Lezen

Mijnenvegerman

  Ef þú vilt mig verðurðu að telja stjörnurnar fyrst.   Iemand ergeren. Dat wil ik niet. Onverstaanbaar zijn. Dat is al minder erg. Omdat de maan boven je bed het misschien vraagt, vertaal ik het dan maar :   Als je me wilt, dan moet je eerst de sterren tellen.   Dat eerste was Ijslands. Geloof me maar. Ik weet alles. Zelfs wat een hemellichaam peinzen durft, hetgeen een duizendpootje niet vergeten wil, voordat het weer een enkeltje verrekt. Zo gaat dat hier aan boord van onze mijnenveger. Hij is ook helemaal onzichtbaar voor de radar van het groot geweld, onvindbaar voor de ziel die er naar zoekt. Dat heb ik zelf gekozen. Wij eten hier uit slechts één bord. We zijn niet vies van speekseldruppels die ons redden van de dorst, al zijn ze van een kwal. Ik wil gewoon wat overleven, hier en overal. Het staat hier eigenlijk behoorlijk vol. De glazen spoelen wij pas als ze weer eens gulzig worden en de tafel staat zo scheef als zij zelf wil. Daar doen wij niets meer aan. Voorgoed. Op deze wanden is de gretigheid te zien van stemmen die we hoorden. Vergaan. Terloops. Het kan ook zijn dat het geschreven is door één van ons toen hij of zij beteuterd was.   There is a light green submarine that never sinks before the butterflies have left that wicked grass within my brain. They search for you, my darling. On the short I left my heart, a lonesome fairy tail. Il y avait une sirène qui voulait sourire comme une baleine. Je lui ai dit : n’essaie pas. Calme ta bouche comme une tempête qui veut dormir et laisse-moi t’embrasser. Je suis ta vague d’amour. Er ligt een bloedrood lichtschip, ginds waar de Wandelaar begint. Er drijft een boei daar aan het einde van zijn tocht. Hij vocht tegen de duisternis, verloor een arm aan een rivier. Toch vond hij hier heldere zee. I will never forget my friend Ricky and his fabulous destiny. He could dive in the sea, just like a butterfly, so desperate. He could swim like a tear in my eye. He could die as a flash in the sky.   Daarmee staat het hier vol, van boeg tot roer. Het zijn geschriften van ons alle vier. De bemanning werd gekozen lang geleden, nog in het hiervoormaals. Door een internationaal bureau. Het was een tijd zonder veel tegenstroom en alles vloeide vrolijk rond de kern van het bestaan. Dat zeg ik zelf en deze teksten in het Nederlands, die zijn van mij. Etienne, mijn rechterhand schrijft Frans en Odilon heeft enkel linker vingers die het Engels adoreren. De zeemeermin, van wie ik daverend veel houd, die komt uit Ijsland, bedacht enkel die eerste zin, omdat zij liever doelloos mijmert. Terwijl ze in mijn ogen kijkt. Wanneer ik stuur. Zowat de ganse dag. Ik ben ook zelf de kapitein. Gelukkig man. Enkel de zeemeermin, zij weet waarom. Zij heeft de handleiding door mij geschreven voor dit schip, niet willen lezen. Zout waren eerst haar ogen en daarna is ze me heel bedeesd gaan liefhebben, omdat ik zo veel kan. Ze zei ooit eens, jij mijnenvegerman, ik denk dat ik mijn voorgevoel vertrouwen blijf, terwijl je zelf mag dromen wat ik van je denk. Daarna was ze weer stil, wreef zeewier van haar bil, mijn lieveling. Doch op een nacht toen ik een dutje nam, heeft ze het toch ontdekt. Ze zag het plan, de schets en de getrokken lijnen. Ze weet nu hoe ik alles heb geplooid. De einder naar een mooi visioen. Dit bootje van papier. Het werd dusdanig klein, dat ik het door de hals van een ledige melkfles kreeg. Daarna heb ik gekozen voor dit nederig bestaan. Dit schip het is beschermd door stevig glas. De lucht is bij momenten wel een beetje zuur. Dat komt omdat de fles niet goed werd uitgespoeld. Dat is niet erg, zegt iedereen. We drinken wel wat zuiverheid, een druppel damp die op de kurk verschijnt. De zeemeermin, ze vindt het lekker warm, hier in ons paradijs. We drijven zomaar rond en wachten nergens op. Het aanspoelen is uitgesteld. Omdat er nog veel plaats is op de wanden voor een spreuk of duizend. Omdat duizelige nachten zo graag zien hoe ik haar mild bemin, die kieuwen zachtjes streel, wat schubben teken op mijn been, terwijl zij lacht, mijn zee-egeltje aait.     uit de reeks 'Reizen met Ricky' 

Bernd Vanderbilt
2 0

Noordperron

  op het noordperron is er een moord gepleegd hij stond nog maar met één teen op de grond en het was prijs   die ijsvogel uit zomergem hij doet dat anders nooit uitstappen zonder geluk toch zeker niet zomaar op donderdag   de hemel brulde niet meneer de conducteur heeft mooi verslag gedaan het proper opgeschreven in zijn almanak   het gaat soms bijster snel de trein met rampspoed kwam warempel aan er is dat spoor dertien voor iedereen   nu ligt het opnieuw stil een onderzoek geschiedt men vraagt wie er weer schoot met een pistool geweer of klakkebus   neen echt niemand niets hij viel gewoon omver alsof hij nooit gelopen had zijn poten waren stroef banale roest   neen echt niemand niets we willen nu wel door neem de vervangbus maar die staat al jaren klaar wordt er gezegd   of daar is een wagon waarin je slapen mag hij staat daar al zo lang heeft alles reeds vervoerd geloof me vrij   het was ofwel de scouts drie joden zelfs een koppeltje met helderblauwe ogen het heeft erin gepaard hoe mooi is dat   het is weer niet normaal vandaag mag alles weer ze zijn daarnet gestopt te tielt die vlinders van weleer   ze zaten in hun playmobil ze hielden van elkaar gelijk twee rode kersen aan een dapper trosje nu niet meer   je stopt ook niet zomaar te midden elke overweg om nog een zoen te geven samen eens te proeven van de dood   het eindstation dat is nu ingericht voor hen er hangt wat stoom een vleugje brave mist mag ook   mijn koffie drink ik liefst met heel veel suiker schommel wieg mij vraag ik aan de bank die mij niet kent   gezeten naast een rail kleurloos recht de regenboog hier in dit hoofd hij vraagt hoe ik zo overleven kan   ik voel het al gebeuren er opnieuw wordt getrokken aan een sliert containers richting binnenland waar alles roept   men wil dat fraaie spul verpakt in zachte folie onderin dit blij bedrukt karton zit alle hoop op beterschap   het komt altijd wel aan meestal domweg besteld soms als verrassing zelf heb ik geen pit op overschot   ik kan alleen maar denken aan die jonge legotrein toen ik nog zuiver was dat witte blokje zocht het boekje las   de metro wordt bekeken op een trein achter dof glas het doodt bij mij geen tijd enkel de geest het is genoeg geweest   ik plooi vandaag die zo vervelende gazet tot vliegtuig voor mezelf ik wil gewoon dit spoor  niet langer volgen stop de tijd   ze liggen daar kijk goed twee lijken arm in arm schoon naast hun playmobil het volk staat rondom het spektalstuk   toch wil niet alles dood de ijsvogel hij leeft straks in het noordperron stap ik gewoon weer uit de trein   ik vraag dan heel beleefd aan een verlegen automaat of hij een drankje heeft waarmee ik dit gedoe hier tarten kan   hier is jouw flesje zeewater zo lacht het ding mij toe het zout dat heb ik opgespaard het is voor haar je tong neem van me aan dat al hetgeen te zoet smaakt daarmee rustig sterven zal       uit de reeks 'Reizen met Ricky'

Bernd Vanderbilt
4 0

Droompiloot

  ik wil wel eens veranderen van plek en van planeet zo sprak de berg   als er een ufo is die hier straks landen wil dan ga ik zeker mee ik ben het beu want elke dag opnieuw dan is hij daar   die snuiter met zijn bol hij zegt dat hij niet anders kan dat ding moet steeds omhoog op zich is dat niet erg dat hij zijn strijd herkent zo denkt allicht elk wezen   toch wil ik gewoon weg van hier en al dat leed het laat me niet gerust de top is trouwens veel te hoog zo sprak de kam de lucht is ijl te dun   er is gewoon geen plaats daar op die spits echt alles valt eraf het rolt gewoon weer naar omlaag tot in die plooi van niemendal   de aanvraag heb ik ingediend een eeuw of twee geleden bij die brave slak ik weet een aardemens vraagt zich dan af wat mij bezielt   mag dan die zonderling zijn ding gewoon niet doen slechts beterschap betrachten stijgen wil hij toen en nu om kalm te overzien hetgeen hij achterliet   spijt en kwel ze mogen beiden kleiner worden het knagen aan zijn ziel door wezens uit de laagvlakte het mag voor altijd stoppen verlaat voorgoed dat hart gij moeizame magneet   wat hij ook probeert die bol is van metaal hij laat gewoon niet los tevens is het domweg daar het zijn dat hij ooit kreeg de jongen knikkerde eerst nog   hij zag ervoer hoe alles scheef verkeerd verliep wanneer een kloof verscheen gepoogd wordt toen en nu hij moest hij zou het licht heroveren   geen hinder meer ervaren niet van bol of strijd noch van de zure tijd ik ben er bijna denkt hij telkens weer ik zie weldra de top   daar staan ze dan die alien dat ruimteschip ze komen elke dag ze tonen dan altijd dat formulier gekregen van die slome slak   de ruimtevaarder vraagt aan berg en knaap is dit geschrift van u helaas besef en weet dit alfabet is vals de ogen van de berg   zij liegen over alles over hoogte en verlossing niets zal helpen jongeman jij enkeling wat je getekend hebt als kind was mooi   je pen was echter toen al bijna leeg het wolkendek verzweeg hoe grijs de mist kon zijn waar je de top verbergen moest   het is te wazig in jouw hoofd verdriet vervuilt jouw blik je vingers weten niet waarom de tinten zich vergissen die roest op jouw metalen bol noemt zich geen zacht oranje   enkel onze zon is warm ik ben daar al geweest zo sprak de ruimteluis tot hem die heuvelreus tot de magneet dat hart van hem die knaap met zijn manhaftig streven   er is geen barst noch schedelbreuk waardoor een kabel kan waarin ik duiken zou er is helaas geen beter leven voor een berg als jij daarom echt niemand mag er mee   het heeft geen zin vertelde hij de jongeling dat ik een truc bedenk mijn brein is vreemd aan dit bestaan alles wat jij voelt of denkt spookt enkel in dat hoofd   de bol is ooit gemaakt uit erts dat enkel hier te vinden is ik had nog nooit gezien hoe zwaartekracht alleen zo lastig durft te zijn een wezen kwellen kan   ik ben weer weg tot ziens de ledigheid zij roept de ruimte wil wat soep die smaakt naar meer maar niet naar aarde zuur of bitter einde   ik doe zoals gevraagd door stilte en het niets vaarwel mijn dwerg gij bult tot morgen mag je denken hopen kan altijd ik moet nu voort ik ben slechts de piloot van alles wat nooit komt misschien hetgeen waarvan jij dromen zult     uit de reeks 'Waanhoop'

Bernd Vanderbilt
1 0

Zes droge worsten alstublieft

  Mocht ik een nestvlieder zijn geweest, ik had een beter leven gehad. Ik kocht me dan de jongste jeans, een mooie riem met gaatjes voor wat bloemen en twee vleugels met de kleuren van naïviteit. Doch. Ik hield met vast aan roest, aan resten van een huis. Nochtans was het niet ingestort. Zo leek het toch. Het was wel grauw en grimmig. Ooit werd ik gebeten door een muur. Die wist vrij goed waarom en zelfs de trap liet mij eens vallen. Er was geen dokter in de buurt. Daar groeiden enkel bomen zonder oren. Al het gevoel zat ondergronds. De wortels kropen liever richting sloot. Om de ziel te spoelen. De armen van de hoop te strekken. Er was daarvoor een vijvertje met dikkoppen en smalle aaltjes slopen weg. Doorzichtigheid. Das was hun redding. Telkens weer. Gevaar alom daar in die streek. Veel te laat ben ik bezweken. Echt. De ledematen van de onschuld hingen toen al jaren los. Ik droom altijd dat ik niet langer stappen kan, dat zwaartekracht alleen al mij tot torsen dwingt. Mijn hoofd is daarbij als een kooitje voor een vogeltje van lood. Onder de pannen leeft er ginds altijd nog een familie dove dakwormen. Ze boren gaten in de zacht geworden schedel van een rot verleden. Maden ook en larven die vergiffenis niet lusten. Dat laten ze onaangeroerd. Misschien komt er een krekelstorm. Ze mogen landen op dit krot en alles opeten. De zot is niet meer thuis. Ze hebben hem verbrand. De urne is van haar, de laatste blinde ziel die van hem hield. Ze kocht een driewieler toen de malloot begon te stuiptrekken. Door het gewicht van misdaden. Het zonk naar slechts één voet. Mank niet zo. Dat riep eerst nog een strontvliegje met laarzen. Het was zeer goed geweten bij de dieren. Wat een beul dat ventje was. Ze scholden vaak naar hem. De lijp hij bleef maar komen naar zijn hok waar mest al grijze haren kreeg. Kuis mij dan toch eens uit. Dat riepen stal en ook mijn emmertje dat vol liep met zeer troebele verhalen. Met beelden die opeengestapeld al het zicht ontnamen. Ik zag niets meer. Voor een normale blik op madeliefjes dromerige wolken moest ik vluchten naar het veld. Veel verderop was dat. Daar aan die beek is er een brug. Niet groot. Daarop wordt nooit gedanst. Een duif uit Avignon verloor er ooit zijn ring. Ik heb een oog dat alles ziet, helaas. Die kreek voorbij. Jawel. Dat huis achter me laten deed zo’n deugd. Het was een woning waarvan niemand wist hoe krank het was. Ik liep graag weg. Richting het winkeltje met snoep wat blikken soep een bak met sla of twee. Gelijk een Griekse mini market. Zonder feta. Olie van olijven. Zonder zakjes kruiden voor tzatziki aan een haakje bij de kassa. De caissière had twee ogen die mijn geld bekeken. Nooit mijn ziel. Die zat te diep. Onder beton leven er pissebedden in een grote groep. Hoera de kalme duisternis. Hip hip aan iedereen die jarig is op stille dagen, geen gekrijs hoeft te aanhoren van een ouderling. Ja. Aan die kassa heb ik vaak gestaan. Ik schoof er aan achter een oude man die eenzaamheid kwam stelen van een laatste fles met drank. Ze stond alleen in een braaf rek. Zonder waarschuwing. Voor die heerlijke overdosis. Dat durfde hij nog niet. Alles wat je betaald, dat mag je hebben. Hetgeen je zomaar kreeg. Miserie grief wat zure kool. Dat moest je freten. Gewoon slikken. Als een medicijn waardoor je vel wat taaier wordt, je geest een laagje rubber krijgt. Voor de putten. Voor de schokken. Ik heb daar in dat winkeltje zo dikwijls weer een nieuwe binnenband gekocht. Dat hadden ze daar ook. Omdat de fietsmaker elke nacht met de caissière sliep. Overdag. Dan moest hij uitrusten, verkocht zij dan zijn restvoorraad, zijn kettingen een bel voor wie hallo wou zeggen aan een zebrapad. Het is bij die mevrouw daar met haar kassa dat ik alles in een grote fietszak stak. Ze droeg wel eens zes droge worsten rond haar nek omdat ze erg van vet en slingers hield. Dat kocht ik nooit. Eigenwijze schoonheid mag men niet ontnemen aan mistroostigheid. Omdat ze mij dat vroegen heb ik er des zomers houtskool twintig kilo groot formaat gekocht. Voor barbecues en taferelen met wat brandend vlees. Varkensenkels wilden zwarte croûte, al wat roze was vergeten. De idylle stoofde mee. Tot er geen vuur meer was en vettig spul weer van het rooster droop. Het wilde nimmer wachten op die tong van gore honger. Op dergelijke feesten kreeg de vraatzucht nooit genoeg. Ze at zowaar die poot. Van mijn stoel. Waaraan een beetje ketchup hing. Ze lustte zelfs mijn leed. Kon dat maar en ik herinner me. Er was op zulke mooie dagen meestal ook zo’n sfeer van zoete schijn die liefst wat zure neerslag dronk. Opgevangen in een bierplateau. De bui kwam altijd graag. Hij bracht verfrissing, spoelde alle borden en dat bitter restje loof. Geloof me toch. Het landschap was er mooi en ogenschijnlijk mals. Ik heb altijd wat meegegeten. Enkel de salade en het blad van brandnetels. Gedrenkt in wat citroen. Ja ook de stengel van een berenklauw. Maar sterk, dat werd ik er niet van. Ik sloeg nochtans mezelf. Want op een dag, dan heb toch die riem gekocht en als je me zou vragen wat ik echt niet missen kan, dan is het wel die heupgordel van leer. Voor alles wat een beetje roze leek en lijkt. Voor alles wat er vroeg en vraagt. Om rode kracht. Om dapperheid en vredevolle dagen.     uit de reeks 'Over eelt en zurkelteelt'

Bernd Vanderbilt
1 0

Een eland at mijn oog

  als ik hier lig door koude doodgevroren in het gras peul dan mijn oog niet uit   wie echt wil zien waarvan ik zomaar durf te houden kijkt beter scheef vooruit   ik weet niet of het kan misschien onder gebroken glas de scherven zijn niet dom   je blik sprak vele delen zonder boek noch lood voor een verloren ruit   daar in het achterland heb ik ooit eens gewacht op lente en een sprookje   een eland sprak tot mij hij vroeg waarvoor ik vocht is er een spook of specht   die in je dromen durft verschijnen daar probeert bedaardheid te verstoren   het ligt gewoon aan mij die aard van mijn bestaan is zoveel anders dan gedacht   mijn binnenkant ze is nu eenmaal schots en scheef ik leef gelijk verloren   die eland met zijn edelsnoet hij ademde tevredenheid zo warm een dier kan zijn   hij schonk mij daarna alles wintervacht en kennis van een lange levenstocht   maar goed ik ben eenmaal zwak te week verging bijna de dood had mij in pand   ik kan niet meer ik wil niet meer proberen echt mijn kaars is opgebrand   de strijd is lang gestreden vermijden kan in niet de eindstreep ligt er al   ik woon hier onder sneeuw dat zijn de kalme woorden van een loom gevoel   het is al zo erg lang dat ik het ijs hier streel er kwam geen lieve dief   die al mijn restjes wilde geen dapper mesje kwam er uit de hemel neergevallen   ik lig hier vanaf ooit tussen begin en eind al sinds de middeleeuwen   doch helaas bijna nooit heb ik een vin verroert de vis in mij is lam   de kreek vlakbij bevroor toen zij mijn ziel bekeek over mijn lot vernam   geen druppel die gelooft dat ik nog leven zal ik ben een droef geval   de wereld is mij kwijt ik ben gewoon die wees die wil dat men vergeet   hoe ik zowaar bestond als water zonder bron peul mij dat oog niet uit   ik heb te veel beleefd de leek kent geen detail geen inzicht dat iets heeft   aan mij noch dit relaas ik ben een haas konijn dat alle holen kent   ik ben te veel verwend zo weet de ondergang de zon die is van mij   wacht nooit zomaar op haar ze is zo donkerzwart die moedeloze duisternis   tussen haar oren wil de kille nacht die echo mijn herinneringen nooit meer horen niets nog zien     uit de reeks 'Waanhoop'

Bernd Vanderbilt
1 0