoongesprek vroegtijdig af te breken: ‘oei, ik hoor je niet meer, ik rijd door een tunn-…’.   De reden waarom ik tunnels niet aangenaam vind, is omdat het naar mijn mening vrouwonvriendelijke plaatsen zijn.  Vorige week werd mijn stelling opnieuw bevestigd. Ik fiets naar de stad en ik moet in het midden van de tunnel twee jonge mannen passeren. Op het moment dat ik hen kruis, maken ze kus- en sisgeluiden. Ze ondersteunen hun verhaal ook met wat inspirerende onomatopeeën (muah, muah, smak, smak). Ik kijk strak voor me uit en negeer hen. Maar eigenlijk wil ik keihard roepen dat ze me met rust moeten laten. Onnodig te vermelden dat dit een eufemisme is.   Maar ik hou mijn mond, omdat ik al - voor ik hen kruis - weet hoeveel mensen er zich in mijn directe omgeving bevinden (geen enkele). Ik ken de situatie en ik ken het potentiële gevaar. Elke vrouw kent dit plaatje: wanneer je één of meerdere mannen moet passeren in wat aanvoelt als een onveilige context, scan je de omgeving. Je weet wie zich waar bevindt. En je schat in op wiens hulp je zou kunnen rekenen, mocht het nodig zijn. Voor de mannen is dit misschien moeilijker te begrijpen. Wel, bedenk dan dit: ‘zeg niets tegen een vrouw op straat wat jij niet wilt dat een man tegen jou zou zeggen in een gevangeniscel’. Ik hoorde deze uitspraak van Peter White en ik sluit me hierbij aan. ‘Ja, maar ik zou nooit op die manier tegen een vrouw praten’. Nee, natuurlijk niet, de meeste mannen niet. Maar bedenk dan hoe onveilig je je zou voelen als aangesproken gevangene. Het gaat over het erkennen en herkennen van een fundamenteel gevoel van onveiligheid. Catcalling, want zo heet dat, reduceert de vrouw tot een seksueel object en dwingt haar in een onderdanige positie. In een positie waarin hij macht heeft en zij inferieur is. Waarin zij zich machteloos en onveilig voelt.   Het gedrag van die beperkte groep mannen en het daaruit voortvloeiende onbehaaglijke gevoel van onveiligheid zet me op mijn paard. Misschien is dat wel een oplossing: mijn fiets inwisselen voor een paard. Zouden de heren dat nog zo’n felle bek hebben? En ik leer mijn paard om bij het horen van kus- of sisgeluiden zijn achterpoten op te zwaaien in de richting van het geluid. Cirque du Catcalling.   Ik dacht dat de openbare ruimte van iedereen was. Maar er zijn behoorlijk wat vrouwonvriendelijke openbare plaatsen. Denk tunnels, parken, openbare toiletten, ondergrondse parkings. Niet alleen ’s avonds of ‘s nachts, vaak kunnen deze plaatsen ook overdag beangstigend zijn.   Kan ik mijn dochters binnen een aantal jaren met een gerust hart alleen met hun fiets naar de stad laten gaan? Of moeten ze nu al leren paardrijden?   Dochter: wat is een onomatopee? Moeder: dat is hetzelfde als een klanknabootsing. Het is een woord dat het geluid dat het beschrijft nabootst. Dochter: en wat is een misogynist? Moeder: iemand die voornamelijk in onomatopeeën spreekt. 

Lore Dewulf
3 0

over betutteling

Ik zie ze nog spartelend en schreeuwend op de grond liggen, mijn jongste dochter wanneer ik haar wil helpen haar jas aan te trekken. Ze is twee jaar en wil haar jas vooral zelf aandoen. Geschreeuw om autonomie. Ze spartelt nog wat verder (deze keer om haar jas aan te krijgen), maar uiteindelijk lukt het haar. We kunnen vertrekken. Een aantal jaren later ben ik met mijn dochter op bezoek bij kennissen die net een baby kregen. Wanneer we weer naar huis willen vertrekken, haalt de man des huizes onze jassen uit de hal. Hij geeft de mijne aan en kijkt naar mijn dochter. Hij zegt op betuttelende toon tegen haar: ‘Ewel, gaan we je jasje aandoen? Ja?’ Hij staat breed glimlachend klaar om haar te helpen met haar jas. Ik zie haar fronsen en verstijven. Ze kijkt naar mij, haar blik is vragend. Ik zie dat ze probeert een inschatting te maken: is dit een grap of méént hij dit echt? Ik pluk de jas uit de handen van de nieuwgeboren vader en hoor mezelf mompelen: ‘Het is niet zo koud, ze hoeft geen jas aan.’ ‘Mama, waarom doet die meneer tegen mij alsof ik een baby ben?’. Ik leg uit dat hij haar wou helpen, maar dat zijn hulp eigenlijk niet nodig was. ‘Ik kan toch zélf mijn jas aandoen!’. Het jassenincident zet me aan het denken. Kinderen hebben vaak het verlangen om groter te zijn. Groter in gestalte, groter in gedrag en groter in leeftijd. Wanneer iemand kleineert, krijgen ze de indruk dat ze onbekwaam zijn. Weet je wat het is? Het is betutteling en ik kan daar niet goed mee om. Ik moet dit anders formuleren: ik ben allergisch voor betutteling. Weten jullie wat betutteling is, jongens en meisjes? Ja, weten jullie dat al? Betutteling is neerbuigend gedrag verpakt als hulpvaardigheid. Het is de capaciteiten van de ander lager inschatten. Ben je een jongen of een man, dan heb ik goed nieuws. Er komt een periode in je leven, de volwassenheid, waarin betutteling zo goed als onbestaande is. Helaas heb ik minder goed nieuws voor de meisjes en de vrouwen onder ons: er komt geen vrijwaring van betutteling in je volwassen leven. Ik geef een op youtube gedocumenteerd voorbeeld. Een vrouwelijke Labourafgevaardigde, Angela Eagle, kreeg in 2011 van toenmalig Brits Premier Cameron ‘calm down, dear’ te horen toen ze wou tussenkomen in zijn betoog. De premier snoert haar de mond op ongepaste wijze en krijgt er heel wat mannelijke lachers mee op zijn hand. Zijn toon, zijn lichaamstaal, zijn handgebaar: zijn hele interventie is betuttelend en paternalistisch. Akkoord: één voorbeeld is exemplarisch, maar vraag aan gelijk welke volwassen vrouw of zij een waargebeurd voorbeeld van betutteling kan geven en je overstijgt het exemplarische. Volwassen worden staat voor vrouwen niet gelijk aan het magische verdwijnen van betutteling. Het houdt zelfs daar niet op. Wanneer je een respectabele leeftijd bereikt, neemt de betutteling weer toe. Bejaarden, zowel mannen als vrouwen klagen betutteling aan: ze willen behandeld worden als volwaardige volwassenen, niet als onwetende wezens. ‘Gaan we een plasje doen?’, welke bij het volle verstand zijnde 80-jarige wil dit horen? Voorzichtigheid is trouwens altijd geboden wanneer mensen enkel jou aanspreken, maar daar de wij-vorm voor gebruiken. Dat is nooit een goed teken. Mijn dochter zweeg toen iemand haar wou helpen om haar jas aan te doen. Angela zweeg uiteindelijk toen Cameron naar haar uithaalde. Zelfs de bejaarden zwijgen. Ik zie weinig voordelen aan zwijgen. Aangezien betutteling in alle fasen van ons leven voorkomt, kunnen we maar beter nadenken over manieren om tegen die betutteling in te gaan. Kunnen we alvast afspreken dat zwijgen de minst geschikte strategie is? Ja? Flink zo!   Dochter: de dokter zei dat gebeten worden door een dier gevaarlijk kan zijn. Moeder: welke dieren? Dochter: de dieren op het land. De zoogdieren, zei hij. Hij vroeg of ik wist wat zoogdieren waren. Moeder: wat heb je geantwoord? Dochter: ik heb gevraagd of die regel van bijten ook geldt voor dolfijnen.

Lore Dewulf
0 0

over kalenderdogma's

Toen mijn oudste dochter geboren werd, kreeg ik het boek ‘Oei, ik groei’ cadeau. Dit boek stond toen bekend als een soort leidraad voor nieuwgeboren ouders. In het boek worden de verschillende fases in de ontwikkeling van een baby en peuter beschreven. Elke nieuwe ontwikkeling wordt uitgelegd en geïllustreerd met voorbeeldsituaties. Ook krijg je bij elke ontwikkelingssprong een lijst die het nieuw waarnemingsvermogen en het nieuw leervermogen karakteriseren. Zo lees je bijvoorbeeld bij 46 weken of bijna elf maanden: ‘kan een eenvoudige driedelige puzzel in elkaar zetten’, ‘maakt een la open en gebruikt die als opstap om op een kast te klimmen’ en ‘zegt nee, nee als hij iets niet wil doen’. Dat laatste zou ik echter niet vastpinnen op 11 maanden. Of mijn dochters kennen een geregelde terugval naar hun 11-maand-oude zelf of je kan dit kenmerk noteren bij gelijk welke leeftijd. Ik gok op het laatste. De verschijningsvorm verandert naarmate ze ouder worden, maar het basisprincipe blijft gelijk. Het gaat van ‘nee, nee’ (ik gooi mijzelf schreeuwend op de grond om mijn woorden kracht bij te zetten) naar ‘nee, want…’ (ik gooi de deur dicht, loop stampvoetend de trap op en zet mijn muziek loeihard). Wat ik deed met het ‘Oei, ik groei’ boek? Ik las de lijstjes per ontwikkelingsfase en vroeg me bij elk kenmerk af: ‘Kan ze dit al?’. Sommige kenmerken van de lijstjes gaven me zelfvertrouwen in mijn kunnen als moeder, anderen haalden net mijn zelfvertrouwen onderuit. Dergelijke lijstjes zouden een indicatief karakter moeten hebben, maar ze verworden vaak tot afvinklijstjes. Ouders gebruiken ze om voor- maar vooral achterstand op te sporen bij hun baby of peuter. Het oog van een nieuwgeboren ouder valt overigens niet op de kenmerken die afgevinkt kunnen worden (mijn ogen vielen negen op de tien keer gewoon dicht bij het lezen van de lijstjes, maar dat is een andere kwestie), die ogen haken zich vast aan de kenmerken waar geen vinkje bijstaat. Ouders hebben al snel de neiging om deze lijstjes als normerend te interpreteren. Ik noem dit de zotheid van het kalenderdogma. Het kalenderdogma schrijft voor wat een kind op een bepaalde leeftijd kan. Het begint bij baby’s, maar het loopt gans de kindertijd door. Als je als ouder, net als ik, beslist om deze lijstjes naast je neer te leggen, wegens te normerend, dan pikt de school de lijstjes weer op. Eens je kind naar school gaat, zijn er ontwikkelingsdoelen voor de kleuters en leerdoelen voor de lagere schoolkinderen. De ontwikkelingsdoelen verschillen van de leerdoelen in die zin dat ontwikkelingsdoelen na te streven zijn en leerdoelen te bereiken. Onze maatschappij en ons onderwijs wil graag dat alle kinderen van éénzelfde leeftijd dezelfde normen, dezelfde doelen behalen. Een kind van zeven moet kunnen lezen, een kind van tien kent alle provinciehoofdsteden. Maar dat is nog niet alles: zolang je het doel niet behaald hebt, moet je oefenen en krijg je hulp. Zodra je het doel behaald hebt, kan er een vinkje naast je naam gezet worden. Jij hoeft geen extra aandacht meer. De zotheid van het kalenderdogma zorgt ervoor dat onze ogen gericht zijn op de kalenderleeftijd van het kind en niet op het kind zelf. De norm ligt buiten het kind. Als we het plaatje nu eens omdraaien: we kijken naar de ontwikkeling van het kind en stellen op basis daarvan doelen op. Je neemt niet de leeftijd als norm, maar het kind zelf. In ‘Oei, ik groei’ lees ik bij 17 maanden: ‘wil bevestigd worden in het ik-zijn’. Kunnen we afspreken dat we dit kenmerk ook toevoegen aan elk lijstje, ongeacht de leeftijd?   Moeder: Dus als we bij het museum komen, dan zeggen we dat je 7 jaar bent. Dochter: Maar ik ben toch 8 jaar? Moeder: Ja, maar tot 7 jaar krijg je korting. Dochter: Ah, krijg jij dan ook korting als je naar musea gaat? Moeder: ? Dochter: Jij zegt toch ook dat je 27 bent, terwijl je eigenlijk 35 bent.

Lore Dewulf
0 0

over raadsels

Een vader en zijn zoon raken betrokken bij een zwaar auto-ongeval. De vader is op slag dood, de zoon kan nog net op tijd naar het ziekenhuis gebracht worden. Hij moet met spoed geopereerd worden. In de operatiekamer kijkt de chirurg naar de jongen en roept: ‘Stop! Ik kan deze jongen niet opereren, want dit is mijn zoon!’. Hoe kan dat? Een tijd geleden kreeg ik dit raadsel voorgeschoteld. Het duurde even voor ik de juiste oplossing vond. Ik schrok en ik schaamde me ook een beetje. Ook al duurde het niet heel lang alvorens ik het juiste antwoord vond, het duurde sowieso te lang. Ik had graag gewild dat het antwoord er spontaan kwam, zonder nadenken. Ik vond het wel een fijn raadsel om mijn dochters voor te leggen. Op een zaterdagochtend aan de keukentafel zag ik mijn kans: ‘Wie heeft er zin in een raadsel?’. Ze zitten nog in de leeftijdscategorie waarin er enthousiast ‘ja’ gescandeerd wordt bij dergelijke vragen. Ik besef dat ik binnenkort enkel rollende ogen zal zien, eventueel gepaard gaand met een schuddend hoofd of een ostentatieve zucht. In tussentijd geniet ik nog even van mijn voordelige positie. Nadat ik uitgelegd had dat die vader niet écht dood was (het was maar een verhaal) en dat die jongen niet echt zwaargewond was (heeft hij echt geen pijn? Nee, het is een verzonnen verhaal), kreeg ik het laconieke antwoord: de dokter is zijn mama. Zonder bedenktijd en met een vanzelfsprekende spontaniteit. Ze vonden het de naam raadsel niet waardig. Ik had blijkbaar te grote verwachtingen gecreëerd (note to self: wees bescheiden bij het creëren van verwachtingen). Dus het daaropvolgende uur mocht ik raadsels verzinnen (lees: googelen), raadsels met een meer geschikte moeilijkheidsgraad. Wat een meer geschikte moeilijkheidsgraad is? Wel, dit misschien: wat heeft zes benen, twee hoofden, vier oren, twee handen en loopt op vier voeten? Terwijl ze de meest uiteenlopende, onbestaande dieren bedachten (mama, bestaan een honden met vier oren?), baalde ik nog steeds van mijn eigen antwoord. Ik vond het pijnlijk dat mijn geïnternaliseerde beeld van een chirurg mannelijk is. Maar tegelijkertijd vond ik het bemoedigend dat mijn dochters zich spontaan een beeld vormden van een vrouwelijke chirurge. Mijn moeder-dochter bevindingen vond ik waardevol op zich, maar ze kunnen ook geëxtrapoleerd worden. Er werden verschillende onderzoeken uitgevoerd waarbij gevraagd werd aan kinderen om ‘een wetenschapper’ te tekenen. In de jaren ’60 tekende 1% van de kinderen vrouwelijke wetenschappers, maar nu is dat 28%. Dit is uiteraard een verbetering, maar het beeld komt nog altijd niet overeen met de realiteit. In realiteit zijn er immers veel meer vrouwelijke wetenschappers.Opvallend is ook dat kinderen van 5 jaar, jongens en meisjes, ongeveer evenveel mannelijke als vrouwelijke wetenschappers tekenen. Tegen de tijd dat ze zeven of acht zijn, worden er veel meer mannelijke dan vrouwelijke wetenschappers getekend. Wanneer ze veertien zijn, tekenen ze vier keer zo veel mannelijke als vrouwelijke wetenschappers. Terug naar de keukentafel: nadat ze een ganse dierentuin nieuwe dieren verzonnen hadden, kwamen we bij het juiste antwoord ‘een paard met een ruiter erop’. Ze vonden het een flauw antwoord. Ik kon hen alleen maar gelijk geven. Dan maar zelf raadsels verzinnen.   Dochter: wat is het lekkerste land? Moeder: hmm, Italië? Daar kan je lekker eten. Dochter: fout! Het juiste antwoord is United Cakedom!

Lore Dewulf
0 0

over de bechdeltest

Dit weekend mochten de dochters naar een film kijken. Nu moet je weten dat ik geen al te grote fan ben van kinderfilms. Nooit geweest trouwens, zelfs niet toen ik zelf nog kind was. Ik vind ze over het algemeen luid en schreeuwerig. En bovendien zijn de meisjes in het verhaal vaak te roze en te hulpeloos. Maar daar had ik een oplossing voor gevonden: ze konden kijken naar Finding Nemo. Daar is immers geen opdeling tussen jongens en meisjes, vissen zijn vissen. Probleem opgelost. Tot ik ontdekte dat er ook mannelijke en vrouwelijke vissen waren. Het moet gezegd: het aantal roze vissen bleef wel tot een minimum beperkt. Maar de vrouwelijke vissen hebben een beperkte rol. Zo beperkt dat deze film niet slaagt voor de Bechdeltest. In deze test, ontwikkeld door Alison Bechdel in 1985, kan fictie getest worden op seksisme. Een film slaagt voor de test wanneer die voldoet aan drie criteria. Eén: er zijn twee of meer vrouwelijke personages met een naam. Twee: ze praten met elkaar. Drie: ze praten over iets anders dan de mannen in de film. Dit lijken simpele criteria om aan te voldoen, maar toch slaagt meer dan de helft van de films niet voor deze test. De test is uiteraard wat kort door de bocht: niet elke film die faalt voor de test, kunnen we seksistisch noemen. But that’s not the point, is it? Mijn dochters zien hoe vrouwen in veel films een bijrol krijgen. Het zijn eendimensionale personages die vaak enkel praten over baby’s en trouwen. Als ze al spreektijd krijgen. In het overgrote deel van de films (85%) staat het verhaal van de mannen centraal, zij zijn de hoofdpersonages. Mijn dochters zien dus dat de verhalen van meisjes en vrouwen minder belangrijk zijn dan de verhalen van de jongens en de mannen. Welke boodschap krijgen ze dus onderhuids mee: onze verhalen zijn het niet waard om verteld te worden? Ik heb een aantal jaren gedacht dat ik een pedagogisch schouderklopje verdiende door mijn dochters ver weg te houden van de stereotype prinsessenfilms. Films waarin prinsessen alleen maar bezig zijn met het kammen van hun lange blonde haren. Films waarin prinsessen dromen over prinsen waarmee ze kunnen trouwen. Ik schrok dan ook toen ik ontdekte dat Finding Nemo niet slaagt voor de Bechdeltest. Geen roze prinsessen is dus blijkbaar geen garantie om seksisme te vermijden. Nog een aantal jaren wachten, hoor ik je denken. Tot je de Lord of The Rings films kan kijken met de dames. Geen roze en hulpeloze vrouwen. Akkoord, maar ook helaas, ik moet je teleurstellen. De volledige trilogie - die nota bene 10 uur duurt - faalt voor de test. Weinig multi-dimensionale vrouwen daar in Middle Earth.   Moeder: Vanavond is het filmavond. Welke film zullen we kijken? Dochter: Een prinsessenfilm? Moeder: Goh, misschien moeten we een film kiezen zonder prinsessen? Dochter: Ok, dan wil ik kijken naar de Smurfenfilm!

Lore Dewulf
0 0

over dierenleed

Dieren staan in ons huis hoog aangeschreven. Ik denk dat het nipt zou worden, mochten we een democratische stemming ‘mens versus dier’ houden. Zeker twee stemmen voor de dieren, zeker één voor de mensen. Bij de vierde persoon twijfel ik over de voorkeur. Mezelf. We schrijven zondagochtend: dat staat gelijk aan schermtijd voor de dochters. Toen ik kind was, keken mijn broer en ik op zondagochtend naar Samson & Gert terwijl we pistolets aten. Dat was begin jaren ’90. Samson verdween in mijn leefwereld gestaag naar de achtergrond, maar in 2016 werd ‘samsonseks’ verkozen tot woord van het jaar. De term refereert volgens woordenboekuitgever Van Dale naar ouders die stiekem seks hebben terwijl hun kroost televisie kijkt. Naar mijn gevoel insinueert de term een te intense band tussen mens én dier. En geef toe, dat is wel het laatste waar je aan wil denken op een zondagmorgen (of gelijk welke andere ochtend). Voor de geïnteresseerden: een jaar vóór samsonseks, in 2015, was kraamkost het woord van het jaar. Dan denk ik: die chronologie kan beter. Wat was er eerst, samsonseks of kraamkost? Juist ja. Maar tijden veranderen. Samson krijgt geen schermtijd meer. Planet Earth is de waardige vervanger. De mix van verhalen over de meest excentrieke dieren, de soundtrack van Hans Zimmer en de stem van David Attenborough laten de emoties soms hoog oplopen. Als je zoals mijn dochters een groot dierenhart hebt, is het hartverscheurend om een roofdier te zien jagen op een prooi. Welk kamp moet je kiezen bij een achtervolging? Meestal is het belangrijkste criterium voor mijn dochters: welk dier is het schattigst? En met meest schattig bedoel ik het dier met de hoogste aaibaarheidsfactor. Het dier met de hoogste aaibaarheidsfactor krijgt alle krediet, het andere dier moet het zonder supporters stellen. Het ethische vraagstuk wordt pas moeilijker wanneer de twee dieren in kwestie vrij hoog staan op de aaibaarheidsladder. De dames vinden het hele roofdier-prooi verhaal moeilijk te vatten. Het is oneerlijk, vinden ze. Waarom moeten die dieren sterven? Ik hoor mezelf een halfslachtige (excuses voor het woordgebruik) uitleg geven: ‘zo zit de natuur nu eenmaal ineen’. Klopt, maar het is ook een dooddoener (nogmaals excuses). In mijn zoektocht naar een meer onderbouwd antwoord, kom ik terecht bij Darwin. Of beter: bij het boek van Johan Braeckman over Darwin. Tot pakweg 1850 is er een liefelijke visie op de natuur. De natuur wordt gezien als een vredige plaats, het is er romantisch, onschuldig, lieflijk en harmonieus. Hoe dat komt? Door de goedheid van God, uiteraard. Darwin komt echter met een andere hypothese. Hij stelt dat er in de natuur meer wordt gestorven dan geleefd. Dat we de natuur kunnen zien als een sterfhuis waarin elk dier slechts voedsel is voor een ander dier. Hij beschrijft de natuur als hard, bloederig en meedogenloos. Zo, dat is het soort onderbouwing die mijn dochters graag zullen horen. Het is ook Darwin die het heeft over ‘the survival of the fittest’. Dit is, in tegenstelling tot wat sommigen beweren, niet de sterkste, maar degene die zich het best kan aanpassen.   Dochter: als je een dier zou mogen zijn, welk dier zou je dan kiezen? Moeder: een leeuw. En jij? Dochter: een olifant of een muis. Moeder: kan je niet kiezen? Dochter: jawel, maar het hangt ervan af hoeveel honger ik heb.

Lore Dewulf
1 0

over beroepen

‘Wat wil je later worden?’ Elk kind krijgt vroeg en laat die vraag. Eigenlijk kan je het vergelijken met een kinderloos jong koppel dat op elk familiefeest de vraag krijgt: ‘En? Wanneer beginnen jullie aan kindjes? Zijn jullie al aan het oefenen?’. Denk er gerust de vette knipoog bij van nonkel Erik naar de jonge vrouw. ‘Nee, we willen nog geen kinderen. Sinds de komst van anticonceptie baart oefening kunst, geen kinderen’. Nonkel Erik staart de jonge vrouw even aan, neemt een ferme slok van zijn porto en zet zijn missie verder. Het koppel hoort hem aan de volgende tafel aan een ander jong koppel vragen: ‘En? Wanneer beginnen jullie aan kindjes?’. De vrouw denkt: oefening baart niet altijd kunst. Soms kan oefening ontaarden in eindeloze herhaling. ‘Wat je later wil worden?’ In mijn eigen kindertijd waren de opties als meisje beperkt. Althans, dat dacht ik. Je kon kiezen uit een exhaustief lijstje: juf en verpleegster werden met goedkeurend geknik beantwoord. Zangeres of actrice waren ook toegestaan, maar gingen vaak gepaard met een meewarige blik van de volwassene. Er waren nog enkele mogelijkheden, zoals winkelier. Je kon onder andere kiezen voor slager, bakker of ijsjesverkoper. Ik koos – uiteraard – voor ijsjesverkoper. Ik zei er wel steevast bij dat ik alle ijsjes zelf zou opeten. Opnieuw meewarige blikken: als dochter van een zelfstandige moest ik toch beter weten. Nu moeten mijn dochters dezelfde vraag beantwoorden. De vriendenboekjes doen immers de ronde in de lagere scholen en naast lievelingskleur (ik heb er twee, mag dat?), lievelingseten (ijsjes. En nee, ik zit daar voor niets tussen. Ik ben uiteindelijk geen ijsjesverkoper geworden. Mijn businessplan werd nooit goedgekeurd.), en lievelingsdier (kleine katjes), moet je ook invullen wat je later wil worden. Ik had gedacht dat we een ruimere mogelijkheid aan opties zouden hebben, maar we vallen tot mijn spijt in herhaling, al is het maar deels: juf, actrice of dierenarts. Ik sprak met een vriendin over de beroepen in de vriendenboekjes. Zij had een oplossing. Ze had met haar kinderen een lijst gemaakt van zoveel mogelijke beroepen. Als ze ergens op bezoek gingen, als ze iets op tv zagen of als ze iets in een boek lazen: elk beroep dat op hun pad kwam, werd op de lijst gezet. De kinderen leerden dat je ook mode-ontwerper kon worden of diepzeeduiker. Ik maakte thuis nog geen lijst met mijn dochters, maar ik speelde wel het spel: ‘Noem met elke letter van het alfabet een beroep’. Geen zorgen, er bestaat een wikipediapagina met een alfabetische lijst met beroepen (‘quizmaster’ of ‘quarantaine-beambte’, ik geef het maar even mee).Ik haalde ook het boek ‘Heldinnen’ van Janny van der Molen in huis, een kinderboek waar het levensverhaal van 50 vrouwen in beschreven staat. Vrouwen met uiteenlopende beroepen: van zeilster Laura Dekker over Lady Gaga tot Malala Yousafzai. We lazen de verhalen en ik zag hun horizonten verbreden. ‘Maar ik zou graag dierenarts worden, maar ook natuurfotograaf’, zei de oudste. Ik zei haar dat ze niet moest kiezen tussen die twee. Veel vrouwen hebben verschillende carrières na elkaar. Verschillende onderzoekers wijzen erop dat meisjes vaak multipotentialiteit in zich hebben, maar dat ze al snel door hun omgeving in een bepaalde richting geduwd worden. Ze hebben de neiging om vroeg een keuze te maken en zich bij het kiezen sterker te conformeren aan de verwachtingen dan jongens. Ik vind het belangrijk om hen te leren dat deze keuze mag evolueren en zelfs mee mag bewegen gedurende hun leven. Het is dus niet nodig om nu ‘de enige juiste beslissing’ te nemen. Moeder: ok, wat vul ik in bij ‘wat wil je later worden’? Dochter: euh…even denken…igloloog! Moeder: ok, en wat doet een igloloog? Dochter (kijkt meewarig): weet je dat niet? Iglo’s onderzoeken natuurlijk!

Lore Dewulf
0 0

over seksuele voorlichting

Mijn seksuele voorlichting op de lagere school bestond uit een aantal dia’s. We zagen plaatjes van een naakte man en een naakte vrouw. Duidelijk verouderd. Die dia’s, niet de naaktmodellen. Ik weet niet wie het gênanter vond, de groep elfjarigen of de leerkracht die de dia’s voorzag van een woordje uitleg. De gedimde lichten, in functie van de zichtbaarheid van de dia’s wel te verstaan, waren welkom voor iedereen die om dit of dat woord moest blozen. Seksuele voorlichting was kneuterig. Wij waren jong en onwetend en na de diapresentatie waren we jong, onwetend en gegeneerd. Hoe kon je achteraf een normale conversatie voeren als je net twee naakte volwassenen op elkaar zag liggen op een dia? Niet alleen de vorm, ook de inhoud was beperkt. Maar geen nood, er kwam een inhaalbeweging in het secundair onderwijs. Daar werd gesproken over voorbehoedsmiddelen, geslachtsgemeenschap en hormonen. Geslachtsgemeenschap moet zowat het meest onsexy woord zijn in de geschiedenis van de seksuele voorlichting. Waarschijnlijk kregen de twee mensen op die dia’s van de lagere school de instructie om ‘te doen alsof ze geslachtsgemeenschap hadden’. Terug naar het middelbaar onderwijs. We zaten met een groep pubers in de polyvalente zaal. Daar stond een slogan op de muur geschreven: ‘Niet alles wat je doet is belangrijk, maar het is belangrijk dat je het doet’. Tijdens de voorlichting ging er stiekem een briefje rond waarop iemand de slogan overschreven had en de ‘het’ voorzag van een extra klemtoon. Dit opgeteld met een uitgebreide uitleg over het correct gebruik van een condoom deed ons gniffelen, giechelen en zweten. Mocht er een instrument bestaan om de hoeveelheid hormonen te meten in een bepaalde ruimte, het toestel zou die namiddag tilt geslagen zijn in die polyvalente zaal. Onlangs keek ik naar Dokter Bea op Ketnet: een programma waar er openlijk over seks gepraat wordt. Het is gericht op kinderen van 9 tot 12 jaar en het behandelt thema’s waar ik op die leeftijd nog nooit van hoorde. Dokter Bea geeft heel wat antwoorden, maar het roept bij mijn kijkende dochters ook vragen op. Vragen waar ik niet op voorbereid was. Er kwamen vragen over maandstonden, de menstruatiecyclus en hormonen. Ik probeerde op een niet-plastische manier te antwoorden op al hun vragen. Ik vond mijn uitleg afdoende, maar hoorde later mijn ene dochter tegen mijn andere dochter zeggen: ‘Als je je maandstonden krijgt, kan je gewoon een pompon gebruiken’. Blij dat ik dat kon bijbrengen. Terwijl ik scrol door de afleveringen van Dokter Bea valt mijn oog op de aflevering ‘wat is porno?’. Informeren over porno is next level voorlichting, lijkt me. Ik sla deze aflevering over. Het thema menstruatiecyclus zit in mijn geest in de lade ‘biologie’, ik weet vooralsnog niet in welke lade porno zit. Vooraleer ik dat uitgedokterd heb, exploreren we het thema menstruatiecyclus grondig.   Dochter: ik zou graag nog een extra tante willen. Moeder: dan moeten oma en opa nog een kindje krijgen. Dochter: jaaaa! Leuk! Moeder: oma kan geen kindjes meer krijgen. Dochter: ahja, ze heeft geen eitjes meer. Moeder: ja, zo is dat. Dochter: hebben ze daarom kippen gekocht?

Lore Dewulf
4 0

over zoemende bijen

Of ik even kan helpen met haar huiswerk, vraagt mijn oudste dochter. Vooraleer ik toezeg, werp ik een snelle blik op het werkboek dat voor haar ligt: noteer de bovenliggende en onderliggende begrippen. De oefening start met een voorbeeld: het bovenliggende begrip is voertuig en de onderliggende begrippen zijn auto, trein en bus. Ok, kan ik. Kinderen leren al vrij vroeg in hun leven dat er bovenliggende begrippen bestaan en dat ze aan de hand van deze categorieën de wereld rondom zich kunnen indelen. Ze leren dit om de wereld behapbaar te houden. Of om een complexe wereld simplistisch voor te stellen, zo je wilt. Het begrip dier is één van de eerste categorieën die peuters leren. Traditiegetrouw bestaat de categorie dieren voor peuters uit een aantal basisdieren: hond, kat, paard, koe, varken, schaap en kip (Wat zegt de kip? Tok tok). In sommige boekjes wordt deze reeks verder uitgebreid met meer exotische exemplaren: olifant, leeuw, giraf en zebra (Wat zegt de zebra? Nee, echt serieus: wat zegt de zebra?). Maar tweedimensionale dieren die geen geluid maken, hebben een laag entertainmentgehalte. Peuters willen net dat tikkeltje meer. Naast het benoemen van de 2D-dieren, omvat het boekje-kijken ook het obligatoire nabootsen van dierengeluiden. Veel ouders ontpoppen zich tot semi- professionele dierennabootsers. Ik dacht dat ik ook tot die groep ouders behoorde. Niet dus. Ik blader met mijn peuterdochter in een dierenboek en in dat boek staat, jawel, een bij. Ik vraag haar, geheel volgens de voorschriften: ‘En wat zegt de bij?’. Ze kijkt me aan met een blik van: ‘Zeg jij het maar’. Dus ik vul aan: ‘De bij zegt zzzzz’. Mijn broer, die dit tafereel zit te volgen, begint onbedaarlijk te lachen: ‘De bij zegt niet zzzz, hij maakt een zoemend geluid met zijn vleugels. Ik zie het al voor me, een hummende bij’. We kunnen hier spreken van een inzicht. Van mij, niet van mijn peuter. Bij mijn jongste dochter paste ik wijselijk mijn tactiek aan: ‘wat doet de bij?’. Al word ik in familiale kringen nog herhaaldelijk gewezen op mijn blunder. In de lagere school wordt het begrip dier verder opgedeeld. De dieren kunnen we verder indelen in zoogdieren, vogels, vissen, amfibieën en reptielen. Elk dier behoort tot een specifieke categorie. Je kan niet tot de ene soort behoren en ook tot een andere. Het zijn absolute indelingen. Terwijl kinderen leren hoe ze dieren kunnen indelen, leren ze ook hoe ze mensen kunnen indelen: kinderen en volwassenen, gelovig en niet-gelovig, … Over het indelen van mensen in categorieën woedt op dit moment een heel hevige en rake discussie. Een discussie over racisme. Het is tijd om na te denken hoe we onze kinderen kunnen leren niet enkel in categorieën te denken. Het is immers geen kunst om in categorieën te denken, het is net de kunst om de absolute categorieën te nuanceren en onze kinderen (en onszelf, laat ons eerlijk zijn) te leren dat categorieën niet absoluut zijn. Deze discussie gaat over burgerzin, kritisch denken, erkenning en verdraagzaamheid. Misschien moeten we daar meer categoriek in zijn?   Dochter: Het bovenliggende begrip is insect. Ik heb al twee onderliggende begrippen: zweefvlieg en wesp. Weet jij er nog één? Moeder: Een bij. Dochter: En wat zegt de bij, mama?

Lore Dewulf
0 0

Opleiding

Licentiaat pedagogische wetenschappen