Lezen

Vastgereden

We moeten hem een naam geven. Dat blijft helpen. Alsof ge iemand zachter kunt maken door hem te benoemen. Laat ons zeggen: Petar. Petar uit Bulgarije. Met een camion vol wortelen, ajuinen en waarschijnlijk ook een klein beetje haast. Dat zit tegenwoordig standaard mee in de cabine. Ge ziet dat niet op de vrachtbrief, maar het rijdt wel altijd mee. Hij is de derde al. De derde die zich vast rijdt in die ene venijnige bocht, hier een beetje verder. Een bocht die eigenlijk geen bocht is, maar een soort list. Aan beide kanten een beekje… de straat zegt: ge moogt hier zijn, maar ge moet wel weten hoe. Petar wist dat dus niet.Of hij wist het wel en dacht: ik doe het toch. Dat is vaak het verschil. Hij is er ingereden zoals ge soms in dingen rijdt die ge eigenlijk al voelt dat te smal zijn. Relaties. Gesprekken. Situaties waar ge uw eigen draaicirkel een beetje overschat. Nog een beetje vooruit. Nog een beetje draaien. Nog een beetje hopen dat het wel zal passen. Niet dus. Zijn camion stond daar. Scheef. Vast. Lichtjes vernederd. En Petar ook, maar dat zie je minder goed op foto’s. Want ja, hij geraakt ermee weg. Met een artikel op HLN. “Vrachtwagen rijdt zich klem in smalle straat.” Klik. Foto. Klaar. Ge ziet een camion. Ge ziet een beek. Ge ziet wat mensen die staan te kijken alsof het een zondagse attractie is. Wat ge niet ziet: de seconde waarop hij besefte dit komt niet goed. De stilte in de cabine. De vloek in een taal die wij niet begrijpen maar wel herkennen. Ik woon blijkbaar in de straat waar mannen zich vastrijden. Dat klinkt dramatischer dan ik het bedoel. Of misschien bedoel ik het wel een beetje zo. Want het gaat nooit alleen over die camion. Het gaat over denken dat ge ergens door kunt omdat een stem — een app, een baas, een idee — zegt dat het moet. Dat het sneller is. Efficiënter. Beter. Misschien is het Waze die zegt: hier langs. Misschien is het geld dat fluistert: doorrijden. Misschien is het gewoon koppigheid. Dat ook. Maar hier werkt dat niet. Hier zijn de wegen smal. Hier liggen beekjes langs beide kanten, alsof het leven zelf zegt: rustig. Hier moet ge kunnen draaien zonder te duwen. En als ge dat niet kunt, dan staat ge vast. Letterlijk. En wij staan dan te kijken. Met koffie. Met commentaar. Met een licht schuldgevoel dat verdacht veel lijkt op amusement. “Dat zou mij niet overkomen,” zeggen we. Maar we weten beter. Iedereen heeft wel ergens een bocht waar hij zich ooit heeft vastgereden. In iets dat te schoon leek om niet te proberen. Of te dringend om te laten liggen. Petar geraakt los. Uiteindelijk. Altijd. Met wat geschuif. Wat gezucht.  En een artikel dat hem herleidt tot “de Bulgaarse chauffeur”. Maar ik denk dat hij iets meeneemt. Dat gevoel van: het paste niet. En toch heb ik het geprobeerd. En ik? Ik blijf wonen in mijn straat met haar smalle wegen, beekjes, bochten die schoon zijn tot ge erin zit. Met mannen die denken dat het wel zal lukken, tot ze vastzitten. Maar ik weet soms is blijven het enige juiste manoeuvre.

Katrien Daniels
59 3

(N)iemandsland

Het is vreselijk koud in dit niemandsland tussen mensen hier en mensen daar en ik hier waar geen mensen. Ooit waren ze er, hier, mij gezelschap houdend met hun schimmen, lieten mij geloven dat ze meer dan schimmen waren. We dronken en we praatten binnenin het dronken en alles leek zo levensecht, voelde werkelijk levensecht. Maar dat heb je dan met het toevoegen van stoffen; hun krachten doven de verdoving uit en nu staar ik hen recht in de ogen, al die niemand in al dat niets, in dit niets- en niemandland. Ik schreeuw in stilte: ‘Waar is iedereen gebleven’. ‘We staan recht voor je, pal voor je neus.’ Ik licht mijn hand op, betast mijn gezicht en voel dat mijn neus geen neus is, ik heb geen neus. Heb ik er een? had ik er ooit een? Ik probeer te ruiken, ruik lijkengeur zonder ooit te hebben geroken hoe lijken ruiken, maar ik ruik ze. Ik ruik lijken. Ben ik dat of zijn zij dat? Kunnen schimmen geuren? Kunnen herinneringen geuren en is dit de geur daarvan? Ik val dieper dan de grond ligt, zak het zand door, zweef door een eindig voelende oneindigheid, meer dan dit is er niet, dit is alles dat er is, zo lijkt het. Zie, zo lijkt het. Het zijn dan toch de lijken. Ik hoor het kraken onder mijn voeten, verbrijzelen beenderen zo gemakkelijk onder het stappen van een mens? Ik kijk naar beneden, probeer mijn voeten waar te nemen in het donker, maar zie ze niet. Ik zie mijn voeten niet stappen, toch voel ik mijn voeten stappen. Ik grijp naar mijn schenen, maar grijp er dwars door heen. In de verte klinkt muziek, ik herken de melodie, de stem, de woorden. Toen we dronken, lang geleden, klonk dit lied eindeloos door, doorheen de schemering, de avond, tot de morgen, heel de nacht. In gedachten zing ik mee, zingen al de schimmen mee alsof het mensen waren. Ik zeg: ‘sluit de gordijnen, doe de deur dicht, drink nog één’. En dat doen ze en dat doen we en het zingen kent geen eind. ‘Is het goed als ik hier blijf?’ zeg ik. ‘Dat is goed, blijf jij maar hier’. En ik kruip dieper de grond in, kruip een holte ondergronds in en daar blijf ik, in dat iemandsland, waar die iemand enkel ik. 

Lorin Clercq
13 2

Moederzee

De zee omsluit mijn lichaam. Nergens om mij heen is land te bekennen. Ik ben van alle zwaarte ontdaan. Ik laat het water door mijn vingers glijden en lik ze daarna af. Ik proef. Het water is verrassend zoet. Ik laat me kopje onder gaan, laat me door haar naar beneden trekken. De bodem zal ik nooit bereiken, ze is eindeloos. Onder haar oppervlak, dichter bij haar onvindbare schoot, blijf ik ademen. Ze geeft me leven, ze brengt me in een beruste staat van een eindeloos zijn. Ik verschuil me in haar. Stilaan vergeet ik dat er ooit zoiets bestond als land. Ik wil in deze staat blijven leven, verborgen in het water dat me draagt en voedt.  Ik keer in de zee terug naar de toestand voordat mijn bestaan op land begon. Toen ik als een nieuwe drenkeling op de aarde geworpen werd. Dat kleine hoopje weerloosheid dat proestend en ontzet de kust bereikte, en op het droge onbuigbare land moest leren leven. We worden allen weggerukt uit de vloeibare toestand waarin we gewichtloos drijven in de warme nabijheid van moeder. Het is de moederzee die ons gemaakt heeft.  De reis van het lichaam trekt over het onherbergzame land, maar de reis van de ziel brengt ons naar het hart van de zee. Waarom worden wij aangetrokken door de zee? Omdat het ons terugbrengt naar het begin, naar de essentie, naar het vruchtwater waarin we groeiden, waarvan we dronken, waar we altijd troost vonden, waarin we ons in slaap woelden? Omdat onze oorsprong terug leidt naar zilt zaad en zoet vruchtwater? Nu ben ik zelf moeder, en mocht ik die oceaan in me meedragen. Tot driemaal toe. In mij zwol de zee. Ik werd water waarin ik drenkelingen droeg, ik puurde essentie uit mijn lichaam en daaruit vormde zich een leven. En dan nog één. En dan nog één. Ik klotste, ik barstte, en liep één keer een schipbreuk op. Ik moest een kind teruggeven aan de golven, aan de nietsontziende kracht van het zoete nat. Ik werd één met de baren. Ik werd een baarmoeder, een moeder van golven, van het leven dat heen en weer beweegt in en rondom mij.  Ik herinner me nog de weeën en het vruchtwater dat uit mij stroomde. Een rivierdelta werd ik waar de zee het land ontmoette. Bij elke beweging stroomde ik meer. De drenkeling zou zich weldra op het land werpen en een eerste kreet uitstoten. Hij of zij zou voor de eerste keer de longen moeten vullen met zuurstof. Leren dat de longen niet meer gevuld zijn met haar. Met moeder.  Moeder. Zee. Water. Vloeibaarheid. Eenheid.  Mijn moeder. Zij lag aan de horizon maar kwam nooit dichterbij. Ik stond aan haar branding, luisterde naar het eindeloze komen en gaan van haar golven, alsof ze me dichterbij wilde, maar telkens terugdeinsde op het laatste moment. Soms hoorde ik een fluistering in het schuim op haar woelige golven, soms bleef haar zee zo glad als een spiegel. In die kalmte schuilde geen rust maar afstand. Haar getijden vormden het ritme van mijn kinderlijk gemis. Een moeder hoort een haven te zijn, maar ik zie in haar enkel een horizon. Ik richt mijn blik op haar einder, maar vanbinnen weet ik dat ze ongrijpbaar zal blijven. Ik werd een haveloze vrouw.  Ik maak dus maar mijn eigen oerzee, en nu ik laat me gewillig onder het wateroppervlak glijden. Het water sust mijn gedachten. Ik ben weer gewichtloos, ik dein mee op de stroming met boven mij de golven die af en aan rollen. Ik baar mezelf opnieuw op deze wereld.     

Jolien Van de Velde
123 0

Meneer K. Goossens

Meneer K. Goossens parkeert zijn Opel Corsa binnen de lijnen. Hij stapt uit, sluit de wagen af en loopt een keer helemaal rond. Ja, hij staat in het vak, het rechterachterwiel op de witte lijn, maar dat is nog binnen. Toch, zoals in het voetbal? Hij twijfelt even, de autosleutel nog in zijn hand, maar besluit het zo te laten. De Opel Corsa is de enige wagen op het parkeerterrein. Hij knoopt zijn petroleumkleurige mantel dicht – te laat om de koude rilling over zijn rug te voorkomen – en wandelt in de richting van het water. Zijn stadse schoenen soppen in het drassige gras tussen het parkeerterrein en de rivieroever. Meneer K. Goossens tracht er niet aan te denken hoe het zachte, glimmende leer in aanraking komt met modder of vuiligheid. Hij zet grote stappen om snel op het jaagpad te zijn. Dan ziet hij een eind verderop een kiezelpad dat hij had kunnen nemen. Hij keert zich af van het hinterland en richt zijn blik op de stroom. Het water vloeit als vanouds; de tegenwind laat nu en dan een golfje oprijzen dat snel, met een zachte plons, weer opgaat in de watermassa. Geen nieuws hier. Aan de overzijde liggen akkers en weiden, de gesloten fabriek en het huisje van Deirdre. Meneer K. Goossens schuift zijn linkermouw lichtjes omhoog om de tijd af te lezen van zijn Ruckfield-horloge: twintig voor vijf, bijna. Te vroeg natuurlijk, zoals altijd. Hij neemt nooit het risico om te laat te komen. Hij vreest de rampen en cataclysmen die verborgen liggen achter de tijd. Hij zet zich schrap, ademt diep in, ruikt de geuren van de andere oever: omgespitte aarde, koeienmest, tractordiesel. Hij probeert de rivier zelf te ruiken, maar die mikt op zijn andere zintuigen. De laaghangende zon die hard in het water kaatst, de kilte van de wind die tegen de dijk op kruipt.  Op het water drijft een plastic fles, voor de helft gevuld met een bruine vloeistof. Meneer K. Goossens volgt de fles op haar reis naar zee. Even wordt ze opgetild door wind en golven. De vloeistof ontploft, schittert in de zon. Het doet hem denken aan mazout, zoals het mengsel van bier en cola vroeger werd genoemd. Hij lustte het toen wel. Net genoeg alcohol om een beetje te ontspannen, maar het bleef toch onschuldig en zoet. Zoals hijzelf had kunnen zijn. Hij proeft de smaak nu in zijn mond: peperkoek, of nee, karamel. Moet een chemische reactie geweest zijn tussen de suiker en de alcohol. Het plakte aan je tanden.  Opnieuw raadpleegt hij de Ruckfield. Er zijn nauwelijks vijf minuten voorbijgegaan. Om vijf uur wordt het donker, dan kan hij zien of er licht brandt in het huisje van Deirdre. Meneer K. Goossens recht zijn kraag, graaft zijn handen diep in zijn zakken en geeft de wind vrij spel met zijn haren. Het ene moment stijgen zijn lokken ten hemel, meteen daarna valt een gordijn voor zijn ogen. De duisternis. Niets meer zien. Hij laat het gebeuren. Het overkomt een ander, een vreemde man aan de rand, de benen lichtjes uit elkaar om de schokken op te vangen. De windschokken. Hij aanschouwt zichzelf, pas wanneer de kou zijn lippen uitdroogt wordt hij weer één. Hij likt zijn lippen, proeft karamel. De wind die zijn mond verdort, maakt zijn ogen vochtig. Hoe vreemd is de wereld. Het landschap valt uiteen in duizend facetten. De vogels sluiten de dag, de tractor trekt een laatste voor. Het water borrelt en bruist. Plots is alles luid. Hij hoort hoe Deirdre de deur opent en het licht aanklikt. Zijn mouw wrijft zijn ogen droog. Het is waar: er brandt licht in het huisje waar hij had kunnen zijn. Maar hij is hier, niet aan gene zijde. Meneer K. Goossens bewaart afstand. Deirdre weet niet langer wie hij is. Laatst zag hij haar bij het postkantoor. Ze haalde een pakje uit de muur, ja, zij gaat mee met de tijd. Hij zei geen woord, knikte of glimlachte zelfs niet. Ze liep hem zonder boe of bah voorbij, spoedde zich naar haar Toyota vol modderspatten en miste bij het uitrijden maar net de slecht geparkeerde Opel Corsa. Hij keek haar even na, ging dan het kantoor binnen om postzegels te kopen. Hoe donkerder de rivieroever wordt, hoe lichter en warmer lijkt het leven achter Deirdres ramen. Meneer K. Goossens ziet beweging. Ze bergt haar boodschappen op, denkt hij. Ze zet de kachel hoger, denkt hij. Ze neemt een boek uit de kast, denkt hij. Dan loopt ze naar het raam en sluit de gordijnen. Dag Deirdre. Gaat ze het avondmaal bereiden, of zet ze zich met haar boek dicht bij de kachel? Hij knijpt zijn ogen bijna dicht om iets te kunnen onderscheiden achter de gordijnen. Even snel als het stromende water gaat een gedachte door hem heen: hij kan in de Opel Corsa stappen en naar de noordoever reizen. Van het parkeerterrein naar de hoofdweg, twee kilometer tot de brug, net voor het dorp links afslaan, de onverharde weg door het bos, plassen, spatten, takken, krassen, de lichten gedimd om dieren en Deirdre niet te verontrusten, de open plek in het bos, parkeren voor de slagboom, huiveren in het maanlicht, te voet het laatste deel van het pad naar de rivier, halt houden voor het huisje, twijfelen, woorden zoeken, ken je me nog?, betere woorden, ik was toevallig in de buurt, mooiere woorden, je huisje is bouwvallig, andere woorden, bevallig, bedoel ik, vragende woorden, waarom?, doorvragende woorden, waarom wou je niet mevrouw K. Goossens zijn? Onbewogen laat hij zijn blik een laatste keer de rivier oversteken. De nacht neemt het landschap in bezit. Alleen het zwakke licht achter de gordijnen zweeft als verloren vierkantjes door het zwart. Meneer K. Goossens besluit het hierbij te laten en loopt terug naar de Opel Corsa. Hij doet zijn vuile schoenen uit en legt ze in de koffer. Wanneer hij vertrekt, bedient hij de pedalen met kousenvoeten. Het doet een beetje pijn.

R.F.G. Vandenhoeck
21 0