Lezen

Paleis of kippenhok

Ik heb toch wel een voorliefde voor het bezoeken van grote landhuizen. De meeste huizen zijn ook gewoon opengesteld voor publiek omdat het voor de eigenaren niet te doen is om het onderhoud anders te bekostigen. De tijd dat alle boeren hun belasting bij hen aan de poort kwamen storten is al lang voorbij. En van een normaal salaris, hoe riant ook, is een schilderbeurtje voor zo’n pand echt niet te betalen. En dat geeft mij, samen met heel veel anderen, de gelegenheid om een binnen te kijken. Ik kan me bijna niet voorstellen dat je in zo’n huis woont. Mijn eigen huis is echt niet heel klein maar het is toch wel een kippenkooi vergeleken bij zo’n paleis. Mijn maatje zou er enorm ongelukkig van zijn geworden. Hij was heel gehecht aan zijn eigen plekje in het huis. Alles onder handbereik, samen met zijn vrouw en hond in één ruimte. Stel je voor dat hij iedere dag had moeten kiezen in welke kamer hij nu eens zou gaan zitten. Ik ben daar dan nog wel wat makkelijker in. Mijn droom is een eigen bibliotheek. Dat lijkt me nu echt het toppunt van luxe. Zo’n hoge kamer, vol boekenkasten tot aan het plafond, met een open haard. Daar twee stoelen bij en een laag tafeltje. Een comfortabele mand voor Stef. En natuurlijk een laddertje, om bij de hogere boekenplanken te komen. Heerlijk, de geur van boeken. Wat me wel opvalt, nu we pas in Engeland een paar van die huizen hebben bezocht, is dat de Nederlandse paleizen behoorlijk donker zijn ingericht. Sober, bijna Calvinistisch. Zou het dan toch in de volksaard zitten, niet te frivool, niet te uitbundig, wat moeten de buren wel denken. Jammer hoor, volgens mij heeft dat toch ook wel invloed op het humeur van de mensen. Nu zijn Nederlanders ook niet echt frivool te noemen, het een zal het ander wel in stand houden. Ach, uiteindelijk ben ik ook wel heel tevreden met mijn eigen huis. Tenslotte heb ik mijn boeken keurig opgeslagen in een e-reader. En dat laddertje, daar zou ik toch maar vanaf vallen.          

Machteld
0 0

Als(of) de donder roffelt…

Inzending Write Now 2020 “Dit stuk is gewaagd. Zeker vanuit dit perspectief. Toch voelde ik me er niet volledig afgeschrikt door en bij. Dit verhaal zou en zal geschreven worden. Is het niet door mij, dan is het door iemand die uit ervaring geput het zou of zal neerpennen. Nadat zijn of haar littekens verbleekt zijn, maar niet vergeten, zal zij of hij uit de as herrijzen en roepen: dit verhaal moet verteld worden, zodat onze daden en die van anderen niet vergeten zullen worden. Voor eeuwig zijn deze een les, maar er uit leren doen we amper?! Toch geloven wij dat wij kunnen veranderen en (bij) leren. Telkens weer opnieuw, keer op keer, dag op dag. Verandering komt, zal gebeuren en daarom zullen wij ons aanpassen. Zo alleen overleven we en worden we sterker en menselijker, niét machtiger, want dat is geen doel om na te streven. ‘Vreedzamer, gelijker en menselijker, … dat zijn de doelen waar wij naar streven’.” De jongvolwassen (van eender welk land, afkomst, geslacht of geloof) met hun littekens die langzaam verbleken, maar niet verdwijnen - ‘NU is het éindelijk genoeg geweest’, het rolt haast uit mijn mond, deze zin doordrenkt van pijn en vooral: ‘onmacht’. Alsof het al die tijd smekend om aandacht op het puntje van mijn tong lag. Onaangeraakt en ongenaakbaar, toch onbewust sluimerend aanwezig. Ik schrik van de kracht, van de impact die mijn bloedeigen woorden op mij hebben. Ik klem mijn handen rond mijn kop koffie. Mijn knokkels verkleuren. Is het niet van de warmte, dan is het van de spanning die ik nu voel. Het draaft doorheen mijn lichaam als een op hol geslagen kudde paarden. PETS. Kwaad sla ik met mijn hand op de onaangetaste en tevens lege bundel papieren op mijn bureau. Mijn trots is gekrenkt. Iedereen zal én moet het weten en ook voelen – maar vooral ik eigenlijk -. BAM. ‘Alsof de donder roffelt in de verte … Oh moest je eens weten’, ik zucht en kerm, tegelijkertijd. Een seconde daarna kraakt het raam. Een immense stofwolk kringelt voorzichtig naar beneden. Als in een trance kijk ik er naar, alsof het de inkt is die ik nodig heb om mijn bundel lege papieren te vullen met letters. Op zijn beurt zullen die letters zich omvormen tot woorden, zo tot zinnen en zo tot …? ‘JA? TOT WAT EIGENLIJK?’ ik schreeuw het uit. Als ik opkijk, zie ik de opgezette dwergooruil me kil aanstaren vanuit de vitrine. Ik heb dat beest nooit gemogen. Niet dat ik iets tegen dieren heb en al zeker niet tegen vogels. Nee. Het is de door mij niet te begrijpen innerlijke drang van mensen om beesten op te zetten. BAM. ‘OCH, stop er toch mee!’ tier ik, opnieuw, in het niets. ‘Alsof het iets zal uitmaken, Amine, mijn jongen’, zegt de stem, die toebehoort aan mijn grootmoeder, die onopgemerkt mijn studeerkamer is binnen geslopen.  Alsof ze haar kousen tot haar knieën heeft getrokken – wat goed mogelijk is – , haar ouderwetse pantoffels is vergeten en zo mijn kamer nonchalant is binnengewandeld. Zonder te kloppen. Huisregel één? Genegeerd en geschonden! Voordat grootmoeder haar zin kan afmaken, loopt het mis. Ik schrik me een ongeluk, spring recht - of in de omgekeerde volgorde – waardoor mijn grootmoeder nog erger schrikt. Ze laat de plateau met heerlijk ruikende koffie, inclusief zelfgebakken zandkoekjes, vallen … Theatraal kletst de koffie op de grond … BAM. Opnieuw het ijzingwekkend geluid uit de verte, waar iedereen en alleman, van kloeke grootvaders tot de moedigste tieners en de stoutste meisjes, het begeven en van in hun broek doen – ook ik -. Ons huis schudt en beeft. Het raam kraakt, stof valt opnieuw naar beneden, mijn ijle hoop dat er letters door deze gevormd zullen worden gaat in rook – of beter gezegd stof – op. De koekjes rollen van de in scherven gevallen plateau naar de scheve hoek van mijn kamer en komen onder de kast terecht. Daar blijven ze liggen. Alsof het zo hoorde te wezen! Eén ontsnapt zandkoekje blijft rusten in de hoek van de kamer. Daar staart het me met een lachend gezichtje uit kleurstof aan.  Al die tijd gaap ik grootmoeder aan. Ook grootmoeder kijkt me aan, haar hoofddoek is een centimeter scheef gezakt, waardoor haar haar niet langer onbedekt is. Een grijze noch zwarte krul bengelt vanonder de hoofddoek. Haar glimlach die daarvoor nog zo zorgend, lieflijk en goedbedoeld was, is volledig van haar gezicht verdwenen en maakt nu plaats voor een misplaatste en teleurgestelde uitdrukking. Grootmoeder vloekt. Luid, duidelijk én als een rasechte Arabische vrouw. Dat doorbreekt de staarwedstrijd. Ik sla mijn blik neer. Mijn wangen kleuren rood, alsof het mijn schuld is. Deze hachelijke situatie. Alsof ik een jochie van acht ben, en geen jongeman van 20 lentes. Mijn kousen zijn zichtbaar onder mijn zwarte broek. Ik bestudeer ze dan maar, want nog steeds durf ik haar niet aan te kijken. Het zijn mijn favoriete kousen – regenboog kousen -. Volgens velen misplaatst en niet toepasselijk, én al zeker niet draagbaar in onze cultuur. ‘Wat is onze cultuur dan volgens u?’ vraag ik dan telkens wanneer ze het lef hebben om me erover aan te spreken. Op een typische stoutmoedige wijze, alsof ik zojuist mijn stoute schoenen – noem het eerder mijn stoute kousen – heb aangetrokken. Velen kijken me geschokt of verbaasd aan om mijn reactie, té ontmoedigd om daar nog op te antwoorden. Nog anderen vloeken me toe, nog anderen slaan het gebed teken ‘De Salat’ en werpen hun blik naar boven, naar de hemel, naar Allah. Als ze dat doen, maak ik me snel uit de voeten. De toorn van Allah wil ik me nog nét niet op de nek halen. Dat is exact wat mijn grootmoeder nu doét. Bidden tot Allah. Ik  hoor haar prevelen. Mijn oren beginnen te suizen, haast te piepen. Het haar op mijn armen komt recht. Ik beef. ‘Gebruik je manieren, jongeman’, ze draait zich om, maar vervolgt toch haar zin, ‘en raap dat verloren koekje daar onder de kast alsjeblieft op.’ ‘Dank je, moe’, prevel ik opgelucht. De deur valt met een klap dicht en weg is ze. Opnieuw staar ik voor me uit naar de lege stapel papieren, die deskundig uitgespreid liggen over mijn bureau. ‘Zo gaat dit niet meer verder’, besluit ik. Ik wrijf gefrustreerd door mijn warrige haren. ‘Dan maar een luchtje scheppen.’ Geen normaal mens zou zich nu nog op straat wagen, maar ik ben dan ook geen normaal mens. Ik zuchtte. Nogmaals. Wanneer ging er een eind komen aan deze waanzin, waar we nu al negen jaar in leefden? In gedachten verzonken loop ik door de verlaten en verwoeste stad. Er is geen ziel op straat aanwezig, hier en daar een zwerfkat of hond, daar blijft het bij. Iedereen houdt zich klaar voor wat komen zal. Iedereen die besloot te blijven. De rest, die is op de vlucht. Op het voetpad blokkeren gigantische stenen, afkomstig van een ingestort gebouw verderop, mijn route. Behoedzaam neem ik een sluipweg en begeef me in de schaduwen van de huizen. Enkel nog een zware metalen deur verspert me de weg tussen mijn leefwereld en het contact met de buitenwereld. Nadat ik wat kracht uitoefen op de deur komt er beweging in. De weg naar het binnenplein ligt voor me open. Het binnenplein, mijn schuilplek, mijn geheime plek, maar vooral mijn rustplek. Ik scan de omgeving. Ik voel mijn hart kloppen in mijn keel. Verderop zie ik dat één van de muren is ingestort. Aan de voet van de ingestorte muur valt me een schim op. Een dier? Een mens?! Het wezen wordt deels belicht door de laatste stralen avondzon, die gebroken door een glasraam naar binnen vallen. Ik nader, tergend traag en heel erg voorzichtig. ‘N…n…ee…neee’, stamel ik uit en laat me op mijn knieën zakken. Voor mij, beschenen door het laatste avondlicht, ligt een meisje. Een jong meisje, nog een kind. Ze ademt heel moeilijk, rasperig en met horten en stoten.  Als ik haar aankijk, stoot ze een snerpende gil uit. Het geluid gaat door merg en been.  Ik blijf een hele tijd knielend zitten helemaal verdwaasd en als aan de grond genageld. Elke rationele gedachte wordt naar de achtergrond geduwd. Enkel emotie en gevoel overheersen. Haar lot ligt in mijn handen en ik besef het amper. De tijd kruipt voorbij, net zoals de kans om hulp te zoeken. Haar ravenzwarte krulletjes zijn doordrenkt met gruis en stof. Haar hoofd is bebloed. Bloed dat afkomstig is van een lelijke, gapende wonde aan haar rechterslaap. Haar blauwe kleed is helemaal besmeurd. Haar ogen, zo donker als de nacht, zijn gericht naar de helderblauwe hemel, naar het laatste avondlicht. Haar blik heeft iets levendig en leegs tegelijkertijd. Alsof ik het leven langzaam uit haar lichaam zie verdwijnen. In haar rechterhand houdt het meisje een popje geklemd, in haar ander hand een boek. Zaken die ik nu pas opmerk. Het meisje begint te beven en te schokken. Ik weet niet wat te doen en tegelijkertijd kom ik bij mijn positieven. ‘Hulp, HULP’, schreeuw ik.  Wetend dat geen levende ziel mij nu nog horen kan, buiten de wachters misschien. Ik ben te ver van thuis. Afgedwaald door de stad naar mijn rustplek. Eén keer beweegt het meisje nog. Haar blik wordt koud en ze staart ijzig naar boven, naar het laatste restje zonlicht. Moedeloos met mijn handen over mijn knieën geslagen, blijf ik zitten. Mezelf wiegend. Tot rust? Weg van deze situatie? Eén gedachte sluimert er door mijn hoofd, iets wat ik maar niet kan of wil begrijpen. ‘Waarom kwam er niemand?’ Mijn eigen antwoord dringt zich op aan het oppervlak : ‘Mensen zijn bang, heel erg bang, Amine. Angst vernietigt alles. Elke rationele gedachte verbrokkelt bij angst. Een angst om alles en iedereen waar je van houdt kwijt te raken. Het is erger dan de dood. Daarom kwam niemand toegesneld. Het ligt niet aan jou, noch aan hen, noch aan het meisje.’ Een volgende gedachte vormt zich, een hoopvolle: ‘Maar één iets is sterker dan angst, één iets zorgt er voor dat je jouw angsten aankan, dat je moedig wordt en dat is “hoop”.’ Een warme gloed in de vorm van hoop verwarmt me nu. In mijn twintig lentes, heb ik al veel aanzien. In de 9 jaren dat ik in oorlogsgebied woon, hebben veel zaken me gehard. Het zadelde me op met trauma, maar gaf me ook moed. Een innerlijke kracht om nooit op te geven, om altijd te blijven doorzetten. Eenmaal ik die kracht omarm, maakt het niet uit hoe donker mijn pad wordt. Ik sta op en sluit voorzichtig de ogen van het meisje. Het boek en het popje zijn uit haar handen gegleden. Het popje leg ik naast haar. Het boek neem ik vast. Zij, het onbekende meisje, het zoveelste oorlogsslachtoffer? Ik weet niet precies hoe ze aan haar einde is gekomen. Hadden de brokstukken haar geraakt? Waarom was ze alleen? Was ze een wees? Overlevend op straat? Vragen waar ik nooit de antwoorden op zal weten. De onmacht overvalt me opnieuw.  Het is donker geworden rondom mij. Dat lijkt me tot rust te manen. Nog één keer kijk ik naar het meisje, met tranen in de ogen. Waarom raakt dit me zo hard?! Ik draai me om, de tranen verbijtend. Als in een trance geraak ik thuis. Grootmoeder zit comfortabel in de opgelapte zetel, een boek te lezen. Ze negeert het feit dat ik langs de voordeur binnenkom. Wat ik normaal gezien nooit doe. Ik vermoed dat ze al lang af weet van mijn avondlijke sluiptochten door onze verwoeste stad. Toch zegt grootmoeder er nooit iets op. Nu ook niet. Dankbaar wandel ik naar mijn slaapkamer. Het boek van het onbekende slachtoffer heb ik nog steeds in mijn handen geklemd. Eenmaal op mijn kamer sla ik het open. Tranen vullen zich opnieuw in mijn ogen. ‘H..h..h...et is een dagboek’, stoot ik uit. Kriebelige hanenpoten staan neergepend op vuile en stoffige bladeren. Toch versta ik elk woord dat ze geschreven heeft. ‘Oh, wat was jij slim’, tranen wellen opnieuw op. Een hele avond lees ik in haar dagboek. BAM. Opnieuw dat ijzingwekkend geluid. Altijd vrezend of hopend dat het de laatste keer is dat je het zal horen. Ik leg haar boekje langs de kant, neem mijn pen in de hand en begin te schrijven. Waar het me nog geen enkele uren geleden aan alle inspiratie ontbrak, stroom ik er nu van over. Een hele nacht schrijf ik. Ochtendzon kietelt mijn oogleden. Vermoeid rek ik me uit. Alles komt als in een waas terug. Ik rep me naar buiten, negeer alles dat ik tegenkom. Het enige dat me bezighoudt is de teksten veilig en wel bij hun doel bezorgen. Zodat dit meisje niet voor niets gestorven is. Als zovelen gestorven door een toedoen groter dan ieder van ons begrijpen kan, een machtsspel dat zij nog amper bevatten kon. Veilig overhandig ik mijn teksten en zeg luid en duidelijk: ‘zij moét de laatste zijn.’  

Zonsondergangdromen
44 0

Toontje lager

‘Sorry, sorry! Mijn bus was te laat. Het is zaterdag vandaag, hè! Dan zijn de uren anders. Nog eens sorry dat ik te laat ben!’, roep ik door de half openstaande toegangsdeur van de concertzaal. Op het podium zingt een twintigkoppig koor een gregoriaans muziekstuk. De twee verchroomde afzetpalen met daartussen een donkerrood fluwelen toegangskoord beletten me om de zaal binnen te gaan. De zaalstoelen zijn dichtgeklapt, geen publiek. De dirigente op het podium laat haar dirigeerstok zakken. Ze draagt haar kapsel in een strakke french twist. Haar zwarte kokerrok past perfect bij de elegante beige blouse. Haar lange oorbellen fonkelen in het spotlicht van de bühne. Het koor stopt met zingen. Ze draait zich om en kijkt me scherp aan. Eenentwintig blikken kogelen me bijna neer. ‘U bent te laat!’, zegt ze op een luide strenge toon, vanop het verre podium. Amai! Wat een stem! ‘U bent te laat, mevrouwtje!’, maant ze me overtuigd aan. Hoewel ze meters van me af staat, voel ik me niet op mijn gemak. Zou ik nog iets durven antwoorden? Of is er geen vraag? Ik zwijg wijselijk en sta vastgenageld aan de grond voor het toegangskoord. ‘Aangezien u zelf niet vertrekt! Laat dan maar horen wat u kan!’, daagt ze me uit. Ze lacht hautain en kruist haar armen. Enkele koorleden gniffelen als support. Super! Hiervoor ben ik gekomen! Ik doe me schoudertas af en zet ze tegen een verchroomde afzetpaal. Ik adem in en zing uit volle borst: ‘BAMMM BOOOO LEI JAAAAAA BAM BOOO LEI JOOO!!’ De dirigente slaat met haar stok op de pupiter: ‘Genoeg! Genoeg! Afgekeurd! Denkt u dat dit hier voor te lachen is?! U kan gaan! We zijn een uitmuntend koor, dankzij discipline en professionaliteit. En daar hoort U NIET bij!’ Ze draait zich met haar rug naar me toe, richt haar blik op de koorleden en zwiept een maatsoort in de lucht, waarop de alten hun zangstonde terug inzetten. Waarom mag ik er niet bij? Stom koor! Ik grijp mijn schoudertas, wandel beteuterd het concertgebouw uit en slenter verzonken in gedachten de namiddagzon in, op het beklinkerde concertplein, wanneer er melancholische muziek me tegemoet komen. In het midden van het plein speelt een straatmuziekkant op een peervorming houten instrument. Hij slaat de twaalf snaren aan en zingt weemoedig een levenslied.  De fadoklanken werken op mijn gemoed. Ik wandel droevig tot bij hem. Zijn olijfkleurig overhemd hangt half open. Hij speelt een hoogtepunt op zijn viola de fado. In de openstaande instrumentenkoffer liggen koper- en zilverkleurige munstukken, biljetten en zelfgemaakte cd’s. Wauw! Da’s klasse! Hij heeft zelfs een eigen cd. Ik gooi een biljet in de koffer en koop er eentje met fadoklassiekers. Hij stopt met spelen: ‘Bedankt! Come estàs? Je kijkt zo triste? Is het mijn muziek? Of is het leven, de reden?’ ‘Goh, ja! Ik heb net auditie gedaan. Daar! Binnen! Bij het zangkoor van het concertgebouw. Ik mag niet meezingen. Ik ben afgekeurd’, mopper ik: ‘Ik mag dus niet mee doen, zeg!’ ‘Ai ai ai, dat is niet simpàtico! Maar dat is ook geen probleem! Dan zingen wij toch samen! Ons levenslied…’ Mijn humeur fleurt op: ‘Ja? Echt? En kan jij Gypsy Kings op je fadogitaar?’ ‘Ja, zeker en vast! Die liedjes beginnen met een si mol…’ en hij slaat een snaar aan: ‘La la! Si mol,  si mol! Laaa! Si mol , si mol… Klaar? 3… 2… 1…’ ‘BAMM BOOO LEEII JAA !!! BAM BOOO LEII JOOO!!’ , zingen we samen uit volle borst: ‘Porque mi vida yo la prefiero vivir así’ Hij stampt met zijn olijfkleurige instapper op de grond en ik zing: ‘Bem, bem bem bem, bem bem bem!’  Twee toeristen, een man en een vrouw komen erbij staan. Elk gekleed in dezelfde sportkledij met bijpassend Nordic Walkingstokken. ‘Amai goed goed! Dat is tenminste nog eens muziek! Dat is nog eens sfeer! Allez, Leo geeft eens 5 euro aan die muziekkanten hier. Goed!’ De vrouw klapt enthousiast mee. De man zoekt naar geld in zijn portemonnee.  Een gepensioneerde bebaarde man met een beige schoudertas komt aangezoefd op zijn elektrisch step. Hij grabbelt een hoopje muntstukken uit zijn broekzak en gooit ze samen met een kleurrijk briefje in de openstaande instrumentenkoffer.  Op de vrolijke flyer staat: ‘Lokale talenten gezocht voor wekelijks optreden in de tuin van de plaatselijke bibliotheek!’ Hij knipoogt, steekt zijn duim omhoog en zoeft weer weg. Yes! Onze carrière is gestart. We worden beroemd!

Evelien Meulders
39 0

Burenliefde

Het is een late avond in mei. De voetgangersstraat achter ons huis staat vol stoelen en tafels die de buren daar vanuit hun achtertuintjes naartoe hebben gesleept. Een skyline aan glazen en flessen siert het samengestelde tafelblad, tussen de borden en het bestek staan kommen vol oubollige rotzooi zoals borrelnootjes en chips. De kinderen trekken samen met de honden in een grote bende door de wijk, passeren af en toe de tafels om rotzooi bij te tanken. Nuria heeft pizza gebakken, Jesús heeft (zoals zijn naamgenoot lang geleden) visjes geroosterd wier aantallen tijdens het barbecueën op wonderlijke wijze toegenomen lijken. Maar wie bovenal aanspraak maakt op een vergelijking met Onze Lieve Heer is mijn man Alfonso, hij die water in bier kan veranderen en met zijn blauwe ogen iedereen tot zich laat komen.  Veel grond voor bijbelse referenties blijft er echter niet over wanneer de avond overgaat in de nacht en in het licht van de straatlantaarns de diepte van ware burenliefde niet meer te peilen valt. Dan gaat de hand van Alfonso al eens speels over het scrotum van Jesús, of andersom. Tomás, die net in de buurt is komen wonen, lijkt even van zijn melk.  “Oh, dat is allemaal nog niets,” lacht Jesús –wat niet helpt. Maar dan worden de gitaren bovengehaald, en voor Tomás het goed en wel beseft, is hij het middelpunt van de feestvreugde. Hij zingt Spaanse ballades met veel te veel coupletten, en iedereen wiegt mee op zijn muziek. Hij brengt een steengoede imitatie van Joaquín Sabina, het idool van mijn man, en vanuit mijn ooghoeken zie ik Alfonso´s mooie ogen vochtig worden van ontroering. Zodra Tomás de gitaar laat zakken, staat mijn man klaar aan zijn zijde en kust hem vol op de mond.  “Ik zag dat hij het nodig had,” zou mijn man me de volgende dag zeggen. “Die kus. En beetje burenliefde.” En ik weet dat hij gelijk heeft, ik zag het gebeuren. Wie gekust wordt door de man met de blauwe ogen, kan zich onmogelijk nog een buitenstaander voelen. Dat is het wonder wat hier keer op keer geschiedt.

Kathleen Verbiest
57 0

Het balkon

Lea staat op haar balkon. Ze kijkt uit over een kleine jachthaven. Toen ze klein was, was deze buurt de arbeiderscôté met zware industrie. Vandaag is het werkvolk ingeruild voor jonge hipsters met wijde broeken, duurzame drinkbekers en veganistische sandalen. De oude industriële silo’s zijn met de grond gelijkgemaakt en de sites worden voor grof geld opgekocht door projectontwikkelaars. Eén enkel vervallen pand staat nog overeind en is ingepalmd door wat Lea creatievelingen noemt. Soms ziet ze hen in een kring tegen elkaar staan roepen alsof het gekken zijn, soms staan ze te dansen enkel en alleen op het geluid van voorbijrijdende auto’s. Wanneer ze klaar zijn, applaudisseren ze voor elkaar of erger nog, gaan ze knuffelen. En soms staan ze van aan de overkant van de jachthaven zonder gêne haar appartement binnen te staren. En maar noteren met hun dure pennen op hun glad papier. Wat zouden ze schrijven over haar, wanneer ze haar zo zien staan op haar balkon, vanuit de hoogte neerkijkend op het water? Ze zien waarschijnlijk alleen de smetteloze gevel van haar uitstekend gelegen nieuwbouwappartement. Misschien denken ze wel: die vrouw heeft geluk om hier te kunnen wonen, te midden van zoveel artistieke mogelijkheden. Elke dag kan ze de sfeer opsnuiven van nieuwe creatieve uitdagingen. Voorlopig snuift Lea enkel de allesoverheersende, indringende geur van de nabij gelegen brouwerij op. Het verkeer raast maar door en gunt haar geen rust. Bovenop het vervallen kunstengebouw hangt een beeld van een astronaut, klaar om naar beneden te donderen. Hij blikkert in de zon en verblindt haar. Wie zou eerder vallen, hij of zij?

Harlinde Bormans
62 0

Bedevaart

Binnen twee weken vertrekken mijn broer en ik samen met de andere misdienaars van de kerk in ons dorp op reis naar Italië. De begeleiding noemt het een bedevaart maar wij willen ons gewoon amuseren. Samen met mijn vader zit ik te wachten in het bankkantoor van ons dorp. Er zijn nog twee nummertjes voor ons. Wanneer het onze beurt is, bestelt mijn vader Italiaanse lira voor mijn broer en mij. De bediende zucht wanneer hij hoort dat we over twee weken vertrekken. “Ja maar, meneer, dat moet besteld worden bij de bank in Brussel en dan moet er nog een transport naar hier zijn. U komt in het vervolg beter een beetje vroeger voor zo’n speciale kwestie. Ik ga moeten bellen om te kijken of dat nog lukt.” Hij verdwijnt naar een kamertje achterin en komt na een paar minuten terug. “Brussel zegt dat het niet kan. Twee weken is te kort dag.” Mijn vader krijgt het op zijn zenuwen. Nog voor hij iets kan zeggen stelt de bankbediende voor dat we het Italiaans geld zelf in Brussel gaan ophalen. Hij zal het morgen bestellen – vandaag lukt niet meer, het is al kwart voor vier – en dan kunnen we het volgende week hebben. Of mijn vader de Centrale Bank weet zijn. Nee, natuurlijk niet, wij komen nooit in Brussel. De bediende schrijft het adres op een briefje. Eens we thuis zijn vraagt mijn vader aan mijn moeder om de weg op te zoeken. Na vijftien minuten is de pc opgestart en na nog eens vijf minuten is de internetverbinding in orde. Mijn moeder wordt hier zenuwachtig van want nu is onze telefoon bezet en kan er niemand ons bereiken. Surfen kost naar het schijnt ook handenvol geld. Na lang zoeken kan ze eindelijk een routebeschrijving afdrukken. Mijn vader en ik hoeven volgende week enkel de vier bladzijden met instructies nauwgezet te volgen en hopen dat we geen omleiding tegenkomen. Zoals elke keer vergeten we de route om weer thuis te raken af te drukken.

Harlinde Bormans
51 0

De lezer van golven

De zee neemt   Zacht verbrokkelt de wereld Stuk voor stuk glijdt de stad weg Zandige korrels brokkelen in zee Spoelen bijna onmerkbaar   Elke groef, elk scheepsromp Krast zeewaarts Elke gevallen boom Verwondt het land   Kleiner, nietiger, slinkend Meeuwen schreeuwen honend Terwijl zee inneemt Wat nooit echt van mensen was   Dialoog setting vissers op het strand Warre “Mijn boot lag hier” (streept met stok in het natte zand) “Hier, gisteren nog. De zee komt dichterbij en kijk, die schuine golven… Hier gaat iets gebeuren.” Jozef  “Och man, nu eens tot hier. Morgen weer tot ginder. Je boot is weg maar die vinden we wel terug. Niets aan de hand. Hier zal niets gebeuren.”   Dialoog setting drukke markt Westende Troubadour “Gisteren nog was ik Oostende. Gisteren nog. Kom dat horen mijn verhaal…”     “Een storm, ’t was wreed. Boten losgeslagen. Huizen in puin. De oogst vernield. Warre, jullie weten wel, de oude visser: over boord geslagen. Niet teruggevonden. Ze spreken ervan om  Oostende te verplaatsen” Koopman “Weggespoeld… Over boord geslagen…vreselijk.” Huisvrouw “Het zal alleen mar erger worden! We worden nog allemaal haaienvoer.” Oude visser “De zee… de zee, altijd onbetrouwbaar. Ik kan het weten… jaren ervaring” Notabele “Een storm, ja. Dat is van alle tijden. Maar erger. Ach mensen, komt wel goed. Testerep is sterk. Oostende jong. Verplaatsen? Waar is dat goed voor?”       Vechten heeft geen zin   Aanrollende, schuimende, verzwelgende Donkere diepte Slokt alles op   Beschaving glijdt weg Dieper in ziltig zand Weg hier. Veiliger oorden   Stadsteen op zeebodem Omspoeld wachtend Eeuwenlang eenzaam donker   Toekomst loopt verder Namen zijn geheugen Tot verstilde wereld hervonden wordt     Dialoog. Setting oude boer en kleinzoon op vaste land (uitkijkend over zee) Boer “Daar, daar ploegde ik…”                                                                                                      “Ik herinner mij de troubadour op de markt. Hij bracht het verhaal van de eerste grote storm.” Kleinzoon “Vertel nog eens van de oude visser?” Boer “Warre. Hij wist het. Hij voelde het. Lang voor het gebeurde. Hij raakte zijn boot kwijt, zomaar op het strand. En hij kon de golven echt lezen. Niet vergeten. Nooit vergeten. Testerep was, maar Oostende blijft; groot.” Kleinzoon “Warre, lezer van golven! Ik zal het ook mijn kleinkinderen vertellen…”   Ainat – 01 augustus 2022 – in het kader van Vloedschrijvers voor de verzonken ballades van Testerep – Oostende.      

Ainat
18 0

Verzonken (over Testerep)

Oostende lag vroeger ergens anders, dieper in zee. Ik leefde daar. Het was een eiland, geen echt eiland, maar een geul, begroeid met planten die zout verdragen. Planten met dikke, sappige bladeren en stengels, bedekt met kleine haartjes of schubjes. Ze hadden een waterreservoir. Ze konden zich zat drinken aan zeewater. Ik heb altijd veel van zout gehouden. Tijdens mijn wandelingen in de heel vroege ochtend, wanneer mijn man en kinderen nog lagen te slapen, likte ik aan de zilvergrijze schubjes. De haartjes op de blaadjes streelde ik voorzichtig met mijn vingertoppen. Wanneer ik terugdenk aan die tijd voel ik het eiland nog in mij, als een fantoompijn. Ik heb het voelen aankomen. Het verdwijnen. Toen ze de bomen begonnen kappen. Toen ze turf uitstaken, om te verbranden en om zout te winnen. Want iedereen houdt van zout. Toen het land steeds vaker begon te overstromen. Ik voelde het aankomen en ik heb niets gedaan. Niet dat ik mijn ogen ervoor heb gesloten. Ik zag het en dacht dat ik niets kon doen. Pas toen het te laat was ben ik gaan twijfelen. Ik was gewoon een moeder, een vrouw, een nettenbreister. Breien heb ik altijd gedaan. Net als mijn overgrootmoeder, mijn grootmoeder, mijn moeder en haar zussen. Zo ver als ik kan teruggaan in de tijd, werd er in mijn familie gebreid. Eenvoud, kuisheid en verstandSierden t’allen tijd de vrouwenDie ons eiland gaf te aanschouwen Dat werd bij ons gezongen. En ik leefde daarnaar. Misschien heb ik mezelf onderschat? Had ik meer op mijn gevoel moeten vertrouwen? Ik denk dat wij onszelf evenzeer over- als onderschatten. Alles verandert. Alles is kwetsbaar. We kunnen niet anders dan dat aanvaarden. Maar we hoeven geen schapen te zijn. We vermogen meer dan we denken. Als we maar goed luisteren, kijken, voelen.  Het breien van een visnet is niet zo moeilijk. Ik zou het je kunnen leren, als het je interesseert. Je hebt er een naald voor nodig, het liefst uit iepenhout. Een naald met een lipje of een tongetje, waarrond je het breigaren legt. De naald moet zowel buigzaam als taai zijn. Net als wij, om het te halen. Ook een maatstok heb je nodig om de grootte van de mazen te bepalen. De mazen zijn de gaten. Die zijn even belangrijk als de draden. Ik ben graag met mijn handen bezig. Het brengt mijn hoofd tot rust, sust mijn gedachten. Soms kan het hier vanbinnen blijven malen. Het breien deed ik steeds in groep, het was een sociaal gebeuren. We praatten en lachten, sommigen rookten, we verdeelden het werk. De netten verbonden ons. Mannen, vrouwen en kinderen. Bijna iedereen deed mee. We gebruikten natuurvezels en kookten ze in een mengeling van water en boomschors, om ze tegen schimmels te beschermen. Zo eenvoudig kan beschermen zijn. Je moet wel weten wat een driebeen en een kantschool is. Een driebeen is een knoopje waaruit drie touwtjes vertrekken. Een kantschool is een knoopje waaruit twee touwtjes vertrekken. Ik zal het je tonen. Soms boetten we ook de netten. Boeten is herstellen. Zoals in ‘boete doen’. We herstelden onze fouten, de schade die we veroorzaakt hadden. We vermaakten de mazen. Ook dat kan ik je leren, als het je interesseert. Op een dag verwoestte de zee ons met haar vloedgolf. We zagen het aankomen en toch was het onverwacht. Hadden we het kunnen voorkomen? Hadden we meer moeten doen, of juist minder? Op de zee kan ik in elk geval niet boos zijn. Want ze omringde ons, verbond ons. Net als de netten. Wij gaven ons eiland, onze geul begroeid met zoute planten terug af aan de zee. En verplaatsten onze stad Oostende naar een beetje verderop. Lang na de grote overspoeling bleef een topje van ons land in zicht. Als een herinnering, een waarschuwing.  Tot het helemaal verzonk. Wegebde uit de hoofden, uit de verhalen die in de nieuwe opgeschoven stad verteld werden. Wanneer de naam Testerep nog eens, heel zeldzaam, viel, dacht men dat het een sprookje was geweest. En dat was in zekere zin ook zo. Maar ik heb daar wel echt geleefd.

Tanja Wentzel
99 0

De meeste mensen aan de tramhalte deugen (over een wildvreemde die me spontaan hielp mijn nek in te smeren)

De meeste mensen deugen is een populair boek van Rutger Bregman dat ik als enige Vlaming niet heb gelezen. Niet alleen omdat ik weinig non-fictie lees, maar vooral omdat de stelling in de titel weinig overtuigt, misantroop die ik ben. Al wil ik dat toch even kaderen: ik geloof wel dat mensen deugen, maar volgens mij vergt het een hyperactieve enthousiaste dorser om die deugdelijkheden daadwerkelijk uit de krochten van het hoofd van zijn medemens te trekken, waar ze bedolven liggen onder bergen wereldpijn en dagelijkse miserie. Dit terzijde. Vandaag wil ik hier een bedenking aan toevoegen: wellicht helpt miserie sommige mensen net om hun houding tegenover het leven in positieve zin te veranderen. Terwijl ik gans alleen op tram 10 sta te wachten, bedek ik mezelf met een laag zonnecrème, afkomstig van een door mijn vrouw gekochte en plechtig aan mij overhandigde minifles in meeneemformaat, opdat ik niet door huidkanker zou geveld worden. Na mijn ledematen en gezicht dien ik mijn nek in te smeren, de plekken die de zon steeds te slim af is. In de reflectie van het glas van de abri te zien doe ik dat niet eens op een klungelige wijze. Dan komt er een dame aan die qua leeftijd mijn moeder zou kunnen zijn. Ze zit in een fris groen kleedje met de zomer in haar gezicht. Zij is echter van mening dat ik toch wat hulp kan gebruiken. Ik doe mijn oortjes uit om me te vergewissen van haar niets aan het toeval overlatende mimiek: ze stuurde erop aan om mijn nek in te smeren. In een splitseconde moet je je beslissing dan maken. Je weet dat er een conventie bestaat, zij het met vage contouren, over de tijd die je neemt om op een voorstel van een vreemde bevestigend dan wel ontkennend te reageren. In die seconde treedt mijn innerlijke weegschaal in werking, die overigens bijna volledig in zijn sas is (op 28 september om precies te zijn). Ik overweeg een aantal zaken: is deze persoon te vertrouwen? En zo niet: wat kan zij dan doen? Needle spiking? Koestert deze vrouw een bepaalde fetisj? Heeft zij apenpokken? In hoeverre is het normaal dat een wildvreemde vraagt om me te helpen bij deze toch wel redelijk intieme handeling? En in hoeverre is het normaal dat ik ja zou zeggen? Ik bedank haar uitbundig en kan die hartelijkheid nog steeds niet volledig grijpen. Ze zegt dat insmeren belangrijk is, met al die kankers de dag van vandaag. Ik bevestig deze voor de hand liggende observatie, nog steeds in de waan dat dit de alledaagsheid der dingen niet overstijgt. Ik bied haar een zitplaats aan door mijn rugzak van de bank te halen. Dan laat ze iets vallen over de borstkanker waarmee ze te maken kreeg. Even weet ik niet goed wat zeggen en dat even duurt langer dan ik wens. ‘Hoe gaat het nu met u?’ vraag ik dan maar. Ze blijkt al genezen te zijn. Ze heeft twee jaar een verbeten strijd uitgevochten en gewonnen. ‘Hopelijk komt het niet terug, maar ik ben er nog hé!’ Ik hoop met haar mee. De gedachte dat ze me wilde behoeden voor huidkanker door me in te smeren vertedert me nu. ‘Je moet van elke dag genieten, dat zeg ik ook altijd tegen mijn dochter.’ Een zachtheid omklemt me. Terwijl ze opstapt roept ze me toe dat ik nog van mijn dag moet genieten. Ik geniet al, dankzij de deugdelijkheid van deze vrouw.

Lennart Vanstaen
19 2

Vergeet-me-nietje uit Testerep

Ik ben hier ooit geweest maar ik weet niet of ik er nog écht ben. Soms kan je me zien. 's Avonds, in de schemering. Of 's ochtends, bij het ochtendgloren wanneer je, bijvoorbeeld, occasioneel, vanop de dijk van Oostende naar het westen kijkt - noordwesten eigenlijk - En je tussen de glinsteringen op het water, reflecties van de paarsroze zon, en harmonieus begeleid door een koor van wulpen, woudapen en zilvermeeuwen, de contouren van mijn verzonken aanwezigheid ziet verschijnen. Ik ben er nog, ook al ben ik er niet meer. Ik trok een streep door het landschap en onder het geheugen van de Oostendenaar. Ze zullen me niet vergeten. Toch?   Ooit was ik een oase Een baken van schorren en duinen  in een woestijn van water. Een buffer tussen jou op het land en de Grote Noordzee met tussen jou en mij niet meer dan een ondiepe, natte snee Ik torste de branding. Ik slikte het zout. Ik huisde leven, heel veel leven. Herders lieten hun schapen me begrazen maar de mensen zelf kwamen niet mee. Mijn land was te woest, de zee te wild om ook voor hen een veilige haven te zijn.   Tot de graven ons graf kwamen graven.   Margareta had beschikt. Ik zou kapituleren, zij kapitaliseren. Mijn duinen werden afgevlakt. De geul drooggelegd, De polders ingemetst. Ik had geen weerwoord. Niet tegen de mens, niet tegen de mijn, niet tegen de stad. Niet tegen het water. En het water sprak, woest. Een paar natte kletsen en toen een orkaan. Zo ben ik komen te gaan. Het is te zeggen, ik ben gebleven. Ik ben er nog.   Geen mens die me nog wil. Geen slikken of schorren meer. Geen rots in de branding. Mijn fiere zang, mijn pracht en praal verwerden tot een ijl stemmetje en een ordinaire zandbak.   Maar ik ben er dus nog, ergens ten noordwesten van de dijk van Oostende. Ik voel nog elke dag het water klotsen Proef het zilte van de zee. Eb en vloed blijven me bespelen. Schepen varen om me heen.  Ik heb nog een verhaal te vertellen.   Mijn ijle stemmetje luidt de echo's van een ver verleden. Een jaar of zestienhonderd geleden toen alles nog beter was. Of toch voor mij. Toen ik nog mijn waarden kon leven. Het land beschermde met de macht van een stoere zeebonk en de gratie van een vorstin. Want het is waar: In mijn schoot ontstond de koningin der badsteden. Mijn mijnen voedden het volk. Ik wist waarvoor ik bestond. Wie ben ik nog, nu jij me hebt verlaten? Mens Je hebt me bezocht, beroofd, bebouwd. Verbouwd en ontkracht. Ontmanteld teruggegeven aan de zee. En alle mooie gebouwen van het eerste Oostende nam ik met me mee. Maar ik ben er nog. Begraven onder het water. Bepist door de hond. 's Avonds, wanneer het donker wordt kan je mijn stem nog horen. Zodra de stilte is neergedaald over de appartementen op de dijk. Dan fluister ik je toe: Mens, ik heb je altijd liefgehad. En nu nog steeds. Maar luister en herinner mijn verhaal. Voor je het weet wordt het pas écht herrie in de keet.  

MarijkeD
26 2

De documentaire

Het is niets voor mij, maar toch, op zo’n momenten moet je er staan. Het beantwoorden van de vragen ging vlot. De aanzet was aangrijpend, bij het op het podium komen van haar werd het stil. Ze huilde. Ik nam haar vast bij de schouders en troostte haar. Jezelf terugzien in moeilijke situaties op groot scherm is erg confronterend, ook al deed ze er - voor het publiek - graag een schepje bovenop.  Mijn documentaire over asiel werd vertoond in het cultuurcentrum van mijn thuisstad. Een belangrijk moment omdat eindelijk familie en vrienden konden zien wat me die afgelopen jaren bezig had gehouden. Magda, hoofdpersonage van de film, was aanwezig. Na de film beantwoordden we samen de vragen van het publiek. Daarbij zaten mijn kinderen, Blauw mijn partner en haar ouders. Mijn moeder. Mijn vader niet. Leda, mijn jongste, maakte indruk. Vijf jaar en vragen stellen en plein public waar iedereen aan dacht maar niet durfde: “Waarom sloeg de mama haar kindje?” Een moment waarna je de muizen kon horen lopen. Magda legde uit hoe de omstandigheden en haar opvoeding in Albanië zulke dingen nu eenmaal met zich meebrachten. Dat ze het zo niet meer zou doen, maar ze wuifde het ook niet weg. Zij had zulk een opvoeding meegemaakt en het ging toch goed met haar: ‘je ne fume pas, je ne prends pas d'alcool ou de drogues, je respect les gens...’ Midden in het gewoel van een uitvoerig met hapjes en drank gevulde receptie, kreeg ik eindelijk het gevoel dat het verhaal geslaagd was: het had indruk gemaakt en was visueel stijlvol, zei men. Dat ik het kracht had kunnen bijzetten door het nawoord met Magda te verzorgen was een mooie bonus. En net als haar, kon ook ik me nu eindelijk tonen. Ik dronk nog eens goed door van de gratis aangeboden cava en voelde me heel even bijzonder sterk. Ja, zo mag het zijn. Op dat moment klampte mijn moeder me vast: ‘We moeten spreken, uw vader is erg ongelukkig, al een tijdje in depressie, dat weet ge, en dat heeft met u te maken, omdat gij uw naam hebt veranderd, dat is heel respectloos.’‘Maar ik heb mijn naam niet veranderd, ik heb gewoon de S toegevoegd tussen mijn voornaam en achternaam?!’‘Neen, ge zei dat ge uw naam ging veranderen tegen de psycholoog, weet ge nog, en in uw mails staan ook uw beide namen en het ergste van al, ge hebt uw kinderen daarbij betrokken.’ Ik viel, ik brak, ik kotste. ‘Euh… ik wilde er geen taboe van maken. De kinderen moeten ook het verleden kennen. En zij kiezen zelf. Zij gaan hun achternaam niet veranderen. Ze zijn zo geboren. En ik wilde het toelaten, dat stukje van mezelf.’ Maar dat drong niet door. Ze trok me weg uit de massa die passeerde en fluisterde. ‘We moeten afspreken, ik wil dat ge met hem praat. En dat is niet alles…’ ‘Neen mama, nu niet…waarom nu?!’ Ze zei vervolgens nog wat dingen die ik snel wilde vergeten. Waarna ik me losrukte en verder ging met een brede glimlach, wat met de mensen keuvelde over de film en de thematiek van de vluchteling in België. Binnenin schreeuwde ik, zoals alleen ik dat kan, met een strakke glimlach terwijl de wereld instort. Tegen dat de drukte geluwd was vroeg ik mijn moeder om dit verder uit te klaren. Ze vertelde hoe dat het hem gekwetst had en dat hij er nu nog mee zat. ‘Maar dat was drie jaar geleden, toen ik zelf in volle identiteitscrisis zat! Waarom kom je er nu pas mee af?’ Stilte. Ik voelde wel dat er een zekere afstand was gegroeid tussen ons, maar er werd nooit over gepraat.  Alles werd zoals steeds in een minzame wurggreep verzwegen, zo ging dat, totdat het zich keihard manifesteerde. ‘Waarom begin je er nu over? Nu op deze avond?!’‘Ik moest wel, 't is bijna kerstmis… en het duurt al zo lang.’‘Had me dan gewoon gebeld en ik was afgekomen en dan zou ik het wel uitleggen, waarom en hoe het toen in mijn hoofd zat, in zoverre ik het zelf al zou kunnen vatten.’ Ze kon nu eenmaal niet anders. Ik zei haar dat ik de volgende dag, als ik Magda aan het station had afgezet, wel langs zou komen. Rond middernacht was iedereen weg en ik thuis. Blauw omarmde me en troostte me zo goed als ze kon. Zoals gewoonlijk viel zij snel in slaap. Ik niet. Het zette me weer aan het twijfelen, over mezelf, over wie ik ben, over Bart V, de geadopteerde of Bart S de genegeerde of... In alle vertwijfeling stond ik op en haalde in mijn e-mailhandtekening, op de website en zo goed als kon online, overal, de S weg.  En toch, en toch. ‘Je oorsprong ligt in de S, je levensweg in je V.' Zei Blauw me nog.‘Mijn eigen weg ligt in Bart, in diegene die ik nu ben.’‘Ja, en als je voelt dat die S daarin thuishoort dan is dat oké.’  Ik glimlachte even. Ja, het kan ook de S zijn van Sexy en Superpappa en…  Later sprak ik met mijn moeder en mijn vader, waarvan ik de achternaam geadopteerd had gekregen. Ik probeerde alles te kaderen en de gemoedstoestand weer tot een normaal niveau te brengen. Een ander verhaal. En die S? De S verdween op zolder in een oud fotoalbum met hem, mijn natuurlijke vader er niet bij in. En een rapport van het eerste studiejaar met mijn echte achternaam. Weg, onder het stof in een plastic bak.  Sinds die avond heb ik niets meer gefilmd dat echt van mij was.     Bart (S.) Vermeer

Bart Vermeer
73 1