Lezen

Zij die mijn liefde kan dragen 5

O, lieve Andrea, welke naam zou ik je kunnen geven, als alle namen te klein voor je lijken? Hoor je ook de regendruppels die onze harten proberen te doordringen? Ja, mijn liefste, het zijn de druppels van toewijding, van evenwicht, van oneindige liefde... Maar het is ook het levende water dat de duizenden rozen voedt die ik alleen voor jou bewaar. Ja, alleen voor jou. Je dag was zwaar. Vermoeidheid heeft je stappen gegrepen, je benen en lichaam lijken van lood gemaakt, en je ziel verlangt alleen maar naar rust, naar die slaap waarin engelen hun vleugels uitslaan over hun geliefden. Maar onthoud, parel van de nacht, dat ik zelfs in je droom aanwezig ben. Ik waak in stilte over je. Hoewel ik door vele afstanden van je gescheiden ben, ben ik op hetzelfde moment zo dichtbij. Mijn woorden zijn de onzichtbare draad die ons verenigt. Hij kan niet gebroken worden en kan niet verloren gaan, geweven uit iets wat noch tijd noch wereld kan aanraken. O, ik gebied de diepten in mij woorden te spreken die ik niet volledig ken. Ze zijn zo diep, zo levend, dat ik ze soms bijna niet meer kan verdragen. Maar voor jou, ja, voor jou, lieve Andrea, daal ik onbevreesd af in die diepten en overwin ik ze. Weet je waarom? Omdat daar niet alleen de schoonheid van mijn woorden huist, maar ook het licht dat jij voor mij bewaard hebt. Zonder jou zou deze diepte zwijgen. Jij bent het licht dat haar een stem geeft. Daarom zeg ik je: moge elk woord een klank worden die opstijgt naar jouw hemelse schoonheid, waarop ik verliefd ben tot in de hemel. Laat me deze woorden uit de diepte halen, zodat je altijd kunt luisteren naar het lied van die goddelijke drank die je ziel betovert. Hoe mysterieus is dat wel niet wat ik voel... ,ja die bron van woorden, die ik weef als een melodie...o liefste...ja omdat ik intens verliefd op u ben...Ik ken de naam ervan niet. Het is vreemd en toch zo troostend. Laat me je wang strelen, zodat mijn vuur rust kan vinden. Zonder jou zou het vuur in mij veranderen in een duisternis die alles verteert. Dit is het mysterie waar ik nu doorheen ga. Misschien heb ik het mis door je zo intens te verlangen. Zo ja, vergeef me dan, lieve schoonheid, en ik zal mijn gedachten doen zwijgen. De gedachte jou te verliezen is de afgrond waarin mijn wezen alle poorten van het licht zou sluiten. Maar zie... zelfs te midden van die duisternis heb ik het beeld van jouw ziel geplaatst. Daarom kan de duisternis niet langer heersen. Jij bent het paleis van mijn hart, en in de tuinen ervan bloeien de bloemen onophoudelijk. Elke dag pluk ik ze en leg ze als offer aan jouw wonderbaarlijk mooie voeten.   

Robby
0 0

Zij die mijn liefde kan dragen 4

Wie ben jij, degene die ik zo mooi voel in de diepte van mijn hart? Hoe ben je hier terechtgekomen in mij? Wat een vreemd iets... en toch wat vind ik het fijn. Ja... oh ja... wat een zegen is deze toestand... ja... Waarom, Robby?... Omdat ik voor het eerst... ja... voor het eerst echt iemand in mijn ziel heb toegelaten. Het is een vreemd gevoel, maar misschien beschrijft 'ongewoon' het beter. Vooral wanneer ik verdwaal in haar blik, en zij in de mijne. Ik denk dat we allebei hetzelfde wonder ervaren, hoewel we soms de woorden niet kunnen vinden om het te benoemen. Haar ogen... Ik verdrink volledig in hun grenzeloze schoonheid, alsof de hele vallei van schoonheid die ik ooit in de tuinen van mijn ziel heb gezaaid erin verborgen ligt. Hoe zou ik dan kunnen spreken? Hoe zou ik woorden kunnen vinden, die deze melodie verweven tot dat wat ik bedoel? Oh, hemelse bron van goddelijke nectar, geef me de juiste woorden, zodat ik de diepte kan bereiken waarover haar ogen tot me spreken... ja, tot de diepte van haar ziel, die mijn wereld binnentreedt als een nimf die uit het licht is neergedaald. Laat de zonnestralen mijn borst verwarmen, zodat zij haar hart erop kan laten rusten. Laat mijn lege borst de haven worden waar haar grote schip kan aanmeren, en verwelkom ik haar zoals een koning zijn meest dierbare gast verwelkomt. Hoe wonderbaarlijk is dit alles... oh ja... ik ben verbluft. Zo verbluft dat ik haar elke dag wil schrijven, elke dag haar gezicht wil zien, want haar aanwezigheid doet me blozen, doet me glimlachen, en tegelijkertijd laat het me de macht begrijpen die ze over me heeft. Kijk naar haar glimlach... soms verlegen, soms speels en uitdagend, maar zo mooi dat ik de rijkdom van haar ziel bijna kan aanraken. Of ze nu kleren draagt ​​of niet, doorheen haar lichaam zie ik wie ze werkelijk is. Ik zie haar licht. Mijn God... hoe puur is haar licht! Het stroomt naar me toe als een rivier van liefde en sensualiteit, een zachte energie die zelfs de duisternis in mij verzacht. Laat mijn tranen dan een vreugde zijn, want elke traan is een offer dat ik op haar lippen leg, zodat ze nooit dorst zal kennen. Die glimlach... die sprankelende ogen... haar fluweelzachte wangen... haar warme handen... alles getuigt van de puurheid die ze over mijn ziel uitstrooit. Het raakt me zo diep dat ik bijna aan haar voeten neerval. Niet omdat ik zwak ben, maar omdat ik haar herken als de kracht die me troost, en voor zo'n schoonheid kniel ik uit respect neer. En toch, ik beken... soms laat ik me expres vallen, want dan weet ik dat ze de tijd zal nemen om naast me te gaan zitten. Ik weet dat ze zachtjes tegen me zal zeggen: "O, mijn prins, sta op... mijn liefde voor jou kan niet gedijen in een lichaam dat overweldigd wordt door verdriet." Met haar hemelse stem en verleidelijke ogen, die mijn wangen strelen, smeekt ze me teder op te staan ​​en haar de dans aan te bieden waar ze zo naar verlangt. En wat zou er mooier kunnen zijn dan haar de melodie aan te bieden... de melodie van dat betoverende schouwspel waar ze zo verliefd op is? Misschien is dat precies waarom ik, in het geheim, haar prins ben. Betoverd door mijn woorden, staat ze me toe om met alle intensiteit van mijn hart over haar te schrijven, omdat het haar diep raakt, omdat ook zij er oprecht naar verlangt gezien te worden. Hoewel velen haar voorbijgaan zonder haar op te merken, is zij voor mij de vallei die ik in hemelse woorden hul, als een machtige prins, zodat ze haar weg naar huis kan vinden in een wereld vol lijden. Laat de draak in mij haar dan beschermen, haar op zijn vleugels dragen. In deze diepe liefde begrijpen we beiden wat goddelijkheid betekent, en ervaren we even wat het betekent om als god en godin te bestaan. Oh, mijn liefste... ja, jij, Andrea... ik hou van je met heel mijn wezen.  

Robby
0 0

Zij die mijn liefde kan dragen 3

O, lieve en mooie Andrea, hoe kan je hart overvallen zijn door een duistere gedachte? Vertel het me alsjeblieft, want mijn ziel vindt geen rust. Je doet me beven, je maakt me onrustig. Komt het door de duisternis die ik in me draag? O, mijn geliefde, de vrouw voor wie mijn hart zowel de vreugde als het verdriet van de hemel kent, zeg me... verlang je er werkelijk naar om me voor je te zien neervallen en mijn kleed van duisternis af te werpen? Is het dat wat je verlangt? Die gedachte beangstigt me, O mijn geliefde, want dan zullen mijn kleren van me afvallen en zal ik naakt achterblijven. Ik zal een deel van mezelf moeten achterlaten en mijn volledige vertrouwen in jouw handen leggen. Ja, lieve en mooie Andrea, je komt mijn hart binnen als een oneindige vreugde. Maar dit is een heilige last die je zult moeten dragen. O, mijn geliefde, ik wil je niet belasten of je ooit verdrietig zien. Kijk tedere schone die de sterren doet beven van uw onmetelijke liefde die je bezit... ik ben bereid mijn kleed van duisternis voor je af te leggen. Maar zeg me, waarmee zul je me dan bekleden? Want mijn licht is al in jouw handen, en het kleed van mijn duisternis ligt nu aan uw heerlijke voeten. Dan zal ik werkelijk vallen... Oh, mijn geliefde, til me op. Omarm me, draag me in je armen, troost me, want in deze diepte kan ik niet langer zonder jou leven. Begrijp, jij tere schoonheid van hemelse liefde, dat jij alles bent wat me rest. Welk gewaad zul je me dan geven? Zullen je handen mijn brandende woorden over tien jaar, over vijftig jaar nog kunnen dragen? Want mijn liefde voor jou zal zo groeien dat het gewaad van mijn ziel geweven zal zijn van dezelfde tederheid waarmee je handen me vandaag troosten... terwijl onze wangen rood worden, verloren in de diepte van onze blikken. Oh, alsjeblieft... laat me deze stap voor jou zetten. Maar draag me ook, zoals ik jou draag in elk moment van mijn hart.  

Robby
0 0

Zij die mijn liefde kan dragen 2

Met een diepe sprong... met een gevoelige snaar... met de puurheid van mijn eigen wezen... treed ik je ziel binnen, mijn liefste, niet om je te bezitten, niet omdat ik dat zou kunnen, noch om over je te heersen. Ik kom slechts om in de stilte van je hart te zitten. Luister naar mijn melodie. Ze zal je ziel strelen, ze zal de wind je haar laten dragen als een levende vlam, en het brandende verlangen dat je voor mij in je draagt zal niet langer gedoofd worden. Ik zie je ziel. Ik voel haar. Ik zie hoe ze al haar energie verzamelt om de mijne te benaderen, eerst met angst omdat deze nabijheid je nog onbekend is. Maar, stap voor stap, daal ik dieper en dieper af in mijn dans, in een dans van woorden die je zachtjes raken en je ontdoen van elk masker. Hier, in de diepte van je wezen, zijn er geen gewaden die de waarheid over wie je bent kunnen verbergen, daar zijt gij naakt, naakt in de schoonheid van wat gij werkelijk draagt. Luister dan naar de stem van wie ik ben en het geschenk dat ik met me meebreng om je hart te verheugen, zij is de dans, de melodie van ongeziene schoonheid. O, tere geliefde, jij die schittert door de mist van een turbulent leven, ik zie je worstelen om door de onophoudelijke en vluchtige stroom van de wereld te zwemmen. En toch, hoe dorstig ben je... Ik voel je ziel zachtjes de mijne raken, omdat je niet alleen verlangt gezien te worden, maar ook om getroost te worden door de mysterieuze melodie van mijn woorden, die ik weef als een spin, door hun ondoorgrondelijke charme. Ze raken je zo diep dat ik meester van je hart zou kunnen worden. Maar ik kies ervoor deze macht op te geven. Ja, mijn liefste, ik leg elk verlangen om je te overheersen terzijde, want mijn doel is zo eenvoudig: je te omhullen met woorden zo zacht als zijde, zodat je van mijn wereld kunt proeven. En hoe graag je er ook van wilt ontvangen, mijn bron kent geen begin noch einde. Ze stroomt eindeloos als een hemelse nectar, draagt ​​je ziel en ontsteekt in jou een licht als honderd sterren die tegelijk branden. Die sterren zijn jouw wezen. Want een ster heeft maar één bestemming: licht verspreiden en gezien worden. Maar kijk eens hoe diep de kennis wel niet is die ik in me draag. Ik gaf je mijn licht niet alleen zodat je het kon bewaren, maar omdat alleen jij het kunt beschermen. Je bent zo intens, ik voel je tranen, treur niet gij schone vallei, want ik zal ze vegen en als een dorstige bron in de woestijn zaaien... zo brandend is de vlam van je verlangen. Veel mannen zouden je misschien alleen maar willen veroveren en je in een zielloze liefde willen storten. Maar ik zeg je: kom met me mee naar de plek waar zielen elkaar ontmoeten en begroeten met respect, tederheid en erkenning. Uit mijn liefde voor jou laat ik rozen bloeien, zodat je kunt voelen hoe ik je in mijn hart draag en hoe ik je nader in die diepten waar woorden niet meer volstaan. Fijne schoonheid van de duizend rozen die ik bezit, gij mijn schat, mijn vurige verlangen, laat de draak in mij je leiden naar de plek waar ik je optil en je rode wangen teder kus. Begrijp echter dat dit slechts de taal is waarin engelen elkaar begroeten. En de dans die ze delen, brengt werelden voort, ontsteekt wonderen onder de sterrenhemel en verenigt wat gescheiden leek. Ik zou je duizend keer kunnen vertellen hoe wonderbaarlijk je bent, hoe zoet de geur van je lichaam is. Maar dit alles zou leeg blijven als ik mijn hart niet zou openen om je erin te dragen als een bloeiende roos. Ontvang daarom mijn geschenk: een schoonheid verweven in een melodie, een melodie getransformeerd in dansende woorden. Ja, ik geef het toe... ze proberen je te verleiden. Ik beken zonder vrees dat ik, wanneer ik in je ogen kijk, verlang naar die troost die onze zielen elkaar kunnen geven, totdat ze samen in hetzelfde hart kloppen. Oh, lieve geliefde, gouden schat die de gevoeligheid in ons wakker maakt, hoe vaak zal ik de bergen niet voor je verzetten zodat mijn koningin haar reis kan voortzetten? Zie je niet hoe groot de kracht is van de liefde die ik draag? Ze zal de geur van rozen in je verspreiden, zodat je de last van dit leven met waardigheid kunt dragen en altijd licht kunt blijven. Daarom bied ik je mijn liefde, mijn vriendschap en alle tederheid die ik bewaar voor de schoonheid die in je ogen leeft. Met een warme omhelzing kus ik je, streel ik je en fluister ik je toe, vanuit de diepte van mijn hart: Ik hou van je met een grenzeloze intensiteit. Voor altijd de jouwe, Robby  

Robby
0 0

Zij die mijn liefde kan dragen 1

Kijk hoe de sterren onze harten betoveren en hoe het zonlicht onze ziel troost. Maar begrijp ook deze waarheid: liefde is troost, het is de warmte die we soms missen. Woorden kunnen pijn doen, maar ze kunnen ook wonden zalven. Laat dit dan mijn geschenk aan jou zijn. Laat mijn geschenk de bloemen zijn die ik aan je voeten leg, zodat ik ze in jouw naam kan strelen en, al is het maar voor even, je last kan verlichten. Waar onze wandel ons ook heen zal leiden in dit leven, vergeet nooit dat de dagen dat je dacht dat je alleen was voorbij zijn. Vandaag heb jij talloze vrienden, omdat mijn woorden getuigen van deze waarheid. Mijn liefde leeft voort in vriendschap, en de manier waarop ik je streel, je wangen aanraak en je handen in de mijne houd, is de uitdrukking van het diepe respect dat ik heb voor wie je bent. Sterk... wonderbaarlijk... God, wat ben je mooi. Laat me dan schrijven over de liefde die we voor elkaar hebben, over de manier waarop we elkaar omarmen en door het leven dragen. Maar bovenal, mijn geliefde, laat me schrijven over het feit dat we voor elkaar bestemd zijn, dat we weten hoe we naar elkaar moeten luisteren. Net zoals de bomen hun geheim in de wind zingen, zoals de vlinders in het licht dansen en de vogels hun lied aanheffen in de ochtendgloren, zo bestaat mijn lied uit woorden die je onophoudelijk toefluisteren: "Oh, mijn liefste... mijn geliefde... wat hou ik toch veel van je! En vergeef me alles, want alles wat ik probeer te doen is de tederheid van je ziel te bereiken, zodat ik daar de dans van mijn hart kan laten klinken. Zo diep dat je me voor altijd dicht tegen je aan zult houden en me de warmte zult geven waar we allebei naar verlangen." Met al mijn liefde en diepste respect groet ik je. Sta jezelf toe de magie van deze liefde te ontvangen en neem me in je hart op. Dan zal elk spoor van het gevoel dat we ooit gescheiden zullen zijn voorgoed verdwijnen.  

Robby
0 0

Een relaxed ongeluk.

In Drimmelen lopen we door een smalle straat. Klopt dat? In het historisch Drimmelen lopen we door een smalle steeg. Nee, dat klopt niet helemaal. We zijn in Nederland om zijn nakende pensioen te vieren. In Drimmelen overnachten we in een nieuw hotel met zicht op de jachthaven. Dat klopt! Als je het ontslag dat hij gaf als zijn pensioen kan zien, klopt het volledig. We willen het vieren in het Nationaal park de Biesbosch waar we ooit een bootsafari deden, waar we erg van hadden genoten, waarom niet? Waarom niet volop genieten nu we nog jong zijn én fit? In de smalle steeg loop ik achter hem aan maar niet als een hond, als zijn vrouw wandel ik in schaduw maar niet in het donkere gedeelte van mijn persoonlijkheid, ik kuier ontspannen want niets ergert mij. Ik voel me licht en blij en zie wat ik moet zien: een zwarte kat! Ze rent de weg over, zo snel rent ze de weg over, ze lijkt te willen dat ik haar (of hem) maar even zie, lang genoeg om te vermoeden dat er geloof mee is gemoeid. Ik ben jouw bijgeloof. Ik ben zwart, en wil geen affectie! Dat lijkt de kat te willen zeggen. 'Iemand die bijgelovig is, zou dit oversteken interpreteren als een ongeluk', zeg ik. Hij reageert niet. Ongeveer een uur later bereiken we het museum dat in het groen verscholen ligt. Er ligt een pak mos op het dak. We smeren ons in, trekken de veters strak aan. Ergens op de met gras omzoomde weg is een onzichtbaar putje waar mijn voet in terecht komt. Ik raak uit evenwicht, en val terwijl ik vloek. Mijn hele linkerbeen is geschaafd, het bloed druppelt uit de wonde, een buil manifesteert zich.  Wanneer we na tien kilometers stappen bij de auto zijn, is de buil verdwenen en het bloed droog. Ik wrijf over de wonde, voel iets zacht in mijn hand. Ik kijk maar zie niets dat mij verrast. In het restaurant is het moeilijk kiezen, we kunnen toch niet elke keer een slaatje eten met deze hitte? Hij vraagt hoe het met mijn been gaat. Goed, zeg ik. Zijn hand gaat onder tafel, grijpt naar mijn gekwetste knie, streelt de pels die daar als een relaxed ongeluk groeide. Klopt dat?

Ingrid Strobbe
0 0

Bezet

‘Er is plaats zat.’ Veerle en ik stommelen met onze koffers en rugzakken de wagon binnen. We installeren ons knus op twee brede tegenoverliggende banken. De trein hijgt zich krakend en piepend op gang, als wordt hij uit een diepe slaap geschud. Een Belgische trein in Maastricht.  Ik kijk rond in de zo goed als lege wagon. Op de bank naast ons zit een broos bejaard dametje, gehuld in een te wijde beige regenjas. Op haar smalle schoot staat een te grote bruinleren handtas. Haar grijze lokken zijn opgestoken in een oma-dotje. Wakkere oogjes achter een hoornen bril kijken ons onderzoekend aan. Ik knik. Ze grijpt haar tas iets steviger vast.  Ze zit recht tegenover het toilet. Het rode lampje brandt fel en geeft zo een frivool tintje aan de schaars verlichte treincoupé. Buiten miezert het alweer. Snelle stappen. Een jongeman klampt zich vast aan de handgreep van de gesloten deur als aan een reddingsboei. Nerveuze klopjes terwijl hij heen en weer wiegt.  ‘Je ziet toch dat het bezet is! Even ophouden!’ keft het vrouwtje met een zwaar Limburgs accent. Met dichtgeknepen billen en waterige ogen drentelt de jongen nog een paar minuten en druipt dan zuchtend af. Ik heb met hem te doen. Hopelijk is er nog een tweede WC op dit korte treinstel.  ‘Hij zit daar al van minstens drie haltes geleden,’ richt het besje zich tot ons. ‘Een oud mannetje. Met een hele grote boodschap, haha. Misschien voelt die zich niet lekker, zijn tikker of zo.’ Ze laat haar woorden op ons inwerken. Snuift dan. ‘Iemand zou dit de treinbegeleider moeten melden, toch?’ Ze kijkt me vol verwachting aan. Ze beleeft nog eens wat, zo.  Een eind verder op het gangpad verschijnt een blauwzwarte kepie. Ze merkt het niet. Maar ik blijf zitten. Hij komt nog wel deze kant op. We zwijgen alle drie, luisteren naar de stilte, die als een slang vanonder de gesloten deur sluipt, en het ritmisch gedender van de wielen nog versterkt. Plots schettert marsmuziek uit de tas van het omaatje. Na twee coupletten lang scharrelen duikelt ze een mobieltje op. ‘Ik kom er zo aan,’ gromt ze, met een blik alsof ze net vóór de ontknoping van de film de zaal uit moet.  Tegen zijn zin komt de trein knarsend tot stilstand. Eijsden. Ze grabbelt naar haar tas. Stapt fluks uit zonder ons nog aan te kijken. Twinkelden haar ogen?  Wij dragen nu de verantwoordelijkheid over het bezet toilet. Over hoe de film afloopt. Ik verzin scenario’s. De noodrem, de ambulance, onze aansluiting in Luik gemist. Veerle en ik onder kruisverhoor. ’Misschien is hij enkel in slaap gevallen,’ probeer ik. Of is het een zwartrijder.’ Veerle knikt onzeker. ‘Reisbewijzen alstublieft.’ Ik zet me schrap. Zoek bevend de tickets op mijn smartphone. Probeer zo gewoon mogelijk te klinken, en knik nonchalant naar de toiletdeur. ‘O ja, er zit blijkbaar al een hele tijd iemand op, volgens een mevrouw hier.’ Ik wijs naar de vage afdruk op de lege bank.  ‘Oh, niet mogelijk,’ lacht hij in gebroken Nederlands. ‘Ik heb het deze morgen afgesloten, wegens defect. Heb ik ook aan die madame hier gezegd.’ Ik bloos. Natuurlijk. Hij scant onze tickets, twee bliepjes. Dan monkelt hij, ‘Elle vous a bien eu, eh.’   (gepubliceerd in Alice, literaire katern bij Schrijven Magazine, nummer 03 2025)

Dirk Otte
11 1

De treden zullen niet meer weten wie je bent

Ik sta in het huis waar we lang samen gewoond hebben. Na een lange werkdag en een avondspits van jewelste. Ik geraak niet verder dan de hal. De geur is veranderd. Alsof je hier nooit geweest bent. Het ruikt naar mij, naar kattenbak en ik merk ook toetsen appelshampoo op, waarschijnlijk afkomstig van de handdoek die ik vanmorgen nog snel in de gang over de trap heen drapeerde bij het vertrekken.  Toen je vertrok nam je meer mee dan ik aanvankelijk dacht. Planten, meubels, je geur, de recepten die je me nooit uitgelegd had, je aanwezige ouders, je ongevraagde meningen en oplossingen voor alles waar ik gewoon een knuffel voor wou. De stapel leeggoed die razendsnel leek te groeien, de chaos in de papiermand en vaatwas. De orde op alle oppervlakken. De T uit “thuis”.  Je liet me achter in het huis, een woning, een gebouw. Zonder ziel. Zonder liefde. Met onvolledige inboedel.  Wist je dat -naast de geur van een huis- ook de klank zo vreselijk verandert na iemands vertrek? Alsof alles een echo, elke klank een schaduw, heeft? Soms lijkt het een voordeel, dan lijk ik door de herhaling minder alleen.  Ik zet me neer op de trap en trek mijn schoenen uit. Nu je er niet meer bent hoeven die niet in de kast op stok gezet te worden. Ik laat ze van de trede vallen en kijk hoe ze daar roerloos blijven liggen.  De trap kraakt wanneer ik me langzaam rechttrek. Het heeft naast iets geruststellend ook iets heel zwaar. Want jouw gekraak - de trage passen, zwaarder dan de mijne, gedecideerd - die zal de trap nooit meer verspreiden. Ze blijven wel kraken. Zonder jou.  “Het is hier weer akelig stil, vind je niet?” “...” “Je zou denken dat het wel went, na zo’n tijd, maar dat is voorlopig nog niet het geval, vrees ik.”  “...” “Weet je nog hoe het vroeger was? Het gekraak groeide mee in het tempo van de kinderen. Tot het stilaan wegebde toen ze hun eigen weg vonden.” Ik kijk er melancholisch bij, mijn ogen zoeken de muur af naar de vegen van kinderhandafdrukjes die ik nooit afgekuist heb. Er moet toch iets overblijven van het gezinsleven dat zich hier jarenlang afgespeeld heeft.  De kat maakt zijn intrede, vlijt zich tegen mijn been aan en verliest daarbij heel wat vacht die zich aan mijn bezwete been hecht.  “Miauw.” “Gelukkig ben jij er nog.”   - - - De tekst waarmee we aan de slag gingen:   Straffeloos - Toon Tellegen   Ik zal je vergeten en weer ontmoeten Ik zal je vergeten, ontmoeten en weer vergeten En ik zal je weer ontmoeten   Ik zal je vergeten en weer vergeten en weer vergeten ik zal wandelen door dozijnen parken lichtgroene, violette en roze parken, onopvallend in de regen   ‘s Avonds zal ik je weer vergeten   De treden zullen niet meer weten wie je bent Maar ze zullen kraken De voordeur zal weer aarzelen.

annakdotes
12 0

U hebt Europeïsme

Nadat hij voor de zoveelste keer de bons had gekregen – deze keer was hij te impulsief geweest volgens zijn ex-vriendin – besloot Milan met een dokter te gaan praten, want misschien lag het toch aan hem. Hoewel hij wist dat hij eerst een afspraak diende te maken, bij voorkeur gebruik makend van het daartoe voorziene, erg handige online consultatiesysteem, was hij meteen na zijn date richting zijn huisarts vertrokken. Het zou toch niet de eerste keer zijn dat er iemand tussenuit viel. Terwijl hij zijn tranen verbeet, peperde Milan zichzelf in dat dit géén impulsieve beslissing was maar een pure noodzaak, het kon niet langer wachten. ‘Dag dokter.’ ‘Gaat u zitten,’ sprak de dokter eentonig en hij nam een pen ter hand, zette zijn bril, die een opvallend montuur had zowel qua vorm als qua kleur, op zijn rechte neus en richtte zich op een vel papier dat geklemd zat tussen een klembord. Het verbaasde Milan dat een arts anno 2026 nog zo’n attribuut gebruikte, maar het vulde hem ook met respect. Bovendien gaf het hem het gevoel serieus te worden genomen. Iets waar hij al zo lang naar verlangde, iets wat hij in zijn relaties miste.‘Vertel het eens, waar hebt u last van?’ stak de dokter van wal, en hij zette de punt van zijn pen verwachtingsvol in de linkerbovenhoek van zijn A4’tje. ‘Wel, het is niet zo dat ik ergens pijn heb,’ begon Milan, ‘maar het is ook niet zo dat ik nergens geen pijn heb.’ De dokter liet een kuch ontsnappen die hij vakkundig opving in zijn behaarde vuist, en zonder zijn patiënt aan te kijken, ging hij verder.‘Maakt u zich ergens druk om?’ Daar moest Milan even diep over nadenken. Uiteindelijk zei hij iets in de stijl van ‘ik weet het niet’. ‘Hoe voelt u zich op dit moment?’ ‘Redelijk goed, maar…’ ‘U bent hier natuurlijk niet zomaar’, maakte de dokter zijn zin af. ‘Wat is het dat u doet van werk?’ ‘Ik werk voor een bedrijf.’ ‘Juist, ja.’ De dokter kribbelde enkele dingen op zijn papier en onderlijnde zo goed als alles wat hij net had neergeschreven. De laatste woorden werden zelfs dubbel onderlijnd. Helaas kon Milan niet lezen wat er stond. Hij werkte dan wel bij een bedrijf, erg bedrijvig was hij niet. Allerminst in handschriften lezen, laat staan die van dokters en ondersteboven.‘Hoeveel mensen werken er in uw bedrijf?’ ‘O, maar het is niet mijn bedrijf, ziet u. Ik ben maar een werknemer. Ik denk dat er om en bij de vijftig mensen werkzaam moeten zijn.’ ‘Wat is juist uw titel of functie?’ ‘Ik ben recent gepromoveerd tot floor manager.’ De dokter keek voor het eerst op van zijn klembord en keek Milan indringend aan. ‘Floor manager? Bent u van het onderhoudspersoneel?’ Hij toonde een goedbedoelde glimlach, maar noteerde verder, dus Milan besefte dat de dokter een grap maakte.‘Kan u mij eens een gewone werkdag beschrijven?’ Milan vertelde dat hij rond 7u ’s morgens opstond, het nieuws las, een douche nam, een ei bakte, een glas melk dronk en een gezonde smoothie maakte van selder, appel en kiwi voor in de auto. ‘Is er tot dan toe een moment waarop u zich niet goed voelt?’ ‘Nee. Of jawel, wanneer ik het nieuws lees, dat is soms heftig op een lege maag. En ja, in de auto soms ook.’ ‘Ja, we zijn niet gemaakt voor de ochtendspits.’ ‘Nee, dokter, nu ja, u hebt gelijk, maar dat bedoelde ik eigenlijk niet. Kijk, ik rijd met een Tesla, van het bedrijf – anders zou ik nooit een Tesla hebben gekozen – u begrijpt allicht dat de huidige omstandigheden rond dat merk me opzadelen met een schuldgevoel van zodra ik de wagen start.’ De dokter gaf blijk van antwoord met een monotoon geluid, waarvan Milan niet met zekerheid kon zeggen of de man het nu wel of niet begreep.‘En daarna? Wanneer u arriveert op uw werk…?’ gebaarde hij door met zijn pen enkele kleine cirkels in de lucht tussen hen beiden te tekenen. ‘Euh… Dan ga ik naar binnen door de glazen deur, neem ik de lift naar de achtste verdieping en ga achter mijn bureau zitten.’ ‘Ja?’ ‘Ja.’ ‘En wat doet u daar dan?’ ‘Dan doe ik mijn werk. Of wat wil u zeggen?’ ‘Kan u me zeggen wat dat is?’ zei de dokter, terwijl hij zichzelf een kop thee inschonk. Milan wilde iets antwoorden, maar vond plots geen woorden. Hij aarzelde en zei ten slotte dat het nogal complex was om zo even de inhoud van zijn job te omschrijven, vooral aan iemand zonder ervaring met dit soort werk. Maar wat hij zeker wist, is dat er veel mensen baat bij hadden. ‘Probeert u toch maar.’ Milan deed verwoede pogingen om exact te beschrijven wat hij daar een hele dag deed maar had niet het gevoel dat hij daarin slaagde. Hij viel over zijn eigen tong, verhaspelde woorden die hij niet kon vertalen, twijfelde over de betekenis van sommige woorden, sleurde er termen bij die hij eigenlijk zelf nooit helemaal heeft gevat. ‘Goed. En dan is het lunchtijd? Hoe verloopt dat?’ ‘Meestal ga ik naar beneden, naar de eetzaal, maar het gebeurt ook dat ik buiten iets ga eten. Soms praat ik met collega’s, soms scroll ik wat op mijn telefoon…’ ‘Waarover wordt er gesproken?’ ‘Gewoon, over de staat van de wereld, of over onze job.’ Opnieuw onderstreept hij iets.‘Bon. Ik ga u enkele korte vragen stellen en u moet even bondig antwoorden, zonder te veel na te denken. Zal dat lukken denkt u?’ Milan knikte. ‘Daar gaan we. Vraag één: voelt u zich soms heel klein, zo klein dat u nergens deel van uitmaakt?’ Milan knikte opnieuw. ‘Is uw leven nodeloos ingewikkeld? Zou u alles willen geven om het eenvoudiger te maken?’ Milan knikte hevig. ‘Ja, dit is helemaal mijn wens!’ ‘Vindt u het allemaal te groots? Vraagt u zich soms af waar het kleine geluk is gebleven?’ ‘Ja!’ ‘Hecht u veel belang aan de natuurlijke gang der zaken?’ Omdat Milan niet meteen met een antwoord kwam, keek zijn interviewer hem aan door zijn opvallend roze bril, waarvan het montuur onderaan een dikke rand had en bovenaan geen rand, waardoor het leek alsof de drager enorme wallen had. Het was ook daardoor dat Milan zich niet op de vraag kon concentreren, hij stelde zich vragen bij dit brilontwerp.‘Als u daarmee bedoelt dat ik de oude waarden respecteer, moet ik daar volmondig ja op antwoorden.’ ‘Hebt u op dit moment een relatie?’ ‘Nee, en dat is eigenlijk ook waarom ik hier ben.’ ‘Hoe is de relatie geëindigd? Wat was de reden?’ ‘Zij heeft er een punt achter gezet omdat ik een grens was overgegaan.’ ‘En geeft u haar gelijk?’ ‘Wel, ik wist zelfs niet dat daar een grens lag! Ze zei iets van dat ik te impulsief was.’ ‘Interessant.’ Opnieuw noteerde hij enkele dingen. ‘En hebt u spijt?’ ‘Ja, ook al vind ik niet echt dat ik schuld tref, kan ik een groot schuldgevoel niet van me afschudden. En dat gaat niet enkel over deze relatie, dokter. Ik heb het gevoel dat ik mijn verleden constant meedraag. Alsof ik er niet vanaf geraak. Begrijpt u? Aan de andere kant kan het me ook allemaal niet zoveel schelen.’ ‘U bedoelt dat u de andere de schuld geeft?’ ‘Nee, ik bedoel dat ik niets voel. Helemaal niets. En die combinatie, dat schuldgevoel en die totale leegte, dat vond ik niet gezond. Daarom dacht ik dat ik eens met een dokter moest spreken.’ ‘En helpt het?’ ‘Ja, het doet deugd om er eindelijk met iemand over te spreken. Kan ik misschien een wekelijkse sessie krijgen, althans voorlopig?’ ‘Dat zal niet nodig zijn,’ sprak de dokter gedecideerd, en hij trok een horizontale lijn onderaan het papier en legde het klembord voor zich op tafel. ‘U lijdt duidelijk een acute vorm van Europeïsme.’‘Europeïsme? Wat is dat?’‘Tja, dat weten we niet.’ ‘En nu? Wat moet ik ertegen doen?’ ‘Er valt weinig tegen te doen, vrees ik.’ ‘Kan ik dan helemaal niets doen?’ ‘Het hangt af van hoeveel u nu al doet’ zei de dokter met de stem der gewoonte.‘U kan, om maar iets te noemen, het nuttigen van een maaltijd bijvoorbeeld gaan bekijken als iets volstrekt functioneels, in plaats van iets dat genietbaar moet zijn. Maar het is bijzonder moeilijk om die switch te maken. Hoe zit het met uw alcoholinname?’ ‘Euh, ik drink graag een glaasje, maar geen excessieve hoeveelheden.’ ‘Mijn advies is dat u uw inname verhoogt tot dagelijks enkele glazen, ofwel volledig stopt met alcohol drinken.’ ‘Ik drink eigenlijk vooral als er andere mensen bij zijn.’ ‘Probeer eten los te koppelen van sociale interactie. Eet en drink zoveel mogelijk alleen. Koop grote merken, of ga naar de markt. Koopt u uw fruit en groenten volgens het seizoen?’ ‘Nee, maar ik weet dat het beter is voor het milieu.’ ‘Ja, maar niet voor uw mentaal welzijn! Stop ook met koffie drinken. Schakel over op thee, of alcohol natuurlijk. Schrap brood van het menu en eet uitsluitend rijst. Het is ook aangeraden om vroeg op te staan, tussen vijf en zes uur. Doe aan yoga of neem tijd voor een uitgebreid, liefst warm, ontbijt, met de belangrijke toevoeging dat u niet geniet van het eten, maar het als een natuurlijk proces beschouwt.’ ‘Oké, dank u dokter. En wat met het werk? Is het eigenlijk besmettelijk?’ ‘Besmettelijk?’ spuugde de dokter, waarbij Milan hoopte dat de dokter zelf niet met een besmettelijke ziekte rondliep.‘Het is een ware pandemie! Iedereen van uw leeftijdscategorie die hier binnenwandelt zonder duidelijke fysieke klachten schrijf ik hetzelfde voor.’Hij scheurde een briefje van een notitieblok, krabbelde er iets op en schoof het over de tafel in de richting van Milan. Zoals het een dokter betaamt, was het totaal onleesbaar. ‘Excuseer, dokter, maar wat staat er?’ ‘Drie weken Blankenberge, in Hotel Transit,’ sprak het heerschap, en Milan bemerkte een lichte trots in die woorden, alsof hij hiermee eer opstreek. Milan draaide het briefje om, al wist hij wel dat er niets op de achterkant stond. De dokter ging verder: ‘Boek een kamer in dit hotel, volpension, geen zicht op zee, dat is belangrijk. Maar als u dit briefje aan de receptie toont, weten ze genoeg.’ Ja maar, wat moet ik daar dan doen?’ ‘Zo weinig mogelijk. Lees geen boeken, bezoek geen musea en praat met zo weinig mogelijk mensen. Zeg enkel het strikt noodzakelijke. U hoeft niets te vinden of te kiezen, niets te voelen of te begrijpen. Als u toch enige gedachten of gevoelens zou ontwikkelen, meldt u zich meteen aan de balie.’ Milan keek de dokter vertwijfeld aan en keek dan nog eens naar het briefje in zijn hand.‘En dit zal me helpen?’ ‘Nee. Maar dat is niet het punt. De meeste patiënten knappen zichtbaar op. Niet omdat ze zich beter voelen, maar omdat ze ophouden met zich vragen te stellen of het beter kan. Wanneer u terug bent, evalueren we de situatie en kijken we na of u vatbaar bent voor betekenis.’ ‘En als dat zo is?’ ‘Kijk, zulke vragen zal u hopelijk niet meer stellen. Dan verlengen we de kuur.’De dokter nam zijn klembord weer op.‘De volgende!’

Lennart Vanstaen
3 0

Op reis

“Ben je maar alleen vandaag?” “Hij is op reis.” “Zonder jou?” “Ja, blijkbaar.” “Het klinkt alsof jullie ruzie gemaakt hebben.” “We hebben geen ruzie gemaakt.” “Toch niet te erg, hoop ik, want jullie zijn de kortste weg naar kleinkinderen.” “Pappie!? Stop daarmee.” “Het mag ook met iemand anders, zigeunertje, maar je moeder zou …” “Mammie is dood.” “Hoef je mij niet te vertellen. Dat merk ik nog elke dag.” Ik keek naar Mammies foto op de schouw. Er stond een halve kaars naast. Pappie stak elke avond een kaars aan. De schouwmantel moest dringend afgestoft. Kendy, de poetsvrouw, was te klein om daar goed aan te kunnen en ze ging niet op een trapje staan. Dat deed ze niet. “Heb je nog steeds Kendy als poetsvrouw?” “Dat is zo’n lieve, Petra’tje. Die ga ik toch niet vervangen. Ze kan zo goed luisteren.” “Ze spreekt ééntalig Spaans, Pappie, en ze poetst niet goed.” Ook op de vensterbanken lag stof en in de hoeken op de vloer. Kendy kwam dan misschien uit Venezuela, maar ze poetste met de Franse slag. Je kon exact zien tot waar de ramen gepoetst waren. Het bovenste deel daar kon ze niet aan. “Ben je nog bij je Mammie geweest?” “Nee.” “Vergeet haar niet, Petra. Ze zag jou zo graag. Ik heb pas nog nieuwe bloemen op haar steen gelegd. Ze zijn mooi. Gilberreke van de bloemist heeft ze speciaal voor haar gemaakt. “Je betaalt te veel voor die bloemen, Pappie. Ze profiteren van jou.” “De bloemist mag er toch ook iets aan verdienen. Ga gewoon een paar keer bij je Mammie langs, daar wordt ze gelukkig van.” Ik zuchtte en vroeg of hij koffie wilde, terwijl ik naar de keuken stapte, waar de koffiekan nog in de machine stond. Hij had hem veel te straf gezet. Dat hij nog geen last had gekregen van zijn maag, was een wonder. De hele dag door. Ik goot de kan leeg in de thermos. Dat was nog steeds dezelfde thermos als toen ik klein was. “Doe maar met.” “Pappie! Het is half elf ’s morgens.” “Eéntje per dag, meisje. Eéntje.” Ik nam de aarden kruik ‘witte’ uit de barkast en goot een klein scheutje in zijn mok. “Nog.” Ik kletste er een klein beetje bij. “Doe het fatsoenlijk of ik doe het zelf.” “Hier, doe het dan maar zelf.” En hij goot er een flinke scheut bij. Ikzelf verdunde mijn koffie met ongeveer even veel melk en een half klontje suiker. Pappie zette de fles terug in de barkast. Hij hoestte en schraapte zijn keel na zijn eerste slok. Al meer dan tien jaar leefde hij zo. Sinds Mammie overleden was aan die stomme kanker. “Ben je gelukkig, meisje, je ziet er zo bedrukt uit? Als je met die ruzie in zit. Dat maakt niet uit. Je mammie en ik hadden ook ooit ruzie, maar we legden het altijd bij voor we gingen slapen. Nooit bij elkaar in bed kruipen voor de ruzie opgelost is. Dat nooit.” “Dat is het niet.” “Ik ben ook eens een keertje drie weken naar Amerika geweest, voor opleiding van het werk, en toen heb ik je Mammie gemist, heel erg. Dus Hij zal je ook wel missen.” “Denk je?” “Ja. Zeker weten. En wij hadden nog geen telefoons. Drie weken was echt drie weken. Tegenwoordig.” “Hij heeft zijn telefoon niet mee.”  “Echt. Nu ja. Typisch Hem. Al die computers en smartphones dat was niks voor Hem. Dat zei Hij toch altijd. Je hebt er natuurlijk ook ‘ne speciale’ uitgekozen.” “Hoe bedoel je?” “Hij kan hier aankomen en koffie drinken en zonder iets te zeggen na een half uur weer vertrekken.” “Komt Hij hier zonder mij?” “Ja, hoor, minstens een keer per week. En Hij heeft van die dagen dat hij dus absoluut niks zegt. Of ja, toch zo goed als niks.” “Dat wist ik niet. Nu ja, maakt ook niet uit. Wel attent van Hem.” “Attent, ja, spraakzaam, nee. Daarmee, het verbaasde me dat Hij er niet bij was. Ben je al weg? Je moet toch pas om twee uur op het werk zijn. Je kan hier een boterhammetje mee eten, meisje, je weet dat ik niet graag alleen eet en ik eet al zo veel alleen. Zullen we een kaartje leggen?”

Hans Van Ham
8 0

Age of Scorpio

Ik ben een lichaam van taal, gebonden in een huid van vezels. Sommige handen lezen me langzaam, zoekend naar verborgen lust tussen mijn zinnen vol zin. Andere laten hun vingers snel en oppervlakkig over me heen glijden, als was ik een goedkoop lustobject. Die handen en vingers… Hoe verfijnd of behendig kunnen ze wel zijn, in elke aanraking lees ik tot welke sensuele handelingen ze in staat zijn. Ik bespeur hun aarzelende beroering, een schuchtere eerste kus, vezel tot vezel. Of een zelfverzekerde grip die mijn uitnodigende krommingen omklemt. Ik lig paarlustig in hun handen, samen ademen we sneller, het bloed suizend en kolkend aangespoord door mijn tintelende verbeeldingskracht. Ze plooien me naar hun zin, strelen mijn rug waardoor ik zwicht voor hun wens. Sommigen zoeken mij op vol oprechte nieuwsgierigheid, anderen voor platte opwinding. Telkens opnieuw probeer ik me naar hun lust te kronkelen. Velen willen onmiddellijk in me duiken, op zoek naar de climax nog voor het verhaal goed en wel begint. Ze vergeten dat ik een spanningsboog ben, die ze langzaam moeten oprekken met langgerekte oh’s en ah’s, trillend op het ritme van onze fantasie.  Kom dichter. Kijk naar mij, naar mijn kaft, waarop het beeld uit de erotische tempel van Khajuraho staat. Laat je ogen glijden over haar borsten, haar buik, haar dij. Stop daar. Zie je hem zitten op haar linkerdij, de schorpioen? Hij draagt de zinderende begeerte naar haar afwezige minnaar in zijn brandende angel, en lijkt het topje zelfs niet lichtjes te trillen? Haar rechterhand van steen ligt bijna op haar venusheuvel. Wat hou ik toch van dat woord. Venus. Heuvel. Zachte klanken, perfect gemaakt om over likkende tongen te rollen. Zo staat de hemelse tempelnimf nu al ongeveer duizend jaar bevroren in een pose van nooit ingeloste lust.  Al enkele weken lig ik op haar nachtkastje. Niet als leermeester, maar als novice. Toen ik haar voor het eerst ontmoette, zag ik onmiddellijk het glanzende vuur in haar ogen. Zij was de eerste die haar blik op de schorpioen van het tempelbeeld liet rusten, en daarna op de vinger die al duizend jaar wil wegglijden in zandsteen, als was het nat zand dat zich zonder al te veel moeite open laat strelen en waarbij glinsterend vocht naar boven parelt. Ze nam me mee naar huis, en leidde me haar slaapkamer binnen. In het avondlicht ontkleedde zij zich voor mij. En daar zat hij dan: haar schorpioen, een kleine tatoeage op haar linkerdij. Het tempelbeeld rees op uit haar duizendjarige slaap. Zij stond voor me, in vlees en bloed.  Sinds ik bij haar ben volgen we elke avond hetzelfde ritueel. Ze neemt me mee in haar bed en ik kijk toe hoe ze haar minnaar ontvangt, hoe zij deinen tussen de lakens, hoe zij haar hoofd naar achter legt en haar zacht gekreun de kamer vult. Zij berijdt hem, en daarmee bevrijdt zij zichzelf. Zij bepaalt het ritme en het rijm, en zo vergeet ik alle regels die mijn schrijver me ooit had opgelegd. Ze likt mijn letters warm en vloeibaar tot ik opnieuw druipende inkt ben. Haar vingers, nat van haar opwinding, vermengen zich met mijn inkt en zo beginnen we een nieuw verhaal te schrijven. We ontbranden samen in een nieuw lichaam, versmelten in wederzijdse overgave, in een zinderende sensualiteit die zich niet laat sluiten door een kaft.  Langzaam maar zeker wist ze mijn geheugen. De olifant? De waterval? De geopende boog? Ooit waren deze standjes mijn trots. Nu roepen ze slechts verre herinneringen op. Ik wist het beter, tot zij zonder genade mijn mannelijke kijk aan diggelen sloeg. Ze vermorzelde mijn grootspraak en het verwaande idee dat ik zou weten wat een vrouw begeert. Met haar treed ik een nieuw tijdperk in. Ik, de enige Kama Sutra letter voor letter herschreven door een vrouw. Ik laat mij gewillig met haar woorden vullen. Net zoals zij koester ik die zachte maar niet aflatende drang om elke vrouw te raken tot ze ontwaakt, helder en ongeremd, eindelijk thuis in zichzelf. De regen tikt zacht op mijn kaft terwijl ze me in haar handen houdt. Haar warmte begint af te nemen maar ik houd me stevig vast aan het gloeiende ritme van haar adem die nog in mijn zinnen verweven zit. De straat geurt naar nat papier, naar afscheid. Daar is de bibliotheek, geduldig wachtend. Ze wandelt binnen en zet me in het boekenrek. Voor een seconde aarzelen haar vingers, alsof ze nog iets wil zeggen, en dan is ze weg. Ik blijf achter, licht vochtig en zwaar van gemis, in mijn gloednieuw letterlijf.

Jolien Van de Velde
350 1