Lezen

Kerkklokken

Ik woon in een dorp, ik heb het al eens eerder verteld. En dan bedoel ik ook echt in een dorp, met dorpse waarden en tradities. We hebben een supermarkt, zelfs twee, maar verder moet je niet veel eisen stellen. Ik vind het heerlijk. Als ik drukte wil, ga ik naar een stad en als ik rust wil, ga ik naar huis. Natuurlijk zijn er ook nadelen, dat weet je van tevoren. Als je dat niet wilt, moet je niet in een dorp gaan wonen. Er wordt meer gelet op wat iedereen doet en, zoals overal, hebben mensen daar ook een mening over. Toch is het dorp niet helemaal ouderwets. We hebben zelfs een buurt-app. Ik plaats nooit een bericht maar het is wel handig om op de hoogte te blijven. En om je soms te verbazen over zaken waar mensen zich druk over kunnen maken. Ik lees graag mee. Zo ook pas geleden. Van oudsher zijn er in mijn dorp drie kernen, met uiteraard in iedere kern een kerk. Ik woon vlak bij die kerk. En die kerk heeft een welluidende klok die om het half uur slaat. En de kerkgangers verwittigt als er een dienst aanstaande is. Op zondag om tien voor half tien en bij belangrijke gebeurtenissen soms al wel een kwartier vooraf. Meestal hoor ik het niet eens meer. Je raakt eraan gewend. Maar de nieuwe bewoner van het voormalige domineeshuis had er toch wat meer moeite mee. En plaatste een bericht in de buurt-app. Hij vroeg of er meer mensen last hadden van de klok. Zijn nachtrust met name werd er ernstig door verstoord. En als hij voldoende medestanders had, kon hij wellicht een verzoek indienen om het slaan van de kerkklok te laten stoppen. Ik moest al lachen toen ik het bericht las. Oeps, dat ging reacties opleveren. En ja hoor, de hele buurt viel over hem heen. Iemand vertelde hem fijntjes dat hij daar eerder over na had moeten denken. Je moet ook niet naast een luchthaven gaan wonen als je geen vliegtuigen wilde horen. Het werd een hele discussie. Zelfs de minaretten van een moskee werden erbij gehaald. Arme man, ik denk dat hij al lang spijt had van zijn actie. De enige medestander die hij had, verwijderde snel zijn bericht toen hij zag wat de buurtgenoten er van vonden. De algemene conclusie was dat het een van de charmes van het dorp waren en dat hij niet moest zeuren. Ik ken de man in kwestie niet, maar ik denk niet dat hij vrienden heeft gemaakt. Het zal me niet verbazen als het huis binnenkort weer op de markt komt. 

Machteld
10 1

Brooddronken hoofdstuk 19

19   Het postkantoor Kortrijk 1, 1ste afdeling maakt zich op om de werkdag, althans van de postmannen-uitreikers, te beëindigen. De namiddagploeg is aangekomen om te sorteren. Dat is alles wat zij doen ’s namiddags. Sorteren en af en toe wat post versturen die in de namiddag toekomt. De meeste uitreikers zijn binnen. Reginald zit voorovergebogen over een pint aan zijn werkpost zijn rekening te maken. Hij draait zijn rekeningblaadje wel drie keer om en krabbelt telkenmale iets in een vakje. De liftdeur gaat open en even later ook de deur van de postmannenzaal. Zoals veel dingen in het postgebouw is het aan vervanging of toch minstens herstel toe en wie dag in, dag uit daar zou werken, zou horendol worden van het gekraak en gepiep van scharnieren die smeken om wat olie. Chef Rik gaat naar de werkpost van Reginald. ‘Uw vrouw heeft gebeld,’ laat hij Reginald weten. ‘Ah, ligt ze dood?’ Daar kan chef Rik niet mee lachen. Hij is zelf een weduwnaar. ‘…’ ‘Ja, dat kan moeilijk, anders… ging ze niet gebeld hebben. Wat moet ze-ze… nu weer hebben?’ Reginald kijkt niet op en krabbelt lustig verder op zijn rekeningenblaadje. ‘Ze zegt dat Billy zijn vriendin gaan halen is met de Lada en dat ge nog niet direct achter Jules gaat kunnen gaan.’ ‘Godverdomme, hé, daar gaat mijn siësta. Of mag ik een postauto le…nen om pa te gaan halen?’ Chef Rik kijkt hem aan. Dicht genoeg om olfactorisch te kunnen peilen naar het alcoholgehalte van Reginalds bloed. ‘Ge hebt gezopen, zeker?’ ‘Nee. Ja.’ ‘Dan krijgt ge geen postauto.’ ‘Merde,’ vloekt Reginald, ‘dat is toch… altijd hetzelfde. Kan ik hier mijn siësta niet doen?’ ‘Reginald, we gebruiken de slaapzaal al jaren niet meer. De bedden zijn al lang weggenomen.’ Ondertussen passeren Bruno en Jimmy, die net terug zijn van op ronde, langs de werkpost van Reginald, op weg naar de rekenplichtige om hun rekening af te geven. Reginald staat op, maar heeft moeite om zijn evenwicht te behouden. ‘Ah,’ stamelt hij, ‘wie er daar… is.’ ‘Dag Reginald,’ antwoordt Bruno. ‘Is hij een… beetje braaf… gew-geweest?’ Reginald kijkt dwars door Bruno naar Jimmy met een blik die zegt dat als er klachten zijn, hij zijn zoon de kop in zou slaan, maar alleen wanneer ze alleen en/of thuis zijn. ‘Geen klachten, Reginald. Ik zie het wel goed komen.’ Chef Rik pikt in. ‘Het is ook nog maar de eerste dag, hé. Enfin, mannekes, ’t is drie uur, tijd om naar huis te gaan. Enfin, hier kunt ge niet blijven, dat toch.’ ‘Jimmy, wij gaan samen naar… huis,’ zegt Reginald. De stilte waar Jimmy zo naar verlangt, zal nog een tijdje uitblijven. Ofwel wordt het een tumultueuze rit naar huis, ofwel wordt het wel degelijk stil – een ongemakkelijke stilte. Voor de storm. ‘Doe maar,’ zegt Bruno, ‘ik ga mijn rekening naar boven dragen en dan ben ik ook naar mijn kot.’ ‘Ver…tel eens, Jimmy, hebt gij die vriendin van onze Billy al eens ge…zien?’ Reginald stamelt terwijl hij alle moeite heeft om zijn regenbroek aan te trekken. ‘Ja.’ Ze stappen samen de lift binnen. ‘En, hoe is ze?’ Reginald is veel te nieuwsgierig, vindt Jimmy terwijl hij op de knop drukt die hen naar -1 voert. ‘Dat zult ge vanavond zien, hé.’ Jimmy weet dat dat geen vraag is, maar een verzoek, een eis, om informatie. Jimmy moet vertellen hoe ze er uit ziet, wat voor karakter ze heeft en nog meer van zulke zaken. Het wordt een lastige rit.

Miguel
3 0

Als als als

Als alles terug kon zijn als gewoon.Gewoon eenvoudig.Toen was er ook heel veel weg maar toch was er nog iets.Hoe anders zou alles dan zijn geweest als dit niet nog eens was gebeurt?Het ervaren was als iets meer dan die stilte nu.Dan was er maar af en toe stilte.Nu is er die mistige angstige onwetendheid.Die onzekerheid.  Als alles terug kon zijn als gewoon.De eenvoud van enkele woorden waren dan ook al veel van betekenis.Het hoefden er niet veel te zijn.Ze waren er.En dat was goed.Hoe anders zou alles dan zijn? Nu zijn er enkel wat bange geluidjes.Hoe pijnlijk is dit voor jou.  Als alles terug kon zijn als gewoon.Dan zouden we niet meer zagen en klagen.Dan zou alles terug zo normaal zijn.Niet meer de grote woordenstroom maar die eenvoudige herkenbare typische "jouw" vocabulair. Het maakt ons zo verdrietig je zo te zien zitten.  Als alles terug kon zijn als gewoon.Dan was er geen stilte.Wel af en toe frustratie om wat er niet meer was.Maar dat was het nieuwe leven.Daar kon jij mee leven na de aanvaarding.Wij bleven het moeilijk hebben.Want aanvaarding is het zwaarste wat er is.  Als we nu positief zijn en dankbaar.Om die enkele klanken.Jij bent zo fier om deze te laten weerklinken.En wij zijn jouw grootste fans .Oh ja! Jij geeft de moed niet op.Dus wij ook niet.Als we nu de hoop opgeven dan zijn we niet goed bezig.   Als als als. If if if. Wat als. Ik weet het niet meer. Jij en ik, wij zijn het noorden kwijt. Maar niet elkaar. We gaan er voor. Samen.  Als ik nu even wat geduld kon opbrengen om geduld te hebben.Want dit is al zoveel gezegd.Geduld geduld geduld.Ik doe mijn best om die hoop vast te houden.Als die enkele klanken terug woorden konden worden.Als,als, als..Je overlevingskracht zal er steeds zijn.Jouw wilskracht en koppigheid is er ene om U tegen te zeggen.Maar als het niet meer gaat beloof mij een teken te geven.Dan ben ik er om je te steunen en te begrijpen. Als als als.En if ,if if.Nu!Nu nu!Geduld, geduld en nog maar eens geduld.Ik weet het.Deze dame moet minder ongeduldig zijn.Jouw ongeduldigheid, wilskracht en koppigheid heb ik van jou cadeau gekregen.Alé pa, dan hebben we toch nog iets gemeen.De schoonheid kreeg ik van ma en haar geduldigheid heeft mijn broer gekregen.Zo is het mooi verdeeld. Weet één ding zeker!We blijven jouw trouwe supporters..               

NoNaSh
0 0

Bob Dylan en de bilnaad van Marc Didden

Op zaterdag 15 oktober 2022 had ik geen weerman nodig om te weten vanwaar de wind waaide. De stank van cultureel snobisme, een hardnekkige melange van patchouli en de bilnaad van Marc Didden, was immers zo penetrant dat ik de Blijde Boodschap zelfs op mijn slaapkamer in het centrum van Antwerpen kon ruiken: Bob Dylan was in het land. Ik draaide me nog eens om in mijn bed, tenslotte was het nog maar drie uur in de namiddag, maar toen ik anderhalve slaapcyclus later een blik wierp op de wijzers van mijn smurfenblauwe glow in the dark horloge, sloeg de angst me om het hart. Ik stond op, trok een ongewassen jeans, een t-shirt en een regenjas aan, klokte een halve liter energiedrank achterover en sprintte als Speedy Gonzalez naar het station, want the hour was getting late. Een simpele jongen als ik had weinig redenen om Dylan te zien. Tijdens een jarenlang drinkgelag heb ik wel eens per ongeluk een masterdiploma filosofie gescoord, maar op cultureel vlak ben ik even fijnbesnaard als de violofoon van de tandeloze straatmuzikant om de hoek. Ik ben te jong om nostalgisch te zijn naar ouwe hits (die hij trouwens toch niet zou spelen), ben evenmin een beroepsfan op de loonlijst van regionale blaadjes als De Morgen, De Standaard of Focus Knack, en wat me helemaal vreemd is, is de aandrang om in een verre toekomst tegen de kleinkinderen op mijn knie te kunnen zeggen dat 'opa aanwezig was bij Bob Dylan’s laatste concert in Belgïe'. Zelfs het oeuvre van Dylan is niet voorbestemd voor de eeuwigheid, en kleinkinderen zijn des duivels. Misschien ben ik gewoon een muziekliefhebber. Welke andere reden had ik immers voor de kruisweg die ik dien avond aflegde naar de galmtempel van Vorst Nationaal? Laat dit dan ook de samenvatting zijn voor het optreden van die dag: Een marteling voor het lijf, maar een loutering voor de ziel. Hoewel ik tussen Vilvoorde en Schaarbeek merkte dat mijn onderbroek achterstevoren zat, begon de tocht onder een goed gesternte. De trein kwam op tijd en de wagons waren ruim en hygiënisch. De ellende begon pas in het station van Brussel-Zuid, waar ik afstapte om een hapje te eten alvorens de tram richting Vorst te nemen. Dat hapje werd geserveerd in een kartonnen doos en bestond uit een berg zompige noedels met veel zout en weinig smaak, die me achterliet met een lege portefeuille, een droog bakkes en een acute opstoot van schijterij. Ik haastte me naar de toiletten, die net om de hoek lagen. In de gang ontweek ik tal van obstakels: opengescheurde vuilzakken, bierplassen, fruitresten, junkies en andere inwoners van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Net op tijd bereikte ik de eerste beschikbare wc-cabine, een onverwachts reine plek in dit vunzige oord, die na mijn passage echter gelijkenissen vertoonde met de toiletpot uit Trainspotting. De rest van de trip verliep tamelijk probleemloos, ofschoon de tramhalte naar pis stonk. Na 15 minuten kwam ik aan in het centrum, vanwaar ik nog 5 minuten moest wandelen. Ik was niet vertrouwd met het stratenplan van Vorst, maar opnieuw had ik geen weerman, en evenmin een GPS, nodig om te weten vanwaar de wind waaide. Ik sperde mijn neusgaten en volgde de geur van patchouli en de bilnaad van Marc Didden. Zo kwam ik ruimschoots op tijd aan, een uur voor het optreden begon. Over het concert zelf kunnen we kort zijn. De band speelde degelijk, Bob Dylan zong nog steeds als een kraai en oude hits waren geheel afwezig. Zelfs mijn heimelijke wens, dat Bob Dylan als uitsmijter een versie van 'It's alright, ma' zou brengen, werd niet ingewilligd. Vorst Nationaal galmde als nooit tevoren. Die galm, in combinatie met Baawbs versleten keel, maakte zijn teksten nagenoeg onverstaanbaar. Als de avond onvergetelijk was, dan kwam dat omdat Bob Dylan het gebruik van smartphones had verboden. Zulke ongein moest leiden tot een betere concertervaring en een verhoogde focus op waar het echt om draaide: de muziek. Waarschijnlijk wist Dylan niet dat Vorst Nationaal een echopaleis is om U tegen te zeggen, waardoor een goede concertervaring per definitie ver te zoeken is. Bij aankomst werd mijn smartphone vergrendeld in een soort stoffen isolatiepak van het bedrijf Yondr. De smartphone mocht ik weliswaar meenemen, maar de Yondr-dwangbuis viel ondanks alle moeite niet te kraken, verscheuren, versnijden, verbrijzelen of verhakkelen. Ik gaf mijn bevrijdingspogingen op en zakte uitgeput in mijn plastic zitje: een marteltuig zonder rugleuning, maar met een zitvlak dat zo nauw was dat zelfs een klein mannetje als ik moeite had om zijn achterwerk comfortabel te nestelen. Tot overmaat van ramp zat ik twee rijen achter Marc Didden, waardoor de geur van bilnaad niet te harden viel. Mijn hoofd duizelde, m’n zenuwbanen tintelden, de vijvers onder mijn oksels traden buiten hun oevers. Ik vroeg me af hoe deze foltering een deel kon zijn van Gods plan voor mij en de wereld. Alle verzet was nutteloos, want de gebruikelijke ontsnappingsroute uit mijn opgedraaide lijf lag gekneveld in een onverwoestbaar Yondr-zakje. Geen kattenmemes, foodporn en strandfoto’s van Shawn Mendes konden me redden. Ik was overgeleverd aan mezelf en aan de grillen van enkele duizenden Dylan-fans. Ik sloot mijn ogen, ademende diep en trachtte het gebeuren te beschouwen als een training in concentratie en observatie. Ik nam een bloknota uit mijn manbag en liet mijn dwang- en andere gedachten los op de kleine blaadjes van het schrift, gedachten die zijn samen te vatten in enkele kernwoorden: seks, Instagram, seks, kittens, Instagram, Shawn Mendes, meer seks. Mijn wanhoopsdaad had succes. Na een tiental minuten droogden mijn okselvijvers. De woorden regen zich aan elkaar tot volwaardige zinnen. Nog eens tien minuten later vond ik de moed om de wereld in de ogen te kijken. Het publiek was qua leeftijd diverser dan verwacht. De boomers hadden hun kinderen meegenomen, die doorgaans al een eind in de twintig waren. Een van hen was een knappe, bruinharige jongeman die plaats nam in de stoel voor de mijne en me zo bevrijdde van het zicht op de Marc Diddens bilnaad. Hij droeg een blauw Adidas-vestje en als hij lachte had hij van die schattige kuiltjes in zijn wangen (de jongeman, niet de bilnaad van Marc Didden). Hoewel mijn achterwerk nog steeds gefolterd werd door het plastic zitje, voelde ik me verlicht, bevrijd zelfs – alsof ik voor het eerst zag dat mijn brein ook functioneert wanneer het is losgekoppeld van het world wide web. Zelfs toen Dylan en zijn band aan hun concert begonnen, stokte de zelfstandige werking van mijn verstand en zintuigen niet. Elke lichtflits, drumlick of onverhoedse gitaarlijn boorde verse gedachten aan. Die gedachten waren lang verdrongen herinneringen. Ze waren niet bijzonder origineel of vernieuwend, maar toch waren ze erg belangrijk. Zijn volgens Plato immers niet alle ideeën herinneringen aan een vroeger en hoger bestaan? Het bestaan waar ik aan dacht was mijn studententijd. Meer bepaald dacht ik aan een oude vriend, die op zijn achttiende verjaardag door zijn moeder werd verrast met het mooiste geschenk dat een geile puber zich kan indenken: een opblaasbare sekspop - inclusief pompje, reparatieset en twee openingen voor mond en vagina. De pop lag gedurende de rest van het academiejaar in opgeblazen toestand op het bed van zijn kot op het gelijkvloers in een drukke straat van Antwerpen. Door het gebrek aan gordijnen was Nadine (zo noemde hij haar) voor elke passant zichtbaar. De love doll trok overigens minder aandacht dan je zou denken, want de kamer was een dusdanige zwijnenstal dat Nadine niet echt opviel te midden van de lege bierblikken, gestolen verkeersborden, uitpuilende asbakken, Kleenex-doekjes met opgedroogde zaadresten en een massa tot aan het plafond gestapelde sigarettensloffen, die mijn vriend voor de helft van de prijs had gekocht van een Poolse nachtwinkeluitbater die er zo snel mogelijk vanaf wou zijn. Tussen mij en die vriend is het trouwens slecht afgelopen. Niet omdat we ruzie hadden of zo. Op een dag besloot ik simpelweg dat onze paden te ver uit elkaar liepen en nam ik afstand op de enige manier die me toen bekend was: door zijn telefoonnummer te wissen, hem uit mijn vriendenlijst van Facebook te verwijderen en elk contact te vermijden.  Waarom ik uitgerekend aan die anekdote dacht op het moment dat Bob Dylan het christelijke liedje ‘Gotta Serve Somebody’ inzette, was waarschijnlijk het grootste mysterie van die avond. Misschien ligt de verklaring voor de hand. De laatste keer dat ik een sekspop zag was immers tijdens een oudejaarsnacht in het fucking Sportpaleis, een plaats die qua ongezelligheid kan wedijveren met Vorst Nationaal. Toen had iemand tijdens een optreden van Natalia, die met haar bloot gat over het podium waggelde, een opgeblazen exemplaar vanaf zijn zitje op het balkon naar beneden gegooid. Toen Dylan zijn laatste noot had gespeeld en moeizaam een buiging voor het publiek maakte, haastte ik me naar de uitgang waar de Yondr-medewerkers mijn smartphone uit zijn kerker bevrijden. Het concert had dan wel mijn geest gelouterd, maar toen ik het zwarte schermpje met mijn vingerafdrukken zag kreeg ik weer de aloude ontwenningsverschijnselen: zweet, trillende handen, droge bek, constipatie. Ik beloonde mezelf door alle apps af te cruisen, benieuwd als ik was naar de nieuwe likes, comments, shares, posts, DM’s en memes die om aandacht smeekten. Maar ik trof enkel leegte aan. Leegte en drie dickpics - in de spamfolder van mijn Instagram, van een  zestiger die geld aanbood in ruil voor een blowjob. Ik klapte mijn Huawei dicht en keek naar de hemel. Misschien, zo dacht ik, héél misschien maakte Dylans beslissing dan toch deel uit van Gods plan voor mij en de wereld. Pieter Van der Schoot  

Pieter Van der Schoot
61 1

De hoeren van vroeger

De hoeren van vroeger bestaan niet meer. Ik heb me dit laten vertellen door een ervaringsdeskundige. Hij vertelt: ‘Vroeger, toen internet nog niet bestond en wij nog tiener waren, gingen we af toe met ons fietskes naar de Chaussée d’amour. Vensters kijken. Meiskes kijken. Dat was een spektakel. Ze waren niet alleen héél sexy, maar ze deden moeite, om gapende en geile voorbijgangers op te draaien. Konten schudden, borsten zwieren en oogjes pinken. Er werd gewerkt voor de kost.Dat was pas plezant. Zeker voor onervaren mennekes zoals wij. Op een keer probeerde mijn beste maat naar binnen te gaan. Eer hij goed en wel de kans kreeg om te vragen wat een rondje kostte, lag hij al met zijn klikken en klakken terug op straat. Als hazewinden fietsten we weg. In de verte hoorden we een zware stem ons nog naschreeuwen. Dat we onze koppen nooit meer mochten laten zien of hij zou de politie bellen. Die zouden onze ouders inlichten.Met kloppend hart, totaal buiten adem fietsten we door de velden terug naar de bekende straten van ons dorp. We zijn daarna nooit meer terug durven gaan. Als ik met m’n ouders wel eens langsreed, bleef altijd die prangende vraag: wat gebeurde daar allemaal? Wie waren die meisjes? Waarom deden ze dit werk? Zou het duur zijn…?Het waren de dromen van een jongen van dertien. Mijn vragen zijn nooit helemaal beantwoord. Voornamelijk omdat ik er later achter kwam dat hoeren niet echt mijn ding zijn. Het past niet bij wie ik ben.Toen ik een tijdje geleden toevallig nog eens voorbij de Chaussée d’amour reed, viel me op dat de hoeren van toen niet meer dezelfde waren. Niet dat ze er niet pikant uitzagen. Nee, dat was het niet. Het had meer met hun houding te maken. Ze stonden niet meer te draaien en te zwaaien. Ze stonden stuk voor stuk, venster na venster heel ordinair op hun smartphones te staren. Volgens mij stonden ze te swipen. Erg he…’

Heidi Schoefs
20 1

Brooddronken hoofdstuk 18

18   De Lada hoest en proest het uit maar heeft het toch tot aan het station uitgezongen. Op de parkeerplaats van het Conservatoriumplein is er nog één plekje vrij. De gratis parkeerplaatsen zijn in zwang, zeker op een feestavond waar de mensen als uitstekend geconditioneerde hamsters al het eten vergaren en naar hun schuilplaatsen brengen. Het is alsof een groot monster de stad beloert en zal toeslaan iets rond 19 uur en om het beest te plezieren, moet iedereen in de late namiddag aan het kokkerellen slaan (als ze dat al niet deden de dag er voor) om een zo exorbitant mogelijke maaltijd op tafel te toveren en er dan van te schransen. Billy trekt de handrem op. Hij gooit twee stukken van vijftig in de parkeermeter, dat zou ruimschoots voldoende moeten zijn. De trein zou bijna moeten gearriveerd zijn, dus haast hij zich naar het perron. Hij ziet de trein komende van Gent arriveren. Het lijkt alsof het een scène uit een romantische film is. Voor hem lijkt het althans een film. Hij, Billy Sabbe, uitgescheten door zijn vader als eeuwige broekverslijter en nietsnut, komt op kerstavond naar het station van zijn stad om er zijn vriendin op te halen. Zíjn vriendin. Hij wacht op het afgesproken perron, handen diep in zijn zakken, zijn hoofd gebogen. En wacht. Hij kent zijn leven, een leven van net niet goed genoeg, van het beste alternatief als niets anders werkt, van het vijfde wiel aan de wagen of een vork in een wereld van soep te zijn. Het zal toch geen waar zijn dat Célestine, want zo heet zijn vriendin, nu ergens met haar vriendinnen zich leuk zit te maken over die domme kloot van een Billy die in al haar verleidingspogingen – en zo subtiel waren ze nu ook weer niet – was getrapt en nu voor haar zelfs bij zijn familie een bord heeft gezet om speciaal voor haar gehaald vegan-eten te kunnen serveren? De twijfel maalt rond en ergens is er van de zelfverzekerde kerel die hij was in de aanloop naar de feestdagen – hij bracht zomaar eventjes zijn vriendin mee naar huis, zijn vriendin met wie het deze keer wél zou lukken, zijn vriendin die eens niét met zijn voeten en zijn hoofd zou spelen – niet veel meer over. Er wordt op zijn schouder getikt en twee wollen handen bedekken zijn ogen. Het parfum, Eau Revoir, zou hij uit duizenden herkennen, ook al hadden die duizenden anderen net dezelfde geur, toch was haar geur net iets anders. Célestine Onyewu. Donkerbruine huid, groene ogen, die heeft ze van haar moeder en parelwitte tanden. Schouderlang pikzwart krulhaar en een lijntje om door een ringetje te halen. Telkens Billy haar aankijkt, beseft hij dat hij net als zijn vader het mooiste meisje van de stad heeft kunnen strikken. ‘Hai,’ zegt ze. Ze glimlacht, al kan Billy dat niet zien. Het is alsof haar glimlach door haar warme handen wordt gekanaliseerd, wat op zijn beurt weer bij een glimlach bij Billy zorgt, die zich omdraait. ‘Hey. Ben je er klaar voor?’ Célestine lacht. ‘Het is precies alsof ik naar de slachtbank word geleid. Dat zal echt wel goed mee vallen, hoor, ontspan je nu maar eens.’ ‘Dat denk je maar. Je kent mijn pa niet. Hij is nog erger dan mijn grootvader en ze zullen er allebei zijn,’ zegt Billy. ‘Ach, daar geloof ik niets van. Jij bent toch een bovenste beste kerel? Uit een perenboom vallen toch geen appels, of wel soms? Wees eens wat meer in de kerst-spirit!’ Billy draait met de ogen. Ze zou beter moeten weten. Zíj zou beter moeten weten.

Miguel
3 0