Lezen

Tip

Doka

Doka   Het blauw knalt recht haar ziel in, als een shot pure zuurstof. Ze laat het effect uitdeinen, wegebben, en kan het beeld pas dan grondiger bekijken. Het blauw is niet overal hetzelfde. Indigo en marineblauw, een zweem azuur, er zitten zelfs schakeringen in van bijna zwart, en zilverig wit. Al die verschillende tinten vloeien golvend samen tot dat ene glanzende donkerblauw van de diepzee.  Inez zit in haar zetel en kijkt naar de reuzengrote print aan haar woonkamermuur. Ze doet dit elke ochtend, en elke ochtend is het effect even overweldigend als toen ze de foto nam. Jaren geleden, op een kleine zeilboot, midden op de zee, en overal rondom haar dat heftige blauw. Daarnaar kijken deed haar bloed ruisen van energie, alsof ze de zilte zee inademde door haar ogen. Dat was wat ze met haar foto had willen tonen. Het effect van zien. Ze sluit haar ogen, en al het beeld is volledig weg. Onmiddellijk. Ze voelt het spoor nog dat het blauw van ogen naar ziel getrokken heeft, en de zuurstoftintels in haar bloed, maar het beeld valt niet meer terug te halen. Het enige wat ze ziet is het zwart achter haar oogleden. Inez doet haar ogen weer open en schudt haar hoofd. Een fotografe zonder fotografisch geheugen! Ze weet dat het meer is dan dat, maar daar wil ze nu niet aan denken. Haar smartwatch licht op en er klinkt een agendamelding. Het is tijd om naar de opdracht van vandaag te vertrekken. Een zoo, ergens in een naar verluidt schitterend park. Inez neemt haar cameratas, trekt laarzen en jas aan en stapt haar huis uit. Ze loopt naar haar motor. Er drijven grote wolken aan de blauwe hemel, in variaties van wit en grijs. Ze geven het zonlicht een heldere frisheid. Inez steekt haar spullen weg, verbergt haar hoofd in de helm en start. Traag rijdt ze over het grind van de oprit, en dan volle gas voor een lange rit door dit koele licht. Ze vraagt zich af hoe ze eruit ziet op die machine, kan het zich niet voorstellen.    Het is werkelijk een prachtig dierenpark. Inez arriveerde te vroeg en doet een trage verkenningstocht langs de paviljoenen. Ze neemt een kleiner pad, spot een eekhoornachtig diertje, dat vanop een tak met grote cartoonogen naar ergens boven zit te staren en opeens met een reuzensprong wegzweeft.  Misschien heeft ze achteraf tijd om hier nog eens met haar polaroid te passeren. Nu wil ze die niet tevoorschijn halen, ze raakt ervan uit professionele modus. Haar smartwatch piept en ze wandelt terug naar de hoofdingang. De pr-verantwoordelijke staat haar op te wachten, zijn glimlach zo breed dat haar kaken er bijna pijn van doen.  “Welkom, mevrouw Beelen, welkom!” Hij neemt haar mee naar een vergaderruimte. Het is een heldere kamer, grote ramen geven uit op een zonnig grasveld vol pauwen en duiven. In het midden staat een ovale tafel met foto’s en brochures, op het ruime beeldscherm erachter speelt een loop van promofilms. “Mevrouw Beelen, ga zitten. We zijn zeer blij om u hier te hebben!” Ze gaat zitten, en hij gebaart naar de folders en films.  “U kent ongetwijfeld onze voorgaande campagnes?” Ze knikt. “Veel leeuwen, apen en koala’s, hé?”, lacht hij. Ze lacht mee. De bles van haar schuin geknipte haar valt voor haar ogen, en ze haakt hem zorgvuldig achter haar oor. “De koala blijft natuurlijk ons ‘signature dier’, daar zal u niet omheen kunnen, maar we willen dit jaar focussen op de minder gekende dieren in het park.”  Hij neemt een plattegrond van tussen de foto’s en duidt er met een fluo marker drie plaatsen op aan.  “Dit worden onze highlights: de Kaapse buffel”, hij tikt op het plan, “de kameleon”, nog een tik, “en de gibbon”. Bij de laatste tik schuift hij de plattegrond naar haar toe.  Inez bekijkt die even en legt hem opzij. Ze trekt enkele promofoto’s naar zich toe en bestudeert die aandachtig. “Dit is een primeur voor mij, promotiemateriaal, ik doe dat normaal gezien niet”, merkt ze op.  “Ik zal wat zakelijker moeten fotograferen dan ik gewend ben.” De man schudt zijn hoofd. “Toch niet, mevrouw Beelen, zeker niet. We willen deze keer niet alleen minder gebruikelijke dieren in de campagne, maar ook een andere stijl.”  Hij speelt met de marker, legt die dan op de tafel en kijkt haar aan. “Uw foto’s zijn…,” hij pauzeert, neemt de marker weer op.  “De onderwerpen zijn vaak dingen die we zelf ook rondom ons kunnen zien, maar als u ze toont, zien we ze opeens anders. Heftiger.” De marker verhuist terug naar de tafel.  “U kijkt anders, denk ik.” Ze kijkt hem aan, vrij lang, dan knikt ze. “Goed, ik ruim even op en loop dan een stuk met u mee”, zegt hij wat haastig. Hij begint de uitgewaaierde foto’s weer op een nette stapel te leggen en Inez loopt naar het raam. Ze sluit haar ogen. De zon kleurt de binnenkant van haar oogleden doka-rood. Met haar handen losjes langs haar lichaam probeert ze de dieren te visualiseren. Inademen, buffel, uitademen, kameleon, opnieuw inademen, gibbon. Ze kent ze, maar zoals altijd roepen namen noch woorden een beeld bij haar op.  Ze doet haar ogen weer open. De man staat wachtend naar haar te kijken, in zijn handen een knalgroene badge aan een al even groen sleutelkoord.  “Probeerde u zich de dieren voor te stellen?”, vraagt hij. Ze fronst. “Ik ben te vrijpostig. Maar ik las uw interview in de krant vorige week, en uw afantasie fascineert mij.” Ze glimlacht en hij voelt zich aangemoedigd. “Ik denk dat het daardoor komt dat uw foto’s zo intens zijn.” Ze fronst opnieuw, en hij steekt haar snel de knalgroene badge toe. “Ik geef u nog een pasje mee, daarmee kan u ook achter de schermen. Nadat u een oppasser hebt aangesproken, weliswaar!” Ze knikt een ‘uiteraard’, neemt het pasje aan en hangt het om haar nek. Het groen zal waarschijnlijk fel afsteken tegen het karmozijn van haar lippenstift en de rode kleuraccenten in haar outfit. En misschien doet het iets leuks met haar ogen, die van een bruin zijn dat liever groen was? Zonder spiegel of foto kan ze het enkel vermoeden. Op weg naar de buffel denkt Inez terug aan het interview.  De reporter had erg verbaasd gekeken toen ze hem vertelde dat ze ‘geen geestesoog’ had, zoals dat zo mooi wordt gezegd. Ze had uitgetest of hij het wel had, had hem gevraagd wat hij bijvoorbeeld zag als hij zijn ogen sloot en aan een konijntje dacht. Bruin en schattig, met hangoren en een wit staartje, blijkbaar. En ze had het zelf nog eens geprobeerd, als om het te demonstreren. Haar konijn bestond niet.  Ze laat haar blik wat dwalen, over de plantsoenen, de wolken. Ze was helemaal niet van plan geweest om over haar afantasie te vertellen, maar de spildrang was blijkbaar toch groot. Dus toen de vraag kwam of het haar soms lukte, om het beeld te schieten zoals ze het in haar hoofd had, moest ze wel antwoorden. Dat er geen beeld was in haar hoofd.  Ze glimlacht opnieuw om zijn verbazing, omdat die zo goed spiegelde hoe zij zich voelde, dat dik jaar geleden, toen ze snapte hoe visueel visualiseren voor de meeste mensen is. Maar nu twijfelt ze. Had er meer op zijn gezicht gelegen dan enkel verbazing? Ze ziet het niet meer, zijn gezicht, en daardoor lijkt ook haar herinnering besmeurd met blinde vlekken.  De titel van het stuk herinnert ze zich wel nog. ‘Ik wil gewoon tonen hoe ik iets zie.’ En met de portretfoto was ze even blij. Zij met haar camera in de aanslag. Haar gezicht is half verscholen achter het toestel, maar haar rode glimlach staat erop, en haar kapsel oogt pittig. Ook haar houding ziet er goed uit, relaxed en toch stevig. Soms staat ze zo breekbaar op foto’s, daar schrikt ze dan altijd van. Zien doet ze die foto nu niet meer, maar de tevredenheid die ze voelde bij het bekijken, kan ze zich perfect herinneren .   Inez fotografeert. De dieren verschuilen zich zelden, buffel en gibbon kijken een paar keer heerlijk onbevangen in de lens, en ze durft het aan om de kameleon een por te geven, waardoor hij van tak wisselt en ze verschillende kleurschakeringen te pakken krijgt. Van het niets in haar hoofd naar zo’n visuele overvloed, ze snapt wel dat haar hart daar altijd zo van barst! Als ze klaar is, blijft ze een volle tien minuten op een bankje zitten, ogen gesloten.  En daarna, in het schuine avondlicht, haalt ze haar polaroid boven en loopt er heel traag mee door het park. Ze houdt van de flou van die foto’s, maar het is meer dan dat: op het printje heel geleidelijk aan een beeld zien ontstaan, die vervulde hoop geeft haar een onwaarschijnlijke voldoening.  Ik denk dat het daardoor komt dat uw foto’s zo intens zijn. De woorden van daarnet echoën opeens in haar hoofd. Zal de kracht van haar foto’s nog feller zijn als ze ook het niet-zien kan tonen?   De volgende dag gaat op aan het selecteren en bewerken van de dierentuinfoto’s, maar ergens achteraan in haar gedachten blijft de vraag rondzwerven: of ze haar afantasie zou kunnen tonen.  Als de foto’s eindelijk doorgestuurd zijn, blijft ze naar haar scherm zitten staren. De laatste foto staat nog open. Een close-up van de buffel. De opwaartse gladde boog van de horens, en daaronder dan die zachte oren; zijn zware kop vol stof, maar glans in de ogen en op de natte neus. De hele foto zindert rust, kracht en melancholie. Ze sluit haar ogen. Heel even ligt er een negatief beeld op haar netvlies - het licht van haar scherm is fel – maar daarna is er niets.  Ze kijkt weer rond. De foto, haar handen, haar verzameling polaroids aan de muur. Opnieuw constateert ze hoe helder zien toch is, hoe fel het contrasteert met wat er is eens haar ogen dicht zijn. En toch is niets niet het juiste woord, gesloten ogen geven geen leegte. Bij haar gedachten hoort een gevoel, en ook een soort concept, als een bijna-beeld. Ze denkt aan haar polaroids, aan het moment vlak voor de foto’s verschijnen. Ze hoort de woorden van de reporter opnieuw: Is het u ooit gelukt, een beeld te schieten zoals u het zag in uw hoofd?  Ze haast zich naar haar donkere kamer, haar handen trillen.    Inez staat over het ontwikkelingsbad gebogen.  Aan de drooglijn hangen reeksen en reeksen zwarte foto’s. Ze zijn slordig opgehangen, haastig over de lijn gegooid, net proppen papier in en naast een vuilbak. Ze houdt haar gespitste vingers opnieuw klaar boven de vloeistof, gespannen wachtend op het juiste moment, en grijpt er dan fluks het fotopapier uit. Ze kijkt, schudt haar hoofd, mikt het over de lijn en neemt een nieuw. Maar dan gooit ze het met een grote armbeweging dwars door de ruimte, en trekt de deur wijd open. Licht overspoelt de hele kamer. Ze blijft staan, schudt nog steeds haar hoofd en loopt dan naar haar bureau. Ze moet en zal het vangen. Het beeld dat niet komt. Ze sluit haar camera aan op haar printer, selecteert zwart-witte afdruk en zoekt zwart papier, ze wil een vaag en schemerig beeld. Maar dan zet ze de printer uit en gooit de camera weer neer. De dingen in haar hoofd hebben kleur. Ze ziet ze niet, maar ze hebben kleur.  Ze trekt de polaroids van de muur en blijft ernaar kijken. Misschien kan het geen foto zijn. Iets wat niet komt, beweegt toch op een of andere manier. Ze neemt haar polaroidcamera. Kan ze filmen hoe een polaroid een foto wordt, en dan net op tijd stoppen?  Inez blaast, laat camera en polaroids los, en heft haar handen in de lucht. Palmen naar voor, vingers gespreid. Dan zoekt ze haar sporttas, propt er een handdoek en een badjas in en vertrekt naar het zwembad. Zwemmen wil ze niet, maar er is daar een zoutbad en dat is opeens het enige waar ze nog aan kan denken.  Ze gaat met de motor, rijdt snel en met scherpe bochten. Aan de stoplichten laat ze de machine ongedurig brullen.     De kamer is klein en zachtjes verlicht. In het midden staat het bad als een vriendelijk reuze-ei op haar te wachten. Inez kleedt zich uit en trekt het deksel omhoog. Het water glanst diep en donker, en ze weet dat dit lijkt op de oceaanfoto aan haar woonkamermuur. De zoute geur kriebelt in haar neus. Ze niest, krachtig en luid en dat doet haar opeens lachen. Ze gaat zitten, het lachen schudt haar verkrampte schouders los. Dan doet ze haar oordoppen in, stapt in het bad en laat zich langzaam zakken. Ze houdt haar ogen open en denkt terug aan haar laatste polaroid. Ze probeert zich te herinneren hoe de foto verscheen, maakt er een mentaal stappenplan van. Dan maakt ze een snelle handbeweging, alsof ze het stappenplan naar een ander tabblad veegt, en gaat voorzichtig achterover liggen.  Afantasie. Ze mompelt het woord, het klinkt luid in de gedempte kamer. Ze sluit haar ogen, en zoals steeds ziet ze enkel het roodachtige zwart van een donkere kamer. Ze glimlacht om die extra gelijkenis hier, zo dobberend in haar zoutbad, wachtend op een beeld. Er komen woorden in haar op, concepten lijken het wel, maar niets visueels. Ze denkt aan haar moeder, en voelt een soort vage aanwezigheid in haar lijf, ergens tussen haar schouderbladen; hoort haar stem, haar typische zinnetjes. Ze probeert haar gezicht te zien. Het beeld is er, ze voelt het. Het hangt in de randen van haar brein, als een woord waar je niet opkomt. Maar ze ziet het niet, zelfs geen flarden. Ze zoekt heel haar donkere blikveld af, maar de donkerte verschuift gewoon mee, alsof ze met open ogen iets probeert te zien nadat ze in een fel licht heeft gekeken. Inez ademt uit, blazend, krachtig. Dit valt nooit te tonen. Er gaat een kleine rimpeling door het water. Ze houdt haar ogen nog steeds gesloten en legt haar handen over elkaar gevouwen op haar buik. Zo heeft ze als kind vaak liggen dutten, tot afgrijzen van haar vader, die vond dat dat de houding van een afgelegde dode was. Ze glimlacht, en opeens kijkt ze recht in twee glanzende, donkerbruine ogen. Ze houdt haar adem in, voelt aan haar gezicht. Haar ogen zijn gesloten. De ogen zweven een beetje in haar blikveld, maar blijven kijken, knipperen niet. Ze laat haar adem los en kijkt, gulzig. Ze probeert de ogen thuis te brengen, maar ook al voelen ze zo vertrouwd, ze kent ze niet. Het beeld wordt schemerig. Inez knijpt haar ogen stijf dicht, wil blijven zien. De ogen verglijden in andere ogen, smaller nu en groenig, en met een minder directe blik, en dan opeens over zwart en licht oosters naar een helder blauw paar, met wimpers als wolken. Het verglijden gaat steeds sneller, andere vormen en kleuren, en ook de intensiteit van de blikken verandert voortdurend. Ze kijken boos, ze kijken guitig. Ze kijken melancholisch, ze kijken angstig, en ze kijken steeds doordringender, speurend naar iets diep in haar ziel.  Inez hijgt, en voor het allereerst in haar leven opent ze haar ogen om iets niet meer te moeten zien.

Janna Herremans
82 3

Maandag

Deze ochtend liep ik een vroegere buurman tegen het lijf. We hadden beiden, in twee verschillende werelden, ergens in de vroege ochtend, besloten om ons niks aan te trekken van de stromende regen. Hij liet z’n hond uit en ik deed m’n sportwandeling.‘Heidi, jouw buurman is dood’. Waar is hij aan gestorven?’‘Kanker. Daarbij was hij al jaren verslaafd.’Een andere wandelaar mengde zich in het gesprek, terwijl z’n drie cocker spaniels, doorweekt van de regen, bleven rukken aan hun leiband.‘Dat heeft niks met drugs te maken’, opperde hij. ‘Mijn vrouw is vorig jaar ook aan kanker gestorven en die was niet verslaafd.’Ik herkende zijn stem. Dat was een jeugdvriend van de kleuterklas. Tussen dit gesprek en ons laatste, zat minstens vijftig jaar.‘Ik was vroeger verliefd op jou’, voegde hij er nog aan toe. Binnen het kwartier had ik van beiden een uitgebreid verslag gekregen over de schrijnende situatie van de locale dakloze drugverslaafden die zich twee keer per week mogen douchen en hun kleren mogen wassen van de gemeente. Volgens hun bescheiden mening waren de rest van de verslaafden deftige mensen die gewoon als brave burgers werken, en hun rekeningen betalen. Ondertussen, zo vertelden de mannen, zijn er nog nooit zoveel mensen aan kanker ten onder gegaan als sinds covid. Ziezo. Maandag had haar toon gezet. Het regende ondertussen zo hard dat ik besloot terug naar huis te keren. Dan maar geen sport vandaag.Thuis werd ik opgewacht door een gestresste 93 jarige moeder die zich weer eens had zitten ergeren aan de 91 jarige dove bomma, die op de eerste verdieping haar tv op maximum decibels had gezet. Na een pleidooi van een half uur, keerde de rust in huis min of meer terug. Veiligheidshalve besloot ik maar niet naar het nieuws te luisteren… Ik wens je een mooie maandag!

Heidi Schoefs
29 0

Brooddronken, deel 2, hoofdstuk 7

7   Reginald rijdt door de Sint-Jansstraat. Stilte voor de storm. De Sint-Jansstraat ligt pal in het centrum van Kortrijk – zowat de verbindingsader tussen het gefaalde Overbekepleinproject en de Veemarkt, waar de horeca vooral de dienst uitmaakt, vooral aan de linkerkant van de straat. De rechterkant is voorbehouden voor het ter ziele gegane Onze-Lieve-Vrouw-van-Bijstand-instituut. Dat is de school waar Jimmy de laatste twee jaar van zijn schoolcarrière heeft gespendeerd. Het instituut is ter ziele gegaan, verrassend goed onderhouden, eigenlijk en staat te wachten tot de onvermijdelijke bol-met-ketting het met de grond gelijk maakt, ook al mag dat eigenlijk niet want het is een beschermd monument of zou dat toch moeten zijn. Reginalds fiets gaat tegen de gevel van de school en hijzelf neemt een stapel brieven in de hand en een bundel grote stukken zoals abonnementen of moderne nieuwjaarskaarten op zijn arm en wandelt de straat af. Bij het terugkeren van de wandelronde staat tegenover zijn fiets, op de dorpel van het café, een koel pintje te wachten naast een doos pralines. De pralines gaan in de fietszak en Reginald steekt een sigaret op. Het begint te druppelen. Reginald trekt het zeil van zijn postzak over de post. Normaal gezien zou hij er niet mee inzitten dat de post van de klanten nat wordt, maar het is eind december en dan komen de “nieuwjaars” er aan, wat betekent dat wie zoet is, lekkers krijgt. Tegen zijn fiets leunend, drinkt Reginald het flesje bier leeg, in een paar teugen. Na een luide boer en de opmerking naar een vrouw die met de hand voor de mond verbouwereerd stond te kijken van waar zij zich mee moeit, de luie doos, springt hij terug op zijn fiets en rijdt hij naar de Veemarkt. Het aanbod dat hij van chef Rik had gekregen, maalt door zijn hoofd. Het is immers zo dat dit verhaal nog speelt in de tijd dat het sorteren van brievenpost én ook platte stukken, A4-formaat, lokaal worden gesorteerd door de postmannen zelf. In grote kantoren, zoals Kortrijk 1, 1ste afdeling, gebeurt dit door de nachtsortering, zoals eerder vermeld. Reginald is wonderwel een bekwame sorteerder. Hoe asociaal hij zich ook tijdens zijn ronde gedraagt, hij is een postbode die zich plichtsgetrouw van zijn taak kwijt, omdat hij dat zo ingedramd kreeg van zijn vader Jules, die ook postbode was. Maar zijn échte talent is sorteren. Alhoewel hij dat niet graag doet omdat ’s nachts de kantine gesloten is. Het aanbod dat Reginald van Rik gekregen heeft, is dat hij zou worden ingezet om de enorme hoeveelheid brieven te helpen wegwerken ’s nachts. Hij komt aan bij het café ’t Baggaertshof en zet zijn fiets tegen de gevel. Zoals gebruikelijk opent hij het slotje van het kettinkje waar zijn zwart brieventasje aan zijn ransel mee bevestigd zit en neemt hij het tasje mee in het café. Reginald begroet de stamgasten. Er is ook een andere postbode aanwezig, namelijk Toine, die normaal binnendienst doet. Hij zit voorovergebogen over een glaasje whisky. Reginald klopt hem op de schouder. ‘Ah, Regge,’ zegt Toine, die opkijkt vanuit zijn whiskyoverpeinzingen. ‘Ligt de KB hier nu?’ lacht Reginald? Toine grijnst, kijkend naar zijn glaasje. ‘Ik dacht dat de Kredietbank op ’t Schouwburgplein lag.’ ‘Ik zal verkeerd gelopen zijn, zeker,’ zegt Toine. ‘Weet ge al wat dat ge gaat doen nu, met den tri?’ Treze brengt Reginald een koffie en doet er een flinke geut cognac in. ‘Doe nog maar een beetje, wi, Treze, voor den tijd dat het nog duurt,’ zegt Reginald, wijzend naar de kop koffie. ‘Oh? Moogt ge al eerder op pensioen, Reginald? Ik ga u missen wi, wie gaat er nu al mijn Rodenbachs uitdrinken?’ ‘Neen, Rik heeft gevraagd aan Reginald of hij zou willen triëren ’s nachts.’ ‘En?’ ‘De kantine is toe, dan, waarom zou ik dat dan willen doen? Ze klappen wel van ’t extra loon, maar wat ben ik met meer geld als ik het niet kan opzuipen?’ zegt Reginald. ‘Ge moet dan toch alijk niet meer door de koude tjolen, hé. Ge moet het zo zien. En wees eerlijk,’ zegt Toine, ‘ge weet gij toch ook wel wat dat ze daar doen hé, met pinten.’ ‘In een zak steken en buiten aan een ruit binden omdat ze fris zouden zijn ne keer het pijpetijd is, ja.’ ‘En chef Zeno zit daar, die gaat daar geen bezwaar tegen hebben dat gij daar pinten zit te drinken, zolang uw bakken weggetrieerd zijn, zulle. Ik zou ’t doen,’ zegt Toine, terwijl hij teken doet om nog eens bij te vullen, wat Treze onmiddellijk doet. ‘Ik vind ook dat ge dat wel moet doen, Reginald. Voor wat zoudt gij nog uw lijf kapot helpen voor dat laatste jaar dat ge nog moet werken?’ vraagt ze. ‘Omdat ik een hele hoop nieuwjaars ga mislopen, tiens. Ge weet gij niet wat ik opschep zeker in de januarimaand?’ ‘Maar die sortering is toch enkel voor nu tot en met oudjaar?’ ‘Dat denkt gij. Dan gaat er plots weer een actie van één of andere catalogus zijn gelijk de 3 Suisses en ga ik nog wat langer mogen blijven. Trouwens, dat wijf van mij gaat mij pushen om het te doen, omdat ik dan de hele tijd op haar puitemuile ga moeten zitten gapen.’ ‘Zeg,’ zegt Toine, ‘eens iets anders. Ik heb gehoord dat gij nu een negerin als schoondochter hebt?’ Reginald kijkt op. ‘Wie heeft er u dat verteld?’ briest hij. ‘Die persoon wou dat ik hun naam geheim hield,’ antwoordt Toine. ‘Jimmy dus. Die achterlijke mongool kan nu eens nooit zijn muil houden.’ ‘Dus het is waar?’ vraagt Toine. ‘Het zal lang duren,’ zegt Reginald terwijl hij een sigaret opsteekt, ‘voor ge ’t weet laat die hem weer in de steek. Dat is gewoon een bevlieging. Kent ge dat niet? “Pa heeft het niet voor vreemde, ik ga mij ergens een negerin opscharrelen om het kerstfeest te vergallen.” Binnen een haai en een draai is dat weer voorbij. Ben ik zeker van.’ ‘En wat dan nog als het dan toch echt blijkt te zijn,’ zegt Treze, die alles natuurlijk gehoord heeft, zoals het een goede cafébazin betreft, ‘’t is toch zijn leven?’ ‘Als ’t waar is en ’t blijft duren, onterf ik hem gewoon.’ Toine lacht. ‘En wat gaat gij achterlaten als ge uwe lepel wegsmijt? G'en hebt geen nagel om aan uw gat te scharten!’ ‘Mijn huis, hé,’ zegt Reginald. Toine grinnikt. ‘Míjn huis, dat ik zelf gekocht heb. Mijnen eigendom.’ Ondertussen is Treze druk in de weer met de klanten die wél verlof hebben en besluiten hun eindejaarspremie weg te drinken in het café. ‘Pardon,’ zegt Toine, ‘het huis dat ge geschonken gekregen hebt van Cordula. Anders zat ge ergens in een gepacht huis in ’t Groeningebeluik of ’t Amsterdams poortje of zoiets.’ ‘Of ’t Vandammebeluik, godbetert. Ah oei, dat is toch waar dat gij woont, hé?’ lacht Reginald, ‘hoe dat ’t ook is, ’t is nu mijn huis en als ’t alzo zit dat Billy verder doet met die negerin, gaat het volledig naar Jimmy.’ Reginald duwt zijn sigaret in de asbak uit, staat recht van de tafel en neemt zijn zwart tasje ter hand. ‘Ja,’ zegt hij terwijl hij een boer nauwelijks kan onderdrukken, ‘de plicht roept.’

Miguel
0 0

De vergankelijkheid van het leven

Ik trek mijn stoute regenlaarzen aan. Met veel moed ga ik op stap. Waarheen? Daarheen waar mijn ogen mijn  voeten leiden. Onbezonnen maar vastberaden om een goed stuk te wandelen. Let’s walk. Romp rechtop, rasse tred, armen slingeren. Stilaan vind ik mijn cadans. Een streepje zon tussen donkere en dreigende wolken tovert het  Vlaamse landschap in een feeëriek schouwspel. Terwijl ik stap dwalen mijn gedachten af  "Lang geleden om niet te vergeten vochten soldaten voor vrijheid en vaderland. Zij zijn gestorven in Vlaamse velden waar dood en verderf hun laatste blik werd". Opgeschrikt door een laagvliegende valk bevind ik mij opnieuw in de realiteit. Weiden, bosjes passeren mijn perifere gezichtsveld. Aan de kant van de weg, een koppel zittend op een bank… zij rusten uit of is het "een liefdesbank"? Aangekomen aan een splitsing sta ik voor een keuze. Deze weg lijkt mij leuk… OK… ik voel mij goed.. ik vervolg mijn weg… daarheen.  Ik stap waar ik wil en geniet met volle teugen. Vogeltjes die fluiten, in de verte een balkende ezel, kikkers die in een poel kwaken dat het een lust is, een koppel wilde eenden vliegen voor mijn neus, wat verder in de wei… een fazant, honden die blaffen, spelende katten, geitjes die bleiten, ver verwijderd… een eekhoorntje die haastig de weg oversteekt. De natuur leeft! Ik ontmoet een man die met zijn hond gaat wandelen, een jogger die mij kruist, wielertoeristen die zich alleen op de weg wanen, de moeder die met een kinderbuggy op stap is. Iedereen heeft een doel.   Heel in de verte bemerk ik de horizon, daar waar de grijze lucht  en een rood tapijt naadloos aan elkaar zijn gebreid. Door nieuwsgierigheid aangetrokken versnel ik mijn wandelpas tot plots één mooie grote klaprozengloed zich tot een ongekende natuurschoon ontpopt. Zo ver ik kan zien, ontelbare  wuivende klaprozen, dansend op het ritme van de wind, zij heten mij welkom. Schuchtere zonnestralen priemen doorheen het wolkendek. Flirtend strelen zij zachtjes de bloemen. Wat een onweerstaanbaar  gevoel van verwondering en bewondering oproept. Stille getuigenis van een onbereikbare droom. Deze schoonheid verbergt op de Vlaamse velden, tevens slagvelden van de Grote Oorlog, ook een zwaar en duister verleden. Heel even dwalen mijn gedachten af en bevind ik mij midden in een strijdtoneel. Ik ben getuige van hevige gevechten, zware artillerie schoten, soldaten die rennen en schuilen in ondergelopen loopgraven en lijken die verdronken  zijn in de modder op een slagveld vol kraters. Een Britse officier fluit en soldaten kruipen, als voer voor vijandelijke kanonnen of wapens, uit hun loopgracht richting de dood. Een mensenleven is niets waard. In Flanders fields. Plots tikt er iemand op mijn schouder. Ik draai mij om en zie een vriendelijke lach. Het is de schim van een gesneuvelde soldaat. Geen Tommy, Poilu of Bosche want zachtjes fluistert hij in mijn oor "Wees niet triestig, wat je hier ziet zijn prachtige poppies en iedere klaproos stelt een gesneuvelde soldaat voor. Zo blijven zij jaarlijks in herinnering aan hen die nog zijn" en hij vervolgt  “Weet je waarom de klaprozen rood zijn?". "Neen" antwoord ik. "Wel" zegt hij "Iedere bloem heeft het bloed van de gevallen soldaat opgenomen". Nu weet ik waarom de klaproos het symbool van de Eerste Wereldoorlog is. Deze bloem is een prachtig symbool voor de vergankelijkheid van het leven, omdat hij verwelkt op het moment dat je hem plukt. “let's not forget” Donkere onweerswolken voorspellen weinig goeds. Stilaan, speelse regendruppels gehoorzamen de zwaartekracht. Een snijdende oostenwind  pijnigt het lichaam. Beklijvende herinneringen neem ik mee als afscheid van mijn wandeling langs de “Vlaamse Velden”. Ik ben aan een heerlijk intens geurende en smakende koffie toe!  

Guy Van Damme
66 2

Broodje vuuste mé muulepatee

(Onderstaande tekst werd opgesteld en kan het best gelezen worden door behulp van het Oostends Woordenboek dat tot stand kwam door Roland Desnerck en Frederik Schmitt in 2022) ‘t Was stekedoenker dien oavnd én de moane ha smêr an ze gat. E pannelékker was ‘t bewies van e kloaren heemle.  ‘k Goengn zjuuste no me kip wannair da 'k vanuut me ruute me voader Marcel zaagn thuuskomm lik e kolemarsjang én mé 't gêld van de kwafuer up zak. Hje was a van de gvornoened angezét no vérremétjes achter zwienetétsjes, woa dat 'n gekénd was lik e slichte kluute. Omdat 'n in de polletiek zaat kraigt 'n vele stroent no ze kop gesliengerd langst stroate. Mo hj' hé ze noois in zen hol gesloan want hje zeid ossan: 't is an de kop dat de vis aist stienkt.  Me moeder: hemelstevroed omda 't were kookloarenoene gewist haad toetuuznt bainst da 't pertangs vis was van tusjhn ‘t zand en ‘t woater, en 't haa nog noois gin zunne gezien. Z' haad heur upgetietematoojd lik e visbak, mo me voader haad e muule lik e nachtvertrék wan hje wist nie mi va wukke prochie dat 'n kwaampt. Hj' haad in de mot da s' heur in de badkoamer weggestookn haad omdad heur kaketuute an de klienke hoenk én at 'n up die deure klopte met e liekebiddersmuule, riep ze “pak je gat in jen oarms”. Efkes peizdig 'k "da wordt hier broodje vuuste mé muulepattee”.  Mo ‘k verstoegn heur colaire. Me moeder héd ossan e muule va lintsjes ghét, mo sedert ‘t kairn van de joarn esse lik mor e moendmezieksje mi. Z' is kop én koente, en je ku je neuze snuutn in 't vel van heur buuk, ze kan ter mé gin wriengtowe nog etwa va maakn. Me voader kan eetn lik e diekedêlver, mo zie vét méd e drupl woater. Doavan zie 'k ik én me moeder dezêste spleete. Mor ol was 't da me voader mesjhiest etwoasjhn voer anker laag, ze blaif ossan zaim an ze muule smêrn én da lukted heur ook te frênte kis want z' haad e muuletsje voe stroent van te freetn. Me voader et dikkerst ze puuste gescheurd, somst zêst mé ‘t eetn in ze kele. Mo hje spoelded ossan weeran.  Me voader staak ze salamanzjee in 't glas woater néffest ze béddebak. Hje droaide mé zen oogn, je leid hém up ze bédde én hje zeid: “e boer zoe zoelange nie up zen ofstee bluuvn lik je moeder in de badkoamer”. Hje riep no me moeder “Én, snel keun, is ter vele volk in de stoasje vanoavnd?” Zoe zair of kiekes was ze doa gezét én zaat me voader mé ze neuze tusjhn 't volk. "Hail de wêreld is Paries", hoorde 'k hém nog zegn. Én beist dan 'k me soazje dichte teegn men oorn trokn peizde 'k: " 't Is stille woa da 't nie woajt".     

Fanny Wildemeersch
84 2

De kortjan

De 25-jarige dochter van Rachel O. uit Lommel heeft hommeles. Dat leert de publieke omroep ons met de foto van een romantisch bevloeiingskanaal.  Aan de Grote Fossé stond de wandelaarster oog in oog met een Grote Fusee. Een man met een zwarte hoodie die linksaf sloeg terwijl zij rechtdoor ging. Zodat hij zijn kortjan kon opdiepen en zij de tijd had om haar smartphone boven te halen. Om te filmen, niet om te bellen natuurlijk. Toen zij de bocht omging zat hij op een bankje verderop met zijn broek naar beneden. Zo omschrijft de zender van algemeen nut het met een alliteratie voor blozen en bloot. Zij kwam hier elke dag en wist wat de bocht te bieden had, ook al ging ze eerst rechtdoor. Niet echt een bevredigende uitleg. De dochter van Rachel O. stond er samen met haar Rottweiler en pitbull op te kijken. Toch godgeklaagd van die watjes die met wat training mensen in stukken rijten. Iedereen was in shock maar de 25-jarige dochter van Rachel O. bleef koelbloedig. Momenten met eeuwigheidswaarde worden stevig verankerd. Iedere wandelaar aan een plas weet dat zijn mobieltje na 19 uur een intieme vriend is. En het moet niet altijd een hoofdgerecht in een chic café zijn. Een roomtoetje doet je later ook watertanden. Ondanks haar paniek kon de dochter van Rachel O. de man kort filmen. Zo verklaart de staatsomroep nader onder het irrigatiekanaal. Met de woorden van moeder Rachel O. Zonder de beelden van haar dochter X die van ver genomen en onherkenbaar zijn. Nog een geluk dat de wandelende tak niet trilde als een espenblad. Anders had niemand kunnen zien wat de man deed. Want hij deed het, daar kan u van op aan. Hier, maar ook in de Lommelse Sahara en aan het plaatselijke Parelstrand. Natuurgebieden met exotische namen, koortsige aanbiedingen en veel korte jannen. Waar zelfs politiemensen in burger de knijf niet kunnen klissen. Met of zonder Rottweiler, pitbull of getrimde poedel. De roedel met het geschoren gezicht van rond de dertig (sic) zit steevast met zijn blote bips op de bank. De mountainbike naast hem in rust, de grijns onder zijn zwarte hoodie in de aanslag. Driftig zet hij door, in de hoop dat een wandelaar een deftig filmpje van hem schiet. En hem niet opnieuw met wazige beelden bij het politiekorps bespot en op sociale media floept. Hoed af voor het nationale relaas dat leest als een nachtspiegel. Het Warmste Plekje van Vlaanderen heeft zijn naam niet gestolen. Nu is niemand in het asielcentrum Parelstrand nog homeless.  

Dorlan Slefficsroth
9 0

Lemon Queen

  Gewoon. Te veel schreven. Al die krassen. Het wordt altijd te erg. Oké. Kijk simpelweg naar dit gele puntje. Schrik niet van de flits, en dan zal zij enkel nog de afstand meten. Die is niet nochtans veranderd. De werkelijkheid is gebleven wat ze is. Ze deint enkel verder uit. Ja. Die neus. Hij is behoorlijk scheef. Het zal een beetje zoeken zijn. Naar de juiste positie. Gedurende mijn eerste kinderjaren. Toen was alles recht. De kalender telde geen bijltjesdagen en ik weet dat ze niet Dolores heet. Die valse naam prijkt op een plastiek kaartje. Ongeveer twee duim boven haar linkertepel en ik neem aan dat de naald achter die badge ook gewoon door haar vel gaat. Want de weelde schonk haar een diamant. Als lippiercing. Haar tanden daaronder zijn mooi wit. Je linkeroor staat ook veel hoger dan het rechter, spreekt zacht mijn Lemon Queen en dat is haar echte naam. Ik weet dat. De tatoeage staat aan de binnenkant van haar rechter onderarm. Ik ben het niet helemaal zeker want ze neemt altijd mijn bril af. Nog voor ik de deurmat voorbij ben. Zonder lees ik vaak verkeerd. In ieder geval heb ik mij op voorhand bij alle vergissingen neergelegd en wat mijn oren betreft. Ach. Zij weet dat intussen. Ik ben best tevreden met mijn voorkomen. Mijn wedersamenstelling is gezien de omstandigheden nog vrij goed gelukt. Het is wel al eens gebeurd dat ze bij het passen per ongeluk een litteken aanraakte. Je hoeft je niet te verontschuldigen, zei ik snel. Eigenlijk is dat al vaker gebeurd en ze sluit dan altijd één seconde lang beide ogen. Ik zal toch weer mijn tang moeten gebruiken voor de aanpassingen, pleegt ze daarna dan te zeggen. We zullen zien wat we kunnen doen en ik mag plaatsnemen in de winkelsofa. Ik kan door het glas staren, links of rechts, want in het midden staat een groengele vrouwentong. Palrecht. In rust. Terwijl, misschien zelfs zolang buiten de wereld verdersukkelt, blijf ik deze sofa zitten. Blijf daar wachten. Dat zegt ze. Er is een armleuning en haar hondje mag ik aaien. Het komt elke dag mee naar de zaak. Kerberos is zijn naam. Zij kort dat meestal af. Ze noemt hem doorgaans Eros. Buddy mag ook en hij heeft krullen, ogen die mij snel herkenden. Dat heeft ze me eens verteld. Ja. Ik heb ook een huisdier. Een kanarie. Zo heb ik toen vol lef geantwoord. Zijn naam is Arie en je moet weten. Ik kom hier nochtans zelden. In mijn gedachten vaker. Gewoon op zoek naar vers glas. Opnieuw gepolijst met de bloembladeren van mijn meisjesogen? Neen. Zij vraagt dat nooit zo. Het verloopt allemaal zeer puur. Glas? - Ja, glas. Zoals de vorige keer, gelijk gisteren en ook vandaag maakt ze er nergens veel woorden aan vuil. Ze vraagt mij ook nooit hoe het gekomen is. Zo snel weer die schreven en krassen. Het lijkt alsof ze de meeste antwoorden kent en ik doodleuk, af en toe toch, de stilte mag breken met aaneengeregen restjes. Simpele letters, stukjes evidentie en moet ik dat dan uitleggen? Aan jullie allen. Hoe dat telkens gaat, verdergaat, zijn einde kent. Neen. Vergeet het! Ach, jullie ettertjes met jullie schele wereld. Alleen ik weet dat. Hoe zij. Met tang en blik. Het troebele te rusten legt.     uit de reeks 'Waanhoop'

Bernd Vanderbilt
4 0

Brooddronken, deel 2, hoofdstuk 6

6   Het duo Bruno-Jimmy bevindt zich iets verderop, aan de andere kant van de stad, in de schemerzone tussen Kortrijk en Heule, gekend als Heule-Watermolen. Door archaïsche dienstorganisaties in het verleden, zoals eerder vermeld, blijven Kortrijk en Heule strikt gescheiden. Dus na het bestellen van nummer 94 in de Izegemsestraat, gaat het over in Heule en moeten ze een stuk doorrijden naar de Kleine Ieperstraat, een klein straatje dat zijn naam niet gestolen heeft – het is een straat die uitmondt in de Ieperstraat, nummer 40 om precies te zijn, maar dat nooit verder geëvolueerd is dan een asfaltbaantje dat naar de fabriek van Mewaf leidt, die gelegen is in de Lijnwaadstraat, ook een zijstraat van de Ieperstraat. ‘Hier hebt ge een COD,’ zegt Bruno, die langs Jimmy rijdt, die zelf de post aan het bestellen is. Dat gaat met horten en stoten – soms moet Jimmy eens terugkeren omdat hij een brief vergeten is. De beste manier om te leren, vindt Bruno, die glimlacht bij het geklungel dat ook ooit zijn deel was. ‘Een wat?’ Jimmy is nog niet mee met de postterminologie. ‘COD, een pakske waarvoor ze moeten betalen. Ge kunt dat zien omdat er een overschrijving aan vastplakt. Kijkt maar eens in uw velozak.’ De fiets leunt tegen de muur terwijl Jimmy door zijn zakken rommelt. ‘’t Is iets dat ge wel leert met de tijd, hoor, wat organisatie in uw zakken,’ zegt Bruno. Jimmy haalt wat pakjes brieven uit de fietszak en legt deze op het voetpad. Bruno rookt ondertussen een sigaret en fluit een liedje. ‘’t Is de beste manier om te leren,’ zegt Bruno wanneer Jimmy eindelijk het pakje opduikelt.   Half verkleumd door de kou belt Jimmy aan. Zijn fiets danst tussen zijn benen. Een man doet open. Hij rookt een pijp. Draagt een kerstmuts. Dat is een echte, denkt Jimmy, zo één van die gelukzakken die zijn werkcomputer kan uitschakelen ergens half december om dan begin januari, tussen twee nieuwjaarsrecepties door, misschien die weer op te starten om zich door de obligatoire hoop kerst- en nieuwjaarsmails te wurmen. En die dat dan nog werken durven noemen. Die nog nooit met halfbevroren vingers proberen een brievenbus omhoog te houden om er een brief in te laten glijden, terwijl de fiets op een ijzige ondergrond óók wil glijden. Wiens vingers nooit vol barsten zitten, van wie de schellen niet alleen van de ogen vallen maar ook en vooral van de handen, die spontaan openspringen bij deze kou. Die, als hij moet gaan piesen, kan gaan piesen, gewoon in zijn verwarmde toilet, in plaats van tegen een boom, in de koude, in de regen.  ‘Ah, een nieuwe,’ glimlacht de man, denkend dat hij iets interessants te vertellen heeft.  ‘Ja, ik ben in opleiding,’ antwoordt Jimmy, met het pakje in de hand, ‘ik heb een pakje bij voor u.’  ‘Dat zie ik,’ zegt de man en hij neemt het aan.  ‘Er moet wel voor betaald worden,’ zegt Jimmy.  ‘Hoeveel?’  ‘Twaalfhonderd frank.’  De man draait zich om en wandelt de gang in.  ‘Zit Bruno met een stuk in zijn kloten thuis, dé?’ vraagt hij.  ‘Nee, nee, Jean, ik zit hier. De beste wensen van ’t jaar, hé.’  De man tast in zijn portefeuille.  ‘Voor u van ’t zelfde, hé. Magritte vindt dat ge goed werk hebt geleverd.’  Jimmy kijkt met afgunst toe hoe Bruno een briefje van vijfhonderd frank wordt toegestopt. Die laatste vouwt het briefje op en steekt het in zijn zwart tasje dat met een ketting aan zijn fiets vast hangt.  ‘En twaalfhonderd frank voor u hé. Hoe noemt gij?’ vraagt Jean.  ‘Jimmy. Jimmy Sabbe.’  Hij zal die vraag nog dikwijls horen. Kortrijk in die tijd was een stad met een dorpsmentaliteit. Iedereen kende iedereen wel, onrechtstreeks.  ‘’t Is de kleine van Reginald.’  ‘Reginald? Reginald drankneuze? Die met Marjolein?’  ‘Ja, die.’  ‘Ik ga nog wat verder bestellen, als ’t niet besant,’ zegt Jimmy, die er liever niet bij is wanneer zijn hele familiesituatie op straat wordt uitgesmeerd.  ‘Ja, aan de Lijnwaadstraat rechts, hé,’ zegt Bruno, zwaaiend met zijn sigaret.  Terwijl Bruno nog staat te keuvelen, gaat Jimmy gezwind de Lijnwaadstraat in – en uit. Voor de eerste keer sinds hij dit doet, heeft hij het gevoel dat hij het kan. Toegegeven, de Lijnwaadstraat is een straatje van om en bij de dertien huizen, of zo, maar Rome is ook niet op één dag gebouwd. Nu is het nog het stukje Ieperstraat richting de Brugsesteenweg, die de Ieperstraat doorklieft. De rest is voor dienst 20. De Brugsesteenweg is voor dienst 17. Tot in Kuurne. Da’s een ander kantoor. Jimmy haspelt de eerder gesproken woorden nog eens af. De overvloed aan informatie op zijn eerste dag wordt nu netjes verpakt in hapklare brokken, gemakkelijker te verteren. Of het ook zo was, in zijn vaders tijd, vraagt hij zich af. Hij slaat de Ieperstraat terug in en wordt op de hoek opgewacht door Adhemar Verhoefstrate, woonachtig op de hoek van de Ieperstraat met de Lijnwaadstraat. Als Adhemar cartoonesk zou worden voorgesteld, dan gegarandeerd als aasgier. Niet noodzakelijk kwaadaardig, maar hij zal nooit aan de haal gaan met schoonheidsprijzen. Gevorderde kaalheid, ongetwijfeld toe te schrijven aan zijn vergevorderde leeftijd, en toch heeft hij meer haren dan tanden. ‘Dag Médard,’ zegt Jimmy, terwijl hij de post van nummer 86 aan de man geeft, ‘ge zijt er ook tielijk bij?’ Eigenlijk weet Jimmy helemaal niet waarover hij moet keuvelen met de mensen. Daar staat hij dan, een jonge kerel van negentien, met een fiets tussen zijn benen, een hoop post in zijn zakken waarvan hij wenst dat hij ze zo snel mogelijk kwijt is, maar beseft dat dat niet te gauw zal gebeuren, door zijn onervarenheid en de gewoonte, blijkbaar, van Bruno, om elke vijf huizen iets te aanvaarden wat eigenlijk niet meer of minder is dan smeer- of zwijggeld.

Miguel
3 0