Lezen

Gewoon

Tien paar fel opgemaakte kijkers keuren me van kop tot teen. Op hoge stelten, met de borsten vooruit in J.Lo korte jurkjes eisen zij het beoordelingsrecht op. Ik verstop me tussen mijn lief en een goede vriend en staar een beetje naar mijn All Stars. De uitnodiging vermeldde nochtans expliciet casual, zonder chic. Ik heb ze gepast, de jurkjes en de pumps. Voor de spiegel toverde ik de ene na de andere versie van mezelf te voorschijn. Om vervolgens ieder paar weer netjes op te bergen in de bijhorende schoenendoos, ieder jurkje weer netjes in rij. Gelukkig toont mijn jumpsuit subtiel een stukje blote rug, maar of dit bijzonder genoeg is, betwijfel ik. Nerveus neem ik het gratis welkomstdrankje gretig aan, om de zenuwen te temperen. Bij de eerste – grote – slok verslik ik me in de hoeveelheid rum, terwijl het suikerniveau voor een opstoot aan hoofdpijn zorgt. Paniek overvalt me. Tien minuten. Tipsy en underdressed, tijd om naar huis te gaan. Mijn lief bestelt twee glaasjes water voor me en kijkt me met een dwingende blik aan. Zonder woorden gebiedt hij me mij te gedragen als een vrouw die niet geeft om de mening van een ander. Een vrouw die haar goed in haar vel voelt, ongeacht haar outfit. Maar het kwaad is al geschied. Ik voel me een meisje, zonder veel zin om mee te spelen. Het lukt me niet om kleine conversaties met vreemden aan te gaan. Een talent waar ik anderen soms om benijd. Mijn gedachten blokkeren in de wanhoop en stilzwijgend knik ik instemmend. Gewenningstijd. Geef mij tijd om aan jou te wennen en alles komt goed. Witte wijn. Dank u (mijn)heer. Ik omklem het glas als houvast voor de avond. Voorzichtig kijk ik de zaal nog eens in, zelfs geen vleugje normcore bij de fashionista’s. Ik zucht diep in mezelf en mijmer over thuis, waar casual simpelweg gewoon betekent. (Foto: Erik Wåhlström)

Katrien Meermans
0 0

Cool

“Maar ik wil echt ooit wel eens bij de coole mensen horen.” Ik ken haar niet goed genoeg om te weten of ze het meent en haar lidmaatschap van de cool kids gang over het hoofd ziet. Ik kijk naar hun pingpong spel met slagen van 140 karakters, maar durf zelf niet meespelen. Ik lees haar woorden zwart op wit in magazinebladen en ben een van de meer dan 1500 mensen die wekelijks door haar foto’s scrolt. Blijkbaar is lid zijn van het ene groepje geen garantie voor aanvaarding in een ander groepje. En zijn die groepjes dan geordend volgens een piramidesysteem? Of in een stijgende lijn? Liggen zij her en der verspreid op een horizontale vlak? Iedereen gelijk, maar ook weer niet echt? We zitten aan tafel in zijn appartement en kijken naar de afdrukken van zijn laatste foto’s. De autodidact fotografeert analoog. Ik kijk naar een foto waarop ik met gefronste wenkbrauwen naar de lens kijk. De foto is een beetje onscherp, net zoals de herinnering. Hij vraagt of ik nog fotografeer, waarop ik excuses mompel en eindig met “neen, niet echt”. Mijn gestuntel met mijn oud analoog fototoestel (veel te zwaar!) en mijn onbevangen plezier met vele wegwerpcamera’s zetten hem aan tot fotograferen. Ik deed maar wat. Legde vooral herinneringen vast om te bewaren in een doos. Nooit stond ik erbij stil dat ik misschien wel iemand inspireerde. Sinds jaar en dag bewonder ik hem. Als een rots in de woeste zee van het leven houdt hij stand. Soms kopje onder, maar des te sterker als hij zich weer opricht. Wederzijds respect. Een clubje van twee. Iedereen wil zo graag ergens bij horen dat we soms onszelf als voorbeeld vergeten. Lid van het clubje of niet: “Be strong. You never know who you are inspiring”. (Foto: Katrin Swartenbroux)

Katrien Meermans
0 0

De rit van je leven

Mijmeringen Muziek helpt me door moeilijke tijden. Het is de trouwe metgezel die niet blaft als er eten in de buurt is. Het is de vrouw, zoiets moois kan uiteraard alleen van het sterke geslacht zijn, die me altijd binnenlaat, zelfs nadat ik net haar beste vriendin heb binnengedaan. De vrouw voor wie alcohol wel een geldig excuus is. Ze versterkt je gevoelens, positief én negatief, maar laat je altijd achter met hoop. Hoop doet leven. De ingeslagen weg De laatste tijd luister ik vaak naar muziek. Het is een signaal dat ik niet mag negeren. Muziek is naast al het voorgaande ook slechts een oplapmiddel, geen remedie. Het valt in dezelfde categorie als sporten, lang vergeten hobby's hervatten en begraven dromen oprakelen. Het helpt je weer een dag verder in de zoektocht naar en aanvaarding van jezelf. Bijna iedereen onder ons komt tijdens zijn of haar korte tijdspanne op onze blauw-grijze bol op dat punt, sommigen zelfs meermaals. Het punt waarbij we ons afvragen, wie we zijn, of we gelukkig zijn met de weg die we zijn ingeslagen, of het gras aan de andere kant écht niet groener is. Het punt waarop je je heel eenvoudig kan verliezen, jezelf schouderklopjes gevend voor de moed die zo'n beslissing vergt, niet beseffend hoe verregaand de implicaties van beslissingen tijdens zo'n emotionele rollercoaster kunnen zijn. Learn, adapt, evolve. Toch is het dit keer anders. Ik ben ondertussen in een ander station aangekomen tijdens de dolle rit die ons bestaan is. Ditmaal blijf ik mijn gevoelens, ondanks continue impulsen, zo veel als menselijk mogelijk beheersen. Niet alleen omdat ik zelf weinig aan de uitkomst kan veranderen, ook uit puur zelfbehoud. Je zou het volwassenheid kunnen noemen, ik houd het liever op een ingebakken stukje overlevingsdrang. Ik word natuurlijk ook ouder, wat niet noodzakelijk wijzer betekent. Er rest me steeds minder tijd. Naast het zelfbehoud, is er dus ook sprake van egoïsme: ik wil geen tijd meer verliezen aan een hopeloze strijd. Daartegenover staat dat ik des te harder wil vechten voor de ster die altijd extra schittert wanneer ze aan mijn firmament verschijnt. De verlegen, onzekere parel, die net dat duwtje in de rug nodig heeft om helemaal open te bloeien. De eenzame schoonheid die me voor de volle honderd procent kan gelukkig maken. Vechten is soms ook negeren, al je natuurlijke instincten laten voor wat ze zijn en de andere kant uitkijken wanneer de schittering helderder aanwezig is dan ooit tevoren. Het is schoonheid de tijd geven om zichzelf te waarderen en toe te geven klaar te zijn voor het gewone geluk, zonder de letterlijke prins op het witte paard die haar meeneemt naar verre landen, maar die de parel doet opengaan bij de energie die ontstaat als het gevecht uiteindelijk door een duo-eenheid wordt beslecht. Het langste spoor Twee weken lijkt een niemendal, verwaarloosbaar is het groter geheel van het zijn. Twee weken wegkijken, zelfs twee uren, lijken echter eindelozer dan het wachten op een snoepje voor een kind van een jaar of drie. Twee weken van zweven tussen hoop en angst. Hoop doet dus, zoals zo vaak al beschreven in menig klassieker, leven. Hoop op een toekomst, op een teken, hoop dat we allemaal onze ster tegen komen die we extra kunnen laten schitteren. Gelukkig vinden we uiteindelijk allemaal onze weg, naar tranen en geluk, naar eenzaamheid en liefde, tijdens een rit die af en toe een panne heeft, noodzakelijke onderhoudsbeurten durft over te slaan en nooit echt stopt. Een rit die maar in één richting verder dendert en voor iedereen op dezelfde manier eindigt. De rit van je leven.

Zielvlieg
14 0

Positief reisadvies voor India

Positief reisadvies voor India:  DE TIEN GEBODEN 1. Gij zult niet opvallen   Neem (liefst onbewust) een aantal van de plaatselijke gewoonten over, kwestie van te integreren, dus camoufleren, dus minder op te vallen. In India betekent dat ondermeer:  - met je hoofd bijna nee schudden (alsof je zou tonen "allez dan, tis goe voor ene keer") wanneer je eigenlijk gewoon 'ja' bedoelt. - bij het drinken van een fles water giet je het water in je mond zonder de opening van de fles met je lippen aan te raken. - je voedsel zo vaak mogelijk met je handen opeten (NVDR: Joachim bedoelt eigenlijk één hand en alsjeblieft je rechter) 2. Loof de Heer (maakt niet uit welke) Vraagt iemand naar je religie? Kies er gewoon 1 uit: Christen, Moslim of desnoods Jehova, maar begin niet te lullen over atheïsme. Het is alsof je het Belgisch federaal systeem zou proberen uitleggen aan een Chinees in het Duits.  3. Vermijd overbodige ongemakken Ga je voor een lange busrit? Laat dan op je GSM een herinnering, genaamd 'rugzak', 15 minuten voor de geplande aankomsttijd afgaan om het bewuste voorwerp zeker niet te vergeten. Gaat de man in de zetel voor je even weg voor een plaspauze, draai dan ongemerkt zijn zetel wat naar voren, kwestie van wat meer beenruimte te scheppen voor jezelf. 4. Verwacht steeds het onverwachte Zelfs als je denkt in alle rust op het strand te liggen kan je wakker worden met een aap op je gezicht, een schijtende (doch nog steeds heilige) koe naast je, en mogelijk passeren er een paar zatte locals die lachend (!) een zeil versleuren met daarop open en bloot de lijken van 2 pas verdronken Indiërs. Dat er 5 minuten later een andere zatlap trots een 2de duim aan zijn rechterhand komt tonen, maakt de onvoorspelbaarheid alleen maar groter. 5. Gij zult nooit onder je bed kijken   Zoek nooit naar ongewenste levensvormen in je kamer. Wat niet weet, niet deert. 6. Wees nooit bevreesd   Voel je niet te snel bedreigd! Zelfs niet als je alleen in een afgelegen automaat geld afhaalt en er 15 Indiers binnenglippen om je hand te schudden, mee te kijken naar het computerscherm en vooral te profiteren van de gratis airco.   7. Wees geeeeeeeeedddddddddduuuuuuuuullllllllllllllllllllllllllddddddddddddiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiggggggggg en adem door je mond   Met een beetje pech sta je met je zweetsleffers en bagage 4 uur aan een stuk recht in een belachelijk volle trein. Met een beetje extra pech word je verdrukt richting een 170cm lage doorgang en sta je het langste uur van je leven in de deuropening van de wereldwijd gerenommeerde, door Unesco beschermde Indische treintoiletten. Nadat je beseft dat een uur je adem inhouden net iets te lang is, word je spontaan jaloers op de 2 zwarte, geurwerende tenten naast je en de moslima's die zich eronder verschuilen. Allah Akbar! Hun man gunde hen zelfs geen oogluikje! Ik kook vanbinnen, maar zie het oogluikend aan (komaan, deze woordspeling schreef zichzelf).    8. Wees mild ten opzichte van schrijffouten De lieve Indiers bedoelen het immers beter dan het klinkt: - French Fried (nee, ze willen echt geen Fransman frituren) - Chess omelet ( de Gary Kasparov onder de eieren) - T-shirt van Iran Maiden (de bekende Perzische Heavy Metalband) - Jackem Stood (rechtstreeks overgeschreven van mijn paspoort en geef toe: het klinkt beter dan het origineel) 9. Gij zult ten allen tijden flexibel zijn   Het moet gezegd: India is hemel en hel, slow motion en fast forward EN dit volgens mij meest diverse land ter wereld (qua cultuur, religie, hiërarchie en natuur) is tevens zowel middeleeuws als hypermodern                               kreupele naast straatkind naast mangoboer naast IT-specialist                     krot naast shopping center                                                                                                                                                                        Gladiator naast The Matrix                                                                                                  en ik ertussen als kameleon. Als je denkt tegen meer dan de helft van bovenstaande geboden te zullen zondigen... 10. Blijf hier weg en geniet ten volle van Belgie

Joachim Stoop
0 0

desertie

Zo ziet een deserteur er dus uit in vredestijd. Een twintiger waar het leven uit lijkt weggevloeid. Verpakking die klaar staat om bij het groot huisvuil te worden gezet. Bijna niet meer te recycleren. Hugo is een milicien, die langer dan acht dagen zonder permissie weggebleven is uit zijn eenheid. Huidige status: deserteur. Voorbestemd voor een enkele reis naar de ‘begijnenstraat’. ‘Waarom kom je naar de brandweer, als het huis al afgebrand is’ vroeg ik hem, toen ik de obligate fiche invulde. ‘Die ene dag was er teveel aan’, stamelde hij nauwelijks hoorbaar. Hersens op aan, harde schijf overlopen, file psychologie voor gevorderden aanklikken. Gelukkig was J.R.M.Maas er nog, houvast in bange dagen: ‘Hoe krankzinnig het gedrag ook lijkt, het moet betekenis hebben. Het is zinvol en niet in gebruikelijke zin slecht of afwijkend’. Met verwondering naar de mens kijken. Het is alle dagen nationaal geofrafic, daar heb je geen televisie of iPad voor nodig. Wat doet dat met een mens, 300 dagen met een bezem de binnenkoer van de kazerne vegen? Alles voor het vaderland, verstand op nul en vegen maar. Een gevoel kan voor een dijkbreuk zorgen. Rede smelt weg, als sneeuw voor de zon. In het diepste van uw ziel de vloer aangeveegd worden. Het zal je maar overkomen. Verzet door de bezem aan de kant te zetten. Zinloosheid krijgt terug zin. Leegte terug inhoud. In naam van zelfmoordpreventie is , zoals Secret Army destijds, een ontsnappingsroute gezocht via het militair hospitaal. Het is een ziekenhuisbed geworden in plaats van een brits in de cel. Hugo is om medische redenen ongeschikt verklaard voor verdere dienst. Later werd met veel misbaar, de ontsnappingsroute opgedoekt door het krijgsauditoriaat. Tijd om ander werk te zoeken. Om een ander verhaal te vertellen. Met of zonder bezem.

dirk adijns
0 0

Op naar tante Emma

Het moest er toch eindelijk eens van komen.  En zo gebeurde op Pinksterzondag 27 mei 2007. Wij - mijn 3 zussen, ikzelf (haar petekind) en mijn echtgenote - hadden met Johny (haar zoon) afgesproken die dag een bezoek te brengen aan onze tante die we sinds de dood van ons vader in 1982 niet meer hadden gezien.  Contacten, telefonisch of via verjaardags- en nieuwjaarskaarten, hielden na haar verhuis naar de hoofdstad begin jaren vijftig niet lang stand.  Op bezoek gaan : "Liefst eerst verwittigen want ik ben dikwijls niet thuis", m.a.w. ik heb liever geen bezoek.  Van een soort eenrichtingsverkeer gesproken.  Ook bij de begrafenis van ons moeder (niet haar geliefde schoonzuster) in 1989 liet ze verstek gaan... Verkouden zeker ? Naar Brussel dus, naar Johny - ook al 18 jaar niet meer gezien - die we nauwelijks nog herkenden.  Zijn vrouw (haar naam (?),  vergeten zowaar) sprak geen woord Nederlands laat staan Vlaams, was de strijk aan het doen.  Dus geen tijd voor een koffie of iets fris.  Dan maar niet getreuzeld en 'op naar tante Emma' die enkele kilometers verder verbleef in "Seniorie Chopin".  We bezochten haar  kamer en trokken, zoals meestal gebruikelijk is, ons terug in de cafetaria en trakteerden haar (ze was 2 dagen eerder 85 geworden) en onszelf op een eerder die namiddag gemiste koffie en gebak. Foto's werden getoond en anekdotes aangehaald maar hier liet haar geheugen haar grotendeels in de steek.  Spijtig voor ons die eropuit waren om nog meer over onbekende of onvolledige familiegebeurtenissen te weten te komen.  Later arriveerden ook haar dochter met echtgenoot om die (ver)vreemde familie uit het verre Limburg nog eens te zien. Op 15 mei 2011, tien dagen voor haar 89ste verjaardag is ze overleden en zoonlief (?) heeft haar (terwijl zijn zus op vakantie was) vlug en zonder de familie erbij te betrekken laten cremeren. Familie, vriendschap, liefde, ..... een mensenleven lang. ILYA  

Ilya
0 0

Lucky number twelve

Is het bijgeloof of autisme? Ik reken dit het liefst onder de eerste noemer, als een soort van gemakkelijke gewoonte. Andere mensen bestempelen het misschien eerder als een autistisch trekje… Elk cijfer dat ik min of meer zelf kan bepalen, krijgt ergens een twaalf in verwerkt. Twee eenzaten. Een één en een twee. Samen een duo van priemussen.   Waarom? Misschien gaat de geschiedenis wel terug tot op de schoolbanken. De som van mijn letters vertaalde zich namelijk vaak in klasnummer 12. Op de volleybal draag ik truitje nummer 12. Mijn beste vriendin heeft huisnummer 12 (jaloers, hoezo?). Ja, ik zet ook steevast het volume van de autoradio op 12, of op 24 als het wat luider mag, en ik begin of eindig alle gokgetallen bij schiftingsvragen met 12 (tot zo ver mijn bijgeloof want het heeft mij nog nooit geluk gebracht).   Ik hang eraan vast. Als een slecht cijferslot, gezien de extreem makkelijke combinatie. Ik wilde zelfs een kind in het jaar 2012. Mislukt! Nu kan ik alleen nog hopen en kopen op de 12e dag of de 12e maand. Want voor 12 kinderen ga ik toch passen.   Misschien ligt het aan de positie in het cijferbet (is dat wel een woord?): tussen de lieve elf en de ongelukkige dertien. Ingesloten door een dilemma, precies als in de tekenfilms: een engeltje links en een duiveltje rechts die elk hun mening delen. Ik kan op beide rekenen voor een oplossing.   Misschien is het omdat een team in de volleybal met twaalf moet zijn om een match te spelen. Misschien is het omdat de twaalf de 1 en de 2 zo mooi verenigt, zonder dat ze in competitie hoeven te zijn met elkaar. Misschien is het door de harde lijnen en hoeken van de 1 in combinatie met de zachte rondingen van de 2.   Zachtheid. Dat is wat dit cijfer typeert in het Frans: douze. Misschien is dat ook hoe ik mezelf graag typeer. Ik ben een twaalfje: wat hard at 1st sight, maar na een 2nd opinion gewoon een ontelbaar zacht karakter.     12 Jij bent mijn nr 1 én mijn nr 2 in één Het kerngetal van mijn bestaan

Rien Mertens
83 0

Over de zin en de zinnen van mijn leven

Woorden zijn krachtig. Ze maken kleine dingen heel groot of grote dingen juist heel klein. Ze kunnen onuitgesproken blijven en nooit worden vergeten. Of willen net worden vergeten zodra ze zijn uitgesproken. Ze raken hun doel vaak anders. Schieten te kort. Precies afgewogen of met een smakelijk schepje erbovenop… woorden kunnen de zin van je leven veranderen. Deze zinnen deden dat met het mijne.   > Sint-Maarten bestaat niet! -> Luidop zeggen dat je dat wel weet maar ondertussen roepen in je hoofd dat je nog in hem gelooft uit angst dat je anders geen cadeautjes meer krijgt. Een heilig man als de Sint weet toch wat je doet en denkt… FYI: wij hadden de coolste Sint E-VER als we klein waren, maar daarover meer in een andere post. > Is dat jouw hondje dat dood ligt op straat? -> “Nee, die ligt hier onder tafel aan mijn voeten. Fredo, Fredo!” Hm, toch niet… Het was wel degelijk mijn hondje dat dood lag op straat. Het rare was dat ik net die nacht had gedroomd dat ik hem nergens kon vinden. Over een vijfde zintuig had ik nog niet gehoord, maar ik dacht toen wel dat ik hem gedeeltelijk had vermoord. > P heeft kanker -> Je bent net tiener en je wilt wat. En dan denk je niet aan kanker. Wel aan een liefje, zoals P, een vriend van mijn broer waar ik lang verliefd op was. Ik durfde het niet te zeggen, zelfs niet toen ik hoorde van zijn kanker. Hij heeft het nooit geweten. Ik wel, omdat mijn broer het mij vertelde. Die moest in P’s kamer zoeken naar herinneringen voor een persoonlijke afscheidsmis. Hij vond er. Van hem, voor mij. In de vorm van liefdesbrieven. > Moeke en vake gaan scheiden… -> Euh, pardon. Echt? Zelfs al kwam deze zin na een voelbare periode van koude oorlog, hij sloeg in als een bom. Alle strategieën die we in onze thuisbasis ontwikkelden om te overleven werden met de grond gelijk gemaakt (toegegeven: de woorden klinken bombastischer dan de waarheid, maar ik geef me hier volledig over aan de beeldspraak). Ons hoofd werd opgesplitst in twee kampen: kamp Moe en kamp Va. Ik kan je zeggen: vroeger vonden we Stratego leuker. > We moeten je laten gaan -> Of een eufemisme voor ‘Ik ontsla je’. Net voor kerst. Economische crisis of niet, het was een diep dal voor mijn ego en zelfvertrouwen. Gelukkig werd ik nog geen maand later spontaan opgebeld door een ander communicatiebureau om te starten als copywriter. En dat zelfs zonder de bergen positieve feedback die mijn ex-baas beloofde te schrijven. Raar hoe mensen automatisch eerst aan traumatische zingevingen denken… Ik maak het goed met een aantal positieve punten en komma’s! > Surpriiiise! -> Toen mijn vrienden besloten een verjaardagsfeestje te geven voor mijn 21ste verjaardag. Ik was al verrast door al dat schoon volk, dan krijg ik nog een mysterieuze sleutel cadeau. Die leidde naar een kamer in mijn vader zijn bedrijf slash appartement die ze huisdoktersgewijs hadden omgetoverd tot een slaapkamer slash bureau. Mijn sleutel tot rust, tot een nieuw thuisgevoel en tot mijn diploma (die onderscheiding had ik nooit gehaald met die scheiding van mijn ouders). > Je hebt de job -> ‘Fris rostje’, schreef ze op mijn cv na ons gesprek. ‘Je ligt bovenaan mijn schuif’, zei ze na ons gesprek. Ik durfde het niet meer te geloven na alle valse beloftes van bedrijven waar ik solliciteerde als starter. Al wou ik deze job écht (écht!) heel graag. Mijn aura bekende blijkbaar kleur, want – pioe wioe – ik kreeg groen licht! Mijn eerste vaste contract. In een beestig communicatiebureau in Brugge. Bedankt L van Cayman :) > Wil je meter worden? -> Al werd de vraag niet zo letterlijk gesteld. Ik ontdekte het letter voor letter toen ik het geboortekaartje in mijn handen kreeg (voor de baby van een paar uren oud bedankte ik nog even). Het leukste van de wereld! Mijn petekind bedoel ik. Maar ook zijn kaartje: voor iedereen een 3D-puzzel van een vogeltje, en voor het gezin een gepersonaliseerd Flock-vogeltje om neer te strijken op een kledingstuk. Dat van mij bekte ‘meter’, mijn broer droeg een met ‘vake’ en de andere twee kregen een ‘nonkel’ tweet. #trots! Borst in de lucht. Heel hoog. Jaja, de lat is gelegd… bedankt broere! > Amaai, zo knap dat jij bent geworden -> De woorden van een nonkel die na een paar jaar opnieuw opdook op een familiefeest. Een mooi compliment waar ik wat van blonk en bloosde. Toch kan ik het niet laten om tussen de lijnen te lezen dat dit ook iets (oké, zelfs veel) zegt over vroeger. Maar hey, hoe cool is het om met je foto’s van toen te kunnen lachen? Heel cool, maak ik mezelf graag wijs!> Ik ben een klein beetje (veel) verliefd op jou -> Het moment. De uitdrukking op mijn gezicht. Mijn mond die bleef openstaan zonder vork in mijn handen. Ik herinner mij nog perfect wanneer ik dit las (mijn vader die aan dezelfde tafel zat te eten waarschijnlijk ook). Een sms van een goede vriend… toen toch. Nu… mijn beste vriend! En mijn liefste. Dus een klein beetje (veel) bedankt voor de mooie jaren liefie.

Rien Mertens
0 0

Duin

Duin   ‘T’is toch altijd spannend om eerst het water te horen vooraleer je er een glimp van opvangt, vind je niet. Nog even klimmen en we zien haar.’ Met overdreven dichtstem voeg ik eraan toe: ‘de zee: een vertrouwde kracht die nooit exact dezelfde vorm aanneemt.’ Haar reactie had ik wel verwacht: ‘Eumm, ik denk dat je dit al eens eerder hebt gezegd. Of nee: geschreven.’ Ironisch genoeg reageer ik voor de honderdste keer met hetzelfde: ‘Moet dan alles wat er gezegd wordt uniek zijn? Alsof alleen eenmalige dingen waardevol zijn.’  Het fronsen van haar wenkbrauwen is even prominent als haar ingehouden lach. Ik vervolg dan maar: ‘Jij vraagt me toch zelf zo vaak om te herhalen waarom en hoeveel ik van je hou.’ Terwijl de zon in haar blonde haren met schakeringen van geel en goud speelt, antwoordt ze: ‘Maar dat is net iets wat telkens anders kan. Je liefde blijft hetzelfde, maar hoe jij je er op elk moment bij voelt en hoe je het onverwoordbare in woorden giet, is toch telkens nieuw.’  Mijn hart mist een slag. We komen dichterbij. Ik heb dit zo goed voorbereid; heb hier al honderden keren gewandeld in mijn gedachten en toch ben ik nerveus. Alsof haar antwoord me nog zou kunnen verrassen. Alsof één plus één opeens toch nog iets totaal anders dan twee zou blijken. We wandelen verder over het strand, laten voetstappen achter die door getijden stapsgewijs zullen wegebben. Ik draag de picknickmand, zij het lakentje en de camera. We hervallen in een zalige stilte opgeluisterd met een harmonica van golven, een zoute bries en het genot van niks te hoeven zeggen. Vogels beheren de lucht en ongetwijfeld zwemmen vissen als keizers onder de blauwgrijze spiegel van de zee. Maar wij zijn landdieren. Wij voelen ons opperbest als we met onze voeten paden kunnen creëren die nooit eerder zijn gevormd. Zo bewandelen we deze aardbol begeesterd en bezield. Wat ons gisteren en morgen aan volledige vrijheid doet ontberen, zijn krachten groter dan wijzelf: maatschappij, tegenslag, onomkeerbaarheid. Maar wij tweeën, op dit moment, zijn vrij. Het liefst wil ik dat we terugkeren en dezelfde wandeling meteen opnieuw doen, maar dan in elkaars voetstappen. Gewoon omdat het kan. Dit idee spoelt me terug naar de eigenlijke reden van deze wandeling. Wat ik het liefst wil, is heel mijn liefde, hartstocht en overtuiging bundelen tot één klein geheel. Ik wens mijn gevoelens voor haar, voor ons, te smelten tot één uniek symbool: een schelp of smaragd of een metafoor als deze:   Liefde is een tweezit die in tijd en ruimte opschuift om de juiste mensen op te vangen en hen dan toefluistert: ‘maak het je gemakkelijk en geniet van de rit. Eerst zetelen, dan pas nestelen. Als je het goed doet, leven jullie samen dubbel zo lang.’   We zitten naast elkaar op ons lakentje op de hoogste duin, met ogen en doelen in dezelfde richting en beider hart als kompas. Vol emotie kijk ik nog een laatste keer naar de zee en spreek tot mijn geliefde in een stem die probeert zware woorden licht te doen klinken: ‘De tijd is rijp om lentes als bruggen over komende winters te slaan.’ Pas dan wend ik mijn blik naar haar verwonderd gezicht, waar het altijd warm is, waar zij vol van leven, alle zonnestralen en deze vraag opvangt:

Joachim Stoop
8 0

Parijs (fragment uit reisdagboek)

Dinsdag 15 april 2014   Rond acht uur wakker. P. gaat de deur uit met de mededeling dat ze naar de bakker om de hoek is. Na tien minuten de gekende doemscenario’s en de tegelijk voorspelde opluchting als ik haar de gang hoor opkomen. Vrij laat de deur uit. Van Laumière met de metro naar Champs Elysees Clemenceau. Te voet tussen het Petit Palais en het Grand Palais, over de Pont Alexandre III, langs het Hôtel des Invalides. Hoewel de zon schijnt, is het koud. Langs Rue de Grenelle naar Jardins du Champ- de Mars. Dit is wat je als toerist bij een eerste bezoek aan Parijs doet, of op klasuitstap, in een bus en dan om de tien minuten uitstappen, terug de bus op, niemand die naar de leraar vooraan luistert. De Eiffeltoren is van onderuit, tussen de bomen en struiken bekeken, desondanks indrukwekkend. Ik wil naar het Trocadéro omwille van Picasso. Maar ik heb me vergist. Van zodra ik de open armen van het Palais de Chaillot herken, herinner ik me van een bezoek met de leerlingen de Afrikaanse venters die hen Eiffeltorentjes, armbandjes en horloges probeerden te verpatsen. Vooral de meisjes werden aangeklampt. Ze lieten het zich gillend welgevallen, maar gingen voor de zekerheid toch maar in groepjes bij elkaar staan. Maar dit heeft niets meer te maken met het Palais de Tracadéro waar Picasso een grote eeuw geleden de Afrikaanse maskers zag. Via Avenue des Nations Unies en de Boulevard Delassert lopen we naar de Place de Costa Rica. Op een terras uit de wind, met onze snoet in de zon drink ik een petit café, P. een jus d’ orange. De sigarettenrook van de jongens naast ons waait onze richting uit. Voor ons twee maatpakken. Een man steekt de straat over, sigaret in de mond, beide handen in de zakken van zijn manteljas. Waar Auteuil in de negentiende eeuw nog een dorp buiten de stad was, is het vandaag één van zijn betere, residentiële buurten. Voor het Maison Balsac wordt de dagindeling van de schrijver op een informatiebord vermeld. Opstaan om middernacht, schrijven tot acht uur, petit déjeuner in een kwartier, schrijven tot zeventien uur, diner en slapen. Het bovenstaande schreef hij in een brief aan een vrouw, hij zal er wel een schepje bovenop gedaan hebben, zeker? In een zijstraat staan kubistische huizen van Mallet-Stevens uit de jaren twintig. Wij hebben nog nooit van Mallet-Stevens gehoord, maar het stond in de reisgids en dan denk je dat dat de moeite waard is. Enkele jongemannen staan artistiek heel verantwoord rond een kleine vrachtwagen bij de achteruitgang van een filmstudio. Ze doen of ze ons niet zien. De gids heeft het verder over de Fondation Le Corbusier. Ah,die kennen we! Volg de leider! Maar wat we ook zoeken, de Fondation Le Corbusier vinden we niet. Tot een wegwijzer ons naar links dirigeert, maar dan zijn we het al moe. Op weg naar de metro nog langs de Rue Pierre Guérin, een straatje in kasseien dat ons zou moeten doen ‘basculer dans l’autre siècle, en plein village.’ We halen de schouders op, slaan de gids dicht en lopen verder. Veertig minuten metro, helemaal van République naar Laumière. Na het eten twintig minuten slapen. Het raam staat open. Veel rumoer op de binnenplaats. Met de metro naar Batignolles. ‘Le village de Batignolles,’ daar gaan we weer, hou je vast, ‘a conservé une grande partie de son caractère provincial.’ Maar het is er gemoedelijk, de Parijzenaars zijn er in groter getale dan de toeristen. In het parkje op de Squaire de Batignolles zitten we een groot uur tussen de duiven, bergeenden en agressieve Canadese ganzen. Met name een solitaire Nijlgans moet het ontgelden. Verder veel kinderwagens met blanke kinderen, voortgeduwd door zwarte kindermeisjes, oude mensen op de groene banken en een bejaard mannetje in bruin kostuum, bruine leren schoenen en een foulard rond de hals die we vier keer snelwandelend voorbij zien komen, de rechterhand als een klauw opengesperd achter zijn rug. Zijn dagelijkse wandeling volgens P. Dat, of een dwangneurose – je weet het niet. Net voor we vertrekken een verpleegster met een bejaarde vrouw in een rolstoel. De vrouw houdt een wit struikbloempje in haar hand. Als een klein kind wordt ze door de verpleegster vanaf de rand van het gazon de eendjes in de vijver aangewezen. In de Rue Brochant zitten we zolang de zon niet achter de huizen is verdwenen op het voetpad voor café Le Tempo. Als het te koud wordt gaan we naar binnen. Ik drink een glas Heineken, P. een cappuccino. We zitten aan een kleine toog op krukken voor het raam en kijken als vissen in een aquarium naar voorbijgangers en diegenen die buiten in de schaduw zijn blijven zitten. Binnen staat luide popmuziek op, maar zonder te storen. Aan de overkant van de straat, op de hoek, ligt café Le Bloc. Achter een vitrineraam een krijtbord met tussen en rond de tekst zweepstaartkrullige tekeningen in de stijl van Alechinsky. Artistieke types aan tafeltjes op het voetpad. Wanneer de straat wordt overgestoken, gebeurt dat bedachtzaam, in slow motion een sigaret van tussen de lippen plukkend, of breedvoerig, met wapperende handen die afgaand op de bijhorende gelaatsuitdrukking iets belangrijks aanschouwelijk maken, het haar in zorgvuldige nonchalance meedeinend op een tred die in zijn vastberadenheid exemplarisch is. Tegen zessen komen mannen met een brieventas onder de arm Le Tempo binnen voor een nabespreking. Ze drinken cola en koffie. Op straat veel schoon volk. Een man achterop een vuilniswagen rekt zich gevaarlijk ver naar achteren om het een en ander goed te kunnen zien. Op het balkon op de tweede verdieping van het gebouw aan de overkant spreidt een man of een vrouw – van waar we zitten is het moeilijk te zien – in een marine T-shirt een Michelinkaart open. Waar gaat die op reis? Na tien minuten is de man – het is een man volgens P. – in een worsteling met meerdere kaarten verzeild geraakt. Hij houdt ze aan de rand vast en laat ze eerst door de wind open wapperen. Daarna is het zaak met een soort van spreidstand van de handen de boel zowel gestrekt te houden als glad te strijken. Dat is moeilijker dan het lijkt, aangezien plooikaarten de neiging hebben van zodra je ze los laat opnieuw op te krullen, zoals een kind dat niet in bad wil de gang oprent zodra je het uit het oog verliest. Wil hij de kaarten aaneen lijmen misschien? Is dat de bedoeling – er één grote kaart van maken? Geef mij landkaarten en ik ben een kind in de zandbak. Laat me ze verknippen en aaneen lijmen – voor nóg meer overzicht – en ik hoef geen ijsje, suikerspin - niets: aan het zand alleen heb ik genoeg. Wie zou geen zo’n kind willen? In Comme chez Maman zitten we op dezelfde plaats als vorig jaar, aan het raam. Gegrilde zwarte pens in een vinaigrette van rode vruchten – als ik de korst openbreek komt er rook uit. Voor P. carpaccio van champignons en radijs met parmezaan, iets dat ze naar eigen zeggen ook zelf zou kunnen maken mocht ze een goeie dunschiller hebben. Van dat laatste maak ik een mentale notitie. Daarna varkensvlees met boontjes in een zoetzure saus van gekonfijte mini-appelsienen. Dezelfde wonderbaarlijke puree als de voorbije jaren, maar te koud deze keer. Marmite de Mer voor P. Het vriendelijke meisje dat ons bedient, meen ik me van vorig jaar te herinneren. Een al even vriendelijke jongen wijst me ongevraagd de toiletten. ‘Oui oui, je sais,’ zeg ik. Bij het afrekenen krijg ik die aanmatiging als een boemerang terug. De jongen vraagt of we het restaurant misschien kennen, ‘parce que vous disiez “je sais”’? Als ik voor we vertrekken een tweede keer het toilet uitkom, staat hij met iemand in de keuken te praten. ‘Merci, hein,’ zeg ik op een toon alsof ik hem al jaren ken en maak met mijn arm een zwaaiende beweging in zijn richting. Misplaatste onderdanigheid, maar wel erg kenmerkend voor hoe ik me tegenover onbekenden in gênante situaties gedraag. Oscar Niemeyer ontwierp het hoofdkwartier van de Franse communistische partij op de Avenue Marthurin Moreau. We komen er langs in het naar huis lopen. Ik ben in een euforische stemming. Bezing het communisme en de pas aangeplante bomen langs de Rue Manin. Een stad die naar eigen zeggen honderdduizend bomen heraanplant is een stad naar m’n hart. Op de trappen van het stadhuis de avondsigaret. Een vrij onrustige nacht. Als ik tegen drieën opsta om te plassen, zie ik dat er nog licht brandt in een van de appartementen aan de overkant van de binnenplaats. Ik blijf er in het schemerduister enkele minuten naar staan kijken.

detroostvancontouren
0 0

Metz-Mutier (fragment uit reisdagboek)

Vrijdag 25 juli 2014 (samen met S. op een camping in Ranspach – de Elzas, tegen de grens met Zwitserland)   Na het ontbijt vervoeg ik de rij voor de bestelwagen van de bakker. We hebben koeken nodig voor onderweg. Telkens iemand zijn of haar bestelling opgeeft, schuifelt iedereen vijf passen voorwaarts. Er wordt niet gesproken of gelachen in de rij. Pas wanneer je aan de beurt bent mag het. Dan plooit het gezicht open en wordt een pen de sjokolat gevraagd. Sjilvoeplait. Langs een mooi fietspad naar Than, waar we proviand inslaan. De eigenaar van de delicatessenzaak is behalve joviaal ook erg commercieel. Als hij hoort dat we aan het fietsen zijn, zet hij een mand met worst op de toonbank. Ideaal voor de picknick. En als we wat later de route met hem bespreken en opmerken dat het warm wordt, blijkt hij ook gekoeld bier te verkopen. Na Than wordt het landschap stilaan Zwitsers. Vakwerkhuizen in pastelkleuren (geel, blauw, roze). Blauwe bergen op de achtergrond. Ooievaars in de weiden, cirkelend op de thermiek en een keer op een nest op de schoorsteen van de kerk. We zitten in de Elzas. Ik verneem het na een klim van een man die met zijn vrouw en hond aan een wandeling wil beginnen. Hij is uit de buurt en duidt de bergen aan die je van hieruit kunt zien: Ballon d’Alsace, Planche de belles Filles. Aangestoken door de aandacht die ik hem schenk, begint hij half voor zichzelf, maar luid genoeg opdat ik het zou horen, over slachtoffers van de Eerste Wereldoorlog. Na aardrijkskunde, de geschiedenisles. Maar we zijn al op weg naar onze fietsen. In Traubach-le-Haut eten we in Café de la Poste. Bar-tabac-boulangerie-restaurant, alles ineen. Het brood en de koeken ligt gewoon op een van de tafels in de eetzaal. Twee vrouwen lopen in de zaal rond, de kokkin staat in de keuken met een vuil schort om. Een plek naar mijn hart. Na de salade komt er varkensvlees op het bord, gebakken kool en spek en een soort deegbolletjes. S. kent ze, die bolletjes, je maakt ze door het deeg op een bakplaat te laten druppelen. Erg ambachtelijk. Ik vraag aan de kokkin hoe de dingen heten, waarop ze een kartonnen doos neemt en de naam van het etiket spelt. Knepple. Hoe? Knepple – ze schrijft het in mijn schrift. Terwijl ze een stukje meeleest, leunt ze met haar rechterborst op mijn schouder. De temperatuur varieert volgens verschillende thermometers op straat tussen de 32 en de 35 graden. Het is in elk geval warm. Laatste tussenhalte voor vandaag, een warenhuis waar we behalve fruit en groenten ook wijn kopen. Achteraan in elke fietstas één fles – alles voor het evenwicht. We rijden Zwitserland binnen. Intussen betrekt de lucht. In de verte rommelt het. Schuine strepen aan de horizon betekent regen. Aan een man in zijn tuin vraag ik of het onweer onze richting uitgaat. Hij weet het niet. Hij is Italiaan zegt hij en roept ‘Nibali’! Dan neemt hij me mee naar de lokale dorpsgek die in mijn gezicht spat, maar in essentie hetzelfde als de Italiaan zegt: je weet het niet. Het regent hier en een kwartier later schijnt de zon, je gaat in T-shirt en teenslippers het huis uit en krijgt een onweer op je dak. Hij haalt de schouders op. De Italiaan lacht mijn bezorgdheid weg, maar op een goedmoedige manier. Hij haalt een Italiaans spreekwoord boven. Iets met de wind en mee laveren met de wind. Een sympathiek man. Bij het uitrijden van het dorp vraagt S. de weg aan een jongeman die daarvoor speciaal uit een stal moet komen lopen. Het gesprek wordt overstemd door koeien die bij het zien van de jongen om het hardst loeien. Hoog in de lucht het silhouet van een rode wouw. Wat verderop een boerin die een liggende koe slaat om haar te laten opstaan. Een hond die behulpzaam naar de koe blaft wordt weggejaagd. De koe springt recht, wankelt en valt opnieuw neer. Als ik achterom kijk, zie ik dat de vrouw de koe in haar hals streelt. Col de Rangiers. Bruin water naast de weg. Ook in de bandensporen op het asfalt water dat naar beneden stroomt. Halverwege de col begint het te gieten. We stoppen om regenjas en overschoenen aan te trekken. Links en rechts is het nu aan het bliksemen, maar het onweer beangstigt me niet. Misschien omdat het bijdraagt tot de heroïek van de beklimming? Als je in je hoofd dan toch een film draait van wat je aan het doen bent, waarom jezelf dan niet meteen de hoofdrol geven? Uit de vallei stijgt nevel op. Bijna boven vragen we raad aan twee mannen die een drankstalletje uitbaten. Ze verwijzen ons na telefonisch overleg naar een hotel wat verderop. Bij het afscheid gooit een van hen de armen in de lucht en roept: Jacques Brel – Stromae! Eden Hazard, vult de andere aan. Monsieur Yves Petignat laat ons de fietsen in een soort schuur annex feesttent zetten. Hij is de vierde generatie Petignat die sinds 1906 hotel La Caquerelle uitbaat. Het hotel ligt op de top van de col de Rangiers, op 834 meter om precies te zijn. Een jongen brengt ongevraagd mijn fietstassen naar onze kamer op de derde verdieping. ‘Service’, zegt hij als ik hem daarvoor bedank. Ook in het restaurant zeggen hij en de eigenares bij het minste – het brengen van de menukaart, het wegnemen van onze borden – ‘service’. Nadat hij ons de menu du jour heeft uitgelegd – binnensmonds, maar hoe kan zij dat weten - komt de vrouw dat herhalen. Terwijl hij erbij staat. ‘Ja,’ zeg ik, ‘monsieur nous a déjà raconté.’ In het restaurant zit een man in een sportbroek. Hij kijkt angstvallig naar ons op - of we wel goeiedag knikken? Dat doen we. Tegenover hem een koppel waarbij de gastvrouw tussen twee services door aanschuift. Het eten is ontgoochelend. Na de salade een blanquette met pâtes. Volgens S. is het vlees ontdooid. Voor het hotel vliegen huiszwaluwen af en aan. Op de letter “e” van hotel zit een kwikstaart. Op de kamer kijkt S. tv. Ik schrijf. Een avondsigaret achter het hotel, op een pad dat de vallei inloopt. Gekras van raven in de bomen. Met tientallen tegelijk vliegen ze op. Als ze overvliegen hoor ik hun vleugels in de wind. Aan de rand van de vallei is het doodstil. Uit de vallei stijgt een witte nevel op, zo dik dat de dorpen beneden in brand lijken te staan. De ondergaande zon. Onzichtbaar van waar ik sta, koeien of schapen met een bel rond hun nek. Zwitserland zoals je het je voorstelt. Ik loop terug. Achter de schuur ligt een cabine van een skilift. Intersport staat erop. In een kapel naast het hotel schilderijen in het donker, als in een museum dat nooit iemand bezoekt.  

detroostvancontouren
0 0

Svetlana

De Rode Zee is van een extreem blauw. Er ligt een spaarzaam strandje langs. Het randje van een land in ontwikkeling. Strooien parasols. Half afgewerkte (of half afgebroken) toeristische infrastructuur. Ernaast een tent van UNHCR waar mensen in wonen – dit land is werkelijk tot de rand gevuld met vluchtelingen. Aan de overkant de Sinaï. Daar besmuikte gisteren een rookpluim van een bomaanslag dit intense tafereel. Nu omkadert vurig fuchsia van een bougainvillea mijn vista, oleanders gniffelen in de wind. Een rafelig strandje Voor dit multireële tableau, zit ik. Ik tuur de horizon af. Ik wacht op mijn man. Al weet ik hem gewoon onder dat strakblauwe wateroppervlak, voorzien van zuurstofflessen en een goede gids, ik stel me voor dat zijn wereld nu vol sirenen, heremietkreeften en regenboogvissen is. Maar zeker ben ik dat hij straks als een goedgeluimde Neptunus uit de branding zal verrijzen. In afwachting zit ik met Lana opgescheept. Op het half afgewerkte terras van de half afgebroken duikclub is ze niet met de lichtste aarzeling op me afgestapt. En tenslotte aan mijn tafeltje komen zitten. Lana moet een eind in de vijftig zijn, misschien zestig, of wie weet wel zestigplus. Aan Lana heeft de tijd nog niet veel aandacht besteed. Haar gezicht is bondig en vrij van fijne lijnen. Haar korte stugge haar kan, naargelang het felle licht, evengoed blond als grijs zijn. Onder haar rode koltruitje zit een slanke lijn in haar zij, waar ze voortdurend haar handen legt en cirkels met haar heupen wiegt. Lana houdt van honden (dat verhaal bespaar ik u) maar heeft met katten gemeen: haar lenige lijf dus, en meerdere levens. Die ze nu gul aan mij vertelt in een Engels met de afgemeten mechaniek van een notenkraker. In een vorig leven was Lana Svetlana. Een man, drie kinderen en een koude oorlog later is ze in de Golf van Aqaba verzeild. Haar nieuwe man is Jordaans, rookt en drinkt, heeft een hartprobleem. En liegt niet meer tegen haar. Hoe dat laatste zo is gekomen, dat krijg ik willensnillens te horen. Aan ‘in goede en kwade dagen’ had Lana haar Mohammed laten toevoegen dat hij zou stoppen met roken en drinken. Die extra trouwgelofte was de uitkomst van een voor haar zeer logische gedachtengang geweest: zijn hartinfarcten waren volgens de dokter het directe gevolg van zijn slechte gewoonten. Dus moesten die gewoonten Siberischkoud afgeschaft worden. Zo beloofde haar Mohammed. En zo geloofde zij haar Arabier. Tot ze hem op een dag betrapte. Rokend met zijn broer. Dat liet Lana niet over haar kant gaan. De poten van het ijzeren stoeltje gieren over de terrastegels als ze recht gaat staan en mij met een zwier van haar armen toont hoe ze de riem uit de broek van haar man sleurde en hem hiermee slaat. Mijn oren doen er pijn van. Voor mijn ogen lijkt het opnieuw te gebeuren: de ranke Russische slaat haar man voor het oog van zijn broer en wie weet de hele clan die er net op bezoek was. En haar Arabier, die gaat bij zijn moeder uithuilen. Maar het mag niet baten: de stamouders geven Lana gelijk. Trouw is een weids woord. En nooit gratuit. Dit moet even bezinken. Samen turen we naar de kruimelige bodem van het lege zwembad, Lana en ik. Over de manvrouwverhouding in deze maatschappij raak ik elke dag meer in de war. Over de liefde geen woord. Ik wil het niet weten, maar het lijkt me dat op het droge geen prijs voor Lana te hoog was voor de vrijheid om hier elke dag, wars van Rusland, naar het koraalrif te duiken. Volgt nog het verhaal van de straathond. Met de puppies. Maar dat bespaar ik u, zoals beloofd. Waar blijft Neptunus nu toch? Ik kan al niet wachten om straks het zeewier van tussen zijn baard te oogsten en gepekelde kussen van zijn mond te plukken.

Marjanne Sevenant
0 0

Ramadan Kareem!

Op de eerste dag van de Ramadan komt onze dochter uit school gefladderd met een papieren lampion aan haar hand waarop haar dartelheid zich in blauwe stippen en geel-met-roze wolken aftekent. ‘Dit, mama,’ zegt ze, ‘is een ramadan kareem!’ De r-en lopen sterk als Arabische koffie uit haar mondje. Dat de Ramadan zo tastbaar een luchtige lampion kon zijn, dat had ik op voorhand niet kunnen denken. ‘Maak dat je wegkomt voor de vasten begint!’, luidde het eenvoudigweg bij de andere vreemdelingen hier. Stoffige dagen, hongerige chauffeurs, dode winkels, eten noch drinken. Of bedreigingen als je het toch doet. Nu komt, zo leerden we al, het verblijf in een gastland met lusten en lasten. De Ramadan kreeg het voordeel van de twijfel. Bovendien schijnt hier nu elke dag de zon en vraag ik onze dochter soms om mij een wolk te tekenen zodat ik het bestaan ervan niet vergeet. Zo slecht kon het toch niet worden. En het beste was nog dat ik zelf niet zou vasten. En tastbaar werd de Ramadan. Op vele momenten, maar nog het meest van al in dat onbestemde land tussen de dag en de nacht. Net voor de zon de kim gaat kussen. Niet zoals anders slokt het donker de geluiden op. De muezzin klimt de minaret op en schraapt al zijn keel. Want deze keer gaat iedereen luisteren. Schotels worden dampend op tafel gezet. Water, dadels, vruchtensap. Sigaren en aansteker grijpklaar gelegd. Hoort!, hoe de mensen zich naar hun huizen haasten. Geroezemoes en gekonkelfoes. Tot dan, de muezzin zo verlossend de nacht inzingt. Komen eten! Daar tinkelt overal het bestek. De iftar begint. En later, terwijl de volle maan over de stad zeilt, waaien vanaf de minaret eindeloos woorden aan tot bij de sterren en wie het horen wil. Alles komt goed, zo klinkt het. Als sprookjes van duizend en één nacht. Op ons terras zijn onze avonden gevuld. Van een wereld rondom waar wij maar schaars deel aan hebben. Af en toe breekt de klap van een vuurpijl buiten of het sissen van een voetzoeker. Wij denken na over de dagen. Over de tijd die nu met twee tempo’s lijkt te gaan: loom en trager, nerveuzer en koortsachtig rijk en vol. Tot op een nacht percussie en een lallende stem tegen mijn slapen komen gebotst. Bijna roep ik om mijn moeder. Tot ik weer weet dat ik zelf mama ben – hopelijk sliepen de dochters er doorheen. Dwars door ons huis lalt de man, zo lijkt het wel. Zijn stem verwijdert zich, maar het bonzen stopt niet. Of neen, dat is mijn hart. Op de klok is het twee uur dertig, 2.30u in de ochtend! ‘Het is niet omdat jullie Moslims het nachtje doordoen, dat je ons erbij moet betrekken!,’ denk ik het hele ontbijt lang. De volgende nacht is de lallende man er weer. Heeft nu nog geen enkele buur hem een schoen toegeslingerd? En de nacht daarop opnieuw. Wat een tolerantie! Of er moet een verband zijn. En zoals met alle raadsels in dit samenleven hier, leg ik het voor aan mijn Mevrouw de Uil. Mevrouw de Uil, dat is Miss Hanan. Zij is de directrice van het schooltje. Miss Hanan, voor wie ik een groeiend respect koester. Niet in het minst omdat zij de mooie combinatie bezit van gulle wijsheid en kinderlijke blijheid. Wanneer ik voor haar de nachtelijke onderbrekingen van percussie en dronkemansgebras op mijn vingers tel, beginnen haar ogen te glinsteren. ‘Bestaat dat nog?,’ roept ze uit, ‘Waar woon jij wel?’ Zij spreekt de woorden alsof zij daar ook wil wonen. Want in onze wijk, zo blijkt, flakkert een oud gebruik weer op. De trommelaar. In ruil voor wat eten haalt hij de mensen uit hun bed. Zo hebben ze tijd genoeg voor de maaltijd tot de muezzin weer tot de orde van het vasten oproept. In de zomer wordt het vroeg licht. De nacht daarop gaat de folklore aan mij voorbij. Ik word niet meer wakker. Ramadan kareem!

Marjanne Sevenant
0 0

To be

Lieve landmeter, Slechts rakelings zijn onze levens langs elkaar gescheerd. En toch, niet omwille van de alliteratie hierboven, noem ik jou ‘lief’. Je was, na al die maanden in dit land, de eerste die mij vroeg of jouw roken in mijn buurt mij niet stoorde. Alleen al daarom. Veel weet ik niet over jou. Je afkomst en je beroep. Vanwaarbenje en watdoeje. Dat was genoeg voor mij. Het riep een wereld voor me op. Landmeter, uit Syrië. In het lauwwarme uur aan het eind van de dag legden onze schaduwen zich samen op de stenen zitjes van het Romeinse theater in het hart van Amman. De kleine vedetten van de avond lieten op zich wachten. Niets in in dit land begint op tijd. Jij en ik geraakten aan de praat. Of ik het niet erg vond dat het theaterstuk Arabisch gesproken zou zijn, wou je weten. Ik weet niet of ik jou heb kunnen uitleggen hoe ik daar hoegenaamd niet aan tilde. Dat het voor mij genoeg zou zijn om te zien en te horen. Shakespeare door een groep kinderen uit het grootste Syrische vluchtelingenkamp in Jordanië: Zaatari. Shakespeare en Zaatari in één zin, dat volstond. Van België wist je dat het er goed leven is. En je kende één stad: Brugge! (Van de film “In Bruges”.) A small town, zei je, almost a village. Tjaa. En je had gehoord dat in België homo’s homo’s mogen zijn. Ik stond bij die kennis van jou niet lang stil. Maar achteraf beschouwd, je witte T-shirt met een V-hals tot net boven je gitzwarte borsthaar, wie zal het zeggen en wat doet het er toe. In Damascus heb je nog familie wonen, vertelde je. Ze willen er niet weg. Het is er relatief rustig. Zou dat op den duur wennen, dat geroffel in de verte en mensen die daarvan sterven? Ik heb het jou niet gevraagd. In Saudi Arabia had je een goeie job. Maar tegenwoordig is de verblijfsvergunning voor een Syriër jou te duur. Dus leef je in Amman. Illegale ober (maar zo ga ik jou dus niet aanspreken). Je hebt vele vrienden hier. Allemaal Syriër. Verbeeldde ik het mij of ging er een rilling door de lauwe tribunes, toen over het orchestra daar beneden plots een kleine jongen zonder benen werd gerold? Een andere jongeman, ook in een rolstoel, tilde de jongen op tot ver boven zijn hoofd, tot dichtbij het heldendom. En schaterlachen dat die twee deden. Zoveel andere dingen om naar te kijken in dat Romeinse theater, maar volgens mij had iedereen net dat gezien. Kreeg jij, lieve landmeter, daar ook kippenvel van? En toen begon het. Een roedel zwarte kopkes stoof het theater binnen. Samengebracht door de echte tragedie en de tragedie van Hamlet. Glitterpailletjes, sluiers, speelgoedzwaarden, krullepruiken, koning en prinsessen. Ze speelden het woestijnstof van de stenen. Boven het theater werd de avond van terracotta. Tegen de moskeeën knipte het groene neonlicht aan. Hoog aan de hemel dansten twee vliegers muisstil. Toen begon de stad de zonsondergang in te zingen. In het theater stroomden alle grote mannen tussen de tribunes naar buiten en haastten zich naar het gebed. Maar niets bracht de jonge acteurs uit het lood. Niet alleen door een taalverschil had ik het eind van het stuk niet zien aankomen. Toen de nieuwbakken acteurtjes zich in lange rijen opstelden, en met hun kartonnen wapentjes fiks in de hand de steile trappen tussen het publiek omhoogklommen. Toen het plots zo luid en overtuigd uit hun borstkasjes klonk: “To be or not to be!”. Tot ver boven de vliegers ging het. “To be or not to be!”. Ik hoor het nog in mijn hoofd! Het was geen stofje in mijn oog wat mij parten speelde. Na het eindeloze applaus voor het stuk, en voor veel meer, gingen jij en ik elk weer naar ons eigen leven. Ik kwam thuis en sloeg stomweg de krant open. Een fotoreportage. Een meute zwarte kopkes in het rosse gras. Met zelfgemaakte speelgoedwapens in de weer. Het konden mijn steracteurtjes zijn. In de velden rond hun vluchtelingenkamp in Jordanië waren ze aan het oefenen voor Shakespeare’s tragedie. Dat dit in mijn Belgische krant kwam! Tot ik de titel boven de reportage las: Kindrebellen. En de tekst langs de foto’s. Deze kinderen waren niet in Zaatari. Ze waren nog op het Syrische platteland. Ze hielden generale repetitie voor een echte tragedie. Lieve landmeter uit Syrië, naar de tragedie in je land kijk ik evenzeer met ongeletterdheid. De plot begrijp ik niet en evenmin zie ik het einde aankomen. Maar tegen beter weten in hoop ik heel vurig dat jij binnenkort weer land mag meten ginds. Het ga je goed, hier en nu en ginds en later, Marjanne

Marjanne Sevenant
0 0

Van weg geweest

Er is een knalgeel eendje voor Julie. Het rinkelt en knispert een beetje als je erin knijpt. Ik reik het haar aan. Ze brengt haar beide armpjes omhoog, strekt haar vingertjes uit en plukt het met twee handjes uit mijn handen. Aangereikte dingen met twee handen aannemen, in India heb ik geleerd dat het in Azië een gebaar is van respect. Ik heb het altijd een mooi gebaar gevonden. Alsof je iets ten volle grijpt. Van overal neem je iets mee. Het brengt me bij mijn mijmeringen op de fiets wanneer ik het bochtige pad neem langs de rivier op weg naar mijn werk. De rivier geeft meer stenen bloot dan anders. Het groen is uitbundig nu, het schreeuwt in vele vormen. Mijn mond valt open en er dansen muggen binnen. Ik verslik me in de natuur. Soms ligt een dikke tak op het pad na een donderstorm – zo heet het hier – , waar ik dan mijn fiets overheen moet tillen. Een stuk bos dat praktisch begint aan onze voordeur, en elf kilometer verder praktisch eindigt aan de glazen draaideur van mijn kantoorgebouw langs Pennsylvania Avenue. Een man in uniform met witte handschoenen laat me binnen en wenst me een mooie dag. Stel je dat even voor. Enkele blokken verder ligt het Witte Huis en daarvoor het IMF dat sinds kort een nieuwe baas heeft, ik las het nog in de krant. De dijk ("Boardwalk") in Oceancity Stel je dat even voor. Soms zeg ik dat tegen mezelf. We mogen stilaan beweren dat we een vol jaar hier zijn, een vol jaar niet meer in België geweest. De dingen wennen. Er komen schuurplekjes op het laagje chroom van nieuwigheid. Ik stel dit niet zonder spijt vast. De dingen vallen minder op. Sommige dingen heb je, zonder dat je het wist, volledig aanvaard. Koffie van Starbucks. Bij wijze van voorbeeld. Dat men er koffie uit papieren of plastieken bekers drinkt, als op een Vlaamse kermis of een muziekfestival omdat het daar niet anders kan. Mee-békeren. Dat men je toelaat er allerlei smaken en brouwsels en poeders aan toe te voegen. Alsof koffie pur sang niet lekker zou zijn. Het went. Vorige week bestelde ik een Frappuccino decaf hazelnut flavor no sugar 2% milk no topping, en ik vond het lekker. Had niets meer met café frappé of cappuccino vandoen, maar op zichzelf mocht het er zijn. Of ik neem de metro naar het werk. In het station waar ik opstap, heb ik een gesprek met een Canadese die hier een stage komt doen en zich over de metro in DC verbaast. Onderweg tel ik de Ipads niet meer op één hand – hoe donker ook de metrogangen, er zijn vele vensters op de buitenwereld. In het station waar ik uitstap, heb ik een gesprek met een man die, zo blijkt, voor Obama heeft gewerkt toen die nog senator was. Voor het loket wenst een man van Metro elke reiziger in de stroom een heerlijke dag toe. Zou dit tot zijn welomschreven takenpakket behoren? Ik sluit het niet uit. Boven aan de roltrap hoor ik van een zwarte man dat ik er goed uitzie vandaag. Stel je voor. (Pendelen of op straat komen tout court, is hier goed voor je zelfbeeld of dat van je kind: what a gorgeous baby you have! Nice shoes! Dus: heb je een off-day, ga effe strollen). Ik heb het nooit dagelijks gedaan in België, dit conventionele openbaar-vervoerspendelen. Ik vraag me dus af of een doordeweekse Belgische pendelaarsdag naar hartje Brussel ook zo vrolijk kan starten. Graag traag, spelende mensen in Annapolis Ik vraag me veel af. Of wij, bijvoorbeeld, over enkele weken weer ginds, een laagje chroom van nieuwigheid op de Belgische dingen zullen weten? Nieuwe terrasjes in Gent, bijvoorbeeld. Of oude die er anders dan vroeger uitzien. (Nog gezelliger?). Nieuwe layouts in de wegen, de gebouwen. Een nieuwe regering. Of oude dingen die ons vroeger nooit opgevallen zijn. Onkruid langs de pechstrook. Smalle wegen, tramsporen en kasseistenen. Veel blanke mensen. Hoofddoeken. Authentieke endogene bouwstijlen, die hun plaats kennen. (Toscaanse kerken midden in DC, het wil maar niet wennen). Geen baby change station in elk toilet, en al helemaal niet bij de mannen. Gras in de tuin dat gewoon zichzelf mag zijn, blozend van droogte of gezond groen van regen (liever dat eerste in augustus :-)). Vrouwen van middelbare leeftijd die nog rimpels hebben en ook mooi zijn. In de supermarkt zelf je tassen met boodschappen vullen, niemand die dat voor je doet, je gul een prettige dag wenst, en jou doet wankelen omdat je niet weet of dit allemaal een fooi behoeft. En geen kat op straat die vraagt hoe je het maakt vandaag. Ik vraag me ook af hoeveel Amerika we in België zullen bespeuren. Het nieuwe continent dat het oude verovert. Het is al langer aan de gang. De geschiedenis, maar dan omgekeerd. Ongemerkt gebeurt het. Starbucks komt naar Gent, vind ik geen appetijtelijke krantenkop. Liever heb ik zelf naar Starbucks te gaan dan dat Starbucks naar me toekomt. Een stel nieuwe ogen om naar de dingen te kijken. Het zou reuze zijn. Kristalklare blik. Ze haken zich vast aan de mozaïekjeslamp tegen het plafond. Tot ze moeten lossen omdat ze haar hoofdje geen driehonderzestig graden gedraaid krijgt. Soms kan een hoofd toch ernstig in de weg zitten.

Marjanne Sevenant
0 0

Systeempje

Veel is er niet nodig. Zes blokken, een oud botervlootje, een lege fles, drie ringen, een knoopje aan het truitje. Met korte zuchtjes en kleine handjes dropt ze blokken in potjes, duwt ze ringen tussen de spijlen van haar box, keilt ze de fles naar de dichtste verte, draait ze minutenlang aan het knoopje. Soms doen ook de voetjes mee. Om een potje vast te klampen dat onbedoeld de dieperik in dreigt te gaan. Zuchtjes. Soms wat geneurie. Een mini kortverhaaltje in een klankrijke taal. Er is niemand meer in de kamer. Al ben ik er nog, ik ben van geen tel. Alleen het kleine meisje met haar mini handelingen. Ik kijk en kijk. Of er een systeempje schuilgaat achter de eindeloze verrichtingen van de tien vingertjes. Want met zo’n serieux gebeurt het dat het wel niet anders kan. Misschien zit zij over mij met dezelfde vraag. Of het tokkelen van tien vingers op wat meer knopjes een vernuft systeem verbergt. Soms is er wat meer nodig. Een paar andere handen. Die wuiven naar haar vanop afstand. Ze wuift terug, met één handje. Het andere zit aan haar oor. Dat systeempje ken ik al: een beetje moe. Of een stem vanaf de overkant die zegt: doe maar, je kunt dat wel, je doet het goed. Ik ben er tóch nog. Maar vaak is er niet veel nodig. Zelfs haar tongetje hangt windstil uit haar mond terwijl ze met grote ogen de prompte gevolgen van haar daden observeert. Er hangt een aura van focus en bezieling rond haar box als zij daar is. En stond haar box in Peking, Tokyo of Dakar, het zou niet anders zijn. Zo kijken wij naar haar. En zien onszelf. Onze box staat in Washington. Er is wat materiaal voorhanden. Potten en pannen. Een tournevis. Twee wielen. Of vier. Een weg. Daarmee verrichten wij onze handelingen. We fietsen. Wandelen. We gaan werken. We koken of bestellen. We eten lekker. We verleggen onkruid en grenzen. We duwen doosjes in dozen. We kletsen. We forwarden en deleten. Gooien doosjes weg. We praten. Ontdekken weer nieuwe doosjes die er gisteren nog niet leken te zijn. We slaken grote zuchten. Schudden ons hoofd. Glimlachen. We nodigen uit. We wuiven uit. We onthalen. We smeden banden. Plannen. We ontdekken. We bakken brood. Soms pannenkoeken. We lezen. We kijken. We kijken uit. Maken schoon. We schrijven. Draaien potjes dicht. Zoeken dekseltjes. Niet noodzakelijk in deze volgorde, maar wel vaak in dezelfde volgorde. Of hoe je ook in den vreemde op den duur aan routine gaat doen. Aan systeempjes. We hebben ons gewoontes eigen gemaakt. Of zij ons. We volgen bekende routes. Gaan naar bekende plaatsen. Op dezelfde tijdstippen. Met dezelfde mensen die bekender worden. Ongemerkt is alles vertrouwder geworden. En waren wij in Peking, Tokyo of Dakar, zou het dan anders zijn? Dan is er een man. Temidden van gewoonte. Aan de rand van de luide weg. Wacht hij tot het verlichte mannetje aan de overkant op wandelen gaat staan? Hij wiegt met de heupen. Hij danst bijna. Richt zijn gezicht naar de hemel en lacht bijna. Grote ogen, zo open dat ik in zijn hoofd kan kijken. Hij zou hier wel willen blijven staan. - He’s good, zegt hij dan. Hij knikt naar de andere man die de ziel uit zijn lijf staat te spelen in de grijze metrohal. Tussen de doffe pendelaars is zijn saxofoon van puur goud. - O yè!, zeg ik. Wieg ik nu ook een beetje? - I’ve got all his CD’s. He’s too good for the street. Zijn hand duikt in de zak van zijn mantel. Het mannetje aan de overkant springt op wandelen. De man beent in de andere richting weg. Een dollar in de hoed. De muziek stopt niet. Wel de donderdagochtendroutine. Even. Met een halve danspas op het zebrapad. Veel is er dus niet nodig. Wel net genoeg. En af en toe een stem vanaf de overkant die zegt…

Marjanne Sevenant
0 0