Lezen

Anates Ex Machina

Vergeet de Zapruder tape waarop de moord op Kennedy werd vastgelegd. Vergeet de iconisch geworden beelden van de Boeing 767 vliegtuigen die eerst de ene, dan de andere van de tweelingtorens doorboorden. Die opnames verdwijnen in het niets naast de beelden van de Aankomst.   Iedereen weet waar hij zich bevond en wat hij aan het doen was toen de eerste nieuwsberichten van de komst van de Ufo’s verspreid werden. De gigantische schotels verschenen op twaalf plaatsen tegelijkertijd in het luchtruim: Los Angeles, New York, Buenos Aires, Brasilia, Londen, Parijs, Berlijn, Moskou, Beijing, Seoul, Tokyo, Sidney.   Zien was geloven. Ik zag, maar geloofde niet. Ik wist wel beter. Ik had het idee geleverd voor de projectoren die deze illusies creëerden. Ik had de technologie gebouwd die dit bedrog mogelijk maakte. Ik was medeplichtig aan dit sterke staaltje van fake news.   Ik schreeuwde het uit op mijn website: “Levensechte hologrammen doen Moeder Aarde op haar grondvesten daveren.” Nog geen tien minuten later werd mijn site offline gehaald en was ik vogelvrij verklaard. Gelukkig had ik dit voorzien. Ik koos één van de vele valse identiteiten die ik speciaal voor deze noodsituatie had aangemaakt. Ik dook onder in een bos in een hutje waar de overheid niets van wist. Ik had er alles wat ik nodig had om het verdere verloop van de gebeurtenissen te volgen.   “Wij komen in vrede,” zeiden de aliens.“Wij komen orde op zaken stellen voor het helemaal verkeerd loopt met jullie planeet,”was hun boodschap.   Daar had de mensheid wel oren naar. De komst van de buitenaardsen was de oplossing voor al onze zorgen. Alle wapens zwegen op slag; gedaan met oorlog! Er was sprake van technologie die klimaatproblemen, honger en ander leed uit de wereld zou verhelpen! Geen religieuze twijfels meer: de aliens hadden God gezien; Hij sloeg zowaar een mea culpa voor de eeuwenlange verwaarlozing!   Deze beloftevolle aankondigingen waren zo overweldigend dat kritische vragen onverbiddelijk in de kiem gesmoord werden. Waarom vertoonden de aliens zich enkel aan de presidenten van China, Rusland en de Verenigde Staten? Waarom kozen ze net deze wereldleiders als hun spreekbuis?   Dag na dag arriveerden er nieuwe Ufo's boven de grootste wereldsteden.Activisten waarschuwden mensen op straat: “Als iets te mooi is om is om waar te zijn, is het dat ook.” Dissidenten riepen op onze ogen niet te geloven.Veel succes hadden deze enkelingen niet. Het fake news waardoor de massa alles voor waar aannam wat de leiders van China, Rusland en de VS beweerden, was veel geloofwaardiger dan de cynische werkelijkheid. Wie niet mee ging in de wereldwijde illusie werd opgepakt en afgeschilderd als een gek die geloofde in complottheorieën.Ik zag met lede ogen toe hoe online netwerken van verzet werden afgesneden van het internet. Ik weerstond de verleiding contact te zoeken met mogelijke medestanders. Het kwam er op aan uit de handen van de overheid te blijven en te wachten tot er Ufo’s in het buurt van mijn schuilplaats zouden verschijnen.   Ik wist dat die dag zou komen, en eindelijk kwam die dag. Ik zag mijn kans schoon. Vanuit mijn hutje in het Zoniënwoud kon ik met mijn telescoop vanop veilige afstand het toestel spotten dat een paar Ufo’s boven Brussel projecteerde. Ik wist perfect hoe die machines werkten; ik had er zelf de blauwdrukken voor getekend. Ik nam een GSM die bij geen enkele provider geregistreerd was en opende de app die ik voor dit doel geschreven had. Tot mijn grote vreugde bleek ik met het netwerk van de projector te kunnen connecteren.                                                               ***   Vergeet de Zapruder tape waarop de moord op Kennedy werd vastgelegd. Vergeet de iconisch geworden beelden van de Boeing 767 vliegtuigen die eerst de ene, dan de andere van de tweelingtorens doorboorden. Vergeet de filmpjes van het verschijnen van de Ufo’s bij de Aankomst. Die opnames verdwijnen allemaal in het niets vergeleken met wat de mensheid zag op de dag dat die imposante en machtige Ufo’s één voor één veranderden in reusachtige, maar onschuldige, zwevende, gele badeenden.  

Bruno Lowagie
32 0

Obariyon

De hele omgeving was op een paar dagen tijd volledig tot een waar herfstspektakel omgetoverd. De grond lag bezaaid met duizenden, gedroogde bladeren. Degene die nog steeds volhardend aan de bomen bleven hangen, dreigden elk moment hun strijd te moeten opgeven. Een spoor van kleine, witte wolkjes rees op vanuit de schoorsteen. Gedurende de wintermaanden kon het hier best koud worden. De enige verwarming in zijn hut was een oude houtkachel. Buiten een paar roestplekken werkte deze nog goed. Het deed waarvoor het moest dienen, meer moest niet voor hem. Als Kaito het warm wou hebben, moest hij gewapend met een bijl, diep het bos ingaan om hout bijeen te sprokkelen. Vond hij niet genoeg, dan zocht hij speciaal achter een oude, zieke boom om neer te vellen. Ook al duurde het zo soms uren om genoeg hout te vinden, hij wou de jonge bomen een kans op leven geven. Wederzijds respect noemde hij het. Tenslotte zouden bomen de mens wel kunnen overleven. Hetzelfde met zijn eten, hij doodde enkel hetgeen dat hij volledig zou opeten en gebruiken.   Kaito had deze hut met zijn eigen bloed, zweet en tranen gebouwd, samen met zijn broer. Het was misschien niet zo groot, maar meer had hij niet nodig. Hij had afstand gedaan van al het materiële, geen afleidingen meer. Doorheen de jaren was er een zekere afkeer voor de maatschappij in hem gegroeid. Hij kon het niet langer uitstaan om hier nog langer deel van uit te maken. Het werd zelfs zo erg dat hij andere mensen begon te mijden. “Ze zouden je alleen maar doen lijden,” dacht hij bij zichzelf. Kaito zat er niet ver naast. Heel zijn leven was hij in dienst geweest bij hetzelfde bedrijf. Op een gegeven moment stond hij zelfs aan het hoofd van zijn eigen afdeling, leidinggevende over een tiental mensen. Toen het echter slechter begon te gaan met het bedrijf, aarzelde ze niet om hem als eerste te laten gaan, omwille van zijn leeftijd zogezegd. Geld was voor hen het allerbelangrijkste. Dat ze zijn leen verwoestten was voor hen niet belangrijk.Gezien zijn leeftijd was er geen enkel bedrijf dat stond te popelen om hem nog in dienst te nemen. Gedurende enkele jaren was Kaito werkloos, maar af en toe kon hij nog ergens een tijdelijke job strikken. Wanneer één van zijn beste vrienden met een lucratief voorstel afkwam, aarzelde hij geen seconde. Zijn laatste spaargeld investeerde hij in het bedrijf van zijn vriend, met de belofte dat hij zijn geld verdubbeld zou terugkrijgen. Wanneer ook dit bedrijf ten onder ging door de economische crisis, was zijn vriend echter met de noorderzon vertrokken, inclusief met Kaito zijn laatste spaargeld. Geld dat hij nooit nog zou terug zien. Op dat moment besefte Kaito dat hij niemand echt kon vertrouwen, zelfs zijn beste vrienden niet. Niet veel later verbrak hij dan ook al het contact met iedereen die hem voordien nauw aan het hart lagen. Geld was de regesten ziekte die de mensheid kende, de oorzaak van alle miserie op aarde. Iets wat ervoor had gezorgd dat we een beschaving konden uitwerken, zou uiteindelijk ook zijn eigen ondergang worden. Toen uiteindelijk ook het moment kwam dat Kaito zijn huis moest verkopen om alle rekeningen te kunnen betalen, was voor hem de maat vol. Hij liet alles achter en nam zijn toevlucht tot de hut die hij samen met Yuuto, zijn oudere broer, had gebouwd toen hij 26 jaar oud was. Ze hadden dit gebouwd om een soort clubhuis te hebben waar ze de drukte van Shizuoka* konden ontvluchten. Een plaats waar ze in alle stilte konden gokken, drinken en alle andere activiteiten die het daglicht beter niet zagen. Geregeld kwam Yuuto hier ook met vrouwelijk gezelschap voor een romantisch weekendje, zoals hij het graag noemde.   Wanneer er enkele wandelaars spoorloos waren verdwenen op een week tijd, staken er verschillende geruchten de kop op. Van een zelfmoordpact, wat wel vaker gebeurde in de regio rond Mt. Fuji, tot zelfs een seriemoordenaar. Toen ze een tijdje later enkele van hen hadden gevonden, of wat er nog van overbleef, kwam er snel de de legende van een Obariyon* ter sprake. Een Obariyon wachtte in de bossen op nietsvermoedende reizigers, om dan op hun rug te springen. Als de reiziger hem meedroeg op zijn rug, werd het monster zwaarder en zwaarder. Tegelijkertijd knauwde het op de schedel van de reiziger, om hem nog meer pijn te bezorgen, tot hij uiteindelijk zou bezwijken onder zijn gewicht. In meeste gevallen was een ontmoeting met één van deze Yokai* niet dodelijk, en gaf het enkel rugklachten, maar toch wezen de bewijzen op zijn aanwezigheid. Yuuto was altijd al bijgelovig geweest, en toen hij hoorde van een Obariyon die zogezegd in de buurt zou rondhangen, is hij nooit meer in de hut geweest. “Je kan daar beter wegblijven,” zei hij nog tegen zijn jongere broer. Maar Kaito was een realist. Hij geloofde helemaal niet in dingen die hij niet met zijn eigen ogen had gezien, dus hij bleef nog wel geregeld de hut bezoeken. Tot het moment er kwam dat het menselijke egoïsme hem ertoe had genoodzaakt om er permanent zijn woning van te maken. Het was een grauwe dag in oktober. Wolkenvelden verhinderden elke poging van de zon om door te breken. Kaito had beter een ander seizoen gekozen om te verhuizen, maar als hij het in deze condities kon overleven, zou het altijd wel lukken. Hij was op zijn dagelijkse zoektocht naar brandhout toen hij zijn mening over Yokai moest herzien.   Een felle regenbui had een uur voordien het hele landschap omgetoverd tot een ware modderpoel. Droog hout vinden in deze omstandigheden zou een heuse onderneming worden. Bij elke stap zonken zijn voeten keer op keer diep in de modder weg. Een krachtstrijd tegen de natuur die de hele dag zou duren en hem uiteindelijk uitgeput zou achter laten. Het zag er naar uit dat Kaito het die avond niet warm zou hebben. Hij werd genoodzaakt om met lege handen huiswaarts te keren. Wanneer zijn voet voor de miljoenste keer vast kwam te zitten in de diepe, bruine smurrie, hoorde hij een stem in de verte. “Tasukete*!” Het klonk als een kinderstem. Het hulpgeroep van een kind drong door tot diep in zijn ziel. Met moeite trok hij zijn been los, alsof de kreet om hulp hem net dat beetje meer kracht gaf. De kreet leek uit het oosten te komen, de tegenovergestelde richting van zijn hut. Toch kon hij zich niet weerhouden om te gaan kijken. Ook al had hij een afkeer van mensen, hij kon geen kind in nood achter laten. Met zijn bijl in hand, baande hij zich een weg naar het oosten. “Tasukete!” Het kwam steeds dichterbij. Hij was duidelijk in de juiste richting aan het lopen. In eerste instantie dacht hij dat er een kind, net zoals hij, vast kwam te zitten in de modder. Maar toen hij eindelijk bij de oorsprong van de hulpkreet was aangekomen, was er niemand te bespeuren. Geen kind, geen modderpoel die groot genoeg was om in vast te komen zitten. Kaito krabde in zijn haar en vroeg zich af wat er in godsnaam aan de hand was. Had zijn eenzame afzondering eindelijk zijn tol geëist? “Obusaritei*!” klonk het opeens boven hem. Verschrikt richtte hij zijn aandacht op de boomkruinen. “Wie klimt er nu met dit weer in een boom,” dacht hij bij zichzelf, “en dan nog op zo’n afgelegen plaats?” Hij bleef rondkijken, in de hoop de kleine jongen te spotten, maar er was niemand te bespeuren. Kaito dacht dat hij gek aan het worden was, tot opeens de stem weerklonk in de dichte vertakkingen boven hem. “Obusaritei!” “Waar zit je dan?” vroeg Kaito. Wederom kwam er geen antwoord. Zijn ogen kamde de hele omgeving uit, maar nog steeds kon hij niemand vinden. “Obusaritei!” “Ik wil wel, maar dan moet ik eerst…” Voor hij zijn zin kon afmaken, viel er een zware last op zijn schouders. Door het gewicht zakte hij op zijn knieën in de modder. Zijn handen liet hij vallen op een paar platgestampte bladeren.   Minutenlang probeerde Kaito recht te komen, maar hij was uitgeput. Het gewicht duwde hem steeds terug de modder in. Hij greep zijn laatste wilskracht bijeen en uiteindelijk lukte het hem om recht te komen. Met bibberende knieën probeerde hij zicht stap voor stap richting zijn hut te begeven. Eénmaal hij recht was gekomen leek het gewicht wel mee te vallen. Het had hem gewoon verrast, dat is al. Alleszins dat probeerde Kaito zich toch wijs te maken. Met elke stap die hij nam, werd het gewicht zwaarder en zwaarder. Steeds verdwenen zijn voeten dieper in de modder. In de verte zag hij hoe zijn laatste brandhout, klein witte wolkjes door de schoorsteen joeg. Hij besefte maar al te goed dat de laatste warmte zich een weg door de spleten in de muur naar buiten baande. Na een uitputtende trektocht, door het nu moeras geworden gebied, bereikte hij uiteindelijk zijn vertrouwde hut. Eénmaal toen hij binnen was, greep hij met beide handen naar zijn schouders, in een allerlaatste poging om het gewicht van zijn rug te gooien. Hij zakte bijna ineen in deze poging, maar uiteindelijk lukte het hem om zich te bevrijden van de zware last. Terwijl hij de last op de grond had gegooid, was hij echter verbaasd dat er geen mens of geen Yokai lag. In de plaats lag er een groot aardewerk voor zijn voeten, tot op de rond gevuld met goudklompjes. Meeste reizigers zouden de kreet van een Obariyon negeren, maar diegene die zo vriendelijk waren om de last te dragen zouden rijkelijk beloond worden. Het gebrek aan egoïsme had ervoor gezorgd dat Kaito in alle weelde van zijn laatste dagen kon genieten.     Shizuoka: Shizuoka is de hoofdstad van de prefectuur Shizuoka in Japan. Obariyon: een mensachtig wezen dat in bossen leeft. Het wil enkel een lift op de rug van reizigers, wat resulteert in hevige rugpijn. Yokai: bovennatuurlijke wezens uit Japanse mythologie en folklore. Obusaritei: Ik wil een ritje op de rug.  

Nick Van Loy
0 0

Een koud kunstje

  “Godver!” roep ik terwijl ik mijn handen in een reflex omhoog gooi. Bijna was ik uitgegleden! De sneeuw, gisteren nog een bondgenoot in de instagramwedren, is vannacht veranderd in een verraderlijke ijsvijand. Wanneer ik weer bekomen ben, schuifel ik voetje voor voetje verder. Een visioen van hoe mijn oude dag er zal uitzien dringt zich op. Na nog enkele zenuwslopende meters, die in deze koude aanvoelen als kilometers, bereik ik eindelijk het begin van mijn oprit, waar mijn auto staat. Een zielige jammerklacht ontsnapt uit mijn keel wanneer ik merk dat het portier vast gevroren is. Deze ochtend heb ik een meeting, het is belangrijk dat ik op tijd op kantoor ben! Ik zou de ramen al ijsvrij kunnen maken, ware het niet dat de ijskrabber in de auto ligt. “Problemen?” vraagt een bekende stem achter me. Ik huiver. Wanneer ik me langzaam omdraai zie ik Cynthia staan, naast haar fiets. Mijn buurvrouw is altijd net zoals het weer vandaag; ijskoud en op geen enkel moment boven het vriespunt. Haar toon klonk had bezorgd geklonken, maar ik weet wel beter. Haar ogen fonkelen en rond haar mond zie ik een spoor van een grijns. “Tsja, mijn auto is volledig bevrozen. Ik geraak er niet in,” besluit ik haar spelletje mee te spelen. Mijn blik niet loslatend rommelt ze in haar handtas, op zoek naar haar handschoenen. “Doe zoals ik en neem de fiets. Beter voor het milieu….” haar ogen glijden spottend over mijn lichaam “En voor jezelf.” Witheet van woede probeer ik krampachtig een gevatte repliek te bedenken. Pas wanneer ik haar de hoek om zie fietsen geef ik aan mezelf toe dat zij deze slag gewonnen heeft. Het is jammer dat woede niet te meten valt met warmte. Mijn auto zou op slag ontdooid zijn. Ik kijk op mijn horloge en besef dat de tijd begint te dringen. Tegen beter weten in probeer ik de portieren van mijn wagen nog eens te openen. Zoals verwacht zitten ze nog steeds muurvast. Ik neem mijn gsm in mijn ijskoude handen en ontdek op Google dat warm water de snelste oplossing is voor mijn probleem. Wanneer ik me omdraai, om in huis water op te warmen, zie ik uit mijn ooghoek op de oprit van het ijskoude kreng iets glinsteren. Cynthia’s huissleutel! Deze moet uit haar tas gevallen zijn, toen ze op zoek was naar haar handschoenen. In eerste instantie ben ik meteen bezorgd. Wanneer ze vanavond moe thuiskomt van haar werk zal ze ontdekken dat ze in deze vrieskou buitengesloten is. Ik kan er echt niets aan doen dat ik toch een beetje begin te grinniken.   Even later manoeuvreer ik mijn niet-meer-zo-bevroren-maar-toch-nog-steeds-heel-koud-aanvoelende auto voorzichtig langs de brievenbussen, de baan op. Het zou heel makkelijk geweest zijn om Cynthia’s sleutel achter te houden, ze zou gedacht hebben dat ze hem elders verloren had. Ik ben best trots op mezelf dat ik me niet verlaagd heb tot haar niveau. Cynthia kan haar sleutel zo vinden als ze wil. Maar dan moet ze er wel aan denken om onder de reclame in haar brievenbus te kijken. Ik rijd de straat uit en glimlach.

MiMa
0 0
Tip

Muze

Als ik een muze had zou jij het zijn Zou ik schrijven over Hoe jij je gedachten om geweien vouwt Hoe koperdraad je lijf dooradert Hoe je soms de werkelijkheid nadert Maar nooit raakt Horizontale asymptoot Horizontaal over elkaar Ik ben nooit goed geweest in wiskunde We bevinden ons ergens tussen nul en oneindig   Zou ik schrijven over Hoe fietszadelschedels in kudde door jouw kamers zweven Hoe je handen zich even Snel nestelen in natte klei Als in natte vrouwen die lijken op Persephone van Bernini Marmervlees Koudwatervrees Hoe jij vrouwen doet opstijgen als rooksignalen verspreid in een stad Ik ben er één van Ik roep: brand We bevinden ons ergens tussen nul en oneindig   Hoe je me in mijn imaginaire boomhut in het donker omhult Met obscure muziek onder andere Hoe je zegt kijk Alles wat we zien is op weg naar het einde Kijk kijk Maar alles wat we niet kunnen zien zal blijven de ruimte die niet tussen ons in is Kijk Passie is een spel van clair-obscur Kijk Hoe je zegt kijk En ik meer en meer een rooksignaal word Ik roep: brand   Hoe je woorden openbloeien of uit elkaar spatten Afhankelijk van hoe zwaar we ons bezatten Afhankelijk van je zinsbouw klemtoon klankkleur Of de avondgeur Of de ochtendlucht Hoe je zucht Als het te snel licht wordt Je bent nooit goed geweest in wiskunde maar wel in bed Hoe je groot en sterk bent en met je lijf een echte boomhut om me bouwt Hoe ik zeg dat ik groot en sterk genoeg ben zo en jij me bijna gelooft Of op z’n minst je best doet   Verticale asymptoot Je schiet hoog de werkelijkheid voorbij De ruimtevaarder zwaait Heeft me een bericht gestuurd en mijn hemellichaam licht op onder het scherm Of ik een muze heb   Limieten zijn voor mensen die goed zijn in wiskunde We bevinden ons ver buiten nul en oneindig            

Marieke Ornelis
71 0

Tik. Tik. Tik.

Sommige dagen zijn goed. En ’t zou een leugen zijn om te claimen dat deze dagen niet durven uitlopen tot weekends of zelfs volledige weken. Nooit maanden, welteverstaan. Zo werkt dat niet, ten huize Dupont. Neen.   Want wanneer gezapige rust zich nestelt in de stoffige hoeken van het krakende appartement, wanneer woorden hun scherpe bijklank bijna vergeten zijn en er af en toe zelfs een vage lucht van plezier in de lucht hangt, dan knapt er iets in het hoofd van Anita. Dan ligt de rotversleten parket boordevol oud en opgestapeld hartzeer, tot de slordig geschilderde muren bijna barsten van bulderend verdriet. Een huis boordevol valstrikken, die liggen te hunkeren om beroerd te worden.   “Mama, ik ben klaar om te gaa-haan!” Ik stuiter enthousiast mijn kamer uit, stuif de leefkamer binnen en wip verwachtingsvol van voet naar voet. Vandaag is het ein-de-lijk zo ver, vandaag is het de dag die Mama aan mij beloofd heeft als beloning omdat ik ‘eindelijk toonde toch eens een goei kind te kunnen zijn’.   “Mama?”, vraag ik een klein beetje verward. Mama zit nog gewoon in de zetel, in haar pluizige badjas. Die badjas waar ik soms mijn gezicht in begraaf omdat die helemaal naar mijn Mama ruikt en dat vind ik fijn. Ik kijk een beetje beduusd naar de klok op de muur: tien uur, zoals beloofd. Ik weet niet wat er aan de hand is, maar de doodse stilte in de leefkamer laat mijn tenen krullen. De klok, de klok die ik zo haat omdat ze met haar luidruchtig gehamer te veel aandacht opeist, tikt onheilspellend.   Tik. Tik.   “Mama?”, vraag ik met een hoopvolle glimlach.   Tik.   “… Mama?”, aarzelend, dit keer. Met een lichte daver in de laatste klinker.   “Gaat ge nu godverdomme ook nog het arrogante lef hebben om mij te vragen waarom ik geen godganse dag met u op stap wil gaan, Lize?!”, spuwt Mama uit het niets. Vlijmscherpe woorden die nauwkeurig hun doelwitten bereiken. Haar vergif raakt mij onverwachts in mijn middenrif en ik knipper verbouwereerd vier keer met mijn ogen.   “Oei, mama, maar, sorry, maar ik wist echt niet dat gij boos op mij waart ik dacht dat ik-”   – “STOP-T met die schijnheilige excuses, Lize.”   Exact zo zegt ze dat, trouwens. Ze spuwt de ‘p’ uit, laat die even doelloos in de lucht ronddansen – en kleeft er vervolgens nog een ‘t’ achteraan. “Stopt ermee”, herhaalt ze vervolgens op een zachtere toon, terwijl op haar gezicht de teleurstelling van de wereld af te lezen valt.   Ik zwijg. Ik kijk beteuterd naar mijn voeten, die enkele minuten geleden nog verwoed dartelend deze ijzig koude atmosfeer instormden. Ik denk hard na over wat ik misschien gedaan kan hebben om Mama wééral zo hard teleur te stellen.   “Wat is er, Lize? Tong ingeslikt?”, de kille stem van Mama onderbreekt mijn gedachten. Ik probeer de krop in mijn keel weg te slikken, maar er zit een nog grotere prop angst in de weg. Mijn ogen vullen zich met lastige tranen, die ervoor zorgen dat Mama dreigend heen en weer deint – en soms zelfs verdubbelt.   “Hè?”, klinkt het vervolgens dreigend, met een stem die schrikbarend schel de hoogte ingaat. “Wat is ‘t? Is ’t zelfs teveel gevraagd om uw eigen moeder recht in de ogen te kijken?!” Ik durf niet te kijken, maar ik weet dat het moet. Dus ik sla mijn ogen op. Daardoor vallen er twee verraderlijke tranen op mijn wangen. Ik stel me voor dat ze geluid maken.   Links-rechts. Pling-plonk.   Ik kijk naar haar en zij kijkt naar mij. Groenblauw zoekt aarzelend toenadering tot zwartblauw, maar wordt spottend de deur gewezen. “Oohoohoh. Oooh, nee”, sputtert Mama verontwaardigd. Ik voel mijn ogen wijd opengaan van schrik, ik denk dat ik weer iets verkeerd heb gedaan, maar ik weet niet wat. Ik blijf Mama aankijken en ik voel mijn wenkbrauwen vragend omhoog krullen.   “Gaat ge het zo spelen, Lize?”, zegt ze vervaarlijk, met lage stem. “Gaat GIJ”, wijzend naar mij, “nu echt bleiten, terwijl de enige dat hier zou moeten beginnen bleiten… de mama is?!” Die laatste zin versterkt ze door naar zichzelf te wijzen. De Mama.   “Sorry, mama”, fluister ik stilletjes. “Wablieft?”, treiterend nu. “Ik versta u niet, Lize.”   Stilte.   “Hmm? Voor een kind dat normaal geen twee seconden haar mond kan houden, vind ik dit toch wel teleurstellend”, spot ze venijnig. “Sorry, mama”, herhaal ik, luider dit keer. “Waarvoor?” “Huh?” “Waarvan. Hebt. Ge. Spijt”, verduidelijkt ze, waarbij ze van elk woord een aparte zin maakt. “Dat ik Mama weer teleurgesteld heb?”, probeer ik dapper. “Goed geprobeerd, Dupont”, snijdt ze terug. “Goed geprobeerd om weeral te liegen tegen de mama. Gij denkt echt dat ik een debiel ben, hé? Denkt gij echt dat ik zo dom ben, of wat?” “Maar mama, maar nee, dat denk ik toch helemaal niet, ik wil gewoon sor-” “GE-LIEGT-TEGEN-MIJ-LIZE”, brult Mama plots. Haar woorden volgen mekaar razendsnel op – in één ademhaling, zodat het lijkt alsof ze maar één woord gezegd heeft. “GE WEET GODVERDOMME NIET EENS WAT GE VERKEERD HEBT GEDAAN”, raast ze hysterisch verder.   Ik kijk terug naar beneden. Mijn tranen blijven heet komen en werken zich gestaag een brandende weg naar buiten. Eerst op mijn wangen. Pling-Plongk. Om vervolgens een duizelingwekkende val te maken, tot recht op het parket tussen mijn voeten. Ik durf niet meer op te kijken en focus me op de kleine plasjes verdriet die zich langzaam maar zeker vervoegen bij de schaduw van hun voorgangers. Mijn hoofd gonst van blinde paniek en mijn mond is droog. De tranen blijven komen. Mijn gedachten struikelen over elkaar terwijl mijn lippen koppig gesloten blijven. Ik weet het niet. Ik weet het echt niet.   De plotse stilte in huis, gevuld met geluidloze echo’s van Mama’s koude woorden, drukt schreeuwend op mijn trommelvliezen.   Tik. Tik. Tik.   “Ga weg.” “Maar ma-” “Bol het af, Lize. Echt. Soms weet ik niet hoe ik het uithou met een kind gelijk gij.” Ik blijf staan, want ik denk dat mama dat eigenlijk wil. Ik hoop dat dat is wat ze eigenlijk wil. Ik blijf een beetje dralen, maak halfslachtig aanstalten om te vertrekken, maar dwing mijn voeten om stevig te blijven staan – ook al schreeuwt mijn lijf om weg te rennen.   Naar boven kijken, dat durf ik nog niet zo goed. Dus ik blijf staren naar mijn schoenen, die aan de tippen een beetje versleten zijn.   De televisie springt aan. De lederen zetel kraakt een beetje wanneer Mama zich comfortabel in haar hoekje nestelt. Buiten blaft een hond. Mijn voeten beginnen te zeuren omdat ze al zo lang, zo stil staan. Mijn hoofd lijkt te ontploffen en mijn lichaam weigert te bewegen en ik wil weggaan maar ik denk écht dat ik moet blijven staan en-   “Lize. Als ik u godverdomme nog één keer moet zeggen dat ik wil dat ge weggaat, dan gaat ge niet weten wat er gebeurt.” IJzig kalm, zo zegt ze dat. “Ge moogt beschikken”, vervolgt ze. “Weet ge wat dat betekent?” Ik schud aarzelend van ‘neen’. “Dat betekent, dochterlief, dat ge niet meer gewenst zijt.”   * * * “En, en, eeeeeen?!”, vraagt Anna enthousiast. “Hoe was je superdate met je mamaa-haah-aa?”, zingt ze er goedgezind achterna. Ik glimlach.   “Het was écht zalig. Ik heb alles gekregen wat ik wou hebben.” Anna glundert.  

Britt Libot
0 0

Zondagmiddagvlaai-mensen

Het groepje dat de kerk uitkwam was godvruchtig, hardwerkend en keurig gekleed. Burgerlijk. Hun wekelijks half uurtje godsvrucht zat erop. De dames, wiens haren stijf in de krul zaten bogen lichtjes voorover en reikten hun halzen naar voren om de laatste roddels op te vangen. Wie was er recent gestorven en met wie zwierf de bakkersvrouw in haar vrije uren door de velden? De heren schuifelden onrustig heen en weer, verlangend naar hun pint. Hun zondagse pakken stonken naar mottenballen. Als moeder de vrouw veelbetekenend in hun richting knikte, mochten ze los. Op naar ‘t café, terwijl het vrouwvolk zich huiswaarts repte om de schorten van noeste vlijt om te knopen. Konijn op z’n Vlaams, met patatten, sla en appelmoes. Een warme noen die de zondagse ledigheid zou vullen met vettigheid en slaap.   Elke zondag kwamen de kinderen op bezoek. Zo ging dat, in de vorige eeuw… De dochters aan de afwas met ma, terwijl de mannen de tuin inspecteerden. Onder de blauwe rook van een sigaar en goede raad over slaplanten en bakstenen metselen, trad pa op als raadsman der praktische aangelegenheden.   ‘le moment suprème’: de vlaai werd geserveerd. Een grote thermoskan waterige koffie werd met krachtige hand op tafel gezet. Voor de kinderen was er limonade. Het zondagsgevoel bereikte nu haar hoogtepunt.Pa had ondertussen de antenne gericht om samen met de jongens koers te kijken, terwijl de kinderen buiten verstoppertje speelden.    Tegen vijf uur keerde de rust weer. Het huis was stil en het klokje tikte de avond in. Het was een zondag zoals zo vele. Volgende week zouden ze weer komen.De vrouwentongen op de vensterbank streelden zachtjes de glasgordijnen die het avondlicht filterden…  

Heidi Schoefs
14 0

Princekoeken

Je loopt tussen de rayons als een model op de catwalk. Je draagt rode stiletto’s met matching lippenstift en een zwarte trenchcoat. De zonnebril op je hoofd doet dienst als diadeem. Je wordt aangestaard door ontbijtgranen, droge beschuiten, een beveiligingscamera en mezelf. Ik zou nochtans liever niet naar je kijken. Want dat is net wat je wil, wat je verwacht. En je bent mijn type niet eens. Je houdt halt bij de koekjes. Kijk eens aan. Hand in de zij en de poep naar achter. Je speurt de schappen af van boven naar onder tot je in een hoek van negentig graden voorovergebogen staat. Je weet dat ik naar je kijk, is het niet? Ook al probeer ik de illusie te wekken dat ik alleen oog heb voor beschuiten. Ik bestudeer een pak meergranen Cracottes alsof ik de achterflap van een boek lees. Jij neemt Princekoeken met witte vulling van het schap en loopt dan met je winkelmandje heupwiegend mijn richting uit. Zal ik even vriendelijk knikken als we elkaar kruisen? Dat doe ik altijd tussen de rayons. Ik hoef mijn gedrag niet aan te passen omdat ik denk dat jij ervan uitgaat dat ik je beloer. Ga je oogcontact zoeken op het moment dat je me passeert? Ja, en dat doe je langer dan gebruikelijk is tussen vreemden. Je lacht zelfs je gebleekte tanden bloot. Wat een stoute blik! Ik lach verlegen terug en kijk je achterna terwijl je van me weg flaneert. Je vastberaden tred lijkt gestuwd door een drang om bekeken te worden. Of is dit gewoon wie jij écht bent? Een vrouw die trots is op haar schoonheid. Een vrouw die ervan overtuigd is dat het probleem ligt bij mannen zoals ik. Maar ik ben niet zo’n man. Het is niet je schoonheid maar je verpletterend zelfvertrouwen dat mij intrigeert. Ik zet de beschuiten terug, neem een rol Princekoeken met chocoladevulling en reken af aan de kassa. Ik wandel naar mijn volgende bestemming: de slager. Het is er druk. Ik kijk naar binnen en ik zie hoe levend vlees happig wijst naar dood vlees. Hier wordt gehakt gemaakt van vegetarische voornemens. In de weerspiegeling van het raam zie ik ook twee roze vlekjes. Ik beweeg mijn hoofd en de vlekjes bewegen mee. Instinctief grijp ik verschrikt naar mijn haren. Het zijn de roze speldjes van mijn dochter. Die was ik thuis blijkbaar vergeten uit te doen. Nu weet ik het wel zeker. Je keek niet stout of uitdagend. Je keek spottend, met de gebleekte tanden op elkaar geklemd om de hilariteit binnensmonds te houden. En ik kan je geen ongelijk geven.

Antony Samson
0 0

Kapstersliefde

Kapstersliefde   Al jaren kom ik in dit kapsalon; er pronken mooie kadertjes aan de muren. Foto’s, herinneringen, fantasieën en zo veel meer! Het doet me een beetje denken aan mijn klaslokaal van vroeger, al waren die muren bruin. Ik hoor een stem in de verte die steeds luider wordt, voetstappen komen op me afgelopen en de geur van vers gemaakte thee dringt mijn kleine neusgaten binnen. En ja, hoor, daar is ze dan: de kapster bij wie ik al mijn hele leven kom. Alsof het mijn troon is, vlij ik me neer op de ordinaire stoel, die hier, voor zover ik weet, al tien jaar staat. ‘Wat zal het vandaag zijn?’ vraagt ze uiterst nieuwsgierig. ‘Kort, strak, maar modieus!’ antwoord ik met opgeheven hoofd. Ze wast mijn haren alsof deze van zilver gemaakt zijn: zorgvuldig, grondig, maar toch met de nodige zachtheid. We praten even over het weer; zonnig, met broze wolken en tetteren over onze mannen en kinderen. Daarna neemt ze de schaar in haar fluwelen handen en ze begint, zonder enige twijfel, te knippen in mijn dierbaar haar. Knip, knip, knip,…Krullende stukjes vallen op de betegelde vloer, die pas opnieuw werd aangelegd. Het schrille contrast tussen het blond en het zwart van de tegeltjes is de oorzaak van mijn wegkijken. Alles wat ik zie, is hemels; die bruine, steile haren, die getinte huid, rode lippen en om het af te maken: sprankelende ogen. Nu pas bemerk ik dat de kapster, mijn vriendin, in mijn doffe, bruine ogen kijkt. Alsof de tijd stilstaat, ja, zo kan je het beschrijven. Alsof hemel en aarde zijn bewogen. Alsof liefde echt bestaat. Met die laatste gedachte sta ik op en draai me om. Mijn haar half geknipt en mijn ogen volledig betraand. Van geluk? Van spijt? Van liefde… Ik zie dat ze twijfelt, geen woorden vindt. We weten het allebei niet. Maar dan, totaal onverwachts en tegen alle wetten van de natuur in, kus ik haar. Vol op de mond. Onze tongen spelen met elkaar en onze lippen houden ons bijeen. De zon verlichtte zonet ons hart, onze ziel. Handen die niet van elkaars lijf kunnen blijven, benen die staan te trillen van opwinding en een hart dat staat te kloppen, voor jou, mijn kapster, in het kapsalon waar ik al jaren kom.

Bronwyn
0 0

Huiswerkopdracht: Bloemlezing

Boek ‘Bloemlezing uit de gedichten van Piet Hannes (1902-1969)’ door Lode Certonck (Brussel 1947)   Lode Certonck is met dit boek niet aan zijn proefstuk toe. Eerder schreef hij al een bloemlezing uit de gedichten van Cor C de Kloten (1890-1941) en becommentarieerde hij het werk van Paul Snoek (1933-1981). Deze bloemlezing, voorzien van een voorwoord, is het eerste belangrijk naslagwerk van de twintigste-eeuwse dichter Piet Hannes. Het is de derde herziene druk. Prof. Certonck doceert Duitse en Nederlandse filologie aan de universiteit van Nijmegen en is in zijn vrije tijd hobbykok.   Gedicht uit 1914   Pwook pwook Tok tok toaak Kukkelekuu uuh uuh Tok tok tok toaak Kukkelekuu Pwooak pwooak Tok tok tok tooak Kukkelekuu   Dit gedicht dat de heer Hannes op twaalfjarige leeftijd schreef, bewijst zijn genie. We kunnen Piet gerust een wonderkind noemen en we zijn blij dat men zijn eerste opstellen en gedichten bewaard heeft. Ze bevatten een schat aan informatie. Piet Hannes had als kind een zwakke gezondheid. Door het feit dat hij vaak ziek is, raakt hij verslingerd aan lezen. We kunnen bij dit gedicht analogieën zien met het fameuze ‘kikker-gedicht’ van zijn collega dichter Paul Snoek. Er is echter wel één groot verschil: Piet had een voorkeur voor kippen en ander pluimvee; Paul voor insecten en al wat in en rond water leeft. Op de boerderij bij opa Sooi liepen er genoeg kippen rond en dit moet op Piet grote indruk hebben gemaakt. De literaire analyse is eerder eenvoudig: het zijn kippengeluiden met drie maal de ‘kukkelekuu’ van een haan. Uit de dagboeken en memoires van oma ‘boerin Jeanine’, de vrouw van Sooi, weten we ook dat grootvader feilloos een Mechelse koekoek kon imiteren. Zo goed dat het moeilijk te onderscheiden was van het werkelijke dier. Ook dit moet grote indruk hebben gemaakt op de jonge dichter. Deze biografische gegevens leiden tot nog meer literaire inzichten. De keuze van de dichter voor kippen is hier o.a. mee verklaard. De dichter heeft ook dankzij dit mooie gedicht een trauma kunnen verwerken en het heeft hoogstwaarschijnlijk veel moed gevergd om het te schrijven. Op de leeftijd van vier heeft Piet namelijk gezien dat een kip een tijdje blijft rondlopen ook zonder kop. Boer Sooi slachtte nl. van tijd tot tijd een dier. Overbodig te melden dat ook deze schokkende gebeurtenis op Piet een zeer grote indruk moet hebben gemaakt. Aanvankelijk noemde Piet zijn gedicht: ‘Die de kleinste eieren leggen, kakelen het hardst.’, ondertussen, na grondig onderzoek, weten we dat deze titel is weggevallen. De verwijzing naar Pasen vond Piet iets té katholiek. Dit werd hem niet in dank afgenomen.   Het boek is uitgegeven door uitgeverij Zondag en verkrijgbaar in de betere boekhandel. 341 pagina’s, 17,50 euro genomineerd voor de Jules Deelder prijs voor beste bloemlezing in het Nederlandstalig gebied.    

Hubert Grimmelt
30 0

Alleen wij samen

Hier sta ik dan met ontbloot bovenlijf… En hangende borsten. Twee verlepte stukken huid, ontdaan van vrouwelijke trots. Verloren speelsheid… Niet dat Gerard er ooit iets van zegt. Uiteindelijk is niks nog wat het ooit was. Is alles anders. Ook zijn handen. Naar mijn gezicht kijk ik niet. De spiegel zou niets verbergen. Ik weet wat er te zien is. Elke rimpel, elk litteken, elk vlekje vertelt dat ik geleefd heb. Lang geleefd. Lang genoeg om de vergane glorie te aanvaarden. Of zoals hij zegt om terug te reizen naar mijn meisjesjaren.   Ik zucht. Wat doe ik hier ook alweer? Met bevende hand pak ik de waslap van de lavabo. Ik wrijf traag over mijn gezicht. De droge stof schuurt. Er ontbreekt iets. Aarzelend glijden mijn ogen over de dingen onder de spiegel. Er staan maar weinig spulletjes. Wat moet ik nu? Dat blauwe flesje, dat is toch wat Gerard altijd gebruikt? Waar blijft hij trouwens? We doen toch gewoonlijk alles samen? Sinds kort ook het wassen. Mijn Gerard draagt sindsdien weer zijn slagersschort, maar nu onberispelijk schoon, zonder vlekken van de geslachte beesten. Het staat hem zo charmant. Zo knap met zijn donkere haren en zijn groene ogen. Weifelend pak ik het flesje, haal het dopje eraf en spuit een toef zeep op mijn hand. Net als ik het schuim wil opbrengen, wordt de deur geopend. Een koude rilling trekt over mijn rug. De jonge vrouw glimlacht. “Martha, lukt het? Oh, neen! Dat is scheerschuim! Wie heeft er die fles op jouw kamer gezet? Hoe stom kunnen ze zijn?” Ik begrijp er niks van. Wat moet die vrouw hier? En wat doet zij met Gerards slagersschort aan? Waar blijft Gerard verdomme? Waarom grijpt die meid mijn arm vast? Wat denkt ze wel? “Kom Martha, dat maken we snel even in orde.” Oh, neen, dat maken we niet in orde. Ik wil Gerard. Als die meid denkt zich met mij te bemoeien… Met wat moeite veeg ik het schuim op haar arm. Probeer me dan uit haar greep te bevrijden. “Toe Martha, wees eens lief. Ik wil je alleen maar helpen…” “Ik hoef je hulp niet! Ik wil Gerard! … Gerard! Gerard! Help mij, Gerard!” Ik schreeuw de longen uit mijn borstkas. Hij moet me horen nu. Een ogenblik later staat hij er. In hetzelfde slagersschort als de vrouw. Is zij een hulpje misschien? Dat wist ik niet. “Dag Martha, ik ben er.” “Ze denkt dat je haar echtgenoot bent, niet?” zegt het hulpje. Gerard glimlacht en knipoogt. “We hebben het samen altijd goed kunnen vinden, Martha en ik. We kennen elkaar al een poosje… laat ons maar begaan…” Zie je wel, echt mijn Gerard. Twee zinnen uit zijn mond en de jonge vrouw druipt het af.   Vol vertrouwen laat ik het waslapje over mijn gezicht glijden, over mijn armen, over mijn slappe borsten. Ik ben gelukkig met Gerard, alleen wij samen…

R Ryckoort
40 1