Lezen

Leven met twee polen

Zij ligt buiten in de hangmat, hij boven in een donkere kamer.Ze krijgt een sms of ze even bij hem wil komen liggen.Hij voelt zich doodop en is bang dat hij doodgaat.Ze streelt hem tot hij weer rustig is.Wat houdt ze van deze warme bijzondere man.En hoe boos is ze op diegenen die van hem misbruik gemaakt hebben.Al weken stroomt de liefde van de ene naar de andere.Teder, intens, echt. Een paar dagen later vraagt hij om een valies te maken voor 3 dagen.Ze vertrekt vol spanning, enerzijds nieuwsgierig, anderzijds angstig.Verrassingen zijn voor haar altijd dubbel.Wat als ze hem teleurstelt? Wat als ze bang is? Wat als ze niet goed genoeg is?Na enkele uren staan ze in de Ardennen bij een prachtig kasteel.Hij is weer zijn schattige onzekere warme zelf bij aankomst en zij is verliefd. Hij staat in de kasteeltuin en staart naar boven, naar het raam, waarachter zij in bad zit.Zijn ogen schieten vol. Ze moest eens weten hoeveel hij van haar hield.Zij zit in bad en geniet van muziek. Haar speels en vrolijk kantje komt naar boven.Samen aan het ontbijt is het alsof er altijd al een wij was en altijd een wij gaat zijn.Ze wandelen en zien een huis te koop.Ze beginnen weer te dromen. Over de zoektocht naar de ideale plek, de juiste spullen voor de inrichting.Ze lacht als ze aan zijn perfectionistisch kantje denkt en ziet het helemaal voor zich.Hij heeft smaak, ze houdt van zijn smaak. Er is een hoekje af, bij hem en bij haar.  Weken later, zonder duidelijke aanleiding, zonder signaal is hij weg. Zijn blik is wazig en op de grond gericht of in het ijle. Als ze vraagt om oogcontact ziet ze alleen die verdomde spoken, hem vindt ze niet.Ze kruipt tegen hem in de zetel omdat woorden nu niet helpen, zachtheid misschien wel.Hij duwt haar van zich af. Ze schrikt. Wat heeft ze niet opgemerkt? Wat heeft ze gezegd? Wat heeft ze gedaan?Weken gaan voorbij. Geen zoen, geen aanraking, geen hand, niets.Ze wordt gek in haar hoofd en stelt vragen, ook aan externen.Ze mist hem, haar fantastische man die haar aanvult, opvult en laat vullen.Ze luistert, probeert te doen wat hij vraagt. Maar niets helpt. En dan plots komt er weer opening, even onverwachts als de sluiting.Hij kijkt naar haar en de liefde loopt over.Nog voor hij zegt hoe graag hij haar ziet heeft ze die woorden al gevoeld.De druk gaat van haar borst en ze huilt vanbinnen.De weken die volgen zitten vol van die echte liefde afgewisseld met afstand. Zij heeft het niet door en reageert soms te intens op beide. Zij wil genieten, vooruit gaan, leven, niet teveel moeten, niet teveel nadenken.Vertrouwen op de liefde en elkaar. Ze gaan regelmatig wandelen en eten. Ze liggen ook af en toe wat langer in bed zacht te praten. Hij beschrijft de verre toekomst, maar maakt ook plannen voor de dichtbije.Zij zit overal in die toekomst en de kinderen ook, dus ze is gerust. Maar hij blijft doodop, doodop van het verlies van zijn vader, doodop van de verantwoordelijkheid over de kinderen, doodop van het werk waar hij vanaf wil, doodop van het verlangen naar een plekje in de natuur met haar aan zijn zijde, doodop van zijn mentale en fysieke gezondheid, doodop van de angst om de liefde weer te verliezen, doodop van het gevoel maar de helft meer te zijn, doodop van het verleden die hem niet loslaat. Het jaar was gewoon te zwaar. De jaren ervoor ook. Dus grijpt hij naar zijn vertrouwde houvast: werken en voortdoen en niet meer aan de toekomst denken, niet meer dromen, niet meer voelen, gewoon dag per dag overleven. Dat zorgt voor spanning en spanning bovenop het diep dal veroorzaakt kortsluiting, rare reacties die haar uit balans brengen omdat ze het allemaal nog niet goed kent.  Eén keer, twee keer, drie keer. Muggen die in olifanten veranderen en teveel olifanten kunnen een ruimte verwoesten.Ze weet dat ze beter kan, dat ze nog wat kennis en ervaring mist om de muggen gewoon dood te meppen zodat de mooie ruimte heel blijft.Ze gaan slapen. Ze omhelst hem, voelt zijn liefde onder die zware last die hij al jaren draagt.Ze staat op en vertrekt met de kinderen, hij naar het werk. Ze krijgt een bericht: ik wil niet dat je terug naar huis komt vanavond.Het is definitief voorbij. Laat me nu gerust.We spreken nog over hoe we het praktisch regelen.Ze gelooft het niet, maar weet dat het nu geen zin heeft te reageren. Ze wil kijken in zijn agenda wanneer hij vrij is om te gaan wandelen of ergens naartoe te gaan zodat ze hem kan terughalen met zachtheid en rust. Maar het paswoord is gewijzigd.Haar buik krimpt in elkaar.Even denkt ze dat ze zich heeft vergist, even komen haar spoken ook boven.Dat hij toch geheimen heeft, niet is wie hij is.Maar al gauw voelt ze dat het niet klopt. Haar man is weg.De spoken uit het verleden hebben hem weer de dieperik in getrokken.Ze is bang.Bang omdat ze niet weet hoe lang.Bang omdat ze weet dat zowel zijn als haar gezondheid ook in gevaar is als hij niet terugkomt.Ze wil hem aan haar zijde.Samen zijn ze gewoon zoveel beter.Ze vullen elkaar aan, laden en ontladen elkaar, lopen in elkaar over, gaan in elkaar op.In alles, overal, elke dag dat hij hij is en zij zij.

Fien SB
27 3

De tandartspraktijk en zijn onvaste muren

'Eindelijk, we zijn er,' zeg ik, terwijl ik afstap en de longtailfiets het voetpad opduw. 'We moeten nummer 278 hebben en hier is het... 272', mompel ik meer tegen mezelf dan tegen mijn dochter, die achteraan op de fiets zit en haar allereerste gaatje in een melktand moet laten vullen. Omdat mijn dochter redelijk verkleumd is na deze lange fietstocht van Deurne naar Ekeren, probeer ik voort te maken, tot ik merk dat nummer 274 een of andere brede fabriek blijkt te zijn: 'Oké, toch nog een klein stukje verder...' Zij valt me in de rede: 'Dat ís de tandarts, papa!' Ik parkeer de fiets en zie er een gelijkaardig model staan. 'Zie je, er zijn nog mensen die hiernaartoe komen met de fiets!' Haar ogen bliksemen me neer en met haar recent ontwikkeld cynisme antwoordt ze dat die mensen waarschijnlijk twee straten verder wonen. Acht jaar, maar ik durf haar niet tegenspreken. Ook wanneer ik binnentreed in dit gigantisch pand lijkt dit meer op het hoofdkwartier van MI5 dan op een tandartspraktijk. Een centraal gelegen balie met drie medewerkers en twee keer zoveel schermen vormt één grote vide. De hele ruimte lijkt wel te zijn uitgehold, zoals je bij een appel het klokhuis verwijdert met een appelboor. Daarrond bevinden zich meerdere wachtkamers en toiletten, en ook de praktijkruimtes zijn overal verspreid, te herkennen aan deuren van ondoorzichtig glas. Een grote stalen trap leidt naar de ruimtes boven, waarvan ik niet kan bevroeden waarvoor die dienen. 'Meneer? U mag plaatsnemen in de wachtkamer.' Recht tegenover de balie zit een tiental mensen te wachten. Er staat een koffieapparaat en gefilterd water. We kiezen de kleinere wachtkamer aan de linkerkant, die nog altijd drie keer zo groot is als elke kamer waar ik al heb gewacht. Achteraan staat wat speelgoed en op een tafel liggen er strips. De overstaande muur bestaat uit een doorkijkhaard die zicht geeft op de andere wachtruimte. Overal ligt parket. Mijn dochter zet zich in een uit de kluiten gewassen hoekzetel en neemt een Suske & Wiske. We zijn een half uur te vroeg — niet mijn gewoonte, wel mijn plan — want ik heb veel werk te doen. Ik haal een koffie en begin te werken. Dan pas, tijdens een mijmering over hoe ik de theorie wil formuleren over het modale werkwoord 'hoeven', kijk ik uit het raam. Mijn blik wordt ernaartoe gezogen. Het lijkt wel een schilderij van een Hollandse landschapsschilder uit de Gouden Eeuw. Achter het grote raam ontvouwt zich een majestueus heuvelig landschap, met in het midden een halfbevroren vijver, waarover een kleine houten brug plooit. Aan de linkerkant vertrekt een kiezelweg die slingert door het kleine landgoed. Hier en daar wiegt het riet langs de waterkant en de felle winterzon doet het water glinsteren. Enkele vogels vliegen over. Het is er zo vredig. Té vredig. Ik kijk nu al een tijd naar hoe die vogels telkens exact dezelfde bewegingen maken. Hoe langer ik naar de vijver kijk, hoe meer ik verlang er ver vandaan te blijven. Wanneer ik mijn blik even niet op het water concentreer, lijkt het te stromen, terwijl de vijver volledig dichtgevroren is.  'Jullie mogen mij volgen', glimlacht de jonge vrouw. Ze is erg vriendelijk en begripvol. De manier waarop ze tegen mijn dochter spreekt en haar uitlegt wat ze allemaal doet, sterkt me in de keuze om zo ver te rijden voor deze kindertandartspraktijk. 'Oké, ik ga nu eerst een zalfje smeren.' Ze houdt een vinger tegen haar mond terwijl ze naar mij kijkt en duidelijk maakt dat ze zo meteen het spuitje zal geven. Ik complimenteer haar met de prachtige tuin. Ze neemt het compliment in dank af. 'U bent niet de eerste die dat zegt.' Ik zeg dat het me doet denken aan een poort naar een andere wereld. Ze kijkt me met verbazing aan maar ook met interesse. 'Zoals Narnia', vul ik aan. Ja! Narnia, dat wilde ze ook net zeggen. 'Maar nog meer aan De stad en zijn onvaste muren van Haruki Murakami.' Die schrijver kent ze niet. 'Vooral die vijver', wik en weeg ik mijn woorden, want ik weet niet goed of deze twintiger op een dinsdagochtend wil vernemen hoe je een imaginaire stad kan ontvluchten via een gat onder de vijver. Maar ze dringt aan. Dus ik vertel een weliswaar verkorte versie van het verhaal van Murakami, terwijl zij mijn dochter letterlijk aan de tand voelt. 'Doe je ogen maar dicht, dan kan ik de toverdrank geven.' Mijn dochter geeft geen kik. Terwijl ze de verdoving toedient, masseert ze de wang tussen duim en middelvinger. 'Laat de magie haar werk maar doen.'

Lennart Vanstaen
0 2

Zevenduizend vierhonderd en vijfentwintig kilometer weg van mij

De verstoorde azure waterrimpels, vervormd door de bonte boot, lijken weer hun natuurlijk ritme te vinden. Een groene lijn oerwoud snijdt de rivier af van de bewolkte lucht. Het zonlicht doet de huid en haren van de somber gestemde mensen stralen. Zelfs in het paradijs kent men afscheid. Drie mensen buigen zich over de rand van de boot. De oranje man verlost de inhoud van een doorzichtig, plastic tasje in het water onder hun. Op eenzelfde manier dat de lucht bevlekt is met witte wolken, krijgt de azure rivier asgrauwe vlekken. Rode bloemen vervoegen de aswolken, zachtjes bedeeld door een wit-blauwe jongedame. Het water ontfermt zich vanaf nu over de stoffelijke resten van mijn nani. Mijn ogen staren naar het tafereel voor mij, bevroren in de momentopname dat aan mij bezorgd was via het technologisch communicatiewonder van de 21e eeuw dat wij WhatsApp gedoopt hebben. Deze beelden, van as dat zich vermengt met water, zijn de laatste beelden die ik van mijn nani zal hebben. Ze zijn gekaderd door een ander, met een nauwkeurig oog voor wat op dat moment het belangrijkste was, en de nagelatenen in hun recht, verdriet en liefde laat. Ik vertrouw het oordeel van het oog. Ik veracht het beperkend, rechthoekig kader van mijn smartphone. Ik staar wat te lang naar de platte prent voor mij – mijn gedachten dwalend naar de azure rivier zevenduizend vierhonderd en vijfentwintig kilometer weg van mij – en het scherm verandert van een gedimde foto naar een reflectie van mezelf. De rode, droge, jeukende ogen die me aanstaren vanuit de weerspiegeling irriteren me mateloos. Mijn vinger swipet een paar keer over het ontgrendelingsscherm, en dan nog eens over de foto in het fotoalbum. Ik staar naar dezelfde oranje man, omringd door twee wit-blauwe vrouwen. Alledrie werpen ze een glimlach richting de fotograaf. Mijn ogen jeuken nog intenser, en een diep knagend besef kruipt dichter en dichter bij mijn hart. Geen enkele vorm van langeafstandscommunicatie – foto, tekst of video – kan de emotionele catharsis van afscheid schenken. Niet op eenzelfde wijze dat de nabijheid van een persoon die in hetzelfde schuitje als jij zit je kan schenken.

Eden Oscar
0 0

Ingewikkelde vlinder

Het accent van de rijm ligt op de papaver van Waver.  Umberto Unesco vindt het niet werelderfgoeds, dragers van het gif en de biotoop van een pretpark. De enige reden dat een mensen een stad kennen: de plaats die de inwoners nooit bezoeken. Ik ga op reis naar het centrum van die ijlpaal, dat standpunt voorbij het einde van je zicht, verwateren. Daarom kan ik, nu wel, verdrietig worden. Zo bedien ik het klimaat van uit zichzelf bestaande natuur. Natuur is de mooiste vegetatie die men kan vinden in Waver. Daarom kan ik, nu wel, verdrietig worden. Een kaart kan je niet aanraken. Het zwart gat onder de zon blijkt mijn vergetelheid, mijn mentale kerker vergeelt met jaren. Een boomhut in Walibi kan ik niet betalen. De erfzonde resumeert dat wolken wel een achterkant hebben. Daarom moest ik stijgen in de achting van de zondaars, de volwassenen, toen. Ik weet het nog, dat ik liever met Oma wou kaarten om Niznji Novgorod. Maar daar sneeuwde het veel. De compartimenten van mijn mens verdelen hun aandacht over het 'verleden': het geloof van zij die zedig bleven. Ik kruip in de knotswilg: de natuurlijke kerk, die de veerkracht van de vogels voor de monnik kent. Dan zou het te laten zijn, dan komt cultuur, de tijdperiode na klimaat. Aardrijkskunde is mijn trots en daarom zwijg ik, ze weet dat ik het weet; maar wat dat weten we nog niet. Het onderwerp, waarschijnlijk, is thuisgebleven. De ouders van de zoon zijn nu uit eten en dat is zijn laatste offer: hij heeft het resultaat, de koelkast. Het klimaat hierin opsluiten kan alleen als het lichtje eerlijk uitgaat. Of het vlees nog vers was, dat waren de zorgen van Mijn Moeder. Familie is belangrijk, en vooral die van mij, dat heb ik al gemerkt, parachutespringen met ondergoed is in dit pretpark niet veilig. Terug naar eenvoud: het armtierige bestaan van een dansclub voor insecten zoals mij: zonnevlekken. Wanneer de meeuwen op het terras zullen zitten, kent men fenomenen en patronen als inzicht. Regentaat huishoudkunde bepaalt de temperatuur van de vorst, het nulpunt van ons jaar. En toch weet hij ons te herladen. Een tegendelige indruk verdeelt zich over mijn aandachtspunten: ik heb sociaal contact. En, in een pretpark, is dat een meisje. Jezelf een kilootje minder inschatten in het zicht van een numerieke weegschaal is niet erg, Jezus. Waarom wil je dat? Wat wisten we nog niet. Laten we een datum prikken om te zien of het substantie lekt, dan bestaat mijn idool ook in mijn badkamer. Daar hangt de spiegel. Hij kan niet omdraaien, in beide richtingen niet. Ik heb gedanst. Als ik gelukkig terugkom van het pretpark, is dat met een meisje. Italiaans voor vleermuis. Er zijn al ergere dingen gebeurd om die reden, maar dingen kunnen niet bewegen, dus bestaan ze niet. Het hoofd ontneemt ze dus aan hun woordfunctie en de mierzoete mussen rond het altaar verheffen het tot geluid. Meerdere gedaanten zijn niet toegestaan. Ik weet dat op die seniorenzetels veel verhangen wordt. Een droge worst is goed. Je iets keurt de suisbewegingen van mijn ongeduld. Ze keren, ze keren! De file is gedaan, nu nog vloeken aan het rondpunt en dan ben ik thuis. Een bijeenkomstplaats die wegen, veel sfeer, vluchtige sfeer. Sterker dan zal mijn sigaret nooit worden want ik ben niet groter dan de Aarde en dat is een gedachte, kleiner dan mij. Hoe bescheiden, die vooropstellingen, nu nog de tactiek achterwege laten en ze is van mij, mijn verleiding. Daar komt Oma met een snoepje. Die Italiaanse houten steil, resultaat van leegtenijd, leegtenijd is voor mij de verwelkoming van ondergeschiktheid, dan wel als een geschenk voor mijn verwerkend mechanisme. De bedrijfsnemers hebben gewonnen, nu wonen ze daar gewoon. In Aalter, is het mooi wandelen, als je de tijdsaanduiding in de tussenruimtes vindt kan je er wel met de wind vlagen. Gekruide erwten komen altijd na jarenlange droogte. Maar van wat? Van wijn, want die is gezond in een glas blijkbaar. Sperzie! Ik wil broodjes van je schooien, dan kan ik weer wandelen! In Waver begod, is een brandbare heide symbool voor het onuitdrukbare? Doen ze het is tegenwoordig zijn vraag. Ober op gps-signaal, zet eens uw smartphone uit: ik wil u iets tonen: die van mij. Intuïtie houdt de wacht bij mijn goedheid. Ge moet da een beetje aanvoelen, en dat is mijn job. Geen paardenpsychologie, paardenpsycholoog moest ik zijn als jonge wielrenner om te durven trainen: de Vlaamse Ardennen. Welke waren er eerst? De Aardplaten ontvouwen zich, de leemte van hun intonatie zal nooit een beving voor Richter worden. De gezant gaat terug naar huis, Richter volgt hem. Dat mogen we nog niet weten. Nie spoilen in de file é! De weerman knipoogt, weeral weet ik niet of hij het nog heeft want daar sluit het scherm. Voetbal. En ik ga strips gaan lezen! Iconisch hoe een tekening het gevecht blootlegt met diens oorsprong: inkt. Inhoud wordt niet gevraagd, ik kan niet spreken. Dat heeft iedereen als voor mij gedaan. Zijn ze dood? Hun toestel is dood, een stereotype. Gogl verkent Richter: impact tegen schaal. Wie verdeelt de hongersnood verder? Uitzaaiingen zijn uitgesloten, het zijn sterfgevallen, bedelaars van een moment. Maar het is niet de tijd die ze nodig hebben, het is diens strekking... Fout! Ik wil sociaal contact. De compartimenten van de winkelkar van mijn idool, God. Want: geen muntje maar een hostie... Liefde is helaas een vorm van creatie, toekomstige schat, vragen we het aan papa of aan god? Wie heeft gelijk, mama? Mijn mama is niet van Waver, ze is hier niet. Blijkbaar heb ik ze ook niet nodig als ik voorgaande durf vermelden. Of moest ik overleveren? Dat zij niet, ze zijn alleen maar bang dat ze gaan kotsen. Dat betekent dat ze al aan het kotsen zijn en bang zullen zijn op de Vlieger. Ik kan ze toch niet bereiken, dan is het goed. Dan mag ik hier blijven staan tot de rij zich vormt. Prenten van waaiers worden overgeleverd aan elkaar en ik sta verkeerd. "Wil je niet meedoen?" Nee, niet als eerste, ik ben al voortijdig. Hah. Hah! Waarom moest ik dan nog lopen? Omdat het hout naar de duinen moet om deze levenstoeristen te stutten. De betrekking met mijn punt, de spelers van de taal vinden het. Maar die durven bewust niet. Dat zal wel voor de toekomst zijn, die broodjes. Punt, obstructie van mening, het is altijd één want hij is hier al. De doordruk voor het onderschrift, een normaal verhaal, zo voelt hij zich nu? Is dat origineel, concurrent? Zuchten voor gebruik van hoofdletters heeft hij begaan. Nu denk ik weeral dat hij slimmer is dan mij omdat ik het woord misdaad niet wou zeggen. Verleden, weg... Waver is de toekomst, de toekomst van Umberto Unesco, aspirant-paus aan de dafalgan van de Taj Hamal voor het eerst zijn vrouw gekust, en wat volgt, het reeds orale verhaal: de krant na het toilet. Ik beslagen, is dit de douche? Ja. Gij mocht gaan douchen in het pretpark. Het waren ook de leraars. Altijd aan de zijlijn, daar corrigerend, het beeld van een geometrische lijn vergeten voor de inborst van hersenen. Zolang het maar grillig is... Die sushi, die sushi staat hier al, ga weg verleden! Ik haat U meer! En prestatie is niet de voorwaarde van een mensenleven! Tenzij hij alleen op Aarde zou zijn geweest; maar wanneer dan inderdaad? Een oermens die geen oersoep lust, dat is hij, en ik moet hier niet voor instaan, neerwaarts punt in mijn leven, want er is geen reactie. Die is onmogelijk met wederwoord, dwaze galblaas van nen angsthaas dat gij zijt. Nu naar kerstmis, zeker? Dat is al gebeurd. Een open einde: een begin. Vandaar die kus eerst... als alles gelijk heeft treedt de rivier buiten zijn oevers. Het verslag van het humeur van dit organisme kost mensenlevens omdat het ergens anders niet leefbaar is. Dat is zijn theorie, maar hij heeft geen armen. Hij is hoofd en vingernageltoppen, alles wat functioneel is. Daar begint het niet te vroeg, maar wel voor mij. Waarom ben ik dan de waarnemer. Een actienemer van een zeilboot dat ben ik. Als alles gelijk heeft treedt ze buiten haar oevers voor de falcetto van God. Een teken dat je in iemand zijn kop slaat opdat hij even zou zwijgen en u gelijk geven. Ze liggen oneffen, maar als je dat zegt, heb je geen nood aan bevestiging. Dan kan je zelf je jas sluiten, God. U bent gepardonneerd. Moet je God laten zitten op de bus? Naar waar zou Hij gaan? Naar je hoofdletter. Hoe kan jij dat zien, dirigent van het dictee, heb je een -auto-? Dat is het geheim van poëzie, de taal van Jezus! Waarom, omdat er verzachtende omstandigheden waren. Hoe vooruitstrevend: misdaad. Nu kan hij knielen onder het gewicht van God, die man uit Palestina, om het bewustzijn terug te bereiken, om even stil te vallen, dat weten jullie wel; dat kan alleen in de sneeuw. Aan een Italiaans voorlopig paspoort van een Ski-keten zullen gelovigen hun contract niet verdienen, dat weten jullie wel, meer als hij. Aan wie moet hij geven; aan de taal natuurlijk. Uitroep. Omkeren. We zijn verkeerd. Het punt! Dan maar kuisen. Nooit bestond kauwgom en plots moeten ze diens onderkin boenen, zich schuldig voelen over de afleiding omdat ze het willen. Moeten ze het willen? Ik vind van niet. Maar dat moest Je Iets wel zeggen. Afhankelijk zijn we allemaal, vooral van het eigen oordeel. Claimen die handel, desnoods met je tanden. Voor eens, hun plat taalgebruik, stop daarmee, ik spreek ook geen algemeen Nederlands, geen transactie; ik spreek hersenen, ik spreek mens. Nu kan ik mijn voorkeur verlaten. De toekomst zal uitwijzen waar het verkeersbord staat. De eerste die het ziet zal sterven. Weten jullie waarom? Eenvoud, en nu die broodjes. Leven eet. Vooral bij Taj Mahal. Ik haat onregelmatig verdeelde exemplaren, de meest hulpbehoevende bestaansvormen ter eender plaatse en ooit. Ik geloof niet dat dat ruimte is. Het voltooid deelwoord, zo kondigen zij het einde aan. Nu kennen ze de bedoeling van mijn idool: het goede. Wat profeten deden was met hem praten. Interventie: de braamstruik staat in brand. Waarom lijkt het altijd alsof verpleegkundigen je echt graag zien? Omdat ze anders teveel broodjes krijgen! Christiane is de vrouw van, niet het universum, John Tavener. Jouw naam zal nooit een woordspeling bergen. Bergen. Allé, spekblokjes bij de oersoep vandaag. Ze willen het op het bord naast de pattatten. Een exotische groente, maar dat mag ik aan tafel niet zeggen.  Verklaring na misdaad of zonder bedoeling het leven ingaan, dat was onze keuze. Geboorte, de wieg van het leven, kromt de Nazca-rups. In mijn individuele wereldgeschiedenis.  Umberto Unesco vindt het bijna wereldspeelgoed: de kauwgomschraping in de kerk. Dan denken ze niet aan verdienen, aan overleven. De geest van dirigent verdeelt aandachtspunten over zijn werkblad, het veld. Het beeld van de kromming van onze geboorte draagt Spînabifida, de zus van Umberto. Ze is genodigd omdat ze stilte kan verdoezelen en daarom zijn we hier. Deze mensen beoordelen waarde niet op prestatie. Het inzaaipunt van de vogelverschrikker, zoals mijn zoon het veld noemt, Hem noemt, zijn titel; 'Hem'. Het hoofd moet toekijken. Dit zijn niet de regels van mijn idool. Hij moet een van ons worden. De lijkwade van Waver broedt een Vredesvlinder, in vredesnaam een vlinder. Die surrogaatvogel die ik moet beklimmen van mijn ouders! Hij draait.   Het schuurt die rode lak verf in Waregem. Toch ben ik ouder dan het park, ik ben de beleving. Dat betekent dat mijn zicht één grasspriet rijker is dan perceptie. Diefstal wanneer de koning perceptieglazen zal dragen. Van taal terug naar toeval. En alles wat we gedaan hebben is weg... Relevantie en verbandhouding fixeren mij. Ik wil met de prinses en niet met de naam trouwen. Dat verdient de wereld niet. Achja, Wallonië in het Frans. Ik wil trouwen: 'trouw' bevestigen voor de wereld en de liefde opnieuw laten beginnen. Dat wil de wereld niet, de wereld wil goedheid. De Belgische consensus van de sfeer is mijn schaamte op het WK. Het WK in Waver, alle inzaaipunten van de hoofdplaatsen zijn voldaan. Het moeras van mijn onbegrip keert terug als ik geen kots meer verlang van mijn zelfliefde, het volgende losstaande concept. We kunnen schaken met stilte, dat zijn de kampioenen (Italiaans: Primulas). Bloemen mag je niet meten, Japan, dat is voor de plant, de plant groeit niet meer. Vijf is zijn brevet. De toelating om het enige lid van een leegstaande cohousing te worden: de samenleving te worden. Ik kan niet leren, ik kan niet tellen. Umberto's Bugatti Dogma staat voor mijn levenslicht. Ik kan muziek luisteren en lezen, maar liever niet. Ik moet nog door die stilte wanneer hij rond de wagen loopt met een aangelengde buis. Het zijn frieten, de eerste Belgen. Conservatie van weemoed resulteert inderdaad diens zachtmoedigheid, maar waarom moet je die dan nog koken? Jezus vraagt naar het algoritme van de catechese. De mechanisering van God blijft niet tegenwoordig. Mijn eigen taal zal me wel beschermen tegen logica. Wanneer slechte mensen weten dat ze geen gelijk hebben en dat willen hanteren. Ik zou in hun geval ook niet anders naar muziek kunnen luisteren. Hun eeuwige geboorte verveelt zelfs de goden, en die kennen zoals gekend het verloop. Dat is Christiane die in rechte lijn probeert te bezemen voor het Pad. Maar ons dorp, de dijk van de rivier, is trots. En daarom zullen wij altijd ten minste bestaan. In deze religieuze stad zijn echter geen herenhuizen, enkel als mijn idool het leven aansteekt. Voor iedere kerstboom een bijbel en twaalf apostelen alstublieft. De knieval van Recht, het eerste referentiepunt aan de hemel toen ze samengesteld werden. Horizon de stikstof van de hemel. In de fitness heb ik alleen engelse leenwoorden overgehouden. Ze zijn kasbonnen, tulpenbollen uit België. Waarom moet ons reddingsmiddel onzichtbaar blijven? Omdat mensen stelen, je armen meenemen omdat ze je handtas haten, en dan geen geluid maken. Uit zelfmedelijden ga ik in de tussenruimte niet in de wachtrij zitten. Doktersbriefje uit de automaat halen nu. Vrijwillige vingerafdruk, is dat niet om te overleveren? Maar ik heb het gehaald, ook al moet ik het gesprek nog meer aanvatten. Voorlopig verstaan we elkaar nog niet. Dat mag, maar niet als er mensen tussenuit vallen die dat nooit meer zullen meemaken.

Robijn Bodijn
4 0

Jorre*

Jorre* hield van stevige feestjes. Het liefst met een lijntje coke, liters bier en roken als een ketter. ' Zonder bier geen plezier ' was zijn levensmotto. En natuurlijk veel seks, heel veel seks.... Op één van zijn stevige nachtjes ontmoette Jorre een bloedmooie jongedame. Ja, hij had wel zin in zo'n deerne. Met zijn smooth dansmoves probeerde hij haar het hof te maken, wat hem ook lukte. Het is niet alleen het uiterlijk dat telt, ook het karakter en persoonlijkheid nietwaar? Jorre was niet knap, maar je kon moeilijk zeggen dat ie echt lelijk was. Gewoon een modale man, zoals de meeste mannen. Maar hij reeg de vrouwtjes bij elkaar, als trofeeën uit zijn trofeeënkast. Hoe hij het doet is mij een compleet raadsel, maar goed. Terug naar het bewuste tafereel op det bewuste nacht. Jorre had goesting, de dame had zin. Seks met wederzijdse toestemming weet u wel. De dame nam hem mee naar haar thuis in haar Corvette. ' Ik heb het getroffen ' dacht hij. Na een passionele nacht en de nodige koffiekoeken nam Jorre afscheid van haar. Een naam was niet nodig en casual sex moest kunnen. Bye bye schat! Een kleine week later voelde Jorre, onze arme man, een enorme plasdrang en had hij moeite en pijn bij het plassen. ' Oei oei, ik moet naar de dokter ', dacht hij in paniek. ' Ik kan je gerust stellen Jorre ' zei de arts. ' Je hebt een goeie SOA te pakken, proficiat. Maar daar bestaan effectieve pilletjes voor.' 'Weet je haar naam?' ' Geen probleem kerel', antwoordde de arts. ' Neem je medicijnen en verzorg je goed.' Verbouwereerd nam de Jorre afscheid van zijn huisarts. Als raad en advies vertrouwde de dokter hem nog toe:' het komt allemaal goed man. En als je later longkanker hebt of levercirrose ben ik er om je te helpen. Prettige dag verder hé.' Tja, casual sex....   * Fictieve schuilnaam 

Canniball
6 0

Dagelijkse aandacht 5 januari 2026

Ik schrijf over Venezuela terwijl de ramen openstaan en de lucht blijft hangen. Niet omdat niemand wil luchten, maar omdat geuren bij momenten een grotere greep hebben dan woorden. Ze heten toezicht, druk, correctie. Zelfs nu de straten leeg zijn en mensen zich alleen nog verplaatsen uit noodzaak, is hun aanwezigheid voelbaar. Venezuela is geen casus en geen les. Het land ademt in een eigen cadans, maar de schema’s van anderen dwingen het keer op keer te pauzeren. Wat vandaag voorzichtigheid heet, krijgt morgen een andere betekenis. Beweging is schaars, geluid gedempt. In keukens bereiden mensen arepas terwijl de radio zachtjes speelt, niet uit gewoonte, maar om de stilte te doorbreken. Ik kijk niet als buitenstaander en ook niet als vertegenwoordiger. Ik herken de aarzeling vóór een beslissing, het zorgvuldig afwegen van elke stap. Venezuela vraagt niet om redding en zoekt geen podium. Het handelt zoals het heeft geleerd: door zich aan te passen, te onthouden en tijd te nemen. Mensen onderschatten het geheugen van dit land. Het herinnert zich momenten waarop mensen orde beloofden en ruimte beperkten, en herkent daaruit patronen. Dat geheugen is geen nostalgie, maar een vorm van waakzaamheid. Stilte betekent hier geen instemming, maar aandacht. Niemand hoeft Venezuela te sturen, en al helemaal niet van buitenaf. Het vraagt geen uitleg en geen scenario’s. Alleen ruimte. Wie die ruimte blijft invullen namens anderen, moet niet verbaasd zijn als stilte een andere vorm aanneemt. Mephis (aka) Evelyn Mérida   

Mephis
11 1

Hoe je als samenleving met de wereld kan communiceren

Wanneer het licht mijn kamer betreedt, gebeurt dat zonder toestemming. Als regenbogen projecties van Disney waren zou zijn moraliteit verdwijnen voor de aanblik van zijn leefruim. De onderbuik van de Octopus gaat de uitdaging aan: het onbestaande circuleert op zijn eerzucht met het balkon, een briefje van vijf euro valt uit zijn lichaamshouding. De plof van zijn blasé telt de plooien in zijn kinnenbak. Iedere keer als hij bedenkelijk kijkt schuift de morele grens op: de grens waarbinnen mensen mogen verhuizen. De stoet van toekomsthoop stemde de reeds aanwezige zielen gerust: het is de oorsprong. De mageren verzamelen argumenten voor een ontaalkundige handeling. Het volume die een afzonderlijke zwieper van je hersenen waarneemt vormt een achterkuil in de stoel. Het is een leren stoel. Van wie komt die aanblik? Van een universeel scenario: iemand die afbrook van de groep. Zich bezatte zijn gezegden nog steeds hun wapen. Met hun kin leggen ze de betekenis van het nageroep vast. Hun logica is dat veiligheid onschuld uitmaakt. De eerste keer dat ze zich afzonderden waren het stemmen aan mijn hoofd, toen leerde ik dat dat niet mogelijk was. Parijs is de wenteltrap van mijn hemelse gordijnen. Het handkolfje voor mijn asbak blaakt van traditie. Wie naar zichzelf verwijst moet zich niet verstoppen. De ironie van een kast zich keren tot een sater, waardoor je de morgen nadien harder moet trekken. Alleen die spies in het midden is roest voor warmte: twee uiteinden van hetzelfde extreem die zichzelf weerspiegelen in een onregelmatigheid. Het zeilbootje is geen impressie meer, maar een syndroom van de lucht. Een breinscheet. Moedersoep. Opa's beschuit. Gelinkte ledematen van mijn voorgaand korps: verlichaamt u. De toestanden van de conversatie kunnen mijn beugelen doen stammeren. Oploskoffie leent zich om te morsen. De automaat van uw sponaniteit wordt gesloten vandaag, nee, de toekomst is niet zo triviaal. Ik kan er zelfs het patroon onderbreken en zelf het tempo bepalen. Gokken op de tijd is in een nog verdere toekomst niet bikkelhard. Zolang we patroon van periode kunnen onderscheiden zijn we nog mensen. Het belang van zelfreflectie wordt gestolen in een onvermijdelijke draaihoek, hetgeen je moet doen om beter te worden: hetgeen je onmogelijk acht. Daar staat de heer voor u in kerstmis kostuum, het bloed van de ever zal blank lopen bij de overmoed van het tafelkleed, dat zichzelf conformeerde. Het centraal punt op de tafel was de voet van de televisie. De vierde dimensie het gesprek met mijn grootmoeder. Naastenliefde of programmeerfunctie: aan het klavier willen zitten van een familie-avond. Verlegen jongen, zo blijkt, kwam hier vroeger achter kaas. We moeten zwijgen nu. De straat heeft oren als de wind waait. Als! Want zelf op het getijde van uw adem kan u niet rekenen. Ik verdeel de supermarkt onder in wij, zij en meneren. Die zoutpilaren van trots flankeren het beste biefstuk. Het is gewoon hun smaak. Het vermogen van de koffie is beperkt, mijn motor ruist helend. Verkruimel het zout, is het dictaat tegenwoordig. De krant lezen doe je op een denkbeeldig pleintje. Wanneer de meeuw aankomt op Gent-Sint Pieters, is er geen overvriendelijke Thalys-beambte. De telefoon staat roodgloeiend: de catering van de steenkolen komt de redding van onze beugel tegemoet. Toeschrijven, is één iets, niets aanraken iets anders. Nu moeten we onze aandacht verdelen over de bussen in het sfeerbeeld. Ik breek voor herkenbaarheid, geen eeuwig durende innovatie. Ieder twijgje is een manier om ergens mee om te gaan. Elke zwarte vlek wordt met een ingreep benaderd: het biefstuk slentert aan zijn verpakking. Hij gaat hem dan nog opeten ook, zijn broer, Walbert, de kabeljauw van zwembadankers. De cilinders spugen als trots in de branding. De automaat fulmineert prijzen van verschillende draaihoeken. Iedere ontstaansvorm in het station kan ons nu zien. Dat hoort bij avontuur, je leven riskeren, gokken op de tijd mag dan weer wel.  Als je je hand opheft terwijl je iets geks zegt, lijkt het plausibel. Als in: ik heb toch de moeite gedaan om mij uit te rekken, laat ze de inhoud maar spijzen. Wat er naast valt zijn de kurkentrekkers, de aperitief zonder smeulende tanden. "Niet-rokers zijn jaloers". "Niet-rokers zijn niet jaloers." Getuigeverslag van jaloerse man die nooit rookte verbaast wetenschap en wereld. De functie glimlach blijkt een samentrekking van mond en tanden. De grijns blijft zo het enige resterende fenomeen zonder verklaring! Grijns! Grijns, Rubus, naar de wolf die een gedicht induikt en copuleert met ons biefstuk. Ik heb het afgestaan met een meerwaarde, het vlees. Spoedig duik ik weer de boeken in. Dan moet ik mijn onbestaande momenten in het restaurant niet goedleggen. Het 'geheim' was een alleenstaand houten toilet. De plee stroomt in de goot en de borduur veert op: ander leven. Straatstenen zijn er geschreven over het woord 'ankerpunt', mijn weg naar huis was bouwvallig. Een lawine uit communicatieruis verkavelt de hele engte van de 'ontkenningsfase': de onschuld van de wettigen. Ze willen een boor zien, iets dat uit mijn hand komt en van hun is. Mijn werk is hun nageslacht. Met dierenhuiden heb ik mijn opvoeding nochtans niet ingekleed, als ik tegelijk zweette en ademde, schoven mijn voeten uit. Gras ruiken is goed tegen de geur. De geur van vliegenlijken. Als het recyclagepunt zelf de container was, moesten we ons geen zorgen maken. Dat is nu wel gebeurd. Dat de obstakels voor de maan ons laten onthechten met onze pezen: over dimensies praten. Peinzen en pezen zijn nauw met elkaar verbonden, de herkenbare tandknik is hoorbaar voor heel het scenario. De foon stelt zelf zijn pakket samen: oud-nederlands of beschikbaar frans. De perioden ontstijgen de inkepingen van hun praktiserende klok. De wanmoed ontbreekt de kalkoen om kerstmis te ontkennen voor haar kroost. "Nog liever wordt ze het gebraad van vreemden!" Gedachtebelletjes isoleren de gedaante achter het onderwerp van die uitspraak, alsof een zegvorm een buffet was waaraan je zonder zelfreflectie mocht tafelen, nee. Bezem en zakdoek hebben andere kruimels. Oma bergt haar zegvorm op naast mijn mobiele beugel. Als liefde de waardemeter was, konden we wel met elkaar spreken. Die eigendomspaal van de ethiek stevent eindelijk op de ondergrond af: er was geen thesis. Mijn kamer ontvlucht mij, de muren worden boeken. Nu moeten we onze ogen sluiten. Eén voor één met de aangeleerde vinger: volwassen onderwijs biedt kansen aan mijn zelfbeeld, zo moeten mijn ouders dat mechanisme van zelfbevestiging niet ontkrachten. De functies worden verdeeld over de kenmerken, allemaal persoonlijk. Inspectie van de inquisitie van mijn pubertijd: de realisten: "Ik voel mij beoordeeld". Antwoord inquisitie: het leven is een oordeel want het is een toelating. De nachtzwaluwen van het geloof menen het ook; toch menen ze allemaal dat dezelfde tegenstrijd in de omgekeerde uitvouwing bedoeld moet worden. Ze denken dat het leven saai is. "Als je het niet aanraakt wel, dat heb ik onthouden". Een molecule is dan de ruïne van het geheugen: alles wat je je verbeeldt, verdwijnt. Die lens hebben we al gevonden. De opdracht is duidelijker: kies een gedachte en handel ernaar. Vergeet de voorgaande analyse: ze was slechts die ene vrolijke dag van Friets Keulmeester. De dag dat hij naar de fietstocht verlangde. Eenvoud kan je niet bereiken. Mijn eierschaal is niet in de wieg gelegd met een dinosaurus of het gebrek aan wereld. Het parcours vormde een ellips voor de idee van de vader. Wat een moeder is lijkt nu al moeilijker: een soort van continu integrerend geheugen, of een bewijsvoering van een bestaande these. Dat de plaats voor mij al ingenomen was op de bus, moest ik zelf uitzoeken. Dat zeggen ze er niet bij als er geen plaats is: dat je niet mag gaan zitten. Wat beweegt er achter de ramen van de bus die wie niet zien: wie wast er de modder van de korrels, van het element, van de aardkorst, van de oorsprong, van het voortrekken van het universum ten nadele van het concept begin. Dan lijkt het mij inderdaad dat er initieel een vraag gesteld werd: wat ben ik aan het doen, wat ben ik nu al aan het doen? De substantie van inzicht, idee, blijkt marmelade in verhouding met een confituurtaart. Een moeilijke relatie die bovendien zwaar weegt op onze mogelijkheden: wetenschap. Soms is iets dermate onprakisch om mee te denken, dat het je hand wordt. Die gids zal mij nu leiden naar de ondergang. Wanneer we alles terug mogen geloven, geeft de weerbots van de golf aan die het laatst het zwembad verlaat. Als je een gebrek wil laten opleveren, ga je dood. Dan ben je ongewenst voor de voortgang van zaken, alles wat op een rij op een eeuwig balkon ligt aan te schuiven. Roerloos de luchtbank, mijn denkkader, het voetje naar mijn principe. Overwegingen tellen het aantal keer passeren aan de noodcentrale voor stikstof. Wie een plaatsje naar het deelbaar pretpark verzilvert is de postzegel van de bevestigingsbrief niet waard. Er is geen reden tot spreken als je hersenen consumeert, de getijden van je denken voelen zachter met oude haarbalsem. Een Egyptische tovenaar heeft mij geleerd details te onderscheiden: dat een diplomaat in functie een metafoor wordt wanneer de kunsten het overnemen. De hoop van de laatste strekking is het minieme moment dat je achtergehouden saldo in een binair zichtsveld verschijnt. Nu mogen we alles verdelen. Taboes zijn zo repititief dat ze naalden aantrekken, de veren van de oorsprong ontgroeven de weerslag van mijn denkaders. Deze plechtzaamheid bekoort me danig, ik doen een voorstel aan de empereur: vijfduizend handtassen. Merkloos ben ik naar hem teruggekeerd: hij heeft me geholpen. Dit feestje is een sobere mier op een bad vol met maagzuur, het plebs wil terug een rotte schimmel aan de zwembadomlijsting zijn. Wie van een piramide naar beneden valt, landt op het feestje. Onsterfelijke zielen dienen herfstbladeren op aan die ene overweging van de Farao: zwaartekracht. Het motortuig van mijn vader behoeft geen zonnebril, geen spectrum. Het is ruis. Er is een fiets- en zoektocht voorzien voor verloren details; hun laatste adem hebben ze uitgeblazen in een emmer. De badkuip van de borduur ligt in stukken op de grond wanneer de gedaante zich neervleit, hij heeft geen gewicht. Vaas en emmer, zwaan en gans, kerstmis en oudejaar. Tweedracht is een vorm van acht. Gewichtsloze gedachten zijn toegestaan door het licht. Ik verlies mijn vrije wil aan de verkeerde keuze: opgestroopte mouwen. Nu moeten we het aanpakken. Toen de kikker besloot de wolken in te gaan, was hij ook niet welkom. Aan het kruispunt wordt mijn motorkap genageld. Wat ik denk wordt een instructie voor dit vossenhol. Daar ben je niet welkom. Zolang de friezen van associatie mogen aflopen keert de koude niet terug. Daar waar de 'koninging' is gestrand, daar mag je zitten; aan de oever van een kroon: een rugwervel. Die vormt een vin wanneer wij mijn kamer betreden. Een functie zonder doelstelling is als poseren voor boogschieten. Eenvoud is de zelfreflectie van diens enkeling, een overtuiging. Een foltertuig dat wentelt en eet tot het product gevonden is. Die jeugd die zo stug in de vis bijt dat het strand zelf begint te tijden.          

Robijn Bodijn
2 0