Lezen

De Reis van Aurion en de Sterren tranen 

In een mystiek woud genaamd Sylvana woonde een jonge elf genaamd Aurion.  Hij onderscheidde zich van zijn soortgenoten door de gave van het begrijpen van de fluisterende stemmen van de bomen en de taal van dieren.  Deze bijzondere gave vulde zijn dagen met verwondering en nieuwsgierigheid, en het was deze nieuwsgierigheid die hem op een onvergetelijk avontuur zou sturen. Op een stralende ochtend, toen het zonlicht door de dichte bladeren van Sylvana sijpelde, hoorde Aurion een fluistering in de wind.  Een oude wilg, met zijn takken als kronkelende armen, vertelde hem over een lang vergeten schat diep verborgen in het hart van het betoverde woud.  Het was een kristal, bekend als de "Sterrentranen," die de verstoorde harmonie van de natuur kon herstellen.  De roep van het avontuur weerklonk in Aurions hart, en vastberaden besloot hij op reis te gaan. Zijn eerste metgezel was een wijze havik genaamd Lyra, die hoog in de toppen van Sylvana haar nest had gebouwd en de eeuwenoude verhalen van het woud kende. Samen begonnen ze aan een reis die hen door weelderige valleien, langs kabbelende beekjes en over met dauw bedekte bergkammen voerde.  Onderweg voegde zich een nieuwsgierige wasbeer genaamd Thistle bij hun gezelschap, aangetrokken door de onverklaarbare energie die Aerion met zich meebracht. Terwijl ze dieper het woud in trokken, ontmoetten ze magische wezens die hen hielpen of hen op de proef stelden.  Soms leken de bomen zelf te spreken, hun bladeren ritselden met geheimen en wijsheid.  Elke uitdaging, elke ontmoeting, versterkte de band tussen de reisgenoten en voedde de vastberadenheid van Aerion om de Sterrentranen te vinden. Na dagen van reizen bereikten ze een betoverend meer, omringd door nachtbloemen die alleen in het maanlicht openden en een bedwelmende geur verspreidden. In het midden van het meer doemde een eiland op, omringd door een zachte gloed.  Op dat eiland stond de legendarische Zilverlinde, die met haar takken naar de sterren reikte en de bewaker was van de Sterrentranen. De boom begroette hen met een zachte bries en onthulde dat alleen een zuiver hart de Sterrentranen kon aanraken. Aurion, gedreven door zijn diepe liefde voor Sylvana, strekte voorzichtig zijn hand uit naar de glinsterende kristallen.  Op het moment dat zijn vingers de Sterrentranen aanraakten, verspreidde een stralend licht zich door het woud, verdreef de duisternis en herstelde de natuurlijke balans. Met de Sterrentranen veiliggesteld, keerden Aurion en zijn metgezellen terug naar hun elfendorp als helden. Sylvana, die eerder in een sluier van somberheid was gehuld, begon weer op te leven.  De nachtbloemen bloeiden met nieuwe pracht, en de dieren leken te dansen van vreugde. Aerion besefte dat zelfs de kleinste wezens, met moed, vastberadenheid en de steun van vrienden, een wereld van verschil konden maken. Het verhaal van Aurion, de elf met de gave van de taal der bomen, verspreidde zich als een zachte bries door Sylvana en werd een legende van moed, vriendschap en de eeuwige kracht van de natuur, doorgegeven van generatie op generatie, als een bron van inspiratie voor alle bewoners van het magische woud.  En zo leefde het verhaal voort, als een lied gezongen door de bladeren van de eeuwige bomen, vastgelegd in de geschiedenis van Sylvana.    

BrameetHam
5 0

Het spinnetje dat ze niet ving.

Hopelijk ben je niet bang voor spinnen. Want dit verhaal gaat over een lief klein spinnetje. Jawel, spinnen kunnen ook lief zijn. Ze vangen bijvoorbeeld die lastpakken van muggen voor je. En wie weet eet jij wel eens graag een stuk van een varkentje of schaapje maar ben je ook lief. In ieder geval deed het spinnetje heel erg zijn best om goed te zijn. Maar wat is goed? Wat de één goed vind, vind de ander misschien weer slecht … Muggen vangen zodat we lekker kunnen slapen vinden we goed. Veel poten hebben en er griezelig uitzien vinden we dan weer niet zo leuk. Hoe dan ook, ik had als kind een vreselijke angst voor spinnen. Maar als ik dit spinnetje zie, vind ik het vooral schattig.  Het spinnetje woonde in een bos. Laten we hem Sjarel noemen. Sjarel kon niet goed webben weven en dat vond hij een groot probleem. Ze waren zo belabberd dat hij er geen mugjes en vliegjes, laat staan grotere beestjes, mee kon vangen. Zijn webben namen de meest vreemde en onhandige vormen aan. Terwijl het web van een spin op zich al een kunstwerk is, voelde hij het verlangen dit te overstijgen. Maar als hij zag dat het bijna zo ‘n kunstwerk werd, probeerde hij het weer praktisch te maken. In een poging bij de andere spinnen te horen en in de hoop zo zijn eigen eten te kunnen vangen.  Hij was zo schattig en lief dat sommige andere spinnen, ondanks hun oordelen over zijn onkunde, hem verwelkomden in hun statige web en van hun overvloedige vangst lieten smullen. Daarvoor was hij hen heel dankbaar. Maar Sjarel was best wel trots. Hij wou graag zijn eigen eten kunnen vangen.  Dus ondernam hij eindeloos veel pogingen om een deftig web te maken. Volgde ook lessen daarin. Sommige onderwijzers hadden veel geduld met hem. Anderen vonden hem reeds op het eerste gezicht een hopeloos geval. Wat hij ook probeerde: het lukte hem niet.  Af en toe ving hij wel een draaierige vlieg of verdwaasde hommel, maar dat was dan eerder een toevalstreffer. Toch was hij dan enorm trots op zijn vangst en pronkte ermee.  Het ontbrak hem volkomen aan gevoel voor symmetrie en praktische infrastructuur. En als het hem al eens lukte een aanvaardbaar stukje web te maken, werd hij plots heel moe. Of kreeg een onweerstaanbare drang iets anders te gaan doen. Iets dat hij veel leuker vond, zoals zonder doel op stap gaan of het web van een buur als trampoline gebruiken. Of hij stopte zijn werkzaamheden omdat hij wegdroomde bij wat voor reusachtig, indrukwekkend en uiterst functioneel web hij zou maken waar de andere spinnen jaloers op zouden zijn.  Van dat alles kon hij boos worden. Boos op zichzelf. Boos op de andere spinnen die met hun web en hun vangst pronkten, boos op de insecten die hem uitlachten, boos op de wereld. Dan was hij niet meer zo schattig en lief. Maar gelukkig duurde dat nooit lang. Dan had hij weer een leuke ontmoeting of kreeg een lekker dikke vlieg van een barmhartige buur.  Soms viel het hem op dat sommige van zijn buren ervan konden genieten hem te zien weven. Ze nieuwsgierig waren naar welke gekke vormen hij nu weer uit zijn hoedje toverde. Ondanks dat ze hun web piekfijn op orde hadden, waren ze vaak verveeld, gespannen of moe door het vele en routineuze werk dat het onderhoud ervan vergt. En als hij weer eens een glinstering in de talrijke ogen die een spin heeft had gespot of een stiekeme glimlach bij een vermoeide buur deed ontluiken, kreeg hij vaak een extra grote hap van hen.  Maar daarna voelde hij zich weer eenzaam in zijn onverbeterlijke klunzigheid. Vaak viel hij zelfs op de grond omdat hij niet meer aan zijn eigen web uit kon. Werd zo een gemakkelijke prooi voor een vogel. Spinnen zijn enorm kwetsbaar, dat mag je vooral niet vergeten als je er schrik van zou hebben en daar mag je bovendien zeker geen misbruik van maken.  Tijdens zijn dooltochten ontmoette hij spinnen die net zoals hem waren. Maar hadden opgegeven en ergens in een hoekje lagen weg te kwijnen. En vaak allesbehalve lief en schattig maar boos op alles en iedereen waren. Ergens kon hij hen volkomen begrijpen. Maar dat vertelde hij niemand. Zijn lieve, begripvolle blik deed hen goed.  Af en toe moest hij op zoek vriendelijker buren. Omdat sommige buren zijn gedrag soms gewoonweg niet meer konden verdragen of hem te hard uitlachten.  Op een dag was Sjarel het allemaal zo beu dat hij zomaar, zonder enig plan of doel, een web begon te weven. Het was echt allesbehalve een poging er iets fatsoenlijks van te maken. Hij kreeg plots heel veel energie en weefde en weefde heel de dag door. Van de hoogste toppen van bomen tot aan de laagste plantjes en paddenstoelen. Hij besefte het niet eens dat de nacht viel. Misschien schonk de maan hem wel veel licht.  Toen de eerste zonnestralen de dauw op zijn web deed glinsteren, bekroop het ongelooflijke gevoel hem dat het af was.  Hij zette zich op een afstandje ervan en genoot van de meest onmogelijke vormen die hij tevoorschijn had getoverd. Zoiets had hij nooit eerder gezien. Bovendien zag het er ook grappig uit, waardoor hij luidkeels begon te lachen. Daardoor werden de hem omringende spinnen wakker. Ze keken eerst verstoord en fronsten met al hun ogen tegelijkertijd, maar toen begonnen ook zij, bij het overweldigende aangezicht van Sjarel’s te gekke web, het op een lachen te zetten. Schaterlachen deden ze. Heel het bos vulde zich met het gelach van spinnen. Ook de vogels, een vos en een paar konijnen voegden zich bij het orkest van verwondering en gelach. Door dat alles had Sjarel de indruk dat hij aan het dromen was. Hij werd plots heel moe en viel in een diepe slaap.  Een tijdje later werd hij wakker door gelach en dacht dat hij nog steeds aan het dromen was. Talrijke zoemende insecten omringden zijn web en schaterden het uit. Sommigen onder hen vielen door overmaat aan verwondering flauw of lachten zich dood.  Zijn web deed nog steeds allesbehalve wat een spinnenweb hoort te doen, maar insecten vielen neer op de weinige functionele stukjes van zijn web of op de blaadjes en takken van de bomen waartussen het hing. Zo kon Sjarel ze gemakkelijk overmeesteren en nuttigen als hapje. Het was de allerleukste dood die een insect zich kan toewensen.  Sindsdien maakt Sjarel alleen nog prachtige knotsgekke webben.         

Delacre
28 1

Hoofdstuk 13: de eindeloze wacht (Fragment uit 'Eindeloze Verte')

Rania, 29 mei 2028, Algiers, 7u40 'De boekhandel van Algiers' door Kaouther Adimi scande ik. Even hield ik mijn adem in. Mijn moeders favoriete boek. Het dateerde van 2017, wist ik. Zelf had ik het nog niet gelezen, al was ma er de wolken van in! Ik wist dat het verhaal een blik gaf op Algerije als toenmalige Franse kolonie in de tweede wereldoorlog. Lang vervlogen tijden, toch bleef het boek me intrigeren, zoals het nu ook weer deed. Ook al had ik élk boek verwacht; elk zelfzorgboek dat maar goed over de plank ging, of een boek dat kon verklaren waarom ik me op dit moment zo naar voelde, dit boek kwam als een mokerslag bij donder aan. Het triggerde het besef dat ik degenen die ik het liefst zag, had achtergelaten… mijn familie.  ‘Oh’, was het enige wat ik kon uitbrengen. Ik voelde Yasmine haar kijkers zich met bezorgdheid op me vastpinnen.  ‘Je mag het lenen, Rania,’ zei Yasmine met enige aarzeling, alsof ze twijfelde of haar woorden enige schade konden aanrichten. ‘Dank je, Yasmine,’ ik keek haar recht aan. Yasmine zag in mijn ogen een blik geladen met emotie, maar ook dankbaarheid. Ze mompelde een ‘ik laat je’ en spoedde haar naar de keuken.  Thee en mijn gedachten lieten zich opnieuw tot één wereld overspoelen.  … Raar, maar waar was het. Het was me gelukt om te focussen…op een boek. Tweehonderd pagina’s had ik in een mum van tijd uitgelezen. Waarom dat dit ma haar favoriete boek was? ‘Geen idee.’ Zo simpel was mijn antwoord. Weinig woorden vormden zich tot een beperkt verhaal. Toch wist het té raken. De zon stond al tamelijk hoog aan de hemel en de temperatuur was razendsnel de hoogte in gegaan. Ik was weer in de werkelijkheid gerold,  gestruikeld al was ‘vallen’ toepasselijker. Waar er voor mijn tocht slechts één vraagteken opgeroepen werd, waren het er nu honderden die krioelden nét boven de leegte van mijn ziel.  ‘Rania’, één vraagteken loste als vanzelf op. ‘Dáár ben je!’ Silas wreef nukkig in zijn haren. Hij schoof een bord met toast en marmelade naar me toe. ‘Hier, ik bracht wat voor je mee, eet op, voor het koud wordt.’ Ik lachtte, kleintjes: ‘bij zo een warm weer?’ Mijn blik geraakte niet hoger dan de lengte van het tuintafeltje. Hem aankijken kon ik al evenmin. Ik voelde Silas’ paar kijkers op me vastpinnen. Het verschroeide me, zodanig dat mijn wangen hazelnootkleurige vlekken vertoonden - een pure hel van ongemakkelijkheid doorging ik, in de - zo leek het toch - 10-tal minuten durende stilte.  Ik besloot het eerste wat in me op kwam met beide handen vast te grijpen - en nam een stevige beet uit mijn toast met marmelade. De geur en smaak van de marmelade kwamen me bekend voor, thuisbrengen kon ik het niet. Op één of andere onverklaarbare wijze had ik de moed om mijn blik met een 30 - tal cm te verhogen, en keek recht in Silas bezorgd paar kijkers. ‘Rania, alles oké? Yasmine en ik maken ons grote zorgen. Ik wil gewoon eerlijk met jou zijn.’ voegde hij als laatste toe, en sloeg zijn blik neer. ‘Eerlijk? zei ik met een nog schorre stem, ‘ik weet het niet.’ Ik voel me heel erg leeg en waar ik vroeger kleur zag, zie ik nu alleen maar donker. Snap je wat ik wil zeggen?’ Silas keek me met grote bedroefde ogen aan, maar knikte. Ik vervolgde: ‘Alsof elk sprankeltje hoop, verdween, enkel slechts één vlammetje moed bleef over, waar ik me angstvallig aan probeerde vast te klammen, totdat ook dat verdween. ‘Zo, zo, voel ik me, Silas.’ hevig begon ik te snikken en stoppen kon ik het niet.  ‘Oh, Rania…mag ik?’ ‘Het is oké’ zei ik tussen de snikken door. Silas naderde en sloeg heel teder een arm om me heen. Zijn andere arm volgde al snel. Hij hield me vast zoals een moeder, vader, broer of zus zijn of haar bloedverwant vasthield. Stevig en ondoordringbaar, alsof elk negatief gevoel door deze wal van liefde weggestoten zou kunnen worden. Alsof enkel de warmte van dit teder gebaar genoeg was om mijn donkere wereld op te fleuren met gedachten als kleurrijke bloemen.  Amine, 29 mei  2028, in de buurt van het opvangcentrum El ' Biar,  12u30 Een vriendelijke ogende oudere dame schepte een portie gekruide puree op mijn bord, net naast de berg aan groenten en een gigantische notenburger. ‘Duidelijk met Zuiderse kruiden.’ lachte Aïscha me grijnzend toe. Nog steeds grinnikend nam ze een hap van haar rijkelijk gevuld bord.  ‘Geen idee wié dit maakt, maar het is héérlijk.’ zei ik, met een mond vol, na alsook een hap geproefd te hebben.  De zaal was gevuld met mensen, allemaal van diverse multi-culturele én sociale achtergronden. Dat zag je in één oogopslag. Een graatmagere jonge tiener zat slechts enkele rijen van me verwijderd. De afstand van hier tot daar leek me onoverbruggelijk in een gevulde ruimte als deze. Het nog jonge kind, een stoer ogende jongen, maar mager en tenger tot op het bot, wist mijn blik te vatten. Hoe de wereld ook aan zijn lichaam vrat, zijn geest was nog onaangeroerd - of zo leek het toch. Telkens maar werd ik geraakt door dergelijke taferelen. Het bord eten dat voor me stond leidde me snel af van de menselijke problematiek die zich alsmaar als een donderwolk beklijvend om me heen wist te sluiten.  … Arm in arm liepen we, alsof we al jaren op dezelfde manier wandelden. Immens genoten we om in elkaars gezelschap te mogen vertoeven. We liepen richting het dichtstbijzijnde park. Natuur leek me de enigste plaats waar ik pas écht kon ontsnappen aan de toevoer van menselijke handelingen en gedragingen, die me op één of andere onuitputtelijke manier telkens wisten te vatten, nét zoals een wereld met virus symptomen, was ik ook daarvoor niet immuun. ‘Kom, Aïsha, daar, kunnen we even zitten.’  Tot plots mijn ogen de zijne opnieuw tegenkwamen. Zijn lach wees op een immense sterkte, zo incongruent met het jonge lichaam dat hem slechts op de been hield. Het was noch dat magere lichaam, noch zijn lach die me wisten te raken, het was die blakende veerkracht die uit zijn ogen straalden. Alsof leven voor hem een zuchtje van gemak was, al wees alles de verkeerde kant op - voor hem. ‘Goed als we erbij komen zitten?’ Aïscha lachte vriendelijk naar de jongen. ‘Geen probleem, hoor.’ lachte de tiener ons toe, en hij ging opnieuw op in het boek dat hij las. Nieuwsgierig en vanuit mijn linkerooghoek trachtte ik in een nonchalante poging een glimps van de kaft op te vangen. Het was geen jeugdboek, allerminst. Het leek op een thriller. Een verfrissende bries kwam opzetten. In deze hitte was het pas écht een verademing. Toch ging het haar op mijn armen recht op staan. Ik zuchtte en liet mijn hoofd loom naar achteren bengelen, zonder enige neksteun leek het alsof ik de wereld droeg, op mijn lichaam. Mijn hoofd? Dat leek uitgeschakeld.  Aïscha leunde tegen mij aan. Het vreemde gevoel bleef. Net alsook de tiener naast ons bleef lezen. … Ik voelde dat hij keek en trok me er niets van aan. Het enigste wat ik nodig had waren de letters uit dit boek die mijn brein voeden. Een gurige galoprispsing wist me haast te vellen. ‘Allemaal door het walgelijke eten deze middag.’ dacht ik. ‘Afgrijselijk.’  Eten was al iets dat me twee jaar, drie maand en 11 dagen van de ene dag op de andere dag verleed leek te zijn. Ik had het niet meer nodig. Of zo leek het toch. Ik wist allerminst dat dit niet waar was. Toch had ik er een lak aan. Allah beloonde enkel degenen die geloofden. Al bad ik niet meer, geloven deed ik wel. Al geloofde ik niet in een geloof, ik geloofde in wetenschap. Ik geloofde in het intellectuele, dat ons aan de top van de voedselketen wist te brengen, en ons zo onderscheidde van andere zoogdieren. Ik geloofde in letters, in zinnen, in woorden. Wat ik later wilde worden? Alles waar je maar een scheenshopper voor moest zijn. Met mijn 13 zomers wist ik ook al figuurlijk tegen enkele schenen te schoppen - letterlijk ook soms, daar was ik uiteraard niet trots op. Was het niet tegen de relschopper of de klasclown, dan was het wel die ene leerkracht die het op mij gemunt had. Een vat op me krijgen konden ze echter niet.  Toen was zij er geweest, met haar bliksems van ogen. ‘Zij’ met de heldergroene ogen. Zo was mijn verhaal begonnnen. Ik wist dat het ging eindigen bij datzelfde paar kleur kijkers. Al had ik nooit verwacht dat het zo snel zou zijn, want een zelfde paar kijkers zat naast mij. … ‘Amine, Amine!’ Aïsha klampte zich aan me vast. ‘De jongen, de tiener. Hij is buiten bewustzijn.’ Verschrikt keek ik links van me. Ze had gelijk! Haastig nam ik zijn tengere en veel te magere pols vast, en drukte mijn duim om enige hartslag te meten. ‘Aïscha. Bel. Een. Ambulance.’ Aïsha deed onmiddelijk wat ik zei en verwijderde haar even, toen ik de eerste zorgen toediende.  … 15 min. Zo lang had het geduurd. Zo lang had ik hartmassage toegediend. Een AED was er evenmin aanwezig geweest. In een park waar er nochtans één moést hangen. Ergernis bekroop me als een demon die me teder, duister koud omhelsde in het donker. Amine, 29 mei 2028, 16u23 thee-en koffiehuis, Algiers Hij heeft het niet gehaald. Het spijt me. Geen enkele hulp kon nog baten. Het team deed hun uiterste best. Diep aangeslagen. Paulo. ‘Paf.’ kwaad sloeg ik mijn hand op de tafel. ‘Nee,’ stamelde ik uit; verslagen door emotie. Onmiddellijk voelde ik haar warme hand op mijn schouder. ‘We gaan - nu.’ zei ze vastberaden en kalm. Dat was het enigste wat me weer bij mijn positieven haalde - en op de been hield: ‘ zij’. Mattéo, 29 mei 2028, Centre Hospitalo Universitaire MUSTAPHA, 16u45 Terwijl ik panisch de zwarte vlekken op de spiegel witte tegels telde, kwam ze bij. Een verpleger kwam nonchalant binnengewandeld. Zijn dreadlocks waren haastig vastgeknoopt in een beschermkap, toch wist er één te ontsnappen en al wat ik kon doen was er gefixeerd naar staren.  Terwijl hij glimlachte naar haar, checkte hij de buisjes die vastgeknoopt waren aan haar lichaam. De monitoren en apparaten naast haar gaven zaken aan waar ik totaal geen weet van had.  ‘Meneer, u bent haar echtgenoot?’ vragend en ook weer niet, richtte hij zijn aandacht plotsklaps naar mij. Even schrok ik, al herstelde ik me snel, charmant glimlachend zei ik al even nonchalant als hij was binnengewandeld: ‘Nee, ik ben verantwoordelijk voor de opvang van Algerijnen die op een legale wijze een buitenlands paspoort aanvragen. Ik vond haar volledig uitgeput en buiten bewustzijn bij mijn woonst.’’  De wangen van de verpleger kleurden in allerlei tinten donkerrood, aarzelend herstelde hij zich:’ Uh, oké, heeft u al contact gehad met de politie. Weet u wie deze persoon is? Had ze iets van papieren bij haar, ID?’ zonder ook maar enige ademruimte te laten, perste hij het laatste woord er haast snakkend naar lucht, uit. De laatste restjes aarzeling verdwenen in de kolkende hitte van een vragenvuur, dacht ik weemoedig.  ‘De politie is inderdaad al op de hoogte. De jongedame in kwestie heeft geen papieren, noch een ID op zak.’ Zoals een ballon die langzaam aan leegloopt, verdween alle kleur uit zijn gezicht. Zuchtend tussen zijn tanden, zei de verpleger ‘Raphaël’, toonde zijn naam tag die scheef op zijn uitrusting kleefde aan: ‘Oh, god, nog ééntje.’ ‘Hoe erg is het?’ vroeg ik hem recht op de man af. ‘Worden er statistieken bijgehouden?’  De man kleurde roder dan rood.       Eindeloze Verte - Wattpad Eindeloze Verte won in 2019 een Watty Award, de officiële wedstrijd op het platforum 'Wattpad'. Het is momenteel lopende, al is het doel om dit verhaal ten laatste in 2026 uit te geven. "Vinden ze de weg naar elkaar terug?" De Middellandse Zee.Vluchtelingen en uitdagingen voor Europa.Een verdwenen zus en een verscheurd gezin. Algerije, 2028Een recente, zware aardbeving, die vele slachtoffers en ravage met zich meebrengt, is voor Rania de druppel. Een teken dat het genoeg geweest is. Dat het zo niet meer verder kan. Dat leven zonder enige zekerheid geen zin heeft. Toch?  Verderop in Algerije komt Amine tot de ontdekking dat zijn zus zomaar, zonder enig spoor na te laten, verdwenen is.  Wanhopig maar vastberaden dat ze nog in leven is, besluiten hij en hun ouders haar achterna te gaan. Aan de hand van hun verhalen komen we meer te weten hoe hun leven plotsklaps maar niet geheel onverwachts veranderde.  Beiden geven echter niet op, op hun dromen en toekomst. Dit is hun verhaal: over hun vlucht en de zoektocht naar een beter leven. Een actueel toekomstverhaal dat zich afspeelt in verschillende leefwerelden. Een fictief, maar realistisch verhaal van hoop en dromen, pijn en leed, liefde en vriendschap en een onverwachte boodschap. Alle rechten voorbehouden (c)    

Zonsondergangdromen
132 1