Lezen

Tip

Barry White en de geur van vergeten

“I never take pain for granted, only a fool takes things for granted.” Zo begon het. Dat liedje van Barry White.Onze mannen hadden achter de rug van de andere collega’s om, zendtijd geregeld in een radioprogramma. “Topteam van cc Nova". Eric droeg het nummer op aan “zijn vrouwtje”. Zo noemde hij haar altijd, met die glimlach alsof hij zelf niet goed wist hoe hij zoveel chance had gehad. Nu, jaren later, kan ik dat nummer niet meer horen zonder aan hem te denken. Eric.De immervrolijke collega. De man van de kleine kwinkslag, de mop die altijd nog ergens in zijn jaszak zat, de handen vol goede bedoelingen. Ik weet zelfs niet meer exact welk jaar het was. Maar ik weet nog wel dat er plots een bom ontplofte in ons leven en dat ik een maatje kwijt was. En het absurde was: terwijl wij hem verloren, speelde er zich buiten een aflevering van Fata Morgana af. Dorpse gekte. Vlaggen. Ambiance. Mensen die pinten dronken op pleinen en bezig waren met spektakel terwijl ergens tussendoor een leven wegviel. Ik herinner ik het me daarom nog zo scherp. Omdat verdriet zich altijd afspeelt terwijl de wereld compleet ongepast gewoon verder feestviert. Zo voelt verlies achteraf ook vaak: alsof ge uit een scène stapt terwijl de rest van het decor gewoon doorspeelt. En toch verdwijnen mensen nooit helemaal. Dat is het vreemde aan herinneringen. Ge denkt dat ge verder zijt gegaan. Dat het stof erop ligt. Dat het leven er ondertussen andere lagen overheen heeft gelegd. Tot daar ineens een liedje is. Of een geur. Of een plek waar het licht toevallig hetzelfde valt als toen. En hop. Daar staat iemand weer voor u. Soms twintig jaar later. Een paar noten van Barry White en Eric staat terug tegen een toog geleund, monkelend alsof hij iets weet dat de rest nog moet ontdekken. Een vleugje parfum in de gang en ge zijt weer twintig. Een geur van koffie en iemand zit opnieuw tegenover u alsof die nooit is weggeweest. Zo dragen mensen elkaar mee zonder dat ze het beseffen. Niet in grote monumenten of indrukwekkende speeches, maar in kleine absurde dingen. In een nummer op de radio. In een scène uit Notting Hill. In Roxette op een verkeerd moment in de auto. In de geur van een septemberochtend. In koffie die net op tijd gekomen is. Misschien is dat wat liefde uiteindelijk doet. Ze verstopt mensen in details zodat ze nooit helemaal weg kunnen. En gisteren dacht ik daar opnieuw aan. Aan afscheid nemen. Aan hoe ge soms met twee volwassen mensen tegenover elkaar zit terwijl ge allebei weet dat ge elkaar moet lossen en geen van beiden daar eigenlijk talent voor heeft. Hoe ge probeert flink te klinken. Redelijk. Bijna modern in het loslaten. Terwijl er onder tafel nog duizend dingen naar elkaars hand grijpen. En ik vroeg me plots af: wat blijft er eigenlijk hangen van een breuk? Niet de grote gesprekken, denk ik. Niet wie gelijk had of wie te laat beseft heeft wat er op het spel stond. Misschien blijven mensen uiteindelijk plakken in de kleinste dingen. In een geur van koffie die net op tijd gekomen is. In een ochtend in september. In een nummer van Roxette dat onverwacht opduikt in een supermarkt. Of in die ene scène uit Notting Hill die ge nooit meer gewoon kunt bekijken. Misschien zit ge ooit jaren later ergens in de file en hoort ge toevallig een nummer dat ge al eeuwen niet meer gehoord hebt. Misschien ruikt iemand naar dezelfde regenjas, dezelfde shampoo, dezelfde ochtend. En misschien denkt ge dan heel even: daar zijt ge weer, ik wou dat ik u kon vastpakken. Nog één knuffel, nog één pintje, nog één mopje. Een één moment waarop ik kan zeggen hoe bijzonder ge zijt.  En dan hoor ik Barry White opnieuw zingen dat alleen dwazen dingen vanzelfsprekend vinden. Hij had gelijk.

Katrien Daniels
163 7

Mijn moeder

    In de kleuterschool vroeg mijn beste vriendje of ik later, wanneer we groot waren, met hem wilde trouwen. Ik aarzelde om op zijn aanzoek in te gaan, want er was iets nog niet helemaal duidelijk : mag je, als je trouwt, bij je moeder blijven wonen? Na even nadenken stelde hij me gerust: hij dacht dat het wel kon, en hij leek er zelf geen bezwaar tegen te hebben. Ik had een knuffelbeer, Jan. Hij zag er niet uit: één poot hing er nog half aan, hij miste een oog en zijn gele, zachte pels was vuil en grauw geworden. Mijn moeder vond dat hij zijn beste tijd gehad had.'Zouden we die oude, versleten Jan niet weggooien?' Ik was verontwaardigd: 'Wie gooit er nu zijn kind weg?' Moederliefde. Ik kreeg het van mijn moeder en gaf het door aan mijn knuffels. Ik ben nooit getrouwd en heb geen kinderen, maar dat doet er hier niet toe.                                                                     *** Het is bijna moederdag en elke dag zie ik op tv dezelfde reclamespot voorbijkomen: 'Ik ben blij dat ik steeds meer op je lijk.'Er zit iets in. Ik hoor mezelf iets zeggen en het is alsof ik mijn moeder hoor praten. Dezelfde woorden, op dezelfde manier uitgesproken. Mijn moeder was sterk in tegeltjeswijsheden. Dingen als: 'Draai het blad maar om' of 'De slimste zwijgt.'Ik vertel ook steeds vaker dezelfde verhalen.'Mama, dat verhaal heb je nu al honderd keer verteld.''Ja, maar…' en ze ging onverstoorbaar verder, en ik hoorde het voor de honderdeneerste keer. En nu zegt mijn petekindje : 'Dat heb je al gezegd. Al drie keer.' Het zit ook in de kleine dingen: op dezelfde manier soep eten, in een appel bijten, op mijn horloge kijken. Over iemands schouder meelezen — ik vond het zo irritant wanneer ze dat deed. Ik zie dingen niet die vlak voor mijn neus staan. Ik loop verzonken in gedachten over straat en merk niet dat iemand naar me zwaait. Dat heb ik allemaal van haar. Ze was als kind verlegen en stil, vertelde ze. Net zoals ik. Hier houdt de vergelijking op. Ik heb haar alleen gekend als iemand die altijd bezig was, het goed kon uitleggen en als geen ander kon organiseren. Zeven kinderen grootbrengen, voltijds lesgeven en dan nog voorzitster zijn van de Boerinnenbond.Truien breien, gordijnen stikken.  Doe het maar eens na. Ik ben al moe wanneer ik eraan denk. Hoe deed ze het? Waar haalde ze die energie? Hoe werkte haar hoofd? Had ze allemaal verschillende schuifjes die ze opendeed en weer dicht? Eén voor de kinderen, één voor de kleinkinderen, één voor haar bond, één voor de les die ze ging geven, en ga zo maar door. Schuifje open, schuifje dicht, volgend schuifje open.In mijn hoofd blijven de schuifjes haperen, of ze springen allemaal tegelijk open en alles valt eruit. Moet ik alles weer oprapen en steek ik het in de verkeerde schuifjes. ‘Ja, papa, het is Ilse, is ons mama daar?’ Mijn moeder was het centrale aanspreekpunt, maar jammer genoeg ook de botsabsorbeerder van de familie. Want als je zeven kinderen hebt, is er altijd wel iets, met iemand.  In de slaapkamer van mijn ouders hing een tegeltje:‘Heb vertrouwen. God is liefde. De mens is goed.’ Soms wilde ik dat ze dat wat minder geloofde, het had haar wat miserie bespaard.                                                            *** 'Ik heb het begin van Parkinson.' Ze zei het zo nuchter en zonder dramatiek, alsof het ging over een tand die getrokken moest worden, dat het eerst niet goed tot me doordrong.Beetje bij beetje zagen we hoe ze achteruitging. Hoe ze steeds moeizamer stapte, eerst met een wandelstok, aan de arm van mijn vader. Dan met een rollator, tenslotte een rolstoel. Familiehulp - die maakte slechte, zoutloze soep, klaagde papa. Dagopvang, nachtzorg. En dan de terminus: het woonzorgcentrum.                                                              *** Mijn vader kijkt naar de koers en mijn moeder zit in haar relax en staart mee naar het scherm, met een glazige blik. Ze lacht wanneer ik de kamer binnenkom.‘Ben je met je nieuwe fiets gekomen? Je hebt een mooie trui aan.' Dat doet ze altijd : de ene keer geeft ze een compliment over een trui, dan over een broek, een jas, schoenen. Haar kamer hebben we zo gezellig mogelijk ingericht, met veel foto’s: kinderen, kleinkinderen, nu zelfs achterkleinkinderen — ze lachen haar allemaal toe. Ze zegt dat ze verdrietig is, elke keer wanneer ze naar de foto van mijn broer kijkt.Er komt een verzorgende binnen, ze brengt een drankje en blijft even babbelen.‘Iedereen is vriendelijk,’ zegt mama. Doe normaal, denk ik, mijn moeder is toch geen kleuter. 'Vertel eens, Leake, hoeveel kinderen hebt ge?''Ik had er acht, nu nog zeven.'Nu moet ik haar toch corrigeren.'Nee, mama, je had er zeven en nu nog zes.' ‘Blijf je eten?’ ‘Nee, mama, dat gaat toch niet.’ ‘Ik zou niet weten waarom niet.’ We brengen haar naar de eetkamer, mijn vader smeert haar boterhammen,  giet haar koffie in en doet haar een grote slab om. Ze vraagt of ik ook een boterham wil.                                                                         *** Ze moet naar het ziekenhuis, het gaat steeds slechter. Ze heeft koorts, ijlt. Pas wanneer de koorts zakt, mag ze naar huis, naar haar kamer in het woonzorgcentrum. Ze is beter, denkt mijn vader. Ze wordt niet meer beter, weten wij.   Pling! Een bericht in de familieapp: het gaat niet lang meer duren. Familieleden wisselen af aan haar bed, maar dat weet ze niet. Ik moet af en toe naar het toilet om stilletjes te wenen. Op Facebook krijg ik hartjes en troostende berichtjes. Ik bedank en schrijf:‘Ik ben verdrietig omdat ze er niet meer is. Ik ben opgelucht omdat ze geen pijn meer heeft.  En ik ben blij omdat ik een lieve mama had.’  

Ilse Janssens
0 0

Pluk nog wat bloemetjes

Wat kan ik nog doen? Ik moet iets doen. Ik moet moedig zijn en ga gewoon het bos in. Ik zie wel wat er op mijn pad komt. Gisteren werd ik door die kippenboeren weggejaagd. We hebben ver gelopen en nu zijn we moe. Ik moet dringend voor eten zorgen. En wel genoeg voor mijn 5 welpen. Ze slapen nu rustig onder de grote boom. De eerste grote boom na de mensenwijk. Ze zijn een beetje op. Het gejoel en de schoten in de lucht hebben hen angst aangejaagd. Ik zie Minnie nog wat na bibberen. Ze is ook zo klein en zo mager. Ik geef haar likjes op haar vachtje. Mijn melk is zo goed als op. Ik moet op pad.  Ginds zie ik een rustig paadje. Ik leg me achter een struik en wacht. Wat hoor ik? Een zingend stemmetje? Een mens? Ik tril even en gluur voorzichtig door de struiken. Ze heeft een mandje bij en ziet er nog jong uit, weinig vlees. Maar beter dat dan niets. Ik verzamel al mijn moed en sluwheid zoals een wolvenmoeder met welpen in nood doet. Waar zit trouwens de wolvenvader? Zucht. Ik zal het weer alleen moeten oplossen.  'Dag lief meisje, waar ga jij heen'? Zo alleen?' Ik onderdruk elk wolvengehuil dat in me opkomt en lach zo lief mogelijk.  'Dag wolf, ik mag eigenlijk niet met je praten want je bent een kippendief,' zegt het meisje eerlijk.  'Ach, ach, ik ben een brave wolf. Wat heb je een mooi rood kapje op, wat leuk.' Ik leid haar af, stem haar vrolijk. Wat ziet ze er dom uit. Dit wordt nog leuk.  'Ja, ik ben Roodkapje en ik ga naar grootmoeder koekjes brengen. Ginder staat haar huisje in het bos.'  'Weet je, pluk nog maar wat bloemetjes voor haar, dat zal ze fijn vinden,' grinnik ik.  'Oja, dankjewel lieve wolf, wat een goed idee. Tot later!' wuift Roodkapje.   'Ja, Ja, tot later!' grijns ik vrolijk terug.  Haha, er is ook een grootmoeder! Ik wil 2 mensenhappen. Dan hebben mijn welpen meer moedermelk straks. En de malse meisjesbouten sleep ik wel naar het nest mee. Ik haast me naar het huisje. Grootmoeder slaapt. Die eet ik straks wel op. Ik sluit haar op in de kast. Ik trek een nachtkleed van haar aan, zet een slaapmuts op en leg me in bed. Zo denkt Roodkapje zeker dat ik haar grootmoeder ben. Ik grom en grijns.   'Klop klop klop'. Daar zal Roodkapje zijn.  'Kom maar binnen.'  Mijn stem kraakt. Ze zal het er toch mee moeten doen.   'Dag grootmoeder, wat hebt U grote ogen.' Het kind staart me aan met die naïeve mensenblik.  'Dan kan ik je beter zien, mijn kind.' Ze is wel mager maar ze ziet er oh zo mals en sappig uit.   'En grootmoeder, wat hebt u grote oren,' kijkt Roodkapje verbaasd.  'Dan kan ik je beter horen,' grijns ik. Hoe lang zou ik dit spelletje nog rekken? Mijn maag gromt.  'En wat hebt u grote tanden!'  ‘Dan kan ik je beter OPETEN!'   Met een diepe grom spring ik op Roodkapje af. Ze gilt het hele bos bijeen. Wat een kabaal maakt dat wicht.   Maar wie is dat nu weer? Een jager?   'Halt, stop of ik schiet. Maak dat je wegkomt!'  Ik hoor een schot en spring het huisje uit door het raam.   Snel verdwijn ik het bos in. Die mensen en hun geweren, ze gunnen me niets.  Stilletjes loop ik terug naar mijn welpennest. Ik hoor mijn 5 kleintjes zachtjes janken.  Gelukkig heb ik het mandje mee kunnen grissen op mijn vlucht. Haha, dat hebben ze niet gezien daar in hun stom huisje. Mijn welpjes smikkelen en smakkelen. Mijn kleine triomf. Ik dek mijn welpjes zachtjes onder met grootmoeders nachtkleed. Ze sluiten hun oogjes.   'Awoooooooooo Awooooooooo.'   Deze wolvenmoeder staat er morgen terug. Ik wed dat ze mijn wolvengehuil tot in het huisje horen.     Tekening: Atia Chaudhry

Lumes
18 3

Barcode

In het café hangt de geur van oud bier en een citroenachtig schoonmaakmiddel, waardoor de muren nog geler lijken dan ze daadwerkelijk zijn. Mijn vrouw is weg met haar vriendinnen vandaag. Een uitgelezen kans om een dag aan de bar door te brengen. Ondanks dat ik het thuis heerlijk vind, nog steeds na al die jaren, blijf ik behoefte hebben aan de gezelligheid die daarbuiten op een mens ligt te wachten. De supporters zijn in steeds luider wordende gesprekken en kreten over de wedstrijd verzonken. Twee clubs die ik zelf nog nooit heb zien spelen, zijn hier schijnbaar mateloos populair. Terwijl alle plekken worden bezet door druk met elkaar sprekende groepen, zit aan een kleiner tafeltje iemand eenzaam achter een computerscherm. Ik zie vanaf de zijkant hoe hij druk in zijn telefoon zoekt. Zijn grijze pak is eigenlijk net te groot voor zijn postuur. De beltoon piep zijn weg uit de telefoon. Niemand lijkt erdoor afgeleid te raken, maar bij mij komt het duidelijker binnen. De man opent een gesprek: “Ik zou u willen vragen of u volgende week kunt langskomen,” begint de man, met een vlakke, zakelijke toon. “We hebben bij MegaMarketResearch wat informatie over uw bedrijf nodig voor ons onderzoek. Ja, kunt u op dinsdag? Hartstikke mooi. Bedankt en tot dan!” Hij legt de telefoon heel even op de tafel voor hem neer, om hem na exact drie seconden weer in de hand te nemen. Met lichte nieuwsgierigheid observeer ik hoe de man een nieuw nummer lijkt in te toetsen. Terwijl hij opnieuw een verhaaltje afsteekt, zit ik plotseling vol verbazing op de kruk. De woorden die hij spreekt zijn bijna identiek. Alleen de “dinsdag” is veranderd in een “woensdag”. Een snelle blik opzij. Ik pak het ongebruikte bierviltje dat naast mij op de toog ligt. Er zit een kring van eerder op de dag op het karton, die een achtergelaten spoor van een van de zovele bargasten kort had vastgelegd. In mijn binnenzak bevindt zich nog een blauwe pen die op het witte vierkantje kan schrijven. Het eerste turfje. Vluchtig lijkt de mysterieuze beller iets in zijn computer in te vullen. Hetzelfde patroon herhaalt zich wederom: “Wij zouden het waarderen als u volgende week op bezoek kunt komen. We hebben als MMR graag wat informatie over uw bedrijf voor ons onderzoek. Ja, wilt u op donderdag? Hartstikke goed. Hartelijk dank en tot ziens!” Streepje twee. Nieuwe ronde. “MMR heeft graag wat informatie over uw bedrijf voor onderzoek.” De ruimte begint te veranderen. Het stemgeluid wordt monotoner. De woorden die hij spreekt, lijken steeds meer iedere andere gedachte te verdringen. “U bent op vrijdag beschikbaar?” Een tevreden geluid na de bevestiging. Zonder enig meetwerk voel ik de temperatuur stijgen. Weer hetzelfde script. “MMR….” Ik merk dat mijn hoofd strak blijft staan, met grote ogen. In mijn nek ervaar ik een lichte tinteling. De wereld voelt minder solide dan ik haar ken. De witte kleur rondom het reclamelogo verdwijnt steeds verder onder de druppels inkt. Steeds meer verticale streepjes. Vijf, zes, zeven. Waar gaat deze man nog meer naartoe bellen? De signalen komen niet meer goed bij me binnen. De herrie van de voetballiefhebbers verdwijnt langzaam maar zeker, tot er slechts een onderwatergeborrel overblijft. Ik ruik de citroen scherper dan eerst. Een haast chemische lucht doet mijn gezicht vertrekken. Ik ervaar niets meer buiten mijzelf, de beller en die angstaanjagende stem. Mijn vingers zijn blauw van alle inkt. Meer piepjes. Hij begint opnieuw. Met het voorbijkomen van de klanken van zijn steeds vreemder klinkende stemgeluid zet ik een nieuwe streep. Alles is vol. Geen pennenstreek past meer op het voorwerp. Maar de man blijft, terwijl ik de duizelingen voel, praten. Ik hoor niet eens meer wat hij zegt. Mijn hoofd probeert over mijn schouder te kijken. Niets lukt meer. Ik lijk van het zitvlak af te vallen. Het mobieltje in mijn binnenzak trilt. De vibratie doet me ontwaken uit mijn bubbel, terwijl ik een gevoel krijg alsof ik een zware kater te pakken heb. Ik had de ringtone onder het lawaai waarschijnlijk niet eens kunnen horen. Een onbekend nummer belt mij. Zodra ik opneem, is eerste dat ik hoor: “Goedemiddag. U spreekt met Tom Verhaegen van MMR. Ik zou u willen uitnodigen….” Zijn hoofd draait mijn richting uit. Voor het eerst hebben we direct contact. De zweetdruppels moeten duidelijk zichtbaar van mijn voorhoofd naar beneden zijn gerold. De verbazing en paniek lijken iets te zijn waar hij hongerig naar is, zonder dat hij er direct op reageert. Ik kijk in zijn wazige gezicht en indringende ogen. Het ziet er getekend uit. Maar terwijl ik hem aanstaar, lijken al zijn trekken vloeibaar te worden. Alle rimpels die zijn gezicht rijk is, verdwijnen als rimpelingen op het water. Alleen een massa met een vreemde vleeskleur is nog zichtbaar. Mijn gehoorgang vult zich met een overweldigend gesuis. Ik stik bijna in de doordringende lucht die om mij heen hang.  De lampen in de kroeg lijken door te branden. Nadat al het gele licht is uitgevallen, maakt het plaats voor de witte gloed van tl-buizen aan het plafond. Mijn blik richt zich op mijn hand, waarmee ik nog steeds driftig streepjes probeer te zetten op het kleine viltje. Het viltje is er helemaal niet. Het papier onder mijn pen is een getypte tekst, die door mijn gekras inmiddels onleesbaar is geworden.  Er klinkt nog steeds een stem in mijn oor, maar het geluid verandert van richting. De stem van Tom Verhaegen wordt vervangen door een lagere stem, die recht van voren in plaats van via de zijkant binnenkomt. De beller van MMR is veranderd in een man met een strak uniform. Een gestalte zonder telefoon, die naar voren leunt over de tafel waaraan wij beiden zitten. Zonder kraak spreekt hij me toe: “Meneer Verhaegen? Stop eens met het onderkliederen van de formulieren. Alles is al bekend. Uw bedrijf heeft illegale pillen doorgesluisd naar allerlei slachtoffers. Ieder detail van uw praktijken is door ons ontrafeld. Dit is geen café. Dat weet u na drie uur verhoor best." Ik bekijk het blad peinzend. Met al het blauw heb ik de tekst van mijn eigen bekentenis weg proberen te vegen. Elke poging is echter kansloos. Ik zit hier, omdat ze het al weten. Mijn vrouw weet het ook al. Het gezellige stadje waar ze met Marian en Petra heen zou gaan, bestaat helemaal niet. Ze is vertrokken naar haar zus. Toen de politie voor de deur stond, vluchtte ze, zoals ik dat nu tevergeefs ook geprobeerd heb. De dag aan de bar is slechts de laatste vluchtroute die mijn geest heeft verzonnen om de ondergang van mijn medische praktijk te vermijden. De zware deur valt in het slot. Ik zit alleen, precies zoals toen ik het idee van mijn kliniek bedacht. 

Deejay
14 1

Big boy

De laatste weken droom ik dat ik iets kwijt ben. Ik dwaal door het huis van mijn jeugd, de monumentale trap op naar de eerste verdieping waar in een nis een eind boven mijn kruin een opgezette haas staat. Schutkleurig, kreupel.Hij staart me aan. Hier is niets te vinden, jongen, zegt hij.Hij neemt de rest van zijn dood nog maar één houding aan: stijf van de houtwol, staand op zijn achterpoten, zijn voorpoten als sabels de lucht in. Nu klop ik aan. Daar is mijn moeder, zij is het. Haar ben ik dus niet kwijt. Als ik mijn arm strek kan ik bij haar kamerjas met de zilveren stiksels, bij haar vochtige hals, maar er is terughoudendheid geboden.Ik heb hartkloppingen, zegt ze.Ik ook, zeg ik, omdat ik het niet begrijp.Ga met Elvis spelen, sommeert ze me. Elvis heeft geen vacht, wel organen die je doorheen zijn huid ziet pompen. Telkens als ik ernaar kijk, verwacht ik dat ze gaan ophouden want Elvis is ziekelijk, zoals zoveel te ver doorgekweekte naaktkatten. Zijn huid is geïnfecteerd, zijn ogen etteren doorlopend. Ik loop in halve cirkels om hem heen.In de vooravond zit mijn moeder in de sofa met een okerkleurig glas en een trillende Elvis op haar schoot. Ze begrijpt hem zo goed, zegt ze, altijd tegen mij.  Vooraan in de gang is een smalle, hoge deur, met daarachter warme poedergeur en borduursels.Ik kleed me uit en schuif het bed in, wacht. Als ik me uitstrek komen mijn koude voeten tot halverwege de matras. Ik wil hier slapen, als een koekoeksjong. Tegen mijn rug voel ik Gita’s warme buik, haar arm reikt over me heen, haar hand landt op mijn sleutelbeen.Does it still hurt, vraagt ze.Yes, zeg ik met mijn verminkte s. Er zit een gat waar mijn voorste melktanden vanochtend nog zaten. In mijn eigen bed ben ik alleen dat waaiende gat in mijn mond, maar hier is het windstil.Ze geeft me zachte klopjes.Good night, fluistert ze.Good night, fluister ik, met hetzelfde Letse accent.  Overdag zet Gita mijn boterhammen met een klap op tafel, zeurt ze over huiswerk en modder aan mijn schoenen. Ze heeft een contract na te leven, verplichtingen die mijn moeder haar oplegt en waar mijn vader haar voor betaalt.Na bedtijd geldt het contract niet. In de ogenblikken vlak voor de slaap me naar beneden trekt, is Gita ongebonden. Wanneer ze niet kookt, schoonmaakt of me voorleest, verzorgt ze Elvis. Dagelijks wordt hij in lauw water met olie gewassen, zodat zijn huid het nog even trekt. Vanaf een afstand kijk ik toe. Elvis is bang voor het water, maar wanneer Gita hem toezingt, precies op de rand van de stilte, stopt het beven.  Kaķīt’s mans, kaķīt’s mans,melns ar baltām ķepiņām. Hij is kneedbaar en voller in haar handen. Ik ben acht. Nieuwe, grote tanden hebben het gat in mijn mond gevuld. Big boy, zegt Gita, en dat ik weer in mijn eigen bed kan slapen nu, maar dat gebeurt niet. Dan ben ik plots dertien en bereiken mijn koude voeten bijna de bedrand. Wanneer ze toevallig Gita’s onderbenen raken, zucht ze en dan doe ik het opnieuw. Big boy, big boy. Ze vraagt me te helpen bij het wassen van Elvis, maar ik weiger. Zijn dood is nakend, ik ruik het al aan hem. Ze wast hem op twee meter van waar ik huiswerk maak. Tussen mijn wimpers zie ik het licht iriseren op het badwater, op Elvis’ glibberige vel. Gita’s handen vinden geen grip, lijken te zweven. Haar vingers zijn behendig, ze weten alles. Elvis verroert zich niet. Ik zie zijn kattenogen met die typerende diepte die geen diepte is, alleen reflectie. En overal daardoorheen: pus. Op de ochtend van mijn veertiende verjaardag ligt hij opgekruld in zijn mand. We krijgen hem moeilijk uit die krul. Hij kan als we dat willen in de nis op de eerste verdieping gezet worden, naast de haas, maar dat willen we niet. Er wordt een gat in de tuin gegraven en wanneer alles achter de rug is, komt er een zerkje bovenop. Daarna begint alles gevaarlijk te hellen. Na bedtijd is er steeds minder toeval. Ik ben alleen nog wildgroei, overdaad. Gita zucht steeds vaker, draait zich dan om; haar rug is een kil, ademend schild. Ik vind geen houding, kan niet bedaren, alles is klam.You should sleep in your own bedroom from now on, zegt ze.Ik doe alsof ik het vergeet, houd me gedeisd, maar ik kan niet tegenhouden dat ik word wat ik primair ben: roofzuchtig. I should tell your mother, zegt ze.Ik denk aan Elvis’ laatste bad, zijn onhoorbare spinnen. Ik grijns naar haar en ze wendt haar blik af terwijl haar handen zich kort ballen – ze heeft ze zeker gezien, al mijn volwassen tanden. Tijdens een van die nachten geeft Gita mij een duw en beland ik plat op mijn buik naast het bed. Ik kom overeind, grijp haar vast en bijt in haar onderarm. De wond bloedt in twee boogjes, een opwaartse en een neerwaartse. Ze kijkt me verrast aan. Ze wikkelt er een verband rond en zegt niets meer, ook niet wanneer ik weer naast haar ga liggen. Precies even groot zijn we, maar ik ben breder.I should tell your mother, zegt ze opnieuw, maar het is niet ondenkbaar dat ze erbij grijnst. Ik moet de kamer uit, het onheil nadert. Wanneer ik opsta, begint het me te duizelen. Waar moet ik heen, waar is de dreiging het kleinst?Ik ga het huis uit, wandel naar de plek waar Elvis begraven ligt. Ik wil hem terug. Ik begin te graven, kluiten aarde hopen zich op tot een heuveltje naast het gat waarin een houten kistje bloot komt te liggen. Er liggen alleen botten in, maar ik herken Elvis meteen.Achterbakse kat, zeg ik, je bent niets veranderd.Zo ver mogelijk smijt ik hem weg; hij valt rammelend in het gras en activeert meteen een sprinkler. Binnen is het koud geworden. Opkomend zonlicht valt horizontaal door de ramen. Helemaal tot vooraan het huis loop ik, tot bij de garage. Ik kan de deur beter dichtlaten, weet ik.Op deze plek blijf ik staan, ik heb geen keuze. Daar is het dan eindelijk, precies zoals het altijd komt, bedrieglijk terloops: zwart gas dat onder de garagedeur vandaan komt, de gang vult. Ik leg mijn hand op de klink en duw die naar beneden, maar de deur zit op slot.Ik roep mijn moeder, die me eerst niet hoort en ten slotte heel traag en argwanend de trap afdaalt, waar ze halverwege blijft staan omdat ze niet begrijpt wat ze ziet.Wapperend met haar armen nadert ze me. Dan duwt ze me weg en werpt haar volle gewicht tegen de deur waarachter het gebeurt, maar haar volle gewicht stelt niets voor. Ze loopt naar buiten, probeert de garagepoort te openen, daarna de achterdeur – alles zit vast en uit alle kieren en gaten kringelt het gas omhoog, elegant in de frisse lentezon. Een prachtige dag is het, terwijl we manieren blijven zoeken om binnen te geraken in de garage. Mijn moeder roept een paar keer haar naam en ik denk: het is de eerste keer dat ik mijn moeder haar naam hoor roepen. Ik word er heel verdrietig van, maar het verdriet voelt meteen oud. In het midden van al die gebeurtenissen is er een stilstaand beeld van een slappe Gita die uit de wagen wordt getrokken wanneer de ruimte voldoende geventileerd is. Het is een volkomen kalm beeld, alleen Gita is zichtbaar, verder niemand. Ik zie haar gezicht niet, alleen een deel van haar losgeraakte haar, misschien. Ik roep het telkens op, dwangmatig, al kan ik niet geloven dat iemand toen toeliet dat een jongen van veertien, een kind nog, op dat moment stond toe te kijken vanuit de gang. Weer later legt mijn moeder een hand op mijn schouder en duwt ze me de trap op. Aan de nis met de haas staan we, wiens sabels nu op ooghoogte zijn.Even verwacht ik dat ze zal zeggen dat ze hartkloppingen heeft, dat ze met rust gelaten wil worden en dat ik alles alleen moet afhandelen. Maar dan legt ze haar hand weer op mijn schouder en articuleert nauwkeurig: ze heeft me verteld dat jullie ruzie hadden. Ik heb gezegd dat ze het allemaal verkeerd heeft geïnterpreteerd. Denk je ook niet?Ik reageer niet.Voor de politie zijn verkeerde interpretaties irrelevant, besluit ze. Ze wacht mijn reactie niet af en schrijdt naar beneden, trede voor trede die gigantische trap af, terwijl ze met een witte zakdoek de roetvegen van haar voorhoofd en hals dept.

Veerle Breemeersch
15 2