Lezen

Toverbal

Waar het altijd goed is, waar er kip aan het spit is, waar de kerk in ’t midden staat. Ik groeide op in de streek die Raymond van het Groenewoud zo liefdevol bezong. Op het Vlaamse platteland, in een stad die eigenlijk die naam niet waardig is. Heerlijk rustig was het er, zo tussen de varkensboerderijen en maïsvelden. Vlaanderen boven. Zo was het een traditie om elke zondagmiddag op de koffie te gaan bij de grootouders in een naburig dorp. Vaak met de auto maar bij mooi weer ook op de fiets. Dan maakte een bezoek aan Fons het uitstapje compleet. De lieve man baatte destijds een winkel uit in visgerief, op de hoek van het centrale plein. Open op zondag, al was dat niet zo duidelijk. Pas als er een klant binnenkwam, ging één enkele TL-lamp aan en verscheen de brave man in ruitjeshemd en debardeur. Zijn moeder in blauwe werkschort ging achter de toonbank staan.  Naast vislijnen en aas werden er ook conserven en drankjes verkocht. Ik had echter enkel oog voor het rek naast de kassa waar het schepsnoep stond uitgestald. Ik kreeg een plastic bakje en mocht dat opvullen met smoelentrekkers, lange matten, perziken, aardbeien met en zonder suiker, kikkertjes, smurfen en colalollies. Heerlijk, heerlijk. Een zakje vol voor 20 frank.  Het summum was de toverbal, zo’n hele grote witte met spikkeltjes. Je kent hem wel, hij heeft van die gekleurde laagjes en laat een wit laagje achter op je tong. Je likt en likt en likt tot je écht niet meer kan. Dan ligt hij daar op een bordje te wachten tot de volgende dag. Wat ik als tienjarig meisje haast magisch vond, is nu wansmakelijk.  

Melanie Huyghe
42 1

Het appartement in Athene

Athene op een ochtend in februari. Ik kijk naar de twee citroenbomen in de tuin. Het wordt langzaam licht, veel vroeger dan in België. De zon schijnt al. Natuurlijk. Ik kook water voor sterke instantkoffie en een bord havermoutpap. Een schep Griekse yoghurt erbij en een sinaasappel. Ik ga zitten en vind langzaam mijn routine in het nieuwe oude appartement in Athene.  Ik schakel de elektrische waterboiler in omdat ik binnen 20 minuten wil douchen en denk terug aan  de vorige avond. De hartelijke verwelkoming door buurvrouw Maria. Met veel gebak en chocolaatjes. Griekse gastvrijheid en nieuwsgierigheid liggen dichtbij elkaar. Geduldig wachtend tot de tank van 80 liter voldoende warm water bevat, maak ik nog mijn dagelijkse sudoku op de app van De Morgen.  Dan baan ik me een weg naar de douche. De vouwdeur van de badkamer werd reeds verwijderd. In afwachting van een volle deur verwittigen we elkaar dan maar als we naar de wc moeten.  Ik word stilaan gewoon aan de logge, oude stoelen met foute bekleding, de uitklapbare salontafel, het bijzettafeltje met de porseleinen vaas en bloemen in glas, de herderspostuurtjes op de eikenhouten kast, het Chinese theeservies met veel te veel kopjes. Dit zou op Camping Flamingo vintage zijn. Prijzen tot 100 euro niet vreemd.  De nieuwe airfryer van Xiaomi staat te pronken op het aanrecht. Glanzend wit en vierkant met bijhorende app. 24u op voorhand te programmeren én met 100 eenvoudige recepten. Van een stijlbreuk gesproken. 

Melanie Huyghe
17 1

Hoe het zou zijn om te roken

De medische wetenschap staat verder dan ooit tevoren. Recente ontdekkingen en moderne technieken laten ons toe kanker en andere ziektes steeds beter te behandelen. Nooit eerder waren we ons zo bewust van ons eigen lichaam. Nooit eerder wisten we zo goed hoe we onszelf moeten verzorgen. De maakbare mens in een krampachtige poging om zo oud mogelijk te worden.  Op bakfietsen en voorzien van katoenen zakjes halen we dus boodschappen bij de verpakkingsvrije biowinkel. Onbespoten en van de korte keten, met respect voor boer en dier. Daarna trekken we het bos in voor een wandeling of gaan we naar de yogales. Want aarden en dichtbij onszelf blijven in het “nu” schijnen cruciaal te zijn.    In deze tijd van gezondheidshypes à la ginger shots, collageenpoeder en botox overweeg ik geregeld te beginnen met roken. Hoe zou het zijn om een sigaret op te steken? vraag ik me af. Gewoon, ’s morgens, net uit bed met een verse pot koffie. De balkondeur open, een aansteker zoeken en dan eens goed trekken aan die eerste sigaret van de dag.  De dwarrelende rook in de koude ochtendlucht heeft iets romantisch. Het doet denken aan de affiches voor Hollywoodfilms uit de jaren 50. Toen roken nog stoer en sexy was. Toen nog niemand stilstond bij Fumer tue en de zieke longen op het pakje.  Nu klinkt dit bijna als vloeken in de kerk. Hoogstens kom je nog weg met vapen. Dat elektrisch gedoe met veel stoom en kauwgomballengeur. Verstokte rokers zijn verbannen. Je vindt hen tegenwoordig in een kamertje op het eind van de gang of verregend in een hoekje van de binnenkoer. Hun glorietijd is voorbij.  

Melanie Huyghe
12 1

Da mokt amets ammel nie uit

Het Awa-iaans, het dorpsdialect van Kromdegem, hoorde niet tot mijn taalgebruik. Als Samantha’s ouders vertelden over de vrouw van de visboer die in haar broek had gezeken na haar bezoek in café De Welkom, lachte ik mee, zonder te begrijpen waarom. Mijn jeugdvriendin Samantha was op haar zeventien een trouwe aanhangster van het Awa-iaans. Als ik vroeg waarom ze haar zusje van de zetel duwde, vertelde ze me dat ‘zij nie voos moest doen awa.’ Ik stoorde me aan haar klanken, al draaide het niet eens zo zeer om stopwoorden of platte klanken, die komen voor in ieder dialect. Het draaide erom dat het Awa-iaans een taal was die ik niet sprak en nooit zou spreken.  ‘Da mokt amets ammel nie uit,’ blies Samantha verveeld. Maar het maakte me wel uit. Hoe kon ik ooit aarden in een dorp waar ik de taal niet sprak? Het algemeen Nederlands beheerste ik perfect, ik dacht dat dat net een voordeel was. Alle brieven, kranten, boeken en tijdschriften waren toch in die taal geschreven? Waarom veranderde die zodra je haar uitsprak? Ik speelde ook met woorden, maar dan op een andere manier. Zo moest ik lachen met het woord ‘verjaardag’ dat een beetje klinkt als ‘viagra’, al had ik daar als gespreksstof niet veel aan. Als ik me terugtrok op mijn kamer, schreef ik in mijn schrift en probeerde het Awa-iaans te ontleden:            Het Awa-iaans is een drassig dialect. Bruut en ongepolijst met zware klinkers,            alsof de woorden uit het slijk zijn geschept. De vuile klanken passen goed bij            het gekloag en gezoag van het Waasland.   Wat kan ik nog schrijven over het Awa-iaans? -        iedere zin eindigt met ‘awa’ -        aan het einde van een woord valt de ‘w’ en ‘j’ weg: bouw = bau , leeuw = lieë -        de lange ‘aa’ spreek je uit als ‘éé’: schaar = scheer  -        platte ‘a’ klank -        werkwoordvervoegingen zijn niet zoals je  leert op school: ik ben = ik zen   Thuis spraken we algemeen Nederlands. Mijn moeder verstond het Awa-iaans amper. Vaak zat ze in haar eentje Isabel Allende te lezen, de eenzaamheid leek haar niet te deren. Mijn vader deed meer moeite. Onder het motto ‘Beter een file aan de toog dan op de ring’, deed hij zijn plicht als inwoner van Kromdegem en lalde na zijn werk aan de toog met de mannen van het dorp.  Niet alleen Samantha, ook mijn ouders spraken soms een andere taal. Als ze ruzie maakten deden ze dat in het Frans, daarmee bespaarden ze me zogezegd iets. Alsof een kind niet weet wat er aan de hand is. Het frustreerde me dat ze probeerden te verhullen dat zij niet volmaakt waren. Ja, ze spraken in een taal die ik niet kende, maar het lichaam en de stem verraden veel. Het verheffen van de stem, het sissen van woorden, het blazen door de lippen. Ik was zo nieuwsgierig dat ik al snel het Frans beheerste. Het werd mijn lievelingstaal.Die taal, die rollende r, die melodie, hoe de zinnen lijken te zweven.De taal van de liefde, n’est-ce pas? Wat ik heb overgehouden aan die ruzies is dat ik lang heb gehoopt om ooit een Fransman tegen te komen, verliefd te worden en ruzie te maken.Vuur, passie, borden tegen de muur! En maar vloeken:       ‘T’es vraiment un connard!’ Ik denk niet dat mijn ouders dat voor ogen hadden toen ze in het Frans ruzie maakten waar ik bij stond, maar al bij al had het erger gekund.   In de zomer dat ik zeventien was, zat ik met mijn scoutsvrienden Stef en Maarten aan de vijver van het park. High van twee joints en genietend van de zon, gaf ik me over aan de waas die me languit tegen het gras duwde. Schuldig voelde ik me daar niet over, ik genoot er van hoe de wiet mij in haar warm deken wikkelde.          Ik hoorde een luide lach en zag in mijn ooghoeken Samantha met haar lief Timmy en wat vrienden. Maarten kocht soms wiet bij Timmy, ik moest hem niet. Ik keurde het niet goed dat Samantha niet wist dat Timmy dealde. Dealen tot daar aan toe, maar erover liegen, dat was een brug te ver, hij was een leugenaar en ik had het niet voor leugenaars met poloshirts. Snel zwaaide ik naar Samantha die haar broek uittrok en met drie vingers terug zwaaide voor ze het water in sprong en mijn gapende scoutsvrienden naast mij achterliet. Ik weet het nog goed hoe ze staarden en daarna beteuterd keken naar hun blote bast. Dat is Awa-iaans voor borstkas, de woorden blote bast doen me nog altijd denken aan hun zonlicht reflecterende puberbuiken. Maarten floot tussen zijn tanden. Iedereen wilde in Samantha haar broekje, ik blonk misschien wel uit in studeren, Sam behaalde andere overwinningen, van haar C-cup kon ik enkel dromen. Het water weerkaatste het zonlicht in mijn gezicht, snel kneep ik mijn ogen dicht. In het water werd het steeds wilder, Timmy hield Samantha vast terwijl twee andere glibberige pubers de touwtjes van haar bikini wilden lospeuteren. Ze lachte kort en luid waarop ik automatisch naar de oever van de vijver liep. Ze keek me kort aan, was dat paniek in haar ogen? Ik knikte naar haar waarop zij met haar volle gewicht tegen Timmy leunde en zo de jongens voor haar met beide voeten in hun gezicht stampte. Daarna zwom ze naar de oever, hees zich lachend uit het water en maakte als een gek radslagen op het gras, alsof niets haar kon tegenhouden.  De avond viel en de in de lucht verschenen strepen geel, oranje en avondrood, als lagen van een raketijsje. Mijn scoutsvrienden wilden naar het frituur maar mijn vader zou chipolata met appelmoes maken, dus hees ik me recht en keek naar Samantha. Veel woorden hadden we niet nodig, ze zoende Timmy op zijn kruin en verkondigde: ‘Ik zien aa maaren.’ ‘Ga je me hier zo achterlaten,’ sputterde hij tegen en wierp mij een giftige blik toe. ‘Nie neuten Timmy,’ suste Samantha. Haar lippen glansden van het zwemmen. ‘Kleir.’ Weer keek hij naar mij en snoof alsof hij rotte vis rook waarop ik hem mijn lach voor onbekenden gaf: mijn mond krult licht naar boven en mijn wenkbrauwen maken een vreugdesprongetje.          Toen Samantha en ik aankwamen op het pleintje in mijn wijk, klauterden we op een verlaten pingpongtafel en rookten een Marlboro Light sigaret in kleermakerszit. ‘Heb jij al gesleurd met die jongens?’ ‘Jongens, welke jongens?’ Ze rolde met haar ogen. ‘Die drie gasten waar je altijd mee hangt. Die jongen met zijn veiligheidsspeld in zijn oor is per tang nog zo dweis niet.’ ‘Stef bedoel je.’  ‘Ja, dat issem!’ ‘Nee, Stef valt op blond. En daarbij, jongens zien mij toch niet staan.’ ‘Nou zedde ont ziëeveren.’ De pingpongtafel gloeide na van de zomerdag, ik was uitgeput van de zon en natuurlijk ook die joints. Samantha kamde met haar vingers door haar haren en legde een lok achter haar oor. Een man met een yorkshire terrier wandelde voorbij, zo’n hondje van Carmen in FC De Kampioenen. De man glimlachte naar Samantha en ik knikte terug. Ik vroeg haar of ze het niet vervelend vond dat die jongens in het water haar bikini hadden willen losmaken. Ze rolde de sigaret tussen haar duim en wijsvinger, staarde naar de gloeiende punt en nam langzaam een trek. Ze tikte de sigaret af en de pluizige assen dansten weg op een zachte bries. Dan zei ze kalm: ‘Alles went awa, da mokt amets ammel nie uit.’   Ze keek naar mij, stak haar kin op en zei dat ik me niets van idiote jongens moest aantrekken. Ze deed haar haar in een paardenstaart, haar huid spande zich strak aan en haar ogen kregen iets elf-achtig. Ze leunde voorover en zei dat ik mooie ogen had, bruin als beukennootjes. Dan sloot ze haar ogen en duwde haar vochtige lippen op mijn mond, haar tong streelde aan de binnenkant van mijn wang. Haar adem smaakte naar sigaret en haar lippen waren als rode snoepveters, ik huiverde omdat ik bang was dat mijn mond droog was van het smoren. Haar glibberige tong draaide rondjes op volle snelheid en na ongeveer vier toeren veranderde ze van richting. Toen begreep ik waarom de jongens haar ‘Wasmachien’ noemden. Ik kon niet anders dan naar adem happen en de kus verbreken. Mijn eerste kus, mijn eerste schok van vrouwelijkheid. Ik had een lallende vader, een teruggetrokken moeder, het begin van een wietverslaving en nu had ik ook voor de eerste keer gekust. Ik kon nu echt een schrijver worden. Het was een groots moment, voor Samantha niets meer dan een duwtje in mijn rug.   

Emke Goijens
63 0

De lekkerste

Je hebt echt de lekkerste mond..  Met stip de lekkerste.  Je smaakt naar warme zomerdagen, te lang bewaarde koffie en als ik goed proef dan zit er nog een vleugje munt in.  Van die blauwe munt, die je op restaurant vaak krijgt bij het afrekenen. Daar vind ik ze vies.  Bij jou zou ik het missen mocht het er niet zijn.  Je mond opent zich heel terughoudend alsof je niet zeker bent dat je wil aangeraakt worden. Maar eenmaal onze warmte versmelt, worden je lippen vloeibaar en je tong indringend.  Je wil alles.  Mijn hele zijn wordt gulzig opgedronken in die ene lange, natte zoen.   Soms proef ik de bronstigheid nog voor je lippen weten dat ze mij willen kussen.  Het smaakt naar natte klei en paardenbloem.  Vol, verslavend en aards.  Ik lik langs mijn tanden en voel hoe mijn hart in het topje van mijn tong klopt. Alsof het een lied dreunt, de trom roffelt voor wat komen gaat. Wanneer je me loslaat, veeg je steeds met je mouw langs je neus. Je kan het niet laten, je lichaam dwingt je.  Alsof je zeker wil zijn dat het geen leugen was en je neus nog steeds zijn kleine, wipperige zelve is gebleven.  Ik moet er om lachen, jij kijkt schaapachtig.  Ik ruik je nog maar ik wrijf niets weg.  Zo hou ik je bij mij.   Net als het zachte fruitsnoepje dat de bakker in mijn hand stopte als klein meisje.  Ik mocht het niet opeten, maar ik rook er aan.  De zoetigheid, de fruitgeur, een zweem van plastiek en bakkerslucht.  Ik rook telkens weer.  Inhaleerde als een kettingroker, liet de geur smaak worden en in mijn mond ronddraaien als een topsommelier.    Uiteindelijk was het moment daar, het snoepje raakte mijn tong. Het was als de apotheose van een urenlang vuurwerk.  Intens.  Het broodnodig inlossen van een verlangen.   Jij hebt écht de lekkerste mond.

VeerleDegrieck
6 0