Lezen

Daar ben je

De ochtend was te kort. Het was al na tienen toen je wakker werd. Je veranderde driemaal van outfit. Je hebt je haar in verschillende kapsels willen wrikken. Het hangt nu los, je wrijft de gebleekte lokken onhandig achter je oren. De middenscheiding die je als kind haatte, is vandaag je handelsmerk. Je lipstick, bordeauxrood, heb je in twee lagen aangebracht. Die gaat nergens heen. Niet naar de korst van een broodje, de rand van een glas. Niet naar mannenlippen.   Je proeft nog een mengeling van pompelmoes en tandpasta op je tong wanneer je de deur uitgaat. Je bijt met je kiezen op de binnenkant van je kaken, likt aan de gladde littekens van gisteren. Je blik komt stuurs over op de mensen die je ontmoet op de stoep. Je wangen naar binnen gezogen. Goed geslapen maar slecht wakker geworden.   Aangekomen in het restaurant dringt de dag zich aan je op. Collega’s vragen hoe je vrijdagavond was. Je vertelt over een avondje op café met een concert. Je haalt plezier uit het opvullen van de zoutvaten en servetbakjes. Je schikt de bloemenkleedjes tot de punten symmetrisch over de zijden van de tafels vallen. Je schrijft de specials op het krijtbord terwijl de eerste klanten een tafeltje uitkiezen.   Je zou willen dat ik binnenkwam, nonchalant mijn hand naar je opstak en lachte. Dat ik onhandig tussen de tafels door laveerde, ver weg van andere klanten ging zitten, een iced tea bestelde en op mijn smartphone begon te tokkelen. Dat je in je pauze bij me kon komen zitten met verse soep voor ons beiden. Je zou luisteren naar mijn verhalen en lachen om mijn grapjes. Je zou me vragen of ik wat spulletjes voor je kon verhuizen met m’n auto. Ik zou gespeeld zuchten en een geschikt moment afspreken.   Maar je ziet me niet binnenkomen en niemand brengt me iced tea. Je vangt in een vreemdeling een glimp van me op door het raam. Je hoort me in een flard van een gesprek. Je pauze is gewijd aan een boek terwijl je je soep behendig naar binnen lepelt, zonder je lipstick te schaden. Je leest jezelf een halfuur lang weg uit het restaurant, uit de stad. Met een servet dep je behendig je mondhoeken schoon voor je weer aan de slag gaat.

cielien
2 0

Alles voor Lena

(Vervolg op "Lena")   Steven had zonet zijn vriendin bedrogen, maar hij kon niet anders. Ze had hem gedwongen – dit geschifte meisje dat plots in zijn appartement verschenen was. Ze had hem proberen te verleiden, maar dat was niet ge­lukt, natuurlijk. Je kan toch niet zomaar in iemands leven ver­schij­nen, hem op­slui­ten in zijn eigen stu­dio, en dan verwachten dat hij met je naar bed gaat? Maar het moest, zei ze. “Anders kleed ik me aan en ga ik weg, maar wie weet wat er dan gebeurt met die Lena van je...” Hij had Lena bedrogen, maar het was om haar te beschermen. Hij had het amper gekund, hij kon zich niet aangetrokken voelen tot deze onbekende indringster die God weet wat met zijn Lena gedaan had, laat staan dat hij opgewonden zou geraken. Maar ze bleef aandringen, bleef Lena bedreigen. Uiteindelijk had hij het gedaan, aarzelend, ge­for­ceerd, haast emotieloos. Op handen en knieën op de matras, zoals hon­den – hij had gezegd dat dat zijn favoriete standje was, maar de waarheid was dat hij haar gezicht niet wou zien. Hij kon het niet zolang hij haar krank­zin­ni­ge ogen voor zich zag. Het was maar matig goed geweest, vond ze, maar voor een eerste keer viel het nog wel mee. Hij lag hijgend op zijn rug en staarde naar het plafond. Karen lag naast hem, op haar zij, en streelde zijn borstkas. Hij liet haar begaan – hij had belangrijker dingen aan zijn hoofd. Zijn kater was helemaal verdwenen en had plaats gemaakt voor een al­les­om­vat­ten­de angst, het gevoel dat hij dringend iets moest doen, hier en nu. Om Lena in veiligheid te brengen, en zichzelf. Maar hij wist niet wat. Plots werd er op de deur geklopt. “Sst,” fluisterde Karen. “Doe alsof er niemand is.” Hij gehoorzaamde. “Steven? Ik ben het! Ben je thuis?” Lena! Het was Lena’s stem! Was ze kunnen ontsnappen, van waar ze dan ook werd vastgehouden? Of werd ze helemaal niet vastgehouden – had Karen het allemaal maar verzonnen om hem in haar macht te hebben? Had hij zijn vriendin bedrogen met een of andere psychopate omwille van een verzinsel? Hij verdrong die gedachte naar de achtergrond – het deed er niet toe, niet op dit moment. Karen was ongewapend, haar enige wapen waren haar dreigementen over Lena geweest. Hij was veel groter, ongetwijfeld veel sterker dan zij. Hij kwam bliksemsnel recht, ging bovenop haar zitten en greep haar bij de keel. Ze gilde en spartelde met armen en benen, ze krabde zijn vel open met haar nagels, maar uiteindelijk kreeg hij haar in een positie waarin ze niet meer kon bewegen. “Lena!” schreeuwde hij zo luid als hij kon. “Ik kan niet opendoen, Lena, ik word hier gegijzeld! Je moet de politie bellen!” “Wat!?” Lena klonk verbijsterd. Karen had waarschijnlijk niets met haar gedaan. Godzijdank. “Bel de politie, Lena, nu!” Hij keek om zich heen, zocht iets waarmee hij Karen kon vast­bin­den. Hij mocht haar niet laten ontsnappen, wie weet waar ze nog al­le­maal toe in staat was. Maar hij was uitgeput – hij zou haar niet lang meer in bedwang kunnen houden. Zijn schoenveters. Het was het enige wat hij zag. Zijn schoenen ston­den een meter of twee van het bed. Even keek hij haar aan, dacht na. Toen kwam hij in actie. Hij knelde zijn arm stevig om haar nek, drukte haar tegen zich aan en dwong haar om op te staan. Ze sloeg en schopte om zich heen als een bezetene, maar hij slaagde erin haar tot bij zijn schoenen te sleuren. Pas toen hij haar met handen en voeten stevig aan het bed had vastgebonden, liet hij haar los en ging hijgend op het bed zitten. Een zwakke, pulserende pijn verspreidde zich rond de bloedende wondjes die haar na­gels op zijn armen en borstkas hadden achtergelaten. Karen keek hem aan met betraande ogen en schudde haar hoofd. “Het had zo mooi kunnen worden.” zei ze, diep teleurgesteld. Hoofdinspecteur Jacques De Groot vloog met een luide knal de kamer in – splinters hout en verf vlogen in het rond. Vóór hem lag de houten voordeur verslagen op de grond. Inspecteur Saskia Verlinden schoot hem pijlsnel voorbij, haar armen gestrekt voor zich uit, haar pistool naar binnen gericht. “Politie! Handen omhoog!” Een man van een jaar of vijfentwintig keek hen verdwaasd aan. Hij stond op van het bed en stak zijn handen in de lucht. Hij droeg een groene geruite pyjama met korte broek. Hij zag er ongewassen en on­ge­scho­ren uit en keek alsof hij van een andere planeet kwam. Terwijl Verlinden hem onder schot hield, scande De Groot de rest van de kamer. Op het bed lag een meisje van ongeveer dezelfde leef­tijd. Ze had lang bruin haar en een bleke huid. Ze was naakt en aan handen en voeten gekneveld en lag ontroostbaar te snikken. Verder was er niemand. Zoals het hem destijds was aangeleerd, liep De Groot met zijn rug naar de muur gekeerd op de enige deur af. De badkamer. Niemand. “Alles veilig!” riep hij. Hij nam een paar handboeien van zijn riem en bond de armen van de man op zijn rug. Hij gebaarde met een hoofdknik naar het meisje op het bed. “Ga haar maar helpen. Ik ken haar van ergens, denk ik.” Verlinden liep naar haar toe. “Het is oké,” zei ze. “Wij zijn van de politie.” Ze sneed de veters door en bevrijdde haar. Het meisje trok de deken over haar naakte lichaam en bleef huilend op het bed zitten. Verlinden legde haar arm over haar schouders. “Alles komt in orde nu, maak je maar geen zorgen. Hoe heet je?” “Karen. Karen Dewinter.” “Zijn dit jouw kleren?” Ze knikte. Saskia Verlinden stond op, raapte het hoopje kleren op van de grond en gaf ze aan het meisje. “Trek die maar aan en wacht dan even hier, wil je. We hebben zo met­een nog een paar vragen voor je.” Ze knikte opnieuw en droogde haar tranen met een mouw van haar blouse. De versterking was gearriveerd. De Groot gebood één van de agenten de jongeman mee te nemen voor verhoor. De man spartelde hevig tegen en schreeuwde dat het een vergissing was en dat hij onschuldig was, maar de agent luisterde niet. “Je mag alles rustig gaan uitleggen op het politiebureau,” zei hij kalm. Verlinden liep op De Groot af en leidde hem mee een paar meter van bij het meisje vandaan. “Jacques, ze heet Karen Dewinter,” zei ze met gedempte stem. “Is dat niet dat meisje dat al een week vermist is?” De Groot knikte. “Juist! Ik wist dat ik haar gezicht herkende. Maar op onze foto’s is ze blond, hij moet haar haar geverfd hebben.” “Kan zijn. Zijn vriendin, of wat ze ook is, heeft net zo’n haar...” “Het is toch niet te begrijpen wat sommige mensen allemaal doen,” mompelde De Groot. “Ik ga alvast naar het bureau om die man en zijn vriendin te on­der­vra­gen,” zei hij toen. “Kan jij hier afronden? Kalmeer haar een beetje en doe zo snel mogelijk een spermatest, ze is zo goed als zeker mis­bruikt. En check ook onder haar vingernagels – als ze zich verzet heeft vind je daar waarschijnlijk zijn DNA.” “Komt in orde, Jacques.”  

Jan August
3 0

Dreiging

Op een nacht ontwaakte ik door onbestemd gestommel op de trappengang. Of door mijn oververzadigde maag die me parten speelde. Een nachtje stevig op café gaan met slechts trappisten op het programma, gevolgd door een uur stomdronken en lamlendig voor de buis hangen en een liter bruiswater met citroensmaak in mijn keelgat kappen, brak me zuur op. Mijn ogen, waaruit de slaap stilaan wegebde, gaven uit op het venster, waardoor de prille belofte van een nieuwe dageraad me in mijn gezicht uitlachte. Het residu van een treiterende droom rammelde nog heftig aan mijn ratio, beneveld door het gamma aan alternatieve levenslopen die de nacht mij de afgelopen drie uur had voorgeschoteld, en een familiaire terreur, waar ik de vinger toch niet op de wonde kon leggen, raasde door mijn bedlegerige lijf. Ik had ergens van gedroomd maar ik kon het waanzinnige idee dat die droom zich op de één of andere manier had voortgezet in mijn slaapkamer, maar niet van me afschudden. Ik draaide me op mijn linkerzij en staarde recht in het duistere gelaat van een klein gebouwde man, die zich op een halve meter van mijn bed op een stoel had geïnstalleerd, klaar om op mij te springen en met alle macht mijn keel dicht te knijpen. Ik twijfelde geen seconde over de ernst van deze reële dreiging maar bleef desondanks als versteend op mijn zij liggen, en de staat waarin ik zijn gevreesde aanval afwachtte, was er één van ongebreidelde doodsangst. Alsof hij niet wist dat ik wakker was en hem in het steeds minder volmaakte duister had ontwaard. Als hij een spel met me speelde, was het er één van een ongezien sadisme. Hoe was hij trouwens mijn appartement binnen geraakt? Wat kwam hij hier aanvangen? Wou hij me doden? Paniek en paralyse worstelden om de bovenhand, de angst beroofde me van elke drang tot actie. Stilaan werd de dreiging minder werkelijk en galoppeerden de eerste voorbodes van twijfel over de door angst verschroeide vlakte van mijn hart. Nu duurde het niet lang meer voor ik me recht durfde te zetten en mijn arm naar de man op de stoel te slingeren. Het was mijn kapstok met loopkledij erover gedrapeerd, zo bleek. Natuurlijk was het mijn kapstok met loopkledij. Wat anders? Voor enkele minuten was het de man, een spinsel uit een zoveelste hallucinatie, toch maar gelukt om de poorten van de nacht te doorbreken en zich in de pas heroverde werkelijkheid te komen nestelen. Lang duurde dit alles niet en ik was het hele voorval al gauw vergeten. Maar het waren de meest angstaanjagende momenten van mijn leven.

Gert Vanlerberghe
0 0

Laatste tweede kans

Gij bent mijn muze, de reden waarom ik dit doe. Gij bent degene die mijn inspiratie meenam, ge nam ze mee toen ge me daar liet staan. Mij, mijne Duvel en uw woorden die weergalmden, liet ge achter in de eenzaamheid! Sorry zei ge, alsof da me iets kon schelen, alsof da mij ging helpen. Gij denkt altijd, da woorden alles oplossen, dat daden beter zijn maar woorden overheersen. Gij denkt da de pijn en de manier waarop gij mensenkennis hebt en mij kent zonder da ik iets vertelde, da da nie samenhangt. Gij lijkt naïef. Gij waart ooit naïef, ooit, toen de liefde nog nie kwetsend was geweest, toen de vrienschap nog nie verloren had. Blijkbaar had ik geen mensenkennis en was ik de naïeve, want ik geloofde in kansen geven terwijl ge beter wist, ik geloofde ooit ook in tweede kansen. Maar da geloof is nu, sinds de laatste tweede kans, weg. En volgens u is da perfect want gij sprak tegen mij en ik hoorde meteen. Gij sprak woorden die de wereld nie kende, die het overnamen van taal. Woorden die boven mij zijn blijven zweven, die me nooit volledig bereikt, maar wel geraakt hebben. Soms lijkt alles ons veel te simpel, soms denken we dat wijn alles oplost. Maar mensen kunnen hun problemen niet verdrinken, het zijn en blijven goeie zwemmers. Gij dacht da ooit ook, en ik nu nog. Gij drinkt, nie om te vergeten maar om te drinken. Ik, ik wil vergeten, verdoofd zijn en niet meer te hoeven denken. We hebbe beide zo vaak en zo lang gedacht, er kwam niks nuttig uit. Denken, we stoppen er nooit mee. We willen denken, zoda we niks stom doen. Maar hoe kunde dan uit uw fouten leren. Hoe kunt ge 100% zeker zijn van iets, als ge het nog nooit hebt geprobeerd? Gij denkt da zekerheid alles is, da zekerheid liefde zonder pijn biedt. Gij gelooft nie in een mogelijkheid om nie gekwetst te worden en ik geloof nie in liefde. Er staat veel op het spel, als liefde wordt gespeeld.

Mayke
0 1

Parijs en de Seine

Ik wou bij u zijn, in uw armen liggen. Maar gij wou nie, gij wou te weinig. Gij wou de wereld even verplaatsen tot een bol in uw hand, gij wou regeren liever dan liefhebben. Gij wou te weinig, ik wou te veel en gij wou nog meer. Ik wou wijn, een stoof en gij als echt verwarmend element in mijne zetel. Ik wou praten over Parijs, Disneyland desnoods, over varen op de Seine en Australië bezoeken, da klinkt nie als u en al zeker nie als mij. Ik wil nie terugdenken aan toen maar genieten van het nu, van de zoveelste wijn en zoveelste sigaret. Van u bij mij, al is't weeral maar voor even. Ik wil verdrinken in uwer woorden en zinnen, dromen van uw ogen en spontaan lachen als gij lacht. Genieten van even nie uw tweede prioriteit te zijn maar uw eerste, da's een fenomeen da nie veel voorkomt in ons geval. Want gij smijt graag, met mijn hart, mijn hoofd en al zeker smijt ge mij graag weg. Gij weet da ik daar bovenop kom, da ik kan doorzetten zonder openbaar te wenen, gij weet da ik sterk ben, goed kan doen alsof ik sterk ben en da trekt u aan. Da trekt u aan en gij komt terug, me hangende poten en tranende ogen, gij komt terug. Gij komt altijd terug, elke keer opnieuw. Gij bent de zwakke, het sterkst in het zwakke geslacht zijn. Ik hou van uwe leeuw, uw pantser, zo beschermend maar vooral dominant ten opzichte van uw hert, uw hart waar ik hou nog meer van hou maar ik hou het meest van u, van uw echte ik. Ik hou van u maar ik haat u, ik haat uw levensstijl en uw allures. Ik haat hoe gij mij kunt doen denken da ik gelukkig ben, hoe gij mij naïef genoeg maakt om da te geloven. Subiet bent gij weer weg en dan lig ik hier weer alleen en gij bij haar. Dan ligt zij naar u te dromen, gij naar haar en ik naar mijn plafond. Naar da wit plafond waar gij ooit ook naar lag te staren, meermaals. Da ge op een dag zwart hebt geverfd omdat het te geel was geworden van de sigarettenrook en zwart kon nie verkleuren. En de laatste keer da gij lag te staren naar mijn plafond, is de nacht da ik u heb verlaten, nie enkel u maar iedereen en alles omda gij mij had verlaten. Gij had mij verlaten en ik had pijn, dodelijke pijn. Fysieke en mentale pijn, en al bent ge soms terug hier, ik heb iedereen verlaten omda gij mij had verlaten.

Mayke
2 0

Lena

Het snerpende geluid van de wekker begon geleidelijk tot hem door te dringen. Godverdomme, nu al. Het leek alsof hij nog maar net gaan slapen was. Een bonzende pijn in zijn voorhoofd. Hij kroop verder weg onder zijn deken. Maar het hield niet op. Zijn keel was droog, zijn oren suisden. Zijn maag zat in de knoop. Waar was hij allemaal geweest gisteren? Hoe was hij thuisgeraakt? Hij herinnerde zich vaagweg een donkere bar. Gepraat. Bier, wodka, wat nog allemaal. Hij moest pissen. Kotsen ook misschien. Maar hij wilde nog niet uit de warme cocon van de deken komen. De wekker bleef maar lawaai maken, het gepiep ging door merg en been. Woedend mepte hij overal op zijn nachtkastje, tot het stil werd. Rust. Waarom moest hij opstaan? Moest hij ergens zijn vandaag? Hij opende zijn ogen. Het was donker in de kamer, maar door de spleetjes in de rolluiken priemden straaltjes daglicht naar binnen. Hij rolde zich op zijn andere zij. De kamer bleef nog even nadraaien. Zijn maag keerde zich om. Naast hem lag Lena. Met haar rug naar hem toe, en het deken zo hoog opgetrokken dat enkel haar lange bruine haren er nog bovenuit kwamen. Aah, Lena. Toch iets goeds deze morgen. Hij kroop dicht tegen haar aan, tot hij haar warme lichaam kon voelen en haar haren kon ruiken. Ze roken vreemd, anders dan anders. “Liefje, ben je wakker?” Hij klonk hees. “Mmmm.” Hij glimlachte. Haar stem klonk een beetje raar. Waarschijnlijk ook te veel ge­dron­ken, te hard ge­schreeuwd in bars en cafés. Hij streelde haar rug. Haar rug was bloot. En warm. Lena droeg altijd een oud t-shirt in bed, anders kreeg ze het koud, zei ze. “Lena?” “Goeiemorgen, lieverd...” Hij trok zijn arm terug, ging abrupt rechtop zitten – té abrupt. Hij voelde hoe zijn maaginhoud brandend zijn slokdarm inliep en weer zakte. De hele kamer draaide in verwarrende cirkels om hem heen. Lieverd? Lena haatte dat woord. Hij deed zijn nachtlampje aan. Ze draaide zich om en keek hem aan. Het was een mooi meisje, ongeveer zo oud als Lena. Ze had ook lang bruin haar, maar niet hetzelfde bruin, zag hij nu. En verder leek ze absoluut niet op Lena. What the hell... Zijn hersens werkten op volle toeren, voor zover ze dat konden – de kamer bleef maar draaien. Wie was ze? Hoe kwam ze hier? Had hij haar meegebracht? Had hij met haar— Was hij echt zó dronken geweest? Nee. Dat kon niet. Dat mocht niet. Zoiets zou hij nooit doen. Lena zou het hem nooit vergeven. “Kerel, je kijkt alsof ik een zombie ben... Je moet jezelf anders eens bekijken...” Het meisje lag hem glimlachend aan te kijken, met de deken nog steeds tot aan haar kin. “Ik... Euh... Wie ben jij?” “Oh Steven,” zei ze wanhopig. “Herinner je je echt niet wie ik ben?” Hij schudde verward zijn hoofd – zijn hersens klotsten heen en weer in zijn schedel. Ze zuchtte. “Ik ben Karen...” “Karen...” Hij kende geen Karen. Dat dacht hij toch. Denken, Ste­ven, denken! Ze schudde haar hoofd. “Ik hou dit niet meer vol, Steven... Ik hou van je, maar dit... Dit kan ik niet meer aan...” Ik hou van je? “Wat? Wie... Wie ben jij? Waar is Lena?” “Lena is dood, Steven.” Dood? Lena? Hij hoorde zichzelf bazelen, schreeuwen, maar wist niet wat hij zei. Hij vloog op haar af, greep haar vast, rolde samen met haar de grond op – hij hoorde haar gillen, hoorde zichzelf roepen. “Wat heb je met haar gedaan? Wat heb je met haar gedaan?” Eindelijk besefte hij weer wat hij aan het zeggen was. En toen be­sef­te hij dat hij bovenop haar zat, dat hij zijn handen om haar nek gekneld had. Ze keek hem verschrikt aan. Hij liet haar los, deinsde hijgend achteruit. Duizelig staarde hij haar aan, kon zijn blik maar niet gefocust krijgen. Ze lag op de grond op haar rug, naakt op een roze slip na. Lena had net zo’n slip. Ze was bijna even mooi als Lena. Maar hij wilde niet naar haar kijken, hij wilde haar blote lichaam niet zien, hij wilde het niet in zijn kamer! Wat zou Lena zeggen... “Steven!” riep ze hijgend. “Ik heb niets gedaan, Steven. Ze heeft een ongeval gehad – jullie hebben een ongeval gehad, je zat naast haar. Ze moet even de controle zijn kwijtgeraakt, of – ze weten het eigenlijk niet goed. Ze was op slag dood, Steven. En jij—” Ze zweeg even. “Ik kan het niet meer aan, Steven, het duurt nu al maanden...” Een traan liep over haar wang. “Ik weet dat je van me houdt, dat zeg je elke avond, en elke avond hoop ik dat je me ‘s morgens nog zult herkennen, maar—” Hij schudde zijn hoofd. Dit kon niet waar zijn. Hij wilde iets zeggen, hij wilde duizend en één dingen zeggen maar kreeg niets over zijn lippen. Hij had geen idee wat hij de avond ervoor gedaan had, hoe hij aan deze kater kwam – was het wel een kater? Hij stond op en zwalpte naar de badkamer. Hij moest pissen. En nadenken. Hij ging zitten op de toiletpot, bang dat hij anders zou omvallen. Dit kon gewoon niet waar zijn. Hij was gisteren gaan werken, zoals altijd, en ‘s avonds zou hij naar een feestje gaan. Was het toen gebeurd – was dat toch niet gisteren geweest? Hij zette de radio aan, het kleine blauwe radiootje dat Lena absoluut in zijn badkamer had willen zetten – ‘een streepje muziek onder de douche,’ zoals ze dat zo mooi zei. Hij draaide verwoed aan de knop tot hij een nieuwszender vond. Twaalf januari zeiden ze dat het was. Maanden? Hij herinnerde zich Nieuwjaar nog, toen was hij met Lena bij vrienden gaan eten, ze hadden het zaligste feestmaal allertijden klaar­ge­maakt. Het klopte niet, natuurlijk klopte het niet. Het nieuws begon, het ging over terrorisme in Parijs. Daar ging het gisteren ook over. Er zat geen maandenlang hiaat in zijn geheugen, enkel die ene avond. Te veel gedronken, veel te veel, dat was alles. Maar wie lag er dan in godsnaam halfnaakt in zijn slaapkamer? Hij stond op, stak zijn handen onder de kraan en kletste flink wat koud water in zijn gezicht. Wat had ze in godsnaam met Lena gedaan? Hij gooide de deur open en stormde de slaapkamer in. “Je liegt!” schreeuwde hij. “Je liegt! Wie ben je en wat heb je met Lena gedaan!” Ze lag languit op het bed met één been gestrekt en het andere opgetrokken en keek hem aan met een wulpse blik. Haar rechterarm lag uitgestrekt op het bed, haar hand op zijn kussen. “Kom hier, lieverd, ik hou van je.” Het klonk gebiedend, zelf­ver­ze­kerd. Niet zoals daarnet. Hij zocht zijn gsm. Hij moest Lena bellen, haar stem horen. “Vind je mijn haar niet mooi zo misschien?” vroeg ze teleurgesteld. “Is het niet de juiste kleur?” Waar had hij zijn gsm gelaten? Niet op zijn nachtkastje. Hij zocht in de zakken van zijn jas, zijn broek die over een stoel hing. Daar was hij. “Lena’s huid is bruiner, niet? Is het dat? Daar kan ik wel aan werken als je wil hoor...” Hij ging niet aan, de batterij was leeg. Hij vloekte. Hij moest Lena bellen. En de politie – plots besefte hij dat hij de politie moest bellen. Bij de buren dan maar. Hij stormde naar de voordeur. Op slot. Er zat geen sleutel op. Hij haalde nooit de sleutel van de deur als hij thuis was. Hij begon als een waanzinnige aan de deur te rammelen – tevergeefs. “Ik denk dat je best even rustig aan doet,” zei het meisje kalm. Hij keek naar haar. Ze lag nog steeds op het bed, in exact dezelfde pose. “Het was ge­mak­ke­lij­ker geweest als je me geloofd had, maar goed...” Ze draaide zich op haar zij en keek hem aan. “Luister, lieverd, ik ben helemaal van jou en ik doe alles wat je wilt in dit bed, oké? Ik beloof je dat ik stukken beter ben dan die Lena van je.” Terug die zelf­ver­ze­kerde, ietwat hautaine toon. “Maar als je zo bezorgd bent over haar, kan je best even doen wat ik zeg: er wordt niet ge­schreeuwd, er wordt niemand ge­beld, en we gaan ner­gens naartoe. En geen woord meer over haar.”  

Jan August
3 0

Een aap en zijn bananen aka Cafépraat

“Je kunt een hongerige aap zijn bananen niet zomaar afpakken.”Ik zette mijn pint terug op de toog en keek mijn beste vriend Mark niet begrijpend aan. Had ik iets gemist in onze conversatie? Waar en wanneer zijn we over apen begonnen? Schrap die vraag en vervang het door een belangrijker raadsel: wanneer zijn we over bananen begonnen?Nu, ter mijner eigen verdediging... ik was op dat ene cruciale punt van iedere gezellige avond aanbeland waar ik een beetje moeite had om een gesprek te volgen.“Hoe bedoel je?” Vroeg ik, zo nonchalant mogelijk en in de hoop dat ik niet liet merken hoezeer ik de draad kwijt was.“Awel, uw eten laat je je niet zomaar afpakken. En ge moet stapelzot zijn om zo'n aap te ambeteren. Die beesten zijn ijzersterk en hun hoektanden zijn scherper dan die van gelijk welke vleeseter.”Ondanks een zeker alcoholpercentage dat door mijn lijf gutste, begon er in mijn hoofd een uiteenzetting over Darwinisme vorm te krijgen. Ik stond op het punt om aan mijn betoog te beginnen toen ik merkte dat ik een schoolbord en gekleurde krijtjes nodig had. Ongecontroleerd ging ik van: “Euh...”Dat was het teken dat Mark nodig had om verder te gaan met zijn verhandeling.“Duiven daarentegen zijn helemaal anders. Die eten totdat ze ontploffen. Ofwel eten ze teveel, hun maag scheurt en de duif zegt splut. Ofwel eten ze iets dat ze niet kunnen verteren, dat blijft in de maag zitten die daardoor scheurt en de duif zegt...”“...Splut?”“Heel juist, wat moet je nog drinken?”“Een groene cola...” Stamelde ik. “Maar weet je dat een duif zijn calorieën...”Voordat ik mijn uiteenzetting kon afwerken kreeg ik mijn groene cola en moest er geklonken worden. De cola smaakte me niet, maar ik had nu eenmaal het besluit genomen om naar huis te stappen in plaats van te strompelen. Ik dronk de cola snel op en bestelde me een tweede.“Een olifant kun je niet voor je kar spannen.” Verklaarde Mark.Mijn tweede cola besloot op dat moment om een bezoekje te brengen aan mijn sinussen.“Pardon?” Terwijl ik de cola uit mijn neusgaten probeerde te snuiten.“Ten eerste is dat een wild beest en wilde beesten kun je, of beter gemompeld, mag je niet temmen. Ten tweede vreet zo'n beest de oren van je lijf. Het zou beter zijn als dat beest zijn eigen oren opvrat...”Hilariteit alom en we lachten zo hard dat de drank moeite had om in het glas te blijven. Mark hikte nog na terwijl hij verder vertelde.“En ten laatste, je kunt een walrus geen harnas omdoen.”Ik was de weg weer eens kwijt. Niet voor het eerst deze avond en, Algemeen Gesproken, ook niet voor het laatst.“Hadden we het niet over olifanten?”“Olifanten, walrussen, walvissen en dolfijnen. Allemaal dezelfde beestjes! Ze zijn allemaal...” Mark had/deed (schrappen wat niet past) heel veel moeite om zijn vingers te verstrengelen.“... interwinnend.”“Ah ja, DNA.” Ondanks zijn gebrekkig Engels wist ik wat Mark bedoelde.“Neen, neen. Het gaat veel dieper dan dat.”Terwijl ik weemoedig mijn cola verder opdronk, beschouwde ik de religieuze toer die deze discussie onherroepelijk opging.“Alles is met alles verbonden: de planten en de dieren.”“Fauna en Flora?” Hielp ik Mark.“Ja, die ook. Ik zie dat ge mee zijt.”Ik begon aan mijn derde groene cola terwijl ik dacht dat deze conversatie misschien beter te volgen kon zijn mocht ik laveloos, stomdronken en/of poepeloere zat zou zijn. Dat zou echter zonde zijn van die cola, nu ik die toch had. Vol vuur ging Mark verder met zijn redevoering.“Ja, ge moet weten dat diep van binnen alles met elkaar verbonden is door een mysterieuze, bijna goddelijke kracht.”“Bijna goddelijk? Ruimtewezens misschien?”Mark negeerde mijn laatste opmerking, omdat hij niet meer wist van welke parochie hij was.“Neeje, biochemie!” Gilde hij zacht.“Ah...” Was het enigste dat ik kon uitbrengen. Het besef groeide dat niet ik, maar Mark de draad volledig kwijt was.“Ja! Ge weet wel... met zuren en carboniet.”Nu was ik het zeker! Mark was niet alleen zijn draad, maar ook zijn bobijn kwijt. Mijn blijvend stilzwijgen was de enigste aanmoediging die hij nodig had om verder te orakelen.“De mensen snappen niet dat alles is verbonden met elkaar. Het holistische wereldbeeld is verketterd en vergruisd. Het verband tussen probleem A en probleem B is weggecijferd. Als je A oplost vergroot probleem B en krijg je een nieuw probleem C. En weet je wat het grootste probleem van al is? Weet je wat het ergste is dat ons kan overkomen?”Ik schudde mijn hoofd. Ik wist gewoonweg niet meer welke kant dit gesprek uiteindelijk uitging.“Na de letter Z zijn de letters op en dan is het gedaan...”Ondanks alle rumoer, werd het stil tussen Mark en mij. We lieten de laatste woorden tussen ons in hangen. Ik zocht naar de verborgen, diepere betekenis van wat Mark net had gezegd. Hij was geschrokken van zijn eigen woorden. Ik bestelde voor ons beiden een verse pint en terwijl ik zijn leeg glas voor een vol omwisselde, keek ik Mark aan en zei:“Je kunt een hongerige aap zijn bananen niet zomaar afpakken.”

Wibboo Jozefs
19 0

Jeugdherinneringen

 Je brein is maar een raar orgaan. Het voelt geen pijn, maar herinner me eraan de volgende keer na een stevig nachtje uit. Je brein onthoudt alles, maar de mens heeft moeite om individuele dingen te herinneren. Het mooiste voorbeeld vinden we terug in de zwoegende student tijdens dat ene belangrijke examen. Het is pas na afloop dat hij of zij de antwoorden kan aframelen.Net zo met gewone herinneringen. Alles wat je ooit hebt gedaan of geduveld, zit ergens diep in die grijze massa opgeslagen. Met de beste wil van de wereld kun je die ene afzonderlijke herinnering niet zomaar oproepen zonder externe factor. Onlangs liep ik in de onderdoorgang van het station Denderleeuw. Hier en daar hadden ze nieuwe kabels getrokken die werden afgeschermd met metalen strips. Een onzichtbare kracht leidde me er naar toe en ik legde voorzichtig mijn hand op het gladde metaal. Ik klopte erop en tot mijn grote vreugde galmde het metalige getik door de tunnel. Glimlachend streelde ik liefkozend het gladde metaal. Gelukkig was ik alleen in de tunnel, want ik kan me indenken dat een “normale” voorbijganger me wat raar zou aankijken.Ik stond daar terwijl mijn gedachten mij terug katapulteerde naar de speeltijd op de lagere school. Ik zat in het derde of vierde leerjaar en van de grote kinderen mochten we niet voetballen. Dus zochten we ons plezier in andere spelletjes. Gelukkig voor ons waren er genoeg plekjes op de speelkoer te vinden waar je je kon verbergen. Verstoppertje werd ons spel en als de bel rinkelend de speeltijd inluidde, spurtte de hele klas naar buiten om “af te kloppen”. De laatste die zich afklopte was “hem”. Dat afkloppen gebeurde op een metalen strip die een afvoerpijp afdekte. In het heden klopte ik op de metalen strip en verbeelde me het geluid dat over de speelkoer van weleer galmde als een zware klok. Ik hield er niet van om de eerste of de laatste te zijn en vermeed dat ik degene was die moest zoeken. Ik kon me goed verstoppen, maar was barslecht in het zoeken. Iemand die je had gevonden, moest je "uitkloppen". Dus je rende als een speer terug naar de metalen strip, niet zo simpel als je geen sportieve adonis bent. Ik verloor de meeste (lees alle) spurtjes grandioos. In stilte vervloekte ik de snellere kinderen.Ik zuchtte bij al deze herinneringen. De werking van ons brein is op vele vlakken nog een groot mysterie. Het is het machtigste alsook het meest verwaarloosde orgaan dat de mensheid bezit. Je kunt niet alles actief herinneren. Normaal gezien heb je er weinig last van, maar het is erger als je echt belangrijke dingen niet meer kunt herinneren: je eerste kus, de geboorte van je kind, de mensen die je lief hebt... Ik blijf erbij, het brein is een raar ding. Maar één ding is zeker! Het moment dat ik niet meer glimlach bij het zien van een metalen strip, dan heeft het leven geen zin meer.

Wibboo Jozefs
0 0

Auto-fictie.

Haar toon was niet langer vriendelijk maar venijnig. Bijtend zelfs. “NEE! … NEE! KLOOTZAK! Je hoeft me nu niet te meer bellen! Het is te laat! Ik ben onderweg naar Gent! NEE! Mijn hoofd zit al vol genoeg!” Nou nou, wat was hier aan de hand? Onze grappige dialoog van een vijftal minuten eerder, leek nooit te hebben plaatsgevonden. De auto werd gevuld met een heftig negatieve vibe, die in combinatie met de drukkende hitte moeilijk te verdragen viel. Ik opende een raampje en zette de radio luider maar het mocht niet baten. Een paar kilometer eerder, toen ik haar oppikte, was alles nog oké. We brachten we elkaar aan het lachen met allerlei gruwelijke geruchten: urban legends over verdwenen lifters en sadistische chauffeurs die, als ze geen lifters verkrachten, ze dan op zijn minst doorverkopen aan één of andere obscure satanische sekte. En zij, ze vond het allemaal best. Lang krullend ros haar, een neuspiercing, een hoofd vol dromen en strakke dijen. Hooguit een jaar of twintig. Ja, ze had iets … of alleszins toch genoeg om deze grijze dag enigszins op te fleuren. Maar dat was voor dat telefoontje. We passeerden een stuk van de steenweg waar er werken waren en al het verkeer over één rijvak moest. Ik hield mijn ogen op de baan maar vanuit mijn ooghoek zag ik dat ze hoe langer hoe zenuwachtiger werd. Terwijl we stopten aan het kruispunt en The Supremes met Love Child hun ding deden, hoorde ik in mijn hoofd de nieuwslezer al bezig: “… het zeventienjarige meisje is ongeveer 1m70 groot, heeft ros krullend haar en een neuspiercing. Ze is het laatst gezien toen ze na een ruzie met haar ouders stond te liften aan de Gentsesteenweg ter hoogte van Wetteren.” Het zou wel eens kunnen. Het zou wel eens … Want waarom ligt anders die haastig gepakte rugzak op mijn achterbank? Op weg naar haar kot in Gent … Neen toch niet, liefste roodhaar! Mij niet gelaten waar ze heenging maar ik wist vanaf de eerste seconde dat haar uitleg gelogen was. Bloedmooie meisjes liften zelden alleen. En ze moest daar weg. Dat was te merken aan het feit hoe ze naar mijn wagen spurtte, hoe ze direct een gesprek begon, zelfs zonder de obligatie dankjewel. Allemaal harde tekens dat ze datgene waarvan ze wegliep, zo snel mogelijk wou vergeten. “ … getuigen beweren dat het meisje omstreeks 14 uur is meegenomen door een verdachte man met baard en zonnebril.” Godverdomme … Nu werd het link! Ik kende dat meisje grofweg een halfuur en shit, ik wist haar naam zelfs niet maar wat ik wél wist, was dat ons samenzijn op die delicate grens was aanbeland tussen het consolideren van winst en het vermijden van verlies. Wat nu? Binnen twintig minuten moest ik ergens zijn om iets te doen waarmee niemand zaken had. En zeker geen razende tienermeisjes. Net dan voelde ik de GSM in mijn binnenzak trillen. Was hij er al? Kwam hij later? Was de prijs verhoogd? Was hij opgepakt? Teveel vragen in mijn hoofd en één iemand teveel in deze auto. Of anders gesteld: iets teveel, een fraai maar daarom niet minder overkokend stoofpotje van oestrogeen, adolescente vervreemding en passieve agressie. Ik voelde me zoals iemand die zijn huisdier achterlaat in een bos alvorens op vakantie te vertrekken. Maar het moest gebeuren. We waren ondertussen vlakbij het Zuid. Tijd om af te ronden. Ik deed het op een nonchalante manier. Op vijftig meter van de Capitole zwenkte ik naar rechts en parkeerde de auto. Ze keek me vragend aan maar ik was haar voor: “Kijk, ik kan je niet verder meenemen tot aan Dampoort. Ik zei dat het geen probleem was toen ik je oppikte maar dat is het wel. Omwille van redenen die ik hier niet kan vertellen. Maar kijk, daar is een tramhalte. Binnen een kwartier zijn we allebei waar we moeten zijn.” Mijn combinatie van afwijzen en tegelijk een alternatief voorzien, werkte. Misschien maakte ik haar zelfs een beetje bang. Hoe dan ook, ze knikte beteuterd en verliet de auto. Ik staarde haar bezwerend na. Het enige nieuwsitem waarmee mijn verbeelding zich even later mee bezig hield, ging over een man die ter hoogte van Melle door de wegpolitie werd tegengehouden met een kwart kilo cannabis in zijn koffer. Maar de ervaring leert dat een mens niet alles moet geloven wat het nieuws vertelt, zeker niet als het verzonnen is …

Jan Van Olmen
16 0