Lezen

Dit!

Dit huis liet hij voor me neerpoten. Na acht maanden stond het er. Van bouwplan naar realisatie. Echt, dit! Je vraagt je af of hij rijk is? Hij deed het uit liefde! Bepaalde hij de vorm, de ligging? Ik bezat geen grond. En ik, ontvang dit met open handen? Met een open hart! Vanavond krijg ik de sleutel. Het huis krijgt een naam, ik mag erover fantaseren. Hij wil geen naam bedenken. Luister, zeg ik tegen mijn dode moeder, hij weet er echt veel vanaf. Je moet je geen zorgen maken. Ze kent me, en weet dat mijn vingers nooit groen zullen zijn. Ik draag de nagels en de lak. De hakken van mijn schoenen zullen als naalden in de ons omringende natuur, ze maakt zich postuum zorgen. We kijken naar de foto, zitten zij aan zij in onze roze sofa. Poes snurkt. Hij streelt mijn blote been. Deze foto, en nog één met een hoekig tiny huis. Maar hij heeft je ooit geslagen! En nu dit? Mijn moeder haalt met haar assige lijf de oude koei van stal, ze laat ze loeien tot ik ontplof. Ik heb teruggemept, dat weet je toch nog? Ik roep het in haar linkeroor: ik heb hem toen dat blauwe oog! Ze trekt haar hoofd weg, drukt een handpalm tegen het geschrokken schelpje. Links. Prachtige oortjes heb je, ik hoor er de zee in. Dat zei hij op onze eerste date. Ik kuste hem, nam hem bij de hand, zocht het hoge gras, liet me vallen, hij viel naast me neer. Dit huis! Tiny krijgt een woning. Dit nest wil ik voor je neerpoten, dat beweerde hij al na een maand. Hij trok uit de achterzak van zijn jeans een verfrommeld papier. Deze foto liet me dromen. Dromen mag, zei hij. In een berichtje schrijft hij: kom je gauw naar de narcissen kijken? De naam 'narcis' vind ik zeker een optie. Jij?  Geen reactie.          

Ingrid Strobbe
10 1

De blaat-het-schaap-route

De vennen, de bomen, de bewegwijzering, dat alles ligt en staat in Oisterwijk. Geef toe, je denkt toch meteen aan oesters, een wijk vol oesters die in open monden verdwijnen. Met een  coupe champagne staat dat erg chique. Oisterwijk in Nederland dus, het is niet zo heel ver rijden.  We zijn met z'n drieën. Een vierde dame ligt in bed met migraine. Ik parkeer de auto aan Wout waar we allen plassen. Niet samen zoals van vrouwen wordt beweerd, maar iedereen apart. Niet samen bij de spiegel om de lippen te stiften, huidkleurig is oké vandaag. Tegen de dienster zeggen we 'tot straks' en wuiven erbij. De route telt 15km, dat is voor onze getrainde benen haalbaar. De gele cirkel aan de hemel warmt de aarde op, mijn bril met uv-bescherming komt van pas. Onmiddellijk valt de charmante omgeving op; rijhuisjes baden in decoratie en de straatstenen lijken vers gebakken. Het ruikt naar anjers in de bocht die we nemen. Besef nr.1: het plannetje vertoont enkele verrassingen. De cijfers links komen niet overeen met die aan de rechterzijde. Ik moet even herbekijken en draai het plan een keer op z'n kop, Martine neemt het over en concludeert in sneltempo, zij ziet dat al wat links staat horeca is, ik ben traag en moe. De route biedt ons een groene kijk op de wereld zodra we het dorp verlaten. Groen het gras met daarin een smalle beek. Een afgetopte boom zonder vogels, voorlopig horen we geen liedjes uit snavels ontsnappen. Het eerste ven duikt op, we lopen er langs. Ilse in een jeans, Martine en ik dragen een wandelbroek. Ik ben de enige met wandelschoenen van een merk dat wandelschoenen maakt, en toch word ik niet gezien als wandelaar. Ik ben het schaap. Dat zie je aan de vest die ik draag, een reden om mij vaak te knuffelen. Ze vinden dat belangrijk. Is dit een bijzondere dag? Het is een zondag zonder regen, het is een dag om natuurgebieden op te zoeken. Heel veel mensen doen het. Het is ook complimentendag. Het is een dag om te praten over mannen, kleinkinderen, borsten, baarmoeders, ex-en, en nummers. Er klopt iets niet na nummer 38. Na een koffiestop zoeken we nummer 62. Ergens te vinden? Nergens te vinden. Met drie bekijken we het plannetje, dan de omgeving, het plannetje, de wijdere omgeving waar we op de paaltjes enkel pijltjes zien, geen nummers.  Ik herinner me vaag dat ik jaren geleden, die richting uitging, dat kan toch niet kloppen, de herinnering wordt vager zodra ik ze uitspreek, het is echt jaren geleden, die richting is niet voor wandelaars. Hoopvol kijk ik in het rond. Martine neemt de leiding. Gelukkig neemt zij het van me over, ze vraagt het aan een man die bij zijn auto, hij bekijkt het plannetje. Hij kijkt achterom, bedenkt drie zadels die onder onze zitvlakken, hij zegt dat we via het fietspad, we doen wat hij ons vertelt. Zonder wanhoop geraken we verder. Nummer 42 straalt in het zonlicht. Is dat een paard? Ik kijk naar Ilse, dan in de verte, ik zie de rug van het dier, een ruiter ernaast. Kop richting grond, ze nam ons niet te grazen. Verderop lag het Diaconieven, een ven met een wel erg interessante naam. Martine wilde absoluut weten, het googlen begon, het ven was groter dan het Brandven, kleiner dan het Kolkven. We leerden dat het kloosterzusters betrof, we misten nummer 44 wegens onze blik op het scherm. Voor mijn part was het landgoed Lot met de Rosep het meest bijzondere gebied waar we doorheen wandelden; een privé-natuurgebied dat opengesteld voor iedereen nu voor een vijtiental minuten van ons was. Er lag een bruggetje over de Rosep, ik nam er een foto. Een elfde foto die in 2027 zal wissen. In dat jaar zal ik de beek onbelangrijk achten.  

Ingrid Strobbe
0 0

Stoten uit een blinde hoek

Ik zet me op de stoel aan de tafel in de bar waar een jaar geleden een oudere dame zat die gretig probeerde te achterhalen waar ik nu ‘echt vandaan kwam’. Het is zeker niet de eerste keer dat ik een ‘aanvaring’ heb met mensen die geïnteresseerd zijn in mijn raadselachtige etniciteit. Dat betekent niet dat ik daarom goed voorbereid ben op het type ijsbreker dat start met een “Excuseer, maar –” en niet met een “Hallo, ik heet [XXXX], wie ben jij?”. Een ongepaste vraag, die ik probeer zachtjes weg te lachen bij gebrek aan een beter antwoord. Nu ik hier, een jaar later, haar plaats bezet, heb ik nog altijd geen correct antwoord op haar vraag. Blijkbaar zou dit wel bestaan – assertief, geestig, een tikkeltje brutaal zelfs – als ik mijn witte vrienden en familie moet geloven. “Je had haar een lesje kunnen leren! Je had haar neer kunnen zetten en kunnen uitleggen waarom dergelijke vragen kwetsend en frustrerend zijn!” Een ietwat begrijpelijke reactie van mensen die nooit verder dan de schaduw van de kerktoren hoefden te reizen om al hun familie te zien. Om andere mensen met hun eigen tinten en vormen te zien. Daar zijn ze onder gelijken. Zo gelijk zelfs, dat ze misschien wel verlangen naar iets dat hen net een tikkeltje unieker zou maken. Maar dat nog altijd sociaal aanvaard is, uiteraard. “Waarom zeg je niet gewoon wat je origines zijn? Dat is toch niets om beschaamd over te zijn?” Alsof schaamte het gevoel is dat ik ervaar als ik me gevangen voel in hun wit koplicht. Het zijn goedbedoelde vragen, goedbedoelde opmerkingen, stoten uit een blinde hoek. Ik deelde dit voorval, samen met vergelijkbare voorvallen uit het verleden, met mensen die ook deze vragen krijgen, al dan niet vaker dan ik. Ook hier pik ik een patroon op. De ene persoon reageert met een lach en een grap op mijn eerste anekdotes, de andere met wat argwaan in de ogen. Maar na een openhartig gesprek vinden we herkenning en erkenning in elkaars levenservaring. Er volgt geen simpel advies, geen geestige ‘comebacks’, geen gemakkelijke oplossingen.

Eden Oscar
0 0

Ter nagedachtenis van die zomer (slotpagina)

  Het blijft wel zo, zegt de Inspecteur, weinig verandert. Spionage, het plannen van terreur, het is nog altijd strafbaar. Ook al is het slechts een ware hersenschim die van vernieling droomt. Ignace is nochtans morsdood, door mij vermoord. En toch, Meneer de Inspecteur, Ignace hij was niet meer dan een stripfiguur die nooit getekend werd. De muren zuchten en intussen heerst die valse vrijheid, leeft de laatste zomer. Vooralsnog. We zullen proeven van de tijd, Russische vodka proeven. De opwarming van onze Noordzee. Ik voel dat helemaal tot hier. Een frisse duik zit er niet in, het blijft bij drijven door de waarheid, door die eeuwige dwaasheid, door de hoop die Vlaemsche biggen altijd hebben op een beter leven Echt, Meneer de Inspecteur, niets is gelogen. Het is slechts op wat er gebeuren moet. Rampspoed of de komst van Layla, de glimlach van een herfst of Lorelei. En ik voel het in die zijarmen, aan de kreten van de Schelde. Alles moet, ergens uitmonden, eindigen.     Beste schrift, ik heb echt niet alles verbrand. Kafka is dat ook niet echt gelukt. Wat rest van wat ooit was, mijn vriend Ignace, zijn angsten en complotten, Sint-Amandus en zijn geest. Ik was erbij. Bijna. Ik ben daar geweest. Ik las een ziel die voor de wrede wereld zweeg, maar niet voor mij.     So long, Ignace, duizend tonnen bommen wachten onderweg. Ik wens je een behouden vaart. De Styx, de Noordzee en de Volga. Ze wachten op jou. Ze houden van jouw plot en voelen. Hoe na een korte dood. Jouw ziel. Altijd herleeft.   _____ In addenda, ter nagedachtenis aan Ignace Somers zijn betere haiku's. Verder nog, aan alleman die lezen kan:  Adieu, ik moet weer naar mijn cel, mijn isolement. De vrijheid weet het: Zelfs tussen een muur of vier kom ik er wel!       uit de reeks 'Ignace Somers'  

Bernd Vanderbilt
2 0

vergeef mij

Vergeef mij, lieve heer voor al mijn zonden.  Vergeef mijwant ik weet wat genoeg is.ik weet niet of weten genoeg is. Vergeef mijniet omdat ik niets doe,maar omdat wat ik doete weinig weegt. Vergeef mij omdat ik niet naar elke klimaatmars ga,geen geld geef aan goede doelenmaar wel aan Korean skincare. Vergeef mij Omdat ik geen vrijwilligerswerk doe,de geschiedenis van Soedan niet ken,en pas gisteren hoordevan het conflict in West-Papoea. Vergeef mij Omdat ik weet dat er oorlogen zijn,maar weet niet hoe ik moet kijken. Ik staar naar beelden uit Palestina,ben even stil,om vervolgens verder te scrollen. Vergeef mij, heer  Omdat ik post, niet protesteer.Omdat ik deel, niet deelneem. Vergeef mij Omdat ik naar de dakloze vrouw voor de supermarkt glimlachalsof mijn scheve schemering van empathie haar helpt. Omdat ik de meldingen van VRT NWS en De Morgen uitschakel.Omdat ik liever lees over schoonheiddan over schuld. Omdat ik mijn boodschappentas vul in de Lidl,mijn onderbroeken haal bij de H&M, Vergeef mij Omdat ik niet weet hoe het isom afgewezen te worden bij een grens Omdat ik mijn vader niet altijd wijs op het feit dat hij racistisch is.  Vergeef mijomdat ik het vliegtuig nam. Omdat vrouwen in Afghanistan niet mogen spreken en ik wel.  Vergeef mij Omdat ik koffie drink uit landen zonder water.  Vergeef mij omdat ik me schuldig voel, en dat als excuus gebruik. Vergeef mij  Vergeef mij Vergeef al mijn zonden. Wat hebben we nodigin de toekomst?Ik antwoord:Hoop.Verbeelding. Maar wat hebben insecten, Plastic dat plakt, Algoritmes vol ritmes,  aan verbeelding? Kan hoop water zuiveren? Huizen bouwen?  Harten herstellen?  Is dit niet een typisch antwoordvan een geprivilegieerde Vlaamse kunststudente? Ik stel me soms voordat ik naast de vrouw voor de supermarkt zit,dat we samen sterren tellenop een bewolkte dag. Dat ik met een kind dat de zee overstakhet lied van de vogels zing,terwijl de lucht nog niet weetdat het ochtend is. Dat ik elke ochtendde plant water geefdie tussen de opengereten stenen groeit.  Dat iemand een schaduw groeten ik terugzwaai. Misschien is dat verbeelding.Misschien is dat hoop. Vergeef mij Omdat ik “verbeelding” zegterwijl anderen “veiligheid” bedoelen. Vergeef mij Omdat ik studeer om mooie dingen te makenterwijl er mensen zijndie enkel proberen te overleven. Vergeef mij Omdat ik in kunst geloof,maar niet weet of kunst genoeg is. Vergeef mij Omdat ik denk dat woorden iets kunnen redden,maar ik weet niet wat. Vergeef mij omdat ik schrijf,in plaats van te handelen. omdat ik weet dat weten niet genoeg is.  Ik heb gezondigd maar ik blijf mens. En misschien begint hoopdaar.  

anda
3 0

De ladder naar de zon

Personages: Victor De laddermaker De visschoonmaakster De vetervrouw De sokkenruiker De centenpoetser De bewijzer De proever De soepzever De grote letterlezer De boekenzoeker De vuile brillenpoetser De vleugelmaker 1. Victor had al veel gehoord over de zon. Iemand had hem zelfs verteld dat de zon een vuurbal was.  Dat leek hem straf. Maar misschien zou het kunnen. Hoe kon hij dat nu zeker weten?  “Ik kan naar de zon klimmen”, zei Victor. “Dan weet ik het meteen. Als ik wil weten of de pudding van mama lekker is, moet ik die gewoon proeven. Dat is ongeveer hetzelfde.” Met een lange ladder zou het moeten lukken. Want hij zag de zon met het blote oog aan de hemel staan. Maar voor een ladder heb je veel hout en spijkers nodig. Plus een zaag en een hamer. Dat had Victor allemaal niet. 2. Gelukkig was er een laddermaker in het dorp van Victor. Je had er nog meer bijzondere beroepen. Zoals een visschoonmaakster. Veel mensen eten graag vis, maar ze maken die niet graag schoon. Er was ook een vetervrouw. Ze deed de veters in schoenen, want dat is best moeilijk. Ze hielp je ook met het strikken van de veters.  Je had ook een sokkenruiker. Hij rook aan je sokken en wist dan te zeggen of ze gewassen moesten worden.  Als je in het dorp iets wilde worden, dan kon het ook.  3. “Dag laddermaker, kan je voor mij een ladder naar de zon bouwen?”, vroeg Victor.  “Heb je centen?”, antwoordde de laddermaker.  “Nee, kan ik die zelf maken?” “Nee, dat kan niet, maar je kan wel naar de centenpoetser gaan. Sommige mensen vinden het vies om geld vast te nemen, omdat het al door veel handen is gegaan. Deze mevrouw poetst de centen, maar sommige centen krijgt ze niet meer zuiver. Misschien krijg je die van haar. Voor mij is dat oké.” 4. Het gezicht van de centenpoetser zat vol zwarte vegen. Ze leek wel een mijnwerker die net uit een steenkoolmijn kwam. Ze veegde met haar hand over haar gezicht, maar toen werd het nog zwarter. “Ik kan je enkele zwarte centen geven”, zei ze. “Maar ik moet een bewijs hebben.” “Een bewijs?” “Ja, dat je ter goeder trouw bent.” “Wat betekent dat?” “Gewoon, dat ik je kan vertrouwen.” “Maar hoe kan ik een bewijs krijgen?”, vroeg Victor. Nu moest hij weer ergens naartoe.  “Ah, dat krijg je bij de bewijzer. Die kan je een bewijs afleveren.”  5. De bewijzer zat achter zijn bureau. Hij droeg een net pak en keek boven zijn bril uit.  “Je moet eerst een proef volbrengen”, zei de man met een zware stem. “Breng je die tot een goede einde, dan krijg je een bewijs. Maar daarvoor moet je naar de proever.” “De proever? Moet ik daar iets proeven?” “Dat mag ik nog niet zeggen”, zei de bewijzer. “Dat hoor je bij de proever.” 6. Bij de proever rook het lekker. Het leek wel of hij in een restaurant binnenstapte. Hij droeg een grote geruite keukenschort. “Je moet deze soep blind proeven”, zei hij. “Als je weet welke soep het is, kan je terug naar de bewijzer. Ik geef je al een tip. Het is soep met balletjes.” “Maar ik lust geen balletjes”, zei Victor. “Ah, dan moet je eerst naar de soepzever”, antwoordde de proever. “Die zeeft de balletjes uit de soep.” Victor dacht na. Misschien moet ik ze toch proeven. Dat is tijd gespaard. Wie weet waar stuurt die soepzever me naartoe? Victor kreeg een blinddoek om en hij wist het meteen. “Kervelsoep”, riep hij. “Het is kervelsoep met balletjes.” “Heel goed”, zei de proever. “Vertel dat aan de bewijzer en je krijgt een bewijs.” 7. “Hier is je bewijs”, zei de bewijzer nadat Victor had gezegd dat het kervelsoep met balletjes was. Hij plaatste een grote stempel op het document. “Dat lijkt me in orde te zijn”, zei de centenpoetser terwijl ze naar het bewijs keek. “Ik heb hier nog enkele zwarte centen liggen. Die krijg je mee.” “Zo zo, kijk eens aan, zwart geld”, zei de laddermaker. “Daarmee kunnen we een ladder bouwen.” “Mag ik helpen?”, vroeg Victor. “Nee, daarvoor moet je eerst een cursus volgen”, kreeg hij al als antwoord. “Maar je mag wel het materiaal aangeven.” 8. Een week later was de ladder klaar.  Of ze hoog genoeg was, wist de laddermaker niet. Niemand had ooit zo hoog geklommen met een ladder. Samen schoven ze de ladder uit elkaar. Victor begon te klimmen. Wat was het hoog. Hij kreeg het al warm. Maar de ladder was niet hoog genoeg. “Kom maar terug naar beneden”, riep de laddermaker luid.  9. “Het is gewoon veel te hoog”, zei de laddermaker. “Is er nog iets anders dat je wil ontdekken. Nu hebben we die ladder toch. Niet de maan ofzo, iets dat minder hoog is.” “Nee, niet echt. Maar nu weet ik nog niet of de zon een vuurbal is. “ “Misschien moet je naar de grote letterlezer”, zei de laddermaker. “Die heeft alle boeken gelezen. Of toch veel. Ze heeft vast en zeker ergens in een boek staan of de zon een vuurbal is.” “Weet je die wonen?”, vroeg Victor. “Nee, maar ik heb dat wel ergens opgeschreven. Hier is het. Wacht, ik kan het niet lezen. Mijn bril hangt vol stof en houtschilfers. Ga jij voor mij snel naar de vuile brillenpoetser?”  “De vuile brillenpoetser? Geef het papiertje maar aan mij”, zei Victor. “Ik kan het zo ook lezen.” 10. Niet lang daarna zat hij bij de grote letterlezer. Wat had ze veel boeken. “Of de maan of een vuurbal is?”, zei ze. “Dat moet ergens in een boek staan. Maar dan moet ik eerst de boekenzoeker roepen. Geen paniek. Die werkt hier.”  Ze floot luid op haar vingers. Een paar seconden later stond de boekenzoeker er. Een niet al te grote man in een korte broek met renschoenen. Alsof hij aan de start van een marathon stond. Hij had het boek supersnel gevonden. 11. “Even kijken”, zei de grote letterlezer terwijl ze in het boek bladerde.  “Nee, het is geen vuurbal. Maar het is er wel vijfduizendvijfhonderd graden warm. Dan raad ik je aan om er zeker niet dichtbij te komen. Mocht je dat van plan zijn.” Victor dacht even na over de ladder. Maar goed dat het niet was gelukt. Want stel dat je er geraakt, dan brandt de ladder meteen op. Wat een dom idee was het toch geweest. Maar wacht eens. Hij wist nu dat het geen vuurbal was, maar wat was het dan wel?  Was er geen vleugelmaker in het dorp? Nee, dat ging ook niet. De grote letterlezer had gelijk. Vijfduizendvijfhonderd graden, dat is behoorlijk warm. Een stuk warmer dan op een hete zomerdag.  “Nee, natuurlijk niet”, zei Victor. “Dat ben ik niet van plan. Daar moet je goed gek voor zijn.” “Of niet?”   (einde)

Rudi Lavreysen
0 0

Mijn mama is een taart

Iedere ochtend ontwaakt mijn mama, en start ze plichtsbewust aan haar dag. Ze kneedt zichzelf in de vorm waarin ze dient te passen, en kiest met welke vulling en toppings ze zichzelf versiert die dag. Appelen, peren, krieken, pruimen, wat meringue of amandel, en vergeet zeker niet een rijkelijke toets room! Ze geeft aandacht aan hoe het oog de maag verleidt, zodat de mensen een stap in haar richting zetten. Een eierwasje vormt een uitnodiging om de blik over haar gouden korst te laten glijden, haar essences en aroma’s dienen om de neus te bekoren, en het totaalplaatje verleidt om je tanden diep in haar kern te doen zinken. Haar liefde vloeit in de fluwelen siroop die haar doordrenkt. Fleurig, fruitig, zacht, en zoet, zo ken ik ze wel. Ze wil ons voeden, dat weet ik wel. Vreemd genoeg voel ik me nooit echt gevuld. Iedere ochtend biedt ze me een beet aan. Iedere ochtend zit ik op mijn honger. Hoe ouder ik word, hoe meer ik zie van de wereld, hoe meer ik ervan wil proeven, hoe meer de mogelijkheden me smaken, hoe slechter haar taart valt op mijn maag. Haar geglazuurde glans lijkt altijd meer te beloven dan dat ze ooit echt kan geven. Deze ochtend is een ochtend zoals een andere. Ik tref mijn mama op de vensterbank, afkoelend van haar harde werk. Ze begroet mij:   “Ach me jonk, zijt ge al do! Vergist u niet, al is wel kloar. Wa geduld, ‘kzènnekik nog te héjet. Mah bekans, joa bekans, krijg ge wel euw beet!”   Ik kijk naar mijn mama, en zie wie ze is vandaag. Karmijnrood vanbinnen, knalroze siroop rijkelijk besprenkeld bovenop, en romig wit helemaal rondom – ze is gelaagd maar gekend; Een klassieke aardbeientaart, zoals je ze alleen maar treft in de meest appetijtelijk ogende kookboeken. Als een hond bij de bel kwijl ik binnensmonds, maar mijn maag keert zich om. Ze wilt ons voeden, maar ik heb geen trek.   “Zo, me jonk, zedde gereed? Ge moet nog zo gruien, dus hier – neemt u e beet.”   “Wat hebben we nog?”   “Wasda nou? Zijde zeek? Neemt enkel e kletske, dan worde nie bleek.”   “Ik – ik voel me prima, mama. Ik heb gewoon niet zo’n goesting in een stuk taart.”   “Mah jonk toch! Wa zegde gij? Ge eet déés ieleke morgent, en ‘t maakt u altied zo blij!”   “Ik eet het iedere ochtend, omdat je nooit iets anders geeft! En ik wil het niet!”   “Zo’n attitude kan krei vertieren! Eet nu, en laat os hier nimmei over schmieren.”   De rommelende donder in mijn maag blijkt sterker dan de regenwolken en bliksemschichten in mijn ogen. Mijn mama, de prachtige aardbeientaart, werpt me een bezorgde blik.   “Ek em enkel ‘t beste met u voor. Iejen êtteleke hap, en ek geef u men oor.”   En hoewel mijn maag uit mijn lijf lijkt te willen kruipen, en iedere zenuw in mij smeekt om al dat spul buiten mij te houden, is die belofte van mijn mama te groot. Dus ik bijt op mijn tong, grijp de vork in mijn hand,breek de onberoerde oppervlakte van mijn mama,open mijn trillende lippen,neem de taart in mijn mond,en slik het door.   Iets is anders aan haar vandaag.Iets kleeft. Iets plakt.   Ik probeer te smakken, maar mijn kaken verstijven. Mijn kiezen kleven aan een. Mijn tong, dat dreunend en zwellend plak vlees, scheurt zich met moeite van mijn gehemelte, en klit zich aan de onderkant van mijn mond. Ik slik, het ongemak zo hopelijk weg, om alleen maar alles in mijn mond stroperiger te doen voelen. Dat siroop slibt dieper neerwaarts, ik voel het mijn keel dresseren, als friszoet pek dat alles overneemt.  Ik kijk naar mijn mama, de klassieke aardbeientaart, en voor ik zelfs maar kan proberen een klank van onrust en paniek te maken, spreekt ze:   “Ach me jonk, ge voelt nou gin glans. Mah voor u ligt er e hennige kans!Euw vieraars ginge ook over déés pad. Ook zij hemme dien hennige sjans gehad.Geloof me jonk, ‘t es plezeering om os te zeen. Ge gaat u dankbaar voelen, en ‘t houdt al aaneen.Wellie voeden, wellie vûlle, wellie maken den buiken vol. Vruger of loater wordt déés ook euw rol.Loat me u helpen, e vloai zeen is en eer. Déés lèèste beet doet et gerinste zeer.”   Mijn huid kraakt en krakelt. Mijn gewrichten lijken te verstijven. Ik stik en verslik in dit aarbeienslik. Ik zoek naar mijn eigen reflectie, en zie hoe dat mijn lichaam muteert in iets dat ik niet ben. Mijn huid meer en meer gouden gezwollen, mijn ogen bloesemend als verse bessen, mijn blik steeds rozer getint, mijn brein steeds meer dichtgeslibd, mijn stem steeds meer klevend versmacht, mijn hart steeds harder bonzend in mijn borstkas – ik staar naar dat groteske spel voor mij.   Wah is da da ek zien? Of is déés wah een wien?Wach, wah is déés afzichtelijk patroon?Ek klènk nimmei as me eigen persoon.Nei, déés kan neet, déés is neet wien ek zen!Loat ‘t stoppen vooraleer ek mezelf neet mier herken!Ek smeek naar al die me kunnen horen:Loat déés vlees mien geest neet versmoren!Is déés dan al? Met eeuwige zeer?Déés is den vrucht, ondanks mien afkeer.Wah ek ken, is neet mier. Wellie lopen déés pad.Alzelééven vur me leven, gelijk men monne ook betrad.       Men monne is e vloai, en ‘kzènnekik dat ook.E tradiese op generatie, zo zuut dat ek kook.Den zaolëgste vruchten en e kos vá goud.Ek smaak no woar gij ‘t mieste vá houd.‘t Is wêrreke al dagen, doch zènnekik zo froj.Want gij, den wereld, eist pertang die vloai.Me jonk, ge moet wete, den wereld is vrieët.Want bekans, joa bekans, krijgt ge ook wel euw beet.

Eden Oscar
6 1

Kropsla

‘Heb jij de sla mee in je rugzak? ‘ ‘Jaja, maar loop nu gewoon door!’ ‘Amai, dat is verder van aan het station dan dat ik had gedacht!’  ‘Kijk! Het is ons gelukt! We zijn net op tijd! Kijk,daar!’  Het vuurwerk knalt hard. De rode dotjes aan een lange lijn exploderen met veel lawaai. Ik duw mijn vingers tegen mijn oorlellen. Een wolk van rook stijgt op. De tip vanop de website om oordopjes mee te nemen was meer dan een warme suggestie.  De hele straat is gevuld met mensen. We schuifelen ons erbij. Ik zet me op de tippen van mijn tenen. Het geroffel van een grote trommel komt dichterbij. Gongs en cimbalen geven het  opjagende tempo mee aan. De menigte verdeelt zich in twee en kiest elk een kant van de straat. Twee kleurrijke rode leeuwen sluipen dichterbij. Hun kostuum is rijkelijk versierd met bontranden, spiegeltjes en gelimmende pailletten. De kop heeft grote knipperende ogen. Binnenin laat iemand de mond bewegen. Onder de lange kleurrijke mantel vormt een andere persoon de achterpoten en de staart.  De trommelaar slaat sneller en sneller. De leeuwen dansen energieker van het in midden van de straat tot aan de mensen op de stoeprand. De grootste van de twee leeuwen springt voor ons en stopt. Hij schudt met zijn hoofd van links naar rechts, kijkt naar mij en knipoogt guitig. Hij schudt met zijn achterwerk en legt zich neer zoals een hond in rust.  Het trommelgroffel bouwt verder op, harder en harder. Plots houdt het op. De leeuw staat op zijn achterste poten. De mantel van rode vacht en gouden randen aan de buik valt open. Er passen twee getrainde mannen in. De ene zit in de nek van de andere.   Jij kijkt naar mij en vraagt: ‘Durf jij de sla te geven?’  Ik schud vluchtig nee.  Jij moet lachen en geeft me een knuffel: ‘Wauw! Prachtig! Gelukkige nieuwjaar!’ De leeuwen schuddenbuiken verder door de straat. Het tromgeroffel dooft uit.  ‘Zin om nog naar het pleintje te gaan? Volgens mij, hebben ze in één van die kraampjes zo’n knuffelpaardje. Wil je graag eentje dat lacht of eentje dat huilt?’ ‘Euuh, of eten we anders samen eerst een baozi ?’ ‘Ja, dat is goed!’ 

Evelien Meulders
14 0