Lezen

Brooddronken, deel 2, hoofdstuk 7

7   Reginald rijdt door de Sint-Jansstraat. Stilte voor de storm. De Sint-Jansstraat ligt pal in het centrum van Kortrijk – zowat de verbindingsader tussen het gefaalde Overbekepleinproject en de Veemarkt, waar de horeca vooral de dienst uitmaakt, vooral aan de linkerkant van de straat. De rechterkant is voorbehouden voor het ter ziele gegane Onze-Lieve-Vrouw-van-Bijstand-instituut. Dat is de school waar Jimmy de laatste twee jaar van zijn schoolcarrière heeft gespendeerd. Het instituut is ter ziele gegaan, verrassend goed onderhouden, eigenlijk en staat te wachten tot de onvermijdelijke bol-met-ketting het met de grond gelijk maakt, ook al mag dat eigenlijk niet want het is een beschermd monument of zou dat toch moeten zijn. Reginalds fiets gaat tegen de gevel van de school en hijzelf neemt een stapel brieven in de hand en een bundel grote stukken zoals abonnementen of moderne nieuwjaarskaarten op zijn arm en wandelt de straat af. Bij het terugkeren van de wandelronde staat tegenover zijn fiets, op de dorpel van het café, een koel pintje te wachten naast een doos pralines. De pralines gaan in de fietszak en Reginald steekt een sigaret op. Het begint te druppelen. Reginald trekt het zeil van zijn postzak over de post. Normaal gezien zou hij er niet mee inzitten dat de post van de klanten nat wordt, maar het is eind december en dan komen de “nieuwjaars” er aan, wat betekent dat wie zoet is, lekkers krijgt. Tegen zijn fiets leunend, drinkt Reginald het flesje bier leeg, in een paar teugen. Na een luide boer en de opmerking naar een vrouw die met de hand voor de mond verbouwereerd stond te kijken van waar zij zich mee moeit, de luie doos, springt hij terug op zijn fiets en rijdt hij naar de Veemarkt. Het aanbod dat hij van chef Rik had gekregen, maalt door zijn hoofd. Het is immers zo dat dit verhaal nog speelt in de tijd dat het sorteren van brievenpost én ook platte stukken, A4-formaat, lokaal worden gesorteerd door de postmannen zelf. In grote kantoren, zoals Kortrijk 1, 1ste afdeling, gebeurt dit door de nachtsortering, zoals eerder vermeld. Reginald is wonderwel een bekwame sorteerder. Hoe asociaal hij zich ook tijdens zijn ronde gedraagt, hij is een postbode die zich plichtsgetrouw van zijn taak kwijt, omdat hij dat zo ingedramd kreeg van zijn vader Jules, die ook postbode was. Maar zijn échte talent is sorteren. Alhoewel hij dat niet graag doet omdat ’s nachts de kantine gesloten is. Het aanbod dat Reginald van Rik gekregen heeft, is dat hij zou worden ingezet om de enorme hoeveelheid brieven te helpen wegwerken ’s nachts. Hij komt aan bij het café ’t Baggaertshof en zet zijn fiets tegen de gevel. Zoals gebruikelijk opent hij het slotje van het kettinkje waar zijn zwart brieventasje aan zijn ransel mee bevestigd zit en neemt hij het tasje mee in het café. Reginald begroet de stamgasten. Er is ook een andere postbode aanwezig, namelijk Toine, die normaal binnendienst doet. Hij zit voorovergebogen over een glaasje whisky. Reginald klopt hem op de schouder. ‘Ah, Regge,’ zegt Toine, die opkijkt vanuit zijn whiskyoverpeinzingen. ‘Ligt de KB hier nu?’ lacht Reginald? Toine grijnst, kijkend naar zijn glaasje. ‘Ik dacht dat de Kredietbank op ’t Schouwburgplein lag.’ ‘Ik zal verkeerd gelopen zijn, zeker,’ zegt Toine. ‘Weet ge al wat dat ge gaat doen nu, met den tri?’ Treze brengt Reginald een koffie en doet er een flinke geut cognac in. ‘Doe nog maar een beetje, wi, Treze, voor den tijd dat het nog duurt,’ zegt Reginald, wijzend naar de kop koffie. ‘Oh? Moogt ge al eerder op pensioen, Reginald? Ik ga u missen wi, wie gaat er nu al mijn Rodenbachs uitdrinken?’ ‘Neen, Rik heeft gevraagd aan Reginald of hij zou willen triëren ’s nachts.’ ‘En?’ ‘De kantine is toe, dan, waarom zou ik dat dan willen doen? Ze klappen wel van ’t extra loon, maar wat ben ik met meer geld als ik het niet kan opzuipen?’ zegt Reginald. ‘Ge moet dan toch alijk niet meer door de koude tjolen, hé. Ge moet het zo zien. En wees eerlijk,’ zegt Toine, ‘ge weet gij toch ook wel wat dat ze daar doen hé, met pinten.’ ‘In een zak steken en buiten aan een ruit binden omdat ze fris zouden zijn ne keer het pijpetijd is, ja.’ ‘En chef Zeno zit daar, die gaat daar geen bezwaar tegen hebben dat gij daar pinten zit te drinken, zolang uw bakken weggetrieerd zijn, zulle. Ik zou ’t doen,’ zegt Toine, terwijl hij teken doet om nog eens bij te vullen, wat Treze onmiddellijk doet. ‘Ik vind ook dat ge dat wel moet doen, Reginald. Voor wat zoudt gij nog uw lijf kapot helpen voor dat laatste jaar dat ge nog moet werken?’ vraagt ze. ‘Omdat ik een hele hoop nieuwjaars ga mislopen, tiens. Ge weet gij niet wat ik opschep zeker in de januarimaand?’ ‘Maar die sortering is toch enkel voor nu tot en met oudjaar?’ ‘Dat denkt gij. Dan gaat er plots weer een actie van één of andere catalogus zijn gelijk de 3 Suisses en ga ik nog wat langer mogen blijven. Trouwens, dat wijf van mij gaat mij pushen om het te doen, omdat ik dan de hele tijd op haar puitemuile ga moeten zitten gapen.’ ‘Zeg,’ zegt Toine, ‘eens iets anders. Ik heb gehoord dat gij nu een negerin als schoondochter hebt?’ Reginald kijkt op. ‘Wie heeft er u dat verteld?’ briest hij. ‘Die persoon wou dat ik hun naam geheim hield,’ antwoordt Toine. ‘Jimmy dus. Die achterlijke mongool kan nu eens nooit zijn muil houden.’ ‘Dus het is waar?’ vraagt Toine. ‘Het zal lang duren,’ zegt Reginald terwijl hij een sigaret opsteekt, ‘voor ge ’t weet laat die hem weer in de steek. Dat is gewoon een bevlieging. Kent ge dat niet? “Pa heeft het niet voor vreemde, ik ga mij ergens een negerin opscharrelen om het kerstfeest te vergallen.” Binnen een haai en een draai is dat weer voorbij. Ben ik zeker van.’ ‘En wat dan nog als het dan toch echt blijkt te zijn,’ zegt Treze, die alles natuurlijk gehoord heeft, zoals het een goede cafébazin betreft, ‘’t is toch zijn leven?’ ‘Als ’t waar is en ’t blijft duren, onterf ik hem gewoon.’ Toine lacht. ‘En wat gaat gij achterlaten als ge uwe lepel wegsmijt? G'en hebt geen nagel om aan uw gat te scharten!’ ‘Mijn huis, hé,’ zegt Reginald. Toine grinnikt. ‘Míjn huis, dat ik zelf gekocht heb. Mijnen eigendom.’ Ondertussen is Treze druk in de weer met de klanten die wél verlof hebben en besluiten hun eindejaarspremie weg te drinken in het café. ‘Pardon,’ zegt Toine, ‘het huis dat ge geschonken gekregen hebt van Cordula. Anders zat ge ergens in een gepacht huis in ’t Groeningebeluik of ’t Amsterdams poortje of zoiets.’ ‘Of ’t Vandammebeluik, godbetert. Ah oei, dat is toch waar dat gij woont, hé?’ lacht Reginald, ‘hoe dat ’t ook is, ’t is nu mijn huis en als ’t alzo zit dat Billy verder doet met die negerin, gaat het volledig naar Jimmy.’ Reginald duwt zijn sigaret in de asbak uit, staat recht van de tafel en neemt zijn zwart tasje ter hand. ‘Ja,’ zegt hij terwijl hij een boer nauwelijks kan onderdrukken, ‘de plicht roept.’

Miguel
0 0

Fantoompijn

Ik werd vanmorgen wakker uit een hele rare droom. Ik weet niet eens meer waar hij over ging, het was niet eng of zo, het was alleen maar vreemd. Ik had heel vast geslapen. En even, heel even, keek ik opzij en dacht: 'Oh, Huub is al naar beneden.' Zo maar een seconde. En toen dreunde het natuurlijk weer binnen.  'Oh nee, natuurlijk niet, Huub is er niet meer.' Voor mijn gevoel al zo lang geleden en toch nog als gisteren.  Zo gaat het ook met herinneringen. Daar heb je helemaal geen controle over. Ik rij naar mijn werk, zie een caravan rijden en hop, ik ben weer op vakantie. Of in de Ardennen. En dat gaat zo met heel veel dingen. Dat is ook logisch natuurlijk, ik heb een schat van 35 jaar aan herinneringen. Dat zijn er heel veel. We hebben heel veel gedaan, samen. Heel veel beleefd en heel veel gelachen. En heel veel gehuild. Want natuurlijk zijn er ook herinneringen waar ik liever niet meer mee geconfronteerd word. We zijn in de loop van de jaren ook mensen verloren. Vaak veel te jong. En we werden geconfronteerd met tegenslagen en ongelukken. Dat kan niet anders als je zo lang bij elkaar bent. Het klinkt suf maar niemand haalt zonder krassen de eindstreep. En nu, in de zomer en de vakantieperiode, zijn de herinneringen levendiger dan ooit. Mijn maatje zijn favoriete seizoen. Waarin hij samen met mij op vakantie ging met onze Eriba Puck-caravan. En later met het campertje dat hij 't Duveltje had gedoopt. We waren op luxe campings maar ook op veredelde grasvelden. Het maakte allemaal niks uit, we hadden plezier. Later gingen we natuurlijk regelmatig naar de Ardennen.  De bootjes voor mijn huis in de haven herinneren me aan de dagen dat we door de Biesbosch voeren met ons bootje. Samen of met een hele groep. De keer dat ik met mijn zussen ging plassen. We gingen over een boomstam hangen, net zo makkelijk. Helaas zijn boomstammen rond. Hij rolde om en wij eindigden op onze rug met de benen omhoog. Wat hebben we gelachen. Gelukkig had niemand het gezien. Een goede vriend noemde het onlangs 'fantoompijn'. Helaas weet hij waarover hij spreekt dus ik nam het gelijk van hem aan. En eigenlijk is het ook wel zo. Want in dat hele korte moment, net na het wakker worden, was de wereld nog even zoals hij ooit was. Compleet.  

Machteld
22 1

Zonnebloemen hoeven geen kompas

Langs de weidse uitzichten van La douce France  voert de départementale ons langzaam maar zeker zuidwaarts. Voor ons geen hyperdrukke autoroute du Soleil. Wegens de hitte overdag, verkies ik ’s nachts te rijden. Vrouw en kinderen zijn in slaap gedommeld. Het overgrote deel van de weg is kaarsrecht. Slechts af en toe zie ik de koplampen van een tegenligger opdoemen in de verte. Er is geen straatverlichting, dus ook geen lichtbezoedeling. De volle maan staat groot aan de hemel als een lichtbaken, omringd door duizenden fonkelende sterren. Op de achtergrond klinkt het tweede klavierconcert van Chopin  als perfecte setting  bij deze unieke ervaring.  Elke Frankrijkreiziger kent de Auberges de France. Halverwege onze tocht hebben wij een 'herberg' geboekt in Nuits Saint Georges, of all places. Het plaatsje is beroemd om zijn uitgelezen en inmiddels haast onbetaalbare Bourgognewijn.  Tijdens ‘le p’tit déj’  overzien we vanop het terras onder een stralend blauwe hemel links de eindeloze wijnranken en rechts de onmetelijke velden met zonnebloemen. Toeval of niet, vanuit de eetzaal zingt Nana Mouskouri:  Le tournesol n’a pas besoin d’une boussole . Na de krokante botercroissants spelen de kinderen nog even buiten voor wij de volgende lange rit aanvatten. Zoonlief is zoek. Wij vinden hem tussen de zonnebloemen waar hij op de grond zit te tekenen. Wij reizen nu verder tijdens de dag en raken niet uitgekeken op het kleurenpalet van de uitgestrekte weilanden en akkers. Een strelende zeebries geeft aan dat wij onze bestemming naderen. Mooie liedjes duren niet lang zegt het speekwoord, maar wat hebben wij genoten om even te  leven als God in Frankrijk. Weer thuis bezoeken wij met de kinderen het Van Gogh Museum. Onze zoon heeft iets ontdekt en roept  blij: “Kijk, Mama, Papa, mijn bloemen uit Frankrijk.”  In koor antwoorden wij: “Hé, ja Vincent.”

Vic de Bourg
12 3

Bij ondergang

  Daar is altijd schaduw en in die luwte overleeft hij. Ongekroond, zonder eenhoorn en nochtans. Mevrouw Laga en de heer Versele hebben alles voor het welzijn van het dierenrijk. De vriescel is er gekomen door de vraag naar vers. Sommigen dulden dat niet meer. Dat alles in korrels geperst wordt. Dat wolfachtigen daarmee gespijsd worden. Het assortiment was al uitgebreid. Het is nu nog ruimer. Er is nu een onlinemodule waarmee samenstelling op maat mogelijk is. Een grote installatie mengt en vult de zak met de zaken die men kiest. Verdriet. Heimwee. Angst. Men kan aanvinken wat men wil, een datum aanduiden en een tijdstip ingeven waarop de extractie zal plaatsvinden. Toegegeven. Hij ging daar op den duur ook voor het warme aura van de receptioniste. Hij dacht te mogen dromen van haar. Bij ondergang van de zon of gelijk wat. Hij durfde aan te nemen dat zij de capaciteit bezat om dwars door de huid heen een wezen te voeden. Doch. De twijfel heerst en daarom produceren mevrouw Laga en de heer Versele ook alles voor knaagdieren. Eveneens voor fretjes en zij weten het nu. Dat hij niet zo rap crepeert. Dat hij taaier is dan hij zelf verlangt en naast haar telefoontoestel met meerdere doorschakelmogelijkheden staat het bordje zonnenbloempitten. Niet wordt gezaaid. Wel langzaam verslonden. Maar. Er wordt hier wel aan Dimitri gedacht. Zijn aanwezigheid in de vriescabine is intussen ook gewoon toegestaan. Op dat deurtje hangt nu een copie van deze mededeling. Met handtekeningen mevrouw Laga en de heer Versele.     uit de reeks 'Duim voor Dimitri'

Bernd Vanderbilt
0 0

FIETSTOCHT MET DE AUTO

Net als twee jaar geleden werd er enorm schijtweer voorspeld gedurende de hele fietstocht die we zorgvuldig hadden uitgestippeld. En net als vorig jaar voelde mijn vrouw de bui al hangen, boven mijn hoofd dan, want hoe graag ik ook fiets en niet terugdeins voor een buitje of twee, een regenvakantie zie ik meestal niet zitten. Ware het niet dat ik me twee jaar geleden gelukkig schromelijk had mispakt aan de welgezindheid van de weergoden, want we hadden toen slechts één dag regen gehad, ondanks een sombere Deboosere. Toch zouden diezelfde goden ons deze keer niet zo beschermen, maar omdat ik placht te leren uit mijn fouten liet ik het niet aan mijn hart komen. Wat wel aan mijn hart kwam, waren ritmestoornissen of overslagen, die ik in 2020 ook al eens had. Wel minder opvallend deze keer.  Enkele dagen voordat we vertrokken stonden onze koffers al klaar. Mijn vrouw had campings geboekt in exotische oorden als Kasterlee, Keiheuvel, Houthalen-Helchteren en Averbode, alwaar ze in bijna alle gevallen een safaritent, een pod of trekkershut had geboekt omdat ik niet kan slapen met een erwt onder mijn matras. Alles was gepakt en geboekt, we hadden er – afgezien van het weer, waarvoor ik nog enkele schietgebedjes zou prevelen tot het Walhalla in de hoop dat het tij nog zou keren – erg veel zin in. Het enige hiaat in ons plan was onze nieuwe fiets, een goed op voorhand bestelde Multitinker van Riese und Müller, die ons zou toelaten enerzijds ruziënde kinderen te scheiden en anderzijds meer bagage mee te kunnen nemen.  ‘Als u hem voor het einde van de maand bestelt, mag u op uw twee oren slapen’, wist de lange stoppelbaard me te verzekeren, waarna hij zijn ogen die achter zijn John Lennonbrilletje verscholen zaten tot streepjes kneep, om me van zijn geruststellende woorden ook non-verbaal te overtuigen. Vijftien dagen voor het einde van die maand voegde ik de daad bij het woord. Daarna ging de bal aan het rollen, maar hij keerde weer terug. Een maand lang had ik het gevoel te pingpongen met een ingeklapte tafeltennistafel. Telkens wanneer ik dacht dat de informatie doorgestuurd was, kwamen er vragen opnieuw mijn richting uit over de informatie die ik net had doorgestuurd. Het werd niet alleen een bron van frustratie, maar bezorgde mij ook stress, want de kans nam elke dag toe dat onze fiets er niet op tijd zou zijn. Het personeel van de betreffende fietsenwinkel was ondertussen zo ingelicht dat de naam ‘Lennart’ iedereen terstond in een staat van militaire paraatheid bracht. Er werd zelfs een kerel aangeduid die me hoogstpersoonlijk had ingefluisterd dat hij er hemel en aarde voor zou bewegen om onze fiets voor 1 augustus in de winkel te krijgen. Nagelbijtend lieten we het lot dan maar haar gang gaan, wetende dat het laatste nieuws luidde dat de fiets zou arriveren op 31 juli.  Toen ik een verlossende telefoon kreeg op 28 juli dat de fiets er vroeger was dan verwacht, was ik ook al enkele dagen verlost van een stevige, door een broodje zalm veroorzaakte voedselvergiftiging, die me erg had verzwakt en waardoor het weekendje Spa met mijn vrouw eerder een bedlegerige trip was geweest dan wat anders. De volgende dag had ik afgesproken met wat vrienden om herinneringen op te snuiven op het Sfinx-festival, waar ik in mijn roaring twenties niet was weg te slaan, en aangezien we nog tot 30 juli aan het cat-sitten waren in een villa in Schoten, leek me dat een uitgelezen testrit voor ons nieuwste rijwiel: Schoten-Deurne-Boechout-Deurne-Schoten. Een goede 30 kilometer in totaal.  ‘O nee. Volgens mij zijn het bedwantsen!’ Ze had ingegeven: ‘meerdere bultjes naast elkaar’. Vrienden van ons hadden onlangs ook een ware hel doorstaan met die haast onverwijderbare mensenbijters, dus de paniek sloeg in omdat we zowel thuis als bij familie in Schoten hadden geslapen en geleefd. Toen het verloop van de symptomen niet meteen overeenkwam met die van insectenbeten; ik had weinig jeuk maar wel pijn, kwamen we uit op gordelroos. Ik had een zona, in mijn nek, enkele dagen voor we zouden vertrekken. Niet alleen kon ik de plotse pijnscheuten moeilijk verdragen, ook was ik enorm vermoeid. Opgeteld met het weinig rooskleurige weerbeeld ben ik toch gezwicht: we gingen onze fietsreis doen met de auto. Heel voorzichtig stelde ik het haar voor – ik behoor tot nader order nog steeds tot het clubje intellectuelen zonder rijbewijs, en zij stemde in, terwijl ze het onweer dat in de wolken hing rijmde met dat in mijn ogen. Een fietsreis in de auto dus. Op z’n minst origineel, toch?

Lennart Vanstaen
4 2