Lezen

Aarslicht

  In mijn nieuwjaarsbrief, ergens begin maart, als ook Chinezen weer beseffen dat kalenders en de dagen van papier gebleven zijn, als nergens nog een bubbel ijdelvocht, een druppeltje komediesnot te likken valt, maak ik het officieel bekend : ik ben een zot, die liefst onder gespaarde sparren slaapt. Bij Heidenrijk.com weet men er alles van : een boom, die onderhoud je best. Laat hem staan, daar in zijn bos, leg ze in de watten, op de zolder, zalf ze wat die glitterballen, klinkt niet eens zo gek.   Bestel nog snel een doos met grappen, grollen, brolcadeautjes van een ziek plastiek desnoods. Mij deert het niet. Want straks, dan speel ik. Kerstnar, naakte clown met blinkerklootjes, steek een slinger diep tot in mijn endeldarm. Het kuist de aars veel beter dan je denkt. Wildsteak, oesterschimmel, kaas, doe mij wat tamme praatkroketten en die cavia’s, mijn schatjelief, ze mogen op de barbecue, ik vil ze wel.   Voor de rest, schenk mij oranje legoblokken of een pakje eetbare condooms. Je kunt dan lekker kauwen, bellen blazen, schat. Vergeet heel even dat gezuig, terwijl ik desalniettemin toch even aan je sapjes nip, fruities, barbapapamilkshake, in de oven zwelt een nagerecht. Mystieke frisco’s lust ik ook, liefst ver weg en in de mist loopt er een schim voorbij die voor zijn leven vecht, als ik opnieuw een schaduw steel, een afgewreten kwartelbotje naar hem werp. Ik hoor hem al, ’t is Geert. Hij lacht als ik het toon hoe je een goudvis piercet, een kerstbal aan zijn staartje hangt.   Azijngeur, antigel is zoveel beter dan goedkope wijn en in de lucht hangt er een rare waas, tijdverdrijf is aan mijn glas geplakt. Ik martel hem alvast een beetje. Kurksmaak, Christus in zijn kribbe. Zodat hij alvast weet wat leven is. Gespoten wordt er niet die dag. Graffiti op een taart, een bontwinkel, wordt zelden gewaardeerd. Sneeuw en glinstertjes dat willen ze de wezentjes die alle wereldquatsch, verhalen over opwarming, die duizend hongerdoden op een halve dag voorgoed vergeten zijn, me dunkt. Ochot, we laten het gebeuren dezer dagen, want alle obers, restauranten vol rosbief, romantici, de vetsmelters en butlers in het beterdom, ze weten, zelfs met kaarslicht gaat de nacht voorbij.       uit de reeks  'Over eelt en zurkelteelt' 

Bernd Vanderbilt
20 0

Op z'n hondjes

Omdat ik ook maar een mens van mijn tijd ben – eenzaam, mistroostig en op zoek naar een parkeerplaats voor mijn idealen – schreef ik me recent in op een datingsite. Een zegen, want wie denkt hier alleen zwartgeblakerde mensen, ternauwernood gered van het vagevuur van de liefde, te ontmoeten, is eraan voor de moeite. Het is hier integendeel een opwindend circus van hitsige jongens en meisjes, een beschermd biotoop van hoop, een plek waar de liefde herleid wordt tot zijn ware proporties: alles. Het leukste van de site zijn natuurlijk de profielen: de zelfomschrijvingen en die van de ideale partner. “Het verleden ligt achter me en is een afgesloten hoofdstuk” is altijd een leuke opener – de placenta van de wedergeboorte, geoffreerd als potgrond voor nieuw geluk. Dan zijn er de vrouwen voor wie het leven “een ontdekkingsreis” is, “een pad waarop je samen kan groeien”, de liefde een met lucht gevulde steunzool die je overal en nergens brengt. Er zijn de meer materialistische types. In datingtaal: “Ik geloof dat ambitie en veeleisendheid goede eigenschappen zijn voor een man.” Je hebt de natuurliefhebbers, de cultuurtempelhabitués, de jonge notenkrakende moeders (“een kindvriendelijke activiteit met een lach op je gezicht”) en dames die op zoek zijn naar een klusjesman (“een beetje handig”). De liefde kent dus vele gezichten. De dertigsters wiens hoogste goed de festivalweide is, de veertigsters die eindelijk verlost zijn van hun wederhelft, de vijftigsters die het graag simpel houden maar ook “poly-amorie a priori niet uitsluiten”, de twintigsters die zich sociaal, levenslustig en sportief door de dag boksen om dan ’s avonds hun wegwerphart aan elkaar te lijmen. Er is kortom voor ieder wat wils. Behalve misschien voor het gild der duivenmelkers: 21ste-eeuwse vrouwen gaan graag op reis. Reizen zijn een voorwaarde voor huiselijk geluk. Cynisme is een afknapper. Eens contact gelegd, is de paringsdans begonnen. Op zijn hondjes. Eerst snuffelen, dan knuffelen.

Guy Bourgeois
138 0

Ik was al onderweg

  Wat zand, ik loop een storm voorbij, een glas. Achter het stuur, het mocht van nonkel Bob, zolang ik zijn woestijn maar niet verliet. Adieu terras, café daar aan het Noordzeestrand. Er hing een wezen aan de toog met rond zijn nek een zelfgeknoopte das. Hij sprak me aan, zoals dat gaat. Een netwerkzot, die overal zijn dogma’s predikt over onbenul en het sociaal geluk. Die lifestylesul, luchtverkoper. Dat mijn blaas volliep, dat het bij doodtij veilig plassen is daarginds, dat het dringend is en weg was ik.   Bijna koekenbak naast het gelag, wat verder vandaag verse bloedworstjes en Pol in zijn frituur steekt weer bouletten op een spies. Daar waar ik ooit een gocart heb gehuurd, verkoopt men nu een brommer met twee vijzen los. Ik heb geen tijd, expresweg op.   Er liggen kuipen op de linker rijstrook. Ergens bij een kilometerpaal. Van een metser, dat verzwijgt de fm-stem. Specie voor het zetten van een duivelkot, schuilplaats, afdak voor de natte dromen van een volk of twee. Ze wacht op mij, nogal geluk, de overzet in Breskens vaart niet meer. Mijn eikel wist het niet. De koningin had er een grijze foto, zachte kuthaartjes, vermoed ik, ook een mooie adelkrul.   Vergane boelwerfbootjes, vleeskrokettennostalgie. Die 23 letters schrijf ik later in een hangmat. Tussen ja, een baobab, een knuffelboom voor mij alleen. Nu niet, ze is er al, bij Borssele, daar waar ik uit die tunnel rijd, de wereldlucht mij weer bevangt. Aan de afslag, in haar pas gewassen Lotus. Ze kent me amper. De liefde heeft de foutjes in de lak nog snel verhuld. God en alles voelt, er werd gewacht. Vijftig miljoen zevenhonderddrieënvijftigduizend achtenzeventig. Sterren. Omgekeerd, op haar rekenmachine. De rechter zetel fluistert niet. Sorry schat, ik was al onderweg. Bijna zoiets. Gemist, van dag, een bocht.       uit de reeks  'Reizen met Ricky'

Bernd Vanderbilt
1 0

I love Belgium

Voordat er flauwe Belgengrappen gemaakt gaan worden naar aanleiding van deze titel, wil ik uitleggen waarom ik graag met Belgen samenwerk. Ik schets hiervoor tweemaal een vrijwel identieke situatie. De ene keer in Nederland. De tweede keer in België. Het verschil zal duidelijk worden. De wekker gaat. Het is vroeg. En koud. Eerst nog even snoozen. Nee, Juul. Opstaan. Nu! Je hebt nog een lange reis voor de boeg. Het ochtendritueel voltrekt zich hetzelfde als elke andere doordeweekse dag, met ingrediënten als: restauratiewerkzaamheden aan hoofd (ik dank Chanel elke dag op mijn blote knietjes voor het ontwikkelen van de perfecte make-up), veel cafeïne, een kind dat volstrekt géén haast heeft en een kat die besluit om eens een goede haarbal neer te kwakken. Terwijl ik een half uur later dan gepland de deur uitga – wegens kind dat geen haast had en haarbal van kat – loop ik in mijn hoofd het lijstje na met spullen die ik mee moest nemen: manuscripten, boeken, visitekaartjes, map met aantekeningen, laptop, navigatiesysteem… en uiteraard moet ik nog een keer terug. Drie trappen op, bepakt met tas, koffer en sporttas, breekt het zweet me uit. Ik had al ruimschoots op de A1 willen rijden, de eerste file voor willen zijn en tijd hebben gehad om een koffie te halen bij het tankstation. Helaas. Ik ben de oplader voor het navigatiesysteem vergeten. Vertrouwen op mijn richtinggevoel heb ik al eens eerder geprobeerd en dat werkte niet. Twee files, uitgebreide wegwerkzaamheden, een plaspauze en drie uur later rij ik Mechelen binnen. Ik kijk op mijn horloge. Elf uur. Mijn afspraak was om half elf. Ik ben te laat. Ik vervloek mezelf, schaam me alvast kapot en neem me heilig voor, zoals elke keer, om de volgende keer een uur eerder te vertrekken. Ook in het centrum van Mechelen vinden wegwerkzaamheden plaats. Het navigatiesysteem kan hiermee niet uit de voeten en dirigeert me dwars door het natte asfalt heen. Ruim een uur te laat ren ik de uitgeverij binnen. Eerst een kort bezoekje aan het toilet, om wat poeder op mijn zweterige voorhoofd te kwasten en mezelf een deo-douche te geven. Ik pluk mijn rokje recht en loop op de uitgever en mijn collega’s af, die klaar zitten voor het overleg. En dit is het moment waarop het verschil tussen samenwerken met Nederlanders en samenwerken met Vlamingen duidelijk wordt. Alle collega’s en de uitgever staan op, geven me een hand en een dikke, vriendschappelijke zoen. De een haalt koffie: ‘U had met melk, toch?’ De uitgever schuift een van zijn kastjes open en haalt er verschillende pakken koekjes uit. Met chocolade, met nootjes, ‘natuur’ en met caramel. Terwijl hij op zijn buik klopt zegt hij: ‘Eet u ze alstublieft op, ik mag deze koeken niet meer van mijn vrouw.’ Daarna pakt hij uit zijn bureaulade een pak gezonde koeken voor zichzelf en lacht. ‘Ik mag alleen nog maar deze.’ ‘Ik weet dat ik te laat ben,’ begin ik het overleg. ‘Normaal ben ik fashionably late, maar een uur te laat is niet fashionable, dat is asociaal.’ Mijn Belgische collega’s schudden hun hoofd, merken op blij te zijn dat ik er ben, vragen hoe mijn reis verlopen is, spreken hun waardering uit dat ik de moeite genomen heb ‘helemaal uit Holland’ te komen om erbij te zijn, informeren naar mijn zoontje en gaan over tot de orde van de dag. De knoop in mijn buik verdwijnt als sneeuw voor de zon. Tegen lunchtijd krijg ik de keuze: broodjes bestellen of buiten de deur een hapje doen. Ik kies ervoor op de uitgeverij te eten. Het was al mijn schuld dat we later begonnen zijn. Als we dan ook nog naar het centrum moeten rijden en we aan het eind van de middag niet klaar zijn dan is mijn schuldgevoel compleet. Er wordt de tijd genomen. We kletsen uitgebreid bij onder het genot van pistoletjes met hesp en chocoladecroissants. Een glaasje cava hoort erbij. Dan nog een. Na de lunch, die twee uur duurde, ronden we binnen een uur de laatste puntjes van de agenda af. Mijn collega’s lopen mee naar de auto, wensen we een goede terugreis, stoppen me hapjes en drankjes toe voor onderweg en geven me een knuffel. Nog voor de spits rijd ik naar huis. Welnu, dezelfde situatie, andere locatie. Ochtendritueel: identiek. Een file, een plaspauze en twee uur later rijd ik een voorstadje van Den Bosch binnen. Ik kijk op mijn horloge. Kwart over een. Mijn afspraak was om een uur. Ik ben een kwartier te laat. Ik vervloek mezelf, schaam me alvast kapot en neem me heilig voor, zoals elke keer, om de volgende keer een uur eerder te vertrekken. Mijn navigatiesysteem heeft moeite met het vinden van het adres. Op mijn richtinggevoel hoef ik niet te vertrouwen. Alle gebouwen op het industrieterrein lijken op elkaar. Het regent snoeihard. Amper twintig minuten te laat ren ik de uitgeverij binnen. Een kort bezoekje aan het toilet zit er niet in. De uitgever kijkt op zijn horloge en gaat verder met de zin die hij door mijn binnenkomst afbreken moest. Ik pluk mijn rokje recht en loop naar een lege plek aan de vergadertafel. Mijn collega’s zijn al begonnen en maken druk aantekeningen. Ik snak naar een kop koffie. Of een glaasje water, op zijn minst. Ik heb nog een kauwgompje in mijn mond. Waar laat ik die zo gauw? Straks moet ik reageren op punt drie van de agenda en zit ik hier als een herkauwende koe. Ik voel me al ongemakkelijk genoeg. Onopvallend probeer ik mijn tas op mijn schoot te trekken, op zoek naar een zakdoekje of papiertje om stiekem mijn kauwgompje in te stoppen. Juist als ik een geschikt papiertje voel, helemaal onderin, kijkt de collega recht tegenover me geïrriteerd aan. Ik vermoed dat ze probeert duidelijk te maken: ‘Ssst! Ik kan niet horen wat meneer de uitgever voor belangrijks te zeggen heeft. Door jou.’ Zal ik het kauwgompje anders doorslikken? Zal ik het doen? Ik voel een lichte tinteling in mijn buik. Nee, dat durf ik niet. Ik heb weleens gehoord dat dat heel slecht is. Dat iemand een blinde darmontsteking kreeg na het doorslikken van kauwgom. Ik weet me geen raad met de kauwgom en veel tijd om er over na te denken heb ik niet meer. ‘Juliëtte, wat vind jij daarvan?’ De uitgever kijkt me indringend aan over zijn leesbril heen. Ook de ogen van mijn collega’s zijn op mij gericht. Ik heb geen idee waar het over gaat, ik was immers druk bezig met oplossingen bedenken voor mijn kauwgompje en met me voor lul voelen staan omdat ik te laat was. ‘Juliëtte?’ Hup. Van schrik slik ik mijn kauwgom door. ‘Sorry, wat was precies de vraag?’ Een herhaling krijg ik niet. De vraag wordt doorgespeeld naar de dame rechts van me. Het braafste kind van de klas. Nederlanders zijn er heel goed in afspraken te plannen voor of na etenstijden. Ik weet niet of dat uit krenterigheid is of dat het uit de tijd stamt dat men geacht werd ‘tussen de middag thuis warm te eten’, maar het is in ieder geval erg praktisch. Vooral voor de organisator van de afspraak. Het enige wat hij of zij hoeft te regelen is een kleine koffiepauze. Dat er een of geen koekje bij de koffie geserveerd komt, behoeft geen enkele uitleg. Aangezien ik al te laat was en de vergadering door mij dus later gestart is – ze hadden tien minuten gewacht, toen was ik er nóg niet, dus waren ze maar vast begonnen – wordt de koffiepauze overgeslagen. In plaats daarvan wordt de secretaresse gevraagd koffie te brengen. Ik krijg een Haags bakje. Op mijn schoteltje ligt geen cupje melk. Om melk vragen durf ik niet. Honger maakt rauwe bonen zoet. Ik drink de lauwe koffie in een paar slokken op. We sluiten het werkoverleg ruim na zessen. Ik geloof niet dat dat kwam door tien minuten later beginnen, wel door de continue ruimte voor discussie en het uiten van meningen. Met knorrende maag, uitgedroogde keel en bonkende koppijn sluit ik achteraan in de file. Ik bel naar het thuisfront dat ik laat ben. Mijn huisgenoot zet alvast een groot glas wijn klaar.

Juliëtte Rosenkamp
19 0

Post-Sintum

Als ik voor de derde keer een kop thee wil maken met behulp van mijn espressoapparaat – de koffie was op, oh verschrikking! – besluit ik de beker te vullen met gluhwein. Aangeschaft voor pakjesavond, waar iedereen massaal aan de bubbels en witte wijn ging. Zelfs de goedheiligman bliefde geen glaasje warme bisschopswijn tijdens zijn bezoek. Na een minuutje pingt de magnetron en vult mijn keuken zich met een ouderwets lekkere geur. Het toeval wil dat ik de kerstmarktbeker van vorig jaar gebruikt heb. Zo. Sint voorbij. Da-haag, Sinterklaasje. Kerst in aantocht. Vanmorgen in alle vroegte heb ik de restanten pepernoten en zacht geworden speculaasjes in de dakgoot gestrooid. De meeuwen kunnen hun geluk niet op. En de kat zit al gedurende enkele uren voor het raam te mauwen naar zijn gevleugelde vriendjes. Over de kat gesproken, als ik vanmiddag een kerstboom ga kopen, zal ik ook zeker weer voldoende onbreekbare ballen en dito versierselen moeten aanschaffen. U weet wel, van die lelijke vilten sneeuwmannetjes, klokken van stro en papieren engelen. Mijn Siberische Boskat heeft een voorliefde voor alles wat hem doet denken aan zijn roots. Als een eekhoorn beklimt hij, meerdere keren per dag, de zorgvuldig uitgekozen Nordmann. Vanaf de balk bereikt hij de piek en mauwt hij net zolang, bibberend op een dunne tak, totdat ik hem eruit haal. De bak waar de kerstboom instaat wordt dagelijks gevuld met water, opdat de boom zeker tot oud en nieuw mooi blijft. Dat de boom onderwijl een langzame, tergend pijnlijke dood sterft, lijkt niemand te deren. Bovendien blijkt de bak met water sneller leeg dan gedacht, aangezien de kat heel dankbaar is met zijn nieuwe drinkbak. En het smaakt ook zo lekker naar de natuur, naar het bos. De pokon laat ik dit jaar maar achterwege. Van catnip wordt de kat al high genoeg. Op Kerstavond is er vaak al weinig over van de boom. De versieringen zijn kapot, kwijt of anderszins niet meer in originele staat. De papieren engelen zijn onthoofd, de klokken klingelen niet meer, de plastic ballen zijn stuiterend richting alle hoeken van het huis gerold en het plastic kindeke Jezus heeft een afgekloven hoofdje. Amen. Ik weet nu al dat ik de kerstboom en andere kerstmeuk op 1 januari de deur uitdoe. Vanaf tweede kerstdag verheug ik me daar al op. Dan ben ik die hele zooi al zo zat en is er van mijn VT-wonen-idee van huis is kerstsfeer echt werkelijk waar helemaal niets meer over. Soms neem ik me dan voor om volgend jaar een keer geen kerstboom te nemen. Edoch zwicht ik er ieder jaar weer voor, onder het mom ‘het hoort erbij’, ‘het is zo gezellig’ en vooral ‘ik wil dat mijn zoontje later terugdenkt aan het huis met Kerst, zoals ik ook warme herinneringen koester aan mijn ouderlijk huis in kersttijd.’ Kortom, ook dit jaar ga ik direct na Sinterklaas weer over in de kerstmodus. De kop is er af, de eerste gluwein is gedronken. En nu óp naar de kelder, op zoek naar de lichtjes in de duisternis.     P.S.: Om mijn kat niet helemaal af te blaffen op zijn natuurlijke gedrag, laat ik hem op 1 januari, als ik onder het genot van restjes champagne en koude oliebollen, de restanten versieringen en lampjes verwijderd heb, zich een paar uur helemaal uitleven op de boom. De dagen daarna is hij druk met het wegknagen van de hars tussen zijn pluizige teentjes.    

Juliëtte Rosenkamp
0 0

F...... missing you mateke

Meer dan 2 jaar geledenbij het horen van die 4 klokslagen,dat moment waarop ze je uit dit leven los                     koppelden,zat ik in onze tuin. Een winterzon die mijn tranen niet drogen kon. Een glas whisky in mijn handen, hopendedat de scherpte van dat vocht zich kon metenaan het schuren en scheuren van mijn verdriet. Vandaag, halverwege de zomer.Het moment waarop we zo vaak in het midden van nergenseen knisperend nieuw levensjaar voor jou vierden… Vandaag zet ik een fles champagne koud,de woorden van madame bollinger in gedachten: “Ik drink champagne wanneer ik gelukkig ben, wanneer ik droevig ben en soms wanneer ik eenzaam ben. Ik nip eraan als ik geen honger heb en drink het wanneer dat wel zo is. Als ik gezelschap heb, vind ik het verplicht. Verder raak ik het nooit aan – behalve wanneer ik dorst heb.” MatekeDe dagen vliegen, kruipen, wandelen,strompelen of kuieren, maar jijjij deelt nog al te vaak  mijn voetstappen.Soms zou ik je op die momenten willen slaan, schudden, vervloeken.Maar altijd weer zou ik zo graag nog een keer in jouw armen willen wegkruipen, glimlachen om je enthousiaste verhalen, met mijn ogen draaien om je fabuleuze idealen. F”!)@#( missing you. Een glas vol bubbels op jou,om mij jouw sprankelende ogen te herinneren.Een glas vol bubbels op jou,niets anders kan zich meten met die twinkelend vriend die ik verloor.Een glas vol bubbels op jou,uit dank dat jij een stukje van mijn leven bent.

Kaat
0 0

Der Königstiger

“Als je in de modelbouw een uitdaging zoekt moet je bij de boten zijn. Vaartuigen met alles erop en eraan: Masten, zeilen, vaandels, touwwerk, kanonnen. Dan heb je waar voor je geld. Houten schepen met tuigage, dat is voor mij het einde. Meer dan plastieken. Hoewel er daar ook mooie te vinden zijn. Als je maanden aan zo’n fregat geplakt, gesneden, geschaafd, gezaagd, geknoopt, genaaid en geverfd hebt, als je dat hoopje hout, koord, stof en koperwerk tussen je vingers ziet groeien tot een gedetailleerde replica van een historische viermaster, dan heb je pas iets waardevols geconstrueerd. Bij ons thuis kregen die kunstwerken een ereplaats op de schouw van de salon of op de buffetkast van de eetplaats. Ik kon er uren naar kijken naar die boten. Ze konden zo wegvaren, de oceaan over naar Amerika of Indië of naar streken waar nog geen mens geweest was. De scherpe boeg klievend door de baren en een wit schuimend spoor trekkend in een azuurblauwe zee. Net echt, maar dan in het klein. Een tank vind ik maar niks, een tank is een tank nietwaar. Als je er één gezien hebt heb je ze allemaal gezien. En het is niet mooi, zie je al een gepantserd voertuig naast een porseleinen vaas op het dressoir in de eetkamer staan? De Mayflower integendeel, of de Prince, of de San Mateo, of de Friesland, daar wordt naar gekeken. Dat zijn stukken die direct de aandacht trekken van je bezoekers. Maar pantsers? Dan nog liever een vliegtuig denk ik dan. De Concorde, of de nieuwe Airbus van Tamiya, prachtig model, mooi gedetailleerd maar niet goedkoop. Het is dan ook Tamiya, dan spreek je over kwaliteit en dat heeft zijn prijs. Een collectie tanks in een vitrinekast, dat zou nog kunnen. Als je het als een historisch overzicht beschouwt tenminste. Maar dan nog. Geef mij toch maar houten klippers waarbij ik kan wegdromen over deinende zeeën, piraten en bruingebrande matrozen.” Ik heb het begrepen. In deze zaak voor modelbouwbenodigdheden zal ik op niet op veel begrip kunnen rekenen voor mijn fascinatie voor brommende vuurspuwende ijzeren gedrochten. Terwijl de winkelierster vanachter haar geïmproviseerde rommelige toonbank voortratelt over de charme van de houten modelbouw wurm ik me tussen de overvolle tot aan het plafond met nieuwe en oude bouwdozen volgestouwde rekken verder het winkeltje in. Ze zijn er allemaal, en dikwijls in verschillende uitvoeringen, de Sherman’s, Panthers, Tigers, Churchill’s, T-34’s, Leopard’s, Merkava’s en consorten. In de schijnbare wanorde gaat een logica schuil. Wereldoorlog I, Wereldoorlog II, de tanks van na 1945 en pantsers die een rol gespeeld hebben in Golfoorlog één en twee en tijdens de Irakoorlog. De pantsers bekleden drie muren van de winkelruimte. Dwars in het lokaal staan schappen met vliegtuigen. Aan de straatkant, net achter het uitstalraam, prijken de schepen en de auto’s. Achter de toonbank, naast de deur naar een keukentje, liggen benodigdheden voor de modelbouwer in vuilwitte ijzeren rekjes. Verfpotjes, spuitbussen, lijmtubes, messen, zagen, tangen, boren, penselen, afplakband en koperbeslag om de maquettes tot in het detail af te werken. Wat niet in de overvolle bakjes in metaaldraad kan en waarvoor ook geen plaats meer vrij is om ze ergens aan op te hangen staat op de grond in kartonnen dozen of in plastieken bakken. In een hoek vind ik in een bruine doos met vochtvlekken wat ik zoek: Obersturmbannführer Joachim Peiper van de Schwere SS-PanzerAbteilung 501. Althans zijn door Dragon vervaardigde vaalgrijze plastieken lichaamsdelen op schaal 1/16, inclusief zijn favoriete Roth-Handle sigaret nonchalant geklemd tussen midden- en wijsvinger van de gehandschoende linkerhand. Als ik hem met zorg en oog voor het detail beschilder is hij bruikbaar om naast een Panzerkampfwagen VI Königstiger post te vatten. Het verhaal dat ik na de dood van mijn vader tussen zijn paperassen vond, schiet me te binnen als ik de op het deksel van de doos geschilderde Joachim bestudeer. In een avontuurlijke bui was papa voor het uitbreken van de oorlog naar Duitsland getrokken om er aan de universiteit geschiedenis te studeren. Bij het begin van de vijandelijkheden was hij niet naar België teruggekeerd. Toen de Duitsers inzagen dat ze op een nederlaag afstevenden werd hij van de universiteitsbanken geplukt. Hij kreeg het bevel zich in te lijven bij Hitlers troepen om de oprukkende Russen een halt toe te roepen maar vluchtte naar België. De verloren zoon werd niet met open armen ontvangen en belandde in een cel. Een militaire rechtbank hechtte weinig geloof aan zijn bewering dat de Duitsers hem al die jaren gevangen gehouden hadden. Een hele tijd na zijn vrijlating probeerde hij de oorlogsperiode van zich af te schrijven. Verhalen over mensen die hij in het Reich had leren kennen, Otto Hilpert onder andere. Samen met zowat achthonderd lotgenoten was soldaat Hilpert zijn bloeddorstige hoofdman jankend achternagerend door de ondergesneeuwde Ardense bossen. Terug naar de Heimat, op de loop voor de oprukkende yankees. Alles achterlatend wat te zwaar was om te dragen. De door brandstoftekort en een gebrekkige terreinkennis geïmmobiliseerde pantserwagens incluis. Hij is niet moeten verschijnen voor het tribunaal bij het Dachauproces in 1946. Een over het hoofd geziene kleine garnaal. Niemand zal ooit weten of ook hij als een waanzinnige door een modderig patattenveld in Baugnez baggerde om gevangen genomen Amerikanen een kogel door het hoofd te jagen. Had hij in Noord-Italië meegeholpen aan het oppakken van joden en de wrede, uit wraaklust ingegeven, executie van weerloze boeren? Naar zijn aandeel in het bloedspoor dat SS Obersturmbannführer Joachim Peiper doorheen Europa trok kan ik enkel gissen. Otto Hilpert was lader in Panzer 339. Hij nam op bevel van de tankcommandant de obussen en granaten uit de rekken in de buik van het monster en duwde ze in het 88 mm Lang 71 kanon. Toen ze weer eens opgehouden werden omdat de wegen naar het strijdtoneel dichtgeslibd waren met vijandige en bevriende colonnes had hij, om de tijd te doden, al zijn creativiteit aangesproken en met een stuk krijt een boodschap gekrabbeld op het gebogen, koperen oppervlak van een obus. Een anatomisch totaal fout getekend doodshoofd en de woorden “with love”. Otto had zo zijn gevoel voor humor. Hij werd door de commandant betrapt bij zijn artistieke bezigheid en kreeg, in de plaats van enige aanmoediging of blijk van waardering, ongenadig op zijn kop. Op de koop toe moest hij een preek over de gevaren van het prutsen met springstof aanhoren en werd hem gesuggereerd overplaatsing te vragen naar de "Hanswursten” van de Luftwaffe die, volgens zijn chef, toch tijd zat hadden voor zo’n kinderachtige “Spielereien". Als SS-Panzerschütze was Otto de minste van de vijfkoppige Tiger-bemanning. De anderen waren minstens Rotterführer. Hij stuurde niet, koos geen doelwitten uit, verzorgde geen radioverbindingen en vuurde het kanon geen enkele keer af. Hij was een simpel magazijniertje wroetend in de, door een zwak peertje beschenen, enge donkere binnenruimte van een vervaarlijk grommend tuig dat dreigend door het landschap kroop en iedereen die het tegenkwam de stuipen op het lijf joeg. Hilpert werd niet geboren als een verwaarloosbaar stuk kanonnenvoer. Dat is hij pas geworden toen een waanzinnig staatshoofd hem nodig had bij een macaber spel. Voor de aanvang van de oorlog was Otto de belangrijkste mens op aarde. Toch voor zijn geliefde. Want Otto was verliefd en het onderwerp van zijn hartstocht was al even stapel op hem. In het idyllische boerendorp waar hij het levenslicht zag, ergens tussen Trier en Mainz, zouden ze niets van hun passie begrepen hebben. De bruinhemden al zeker niet. Zijn lief was dan ook geen blonde, blozende troela. Ze droegen beiden de Führer een warm hart toe, maar dat was niet voldoende om hun liefde aanvaardbaar te maken voor de goegemeente. Elkaar zien en liefhebben gebeurde daarom in het geheim, in de betrekkelijke anonimiteit van de stad, na valavond, in verlaten stegen, op een bank in een park of in een verscholen kroeg. Plaatsen waar ze veilig waren voor de Gestapo en de Kripo. Dat moest ook wel want op een zachte lentenacht hadden die een verliefd stel op heterdaad betrapt tussen de bloeiende rododendronstruiken van het stadspark. ’s Morgens bengelden die twee aan een overhangende dikke tak van een lindeboom, de broek hangend op de enkels en een afgebroken bezemsteel in hun witte kont. Otto had romantischere perspectieven voor ogen als hij over hun relatie dagdroomde. Dan ging het over trouwen en kinderen, over een huisje in het Schwarzwald, over een goede baan bij Volkswagen of Mercedes waar hij auto’s zou bouwen voor de burgers van de nieuwe wereldorde. Na gedane arbeid zou hij huiswaarts keren om van zijn vrijheid te genieten in de armen van zijn hartendiefje. Dat alles zat er niet onmiddellijk aan te komen, zeker niet toen de brief in de bus viel die hem aanmaande zijn militair verlof te onderbreken en zich te melden bij het 2de SS-pantserkorps. De daarop volgende odyssee zou hem eerst naar Rusland en later naar Italië, België, Hongarije en Oostenrijk leiden. Was er bij de herovering van Kharkov nog sprake van enige glorie dan was die bij de slag om de Ardennen in de omgeving van het winterse La Gleize omgeslagen in doffe ellende en pijnlijke vernedering. Weg hoop op een zonnige toekomst. De bevoorrading vanuit Duitsland liep zo mank dat Otto geen brieven meer ontving van het thuisfront waar zijn beminde het Reich diende door dwangarbeiders ontstekingsmechanismen voor granaten te laten fabriceren. Hij zou hem niet meer terugzien zijn teerbeminde Helmut. Enkele maanden na zijn vlucht uit België werd Otto ingezet in Hongarije om een Sovjetbruggenhoofd te vernietigen. Na de chaotische terugtrekking naar Oostenrijk vernam hij dat het lichaam van zijn Schatz vanonder het puin van het platgebombardeerde Pforzheim gehaald was. Hij durfde er in iemands gezelschap geen traan om te laten, bang als hij was dat het openbaren van zijn geaardheid hem met een opgespelde roze driehoek in een concentratiekamp van het agoniserende Derde Rijk zou doen belanden. Helmut was dood en Otto gaf zich met andere overblijvers van de Leibstandarte-SS Adolf Hitler over aan de Amerikanen. Liever gevangen genomen worden door die decadente bende dan in handen te vallen van de Russische barbaren, al was dat een beslissing van zijn wapenmakkers die hij, zoals het hem eigen was, volgzaam achternaliep. Zijn geheim was door Britse Avro Lancaster bommenwerpers voor eeuwig veilig gesteld, een zekerheid die hem nooit zielenrust zou brengen. Angst weerhield Otto ervan ook maar iets aan zijn huichelachtigheid te veranderen en Gretchen, met wie hij vier jaar later trouwde, zal nooit geweten hebben aan wie hij dacht toen hij de tweeling Claus en Dietmar bij haar verwekte. Ik rommel nog wat in de verfrekken, speurend naar feldgrau voor Joachims uniform.“Droegen die van de SS-panzers geen zwart?” vraag ik me luidop af.“Aan het begin van de oorlog wel, later grijs.” klinkt het vanachter de toonbank.“Echt?” De evolutie van de SS-mode kan mij niet echt schelen maar ik koop voor alle zekerheid een potje zwart en een potje middle grey nr. 43 van Revell. De kleur van het uniform, dat op de Dragondoos afgebeeld wordt, is ondefinieerbaar, iets tussen zwart, grijs en donkergroen. Om die vieze tint na te bootsen zullen er kleuren gemengd moeten worden, vermoed ik. Peiper wordt met zijn verfpotjes respectloos in een gerecupereerde groentezak gedropt.“Een gevernist houten voetstuk om hem op te plaatsen kunt ge afzonderlijk kopen. Ik heb ze juist binnen, zo goed als gratis, twee euro per stuk“.Een piëddestalleke voor die schurk? Dat zou erover zijn. Ik ga met plaaster, zand en verf een bloederige, modderige ondergrond fabriceren. Daar kan hij met zijn botten in gaan staan, meer iets voor hem me dunkt.“Die zeilschepen waar ik het over had. Als ge wilt zal ik een doos voor u openmaken dan kunt ge zien hoe gedetailleerd dat allemaal is.”“Neen, dank u, een andere keer misschien.” Ik mompel het terwijl ik de over de dorpel krassende winkeldeur achter mij dichttrek. De gezellige sfeer van de de modelbouwzaak uit een verloren epoque maakt plaats voor de kilte van de straat. Het lawaai en de drukte van voorbij razende auto's en gehaaste voorbijgangers slaan mij om de oren. In mijn handtas weerklinkt een ergerlijk elektronisch deuntje. De gsm sleurt me onverbiddelijk naar het heden. Otto vliegt terug naar een achterkamer van mijn brein waar hij, samen met andere spoken, onrustig kan ronddwalen, tevergeefs zoekend naar rust en sereniteit.

Nancy Del Fuego-Costales
0 0

Bram zonder zebra

Het is een raar uur maar de tijd weet het niet. Een LED-lampje knippert zijn laatste adem, disco-achtig. Ik denk weer eens. Aan oprechte mensen. Alleen mensen die oprecht zijn zonder het te weten, zijn echt oprecht. Ik heb ze ook niet wijsgemaakt dat ik niet gek ben en Bram zingt een liedje. Hij zingt nog altijd, deelt ook mij nog altijd in de onzin in, zonder me te kennen.Van rode wijn kan ik niet goed slapen en laat ons vrolijk zijn... ik weet het niet, trek me dan, over die streep. De angst dat ik dan een zebra word, is controleerbaar. Probeer het maar, gerust, oprechte mens.Hij verschijnt dan toch zomaar, die zebra met die ronde strepen en sadistisch als ik ben, denk ik dan aan vogelepik. Het zou een bijbetekenis kunnen hebben en één of andere taalfreak zou kunnen beginnen neuten over de tussen-n. De tussen-n en het tussenin. In het tijdperk van het tussenin ben ik geboren. De anekdote dat het vroor dat het kraakte en de nonnetjes van het kleine ziekenhuisje niet wilden opendoen, is nog levende. Was ik maar buiten geboren, in de vorst. Ik zou met een voorsprong geboren zijn, meer gehard. Nu moet ik soms bier drinken. Sorry Bram, echt geen rode wijn, dank je. Dat spul is me te hard. Ik ben een mietje, toegegeven, onmiddellijk na mijn geboorte in de zachte dekentjes gestopt. Daarna, door de jaren heen, voorzichtig ontzwachteld. Nog later, minder voorzichtig. Men lette er niet meer op. Het streeploze leven, het was voorbij. Iemand had zwarte verf, ezelsoren gekocht, voor het witte paard en de meeste kelderdingen zaten niet eens in dozen. Ze leefde, hij leefde, de gedachte, de schilder, de smeerlap. Doe zijn vriezer niet open. Daar zult ge de zebra niet vinden. Daar ligt de poney, ik weet het nog, een dermate overbodig zinnetje, versneden in stukken van één kilogram, voor de honden. Nu durf ik, naïef als ik ben, soms nog te twijfelen of destijds alles niet minder bewust gebeurde als ik dacht.Ik heb mezelf vast gewoon wijsgemaakt dat de schilder gek was, hij de strepen niet eens zag, zichzelf niet meer zag zoals hij was. Dat voordeel heb ik dan wel, ik heb een voorbeeld gehad, laat de kelder leeg, versnipper alles wat gestreept lijkt, heb geen diepvriezer, in mijn kadaverloze tuin een put, voor de zwarte dingen en ik schilder niet, geen zebra die over zijn strepen valt, geen eenhoorn met ezelsoren. Ik kriebel het vol, het rare uur, dat wel, ben gek en krijg een knalrood pasje met de vroege post, net nu het lichtje niet meer flikkert.       uit de reeks  'Over eelt en zurkelteelt'

Bernd Vanderbilt
0 0

De knoop (aflevering 1)

Marleen kijkt naar de grond, de schouders opgetrokken en de paraplu dicht tegen haar aan. Er staan veel plassen in het slecht onderhouden voetpad. Zo hard regende het nog niet toen ze vertrok. Het feestje gisteren speelt in haar hoofd en haar darmen, en Jonas, haar tweede kind, was al vroeg op geweest. Hij had, zoals hij wel meer deed wanneer hij een moeilijke dag aankondigde, geroffeld op hun lakens. Niet hard, maar het zachte tikken op haar buik had de slapende massa alcohol en slecht eten weer aan het werk gezet - terwijl ze zo had gehoopt dat die ongemerkt uit haar zou glijden, straks. Haar eerste geluid van de dag was dan ook een boer, die haar mond met zuur vulde. Normaal was ze één en al geest, maar daar leek deze ochtend weinig van over gebleven. Ze wou haar ogen weer sluiten, maar merkte dat ze die nog niet open had, en het kloppen in haar keel verried een te snel hartritme. Vaag herinnerde ze zich iets over haar man, Rik. En over Stefan. Een bus spat haar nat, en ze zucht. Thuis blijven was geen oplossing geweest, niet met een Jonas in overdrive, en ze is van dienst in de boekhandel. Verantwoordelijkheden zijn niet licht. Ze opent de drie sloten van de voordeur. In het halfduister van de winkel zijn de boeken nog niets dan vorm, stapels. De geur van papier is sterker zo, wanneer de adem van de schrijvers ontbreekt en de boeken anoniem zijn. Ze blijft even in het midden van de winkel staan, en aait een exemplaar van een stapel die ze gisteren heeft neergelegd. '25', van Jamal Ouariachi. Seks verkoopt. Maar de lichten moeten aan, de koffie gezet, de kassa opgestart. Bij de laatste verbouwing heeft ze haar zin gekregen. Vooraan is alles wit, met boeken op tafels, de omslag open en bloot. Het nodigt de mensen uit om toe te tasten, gretig en gulzig. Bijna niemand laat zich nog verleiden door een mysterieuze rug in een rek. De boeken daar lijken in eeuwige winterslaap, en ze prijst zich gelukkig telkens wanneer er toch iemand met zijn vingers langs glijdt, en een exemplaar wakker kust. Achteraan, op de donkere verdieping met de koopjes, alles door elkaar, komt bijna niemand. Zij loopt er elke avond na het afsluiten even langs, kijken of ze nog leven. Haar telefoon geeft een klikje wanneer de eerste klant de deur opent. Nou ja, klant. Het is Harry, die komt elke zaterdag de kranten lezen in de winkel. Niet om te weten te komen wat er in de wereld gebeurt, maar om er commentaar op te geven. Het berichtje is van Rik. Of zij weet of er een paar reserveveters voor Jonas' voetbalschoenen in huis zijn. Het voetballen van Jonas is iets van Rik. Hij leurt met het talent van de jongen langs alle grotere voetbalclubs van de streek. Gaat supporteren wanneer hij speelt, geeft goede raad aan coaches en ieder die het wil horen, en kijkt met het joch naar elke voetbalwedstrijd op tv. De analyses duren bijna even lang als de wedstrijd zelf. Gelukkig staat het voetbal tv-toestel op zolder. Nee, antwoordt ze naar waarheid. Dat weet ik niet, Rik. Maar de club heeft er ongetwijfeld wel in voorraad. Dat ze oplossingen moet aandragen voor elk groot en klein probleem van Rik is ze gewend. De eerste keer dat ze hem uitkleedde had ze de knoop van zijn broek los getrokken. Haast, nervositeit, lust, dat weet ze niet meer. Tussen het kussen door had hij haar gesmeekt die knoop er weer aan te zetten, straks. Ze had gelachen, en haar handen in de open broek gestoken, maar hij meende het. Dat merkte ze aan zijn tong. Natuurlijk, fluisterde ze, natuurlijk laat ik je niet gaan voor je weer heel bent. Ze was niet goed in het vastnaaien van knopen, en toen hij een paar weken later weer los kwam, had ze hem aan een veter gehangen. Het is mijn knoop nu, zei ze tegen Rik, die keek hoe de knoop tussen haar borsten bengelde. De knoop maakt deel uit van hun leven. Ze draagt hem bijna altijd. Tijdens haar zwangerschappen was hij stil en nietig, en één keer, tijdens de bevalling van Jonas, knapte de veter bij diens eerste schreeuw. De knoop gleed in het bakje met de nageboorte, waar de vroedvrouw hem met tegenzin weer tussenuit haalde. 'Er zijn ook dit jaar weer geen stoute kinderen in Vlaanderen!' Harry kijkt op van zijn krant. 'De zwarte pieten zullen met lege zakken terug naar Spanje moeten. Een hele last minder voor Slechtweervandaag, dat wel, maar in het echte leven zijn die Moorse kaliefen niet zo simpel te verschalken. De kinderen laten ze nog zo, maar onze jongeren bederven ze met hun perfide godsdienst. Die kopen dan zelf wel hun ticket naar de strijd, om van daaruit te roepen hoe slecht wij wel zijn!' De dreiging van islamextremisme is Harry's stokpaardje de laatste maanden, al vormen ebola en de regering Michel wel sterke concurrentie. Het einde der tijden is in elk geval nakend. Marleen herinnert zich nog hoe hij de kelder van de boekhandel wou gebruiken als schuiloord, op 31 december 1999. 'Dat hele verhaal om van die zwarte pieten witte pieten te maken is een valstrik. Snap je dat niet, Marleen? Het is hen te doen om ons een schuldgevoel aan te praten wanneer we opkomen voor onze tradities! Ze nemen het hier gewoon over!' En dat onder het mom van politieke correctheid, jaja, dat kan Marleen zo ook aanvullen. 'Nog een koffie, Harry?' Hoe bang ook voor het voortbestaan van de maatschappij, Harry begrijpt de suggestie en staat zuchtend recht. 'Hoe gaat het met jullie supertalent, Marleen?' Ook die vraag behoort tot het vaste patroon. 'Slecht'. Dit antwoord is nieuw. Ze ordert de kranten en wandelt weg met Harry's koffiekopje. 'Hij blijft veters breken, en uitschuiven. Net zijn vader.'

Dirk Van Boxem
0 0
Tip

Wintergroenten

“Hoe was je dag schat?” Hij keek pas op van de krant toen ze geen antwoord gaf. “Ging wel. Ik ga koken.” “Oké liefje, ik zal wel afwassen.” Hij bladerde verder, doelgericht op zoek naar de actualiteit die hij morgen met zijn leerlingen kon bespreken. Fred geloofde in het hier en nu. Als je geschiedenis wilt aanleren moet je het verleden kaderen met voorbeelden uit het heden. De leerlingen een venster geven op wat zich afspeelt in de wereld. Fred stond dan ook op met kwaliteitskrant nummer één, als hij thuis was las hij kwaliteitskrant nummer twee en na het eten keek hij naar het nieuws en duidingsprogramma nummer één. Nadat zij was gaan slapen keek hij naar duidingsprogramma nummer twee, waarvan elke avond flarden tot de slaapkamer doordrongen. Nu ze een jaar samenwoonden hielpen de stille gesprekken in de verte haar de slaap te vatten. Ze deed de deur van de keuken zachtjes achter zich dicht en wreef in haar ogen. Ze voelde haar lenzen schuiven achter haar oogleden en wist dat haar knokkels zwart zouden worden van de mascara, maar ze kon niet stoppen met wrijven. Het gaf haar vermoeide, jeukende ogen een genot dat ze soms het hoogtepunt van haar dag vond. Na de wrijfsessie maakte ze haar ogen schoon met een watje, haalde haar lenzen eruit en zette haar bril op. Het was haar eigen ritueel om de werkdag van haar te laten afglijden. De laatste tijd leek het echter zijn effect te missen en voelde ze hoe het gewicht van haar bril op haar neusvleugels drukte. Ze opende de koelkast en vroeg zich af wat ze zou klaarmaken. Ze rommelde tussen de groenten die zij en Fred elke week trouw afhaalden op de plukboerderij. Groenten van het seizoen. In de winter wilde het zeggen dat ze konden afwisselen tussen witloof, spruitjes en allerhande knollen of kolen. Ze verlangde naar een frisse aubergine, een knapperige paprika of – hemels – een risotto met groene asperges. Maar Fred was niet alleen bezig met de geschiedenis van de wereld maar ook met het voortbestaan ervan en hij zou het niet nalaten haar een schuldgevoel aan te praten omdat zij de aarde belastte met exotisch geïmporteerde groentjes. Ze sneed de witloof en opende een zak chips. Fred had een chipsverslaving waardoor hij principieel zelf geen zakken wilde openen. Geopende zakken waarbij het risico bestond dat de chips zijn krokante beet zou verliezen gaven hem een gerechtvaardige reden om de zak helemaal leeg te eten. Op zo’n momenten hoorde ze hem de hele avond kraken en knisperen. Vroeger vond ze het schattig, liet ze hem smeken en bidden om toch nog een zakje open te maken, of er eentje te halen in de nachtwinkel. Dan speelde ze het bezorgde lief dat hem niet op het slechte pad wilde zetten. Ze bleef onverbiddelijk tot hij haar kuste – nooit was er iemand die haar zo goed kuste, die haar eerst naar adem deed happen voor hij speels in haar lip beet en dan met een tedere kracht zijn tong gebruikte. Hij kuste haar nu vooral wanneer hij zin had om te vrijen. En zij deed nieuwe zakken chips achteloos open zonder dat hij nog hoefde te smeken. Hij had gevraagd hoe haar dag geweest was. Had ze echt moeten antwoorden zoals ze vroeger deed? Bij hem aan tafel gaan zitten, haar ellebogen op zijn krant zetten en beginnen vertellen. Ze dacht vaak dat het beter was dat ze zweeg. Ze wilde niet in herhaling blijven vallen: dezelfde frustraties waar ze nooit iets aan deed en waar hij elke keer serieus op inging, dezelfde grappige anekdotes, dezelfde mijmeringen. Daarna luisterde ze naar hem. De domme antwoorden van zijn leerlingen, de vakidioten tussen zijn collega’s. Hoe hij zelf niet veel beter was met zijn actualiteitsobsessie, hoe hij eigenlijk helemaal niet altijd geloofde dat geschiedenis of het heden of de wereld van enig belang waren voor zijn leerlingen. Terwijl ze mayonaise door de witloof schepte, dacht ze dat ze misschien op die momenten het meest hield van Fred. Hij deed standvastig elke dag wat hij moest doen met een overgave en discipline waar zij enkel jaloers op kon zijn. Maar hij wist tegelijkertijd dat het maar bezigheid was, dat niets echt belangrijk was. Zij kon het niet. Ze wilde geloven dat haar inspanningen en eigen karakter het verschil konden maken ook al moest ze er ’s nachts van wakker liggen. Ze wilde geloven dat een relatie niet zomaar voortkabbelt. Dat je moet blijven praten, ook wanneer het over niets meer gaat. Moet blijven kussen, ook wanneer zijn tong tussen je lippen je lang niet zoveel meer doet. En toch waren er avonden waarop ze liever elders wilde zijn dan in zijn witte keuken tussen zijn chips en zijn wintergroenten. Fred klopte zacht op de deur, hij kwam achter haar staan en kuste haar in haar nek. “Je hebt weer in je ogen gewreven.” Ze schudde geïrriteerd haar hoofd. “Hoe kan jij dat nu weten?” Fred lachte. “Ze zien een beetje rood. En je wrijft altijd in je ogen als je thuiskomt.” “Jij leest altijd de krant als je thuiskomt.” “Jij begint altijd meteen groenten te snijden als je thuiskomt.” “Nu hou je me van mijn werk.” Ze gaf hem een duw en kruidde de witloof af met de gigantische pepermolen die ze van haar schoonmoeder cadeau had gegeven. “Gaan wij ooit in één mensenleven zoveel peper eten?” Fred keek haar aan met die berustende blik van hem. “Liefje, ik moet je iets bekennen.” Ze stopte met aan de pepermolen te draaien en keek hem aan. Ze had dit soort woorden wel vaker gehoord of uitgesproken in een relatie, meestal op het moment waarop ze zich voelde zoals nu, waarop ze zich afvroeg waar ze gebleven was in het leven van een ander. “Ik kan echt geen witloof meer zien.” “O.” “Ik hoop dat je niet teleurgesteld bent in mij en het spijt me van al die keren dat ik je behandelde als één van mijn leerlingen, maar zullen we morgen gewoon kopen waar we zin in hebben?” Ze kuste hem zachtjes op de lippen. “Natuurlijk schat, het is bijna lente.”

Marie Jacobs
1 7