Lezen

de informaticus

Informatici, ik blijf het vreemde mensen vinden. Alsof ze er zijn en niet zijn. Uitblinkers in afwezige aanwezigheid. In elk geval: je lijkt hen altijd te storen, dat staat vast. Ook al ga je pal voor hun neus staan, op hun schermpje is altijd iets veel interessanters gaande.Het komt eropaan behoedzaam de inbelverbinding naar hun brein te activeren en hoopvol af te wachten of er links en rechts iets begint te zoemen, te piepen en op te lichten. Als je daarin slaagt en eindelijk hun aandacht krijgt, beginnen de problemen pas. Dat is niet verwonderlijk, want een informatica-probleem is in hoofdzaak een informaticus-probleem. Problematiseren is hun vak. Het is niet omdat informatici eruitzien als robots, dat ze ook zouden kunnen vervangen worden door robots! Hoe preciezer je vraag dus, hoe vager, onduidelijker en mysterieuzer hun antwoord. Ook als je gewoon een batterij voor je laptop wil bestellen.De verkoper-informaticus aanhoort mijn vraag, draait zijn scherm weg, t.i.k.t. iets in en staart. En staart ..."Oei, er is een probleem" luidt het na ettelijke minuten.Dat is natuurlijk geruststellend, een probleem betekent dat de informaticus wel degelijk aan het werk is. Van contentement begin ik mee te staren. De leegte in, de toendra op, de mysterieuze nevel van de tijd tegemoet. Staren. Klikken. Staren. Staren ..Uiteindelijk weerklinken de verlossende woorden: "Ja, er is wel degelijk een probleem ..."Niets overhaasten nu, even laten bezinken ... "O ja, welk probleem?" vraag ik voorzichtig.Staren. Staren ..."Het is nogal duur", luidt het antwoord."O ja", zeg ik, en samen staren we nog wat verder. Dit is immers niet het moment om de informaticus uit zijn concentratie te halen. Doe je dat wel, dan is de kans groot dat hij je vraagt wat je vraag nu eigenlijk alweer was.Staren ..."Ik zal het dan gewoon thuis zelf online bestellen" zeg ik ten slotte."O ja, dat kan je doen", zegt de informaticus aangenaam verrast. Tevreden staren we allebei voor ons uit."Hartelijk bedankt voor de service, meneer", zeg ik ten slotte."Graag gedaan, meneer, daar zijn we hier voor", zegt de informaticus.

Guy Bourgeois
46 0

Maggie Maggie

Sinds vorige week kan u opnieuw genieten van de imitatiekunsten van Nathalie Meskens & Co in Tegen De Sterren Op. Meskens is onherkenbaar wanneer ze Maggie De Block (Open VLD), onze Minister van Volksgezondheid, imiteert. Jammer toch, eindelijk een politica die Filip De Winter onder tafel praat en toch vliegen de talrijke 'jokes' over corpulentie ons de laatste tijd om de oren als je haar naam hoort. Ze worden bijna in één adem genoemd. Zelf was De Block ook niet te spreken over de imitatie. "Jammer dat er enkel grappen gemaakt worden over corpulentie", sprak ze in Het Laatste Nieuws. Volgens haar had de imitatie weinig inhoud en dat is terecht. Dan liever de gewaagde creatie van Merho die Maggie als stripfiguur laat opdraven in een album van 'De Kiekeboes'. Met dit idee en de uitvoering was Maggie wel gecharmeerd. Haar dossierkennis is indrukwekkend, net als het feit dat ze werkte als huisarts voor ze in de politiek stapte. Weinig mensen kunnen het geloven en toch is het zo. Ze had zelfs een bloeiende praktijk. Intussen opende haar man een restaurant en is ze gestopt met de praktijk om zich volledig te kunnen toespitsen op haar politieke carrière. Het gaat haar voor de wind, maar sommige lijken haar het succes toch niet te gunnen. Waarom is uiterlijk zo belangrijk? Is Maggie dan echt zo ongeloofwaardig als Minister van Volksgezondheid omwille van haar fysieke verschijning? Zijn we met z'n allen zo oppervlakkig geworden? Jammer toch, dossierkennis, gevoel voor humor en talent blijken in het niets te vervallen als je niet voldoet aan de populaire schoonheidsidealen die we tegenwoordig hanteren. Maatje 32, weet u wel. Zelfs de vragen over haar fysieke verschijning lacht Maggie weg met één of andere grap. Zo vergeleek ze zichzelf met een walvis tijdens een debat in Café Corsari. Grappen maken over jezelf om je eigen imago van populaire politica niet te schaden en zelfrelativering op te bouwen? Il faut le faire...

Sofiane
0 0

Hoe Bianca aan haar vent kwam

Het was in de tijd dat Rosse Sandra en haar man Kale Freddy nog leefden. Hun dochter Bianca kwam de woonwagen niet uit. Spendeerde haar dagen met slapen en paffen. Soms stond ze in haar slaapkleed en sletsen op het trapje. Dan riepen de venten: ”Hee, Bianca, gaan we vogelen?” Bianca stak dan haar middelvinger uit en door het rondje dat ze maakte van duim en wijsvinger. Bianca had nog nooit gevogeld. Maar dat wisten de venten niet meer. Die hadden zo hun eigen sprookjes.   Op een dag vond Rosse Sandra dat Bianca maar een vrijer moest zoeken. Ze stuurde haar wandelen in de wijk. “Kom alleen terug als je een vent gevonden hebt!” riep ze het kind nog na. Bianca was vol goede moed en vastbesloten om hem te vinden. Hij moest niet mooi zijn, als ie maar niet stonk. Bij het pleintje zag ze Johnny van de witte caravan. Ze wilde ruiken of ie stonk. Maar als ze zo op hem toe zou stappen, zou hij haar ter plaatse knoepen. Dat stond vast. Dus ze veranderde zichzelf in een struikje. Zo eentje dat ooit nog geplant was door de groendienst van de gemeente. En nu tot in de spleten van de woonwagens woekerde. De bessen waren oneetbaar. Tenminste als je geen vogel was. Het struikenvrouwtje kroop voorzichtig tot voor de voeten van haar prins. Stak daar een dun twijgje omhoog tot onder zijn oksels en snoof zijn lijfgeur tot diep in haar wortels. Bianca lachte. Haar besjes bloosden rood. Hij stonk niet. Alvast niet té erg. Johnny zou haar vent worden.   Vanaf die dag volgde het struikenvrouwtje hem overal waar hij ging en stond. Als hij met andere wijven ging vossen, dan stond zij ernaast. Of dan deden ze het in haar. In de struiken. Haar besjes bloosden, haar twijgen schoten alle kanten op om haar rivalen de mond en de keel, na de daad, te snoeren. Johnny's wijven vielen als bosjes. In de struiken. Achter de struiken. Het duurde niet lang of geen enkele moeder durfde haar dochter nog meegeven aan Johnny van de witte caravan. Immers, waar rook is daar is ook vuur. En zo kwam het dat Johnny niet meer aan vogelen kwam. En ook niet aan vossen. Hij had geen andere keus dan te trouwen met Bianca. Die vogelde hij elke dag. En wonder boven wonder overleefde zij het telkens weer.

Evy
0 0

Verlichting

Het is donker in het café. En al zijn cocktails de specialiteit van het huis, we gaan toch maar voor bier. Belgisch, zuiver. Het is er nog rustig, alleen aan het grootste tafeltje staat een man in een gilet onrustig rond te draaien. Hij heeft een open, vriendelijk gezicht, het aan de slapen grijzende haar plat gelegd met gel. Een jonge man en een jonge vrouw zitten bij hem. Terwijl wij praten over de waan van de dag - twee verdwaasde jongens met veel te groot speelgoed zijn doodgeschoten - komen meer jongelui het café binnen. Wie zich bij het tafeltje voegt draagt steevast een blauwe trui en brengt een cadeau. Hoe meer volk er binnen komt, hoe blijer de man met het gilet wordt. Hij beloont al die real-life likes met pintjes en cava, en drie kussen voor iedereen. Hoe zou dat zijn, in zo'n safehouse? Verdwaasd allicht, de zoveelste passage in een reeks. Je gaat er van uit dat je binnenkort in actie moet komen. Een laatste actie, dat hebben ze je gezegd. Je bent altijd alert, maar ondertussen kook je zelf je eenvoudig potje, aarzel je om je uit te kleden om je te wassen, en lijkt slapen een onmogelijke, te risicovolle opdracht. Het rumoer aan het tafeltje wordt steeds luider. Ze zijn even oud als de jongens die een paar uur daarvoor aan flarden zijn geschoten door de politie. Maar hier zijn ze vrolijk, weldoorvoed, en proper gewassen. In het safehouse lach je niet. Je onderhoudt je conditie, want het lichaam moet sterk zijn en de oefeningen verdrijven de verveling. Contact met de buitenwereld is beperkt en gecodeerd, er zijn geen boeken. Misschien is er een Playstation. Gelukkig ben je niet alleen, en al is de toon kortaf en de gesprekken kort, de aanwezigheid van de geur van een ander mens kalmeert je. Je bidt, uit overtuiging en omdat de regels het je opdragen, maar plicht en overtuiging vallen al lang samen. Vanachter de gordijnen kijk je naar buiten, naar dat groot uitgevallen dorp. Eerst zijn er meer voertuigen dan anders, daarna wordt het stil. De ouders van de jarige maken hun entree. Zij ziet er naturel uit, het resultaat van een namiddagje bij een dure kapper. Zij scant snel de vriendengroep, misschien is de moeder van haar kleinkinderen er wel bij. Haar mantelpakje is van Chanel. Een glas in de hand, trekt ze zich zwijgend terug in de achtergrond, een superieure glimlach rond de lippen. Waarin geloven mensen eigenlijk als ze zeggen dat ze gelovig zijn? Het is één van de favoriete gespreksonderwerpen tussen mijn cafébroeder en mij, en vandaag actueler dan ooit. Hij antwoordt ontwijkend. Waarin geloof je niet als je niet gelovig bent? De vader is duur en nonchalant gekleed, en het is met plezier dat hij zich mengt in de jonge gesprekken rond de tafel. Hij is grappig en charmant, en weet het. Zo ziet het er dus uit, het ideaal van een geslaagd leven dat onze cultuur fanatiek nastreeft. Geld, een vriendengroep met truien uit dezelfde winkel, feest. Mijn gezel haalt me terug bij de les. Het gaat er om dat je een deel bent van het geheel, zegt hij, dat je voelt dat je ingebed bent in iets alomtegenwoordig voor en na jou, dat je leven richting krijgt, gedragen door iets groters dan jezelf. Je bent niet de maat van alle dingen, er is meer. Je kan die verbondenheid God noemen, maar dat hoeft niet eens. Het gaat om deemoed. Deemoed is wel het laatste wat door het hoofd van de jongens in het safehouse gaat. Zij hebben een missie. Zij weten - en dat weten ze heel zeker - dat het geheel waar ze deel van uitmaken pas een geheel is wanneer iedereen er deel van uitmaakt. En wie dat niet ziet, dat niet wil, die moet gedwongen worden. Elke ziel zal moeten kiezen. Er is niet één geheel, werp ik op. Er zijn zoveel gehelen als er mensen zijn. Ieder zijn eigen God desnoods, als je echt aan jezelf niet genoeg hebt om zin te vinden in dit leven. Maar het is een illusie om te denken dat we een god delen. Een illusie die godsdiensten en hun priesters zo makkelijk uitbuiten. Opium voor het volk. Dienstig als je de mislukkingen in je leven echt niet aankan. Wanneer buiten het safehouse de spots aangaan, en ze je overgave bevelen, vloek je toch, ook al mag het niet. En je schiet. Je springt. Een blauwe trui heb ik niet, en ik voel me oud en voorbijgestreefd. De Verlichting lijkt stilaan te verdwijnen. In de donkerte buiten patrouilleert de politie, straks komt ook nog het leger. Dirk Van Boxem meer op www.bijgekleurd.wordpress.com

Dirk Van Boxem
0 0
Tip

Uitgenodigd

            Dank dat je tot hier gekomen bent, oude vriend. Ik kan me voorstellen dat je wantrouwig stond tegenover mijn uitnodiging. Misschien ben je dat nog steeds. Ik zou het je niet kwalijk nemen. Het is te lang geleden, vriend. Ga toch zitten.             Het mag een wonder heten dat deze zitbank hier nog staat.             Het hout is droog en ondervoed. Hier hebben we zo vele uren versleten. In die tijd hing er een nevel over deze bank. Die daalde neer op onze huid en in ons hoofd. Hele nachten hebben we hier doorgebracht.             We gaven licht in het donker, zo jong waren we.             Radeloos en jong. Roekeloos.             Alsjeblieft, ga zitten. Met de voeten op de bank en het zitvlak op de rugleuning, net zoals toen. Je voelt het weer, een stroomstoot door je borst. Ongeleide kracht. De bank heeft ze voor ons vastgehouden. Ik kan maar beter mijn mond houden. Ik wilde gewoon even met jou op deze plek zijn.             Stoort het je als ik praat? Van alles wat je met ouder worden zou moeten appreciëren, vind ik de stilte nog het ergst.             Waarom kwamen wij toch telkens naar hier? Naar deze bank, op dit pleintje? Een doodgewoon pleintje met hier een bank, daar een boom, gras onder onze voeten, en een vuilnisbak? Als ik het nog kon, zou ik de zoden uit de grond rukken om te kijken of deze plek ons in de grond nog iets te bieden heeft.             De grond laat mij de laatste tijd niet met rust, vriend. Heb jij dat ook?             We kwamen naar hier. We konden alles doen, overal konden we naartoe, maar we kwamen naar hier. En nu zit ik hier weer. Ik zit hier weer. Geloof mij, oude vriend, ik heb geleefd, vraag het na bij mijn geliefden, mijn kinderen, mijn kleinkinderen,geloof mij maar.             En nu brengt iets dat ik niet begrijp mij uitgerekend naar deze plek. Ik weet niet wat het betekent. Toen niet en nu niet. Je weet hoe het gaat: roekeloos wordt bedachtzaam.             De radeloosheid blijft.             Was het de nevel? Dat moest het zijn geweest. Niet de bank of de boom of de vuilnisbak, het was de nevel die ons naar hier lokte. Ons hele rijke leven zweefde daarin rond, botste nergens tegen grenzen op. Het was de nevel, een donzig kussen waarmee wij bovenop onze toekomst zaten zoals op de zitbank van een pleintje.             Ik hou het niet lang meer vol zo.             De rugleuning zeurt tegen mijn oude botten aan. Gênant is het, vind je niet, overal moeten vragen om een kussen. Oude vriend, het spijt me dat ik zo veel praat. Vind je ook niet dat het uitzicht veel helderder wordt? Bekijk het vuil daar eens, dat samenspant op de opgedroogde lijm van een verdwenen sticker, daar op de vuilnisbak, of de groeven in de boomschors daar, de uitpuilende ogen van het hout, hier, schuif je voet eens op, hier.             Het doet mijn ogen pijn, zo helder. Ogen horen er met de leeftijd op achteruit te gaan.             Oude vriend, het spijt me, het is zo stom. Ik droom nooit. Daarom nodigde ik je hier uit. En dank dat je gekomen bent. Echt. De laatste jaren droom ik nooit meer, en onlangs, zo stom, droomde ik dat wij hier zaten. Jij en ik. Hier. Op deze bank. Het schokte me dat jij het was, ik had je zo lang niet meer gezien. We keken naar elkaar en we zwegen. Ik zag ons zitten. Ik wist dat ik droomde, ik zag ons hier zitten.             En het ergerde me dat ik mij niets kon herinneren.             Ik kon mij gewoonweg niets herinneren. Ik wist dat jij het was, dat wel, en dat we hier zaten, maar dat wekte niets. Geen enkele herinnering. Of jij je iets kon herinneren wist ik ook niet. Je zei niets, in ieder geval.             Toen zag ik, daar bij de boom, een man staan, met zijn rug in onze richting. Hij droeg een rugzak die open stond. Ik wilde gaan kijken naar wat in de rugzak zat. Ik was ervan overtuigd dat de inhoud van de rugzak mij toebehoorde, of ons, misschien. Jij zag de man ook. Dan keek ik opnieuw en ik zag hem nog net, daar, recht voor ons, het hoekje om lopen, met zijn brede rug en zijn ondoordringbare jas.             Dank dat je tot hier gekomen bent, oude vriend.

Jan
54 2

Ambitie & Centjes

Hans wil centjes. Hij wil Dagobert Duckgewijs in een zwembad vol biljetten duiken, daarna een sigaar opsteken; een sigaar die goedkoop geproduceerd wordt door Cubaanse kinderhandjes en verkocht in het Westen tegen woekerwinsten. Hans geeft niet om slavenarbeid. Winstmarges, die zijn belangrijk. Daarom heeft hij zich verloofd met Helena, dochter van innovatief ondernemer Willy Steenhoudt. Hans wil zich een hoge post in zijn bedrijf versieren, en een bureau waaronder een escorte kan plaatsnemen tijdens een conference call. Af en toe zou hij zijn exen opbellen, afspreken, hen oppikken met zijn blauwe lamborghini. Hij zou hen een peperdure ketting schenken, al rijdend een grondige pijpbeurt krijgen, hen terug naar huis brengen en zeggen, 'ik ben gelukkig getrouwd, dus haal je maar niet te veel in je hoofd. Ik bel je wel.' Dat type manager wil hij zijn. Maar daarvoor moet hij eerst die ring om Helena's vinger schuiven. Diner bij de toekomstige schoonfamilie. Hans zit tegenover Helena's moeder, Hélène. Hélène wrijft al de gehele tijd met haar blote voeten over zijn been, geile knipoogjes, getuite lippen. Hij voelt zich ongemakkelijk, kijkt naar Helena en Willy die druk met elkaar converseren, ze merken niets. Hij snijdt zijn rosbief, vindt er een briefje in: straks na het eten buiten roken. Hélène x Het dessert is naar binnen gewerkt, te zoet naar zijn smaak. 'Willy, mag ik een van je Cubaanse sigaren? Ik ga buiten even roken, mijn eten laten zakken.' Willy negeert hem, blijft verder praten met Helena over groeimarges, nieuwe markten, productontwikkeling. Hans neemt dan maar een sigaar die in een verguld kistje op het dressoir ligt, stapt via de veranda naar buiten de tuin in. Hans rookt, wacht, begrijpt het niet. Die Hélène is blijkbaar het type schoonmoeder die avances maakt op haar schoonzoon. Dat maakt hem verward, geil. Na tien minuten ziet hij haar silhouet in de veranda, het komt dichterbij, staat pal voor hem. De sigaar in haar mond is slecht gerold. 'Ik hou niet van dure spullen', zegt ze. 'Waarom wou je samen met me roken?' Hans wil duidelijkheid. 'Kom mee', antwoordt ze, pakt zijn hand vast, neemt hem op sleeptouw verder de tuin in. 'Je bent naïef en ambitieus. Van zulke mannen hou ik. Zulke mannen kan ik iets bijbrengen. Ofwel ben ik een cougar, wie weet. Kom, blijf staan.' Ze zet zich op haar knieën, haalt zijn lul uit zijn broek, in haar mond. Haar slecht gerolde sigaar ligt smeulend in het gras, hij smeulend in haar. Het leven kan slechter. 'Hans? Haaans?' 'Hélène?' Hans schrikt op. Hélène niet, die doet gulzig verder. Helena, Willy, ze roepen hen. Hans voelt zich niettemin gedekt door het donker, rookt verder, het oplichtende uiteinde van mijn sigaar kun je vanaf de veranda niet zien, denkt hij. Hij aait over Hélènes hoofd, 'braaf meisje, braaf'. De ontlading is nabij, haar tong kronkelt aanstekelijk, Hans trilt op zijn benen, ogen tot spleetjes, hoofd achteruit, zijn pik wordt harder, klaar om te SPOTLIGHT in haar gezicht. In zijn gezicht. De spotlampen die aan de buitenkant van de veranda hangen schijnen in zijn ogen, Helena en Willy komen doorheen dansende witte stipjes dichterbij, 'wat gebeurt hier'?' Hij valt flauw. Hans wil nog steeds centjes. Het zal moeilijker worden nu Helena de verloving verbroken heeft, maar hij houdt de moed erin, met het afschuimen van Rotaryfeestjes en whiskey. Hij heeft er wat voor over. Half drie zaterdagnacht, er wordt aangebeld. Hij doet open, schrikt, Hélène met twee koffers, 'Hans, ik moest naar je toe. Willy is weggegaan. Eindelijk. Mag ik blijven slapen? Zonder te slapen?' Hans twijfelt, kijkt naar haar borsten. Ze zien er goed uit voor die leeftijd. Ervaren knakkers. Maar deze vrouw brengt geen geld in het laatje, geen netwerk, huisvrouwtje met pijpmond. Handig wanneer je centjes hebt, onhandig wanneer je ze nog moet verdienen. Plotse wolkbreuk, ze smeekt om binnen te komen. Om te komen. Hier draait het niet om, denkt Hans, het draait om centjes, winstmarges, productontwikkeling. Hij slaat de deur dicht, het is genoeg geweest. Tijd om aan zichzelf te denken. Twee weken later, zevenuurjournaal. Schandaal. Een gescheiden adellijke dame heeft een escortebureau met exclusieve gigolo's opgericht, de rest van haar bedrijven heeft ze verkocht. Haar ex, Willy S., zit aan de grond. Haar dochter H komt in beeld, ze heeft beschutting gezocht achter een wazig beeld en een diepe stem. Ze verklaart dat haar vroegere verloofde schuldig is aan dit familiedrama. Hélène de Beaumauvais d'Escopalle wordt afgeschilderd als een gewetenloze manipulator, mannenverslindster, zakenvrouw. Hans veert op uit zijn zetel, zet de laptop aan, googelt ' Hélène de Beaumauvais d'Escopalle'. Onmiddellijk haar website: Gigolo à GoGo. Het ziet er professioneel uit, ambitieus. Hij hoeft niet lang na te denken, belt de nummer op de website, herkent haar stem, 'Hallo, Gigolo à GoGo, met wie kan ik u opgeilen?' 'Ik ben het.' 'Zo zo. Je hebt blijkbaar het nieuws gezien?' 'Ja.' 'Waarom bel je me?' 'Hoe gaat het?' 'Bel je daarom? Jongen toch, wees eens eerlijk. Wat wil je van me?' Op het nieuws de zoveelste Syrische vluchteling. 'Ik heb ambitie, wat heb jij?' Hij wil zelfzeker klinken, volwassen, geen jongen meer. 'Ik vroeg niet wat je hebt. Ik vroeg wat je wil.' Hij laat het los, alles, eerlijk, 'ik wil centjes.' 'Echt? Wil je centjes? Dan kunnen we praten, jongen.'

Michaël Verest
0 0