Lezen

Harmony Gold (1)

    oh bee oh bee  in me thou seest some beauty little beast   we prayed in spring loved summer sun found no decay twin halcions sang gospel tunes on happy days   now greyish dust and silence loom early evening shade has come it favours  all my darker colours faulty flowers fade cruel endings doom   oh bee oh bee whilst I'll hang shalt thou live shalt thou see black blossom thrive   whilst I'll die away shalt thou tiny bee try bitter nectar high up in this my deadman's tree       Dat in het appartement dat hij huurde boven de Delhaize naast een grote voorraad bier ook nog meer memorabele wapens lagen en hoe opwindend het wel kon zijn om aan dat moordgerief te ruiken, zou hij haar op een andere keer vertellen want nu ging het geweldig, verrukkelijk zelfs met die lossere tong en zonder pijn in de kaakgewrichten. Aan zijn vlaskop trok ze hem dichterbij, krulde zich bij de eerste aanraking de rug en heuvels van roze, stijve gelei verrezen uit een steppe van ribbelig vlees.   De originele opname bestaat nog steeds, een bandje dat de wreedste der slapende beesten zou wekken. Ik had scheefgeslagen bij dokter Fraeyman, die psychiater te Lapscheure met zijn rare remedies, helende groepsreizen naar Lissabon, fado die de ziel doorboorde, en kamers met doornloos rozenbehang, met zwartjes wier gaatjes alle miserie wel zouden verzwelgen.   'If she lives till doomsday, she'll burn a week longer than the whole world.'   Fraeyman had telkens voorgelezen, in kleermakerszit en bij elke sessie, uit zijn verzamelde frases, The Comedy of Errors en het liefst nog reciteerde hij de sonneten van The Black Lady, maar voor Ignace was het eender, was het worst, zolang hij die gevoelens maar begraven kon, als ze maar kwam de verlossing, die warme hagel uit de ijzige wolken, als hij maar deels zijn droevigheid verloor, de demonen van de nacht verdwenen, hij zijn zijn ware ik even vergeten kon.   In die tijd stond BOB nog gewoon voor Bee Oh Bee, en voor Guinness, gore parodieën op de romantiek, billen overgoten met de diepe kleur van gebrande mout, voor de erotiek van de betere zwijnen, kon men terecht in Oostkerke, aan de Stinker en de Blinker, in De Harmonie, het dubieuze etablissement van Sappige Siska. Fraeymans eigen vrouw was er niet weg te slaan, net als Didier D. van de opsporingsbrigade. Ook dr. Bellens kwam er vaak. Hij zou later in Algiers l' Amuse Gueule, een moleculair restaurant openen, samen met zijn vrouw Christaline, die jarenlang bij Union Carbide had gewerkt.   Licht werd het en het gillettemes lag op de grond. Lang had het niet gebloed. Ze had er verstand van, ik was uitgeput en ze gooide haar Jupilershirtje dat niet snel genoeg uitgegaan was en ik gescheurd had, in de openstaande vuilbak. Voor een driepunter stond ze niet ver genoeg en “of ik daar een propere douche had en dat ze voor de geur van dat moordgerief misschien wel eens naar mijn appartement boven de Delhaize zou komen”. Ik knikte toen ze vertrok, haar roze pull over die zwarte beha, naar de Lunch Garden in Jabbeke, waar ze werkte en de mensen zelf hun eigen gele zeik konden tappen.           'Dark ladies rule the world', deel 1 van het kortverhaal 'Harmony Gold' uit de reeks 'Ignace Somers'   (het gedicht is een in memoriam)

Bernd Vanderbilt
4 0

Schat, maak de bok maar koud!

Wij hebben een erg leuke dwergbok, Hector genaamd. We hebben ook een hele lieve en aanhankelijke dwerggeit: Pauline. Als ik op de bank in ons neerhofje ga zitten, staat ze op een mum van tijd naast mij… op de bank. Dan drukt ze zich tegen me aan met haar volle gewicht. Ze plákt letterlijk aan me. Moest ze kunnen zou ze als het ware in me kruipen. Liefst heeft ze dat ik mijn arm beschermend om haar heen sla, als rond de schouders van een dierbare vriend. Doe ik dit niet spontaan, dan maakt ze haar wens duidelijk door heel slim met haar sierlijke horens mijn arm op te tillen. Tijdens het eten - gesneden appeltjes die ik hen aanbied in een kom - gebruikt ze mijn grote lichaam als bescherming. Dat is nodig. Bij geiten bestaat - net als bij kippen - een pikorde, al geeft het meer pas te spreken van een stootorde. Hector is een bok en staat dus hiërarchisch bovenaan. Hij wil van alles het eerste en het meeste. Correcter: hij wil álles. Niemand kan hem dit kwalijk nemen, hij is zo geprogrammeerd. Het is zijn natuur; een overlevingsinstinct. Om haar duidelijk te maken dat hij alles wil, port hij haar herhaaldelijk en niet bepaald zachtzinnig met zijn horens in de flank. Dat komt aan, en daarom zoekt ze bescherming achter mij. Maar voor het overige zijn ze de allerbeste maatjes, Hector en Pauline. Als er geen eten mee gemoeid is, vechten ze graag een robbertje voor het plezier, een schijngevecht: dansend op de achterpoten, het hele robuuste lijf rechtop, de voorpootjes bengelend voor de fiere borst… en dan ten aanval! Tegelijk de kop naar voren, voorpoten op de grond en de horens - klak - tegen elkaar. En opnieuw. En nog eens. Of ze rennen met hun typische stijve achterpootjes door het hofje, hijgend en springend en elkaar van het door mij getimmerde verhoogje duwend. Daar ontpopt Pauline zich merkwaardig genoeg tot een dominante geit. Haar lenigheid haalt het op zijn wat lomper gewicht. Echt, onze geitjes zijn erg leuke diertjes, maar de eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat we een iets grotere boon hebben voor Hector. Veel meer dan zij is hij puur. Het is het karakter dat het hem doet. Een echt bokkenkarakter. Krijgt meneer zijn zin niet, dan maakt hij de vreemdste sprongen. Bokkensprongen maken is geen loos begrip. Hij wipt op en stampvoet als een kind dat per se dat ijsje wil, maar het niet krijgt. Het is onschuldig en machteloos verweer. En een ogenblik later is hij het alweer vergeten, en komt hij opnieuw achter mij aan gehuppeld als een goed opgeleide hond. Jammer wel dat hij hoefjes heeft en geen handige handjes. Hij zou mij zo graag helpen wanneer ik weer eens de omheining ga herstellen die ze onbewust in de vernieling hebben geholpen, of wanneer ik een nieuw kippenhok bouw. Hij is gefascineerd door mijn gereedschap en gaat graag met een doosje schroeven aan de haal. Wat ik ook erg prettig vind is, wanneer hij mij de keuken ziet uitkomen en mij met een lieflijk binnensmonds gemekker roept om de kudde te komen vervoegen. In zijn ogen maken wij deel uit van de kudde. Hij wil ons het liefst de hele dag bij zich, maar hij is niet boos als we niet komen. Hoogstens laat hij zijn kop wat teleurgesteld hangen, maar ook dat gaat snel weer over. Dwerggeitjes zijn nooit slechtgezind. Vorige week merkten we dat Hector moeilijk plaste. Haast geen druppel kwam er uit. Nu plast een bok nooit als een geit. Als Pauline door haar achterpoten zakt en zich met de kont achteruit zet, dan volgt er een klaterende waterval. Bij Hector sijpelt de plas er altijd wat moeizamer uit. Maar die zondag was het dramatisch. Om de haverklap ging hij klaarstaan om een plasje te maken, maar meer dan enkele spaarzame druppeltjes kwamen er niet. Rood alarm! Zeker na wat ik even later op internet las: dat bokken door het eten van geitenbrok erg veel last van urinegruis, of met een geleerd woord urolithiasis, kunnen krijgen. Een dodelijke ziekte als het wat kwaad wil. Hector KRIJGT geitenbrok. Paniek dus. Maar het is zondag, en ook een dierenarts heeft recht op een weekend. Volgt een bange nacht en een vroeg telefoontje. “Hallo?” Een gehaaste maandagmorgenstem aan de lijn. “Is het met dierenarts …?” “Ja.” “Dokter, ik vrees dat we een probleem hebben met onze bok. Hij kan haast niet meer plassen. Ik weet niet goed wat ik moet doen.” “Komt er helemaal niets meer?” “Af en toe enkele druppeltjes, meer niet. Wat moeten we doen?” “Hangt ervan af… wil je hem nog laten opereren of ineens inslapen?” Ik kan met geen woorden de koude douche beschrijven die over mij heen werd gestort. Alsof bij mijzelf een tumor was ontdekt waarvan nog niet geweten was of hij goed- of kwaadaardig was, en de arts mij vroeg: “Wil je nog behandeld worden, of zullen we maar ineens euthanaseren?” Ik dacht dat ik door de grond ging. “Euh… natúúrlijk willen we hem nog laten opereren,” zei ik stellig. “Oké, breng hem dan maar binnen.” De dierenarts leek deze woorden met tegenzin uit te spreken. En ik zat met een probleem. Zelf rijd ik niet met de auto, en bovendien had ik een belangrijke afspraak met een uitgever die dag. Dus ik moest wachten tot mijn vrouw ’s avonds van haar werk kwam. “Kunnen we hem vanavond brengen?” vroeg ik vertwijfeld. Diepe zucht aan de andere kant van de lijn. “Ja, maar dan wél voor half acht.” Toen ik opgelegd had, werd ik het pas gewaar: ik voelde me dwaas in mijn hoofd, alsof men mij zopas de dood van een goede vriend was komen melden. Hector IS dan ook een goede vriend. Geen mens is zo trouw en oprecht in zijn gevoelens als hij. Zijn vriendschap is niet voorwaardelijk. Niemand wil zo’n goede vriend verliezen, toch? Ik snap niet dat een dierenarts dat niet begrijpt. Worden zij niet geacht van dieren te houden? Levensreddend te werken? Bestaat er in hun vak niet zoiets als een eed van Hippocrates? Mijn vertrouwen in dokters is vooralsnog intact, dat in dierenartsen wankelt. Na het telefoontje besloot ik om nog even naar het neerhofje te gaan, alvorens te vertrekken naar mijn afspraak. Ik wilde Hector nog eens koesterend in mijn armen nemen. In het slechtste geval was dit de laatste keer. Met een bezwaard hart trok ik de tuin in. Hector had die morgen wat lusteloos in het stalletje gelegen. Hij lag daar nu nog. Ik ging naast hem zitten, streelde hem over de kop en de gespierde rug en porde hem zachtjes aan om op te staan. Ik wilde hem zien leven! En wat ’s morgens niet lukte, lukte nu wel: hij keek me met die indringende blik van hem aan, hees zich plots overeind, schuurde zich even liefdevol tegen mij aan en liep het neerhofje in. Na even een paar plaagstoten aan Pauline te hebben uitgedeeld, zette hij zich plots schrap, rechtte de rug, spreidde de achterpoten… en toen gebeurde het wonder: eerst aarzelend druppelend, dan zachtjes lopend verscheen een geel straaltje aan zijn onderbuik dat al snel tot een flink plasje verwerd. Verrukt keek ik toe. Mijn hart sprong op van vreugde. Het gruis was losgekomen! Ik boog mij voorover en sloeg mijn arm liefdevol om hem heen. “Flinke jongen!” zei ik. “Flinke, flinke jongen!” Hector keek naar mij op, en heel even had ik de indruk dat hij opgelucht naar mij lachte.

Lou Van Lier
85 1

Mary Lou

    Het bloed zit aan de binnenkant, op die muur die zelfs de ochtendzon verdragen blijft.   Perfect symmetrisch, was het gebouw. Zeven openingen aan de oostkant en zeven deuren die naar het westen zouden staren. Veertien zouden er komen, hokken voor verwende dieren, dacht ik ooit. Doch het gutste en grote spatten zitten er nu, tussen de tweede en de derde deuropening, tellende vanaf de zuidelijke gevel.   Ze beginnen gans onderaan en gaan zo omhoog, tot boven de blik van kinderen. Het rood is nu bruin en ziet diep in de porïen van het beton. Holle blokken grijs geen bakstenen en ook geen pannen. Golfplaten, Eternit ligt op de gordingen. De rest is als zo veel onafgewerkt gebleven, hamerslagen uitgesteld, niet allemaal.   Het is een open kot geworden voor een handjevol dolende kippen, met ook barbaries, de meeste heel chaotisch ingekleurd. Zwart. Wit. Knobbelig rood rond de ogen. Rust en evenwicht. Dat kende onze perelaar, die elke zomer weer zijn jefkes droeg, niets vermoedend, en tegen de stam stond eens per jaar de ladder, met een karkas, van een varken; Achiel was de man die altijd weer het slachten deed.   Diana. Ze kwam dat ene jaar wat koteletten halen en de vadergek, hij had haar kunnen overtuigen. Topless naast het zwijn, de tepels stijf vooruit. “Kunstfoto’s”, dat wist hij zeker, “rauwe schoonheid wordt weer vastgelegd”.   Moeder, good by heart, ze raspte. Nootmuskaat en snel, de dunne darmen moesten nog worden gespoeld, voor de braadworst terwijl ik wat in de emmer, door het rood had zitten roeren. Beuling ook. Die zouden we op donderdag al proeven, appelmoes erbij.    Diana zwaaide toen ze wegging, al het vlees strak in de broek, de koteletten in twee diepvrieszakjes. Moeder had de maand er netjes op vermeld. Enfin, volgende keer gewoon een keertje zonder varken, met een pasgeschoren poedel zonder kop. Niet dat ik zelf zoiets bedacht of dat ik glorieuze, glazende gleufportretten verzamelde. Stoere praat, gewoon wat kutfoto’s die vader maar eens van haar nemen moest.   Maar niet op de poney! Dat was uitgesloten. Mary Lou dat was haar naam, Loulou het veulen dat ze kreeg. Loulou was stukken groter, vuisten hoger, Ome Willem en waarom? Een lumineus idee was er ontsproten, op een donkere nacht, uit het brein van mijn verwekker.   Die hengst, hij kon gewoon rusten, op zijn voorpoten staan toen hij erop gedreven was. Als een tank op stelten, de loop aan de onderkant, het doel te klein om kwaad te doen. Wat moest moest, ook later op de dag des onheils, toen moeder riep, dat ik niet helpen ging, dat er slachthuizen waren.   Mary Lou was kreupel, de gedachten van mijn verwekker, geheel bij hondenvoer, Achiel al vroeg ter plaatse en we trokken in de richting van het kot, van het grijze batiment zonder deuren.   Met de varkenshamer. Veel te klein, besefte Achiel, die goed wist dat ogen zelden zo lang tollen en wie ging er nu de sporen wissen? Poriënbeton, fotografie, de kleefkracht van de beelden.    Het was mij bijgebracht. Ik zie, ik hoor het vaak, door een deuropening, door een barst in een stille gevel, maar vraag me niet luidop te zeggen wat het is.   Het zijn die mokerslagen. Het zijn die doffe slagen. Het zijn die beelden, die niet sterven willen.         uit de reeks  'Roeland De Roover''

Bernd Vanderbilt
1 0

Maanziek, lucide dromen

Uit: Maanziek   [...] Onderweg naar huis weet ik amper wat ik doe. Mijn voeten vinden hun weg helemaal vanzelf, want in mijn hoofd is alles ontploft. Dit kan toch niet waar zijn! De folder van het zwembad heeft alle puzzelstukjes op hun plaats doen vallen. In gedachten zie ik hoe Axel in mijn droom door een haai wordt verscheurd, en ik besef dat zijn been op precies dezelfde plaats gewond is geraakt. Hoe kan dat?! Het is een wonder dat ik het station weet te bereiken en in de juiste trein stap. Mijn hersenen blijven steeds opnieuw in een kringetje ronddraaien en ik probeer mezelf af te leiden zodat ik weer helder kan denken. Iemand heeft een krant achtergelaten op de trein en ik sla ze open op een willekeurige pagina. Mijn oog valt meteen op een schreeuwerige krantenkop: 'Vandalen vernielen bushokje'. Onder de titel staat een foto waarop een ingezakt bushokje te zien is. Ik hoef niet na te denken, ik weet meteen wat er aan de hand is. Dit is onmogelijk! Het duizelt me. Ik kan niet accepteren dat dit allemaal echt is.   Ik verfrommel de krant tot een prop en smijt die onder de bank. Wat is echt en wat is dat niet? Axel en zijn been. De bloedneus die ik 's ochtends had, nadat ik gedroomd had dat een witte duif in mijn gezicht vloog. En de witte duif zelf, die dood langs de kant van de weg lag. Ik trek mijn knieën op en verberg mijn gezicht in mijn handen. Mijn elleboog die helemaal blauw zag, en de spierpijn die ik elke ochtend heb. Met elke seconde die verstrijkt zie ik meer verbanden tussen mijn dreigende dromen en alle ongelukjes die in de echte wereld gebeuren. Wat is er in godsnaam aan de hand met me? Terwijl de trein langs de kustlijn dendert, probeer ik me te herinneren wat Mila me vertelde in mijn laatste droom. Iets over een bepaald soort dromen...een term die ik niet ken...labiele dromen? Grijze wolken pakken zich samen boven de uitgestrekte zee en ik hoop dat ik thuis zal zijn vooraleer de stortvloed losbreekt. Misschien waren het luttele dromen? Lullige dromen? Vlakbij schiet er een bliksemflits door de lucht. En ineens weet ik het weer. Lucide dromen.   * * *   Als ik eindelijk thuiskom, ben ik doorweekt van de regen. Mijn maag rammelt van de honger. Vreemd, er is niemand thuis. Ik maak een zakje instant noedels klaar en plof neer in de zetel. Dan gaat de voordeur open, en mijn ouders en Iluna komen binnen in de huiskamer. Ik merk meteen dat er iets aan de hand is, want mijn zusje gaat zonder een woord te zeggen naar haar slaapkamer en ook mijn ouders zijn verdacht stil. 'Wat is er?' vraag ik terwijl ik hen allebei aankijk. Ze geven geen antwoord. Buiten klettert de regen tegen de ramen en de wind huilt om het huis heen. 'Wat een vreselijk weer. Ik ga Sam even binnenlaten', mompel ik. Ik open de keukendeur en schreeuw zijn naam. Hij hoort me niet. Met een klap slaat de deur weer dicht. Mama en papa zitten aan tafel en kijken me bedrukt aan. 'Wat is er toch aan de hand?' Ik kan de spanning niet verdragen en storm naar Iluna's kamer. Ze ligt op bed met haar rug naar me toen en is druk aan het schrijven in haar dagboek. Ik hoor haar zachtjes snikken. Voorzichtig ga ik op het bed naast haar zitten en wrijf over haar rug. 'Het komt wel goed', probeer ik haar te troosten. Maar het ijzige gevoel in mijn lichaam vertelt me iets anders. Iluna kijkt naar me op en barst in tranen uit. Geschrokken sla ik mijn armen om haar heen en geef haar een dikke knuffel. Het onweer buiten heeft zijn hoogtepunt bereikt. 'Stil maar', fluister ik tegen mijn zusje. 'Wat er ook is, het is niet het einde van de wereld. Het komt allemaal wel goed', verzeker ik haar. Waarop ze nog harder begint te huilen. 'He-het komt niet goed!' snikt ze. 'Sa-sam is dood!'   Mijn hart voelt aan als ijs en ik kan geen woord meer uitbrengen. 'Vanochtend riep ik hem om mijn kom cornflakes schoon te likken en hij kwam niet opdagen', huilt ze. 'Ik was bang dat hij verloren gelopen was en de weg naar huis niet meer terugvond. Mama en ik gingen hem zoeken en we vonden hem op de stoep vlak voor ons huis.' Ze stopt even om diep adem te halen. 'Een auto heeft hem aangereden. Degene die het gedaan heeft, is gewoon doorgereden. Wie doet nu zoiets?! Anders hadden we hem misschien nog kunnen redden.' Haar woordenstroom sterft weg. De rest hoef ik niet te horen. Ik zie voor me hoe Sam vrolijk blaffend en nietsvermoedend in de afgrond valt. Mijn hond is dood.   Ik duw Iluna, die zich aan me vastklampt, van me weg. Hete tranen dringen zich een weg naar buiten. Arme Sam. Hij had helemaal niets te maken met die dromen van mij. Opeens word ik kwaad, woedend zelfs. Ik stamp de trap af en smijt mijn laptop op tafel. We zullen eens snel een einde maken aan die belachelijke lucide dromen. Een woeste kreet ontsnapt aan mijn keel. Mijn ouders slaan me gade, bang dat ik gek geworden ben.   Bovenaan in de zoekbalk typ ik 'lucide dromen' in. Binnen een seconde verschijnen er bijna tweehondervijftigduizend zoekresultaten. Tweehonderdvijftig. Duizend. Ik kan het bijna niet geloven. Wat is dit?! Ik klik op de eerste paginalink die ik tegenkom en word naar een sinister uitziende website gebracht. De achtergrond is helemaal zwart, met hier en daar een duistere figuur. Al snel vind ik wat ik zoek. Een beschrijving van die vreselijke lucide dromen.   < Lucide droom > [de, mannelijk, -en] 'Een slaaptoestand waarin de dromer zich ervan bewust is dat hij droomt. Hij weet dus dat wat hij meemaakt, enkel een verzinsel van zijn eigen geest is. Vanaf dat moment kan hij of zij het verloop van het droomverhaal veranderen, in goede of kwade zin. Op die manier kan de dromer zelf bepalen wat er precies gebeurt en hoe het verhaal zal eindigen.'

Eva Linden
36 0

Alles voor Lena

(Vervolg op "Lena")   Steven had zonet zijn vriendin bedrogen, maar hij kon niet anders. Ze had hem gedwongen – dit geschifte meisje dat plots in zijn appartement verschenen was. Ze had hem proberen te verleiden, maar dat was niet ge­lukt, natuurlijk. Je kan toch niet zomaar in iemands leven ver­schij­nen, hem op­slui­ten in zijn eigen stu­dio, en dan verwachten dat hij met je naar bed gaat? Maar het moest, zei ze. “Anders kleed ik me aan en ga ik weg, maar wie weet wat er dan gebeurt met die Lena van je...” Hij had Lena bedrogen, maar het was om haar te beschermen. Hij had het amper gekund, hij kon zich niet aangetrokken voelen tot deze onbekende indringster die God weet wat met zijn Lena gedaan had, laat staan dat hij opgewonden zou geraken. Maar ze bleef aandringen, bleef Lena bedreigen. Uiteindelijk had hij het gedaan, aarzelend, ge­for­ceerd, haast emotieloos. Op handen en knieën op de matras, zoals hon­den – hij had gezegd dat dat zijn favoriete standje was, maar de waarheid was dat hij haar gezicht niet wou zien. Hij kon het niet zolang hij haar krank­zin­ni­ge ogen voor zich zag. Het was maar matig goed geweest, vond ze, maar voor een eerste keer viel het nog wel mee. Hij lag hijgend op zijn rug en staarde naar het plafond. Karen lag naast hem, op haar zij, en streelde zijn borstkas. Hij liet haar begaan – hij had belangrijker dingen aan zijn hoofd. Zijn kater was helemaal verdwenen en had plaats gemaakt voor een al­les­om­vat­ten­de angst, het gevoel dat hij dringend iets moest doen, hier en nu. Om Lena in veiligheid te brengen, en zichzelf. Maar hij wist niet wat. Plots werd er op de deur geklopt. “Sst,” fluisterde Karen. “Doe alsof er niemand is.” Hij gehoorzaamde. “Steven? Ik ben het! Ben je thuis?” Lena! Het was Lena’s stem! Was ze kunnen ontsnappen, van waar ze dan ook werd vastgehouden? Of werd ze helemaal niet vastgehouden – had Karen het allemaal maar verzonnen om hem in haar macht te hebben? Had hij zijn vriendin bedrogen met een of andere psychopate omwille van een verzinsel? Hij verdrong die gedachte naar de achtergrond – het deed er niet toe, niet op dit moment. Karen was ongewapend, haar enige wapen waren haar dreigementen over Lena geweest. Hij was veel groter, ongetwijfeld veel sterker dan zij. Hij kwam bliksemsnel recht, ging bovenop haar zitten en greep haar bij de keel. Ze gilde en spartelde met armen en benen, ze krabde zijn vel open met haar nagels, maar uiteindelijk kreeg hij haar in een positie waarin ze niet meer kon bewegen. “Lena!” schreeuwde hij zo luid als hij kon. “Ik kan niet opendoen, Lena, ik word hier gegijzeld! Je moet de politie bellen!” “Wat!?” Lena klonk verbijsterd. Karen had waarschijnlijk niets met haar gedaan. Godzijdank. “Bel de politie, Lena, nu!” Hij keek om zich heen, zocht iets waarmee hij Karen kon vast­bin­den. Hij mocht haar niet laten ontsnappen, wie weet waar ze nog al­le­maal toe in staat was. Maar hij was uitgeput – hij zou haar niet lang meer in bedwang kunnen houden. Zijn schoenveters. Het was het enige wat hij zag. Zijn schoenen ston­den een meter of twee van het bed. Even keek hij haar aan, dacht na. Toen kwam hij in actie. Hij knelde zijn arm stevig om haar nek, drukte haar tegen zich aan en dwong haar om op te staan. Ze sloeg en schopte om zich heen als een bezetene, maar hij slaagde erin haar tot bij zijn schoenen te sleuren. Pas toen hij haar met handen en voeten stevig aan het bed had vastgebonden, liet hij haar los en ging hijgend op het bed zitten. Een zwakke, pulserende pijn verspreidde zich rond de bloedende wondjes die haar na­gels op zijn armen en borstkas hadden achtergelaten. Karen keek hem aan met betraande ogen en schudde haar hoofd. “Het had zo mooi kunnen worden.” zei ze, diep teleurgesteld. Hoofdinspecteur Jacques De Groot vloog met een luide knal de kamer in – splinters hout en verf vlogen in het rond. Vóór hem lag de houten voordeur verslagen op de grond. Inspecteur Saskia Verlinden schoot hem pijlsnel voorbij, haar armen gestrekt voor zich uit, haar pistool naar binnen gericht. “Politie! Handen omhoog!” Een man van een jaar of vijfentwintig keek hen verdwaasd aan. Hij stond op van het bed en stak zijn handen in de lucht. Hij droeg een groene geruite pyjama met korte broek. Hij zag er ongewassen en on­ge­scho­ren uit en keek alsof hij van een andere planeet kwam. Terwijl Verlinden hem onder schot hield, scande De Groot de rest van de kamer. Op het bed lag een meisje van ongeveer dezelfde leef­tijd. Ze had lang bruin haar en een bleke huid. Ze was naakt en aan handen en voeten gekneveld en lag ontroostbaar te snikken. Verder was er niemand. Zoals het hem destijds was aangeleerd, liep De Groot met zijn rug naar de muur gekeerd op de enige deur af. De badkamer. Niemand. “Alles veilig!” riep hij. Hij nam een paar handboeien van zijn riem en bond de armen van de man op zijn rug. Hij gebaarde met een hoofdknik naar het meisje op het bed. “Ga haar maar helpen. Ik ken haar van ergens, denk ik.” Verlinden liep naar haar toe. “Het is oké,” zei ze. “Wij zijn van de politie.” Ze sneed de veters door en bevrijdde haar. Het meisje trok de deken over haar naakte lichaam en bleef huilend op het bed zitten. Verlinden legde haar arm over haar schouders. “Alles komt in orde nu, maak je maar geen zorgen. Hoe heet je?” “Karen. Karen Dewinter.” “Zijn dit jouw kleren?” Ze knikte. Saskia Verlinden stond op, raapte het hoopje kleren op van de grond en gaf ze aan het meisje. “Trek die maar aan en wacht dan even hier, wil je. We hebben zo met­een nog een paar vragen voor je.” Ze knikte opnieuw en droogde haar tranen met een mouw van haar blouse. De versterking was gearriveerd. De Groot gebood één van de agenten de jongeman mee te nemen voor verhoor. De man spartelde hevig tegen en schreeuwde dat het een vergissing was en dat hij onschuldig was, maar de agent luisterde niet. “Je mag alles rustig gaan uitleggen op het politiebureau,” zei hij kalm. Verlinden liep op De Groot af en leidde hem mee een paar meter van bij het meisje vandaan. “Jacques, ze heet Karen Dewinter,” zei ze met gedempte stem. “Is dat niet dat meisje dat al een week vermist is?” De Groot knikte. “Juist! Ik wist dat ik haar gezicht herkende. Maar op onze foto’s is ze blond, hij moet haar haar geverfd hebben.” “Kan zijn. Zijn vriendin, of wat ze ook is, heeft net zo’n haar...” “Het is toch niet te begrijpen wat sommige mensen allemaal doen,” mompelde De Groot. “Ik ga alvast naar het bureau om die man en zijn vriendin te on­der­vra­gen,” zei hij toen. “Kan jij hier afronden? Kalmeer haar een beetje en doe zo snel mogelijk een spermatest, ze is zo goed als zeker mis­bruikt. En check ook onder haar vingernagels – als ze zich verzet heeft vind je daar waarschijnlijk zijn DNA.” “Komt in orde, Jacques.”  

Jan August
3 0