Lezen

Over de Liefde

     Het was een recente evolutie in het leven van Bernhard B. dat hij van koffie met melkschuim was gaan houden. Vroeger hield hij niet van melkschuim. Of juister: vroeger wist hij niet dat er zoiets als melkschuim bestond. Hij had het voor het eerst geproefd in een hotelletje in Nederland en het was hem dermate bevallen dat hij dezelfde dag nog bij HEMA een melkklopper had gekocht. Als een ander mens was hij naar België teruggekeerd. Mensen veranderen, zoiets hou je niet tegen. Ook Bernhard B. was voortdurend in verandering.      Dat hij in Nederland was geweest, had veel te maken met een andere nieuwigheid in zijn bestaan: sinds kort mocht Bernhard B. zich graag beginnend cabaretier noemen. Hij had al drie keer opgetreden. Eén keer in besloten kring, één keer op een talentenjacht in Gent, en één keer tijdens een voorronde van een cabaretwedstrijd in Groningen. Vooral dat laatste had hij een boeiende ervaring gevonden. Zijn timing was wat ongelukkig geweest, en de finale had hij niet gehaald, maar het scheen hem toe dat zijn doortocht niet geheel onopgemerkt was gebleven. Het juryverslag sprak van een gedurfde aanpak en een verrassende invalshoek. Misschien dat zijn set nog wat coherentie miste, maar dat waren dingen waar je aan kon werken.      Het schuim maakte Bernhard B. op basis van een wolk verse melk, die hij in een pannetje op het fornuis tot net onder het kookpunt bracht. Hij had de techniek al aardig onder de knie. Met vaste hand en regelmatige slag joeg hij de klopper erdoorheen. Het schuim was vol en smeuïg en er bleef zo goed als geen vloeibare substantie in het pannetje over. Bij elke poging kwam de perfecte kraag dichterbij.      Gisteren was hij aan een nieuw lied begonnen, ‘Een roos aan je deur’. Het was wat men noemt een werk in wording. In feite was zijn hele leven een werk in wording, bedacht Bernhard. Hij vond het een hoopgevende gedachte. Bij het lied zou een korte act horen, mogelijk iets met mime. Over een roos die wordt achtergelaten voor het huis van de afwezige geliefde, in de hoop dat straks, wanneer ze de bloem ziet, haar hart sneller zal slaan. Maar de afwezige geliefde blijft meer dan een week weg en als ze eindelijk thuiskomt is de roos bruin en verwelkt. Hij zou het stuk beginnen met een glimlach en eindigen met een pruillip. Hij had een sterke mimiek, had men in besloten kring gezegd.      Veel van zijn liedjes gingen over de liefde en Bernhard B., die ook op het podium gewoon Bernhard B. heette, speelde met het idee van een avondvullende voorstelling. Hij had zelfs al een titel: ‘Over de Liefde’. ‘Als de liefde er niet was, dan was ook ik er nooit geweest,’ zou hij zijn toeschouwers vertellen. ‘Liefde is leven. In liefde ben ik gekomen en in liefde wil ik gaan.’ Dat soort dingen, maar zonder stroperig te worden.      Voor de koffie had hij een Italiaans espressoapparaat. Hij gebruikte alleen vers gebrande bonen uit Colombia, die hij in de wereldwinkel kocht. Ook zo droeg hij bij tot een mooiere wereld. Bernhard B. was een goed mens.      Een kop koffie als metafoor voor de liefde, zou daar geen lied in zitten? Of een gebakje in de vorm van een hart, dat samen met de koffie werd geserveerd? Misschien kon hij alle mensen in het publiek … neen, dat was dan weer teveel van het goede. De kunst van goed cabaret zat in subtiliteit. Fingerspitzengefühl. Mensen waren als melk, je moest ze warm maken, maar mocht ze net niet laten koken. Een positief maar kritisch verhaal zou hij brengen, met sluwe verwijzingen naar lui die van de liefde niets begrepen. Mannen die hun vrouw sloegen, en hoe arm zulke mannen waren. De liefde was als zand. Je hield ze beter losjes in de hand dan er krampachtig in te knijpen.      Een klein schepje suiker maakte het helemaal af. De beste vond hij de ruwe rietsuiker uit Paraguay. Ook die kocht hij in de wereldwinkel. Ze had precies de goede smaak: aangenaam en subtiel. Zeemzoet was te mijden.   Uit de bundel: 'Beachy Head en andere verhalen'  ISBN 9789082436907www.ape-translations.be/nl/beachy-head/     

Lode Demetter
0 0

DE BERG VAN BABEL

Een paar kilometer van de kust verwijderd, begint in Tenerife het lavaberglandschap. Steile rotsen, ingesneden door barranca’s (kloven) en afgewisseld met hoogplateaus reiken helemaal tot aan de krater. Alle wegen lopen hier niet naar Rome maar naar de hoogste berg van Spanje, de Teide. In de loop der jaren zijn de Canaries er zich bewust van geworden dat er ook toeristen zijn die meer verlangen dan alleen maar aan het strand of naast het zwembad te liggen zonnen. Sinds kort markeren ze wandelpaden met gekleurde streepjes of cijfers. Soms lukken ze erin om een volledige wandeling foutloos te bewegwijzeren, maar uit ondervinding weten wij, dat de gekleurde aanwijzigen of cijfers ergens op het traject op een mysterieuze wijze verdwijnen. Een paar keer zijn wij, bij vroegere wandelingen, hopeloos verloren gelopen. Zo hebben ook wij meer dan eens dubbele, niet geplande, afstanden gewandeld.  We laten ons echter niet meer beetnemen en hebben sinds enkele jaren een wandelkaart gekocht. De zon schijnt warm over onze hoofden en we puffen tussen de lavarotsen de berg omhoog. Klimmend als berggeiten steken wij onze wandelstokken tussen het lavagrind. Naargelang wanneer de vulkaan uitgebarsten is, variëren de kleuren van de lavastenen. Grote zwarte piekerige rotsblokken tot kleine ei- grote witte, roze/roodbruine naar azulejos blauw/groene lavabrokken. Naargelang het stijgende pad steiler en steiler en de lucht op deze grote hoogte van ca. 2500 meter ijler en ijler wordt, vertraagt het wandelritme en dreunt ons hart sneller in onze oren. Op elk plat plateautje houden we eventjes halt om te drinken en om ons hartritme terug op mensenniveau te krijgen. Rond het middaguur komen we aan een wandelkruispunt waar de gekleurde streepjes en cijfertjes weer onvindbaar zijn. Wij zoeken hier een min of meer platte lavasteen uit en laten ons vallen  om te picknicken. We zullen daarna onze wandelkaart raadplegen. Achter ons komen een paar echtparen de berg opgeklommen. In de stilte van de ijle berglucht zweven Duitse, Scandinavische en Franse woorden onze richting uit. De Duitsers struikelen bijna over onze voeten .Ondanks hun omvangrijke buikenomtrek denderen zij ons op een marsritme als blinde moffen (heu sorry) mollen voorbij. Zij kregen met de moedermelk vermoedelijk de basisbeginsels van het wandelaarjargon niet mee. Nu moet men niet zoals de Oostenrijkers overdrijven en alle tien stappen god met hun Grüss Gott aanroepen, maar met een Spaans ola, een halo of een universeel vriendelijk knikje kom je als kruisende wandelaar toch ineens een stuk sympathieker over. De Franse man hijgt calorieverbrandend  het bergpad op. Hij ziet knalrood van inspanning. Het zweet gutst van zijn onbeschermde glanzende kale hoofd.  Ik hoop alleen maar dat hij op onze hoogte geen hartinfarct krijgt. Van de tegenovergestelde richting naderen twee jongelui. Een prachtig gebruinde jonge man en een jonge vrouw met benen tot aan de hemel. Haar short bedekt amper de ronding van haar achterste. Haar borstjes wippen als puddingen op en neer.  De zon weerkaatst blauw op haar lange pikzwarte haar dat ze telkens heel sexy naar achter zwiept. Geen druppel zweet is op haar mokkakleurige lichaam te bespeuren. Zij heeft twee koolzwarte oogjes, een redelijk grote neus en parelwitte tanden in een glimlachende mond.  Manlief staart haar vol bewondering aan. Als ik vraag of zijn pornografische voorstellingen voer voor publicatie zijn, lacht hij: “Het is wel duidelijk dat als je mooie vrouwen wil zien, je niet gedurende deze senioren- overwinterperiode op het strand moet rondkijken. Het is niet omdat ik wat ouder word, dat ik niet kan genieten van een Miss Spanje die hoog op de berg mijn pad kruist. En, daarbij, je weet dat ik van grote neuzen hou.” Dat is voor mij, die met Pinokkio een spelletje ‘om ter langste’ zou kunnen spelen, weeral een geruststelling.  De zes wandelaars houden halt op ons vier- armenkruispunt en zoeken allemaal een stukje in allerlei richtingen naar de ontbrekende kleurige aanwijzingen. Er ontstaat een Babylonische spraakverwarring als ze elkaar om raad vragen. De jongelui zijn Spanjaarden, die enkel een woordje Engels lispelen. Het ene koppel blijken Noren te zijn, die een mondje Duits spreken. Het andere koppel zijn twee Fransen, die alleen…Frans praten. Alle zes proberen ze elkaar te begrijpen. Ze wijzen naar alle mogelijke richtingen maar slagen er niet in, aan elkaar een zinnige uitleg te geven. Het enige woord waar ze het over eens zijn is ‘senderos’, wandelweg. We zien de vraagtekens in de blauwe hemel opstijgen. In welke taal zij ook praten, wij begrijpen elke zin die de berglucht in zweeft. Wij zitten een beetje te grinniken om de pantomime op de berg van Babel!  Eerst negeren ze de twee op de lavastenen zittende sandwichknabbelende wandelaars maar als ze de wandelkaart op onze knieën zien liggen beginnen ze taalbarrièrebrekend  naar ons te glimlachen. Manlief kan het niet laten en roept in het Frans, Duits, Engels en in ‘t Spaans dat hij eventjes met de wandelkaart zal komen. De wandelaars kijken hem vol ongeloof aan. Als ik manlief dan nog iets in het Vlaams naroep, kunnen ze helemaal niet meer plaatsen waar wij vandaan komen.  Meertalig wordt de wandelkaart bestudeerd. Wij fungeren als vertalers tussen dit bonte allegaartje. Onze borst zwelt als ze vragen hoe het toch mogelijk is, dat wij Vlamingen al die talen kennen?  Met een zekere trots verklaren wij dat wij ons zelfs met een beetje Italiaans ook verstaanbaar kunnen maken. De Noor lacht en zegt in het Duits: “Prachtig, zes talen maar Noors kennen jullie niet hé?”. Ik glimlach en zeg stralend een van de zinnen die nog uit een ver verleden in mijn hoofd zijn blijven hangen: “Jeg forstår og snakke litt norsk .“* De mond van het Scandinavische koppel valt open. Ik ga onmiddellijk verder met de tweede zin die ik nog ken: “Min ex mans mor e fra Trondheim.”*.  Nog voor de Noren de kans krijgen om van blijdschap in zwijm te vallen en hun levensverhaal op mij af te vuren, spoort manlief ons aan om de wandeling verder te zetten. Hij weet ondertussen wel dat mijn Noorse talenkennis maar uit drie zinnen bestaat. We stappen verder het lavapad af.   Ik kan het niet laten en draai me om, wuif naar de Scandinaven en roep mijn laatste zin: “Beholde deg godt!”* Het Franse echtpaar besluit, gezien het warmlopen van monsieur en zijn niet hittebestendige en overkokende  hersenpan, rechtsomkeer te maken. De Spaanse jongelui huppelen hand in hand verder heupwiegend de berg af. De Noren twijfelen nog of ze de grote of de verkorte versie van het wandelpad zullen afmaken en roepen nog “Takk”* naar ons. Nog één Noors zinnetje borrelt nog in mijn spraakcentrum omhoog: “Vaer sa god!* Al deze talen op een vierkante meter, hoe is het toch mogelijk? Ja, weten jullie nog dat verhaaltje van de Toren van Babel?  Verschillende volkeren bouwden in volledige samenhorigheid  in Babylon een hele hoge toren die tot aan het hemels paradijs zou moeten reiken. God hield de bouwwerkzaamheden angstvallig in het oog. Nooit zou hij toestaan dat de toren tot aan zijn voordeur zou komen en er allerlei bouwvakkers in zijn voortuin zouden bivakkeren. Een van zijn slechte karaktertrekjes kwam boven en vanaf zijn wolk in de hemel bliksemde hij zijn toorn over deze metselende volkeren. Vanaf dat moment zouden zij allemaal een andere taal spreken. Plots verstonden de architecten, de aannemers en de metselaars elkaar niet meer.  Het werd een Babylonische spraakverwarring en na een daverende ruzie werd de bouwwerf  stilgelegd! Vanaf dan spraken alle mensen op aarde verschillende talen en verspreidden ze zich over de ganse aarde. Leuke vent hé? Nu ging het eens de juiste richting uit! Ja, van een slecht karakter gesproken. Dat verhaaltje van Adam en Eva en die appel is nog zo iets. Eva dacht:  “A apple a day, keeps the doctor away!” Zij plukte die appel dan nog niet voor zichzelf, maar voor Adam. Maar dat was buiten de wil van God gerekend hoor. De twee geliefden werden uit het paradijs gegooid en om Eva extra te straffen zouden vanaf dan alle vrouwen in geweldige pijnen kinderen baren. Sadistisch machotrekje? Vindt de helft van de bevolking dit nu nog zo’n leuke man? En dan dat spelletje met Maria en Jozef. Maria zwanger maken en negen maanden met een dikke buik, als overspelige maagd laten rondlopen terwijl hij wist dat Jozef zijn vruchtbaarheiddatum al lang verstreken was. Drieëndertig jaar later liet hij zijn enige zoon aan het kruis nagelen. Het moet je vader maar zijn! Je zou bijna schrik krijgen, als hij op zondagochtend na het klokkengelui, juist jouw gebedje er uit de miljoenen andere zou uitkiezen om er zich een beetje mee te amuseren. Hopelijk verstaat hij zelf al die mensentalen nog een beetje, een verkeerde vertaling en je hebt de poppen aan het dansen.  Babel, Babel, babbel, babbel!   *Jeg forstår og snakke litt norsk. Ik versta en spreek een beetje Noors *Min ex mans mor e fra Trondheim. Mijn ex-man’s moeder is van Trondheim *beholde deg godt. Houdt jullie goed *Takk  bedankt *Vaers sa god  aub   Sim,  Tenerife 3 maart 2015

Sim
6 0

Hoed

Ik heb sinds afgelopen weekend een hoed. Een grote zwarte. Als ik opkijk van onder de afgesleten vilten rand in de metro, vang ik nieuwsgierige ogen. Ik had niet gedacht dat een hoed zoveel vragen kon oproepen, zowel bij mezelf als bij omstaanders. Het blijkt toch een vreemd object te zijn voor deze tegenwoordige tijd.   Ik begon me zelf vreemd te voelen en om me niet nog meer te vervreemden van de beschaving, nam ik mijn hoed af. De zon scheen en ik had het warm. Alleen voelde mijn hoofdkruin zich naakt en ik voelde me in mijn geheeld onbeschermd. Na nauwelijks een dag samen flaneren, besefte ik dat mijn nieuwe metgezel niet louter een esthetische functie had. Daar heb ik toch geen boodschap aan. Ik hou niet van pure esthetiek.   Een zonnebril is populair. Iedereen wil elke zomer een nieuwe. Om gezellig mee te pronken bij een roseetje op terras en om ondertussen ongemerkt je ogen tussen de benen of in de decolleté van je gesprekspartner te laten glijden zonder betrapt te worden en natuurlijk ook om je ogen te beschermen tegen de zon. Maar vooral toch om even onzichtbaar te zijn.   Ik besloot om mijn hoed terug op te zetten om niet alleen mijn ogen te beschermen voor de zon, maar ook voor de onbeschaamde blikken van toeristen die benieuwd naar je gaapten vanuit hun eigen vakantiebubbel. Je bent immers ook een onvrijwillige bijdrage aan het mooie decor op hun vakantiebestemming. Zoals de struisvogel met haar hoofd in een zandkuil waande ik me onzichtbaar met mijn hoed op. Met een grote opluchting stapte ik verder.   Overal zonnebrillen. Om het hipst. Iedereen een filmster. Ik bedacht me dat er vroeger geen zonnebrillen bestonden. De hoeden waren de zonnebrillen van nu en waren zelfs meer dan dat. Je kon zeer galant je hoed afnemen om iemand te begroeten, je kwetsbare naakte kruin tonen als uiting van respect. Net als de zonnebril nu, was de hoed aanvankelijk een praktisch nut, maar ijdel en kwetsbaar en nieuwsgierig als we zijn, werd de hoed ook een statement, een bescherming van ons ego, een façade.

Veronica De Rycke
12 1

voor mama

  geboren in de stad heel het leven één groot gat iedere keer opnieuw nieuwe dag nieuwe start elke dag stoned elke avond zat ik wou dat ik gewoon een normaal leven had geen gevoel, geen emotie, geen besef dat ik leef het is die gedachte waar ik nu om beef maar de fouten zijn geheim, ik zet mijn masker op ik moet het voorbeeld geven, opgezette pop   ik leef ik zweef sta op uit deze droom leef in de werkelijkheid gewoon ik doe mijn best om beter te zijn voor jou en voor mij en ik weet het doet pijn om te denken aan het verleden en hoe het zou moeten zijn maar ik beloof jou nu de toekomst staat klaar dit hoofdstuk is nu voorbij   proberen te leven, te nemen, te geven dat wordt vandaag mijn nieuwe streven iedereen maakt fouten, dat is normaal maar leer eruit, herpak je, het komt goed allemaal het leven is zo kort en we hebben er maar één dus sta op en ga ergens anders heen maar de fouten zijn geheim, ik zet mijn masker op ik moet het voorbeeld geven, opgezette pop   ik leef ik zweef sta op uit deze droom leef in de werkelijkheid gewoon ik doe mijn best om beter te zijn voor jou en voor mij en ik weet het doet pijn om te denken aan het verleden en hoe het zou moeten zijn maar ik beloof jou nu de toekomst staat klaar dit hoofdstuk is nu voorbij   zoveel fouten, zoveel kansen, niet gegrepen zoveel tranen, zoveel pijn gebroken harten, iedereen vergeef me, ik heb spijt   ik leef ik zweef sta op uit deze droom leef in de werkelijkheid gewoon ik doe mijn best om beter te zijn voor jou en voor mij en ik weet het doet pijn om te denken aan het verleden en hoe het zou moeten zijn maar ik beloof jou nu de toekomst staat klaar dit hoofdstuk is nu voorbij

Mia
1 0

Maelstrom met kalkoensalami

  Terwijl buiten een stille betoging plaatsvond voor de erkenning van de vele soorten onkruid als volwaardige planten en de dieren een staatsgreep overwogen, was ik mij bewust van de banaliteit en het hoge lulligheidsgehalte mijner verhalen en gedichten.   Als ik dan toch in voldoende mate deel zou uitmaken van deze mensheid, hoe moest ik dan omgaan met mijn medeplichtigheid aan deze vertoning die aan de ene kant melig, niet onaardig en zelfs van een vertederende aard kon zijn, maar anderzijds ook zo ontzettend wreed? Dan heb ik het niet zozeer over de grote misdaden, het oorlogsgeweld en de planeetvernieling; gewoon over de kleine dingen, die zouden kunnen gebeuren en ergens toe bijdragen, al was het maar aan onschuldige verlichting.   De meeste van die kleine dingen gebeurden echter niet. Gewoon omdat men er niet aan dacht ze te bewerkstelligen, omdat men er blind voor was of omdat men de mogelijkheid ervan niet eens kon waarnemen.  Het waren vergetelheden en beperkingen; de consequenties ontgingen haast eenieder. Onze gedachten volgden nu eenmaal denkpatronen waarvan we de limieten vaak niet eens beseften en we negeerden bewust en onbewust het overgrote deel, om ons bestaan leefbaar te houden, om niet gek te worden.   Uit mijn kreupele schrijfsels was al gebleken dat ik een eerder warrig denker ben. Ik durfde ze vaak niet eens te herlezen. Filosofie noch wijsbegeerte noch de nonchalance van een zorgeloze levensgenieter waren voor mij weggelegd. Erger nog. Door mijn geestelijke afwijking, was mijn wereldbeeld allicht nog meer vertekend dan bij andere mensen en was mijn hoop dat deze ganse vertoning ergens een pijnloos einde zou vinden ongetwijfeld gebaseerd op waanideeën en de gedachte dat deze planeet beter af zou zijn zonder deze overheersende soort ingegeven door dat aangeboren gevoel dat ik nergens toe behoorde, dat er nergens een geestelijk thuis voor me was en er slechts vreemdelingen om mij heen zwierven die allen die aanleg tot kleine, sommigen tot grotere wreedheden in zich droegen.   Desalniettemin. Zelfmedelijden is een kuil waarin menigeen valt en vaak ook een oorzaak van verdere verblinding, maar ik ging mij onder geen beding aanbieden als een gevangene van de treurnis en de moedeloosheid. Er was dit iets en dat was wellicht beter dan het niets.   Het meisje had mij het kladblok afgenomen en zei dat ze met me wilde praten. Ze had bot gevangen bij Patrick en Solange. Hij had rare ogen getrokken, toen ze naar de wifi vroeg. Eenvoudig nochtans. Zij zouden haar het paswoord geven en zij zou hen maandelijks de helft van de internetaansluiting betalen. "Wie zijt gij?" had Patrick gevraagd. "Doesjka," had ze geantwoord dat ze in de woning ernaast was komen wonen, in het leegstaande achterhuis. "Bij dienen raren?" en hij had intussen de streekkrant uit de brievenbus gehaald. "Ieder zijn eigen aansluiting," zei hij nog en had de deur weer toegetrokken.   "Oké, ’t is goed," sprak ik tot haar, "ik laat de gele man wel komen en aangezien je hier liever ergens gedomicilieerd bent, zet ik de aansluiting wel op mijn naam". Ik vroeg haar het kladblok terug te geven, hoopte dat ze mijn nonsens niet zou beginnen lezen en er dan een gevoel van schaamte over me heen zou komen.   Mijn blik vond het raam, mijn ogen het betogende onkruid en in de verte hoorde ik de geweerschoten al, ik voelde het daveren. Groepen olifanten, bizons en neushoorns waren in lange colonnes aan het optrekken, naar de omroepgebouwen, de parlementen en de vorstenhuizen. Lang zou het niet meer duren vooraleer er een betere wereldorde zou heersen en in afwachting van de overgave van onze al te ziek geworden soort, zou ik naar een video kijken, een glas bier in de hand. Maelstrom, aflevering zeventien, seizoen drie van Battlestar Galactica waarin Apollo begint te twijfelen aan de geestelijke gezondheid van Starbuck.   "Dertig euro zal ik je dan elke maand betalen voor dat internet,"  zegde Doesjka die me het kladblok in de handen duwde.   "Is goed," zei ik terwijl ze haar pas gekochte charcuterie in de frigo stak, en dat "ze maar best kon voorzichtig zijn, niets zo bedrieglijk was als de kleur van kalkoensalami".         uit de reeks  'Waanhoop'

Bernd Vanderbilt
0 0

De schijnbare paradox van geluk

Op de stoel voor mij zit een man van 1m90 met een trainingspak aan. Hij slaat een diepe zucht, buigt voorover en laat de elebogen op zijn gespierde bovenbenen rusten. Zijn gezicht rust in zijn grote handen. Ik voel de drang om mijn hand op zijn schouder te leggen. “Ik zie geen uitweg meer” zegt hij. Zijn handen zijn nat. Mijn hart begint sneller te kloppen. Ik probeer mijn stem niet te laten trillen. Ik probeer geen aandacht te geven aan de angstige gedachten in mijn hoofd. “Kan je het nog volhouden?”. “Of moet ik mij zorgen maken?”. Hij begint weer te praten. “Ik hoor elk uur de trein voorbij rijden en telkens wil ik daarondergaan liggen”. Zijn handen komen terecht op tafel met een luide, doffe klank. Zijn glanzende blauwe ogen zijn nu op mij gericht. “Ik ga nooit meer mijn kop durven laten zien hierbuiten”. Zijn ogen worden smaller. “Ik kan dit niet meer volhouden”. Ik vraag of hij concrete plannen heeft gemaakt. Hij houdt zijn lippen dicht opeen en hij kijkt weg.                Frank, 35 jaar, succesvolle carrière als voetballer, getrouwd met de vrouw van zijn leven, net een nieuw huis gekocht en een zoon van 3 jaar oud. Ziek van geluk? De diagnose is een depressie bovenop een narcistische persoonlijkheidsstoornis met compulsieve kenmerken. Maar voor mij was Frank veel meer dan dat. Mijn bewondering is groots. Een gebroken man is zoveel boeiender om naar te luisteren. Ik wil hem begrijpen en voelen wat hij voelt. Ik heb mijn patiënten nodig. Ze veranderen mij. Ze dwingen mij om naar mezelf te kijken en naar de maatschappij. Om niet overmand te worden door emoties, moet mijn geest gezond blijven. Ik heb dus ook afstand nodig. Een goede supervisor, een warm gezin en toffe vrienden. Bezig zijn met dieren en mij verdiepen in interieur en design horen tot mijn eigen therapie. Mensen in mijn omgeving die geen hulpverleners zijn vragen dan; “waarom doe jij dit toch? Al die miserie van de mensen aanhoren”. Ja, ik sta dicht bij pijn, verdriet en dood. Maar ik op die manier sta nog dichter bij liefde, steun en hoop. Frank is uit het dal gekomen. Hij moet niet meer de meest talentvolle voetballer zijn. Hij moet niet meer onaantastbaar zijn. Hij is nu groter dan hij ooit is geweest.  Een depressie was het ergste en het beste wat Frank is overkomen.    

lieselotte
0 0

Curieus doet buurten Samen(k)leven

Beste (naam persoon uit schrijfcursus)     Om ertoe bij te dragen dat mensen sneller bij hun buren aanbellen wanneer ze een huishoudtoestel ontberen, wil Curieus SAMEN(k)LEVEN. Daarom verdelen we op grote schaal Deelstickertjes.   Een waslijst aan aantrekkelijke pictogrammen die je op jouw brievenbus kan kleven. Zo geven sociale zielen aan elkaar te kennen welk materiaal ze willen uitlenen of delen: een frigobox, fietspomp, frietketel, kruiwagen, ladder, tent, tuinslang, aperitieftafels, tuinstoelen, verrekijker, parasol, grote kookpot, champagneglazen, lichtslinger, GPS … Want een pak gereedschap heb je echt niet elke dag nodig (of bak jij élke dag frieten terwijl je buur élke dag zijn gras maait? :-). In Herent, Lichtervelde, Mechelen, Borgerhout, Gent, Roeselare, Schaarbeek, Leuven … kleven al aardig wat buren aan deelstickertjes op hun brievenbus. Maar we zijn best ambitieus. We willen dat elke wijk, elke straat in Vlaanderen en Brussel SAMEN(k)LEEFT. Een vrolijke epidemie die langzaam maar trefzeker alle brievenbussen overspoelt. Hoe meer mensen aan het delen gaan met hun buren, hoe bewuster we consumeren (of consuminderen) en hoe warmer onze buurten.Daarom zou het heel tof zijn mocht jij ons willen helpen om deze Deelstickertjes te verspreiden. Want delen van kostbaar goed is niet alleen een positief alternatief voor de dolgedraaide consumptiemaatschappij. Maar ook een fijne manier om je buren te leren kennen en het sociale weefsel in de buurt te versterken.Kleef je mee? Dank u wel!     Met vriendelijke groet Charlotte

Charlotte Lootens
1 0

Brief aan Ahmed en zijn ouders

JL Lecocq                                                                               Zaventem, 1 oktober 2015 Burgemeester Zaventem adres telefoonnummer                                                                                                        Mijnheer en Mevrouw Almaci en zoon Ahmed Vlieghavenlaan 45 1930 Zaventem     Onderwerp: Welkom in onze gemeente!     Beste mevrouw Almaci Beste meneer Almaci Beste Ahmed     Proficiat met uw keuze voor deze school. We heten Ahmed welkom! Op onze gemeenteschool is iedereen welkom. We staan zeer open tegenover leerlingen van andere culturen en zorgen ervoor dat ze gemakkelijk kunnen deelnemen aan ons onderwijs. U mag er zeker van zijn dat uw zoon zich snel zal thuisvoelen in zijn nieuwe klas.   U heeft gekozen voor een Nederlandstalige school. Dat wil zeggen dat leerlingen, leerkrachten en de directie enkel Nederlands mogen spreken op school.   Dit is voor Ahmed een groot voordeel. Hij zal in korte tijd voldoende Nederlands kunnen spreken om de lessen mee te volgen. Hij zal ook snel taken kunnen maken en met vriendjes en vriendinnetjes kunnen spelen. Na verloop van tijd zal Ahmed perfect tweetalig zijn. Dit zal van pas komen voor latere studies of op het werk.    Maar ook voor u, als ouder, is het erg belangrijk om Nederlands te kunnen spreken.   U woont in een Nederlandse gemeente binnen het Vlaams Gewest. Iedereen spreekt Nederlands in het gemeentehuis, in de winkel, op school, in uw buurt. Andere mensen waarderen het als u hen in het Nederlands aanspreekt. Ze zullen vriendelijker zijn en jullie meer willen helpen. U zal gemakkelijker mensen leren kennen en u sneller thuis voelen. U kan uw kinderen helpen met huiswerk. U zal sneller werk vinden. Heeft u al een job in de gemeente? Uw collega's zullen blij zijn dat u de taal leert en moeite doet.  Verenigingen zullen u met open armen ontvangen als u inspanningen doet om onze taal te leren. Kortom: als u Nederlands kunt, zal u zich echt thuis voelen.   Wij willen u graag hierbij helpen. Wij organiseren samen met het Centrum voor Basiseducatie De Springplank lessen Nederlands voor anderstaligen (voor beginners en gevorderden).      Hoogachtend Mijnheer JL Lecocq Burgemeester      

Charlotte Lootens
1 0

IL FAUT DE TOUT POUR FAIRE UN MONDE

Elk jaar opnieuw eindigt het toeristenseizoen in Grau du Roi met plaatselijke feestelijkheden.  De Camargue- cowboys laten de laatste weken van september hun stiertjes weer in formatie door de straten van het stadje richting de arena lopen. Op elke hoek van de straat speelt er een opzwepend Camargue orkestje vrolijke Gipsy King melodietjes. De feestvreugde zit er goed in. We zoeken ons een zitplaatsje langs het parcours waar we de stierenloop en de passanten goed kunnen bekijken. Buiten de nog min of meer normaal uitziende bruine septembertoeristen en de mensen, die hier hun weekendhuisjes hebben, worden de straten overspoeld door allerlei soorten malloten. Het lijkt wel dat alle instellingen, inrichtingen, gevangenissen en verbeteringsgestichten, van Grau en omstreken, al hun patiënten en gedetineerden gezamenlijk een weekendje vrijaf gegeven hebben. Langs het parcours staan overal dranghekken zodat niemand gevaar zou mogen lopen om door een losgebroken stier verpletterd te worden. Alhoewel er in vijf talen verwittigd wordt dat je tijdens de doortocht van de stieren achter de dranghekken moet plaatsnemen, houden alleen de meeste toeristen zich aan de opgelegde regels. De meeste habitués blijven onverstoord in het midden van het stratenparcours rond kuieren. Tussen de menigte feestgangers schuifelen zigeuners die iets minder in de stierenloop geïnteresseerd zijn. Wij kijken onze ogen uit. Je houdt het niet voor mogelijk wat je allemaal aan menselijke mafkezen ziet voorbij slenteren. Dikbuikige borstenmannen in slank makende zwarte T-shirts waarop in fluo letters Quick Silver staat, deinen voorbij. Aan hun waggelende eendenstap is echter niets kwieks meer te bespeuren. Het eerste kanonschot klinkt om iedereen te verwittigen dat de abrivados (stierenlopen) van start  gaan. De eerste Camargue- paarden met stiertjes hollen door de straten. Ze moeten echter om de haverklap vertragen omdat de menigte maar heel traag uit elkaar splijt om daarna als magneetdeeltjes terug in het midden van de straat bij elkaar te klonteren. Manlief tikt me met zijn knie aan en knikt met zijn hoofd naar de richting die ik moet kijken. Een jonge vrouw draagt een half doorzichtige lichtroze jurk waarbij je door de wiebelende vetlagen haar voorkant niet meer van haar achterkant kan onderscheiden. Haar hoofd is zonder hals of nekpartij op haar lichaam geperst. Onder haar veel te strakke jurk kan je soms haar sinaasappelnetjes zien schommelen, met juist boven de knieën de enige overgebleven pompelmoezen. Haar met glitterspeldjes opgestoken haar lijkt op een gigantische witte suikerspin. Aan elke hand, van haar zwaaiende lillende armen, bengelen en jengelen twee toekomstig obesitasjes . Haar treuzelman schuifelt achter hen aan terwijl hij in een broodje hamburger bijt. Hij draagt een T-shirt vol ketchupvlekken met de opprint “I am the most wanted man”. Het zal wel! Manlief kan zijn lachen niet inhouden. Ze lopen met zijn vieren in het midden van de straat, blokkeren met hun uitgezakte lichamen de volledige doorgang en waggelen op het laatste moment uit elkaar als de paarden- en stierenformatie op enkele meter van hen verwijderd is. Een paar Oostblokkers staart met half gesloten ogen, al een beetje onder invloed, naar de langs drummende mensen. Zij drukken grote blikken bier tegen hun getatoeëerde blote torsos. Hun twee tronies doen vermoeden dat ze in alle landen van de Europese Unie gezocht worden. De kale zwaait met zijn knalrode T-shirt als een toreador over en weer.  Eens de cowboy- stierencombinatie bijna op zijn hoogte is, stopt hij uit schrik dat de stieren daadwerkelijk op de rode lap zouden reageren, vlug zijn shirt achter zijn rug.  De tweede heeft in beide oren oorringen die nog groter zijn dan champagne kroonkurken. Langs elke kant van zijn mond heeft hij grote schroeven door zijn lippen.  Hij draagt zijn pet achterstevoren op zijn weggeschoren haar. De stupiditeit druipt van hun gezichten, maar ze vallen totaal niet op tussen de andere wachtende simpele carnavalsgekken. In de verte komen er twee overjarige tweelingbroers aangeslenterd. De eerste grijze broer heeft in zwart Afrika een jong, maar heel lelijk groen blaadje op de kop kunnen tikken. Ze lijkt op een overrijp vruchtbaarheidsbeeldje. De papa/opa draagt een joelende, op en neer wippende, halfbloedpeuter op de schouders, die te pas en te onpas krijst, dat de stiertjes op komst zijn. Papa kijkt trots, mama strijkt over haar dikke buik en kijkt verveeld. De tweede broer draagt een bruine cowboyhoed en een shirt met het logo van het whiskymerk JB. Over zijn buik staat de Franse vertaling van die twee letters J B: Jeune et Beau, jong en mooi. ‘Wishful thinking!’ Het is duidelijk dat deze man thuis geen spiegels heeft hangen. Ook hij, heeft zich ergens in Azië een bruidje aangeschaft. Dit kleine tengere kindvrouwtje stond vermoedelijk ook niet op de voorste rij toen de schoonheidsidealen uitgedeeld werden. Beide geïmporteerde vrouwtjes doen niet onmiddellijk aan seksuele uitwisseling denken.  Manlief klopt me op de arm: “schoon volk op kwart voor twaalf!”. Ik draai mijn hoofd om en zie een paar prachtige jonge vrouwen onze richting uitkomen. Korte shorts tot net op de bilronding, lange benen, hoge plateauschoenen, rondzwiepende haren, oorringen die glinsteren in de zon en behoorlijke toeters. Ze vallen zo totaal uit de toon tussen al die dorpsgekken dat ze door de mannen bijna als een bezienswaardigheid nagekeken worden. Ik wijs manlief erop dat de meiden echter hand in hand lopen en met een sprankelende verliefde puberblik naar elkaar lachen. Zo zie je maar..! Achter de meisjes, wankelt een anorexia dame voorbij op meer dan 10 cm hoge hakken. Zij draagt een heftig flitsend knaloranje fluo- bloesje en een heel spannende latexbroek met tijgerprint, die haar knokige billen alleen maar benadrukt. In haar luciferstokjes- arm houdt zij een bibberend Chiwawa hondje. Met haar vrije hand houdt ze haar naar voren waaiende, uitgeplozen blonde paardenstaart uit haar strakgetrokken aangezicht. Eventjes vraag ik mij af of er ook een meneer anorexia is, of heeft die misschien het hazenpad gekozen, op zoek naar zachtere en malsere oorden. Recht over ons staat er een man met een gigantische zwarte punkerhanenkam. Het blijft voor mij nog steeds een raadsel hoe hij zijn haar, met de hier vrij hevige mistralwinden zo recht kan laten staan. Hij staat al geruime tijd ongeïnteresseerd en verveeld naar zijn schoenen te staren, alsof hij verwacht dat de stieren tussen zijn tenen uit gaan springen. Zijn vriendin, waarmee hij hand in hand staat,  heeft lang roombotergeel engelenhaar dat tot over haar billen golft. Zij draagt een lange witte jurk met vaalgele plekken, alsof iemand haar onder gepiest heeft. Haar armen zijn spierwit en steken behoorlijk af tegen de andere diepbruine vakantiearmen. Regelmatig stapt ze naar het midden van de straat om te kijken of de volgende stieren nog niet in aantocht zijn en dweilt hierbij met haar jurk over de paardenstronten. We zien alleen haar achterkant die ons aan een perfect madonna beeld doet denken. Als de paardenformatie voorbij galoppeert, draait ze zich eindelijk om. Het is alsof ze als figurant weggelopen is uit de vroegere spokenserie, de Adams Family. Zij heeft een doorschijnende witte huid en in haar grote decolleté bollen twee halfblote gelatineborsten, waarop een schorpioen getatoeëerd is.  Haar ogen heeft ze met zoveel eyeliner en mascara bewerkt dat ze op een ziekelijke panda gelijkt.  Een van hun vrienden heeft al zijn hoofdhaar laten wegscheren op een pluk na. Die kleeft van op zijn voorhoofd als een vettige pladijs over zijn hoofd en eindigt achteraan in een knoetje zo groot als een druif waar een roze elastiekje omheen zit . Waar zijn short eindigt, beginnen de blauwe inkttekeningen, helemaal tot in zijn zwartgelakte schoenen. Als de stiertjes voorbijlopen, gaan de haantjes van Grau erachteraan. Met veel jong machovertoon trekken de jongens aan de staarten van de dieren. Het tonen van deze bravoure zal hun tijdens de rest van het schooljaar vermoedelijk een zeker heldendomprestige opleveren. Iets verder, naast ons, staat een tandeloze Graulien te roepen. Zijn feestenthousiasme is al behoorlijk opgeklopt met de nodige pastisdrankjes. Hij is blijkbaar ook één van de dorpsidioten die hun medicijnen vergaten in te nemen. Met zijn één nog resterende tand, zo groot als een grafsteen, grijnst hij naar de wachtende feestvierders en roept hij allerlei wartaal. Hij draagt een scheefgezakte kapiteinspet op zijn woeste grijze haardos. Zijn blauw en wit gestreepte zeemanstrui steekt in een bermudabroek met levensgrote ananas printen. Juist voor de volgende stierenloop door de straten raast, komt er een bejaard echtpaar uit een huisje dat zich langs het parcours bevindt. Ze waren beiden ergens in het Elvis tijdperk blijven steken. Het lijkt wel of ze juist van een verkleedpartijtje komen. Hij heeft gigantische zwartgeverfde bakkebaarden die elkaar bijna onderaan zijn kin terug tegenkomen en een royale zwarte vetkuif. Zij was waarschijnlijk vroeger een aandachttrekkende moordgriet met lange rode haren. De jaren hebben echter hun werk gedaan en de neplederen franje overgooier past totaal niet over haar rode bloempjesjurk. Haar rossige haar is op de zijkanten bijna helemaal weggeschoren en de resterende bos krullen boven op haar hoofd is knalrood geverfd. Manlief heeft het eventjes niet meer en allebei schateren we het uit. Een tweede kanonsknal weerklinkt en dat betekent dat de abrivados eindigen. Ik kan best begrijpen dat jullie denken dat ik lichtjes overdrijf.  Om de waarheid van dit verhaal te kunnen geloven, moet je deze freakshow echter wel met je eigen ogen gezien hebben. Ik kan niet van elke randdebiel een foto maken want dan zou er ondertussen al lang een prijs op mijn hoofd staan. Het is bijna onbeschrijfelijk hoe de plaatselijke inteelt hier jaren zijn sporen achtergelaten heeft. Het zou geen slecht idee zijn als de Franse overheid alle asielzoekers, die zich in Frankrijk willen vestigen, zouden verplichten om dit weekeindje tijdens het Zuid Franse “la fête du Grau du Roi!” een kijkje te komen nemen. Elke vluchteling met een gezonde dosis intelligentie zal volgens mij hierna tweemaal nadenken. Wil hij wel integreren tussen zo’n zootje schlemielen? Ik zou het volledig begrijpen als de asielzoeker, na het bekijken van al deze psychisch gestoorden, zich zo snel mogelijk uit de voeten zou willen maken. In plaats van zijn vingerafdrukken te laten nemen en zich te laten registreren zal hij plots, luid jammerend en huilend terug de Middellandse Zee induiken en onverwijld terug naar het oorlogsgebied zwemmen.   Sim,                                 Grau du Roi 18 september 2015  

Sim
48 0

Mijn digitale detox

Wat gebeurt er als je de digitale wereld een weekje buiten spel zet? Kunnen wij nog goed functioneren in een analoge wereld? Op die vragen wil ik een antwoord en daarom ga ik ervoor. Een week lang ga ik gewoon offline, ik verorber geen snelle sociale media snack in de wachtrij en ik maak geen enkele vluchtige bijdrage tot de digitale consumptie maatschappij.   Voor mij is dit geen gemakkelijke opdracht want ik werk als online marketeer en ik speel als blogger, dus opgeteld is dat hele dagen en vele nachten online.   Hieronder volgend enkele van mijn ervaringen:   1. Ik ben een beetje eenzaam...Hoe je het ook draait of keert de vele sociale netwerken zorgen voor een constant sociaal groepsgevoel, je bent nooit alleen. Echt afspreken kan ook niet, want ik ben niet bereikbaar.   2. Ik verveel mij...Op de trein, in de rij, op de wc overal wacht ik nu een beetje, want zonder dat handige apparaatje aan mijn hand vergroeid is er weinigentertainment te vinden rond mij.   3. Ik ben een beetje dommer...Wat mis ik google...nu moet ik elk probleem of vraag zelf oplossen zonder een enorme database aan mijn vingertoppen.   4. ik ben een beetje verloren...Zonder mijn google maps lijken alle straten een stomende kom spagettislierten in die onbekende stad. Zou het geen fantastische uitvinding zijn om google maps ook analoog uit te printen en dan met een papiertje de weg zoeken?   5. Ik ben een beetje onrustiger...Elke minuut dat ik offline ben groeit mijn e-mail bestand, verzwaart mijn dropbox en bouwt de nieuwe informatie op. De angst om 'iets' te missen neemt toe. Ik word hier niet rustig, maar ik bereid me voor op een gigantische inhaalbeweging.   Ik kan dus inderdaad leven zonder een constante digitale inmenging, zelfs na een weekje ontbering leef ik nog. Maar het leven want net iets moeilijker, iets onbekender en iets minder aantrekkelijk.   Doe zelf de digitale detox en laat me weten wat je ervan vindt...

Karin van Hees
1 0

Roeland lustte zomerloof

    hopla slokje elixir Roeland lustte zomerloof wonderpost van Pietje Puk iene miene babybuik Reginald mijn kleine uk 't papje stond al op de stoof geef je tuutje nu maar hier     Enkele dagen geleden had ze haar intrek genomen in het achterhuis en dit rare rijmeliedje weerklonk, vulde het vertrek met een bizarre vrolijkheid. "Of ze het paswoord van de wifi mocht," vroeg ze me, "dan hoef ik geen eigen internet, betaal ik elke maand de helft." "Zo goed ken ik de buren niet," antwoordde ik, "Patrick en Solange, gepensioneerd. Je kan het vragen, want hier is geen internet. Die hebben verzekers wel wifi. Voor de smartphone van Solange."   "Gekocht om mee te doen naar Benidorm," had ze me gezegd toen ze bij de beenhouwer aan dat ding zat te peuteren en drie jaar daarvoor hadden ze hun villa verkocht, waren ze hiernaast, in één van de nieuwe appartementen komen wonen. Op 21 juli stond het schuifraam open, had ik ze bezig gehoord. Hij een nieuw record en zij moest enkel nog een één, een acht, een drie en een nul kwijt. Hij speelde tetris, op de website van Ketnet; zij hield van sudoku, ook van réussite.   'Zelfstandig' waren ze geweest. Iets met hondenvoeding en sproeistoffen. Iets met een labrador en een kind dat niet nieuwsgieriger geweest was dan andere. Iets met een jonge dood, maar ik kan me niet herinneren of het de labrador dan wel het kind betrof.   Na één gesprek weet een mens meestal genoeg. Het tienermeisje in het achterhuis mocht van mijn part blijven, en blijven zingen. Ik durfde er blij van te worden. "Van waar je Roeland en Reginald kent?" vroeg ik haar. "Dat liedje? Hoorde ik vaak, toen ze onkruid trok. Gladys, de buurvrouw. Toen ik bij het Valkenbos woonde, bij pa en ma."   Van Gladys weet ik dat "ze nog zachter was dan Mieke Vogels, nog wijzer dan Magda Aelvoet en dat ze formidabele moelleux kon maken, hem kon doen wegsmelten". Roelands woorden. Ik had ze opgeschreven voor mijn verzameling 'oneliners van de gewone mens'. Hij had een jaar of twee bij haar ingewoond, want zijn moeder wist er geen weg meer mee. Hysterisch werd ze van al zijn streken en Gladys, de alleenstaande hippietante met de groene vingers en de vrije gedachten, had zich over hem ontfermd.   Zij ging hem wel in 't gareel houden. Bij haar zou ie zich wel kunnen uitleven, daar op den buiten en terwijl tante Gladys temidden de jasmijn, de welderige seringen en de zotgekleurde hyancinten haar buste aan de zomerzon liet zien, hielp Roeland bij de witloofboer, in die donkere koterijen, wortels opzetten voor de trek. Ze vond altijd wel iets om hem bezig te houden op vrije dagen en ’s avonds probeerde ze hem wat levenswijsheid in te lepelen, dronken ze wel eens elixir d’Anvers, aten ze van de wildste bessen. Op een dag kon ze hem zelfs overtuigen om het eind september eens te proberen aan den unief van Gent. Pol en soc, waarom ook niet?   Ik kreeg honger, trok naar het frietkot in de Snellegemstraat en wat wilde de coïncidentie? Ignace en Roeland, allebei in zondagsvel. "Ziet dat 'ier. Den enen met een flasseltje Safir en den anderen met een blikstje Coca!" Maar mijn Brugs was nog niet zo goed en hield het bij een "Jo de mannen".   Op een autocar van Eltebe hadden ze mekaar leren kennen die twee, tijdens een groepsreis van dr. Fraeyman, naar Lissabon, in een lamentabel stadium, onderweg naar de achterbuurten van het onderbewustzijn en zoete zuivering.   Alsof er azijn in zijn colablik zat en Roeland greep de kabouter bij de keel. "Wadde? Reginald een verwend pamperkind?" vloekte Roeland. "'t Waren de woorden van Ignace", klonk het schraperig uit het toegenepen strotje.   Roelands bouletten waren gereed en hij liet de dwerg weer zakken. "Gij debiele na-aper, onnozele nazegger," schudde Ignace het hoofd en stak Alfred in de zak, van de Delhaize, bij het witte brood en het dagboek van Andras Pandi.   Ignace trapte het af. Roeland begon zijn twee bouletten naar binnen te werken en ik stond daar, dat liedje nog altijd op de lippen, te wachten op mijn kleintje met mayonaise.           uit de reeks  'Roeland Wittebolle'

Bernd Vanderbilt
43 0

profielschets van mijn lezer

WETEN    wat weet de lezer over het onderwerp?  Hij/zij werkt in marketing en heeft een duidelijke interesse in digitale marketing en communicatie Wat is de maatschappelijke positie van de lezer?  Hogere opleiding, goed verdiener. Weet hij over de context ? Wat weet hij over jouw vakgebied?  Genoeg, hij werkt in hetzelfde vakgebied of een positie met een raakvlak aan het onderwerp. Is de lezer een medestander of tegenstander? Welke belangen heeft hij/zij? de lezer is neutraal maar kan een andere opinie hebben dan die in de tekst, hij is kritisch. Zijn belang is het ontdekken van nieuwe informatie over zijn vakgebied, interesse. WILLEN ​wat wil de lezer weten? informatie, werkwijzes, toepasbare methodes, oplossing voor een probleem?  Hij wil hoofdzaken maar ook praktische details, niet teveel in detail. Hij wil benaderd worden als een gelijke gesprekspartner Hoeveel tijd wil hij hieraan besteden? Hij wil een kort informatief, niet te langdradig artikel lezen De lezer wil louter geïnformeerd worden, het is geen overtuigende tekst wil de lezer tot handelen aangezet worden, ergens wel, maar er is geen sprake van een harde call-to-action. VINDEN ​Hoe staat de lezer tegenover het onderwerp? Er is zeker interesse in het onderwerp, maar ook met een kritische blik.  Heeft de lezer vooroordelen? De lezer staat open voor de tekst en de suggesties maar omwille van zijn voorkennis kan hij ook bijzonder kritisch zijn of een andere mening hebben. KUNNEN ​Het gaat zeker over een ervaren lezer Hij kan lange teksten aan, maar niet in deze context. het gaat hier namelijk over een online artikel, dat kort en gebonden moet zijn. Hij kan abstractie aan maar dat is hier niet gepast. Hij begrijpt de vakjargon.

Karin van Hees
1 0

Cultuurbarbaren

Het gebeurde ergens in de vorige eeuw. Rond 1991, als ik het goed heb. Ik was ingelijfd bij een theatergezelschap. Geen ordinair stelletje amateurs, maar een zichzelf respecterende groep semi-professionelen! Een term die inhield dat we na iedere voorstelling een aalmoes kregen, en niet in een achterafzaaltje onze kunsten hoefden te demonstreren, maar dat we de boer opgingen. Tot in Amsterdam en Leeuwarden toe! Tijdens barre wintermaanden nog wel! Ga daar maar eens aanstaan!   Enkele weken voor de zomer zijn intrede deed, werden plannen gesmeed om met de hele theatergroep op vakantie te gaan. Naar Hongarije. De Berlijnse muur was nog maar pas gesloopt; de laatste restjes betonstof amper opgeveegd. Wij gingen eens opsnuiven hoe pas verworven vrijheid ruikt. Ik schreef me aanstonds in. Waarom ook niet? Ik was vrijgezel op dat moment. Geen hond om rekening mee te houden. En op mijn eentje zou ik toch nooit de hort op gaan. Mooi meegenomen dus, deze groepsreis! Groepsreis? Enkele dagen voor vertrek bleek dat ik - naast mijn vrouwelijke tegenspeelster, Eva, en haar twee fantastische dochters - de enige was die meeging! Zelfs Hans, de man van Eva, bleef thuis. Asjemenou! Ik mocht een week in zijn plaats papa spelen! In één keer twee dochters op mijn hals! Dat was compleet nieuw voor me. Maar een zichzelf respecterende acteur moet elke rol aankunnen. Ja, toch?   De rit naar Hongarije was een hel! In de autocar was nauwelijks ruimte voor mijn uitvouwbare benen. Bij aankomst moesten ze me terug in elkaar puzzelen. Maar overleven deed ik het wel.   Het huis, dat we voor een week betrokken, behoorde toe aan een ouder stel, wiens kinderen sinds kort een eigen stekje hadden verworven. Om wat geld in het bakje te krijgen, verhuurden ze in de zomermaanden hun stulp. Zelf trokken ze zolang bij hun dochter in.  Hoe laat ze op zaterdag terug zouden komen om hun eigendom weer op te eisen, wilden we weten. Helaas. Engels was een taal die ze niet beheersten, en met Frans hadden ze nooit op school gezeten. Duits dan maar? “Vraag jij het hen,” gebood Eva me. “Jij kunt beter Duits dan ik!” Hoe wist ze dat? Hoe wist ze dat ik me aardig uit de slag kon trekken in de taal van Goethe? Was ze helderziende? Mijn ego kreeg een boost. “Oké,” deed ik stoer. Ik duwde haar aan de kant en richtte me tot het Hongaarse echtpaar. “Wie spät kommen sie am Samstag?” vroeg ik, keurig articulerend. Vijf/zes keer herhaalde ik de vraag. Tot ik begon te twijfelen aan mijn gigantische talenkennis. Net voor ik onder de houten vloer wilde kruipen van schaamte, ging het stel een licht op. Ze kwamen om drie uur, meende ik te begrijpen uit hun gebaren.   Onze tijdelijke stulp bevond zich in het midden van een authentiek dorpje. Daar was één winkeltje. Of iets wat daarvoor moest doorgaan. Het was een benepen keet waar wat spulletjes ordeloos op een hoop gegooid lagen. Ik vroeg of ze brood hadden. In het Duits, Engels, Frans, Italiaans, Spaans... alle talen die ik in meer en vooral mindere mate machtig was. Gebarentaal inbegrepen. De winkelier gorgelde wat in zijn onverstaanbaar dialect en haalde tot vervelens toe zijn schouders op. Hij begreep geen jota van wat ik zei. En ik geen fuck van zijn gebrabbel. Onverrichter zake weer naar buiten. Dan maar geen brood. We aten wel wat koekjes die avond en zouden de volgende dag wel zien.   ‘s Morgens werden we in alle vroegte uit onze slaap gehaald door een luid gebrul dat uit een snerpende luidspreker barstte. Een monotoon, klagerig gedram, als van een muezzin die uit een minaret oproept tot gebed. Praag 1968 in gedachten vreesden we dat het Russische leger op het punt stond de Hongaarse lente de kop in te drukken. We hupten uit bed en zagen een krakende vrachtauto wiebelend het dorp binnenrijden. Géén tank of een ander legervoertuig. Een doodsimpele burgertruck. Dat was een opluchting. We schoten onze kleren aan en liepen de straat op. Daar leerden we dat op het Hongaarse platteland nog vooroorlogse gewoonten heersten. De vrachtauto bleek volgeladen met brood en allerhande noodzakelijke levensmiddelen. Elke morgen kwam die het dorp ingereden en ging iedereen die wat nodig had staan aanschuiven. Daarna met de armen volgeladen naar huis. Handig, zo’n mobiele superette. Diezelfde avond kregen we nog meer les in nederigheid. Uit eten gaan deed je in het kleine dorpje namelijk niet op restaurant. Een eethuis? Daar hadden ze nog nooit van gehoord. Wilde je wat tussen de kiezen duwen en had je geen zin om aan het vuur te staan, dan liep je gewoon de hoofdstraat af. Daar kon je aan de ene barak een stuk gebakken vis bestellen, aan een naburige keet een handvol groenten of een gekookte aardappel, en aan een derde stalletje wat te drinken halen. Schranzen deed je vervolgens staande op straat. Of als je geluk had, zittend op een paar dwarse balken van een omheining. Wisten ze daar al dat de muur gevallen was? Dat Napoleon in het zand had gebeten? Moderne tijd was er een loos begrip.   De vierde dag van onze reis stond een trip naar Boedapest op het programma. Jee! Eindelijk even terug in wat beschaving kon worden genoemd.  Boedapest is een wondermooie stad, wist ik. Google bestond nog niet, maar naslagwerken hadden me aardig van dienst geweest. Als liefhebber van architectuur zou ik er mijn gading wel vinden. Daar kan ik úren naar lopen kijken! Nou, uren? De rit naar de stad alleen duurde al een eeuwigheid. En dan moesten we ’s avonds nog eens terug! Ter plaatse zou ons maximaal een uur of vijf gegund zijn. Karig. Een stad als Boedapest zie je niet op enkele luttele stonden. Maar goed. Beter vijf uur dan geen uur.   Eva en ik hopten uit de bus en wilden de stad in vluchten, maar werden teruggeroepen. Raar genoeg bleek de leider van de bende - we waren die dag met een groep van zestien - besloten te hebben om het plaatselijke Museum voor Schone Kunsten te bezoeken. Nee maar! Schilderijtjes zien! Dat kon je overal! Eva en ik wilden de stad zien! Architectuur bewonderen! Sfeer opsnuiven! We hielden het been stijf en besloten niet mee naar binnen te gaan. “Cultuurbarbaren!” slingerde onze jongste dochter ons naar het hoofd. Zij en haar zus gingen wel het museum bezoeken. Cultuurbarbaren?!? Wij? Wij waren wel acteurs, hé! Wij speelden hoogwaardig theater in een zichzelf respecterend gezelschap! Wij waren geen stelletje amateurs, maar semi-professionelen! Jaja, mevrouwtje! Semi-professionelen!!! Of behoorde theater misschien niet tot cultuur? En architectuur? Dat ook niet misschien? Wat dacht onze dochter wel? Standje geven? Ach, welnee, ze was verder een hele lieve meid.  “Nou, tot straks dan!”  Eva en ik gingen ons weegs. We bezochten eerst Boeda, het stadsgedeelte dat zich op de westelijke oever uitstrekt. Nou ja, bezoeken… We liepen met moeite een straat of vier in en uit. Prachtige gebouwen, architecturale hoogstandjes. Maar warm! Nog voor er een halfuur verstreken was, zaten we al op een terrasje een wijntje te nuttigen. Daarna weer verder.   Aan een kraampje, dicht bij de rivier, viel mijn oog op een wondermooi schaakspel, bestaande uit een bord van wel een kwart vierkante meter en prachtige, uit volwaardig hout gesneden stukken, twee duimen hoog! Aangezien deze cultuurbarbaar een aardig stukje kon schaken, wilde ik even naar de prijs hengelen. Wat?!? Een peulschil! Drie keer niks! Een ware investering! “Kopen?” vroeg ik over mijn schouder. Eva schudde afkeurend het hoofd. “Hoe ga je dat ooit in je bagage gepropt krijgen?” “Euh… niet.” “Laten staan dan.” “Oké.” De teleurstelling dan maar doorgespoeld met een wijntje. Daarna de tocht weer verder gezet. We staken de Kettingbrug over om Pest te bezoeken, het stadsdeel dat aan de oostelijke zijde van de Donau gelegen is. De brug was 330 meter lang, wist ik belerend te zeggen! Een hele afstand in de blakende zon. Twee straten deden we aan in Pest. Hooguit drie. Toen kregen we alweer dorst. Het was verdomd heet in de Balkan! Nog maar een terrasje doen?   De drankjes liepen vlot binnen. Onze keelgaten stonden wijd open. Daar kregen we dan weer honger van. Een maaltijd genuttigd. Daarna nog een afzakkertje genomen. En de tijd natuurlijk uit het oog verloren. Voor we het wisten, waren de vijf luttele uren zo goed als om en moesten we ons terug naar de bus haasten. Of ze waren zonder ons weg. Gauw weer de lange brug over. Boeda doorgehold. Net op tijd aan de halte. “En? Mooie stad?” vroeg onze dochter. “Jazeker!” antwoordde ik met veel overtuiging. Dat had ik immers uit die naslagwerken.   Vandaag reikt mijn herinnering aan Boedapest nauwelijks nog verder dan het wondermooie schaakspel. Misschien had mijn dochter-voor-één-week dus toch gelijk. Die dag hebben haar moeder en ik ons gedragen als ware cultuurbarbaren! Terwijl we ons lazarus zaten te heffen, hadden we werken van Da Vinci, Rubens, Rembrandt, Dürer, Cézanne, Toulouse-Lautrec en vele andere grootmeesters kunnen aanschouwen. In één enkel gebouw nog wel! Waar er bovendien airconditioning was! Bedauerlich!   

Lou Van Lier
0 0