Lezen

Een aap en zijn bananen aka Cafépraat

“Je kunt een hongerige aap zijn bananen niet zomaar afpakken.”Ik zette mijn pint terug op de toog en keek mijn beste vriend Mark niet begrijpend aan. Had ik iets gemist in onze conversatie? Waar en wanneer zijn we over apen begonnen? Schrap die vraag en vervang het door een belangrijker raadsel: wanneer zijn we over bananen begonnen?Nu, ter mijner eigen verdediging... ik was op dat ene cruciale punt van iedere gezellige avond aanbeland waar ik een beetje moeite had om een gesprek te volgen.“Hoe bedoel je?” Vroeg ik, zo nonchalant mogelijk en in de hoop dat ik niet liet merken hoezeer ik de draad kwijt was.“Awel, uw eten laat je je niet zomaar afpakken. En ge moet stapelzot zijn om zo'n aap te ambeteren. Die beesten zijn ijzersterk en hun hoektanden zijn scherper dan die van gelijk welke vleeseter.”Ondanks een zeker alcoholpercentage dat door mijn lijf gutste, begon er in mijn hoofd een uiteenzetting over Darwinisme vorm te krijgen. Ik stond op het punt om aan mijn betoog te beginnen toen ik merkte dat ik een schoolbord en gekleurde krijtjes nodig had. Ongecontroleerd ging ik van: “Euh...”Dat was het teken dat Mark nodig had om verder te gaan met zijn verhandeling.“Duiven daarentegen zijn helemaal anders. Die eten totdat ze ontploffen. Ofwel eten ze teveel, hun maag scheurt en de duif zegt splut. Ofwel eten ze iets dat ze niet kunnen verteren, dat blijft in de maag zitten die daardoor scheurt en de duif zegt...”“...Splut?”“Heel juist, wat moet je nog drinken?”“Een groene cola...” Stamelde ik. “Maar weet je dat een duif zijn calorieën...”Voordat ik mijn uiteenzetting kon afwerken kreeg ik mijn groene cola en moest er geklonken worden. De cola smaakte me niet, maar ik had nu eenmaal het besluit genomen om naar huis te stappen in plaats van te strompelen. Ik dronk de cola snel op en bestelde me een tweede.“Een olifant kun je niet voor je kar spannen.” Verklaarde Mark.Mijn tweede cola besloot op dat moment om een bezoekje te brengen aan mijn sinussen.“Pardon?” Terwijl ik de cola uit mijn neusgaten probeerde te snuiten.“Ten eerste is dat een wild beest en wilde beesten kun je, of beter gemompeld, mag je niet temmen. Ten tweede vreet zo'n beest de oren van je lijf. Het zou beter zijn als dat beest zijn eigen oren opvrat...”Hilariteit alom en we lachten zo hard dat de drank moeite had om in het glas te blijven. Mark hikte nog na terwijl hij verder vertelde.“En ten laatste, je kunt een walrus geen harnas omdoen.”Ik was de weg weer eens kwijt. Niet voor het eerst deze avond en, Algemeen Gesproken, ook niet voor het laatst.“Hadden we het niet over olifanten?”“Olifanten, walrussen, walvissen en dolfijnen. Allemaal dezelfde beestjes! Ze zijn allemaal...” Mark had/deed (schrappen wat niet past) heel veel moeite om zijn vingers te verstrengelen.“... interwinnend.”“Ah ja, DNA.” Ondanks zijn gebrekkig Engels wist ik wat Mark bedoelde.“Neen, neen. Het gaat veel dieper dan dat.”Terwijl ik weemoedig mijn cola verder opdronk, beschouwde ik de religieuze toer die deze discussie onherroepelijk opging.“Alles is met alles verbonden: de planten en de dieren.”“Fauna en Flora?” Hielp ik Mark.“Ja, die ook. Ik zie dat ge mee zijt.”Ik begon aan mijn derde groene cola terwijl ik dacht dat deze conversatie misschien beter te volgen kon zijn mocht ik laveloos, stomdronken en/of poepeloere zat zou zijn. Dat zou echter zonde zijn van die cola, nu ik die toch had. Vol vuur ging Mark verder met zijn redevoering.“Ja, ge moet weten dat diep van binnen alles met elkaar verbonden is door een mysterieuze, bijna goddelijke kracht.”“Bijna goddelijk? Ruimtewezens misschien?”Mark negeerde mijn laatste opmerking, omdat hij niet meer wist van welke parochie hij was.“Neeje, biochemie!” Gilde hij zacht.“Ah...” Was het enigste dat ik kon uitbrengen. Het besef groeide dat niet ik, maar Mark de draad volledig kwijt was.“Ja! Ge weet wel... met zuren en carboniet.”Nu was ik het zeker! Mark was niet alleen zijn draad, maar ook zijn bobijn kwijt. Mijn blijvend stilzwijgen was de enigste aanmoediging die hij nodig had om verder te orakelen.“De mensen snappen niet dat alles is verbonden met elkaar. Het holistische wereldbeeld is verketterd en vergruisd. Het verband tussen probleem A en probleem B is weggecijferd. Als je A oplost vergroot probleem B en krijg je een nieuw probleem C. En weet je wat het grootste probleem van al is? Weet je wat het ergste is dat ons kan overkomen?”Ik schudde mijn hoofd. Ik wist gewoonweg niet meer welke kant dit gesprek uiteindelijk uitging.“Na de letter Z zijn de letters op en dan is het gedaan...”Ondanks alle rumoer, werd het stil tussen Mark en mij. We lieten de laatste woorden tussen ons in hangen. Ik zocht naar de verborgen, diepere betekenis van wat Mark net had gezegd. Hij was geschrokken van zijn eigen woorden. Ik bestelde voor ons beiden een verse pint en terwijl ik zijn leeg glas voor een vol omwisselde, keek ik Mark aan en zei:“Je kunt een hongerige aap zijn bananen niet zomaar afpakken.”

Wibboo Jozefs
19 0

De geur

Hij duwt mijn achterhoofd tegen de kapstok, een plank met dubbele haken op kleuterhoogte. Door de hitte walmt de pislucht, diep doorgedrongen in het cement van de tegels in de wc, door de deuren de hal in. Ik roep dat hij moet ophouden. Het is mijn eerste schooldag en vechten moet ik nog leren. Hij is al vijf en zijn haren zijn te kort om aan te trekken. Huilen dan maar. Heel hard huilen. Ik kijk opzij. De juf zit achter haar tafel in het lokaal. Ik huil stevig door. Zij kijkt niet op van haar boek als zij met een armzwaai en gebalde vuist gebaart dat ik erop moet slaan. Mijn jurk plakt tegen mijn rug. Mijn staartjes wiebelen bij elke beweging. Buiten gillen klasgenoten van plezier. Op het bouwrijpe terrein worden verhitte koppies geblust. De noodlokalen in de nieuwbouwijk hebben nog geen schoolborden, maar wel een brandslang. Marko duwt harder en grijnst. De metalen haken drukken in mijn hoofdhuid. Ik schreeuw en worstel me los. Eindelijk kijkt de juf naar ons. Ze staat op en pakt in het loopje een appel uit haar tas. Haar rok blijft haken aan de punt van haar bureau. Ze zucht, neemt een hap en loopt door. Marko sluit zich op in de wc.   Ik snik. Ze hurkt en pakt mijn handen vast, de appel tussen haar tanden. Ze draait me om en strijkt wat haren opzij. Ze draait me terug en knikt. Haar ogen staan zacht. Het sap van haar appel loopt langs haar kin. Ze pakt een kruk en trekt me op schoot. In haar linkerhand haar appel, haar rechterhand aait mijn hoofd. ‘Geen bloed’, fluistert ze. Met de palm van haar hand veegt ze het sap van haar kin. Ze ruikt naar bloemen en fruit. Naar crème, zeep en parfum tegelijk. De geur van juf. Mijn neus begraaf ik in haar blouse. Ik stop met huilen en haal diep adem. Mijn leven op school is begonnen. Ik krijg een kus en glijd van haar schoot. Buiten gooi ik mijn jurk op de stapel met kleren bij de deur. In mijn onderbroek huppel ik naar de groep. Halverwege raakt een koele straal mijn brandende achterhoofd. Ik gooi mijn armen in de lucht en gil.

Iris van der Putten
18 0
Tip

MH17

Het is haar geur die hij vergeten is. De herinnering waar hij het meest naar verlangt, is gewist. In de nacht zijn het de details die hem uit zijn slaap houden. Overdag sukkelt hij op de bank in slaap met haar vingers, die spelen met zijn krullen. Haar koortslip in de winter. Haar niet uit te roeien gewoonte een mes af te likken. Haar geklaag over te kleine schoenen, die zij toch zelf heeft gekocht. Haar bevestigende gehum aan de telefoon met haar moeder en haar gescheld na het gesprek. Haar blik tijdens de woordeloze seks vroeg in de ochtend. Hij droomt over een toevallige ontmoeting en hoe hij weer als een blok voor haar zou vallen. Hij heeft nachtmerries over haar vrije val.   Hij loopt naar het raam en ziet de vuilniswagen vertrekken zonder zijn vuilniszakken. Nu zij er geen ruzie meer over kunnen maken, vergeet hij ze bijna elke week. Hij was boos als zij kleding voor hem kocht. Hij was geen jongen en zij niet zijn moeder. Nu loopt hij al weken in een broek met een scheur in zijn kruis. Geen nacht sliep hij zonder haar, zijn neus in haar haren begraven, zijn wijsvinger tussen het elastiek van haar slip. Haar glimlach in de ochtend als hij knorrig om een vijfde keer snoozen vroeg en zij hem zachtjes duwtjes gaf. Ze hadden veel gemeen en verschilden genoeg om van elkaar te houden. Zij was de denker, hij was de kijker. Hij had werk, zij had plannen. Ze hoorden bij elkaar vanaf die eerste ontmoeting in Kuala Lumpur vijf jaar geleden.   Al zijn herinneringen wil hij inruilen voor een vleug van haar geur. Dan kan hij door met zijn leven, dat nu vastgedraaid lijkt. Dagen beginnen en eindigen met haar en hij schrijft zonder scrupules verzonnen reportages tussendoor. Haar notitieboekjes liggen open op zijn bureau. Haar regelmatige handschrift nodigt uit iets te doen met de inhoud. Hij gebruikt haar aantekeningen van reizen, die hij zelf nooit maakte. Zijn boodschappen worden bezorgd en de redactie en zijn vrienden denken dat hij op Cuba zit. Schrijnend hoe verdriet en leugens samen gaan. Hij draait zijn hoofd af van zijn weerspiegeling in het raam. Van de man waar zij verliefd op was, is niets over. Vliegtuigen trekken strepen in de lucht.   Hij sluit de gordijnen en gaat op de bank liggen.

Iris van der Putten
32 2

Kruiptocht in een roze onderbroek

    vandaag dan richting het verlaten Doel de brug over het Troebelwater   voorbij een boel krap gewordenleeggevlogen nesten   er was geen herberg onderweg ook geen puree met braadworst rode kool het dagmenu voor laatkomers de fijnigheden alle uitverkocht   muziek meneer die jukebox wil niet meer de aftandse idolen hangen roerloos aan de muur   ik dank ze nog het meisje voor het stroef genaai de stof die roze restjes zitten lekker en ik   strompel lees ze de affiche aan de schandpaal dat het circus   wilde dieren heeft mensen lokken zal de tent wil vol   ik kruip onder tribunes olifantenvoeten door de modder zie de   de eeuwenoude Grote Goochelaarmijn god wat kent hij vele trucjes laat de mensen in het ongewisse groentjes lachen ook   hij buigt hij groet de clown met grijze grappen doch zijn brede grijns vertrouw ik niet ontvoert het kind in mij misschien   ik lonk nog even naar haar ferme buste en de pluimendiva schenkt mij nog een vlagje met vaarwel   slenter verder door het bos voor losgelatenheden richting bron de kleine beer stil in de rug   hij hangt de jaren aan mijn schouders prevelt wat hij wil dat alles vredig overleeft   de blinde moeite hebben mieren opgespaardik ben te moe leg ik ze uit   bij nacht dan zingt de krekel nog een laatste wiegeliedje en ik voel het aan de sterren   dat de brug berust het klare water vangen wil de bedding zich straks naar me plooit       uit de reeks  'Reizen met Ricky'

Bernd Vanderbilt
0 1

Brussel Centraal

Geachte heer, beste vriend,   Je kent mij niet. Ik weet niet waar jij woont. De kans dat jij deze brief zal lezen is dus klein. Maar ik vond dat ik hem toch moest schrijven. We zagen mekaar gisteren, in de wachtzaal in Brussel Centraal. Enfin, ik zag jou. Je liet me geen andere keuze. Ik vermoed dat jij mij niet echt hebt opgemerkt. Je had het nogal druk.   Door een defecte locomotief zat het verkeer in de noordzuidverbinding weer eens helemaal in de knoop. De stationshal was volgelopen. Er hing een beklemmende geur. Een mix van ambtenarenzweet en warme wafels. Ik wou er weg en wel zo snel mogelijk. Heel even overwoog ik te vluchten in zo'n typische stationsbar. Waar sombere figuren op elk moment van de dag troost vinden in een grote Leffe. Toch maar niet. Ik genoot van de stilte die over mij viel toen ik de wachtzaal binnenstapte. Ik koos de stoel achteraan, naast de man met de opzichtige hoofdtelefoon. Hier was het ook druk, maar heerlijk rustig.   Een tenger vrouwtje hield een klein papieren tasje dicht tegen zich aan gedrukt en keek angstig voor zich uit. Naast haar zat een grijze man te verzuipen in een veel te grote regenjas, onder een veel te grote hoed. Daarnaast een mollige dame die verbazend snel een half stokbrood naar binnen werkte. En nog wat verder de meneer met de drie rugzakken en de Zweedse puzzel. Ik schrok toen ik recht in de ogen keek van de Noordafrikaanse man met de scherpe jukbeenderen. De eerste in de rij die mij ook aankeek, en hoe. Een ijskoude agressieve blik, die mij geen andere keuze gaf dan snel weer weg te kijken. De vrouw naast hem las ongestoord en met ernstige blik, alsof ze een ingewikkeld wetenschappelijk artikel doorgrondde. Het was TV Story. Dan toch liever die brede smile van dat zwartje met het rood geverfde haar en de plateauschoenen. Of die dromerige blik van het mooie meisje in de hoek, met de skinny jeans en de blauwe Doc Martins, onophoudelijk starend naar haar gsm.   Mijn wachtgenoten. Ik bekeek ze allemaal, een voor een. Allemaal druk bezig in hun eigen wereld. En allemaal respecteerden ze de serene stilte die hier hing. Zelfs die man met de Boliviaanse klederdracht had voor één keer zijn panfluit thuis gelaten.   En toen verscheen jij, uit het niets. Je zat verderop in de rij, maar ik had je nog niet opgemerkt. Tot je met een luide kreun voorover boog, met je hoofd tot diep in één van die grote plastic zakken die je bij had. Wat erin zat heb ik nooit geweten. Wat je zocht ook niet. Maar dát je iets zocht, was heel duidelijk. Je ging tekeer als een razende hond die zijn bot zoekt in een hoop bladeren. De inhoud van je zak ritselde en rammelde. En jij zuchtte en kreunde en gromde als een beest. Een paar keer richtte jij je op, als een walvis die lucht kwam halen, voor je er weer in dook, telkens opnieuw.   Toen gebeurde er iets geks. Enkele wachtgenoten keken elkaar aan. Wisselden blikken uit. Een frons van verontwaardiging. Afkeurende mondhoeken. Gefluister en gemompel. Er was ineens contact, tussen mensen die tot dan toe opgesloten leken in hun eigen luchtbel.   Plots stopte je met zoeken. Je stond op. Keek snel even rond in het zaaltje. En terwijl je je warrige haardos plat streek met een vuile hand, zei je met luide, plechtige stem: “Nog een prettige middag allemaal!”   Ik moest daar eigenlijk vreselijk om lachen. Hoe jouw warme wens al die ernstige, drukke, zure mensen het nakijken gaf. Ik vergat om jou ook een prettige middag te wensen. Daarom deze brief. Ik hoop dat het je goed gaat. En dat je mag vinden wat je zoekt.     Met warme groeten, Roel

Roel Nijleend
0 0

Groenplaats

Willy's wandeling was halfweg toen hij, zoals elke dag, de Groenplaats opliep. Nu ja, lopen deed hij al lang niet meer. Hij hoorde de drukte voor hij ze zag. Het gebrom van zware vrachtwagenmotoren. Het irritant gepiep als ze achteruit rijden. Het gezeur van kettingzagen. Krakende takken. En een zware plof als er weer een boom viel. “Miljaar,” dacht Willy. “'t Is voor vandaag, ze gaan eraan.” Hij werd er stil van toen hij zag dat de meeste bomen al tegen de grond lagen. Hier had hij gespeeld als kleine jongen. Zijn eerste lief gekust. Gewandeld met zijn kinderen. Gespeeld met zijn eerste kleinkind. En zijn laatste witte wijn gedronken met Lisette, voor zij naar het home ging. En altijd waren er die bomen. Tot vandaag. “'t Is een schande,” mompelde hij.   Esters dunne vingers flitsten over het scherm van haar gsm. “Het is gedaan, ze hebben hem,” tikte ze. Haar hart bonsde nog in haar keel. “Echt?” stuurde Lisa terug. “Ja, echt, ze pakken hem mee.” En dat hij een dikke loser was, schreef ze nog. En een stomme kloot. Met een dwaas plan. En dat hij naar haar had moeten luisteren. “Wat ga je nu doen?” vroeg Lisa. Maar Ester kon niks meer doen. En ze wou niks meer doen. Nu niet meer. Hij had maar moeten luisteren. Wat een stomme kloot was hij toch, echt. “Maar hij meent dat goed, dat denk ik wel,” probeerde Lisa nog. Ester kon alleen maar denken aan hoe gênant het was. Het hele plein had haar gezien. Zo fucking gênant. “Moet jij ook mee?” vroeg Lisa. -“Niet als ik mij nu koest houd.” “Zit je nog in de combi?” -“Nee,” stuurde Ester. “Op een bank, naast een of andere ouwe zak.”   De bomen vielen één voor één. Danny zag ze vallen vanuit zijn schuilplek tussen de takken. En ineens stonden ze bij zijn boom. “Godverdomme, hier zit er enen in!” riep de man met de kettingzaag. Danny zette zijn keel open. “Groenplein Groen! Red de bomen!” De flikken waren er rapper dan hij had gedacht. En hun geduld hadden ze onderweg al verloren. Hij kreeg welgeteld vijf minuten om uit zijn boom te komen. Maar hij bleef zitten. Want dit was zijn moment. Voor moeder aarde. En voor Ester, want die was toch ook voor de bomen. En die wou hij wel eens binnendoen. En als ze dit hoorde zou dat zeker niet lang meer duren. Hij nam zijn gsm.   Willy had haar direct gezien. Omdat ze een lange zwarte jas droeg. Omdat ze bleek was en van die zwarte ogen had. Omdat ze kei hard kwam aangelopen. En misschien ook wel omdat ze daarbij zo hard riep dat het hele plein haar had gezien. De flikken probeerde Danny uit de boom te trekken maar hij kroop steeds hoger weg tussen de takken. De brandweer was al gebeld maar die liet op zich wachten. En intussen had ook Ester de boom bereikt. Ze probeerde erin te klimmen maar voor ze het goed besefte, greep de ene agent haar vast. Ze zeg nog net Danny hoog in de boom zitten. “Gij stomme kloot!” riep ze naar hem. Maar de agent voelde zich aangesproken en antwoordde: “Komt gij maar eens mee, juffrouwke!”   Willy zag het allemaal gebeuren. De brandweer kwam en haalde de tragische held moeiteloos uit de boom. Combi open, Ester eruit, Danny erin. De laatste boom plofte neer.   Ze kwam naast hem zitten op de bank. Haar dunne vingers flitsten over het scherm van haar gsm. Het werd stil nu. Op het plein en op de bank.   Willy wees naar de agent die de combi het plein af stuurde en zei: “Hij moest zich schamen!” Ester keek naar de combi, zag Danny erin zitten, en zei: “Absoluut!”

Roel Nijleend
1 0

Reünie

      Alsof deze met de strafste contactlijm was ingesmeerd, zó roerloos plakte Bertrand aan zijn zetel. De man had schrik, dat als hij ook maar een ietsepietsie bewoog, hij uit een droom zou ontwaken. Door zijn opspelende maag moest hij uiteindelijk toch opstaan. De wc vulde zich meteen met een penetrante zure stank. Nochtans had Bertrand niets slecht gegeten, neen, stress was de boosdoener. De zenuwen waren door zijn keel beginnen gieren op het moment dat de vierde bal viel en deze net als de vorige drie een correct cijfer toonde. Daarna viel bal vijf... en zes... Bertrand was dan, met een van verbazing opengevallen mond, naar het scherm blijven staren. Terwijl snel wisselende euforie en ongeloof zijn gedachten beheersten, las hij steeds weer die ene regel op de teletekstpagina. Eén winnaar met 6 juiste nummers, meer dan 1.000.000 €, en dat was hij! Sinds zijn vrijlating, nu vijf jaar geleden, had Bertrand met moeite de eindjes aan elkaar kunnen knopen. Dat was dus verleden tijd. Meer dan 40.000.000 oude Belgische franken! Dat klonk nog beter, vond Bertrand. Hij zou een wereldreis maken, zijn ouders, die hij toch veel leed had gedaan, mochten delen in de winst, en een nieuw huis en gloednieuwe wagen stonden ook op zijn verlanglijst. Bertrand nam plaats aan het tafeltje in de kitchenette van zijn studio. In zijn fantasie zat hij echter al aan een eikenhouten meubelstuk in een riante woonkamer, mét een mooi vrouwtje. Voortaan hoefde hij ook nooit meer acht uur per dag af te wassen. Plots werd Bertrand kwaad. Die klootzak van een baas verdiende allang een pak rammel. Neen, niet goed. Eén klap dan, pijnlijk maar zonder schade? Ja, dat kon. Bertrand was trots op zijn zelfbeheersing. Uit pure blijdschap veerde hij op en sprong als een speelse jonge hond in zijn zetel, die daardoor met een knal tegen de muur schoof. Dan zette Bertrand zijn stereo aan. Uit de boxen schalde meteen: 'Hat ik maar iemant om fain te houwe... twei zachte armen oim me hein...' Stop! Bertrand keilde de schijf door het openstaande raam en nam een cd met carnavalshits. Toeters, trompetten en zingende feestneuzen klonken, terwijl Bertrand breed lachend een polonaise solo in zette. De hele nacht verstoorde hij zo de rust van de omwonenden in het flatgebouw. 's Ochtends haastte hij zich naar de dichtstbijzijnde krantenwinkel, maar de machinerie van de nationale loterij werkte blijkbaar niet op zondag. 'Geen probleem, morgen ben ik ook nog miljonair', riep Bertrand en wandelde naar de stationsbuurt, waar de cafés met de laagste prijzen waren. Bij het binnenkomen fluisterde Bertrand de waard iets in de oren. Deze trachtte schertsend wat los te peuteren maar kreeg verder geen uitleg. Flup luidde dan maar de bel: 'Tournée Generale!' En hij moest dat niet één keer doen, maar verscheidene, zo om het half uur. Iedereen werd gek. De meesten hadden geen cent te makken, dus was gratis bier een godsgeschenk. Bertrand, die nog nooit zoveel vrienden had gehad, werd luid toegejuicht en kreeg enkele smakkerds. Er werd zelfs voor hem gezongen, zij het in een vage toonaard. Na een tijd vond hij het welletjes. Hij betaalde, zei dag tegen die die nog recht stonden en gaf een bonk van een kerel, die hij goed begreep want ook hij had gezeten, een stevige handdruk. Die kerel vroeg wat hij van plan was, het leek wel of hij afscheid nam. Niettegenstaande zijn stilzwijgen, werd Bertrand geluk toegewenst. Dan trok hij de deur achter zich dicht. Het enige dat Bertrand die dag verder deed was dromen. Maandagochtend was hij voor dag en dauw op en nam een taxi, rechtstreeks naar de hoofdstad. Net voor Bertrand het gebouw van de nationale loterij wou ingaan, viel er vlakbij een jongetje op de grond. Het bleef voor dood liggen. Meteen snelde Bertrand te hulp. Wanneer hij over het kleine lichaam boog, werd hij verrast door een waterstraal in het gezicht en vliegensvlug ging het lachende jongetje ervandoor. Bertrand kon dat kattenkwaad wel hebben. Zogenaamd verontwaardigd foeterde hij en zwaaide met zijn vuist. Het kind, nog steeds schaterend van de pret, verstopte zich verderop achter de rug van een man. Die laatste, blijkbaar de vader, glimlachte verontschuldigend en gaf zijn zoontje een tik op het achterhoofd. Bertrand gebaarde dat het niet erg was. Toen hij weer naar de hoofdingang van de nationale loterij stapte, hield Bertrand opeens halt. Een kind dat 'doodvalt', het gezicht van die man, hij herkende alles. Hij draaide zich om, maar de man en het jongetje waren intussen verdwenen. Bertrand begon te lopen en sloeg op goed geluk de hoek van de eerste straat rechts om. Daar zag hij het tweetal. Bernard haalde ze in en vroeg meteen: 'Peter? Peter Vertongen?' 'Present', zei de man terwijl hij achterom keek. 'O, bent u het. Nogmaals mijn excuses voor dat grapje. Maar, hoe kent u mijn naam?' 'Vertongen, ben je blind geworden? Ik ben het, Bertrand. Plak op mijn hoofd een snor, lang haar en denk die bril weg.' 'Wat zeg je me nou? Inderdaad, Bertrand!' In het begin van zijn criminele loopbaan, lang geleden, waren Peter en hij onafscheidelijk geweest. Peter was echter snel tegen de lamp gelopen, waarna hij het milieu vaarwel had gezegd. Bertrand had hem toen voor verrader uitgescholden. Later begreep hij dat hij jaloers was geweest op zijn vriend, om zijn moed de juiste manier van leven te kiezen. Nu de eerste verbazing van hun onverwachte ontmoeting wat was verdwenen, zei Peter: 'Je kan me blind noemen, Bertrand, maar je bent echt veranderd.' 'Jij anders niet. Plots herinnerde ik me alles, dat spelletje, jouw glimlach en natuurlijk die rosse lokken. Hoe dikwijls hebben wij die truc vroeger niet gebruikt? Dat ik er nota bene in trap!' 'Tja...' 'Onder ons gezegd en gezwegen, je bent dat jongetje toch niet aan het trainen? Ik dacht dat jij allang een schoon leven leidde.' 'Nog altijd. Het gebeurt gewoon soms dat je dat tijdens het spelen gebruikt en dan doet zo' n jochie dat na. Hij zal niet dezelfde fouten begaan als zijn vader.' 'Een echte crimineel ben jij nooit geweest.' 'Jij daarentegen, de verhalen die ik in de jaren heb gehoord.' 'Zeker de helft onwaar.' 'Dan nog.' 'Peter, wat gebeurd is, is gebeurd en geloof het of niet, ik ben al vijf jaar clean én uit de bak.' 'Wat doe je nu dan voor de kost? Jij werkt toch niet bij de nationale loterij? Ik dacht dat je er zonet naar binnen wou gaan.' 'Wel ja...' 'Bertrand, het is hoogst onwaarschijnlijk dat ze daar iemand met uw verleden zouden aannemen. Maar wacht eens, jij hebt gewonnen, niet?' 'Neen, neen, ik moet inlichtingen hebben.' 'Ach zo. Nou ja, het zijn mijn zaken niet. Zeg, zin om iets te gaan drinken? Dan kunnen we verder bijpraten.' 'Waarom niet. Ik trakteer', zei Bertrand fier. 'Ik zie jullie straks in dat café daar.' Peter zei daarop tegen zijn zoontje: 'Jonas, laat nog eens zien aan mijn goede vriend Bertrand hoe jij mensen kan foppen.' De jongen liet zich vallen en Bertrand deed voor de gein opnieuw mee. Na de obligate waterstraal vertrok Bertrand opgewekt. Aan de ingang van de nationale loterij bleef hij nog één keer staan. Hier begon zijn nieuw leven. Voor de zekerheid tastte hij in zijn binnenzak. Verbijsterd voelde Bertrand zijn vingers door een snee in zijn jas gaan. Hij kreeg een waas voor de ogen.    

johan saenen
0 0

Femke

      Wat een brave, goede meid was Femke toch. Haar papa was met de noorderzon vertrokken, had mama voorgoed verlaten, en om die te sparen kloeg Femke nooit. Mama ging gebukt onder zorgen. Uiteraard omtrent papa, maar ook om het geld dat met hem was verdwenen. Net als mama werd Femke dagelijks heen en weer geslingerd tussen verdriet en woede. Het ene moment miste ze papa ontzettend, het andere moment wenste ze hem uit de grond van haar hart dood. Desondanks scheen het kind uiterlijk kalm.   Tenzij je Femke 's nachts zou observeren. Dan lag ze te piekeren en te woelen. Het stressverschijnsel was telkens krampen in de buik. Diep in haar darmen gistte en borrelde het dat het een aard had. Regelmatig was het zo erg dat Femke uit haar onvaste slaap schoot. Dan was het zaak snel de wc te bereiken, maar toch ging het traag want zelfs in deze uiterst vervelende omstandigheden dacht Femke aan het welzijn van haar moeder. Daarom ging ze heel voorzichtig, voetje voor voetje de trap af. Beneden opende ze zacht de deur en liep vervolgens op haar tenen door de eetkamer naar de badkamer. Als de deur van die laatste op slot was gedaan, wierp Femke zich op het toilet. Eindelijk was ze bevrijd van het krampachtig ophouden. De ellende was echter niet voorbij. Gelijk de waterige drek eruit spoot, ging Femkes bloeddruk met een sprong naar beneden. Dan trok ze wit weg en begon te zweten als een rund. Ze ging meestal net niet van haar stokje. Uiteindelijk hing Femke slap als een vaatdoek een tijd met het hoofd tegen de dichtbij staande muur. Verward en doodmoe staarde het kind dan naar de gespikkelde vloertegels, waarbij het motief begon rond te draaien, telkens het monster met de vlijmscherpe tanden in haar buik nog eens flink door beet.   Femke slaagde er dus iedere keer in amper lawaai te maken. Toch vermoedde mama iets. De penetrante stank 's morgens in de badkamer en de wallen onder de ogen van haar dochter waren haar niet ontgaan. De laatste twee weken waren bijzonder problematisch geweest. Elke ochtend had mama een sterk bevuild onderbroekje gevonden, goed weggestopt tussen het andere wasgoed. Dit kon zo niet blijven duren. Ze moest actie ondernemen. Femke was echter te koppig om, zelfs bij een nachtelijke confrontatie, toe te geven dat haar iets scheelde. Het was dan ook geen verrassing dat haar oogappel stommetje speelde toen mama voorzichtig informeerde. Toch zag het kind blijkbaar de ernst van de toestand in, want tot mama' s verwondering was ze wel bereid om naar de dokter te gaan. Tijdens dat bezoek bekeek de man eerst langdurig Femkes medische fiche. Vervolgens voerde hij een reeks nutteloze onderzoeken uit en stelde met ernstige blik de diagnose. Femke luisterde aandachtig naar de man met de grappige snor, maar verstond zijn lange, met Latijnse termen doorspekte uitleg nauwelijks. Wat trots wist ze 'weke darmen' en 'een tekort aan darmflora' te onthouden, woorden die de dokter had benadrukt. Femke was opgelucht dat de ziekte was benoemd, zonder dat ze over haar innerlijke beslommeringen had hoeven te praten. De dokter had dat goed aangepakt. Bij het vertrek stopte hij mama het telefoonnummer van een bevriend kinderpsycholoog toe. Ja, het meisje was te streng voor zichzelf en sloot zich meer dan normaal af. Ze behoorde ook plezier te maken. Wat haatte mama haar man nu nog meer. De ochtend erop zou ze direct de medicatie halen. Mama vergewiste zich er die avond van dat Femke in dromenland was. Daarna sliep ze zelf, voor de eerste keer sinds lang, meteen in.   Midden in de nacht stond Femke in de tuin. Ze was met dikke kettingen vastgebonden aan een grote ijzeren paal. Een vreemde gedaante, gekleed in lompen en een versleten hoed, zweefde af en aan en rond haar. In het felle, zilveren licht van de maan, die dichterbij de aarde stond dan normaal, zag Femke dat de gedaante geen gezicht had. De engerd sleepte twee lange koperen kabels aan en knoopte die rond Femkes grote tenen. Daarop zweefde hij naar een gigantische hendel. Tergend traag reikte hij ernaar, terwijl elektrische vonken begonnen over te springen naar zijn vingers. Femke stond doodsangsten uit. Ze probeerde zich tevergeefs los te wroeten en toen ze het wou uitschreeuwen, bleek ze stom. Met een knal werd de hendel overgehaald. Heftige pijnscheuten liepen door Femkes lichaam. Meteen daarna sloeg de bliksem verscheidene keren in op de paal, met nog meer felle steken tot gevolg. Net op het moment dat ze bezweek, schoot Femke wakker. Ze was doorweekt van het zweet. Spasmen teisterden haar binnenkant. Plots werd ze een warme, natte plek gewaar. Femke tastte onder de lakens en rook aan haar vingers. Ze had in bed gepoept! Tijd om zich al te zeer te schamen kreeg het kind echter niet. De ene na de andere golf van onmenselijke pijn volgde. Femke raakte versuft. Niets was nog duidelijk. Beleefde ze alleen maar een nare droom of lag ze werkelijk op sterven?   Terwijl donkerbruin vocht langs haar melkwitte benen sijpelde, ging Femke moeizaam naar beneden. Ze dacht er absoluut niet meer aan zo min mogelijk lawaai te maken. In de eetkamer zakte ze in elkaar. Kronkelend over de vloer van de pijn schreeuwde ze het uit, maar mama sliep als een roos. Femke was nu ver heen. In haar weinige gedachten overheerste dat ene woord. De dokter had het uitgesproken en mama had het voorgelezen in de winkel: flora, flora... Als een kerkklok zo indringend, bomde het woord in haar hoofd: flora, flora... Met een allerlaatste inspanning sleepte Femke zich naar de keuken, opende de kast onder de gootsteen, grabbelde naar de flessen en vond die dikke groene waarop dat ene woord gedrukt stond. Daarop wrong het kind de dop los en dronk gulzig van de vloeibare meststof voor planten, heilig overtuigd dat het goed was voor haar 'flora'.  

johan saenen
0 0

Jeugdherinneringen

 Je brein is maar een raar orgaan. Het voelt geen pijn, maar herinner me eraan de volgende keer na een stevig nachtje uit. Je brein onthoudt alles, maar de mens heeft moeite om individuele dingen te herinneren. Het mooiste voorbeeld vinden we terug in de zwoegende student tijdens dat ene belangrijke examen. Het is pas na afloop dat hij of zij de antwoorden kan aframelen.Net zo met gewone herinneringen. Alles wat je ooit hebt gedaan of geduveld, zit ergens diep in die grijze massa opgeslagen. Met de beste wil van de wereld kun je die ene afzonderlijke herinnering niet zomaar oproepen zonder externe factor. Onlangs liep ik in de onderdoorgang van het station Denderleeuw. Hier en daar hadden ze nieuwe kabels getrokken die werden afgeschermd met metalen strips. Een onzichtbare kracht leidde me er naar toe en ik legde voorzichtig mijn hand op het gladde metaal. Ik klopte erop en tot mijn grote vreugde galmde het metalige getik door de tunnel. Glimlachend streelde ik liefkozend het gladde metaal. Gelukkig was ik alleen in de tunnel, want ik kan me indenken dat een “normale” voorbijganger me wat raar zou aankijken.Ik stond daar terwijl mijn gedachten mij terug katapulteerde naar de speeltijd op de lagere school. Ik zat in het derde of vierde leerjaar en van de grote kinderen mochten we niet voetballen. Dus zochten we ons plezier in andere spelletjes. Gelukkig voor ons waren er genoeg plekjes op de speelkoer te vinden waar je je kon verbergen. Verstoppertje werd ons spel en als de bel rinkelend de speeltijd inluidde, spurtte de hele klas naar buiten om “af te kloppen”. De laatste die zich afklopte was “hem”. Dat afkloppen gebeurde op een metalen strip die een afvoerpijp afdekte. In het heden klopte ik op de metalen strip en verbeelde me het geluid dat over de speelkoer van weleer galmde als een zware klok. Ik hield er niet van om de eerste of de laatste te zijn en vermeed dat ik degene was die moest zoeken. Ik kon me goed verstoppen, maar was barslecht in het zoeken. Iemand die je had gevonden, moest je "uitkloppen". Dus je rende als een speer terug naar de metalen strip, niet zo simpel als je geen sportieve adonis bent. Ik verloor de meeste (lees alle) spurtjes grandioos. In stilte vervloekte ik de snellere kinderen.Ik zuchtte bij al deze herinneringen. De werking van ons brein is op vele vlakken nog een groot mysterie. Het is het machtigste alsook het meest verwaarloosde orgaan dat de mensheid bezit. Je kunt niet alles actief herinneren. Normaal gezien heb je er weinig last van, maar het is erger als je echt belangrijke dingen niet meer kunt herinneren: je eerste kus, de geboorte van je kind, de mensen die je lief hebt... Ik blijf erbij, het brein is een raar ding. Maar één ding is zeker! Het moment dat ik niet meer glimlach bij het zien van een metalen strip, dan heeft het leven geen zin meer.

Wibboo Jozefs
0 0