Lezen

Want ik red

Wanneer een autootje waar kinderen in spelen door de lava wordt geduwd, dan zullen de banden smelten. Dan smelt de baby in de speelauto als deeg in de oven. De baby neemt de materie aan van klei die ik moet vasthouden, bijsturen, hervormen. Met mijn hand grijp ik de omvang van zijn veel te fragiele nekje om te voorkomen dat zijn hoofd verder in zijn lichaam smelt. Want smelten zal hij. En hij zal er eeuwig onder lijden. Dus ik vang zijn ledematen op en draai ze bij. De lava ons neemt ons beiden mee. Maar ik red. Wanneer mijn broer steeds naar een mysterieuze kamer verdwijnt. Daar waar computerschermen hem brainwashen tot een mechanisch bestaan. En niemand merkt op dat hij er lomer en lomer uitziet. Een beetje uitgerekt en zo ongelofelijk mager. Niemand merkt op hoe hij uren in de kamer verdwijnt wanneer het alarm afgaat. Maar deze keer zal ik meekomen. Deze keer trek ik hem weg. De kamer daar hij verdwijnt, waar hij bewusteloos in een stoel ligt, ligt hij vastgebonden te staren naar het computerscherm dat hem vertelt hoe hij ons moet verlaten. Maar geen zorgen, want ik red. Ik red ons allemaal. Wanneer de zombie meisjes met hun rode capes als onschuldige poppen in de berm liggen. Daar net tegenover de plaats waar mijn vriendinnen na het vluchten hun kamp opbouwen. De avond nadert en plots maken ze knarsende geluiden, ze lijken wel te ontwaken. En wanneer ze als vleesetende meisjes opstaan en aan zij die hun benen scheren beginnen knagen. Dan kom ik met maar één doel. Want ik red. Wanneer we verstoppertje spelen terwijl mama zich laat opereren. Verstop ik mij in de kast van de operatiekamer. Daar waar de dokters haar inslaap doen en ze met messen in haar lichaam beginnen snijden. Omdat ze haar schoonheid benijden? Daar zal ik haar dragen. Ik draag haar al ben ik maar acht of negen jaar. Al is ze voor mijn armpjes veel te zwaar. Ik zal haar redden. Wanneer zal mijn onderbewuste het mezelf vergeven dat ik papa niet redden kon. Wanneer zal ik stoppen met compenseren. Maar ik droom en droom en dat is al iets. Liever zulke dromen die ik overleef, als een situatie waar ik niet bang meer voor moet zijn. Dan niets.

Tess Declercq
0 0

Age of Scorpio

Ik ben een lichaam van taal, gebonden in een huid van vezels. Sommige handen lezen me langzaam, zoekend naar verborgen lust tussen mijn zinnen vol zin. Andere laten hun vingers snel en oppervlakkig over me heen glijden, als was ik een goedkoop lustobject. Die handen en vingers… Hoe verfijnd of behendig kunnen ze wel zijn, in elke aanraking lees ik tot welke sensuele handelingen ze in staat zijn. Ik bespeur hun aarzelende beroering, een schuchtere eerste kus, vezel tot vezel. Of een zelfverzekerde grip die mijn uitnodigende krommingen omklemt. Ik lig paarlustig in hun handen, samen ademen we sneller, het bloed suizend en kolkend aangespoord door mijn tintelende verbeeldingskracht. Ze plooien me naar hun zin, strelen mijn rug waardoor ik zwicht voor hun wens. Sommigen zoeken mij op vol oprechte nieuwsgierigheid, anderen voor platte opwinding. Telkens opnieuw probeer ik me naar hun lust te kronkelen. Velen willen onmiddellijk in me duiken, op zoek naar de climax nog voor het verhaal goed en wel begint. Ze vergeten dat ik een spanningsboog ben, die ze langzaam moeten oprekken met langgerekte oh’s en ah’s, trillend op het ritme van onze fantasie.  Kom dichter. Kijk naar mij, naar mijn kaft, waarop het beeld uit de erotische tempel van Khajuraho staat. Laat je ogen glijden over haar borsten, haar buik, haar dij. Stop daar. Zie je hem zitten op haar linkerdij, de schorpioen? Hij draagt de zinderende begeerte naar haar afwezige minnaar in zijn brandende angel, en lijkt het topje zelfs niet lichtjes te trillen? Haar rechterhand van steen ligt bijna op haar venusheuvel. Wat hou ik toch van dat woord. Venus. Heuvel. Zachte klanken, perfect gemaakt om over likkende tongen te rollen. Zo staat de hemelse tempelnimf nu al ongeveer duizend jaar bevroren in een pose van nooit ingeloste lust.  Al enkele weken lig ik op haar nachtkastje. Niet als leermeester, maar als novice. Toen ik haar voor het eerst ontmoette, zag ik onmiddellijk het glanzende vuur in haar ogen. Zij was de eerste die haar blik op de schorpioen van het tempelbeeld liet rusten, en daarna op de vinger die al duizend jaar wil wegglijden in zandsteen, als was het nat zand dat zich zonder al te veel moeite open laat strelen en waarbij glinsterend vocht naar boven parelt. Ze nam me mee naar huis, en leidde me haar slaapkamer binnen. In het avondlicht ontkleedde zij zich voor mij. En daar zat hij dan: haar schorpioen, een kleine tatoeage op haar linkerdij. Het tempelbeeld rees op uit haar duizendjarige slaap. Zij stond voor me, in vlees en bloed.  Sinds ik bij haar ben volgen we elke avond hetzelfde ritueel. Ze neemt me mee in haar bed en ik kijk toe hoe ze haar minnaar ontvangt, hoe zij deinen tussen de lakens, hoe zij haar hoofd naar achter legt en haar zacht gekreun de kamer vult. Zij berijdt hem, en daarmee bevrijdt zij zichzelf. Zij bepaalt het ritme en het rijm, en zo vergeet ik alle regels die mijn schrijver me ooit had opgelegd. Ze likt mijn letters warm en vloeibaar tot ik opnieuw druipende inkt ben. Haar vingers, nat van haar opwinding, vermengen zich met mijn inkt en zo beginnen we een nieuw verhaal te schrijven. We ontbranden samen in een nieuw lichaam, versmelten in wederzijdse overgave, in een zinderende sensualiteit die zich niet laat sluiten door een kaft.  Langzaam maar zeker wist ze mijn geheugen. De olifant? De waterval? De geopende boog? Ooit waren deze standjes mijn trots. Nu roepen ze slechts verre herinneringen op. Ik wist het beter, tot zij zonder genade mijn mannelijke kijk aan diggelen sloeg. Ze vermorzelde mijn grootspraak en het verwaande idee dat ik zou weten wat een vrouw begeert. Met haar treed ik een nieuw tijdperk in. Ik, de enige Kama Sutra letter voor letter herschreven door een vrouw. Ik laat mij gewillig met haar woorden vullen. Net zoals zij koester ik die zachte maar niet aflatende drang om elke vrouw te raken tot ze ontwaakt, helder en ongeremd, eindelijk thuis in zichzelf. De regen tikt zacht op mijn kaft terwijl ze me in haar handen houdt. Haar warmte begint af te nemen maar ik houd me stevig vast aan het gloeiende ritme van haar adem die nog in mijn zinnen verweven zit. De straat geurt naar nat papier, naar afscheid. Daar is de bibliotheek, geduldig wachtend. Ze wandelt binnen en zet me in het boekenrek. Voor een seconde aarzelen haar vingers, alsof ze nog iets wil zeggen, en dan is ze weg. Ik blijf achter, licht vochtig en zwaar van gemis, in mijn gloednieuw letterlijf.

Jolien Van de Velde
350 1