Lezen

Veel plezier

“Veel plezier”: riep ik nog terwijl ze naar haar vriendjes toe huppelde. Ik keek nog even na en deed het raampje weer dicht, zette de radio aan en vertrok naar huis. Een kwartiertje later drukte ik een aantal keer op het bakje van de garagepoort. Ik stapte uit, deed mijn pantoffels aan en legde mijn sleutels in het schaaltje. Ik had nog een klein hongertje en besloot dus een snelle hap te verorberen voor ik naar boven zou gaan om van een welverdiend dutje te genieten. Ik pakte een kommetje deed er wat cornflakes en melk in en plofte neer voor de TV. “Premier Verstraeten kondigde vanochtend in een persconferentie code rood aan door de aanhoudende hitte. Ze verklaarde dat het belangrijk was geen water te versp-- Breaking news! De politiechef van Brugge heeft zojuist gemeld dat er 3 vrouwen zijn ontsnapt uit de gevangenis te Sint-Kruis. Het zou gaan om …” De rest van de zin moest niet worden afgemaakt voor mij om te weten over wie het ging. De geur van Ultra Doux shampoo voor blonde haren kwam mij maar al te bekend voor. De angst verspreidde zich als een koude rilling over mijn hele lichaam. Het gevoel dat ik niet alleen was werd overdonderend. Ik besloot dat het beste wat ik kon doen, was om rustig richting mijn auto te stappen. Fientje op te halen en wachten bij mijn broer tot dit alles over was en ze eer achter slot en grendel zat. Ik stond recht. Liet de TV spelen. Pakte mijn sleutels. Ik zette mijn half opgegeten kommetje cornflakes naar op het aanrecht. Ik stapte in mijn auto en ramde meerdere keren op het bakje. De poort ging niet open. Ik probeerde nog eens, zeker wel honderd keer. De poort ging maar niet open. Ik stapte uit mijn auto om de poort met de hand te openen. Ik voelde het koude heft van het keukenmes mijn rug doorboren en zich een weg banen door mijn lichaam. Het weer langzaam uit mijn lichaam getrokken worden en er terug in kruipen en nog een keer. Elke keer sneller en met meer kracht dan de keer ervoor. Ik denk dat het na de zevende keer was dat ik mijn bewustzijn verloor. Het enige wat ik op dat moment kon denken was: “Wie gaat Fientje ophalen?” Enkele dagen later werd ik wakker in de intensive care van het Sint-Lukas. Mijn broer en moeder zaten naast mijn bed te wachten. De stilte in de kamer had ik nog maar één keer eerder gehoord en dat was enkele maanden terug toen ik in de rechtbank wachtte op de uitspraak die Lotte zou veroordelen tot 10 maanden celstraf en een contactverbod met mij en mijn dochter voor de komende 3 jaar. Mijn broer was de eerste die opmerkte dat ik was wakker geworden. “He broertje cava?” Mijn moeder had ook al snel door dat ik wakker was en bekogelde me al snel met allerlei vragen. “Lig je goed? Moet ik je kussen opkloppen? Heb je dorst? Wacht ik zal een verpleegster roepen.” Ik had de kracht niet om op al deze vragen te antwoorden. Ik wist er wel één woord uit te murmureren: “Fien” Mijn broer en moeder keken allebei weg, mijn broer naar de grond en mijn moeder uit het raam. Na een eeuwigheid zei mijn broer: “vermist” hij zuchtte “Lotte heeft Fien opgehaald bij het feestje, de vrouw wist niet van het contactverbod. Het was pas tegen 4 uur dat er alarm werd geslagen nadat je buurvrouw, mevrouw Dexters, je had gevonden in je garage. De dokter zegt dat het een mirakel is dat je nog leeft.” Het voelde niet als een mirakel. Ik had me nog nooit slechter gevoeld. Toen ik Fien de laatste keer zag, was ze gelukkig geweest en zat haar moeder, voor zover ik wist, nog achter slot en grendel. Die namiddag kwamen er nog enkele mensen op bezoek. De dokter vertelde me dat ik 17 keer was gestoken en dat het een wonder was dat ik niet was doodgebloed daar in mijn garage of op de operatietafel. Niet lang daarna kwam er een politieagent langs om enkele vragen te stellen. De inspecteur was een slanke man met gelekt haar en hij had een notitieblokje mee waar hij gedurende het hele gesprek op noteerde. “Kunt u mij vertellen wat er gebeurde vanaf dat u Fien hebt afgezet?” Ik vertelde hem exact wat er was gebeurd. Hoe ik Fien had afgezet, de weg naar huis, over de cornflakes, het nieuws en uiteindelijk over de garagepoort die niet werkte. Na mijn verhaal vroeg ik of ze iets meer wisten. “De auto van uw ex-vrouw is laatst gesignaleerd in Wattou vlak bij de Franse grens. We hebben de Franse autoriteiten ingelicht en zullen al onze bevindingen ook met hen delen, maar als uw ex-vrouw daadwerkelijk de grens is overgestoken dan is er weinig dat we hier kunnen doen. Het is een kwestie van tijd voor we een nieuw spoor vinden.” “En Fientje?” “We hebben op dit moment geen reden om te denken dat Lotte Fientje iets zou hebben aangedaan of haar hebben achtergelaten, dus wij gaan ervan uit dat ze nog steeds bij haar is.”

Dongo
6 0

Treinrit

Er lijkt geen eind te komen aan de kronkelende slang van wel vijftien rijtuigen lang, die zich sissend en knarsend tussen de perrons wurmt. Ik ben deel van de wemelende meute die zich naarstig naar binnen wringt. Terwijl de trein zich weer op gang trekt, loop ik zo ver mogelijk in tegenovergestelde richting. Door bedompte compartimenten, overvolle gangetjes en wiebelende verbindingen. Hoe verder, hoe minder rafelige rugzakken, hoe meer kans op een rustige rit. Ik plof neer op het laatste vrije zitje in een box voor vier, oog in oog met een bejaarde heer van stand, compleet met driedelig maatpak, pochetje, en oude, magere handen rond de knop van zijn wandelstok. Ik recht mijn rug zodat onze knieën elkaar niet hoeven te raken, en laat mijn blik door de coupé dwalen.  Ik zie haar weer. Sinds we elkaar voor het laatst kruisten, als onvoorspelde bliksemflitsen op heldere dag, ben ik altijd op mijn hoede. Ik betrap mezelf erop haar te zoeken. Overal, waar ik ook maar mensen tegenkom. Zodat ik op tijd kan schuilen voor het geval ik haar echt zie. Zodat ik mijn zenuwstelsel kan waarschuwen voor eventueel vallende rotsblokken.  Ik zoek en vind haar in de kastanjebruine ogen van de verkoopster in de kledingwinkel. In de ranke polsen en handen van de kleuterjuf aan de schoolpoort, zeker als die ook minstens één grote, opvallende ring aan de vingers heeft. En deze keer in het donkere, golvende haar van de jonge vrouw, zeven stoelen voor me. Maar ze is het nooit echt. Nooit meer in het echt. Ze zit tegen het gangpad, net als ik, maar dan aan de andere kant, met haar rug naar me toe. Naast haar zit een jongen van een jaar of vijf. Hij verveelt zich, kruipt tegen de leuning omhoog en monstert zijn medereizigers. Waaronder ik. Ze maant hem met een enkele beweging aan om mooi te gaan zitten. Intussen leest ze onverstoorbaar verder. Zoals ook zij onverstoorbaar kon zitten lezen, vooral in Spaanstalige auteurs. Ondertussen zat ik aan haar keukentafel mijn zeventig-of-zo gedichten over te schrijven in drie zwarte Moleskine notitieboekjes. Met vulpen. Ik had nog nooit gedichten geschreven. Tot dan. Ze kwamen uit het niets. Vielen als blauwe inkt uit mijn gedachten.  Muze was haar lievelingsgedicht. Ze neemt iets uit haar tas. Een zakdoekje. De kleine snuit er zijn neus in. Ik hield van haar. Zij ook van mij. Maar dat kreeg ze niet over haar lippen. Ik zag dan even iets vochtigs in haar ooghoek verschijnen. ‘Zulke dingen zeg ik niet snel,’ zei ze dan. Het kon niet. Het mocht niet. Waarom? Weet ik niet meer precies. De trein stopt en lost een eerste lading reizigers. Een verliefd koppeltje neemt afscheid op het perron. Bij ons eerste afscheid hebben we gevreeën zoals zij en ik nog nooit gevreeën hadden. ‘Alles met jou is zo ongezien,’ fluisterde ze, en in een pure verstrengeling lagen we ons afscheid nog wat uit te stellen. Toen vertrok ze voor een maand naar een berg in het verre oosten. Het zou alles draaglijk maken. Na die maand zouden we elkaar niet meer nodig hebben. We razen langs rommelige achtertuinen. ‘Kijk métie,’ roept de kleine. ‘Een trampoline.’Métie. Ze had een petekind, Bas. Ik heb hem een keer gezien toen ze met hem door de stad liep, waar we afgesproken hadden om elkaar toevallig tegen het lijf te lopen. Hij zat in de buggy een ijsje te verorberen. ‘Basje-baasje ijsje eten!’ riep hij triomfantelijk. En of ik ook ijsjes lustte. Bij het tweede afscheid gaf ik haar een boek cadeau. Het was ook haar verjaardag, vandaar. We wandelden door een bos, stopten om onze voorhoofden, onze neuzen en onze monden tegen elkaar te vleien, en elkaar vervolgens zowat te consumeren. Ik stopte twee eikenbladeren in het boek en zij drukte een lange kus op mijn wang. ‘Beloof me dat je altijd voorzichtig zult zijn,’ zei ze. Ik beloofde het. Ik deed alles wat ze me vroeg. Die avond schreef ik een gedicht over consumeren. We vertragen. Ze kijkt door het raam. Ik zie haar gezicht een seconde lang in profiel. De trein schokt. Een drafje in mijn borstkas. Opa met de wandelstok schrikt op. We rijden voorbij knipperlichten. Buiten staat een blauwe Volkswagen Polo voor de rinkelende slagbomen. Toeval. Zij had net zo een Polo. Op een avond in januari reden we uren aan een stuk doelloos rond. Ik zat achter het stuur, zij naast mij, Spotify in haar handpalm. We stopten op een verlaten plek en stapten uit om te dansen onder maanlicht. Nick Cave, David Bowie. Het was koud en ze knoopte haar sjaal als een hoofddoek. ‘Mooie Moslima,’ was alles wat ik kon uitbrengen, verdwaasd door haar smekende, donkere ogen. Ons laatste afscheid dateert alweer van drie jaar geleden. We vreeën niet, we kusten niet, omhelsden niet. We zijn weer vreemden nu. Niet langer heroes, for ever and ever. Niet the one that I’ve been waiting for. Het was ons definitieve afscheid. Net zoals de keer ervoor, maar dan harder. Net zoals de keer dáárvoor, alleen duurt het nu wat langer. De kleine grist iets uit haar tas. Een koek. De hele inhoud gaat tegen de vlakte: autosleutels, kleingeld, een flesje water, een portemonnee, het boek - hét boek ...‘Nee, Bas!’ roept ze, ‘we moeten hier uitstappen.’ … vrouwendingen, muntjes ... De trein stopt. Er scheurt iets. Mijn hoofdhuid? Mijn netvliezen? Kraakbeen? Deuren suizen open. Reizigers stappen uit. Stemmen op het perron. ‘Sorry, métie,’ pruilt Basje-baasje. Hij probeert te helpen, maar maakt de chaos alleen maar groter. Opa’s ogen puilen. … drie zwarte schriftjes. Samengebonden ... Mijn borst zwelt. Een huilende hengst in galop. Hij beukt door de omheining. Ze graait alles bij elkaar, de schriftjes gaan als eerste weer in haar tas. … gedroogde herfstbladeren ... Watergordijn. Er sluipt iets over mijn wang. ‘Basje, Basje, wat doe je toch!’ Deuren zuchten. Klappen simultaan dicht. De trein zet zich in beweging. Ze richt zich op. En vindt me.  (c) J.S. - juni 2021

simon s.
1 0

De goddeloze hut in de hemel

Het is donderdag, de voorlaatste ski-dag. Mijn dochter van 12 wil nog één piste doen, maar haar broer en vader hebben geen zin meer. Ze kijkt in mijn richting en vraagt of ze samen met de jongens die ze enkele jaren geleden op diezelfde berg leerde kennen nog één piste mag doen. Hun ouders gaan ook mee zegt ze. Ik zie mijn kans eindelijk een half uurtje voor mij en mijn herder daarboven te hebben, dus zeg ik dat het goed is en dat ik ook meega. We springen alle zes op de zetellift. Het begint harder te sneeuwen. Boven aangekomen willen de jongens met hun ouders zo snel mogelijk naar beneden omdat het te hard waait en de sneeuwvlokken daardoor in het gezicht prikken, maar in plaats van alles goed dicht te snoeren klik ik mijn latten los. De mama van de jongens kijkt me aan en vraagt of ik hier blijf. Ja zeg ik, ik ga even mijn vriend bezoeken, de herder die ik al 27 jaar lang ken en bijna jaarlijks bezoek. Ze kijkt me bedenkelijk aan terwijl ik mijn dochter zeg dat ze goed bij de jongens en hun ouders moet blijven en beneden aan haar papa moet zeggen dat ik wel op tijd zal zijn voor de laatste dal-afvaart. Ze reageert enthousiast op deze verworven vrijheid en verantwoordelijkheid, maar toch draai ik me om met gemengde gevoelens: die van een slechte moeder en een vrijgevochten zestienjarige. In vijf stappen ben ik bij hut van de liftbediende, mijn herder. Nog voor ik de klink kan vastnemen zwaait hij de deur al open en verwelkomt mij met zijn Tirools accent waar ik destijds meteen verliefd op was. Hij schuift een bureaustoel naar me toe en gaat zelf ook weer zitten. Zijn ogen stralen en hij lacht zijn mooie witte rechte tanden bloot. Een warm gevoel gaat door mijn buik. Verdorie wat ziet hij er goed uit na al die jaren. Waar blootstelling aan teveel hoogtezon normaal verouderd lijkt het hem jaar na jaar te verjongen, terwijl mijn tekort aan slaap en teveel aan zorgen duidelijk sporen heeft nagelaten in mijn gezicht. Maar het maakt eigenlijk niet uit, want hij ziet nog steeds dat zestienjarig meisje, dat voelde ik enkele dagen geleden ook al op de eerste ski-dag na drie jaar corona. De hut is uit glas en staal gebouwd, wat heel anders aanvoelt als de houten hut waar we 27 jaar geleden zoveel uren hadden doorgebracht. Zijn GSM heeft de telefoon met opwindhendel en tuithoorn vervangen. Hij bezit ook geen eigen sneeuwscooter meer waarmee hij mij in duizelingwekkende snelheid de berg op kan brengen om me daar helemaal de adem te benemen met zijn vurige zoenen alvorens weer naar de hut af te dalen. Voor de rest lijkt er niet veel veranderd. Er ligt een catalogus van landbouwmaterialen, er hangt een klok en een kruisbeeld aan de muur en hij zit in een warme blauwe jas ingeduffeld vanonder zijn petje naar mij te kijken. Ik zet mijn rode ski-jas open omdat de warmte uit mijn buik naar mijn wangen stijgt. Zijn blik volgt mijn vingers en hij lacht omdat ik het heb opgemerkt en schuift dichterbij met zijn stoel op wieltjes. Ik zucht en lach terug, gooi mijn hoofd in mijn nek en draai eens rond op mijn wieltjes. Ik ben echt weer zestien. We hebben een half uur zeg ik, niet veel maar na elkaar drie jaar niet gezien te hebben ben ik blij met elke minuut. We praten, lachen en kijken. Intussen schuiven zetel voor zetel voorbij het grote raam achter zijn bureau met groene, rode en gele knoppen, hendeltjes en tellers die hij maar half in de gaten houdt. De meeste zetels zijn leeg, hier en daar een tweetal mensen die zich ondanks het slechte weer toch nog de berg op wagen en die door de laatste schok van de lift stuntelend in de diepsneeuw worden gedropt. Het lijkt alsof we onzichtbaar zijn en controle hebben over de hele berg en onderliggende vallei vanuit onze goddeloze stuurhut. Even voelt het zoals in die zomer toen we samen in de herdershut waren, totaal afgesneden van de bewoonde wereld, allebei jong, onwetend en een beetje vluchtend voor de toekomst. Wat heb ik dit gevoel gemist, de tijd die wordt stil gezet, dromen en realiteit die zich met elkaar verweven, alleen nog gisteren en vandaag, maar geen morgen. In die hut lukt het verdwijnen in de tijd zonder enige moeite, thuis moet ik me daar eerst ladderzat voor drinken en dan met een kater op het warm verlaten strand gaan liggen. Ik zucht van geluk. Hij probeert me te overhalen om te wachten tot het hele gebied sluit en dat hij me wel zal afzetten, maar zelfs mijn vrijgevochten zestienjarige had al verantwoordelijkheidsgevoel en dat schreeuwde meestal net op tijd, soms iets te laat boven het tijdloze uit. Mijn blik valt op de lege piste, de dichte mist, de sneeuw en hevige wind en even overvalt me weer de paniek van mijn onbezonnenheden die me in het verleden bijna het leven kostten. Maar de herder liet me al eerder angsten overwinnen. Ik neem afscheid, krijg heel moeizaam mijn latten aan doordat er teveel sneeuw is gevallen, maar dan suis ik door de lucht en giert de adrenaline door mijn lijf. De laatste skiër, veertigplusser en moeder van twee kinderen die even terug zestien wou zijn. Af en toe moeten we ons hoofd eens leeg maken, morgen vergeten, ons hart volgen en vertrouwen dat alles goed komt.

Fien SB
57 2

De regen valt altijd ergens

Een man laat zich met een zucht op de zetel tegenover die van mij zakken. Een obese zestiger die puft als was hij de locomotief die straks alle wagons opnieuw in beweging moet krijgen. Wellicht heeft hij gelopen om de trein te halen. En dat terwijl het buiten drukkend warm is. Er hangt onweer in de lucht. Snakkend naar adem staart hij me aan met ogen die doen denken aan een waterige soep waarin vet drijft. Zijn borstkast gaat wild op en neer terwijl zijn gelaat van rood naar vagaal wit verkleurt. Er parelt zweet op zijn voorhoofd. Ik vind het gênant, dit schouwspel, wend me af en vergis me, zoals ik me al vaak vergist heb. Ik denk dat we ons in beweging zetten, maar het is de trein op het andere spoor die vertrekt. Wij staan nog steeds stil. Ik staar naar het perron aan de overzijde. Daar is enkel een jonge vrouw achtergebleven die op een harde bank een lijvig boek leest. Ze heeft haar benen, waarop het boek rust, over elkaar geslagen en buigt licht voorover, waardoor een weerbarstige haarlok steeds weer voor haar ogen valt. Het is echter vooral het spleetje tussen haar borsten, zichtbaar doordat ze een laag uitgesneden jurkje draagt, dat mijn aandacht trekt. Spiedend naar haar, met het gehijg van de man in mijn oren, dienen in mijn hoofd zich reeds de eerste beelden van een ordinair stationsromannetje aan. Dan weerklinkt verderop een schril fluitje en een paar seconden later trekt onze trein zich traag op gang.   De ademhaling van de man is rustiger geworden. Ik blik nog steeds naar buiten, naar het landschap dat nu snel voorbijflitst, maar zie in de weerspiegeling van de ruit hoe hij met een zakdoek het zweet van zijn gelaat veegt en tegelijk zijn ogen op mij gericht houdt. Ik voel aan mijn theewater dat hij aast op een praatje. Ik blijf halsstarrig naar de donkere wolken turen en schrijf noest verder aan mijn stationsromannetje, waarin niet deze pafferige kerel maar de lezende vrouw van daarnet tegenover mij heeft plaatsgenomen. Ze is nog steeds verdiept in haar boek. Ik wacht geduldig tot ze opkijkt om oogcontact te maken en haar aan te spreken. Wat zal ik zeggen? Met welke woorden kan ik haar prikkelen zonder irritatie of weerstand op te wekken? De man kan niet langer wachten. Hij schraapt zijn keel en zomaar vanuit het niets deelt hij me mee dat het verschil tussen rouw en depressie is, dat bij rouw de buitenwereld leeg is geworden en bij depressie de binnenwereld. En dat bij hem wel eens van beide tegelijk sprake zou kunnen zijn. Dat kan tellen als opener. Ik wend mijn blik af van de wolken en frons mijn wenkbrauwen terwijl ik hem recht in de ogen kijk. ‘Zo?’ zeg ik. Nu wendt hij zich af en lijkt in gedachten te verzinken. Ik wacht. Wanneer hij weer opkijkt, zegt hij: ‘Mijn vrouw is exact twee jaar, drie maanden, één week en vijf dagen geleden gestorven.’ ‘Dat is bijzonder precies,’ zeg ik. ‘Het is alsof het gisteren was,’ zegt hij. ‘Ze had kanker. Uitgezaaid. Dat wil je niet meemaken. De dokters konden niets meer voor haar doen.’ Hij staart opnieuw naar buiten en zijn ogen lijken plots evenveel water te bevatten als de wolken die aan ons voorbij trekken. ‘Wanneer ik het moeilijk krijg, neem ik de trein.’ Zijn stem klinkt gebroken. Het druppelt buiten en binnen. De trein raast er onverschillig doorheen. ‘Vandaag ga ik naar Namen.’ Ik knik. ‘Mijn vrouw bracht daar ooit een nacht door met een vriend van mij. Dat las ik pas na haar dood in haar dagboek.’ Ook dat nog, denk ik. ‘Veel woorden heeft ze er niet aan gewijd, maar het is duidelijk wat er in die hotelkamer gebeurd is. Kun je mij vergeven? zo besluit ze die passage, alsof ze zich rechtstreeks tot mij richt. Maar ze heeft me er nooit iets van verteld.’ Het druppelen is in snikken overgegaan. Buiten striemt de regen genadeloos tegen de ramen. Ik vraag me af of hij er nadien nog met die vriend over sprak, zichzelf nog meer gekweld heeft, maar zegt niets. ‘Het lijkt nu allemaal zo futiel. Natuurlijk vergeef ik het haar,’ zegt hij grootmoedig. Voor het eerst verschijnt er een glimlach op zijn gelaat, maar buiten wordt het enkel donkerder. Geen zon die door de wolken breekt of enig ander cliché om zijn pijn te ontkrachten. Wel zorgt het duister bij dag ervoor dat de sfeer in de coupé nog intiemer wordt. Ik vraag de man of hij haar ook zo makkelijk vergeven zou hebben indien haar ontrouw al bij leven aan het licht was gekomen. Hij fronst zijn wenkbrauwen, schudt zijn hoofd en zegt het niet te weten: ‘Dat is anders natuurlijk.’ Ja, dat is anders. De doden hebben geen weerwoord. Hun levens zijn als herbruikbare flessen, eindeloos hervulbaar met telkens weer andere gedachten en motieven. Ook je verleden raak je kwijt wanneer je sterft. Het behoort niet langer aan jezelf toe. Hij verzinkt weer in gedachten en ik denk terug aan de vrouw op het perron, aan de smalle schaduw tussen haar borsten, de weerbarstige haarlok, haar gekruiste benen. Stations, onbekende bestemmingen, vreemde  steden, nieuwe gezichten, andere lijven, niet vertrouwde maar toch verleidelijke geuren, ze scherpen onze zintuigen, wekken ons verlangen, brengen onze verbeelding op gang en bieden zo de ideale voedingsbodem voor ontrouw. Hoe zou het zijn? Telkens weer die vraag? Het onbekende trekt aan ons als een afgrond. De man recht zijn hoofd en rug. ‘Ik ben haar zelf nooit ontrouw geweest,’ zegt hij, ‘nooit! Misschien heb ik daar nu wel spijt van. Het getuigt van zo weinig zin voor initiatief.’ Hij lacht weer. Het is een droevige lach, als van een kind dat een ballon oplaat en tegelijk beseft die nu voorgoed kwijt te zijn. ‘Ach, ik was best gelukkig met haar, dat is het niet…’ Hij maakt zijn zin niet af. ‘En je weet het natuurlijk nooit zeker, maar ik denk dat zij het ook was met mij. Ze is in elk geval bij mij gebleven, terwijl ze toch ook andere mogelijkheden had.’ De regen is opgehouden met striemen, maar de wolken hangen nog zwaar als gevulde uiers in de lucht. ‘Misschien was ze wat depressief en vulde ze die leegte met een andere man?’ Ik knik, als wil ik zeggen: ja, zou best kunnen. ‘Nadien kon ze weer verder.’    

Michel
10 2

De Wijnproever

De MRI-scanner gaf mij langzaam weer vrij. Het zachte gezoem van de uitschuivende ligtafel stond in schril contrast met het agressieve gehamer en geklop van zonet. Een rilling ging over mijn blote rug toen ik mij naar mijn kleedhokje begaf in het ridicule lichtblauwe schortje dat enkel de voorzijde van mijn bovenlichaam en benen bedekte. Licht verontrust, mijn kont in een kleurige onderbroek richting verpleger, hoopte ik dat de neuroloog mij goed nieuws zou brengen.“Goed nieuws, mijnheer, ik heb geen slecht nieuws voor u,” zei hij met een gevoel voor humor dat ik niet met hem deelde. “Er valt absoluut niets te zien op de scan. Ik vrees dat u er zult moeten mee leren leven.” De neus: donkere rode vruchten, pruim, sigaar. Veelbelovend. Slok één. Mijn mond vult zich met de fluweelzachte wijn. Rode vruchten overheersen, enigszins verwacht. “De oorlog in Oekraïne is zijn tweede dag ingegaan, ” zegt de nieuwslezer. Die in mijn hoofd zijn dertigste dag, schat ik. Het is een hel geweest tot nu toe, een hel van slokken en spugen. Ik neem mijn spuugbak en spuug mijn mond leeg. Mijn ‘crachoir’ wil ik die spuugbak niet meer noemen. Er hangt te veel verfijning aan die term. Slok twee. Aangename tannines. Dit is een wijn met potentieel. Niet te zwaar. Bij een lekker stukje kalfsvlees zou hij niet misstaan. Terwijl Poetin mij aankijkt, ledig ik mijn mond in mijn nieuwe recipiënt. Nooit heb ik gedacht zo’n ding te moeten kopen. Een glas of zes wijn op ’t gemak op een lange avond, waar is de tijd? Slok drie. Ik proef cake! Licht aangebrande cake en een duidelijke toets vanille. We zitten in de Donbas ondertussen. ’t Werkt op mijn zenuwen. Ik wil rust in Europa en rust in mijn hoofd. Hoelang blijft dit allemaal duren? Vorige week achtenzeventig slokken. Hoeveel vanavond? Ik spuug schuim van rode wijn. Slok vier. Zelenski spreekt mij aan. De binnenkant van mijn lippen voelen aan als ribfluweel. Ik beeld me in dat mijn spuugbak Poetins gezicht is. Slok vijf. Ik voel dat ik baldadig word. Ik kom in opstand tegen zoveel onrecht. Een vluchtend gezin zonder vader probeert nog op een wegrijdende trein te springen. Ben ik nu werkelijk mijn mond aan het spoelen met wijn? Ik volhard tot slok dertien. Mijn glas is leeg. Ik geef niet op. Bij mijn tweede glas neem ik grote slokken, telkens een mond vol. Er kan geen lucht meer bij. Ik proef niets meer, en moet mijn lippen met bolle wangen stevig op elkaar houden. Ik braak mijn mond leeg en ben gedegouteerd. Nu proef ik enkel nog tannines en bitterheid. Het was een zeer gezellige avond met veel openhartige gesprekken van meet af aan. De sfeer was onmiddellijk amicaal, warm, verwelkomend. We waren blij elkaar terug te zien bij een smakelijke maaltijd, goeie muziek en lekkere wijn. Veel lekkere wijn. Eerder dan de tongen los te maken, had de wijn ze bij sommigen oncontroleerbaar gemaakt, werkelijk fysiek oncontroleerbaar. Het gelispel en gekwijl was op een bepaald moment niet om aan te zien. Gezichten en ogen trokken bij elke bijkomende promille schever en schever. Ik zie niet waarom ik een uitzondering zou geweest zijn op deze regel maar het feit dat ik deze observatie nog kon maken na zowat anderhalve fles wijn gaf mij hoop dat ik aan deze wetmatigheid zou ontspringen.Ook zat, blijf ik een controlefreak, blijf ik op mijn hoede. Natuurlijk, op een bepaald moment verlies zelfs ik de controle, maar nooit is dan nog iemand in staat er mij op te wijzen. Het is meestal de volgende ochtend die er mij op attent maakt. Beklag is er dan nooit. De gevolgen draag ik graag, nagenietend van zoveel transgressie.Het moet ongeveer het tiende glas wijn van de avond geweest zijn toen mijn leven een andere wending nam. Ik herinner het mij nog goed: het was een rode Biblia Chora, een Griekse wijn die mij best beviel. Ik proestte het uit, over mijn vrouw, de zetel, het vloerkleed. Een wijndonkere zee was het, een wijndonker moment ook.“Beer, toch,” zei mijn vrouw lallend, niet meer in staat om boos of verontwaardigd te zijn, ”je zo verslikken!” Alle scheve bekken lachten zich te pletter. Het was niet om aan te zien. Ik wist zeer goed dat ik mij niet had verslikt. “Sorry,” stamelde ik, mij zorgen makend om wat net gebeurd was. Ik nam een slok van de spafles die op de salontafel stond. Dit leek mijn vermoeden te bevestigen. Ik nam opnieuw, discreet, een slokje van de wijn. Zo gauw de wijn mijn tong raakte, voelde ik hoe mijn keel werd afgesloten. “Help!” dacht ik, “Ik kan geen wijn meer drinken!” Helemaal geen wijn meer drinken zou teveel hebben opgevallen, dus liet ik de rest van de avond telkens discreet mijn kleine slokjes wijn weer mijn glas in lopen.Zo verging het mij ook de volgende dagen. Thuis stond er altijd wel een fles wijn open. Telkens ik een glas wilde drinken, moest de wijn mijn lippen nog maar raken, of mijn keel werd dichtgesnoerd. Ik besloot mijn huisarts te raadplegen voor deze toch wel levensvreugdebedreigende aandoening.“David, daar is iets bijzonders aan de hand. Ik zal je doorverwijzen naar een neuroloog.”  Zo gebeurde het dat ik na jaren een fervent wijndrinker te zijn geweest, gedwongen werd wijnproever te zijn.   Photo by Christian Bowen on Unsplash

Deef
6 0

Mijn vriendin

Ze hebben een filmpje gemaakt in haar laatste huis. Haar laatste thuis. Zelf staat ze er niet op. Niet meer. Haar vriendin zie ik wel in het filmpje. Wandelend in het bos, zoals wij ook samen deden. Meestal hetzelfde toertje. "Dit is de ring", zei ik dan, als we de auto's aan de rand van het bosje voorbij zagen scheuren. "Ze gaan er nogal vandoor", zei ze altijd. Het is iets om bij stil te staan. Ik zie haar vriendin lachen op het filmpje, zoals ze het vaak samen deden. Zeker die ene keer, toen ma haar tanden kwijt was en haar vriendin de verloren tanden onder het bed zag liggen. Ze schaterden het uit. Zelf hadden we alles afgezocht en binnenstebuiten gekeerd. Onze tanden in de zoektocht gezet. Maar ze waren nergens te bespeuren. God weet hoe ze daar terecht waren gekomen. In het begin kon ze de naam van haar vriendin moeilijk onthouden. "Mijn vriendin is nog hier geweest", zei ze dan. Of: "Ge weet wel, mijn vriendin." We wisten het wel. Och, als het leven een film was, zou er niemand naar de bioscoop gaan. Dan speelden we allemaal de hoofdrol. Wat eigenlijk zo is natuurlijk. Een beeld uit haar persoonlijke film was de voorschoot die ze van 's morgens tot de late namiddag droeg. Dat was in het eerste huis (voor ons, niet voor haar), waar het allemaal begon. Het is een treffend beeld van de moederschoot. Altijd in de weer, dikwijls in de keuken. In de geur zit onze sterkste herinnering. Het zijn vooral haar gebloemde keukenschorten die ik regelmatig in mijn hoofd zie opduiken. Misschien moet ik - als de nostalgische buien niet meer te stoppen zijn - er ook zo eentje aantrekken. Niemand die het weet.  

Rudi Lavreysen
12 0

De Liefde van de Man

Het struint door de dichte mist, blind als een mol. Maar ons heb helder zicht. Ons hoor het riet knikken. Ons voel zijn zuigende stappen in het veen. Ons ruik de stront tussen zijn billen.  Het zet nog een paar stappen. Ons voel het veen veren boven ons hoofd. Laat het verder lopen Aar. Laat het zich veilig voelen. Denken dat alles anders in het moeras net zo blind is als hij. Het kent ons niet. Oh nee, ons kent het nog niet. Het had in zijn hut moeten blijven.  Kom maar bij Aar.   Veen splijt en duwt ons omhoog. Het is niet ver gekomen nog, het gaat in domme rondjes. Zoekt het iets? Het deert niet. Óns zal het vinden. Ons zet een stap in zijn richting. Hard genoeg om ons te horen. Het lijkt het niet te merken. Ons zet nog een stap. Nu schiet het hoofd op van het lange lijf. ‘Is daar iemand? Wat..’ Het blijft staan en tuurt de mist in. Meestal rennen ze nu. Ons ren naar hem toe. Nu schrikt het pas. Het rent weg van ons, zwaaiend met zijn armen. Ons lach een schelle lach, maar de nevel maakt het dof. Met een blaas van ons lippen wijkt de mist.  Het kijkt om en ziet ons.  Ons lach een schelle lach. En pak hem.   Het hoest en maakt stikgeluiden. Ons rol met ons ogen. In het veen houd je je adem in je lijf. Het is zo dom als ons dacht. We storten langs het plafond ons huis in. Ons land plat op de voeten, maar het valt met een plof op de grond. Het ziet paars en ademt niet. Ons stamp een voet op zijn borst. Het buigt krom en hoest stukken grond op. Ons knik. Ons kan beginnen.   Ketel bruist en bubbelt, zoals ons graag zie. Ketel hangt midden in het huis. Hij is het centrum van ons kunst. Ons kreeg hem ooit van ons meesteres. Nee Aar, niet kreeg. Nam. De brouw zwelt al veel wenden. Zij is ook nog daar ergens, meesteres. Ons haal ons neus op en spuug in ketel.  Kook! Rijp! Til ons hoog! Ons roer en neem een lepel van de brouw. Ons loop naar de kooi. Het staat te wankelen op zijn benen. Het wrijft veen van zijn hoofd. Zijn ogen vallen op ons. ‘Ik heb u gevonden… Ik kan het niet geloven.’ Het heeft óns gevonden? Het is te hard gevallen zeker. Ons moet beter opletten volgende keer. ‘Aar? De veenvrouw?’ Ons stop. Het kent ons? Bij naam? ‘Ik.. Ik ben hier voor u!’ Ons denk na. Het deert niet. De wortels van de kooi wijken voor ons. Ons loop naar binnen. Lang is deze. Ons kom tot zijn hart. Maar niets is te groot voor Aar. Ons leg een hand op zijn arm. Het siddert voordat het lam wordt. Ons trek het op zijn knieën en wroet zijn mond open. De brouw glijdt naar binnen. Het biedt geen verzet. Ons laat de grip op zijn keel los om te zien wat het doet. Het drinkt gulzig terwijl het ons aan blijft kijken. Ons staar terug. Wat een vreemde. Ons laat hem. Terwijl ons eten maak en onder een berenhuid kruip klinkt gekerm uit de kooi. Goed. Zo moet het. Ons val in slaap bij dovende vlammen.   ‘Aar? Aar? Waar bent u?’ Ons krabbel terug naar wakker. Hoe lang heb ons geslapen? Te kort voel ons. ‘Aar?’ Het heeft ons wakker gemaakt. Tijd voor snijden. Ons kom bij de kooi, waar het op de knieën zit, zijn handen in elkaar gevouwen. ‘Oh dank u, dank u! Ik was zo alleen.’ Het aarzelt. Zijn voorhoofd druipt zweet van de brouw. ‘Gelooft u me niet? Ik ben hier voor u. Doe met me wat u wilt. Mijn wens is verhoord.’ Ons loop de kooi binnen en leg een hand op zijn arm. ‘Dat is niet nodig, echt.’ Ons doe het toch. Het wordt lam maar ziet en voelt alles. Ons pak zijn bovenste ooglid en snijd het met een nagel los van zijn hoofd. Het stukje vel met een rijtje haren bungelt voor zijn hoofd tussen ons vingers. Ons laat ons grip op hem los. Het ademt scherp in. Bloed stroomt in zijn oog dat nog half dicht kan. Het wrijft bloed weg maar het blijft komen. Het blijft wrijven. Maar het geeft geen kreet. Het slaat zijn ogen neer voor ons en buigt naar voren, als een reu zonder zaadballen. Ons loop weg.   Het vel verdwijnt in ketel. De drank rekt en vouwt zich. Een bel knapt content. Meer is nodig, dat is zeker. Maar het past. Het is wat miste. Een sliert brouw komt uit ketel en geeft het vel terug aan ons. Ons pak het en eet het. Ons proef wat het is dat past. Een onbekende smaak. Zoet, maar anders. Ons loop weer naar de kooi om het eens goed te bekijken. Zodra het ons ziet scharrelt het op de knieën. De kooi is vol schaduw. Ons maak vuur met een vingerknip. Dan maken ze hun monden heel wijd altijd. Ook deze. ‘Mag ik u iets vragen?’ Ons hef ons hand. Het sluit zijn mond en knikt zijn hoofd naar voren. Ons kijk ernaar. Het heeft zijn kleren uitgedaan. Door de hitte van de brouw denk ons. Het is groot, niet alleen lang. Onder het vuil glimt een huid licht als volle maan, en het heeft haren de kleur van stro. Ons breng ons hand omhoog. Het gaat staan. Tussen zijn benen hangt een lange pisser met grote ballen. Het verbergt zich niet zoals de anderen. ‘Kan ik iets voor u doen? Ik ben sterk en kan hard werken.’ Het buigt zijn hoofd wanneer ons naast hem kom staan. Ons pak zijn oor en trek het los van zijn hoofd. Het doet niets. Ons blijf een poosje staan, maar het blijft mak. Terwijl ons wegloop drukt het zijn hand tegen zijn oor.   Strohaar maakt zich nuttig later. Het maakt de vloer effen. Als ons slaap stookt het het vuur op. Het kan koud zijn in het veen. Het biedt me zijn vlees gewillig. Stukken die niet belangrijk zijn voor hem. Een lip. Een teen. Een oog. Als ketel de geest ervan heeft genomen, maakt het zijn eigen vlees klaar in een smakelijk maal. Ons smul ervan. Ons bood het hem aan maar hij wilde niet. Ons heb hem gedwongen. Het werd ziek. Nu eet het wortels. Er is een andere bij gekomen. Het liep in een groep van vijf. Deze gilden wel toen ze ons zagen. Ons koos er één omdat het ons aan Strohaar deed denken. Het zit in de kooi. Strohaar niet, Strohaar ontwijkt het. Wanneer het denkt dat ons het niet kan horen, praat het tegen Strohaar. ‘Broeder ik smeek je, help me hier uit te komen. We moeten haar doden. Er blijft niets van je over!’ Maar Strohaar ruimt en veegt en geeft en slaat er geen acht op. Wanneer ons zijn eerste ooglid los heb gemaakt, schreeuwt en vloekt het, en spuugt naar ons. De kooi knijpt het tot het stil is maar nog ademt. Strohaar ziet ons met het vel met de kleine haren. Het wendt zijn gezicht af maar ons zie zijn oog nat worden. Ketel neemt het vlees. De brouw golft en pakt de geest er uit. Het spuugt het vel uit. Het blijft plakken aan het veendak boven ons. Geen Strohaar, maar goed genoeg.    Ons neem vooral vlees van Geen Strohaar. Voor het slapen laat ons het voor ons dansen. Het doet Strohaar geen genoegen, maar hij kijkt. Hij doet alles voor Aar. Ons geef hem mos om op te liggen, en brouw om sterk te blijven. Als ons ons haren plat strijk maakt hij een groot oog en lacht met zijn blote tanden. Soms wordt zijn pisser groot. Het voelt dan warmer in het veen. Ons ben klaar om een poot te nemen van Geen Strohaar. Het zit weggedoken in een hoek. Ons open de kooi en loop ernaartoe. Het glipt langs ons voor ons het kan pakken. Rustig loop ons erachteraan. Ons hoor een gil en een bons. Strohaar houdt een stuk hout vast en Geen Strohaar ligt op de grond. Ons pak het bij de nek. Dood. Dood heb ons er niets aan. Ons word boos. Óns bepaal over de dood. Alléén Aar! Ons loop naar Strohaar, die het hout laat vallen. ‘Sorry,’ zegt hij. Ons hand schiet naar zijn arm maar stopt er vlak voor. Moet ons dit wel doen? Hij kijkt naar ons. ‘Ik hou van u.’ Ons hand sluit zich om zijn arm. Hij wordt lam. Met meer zorg dan ons dacht in ons te hebben, snijd ons zijn ene poot van zijn lijf, en daarna de andere. Ons geef hem brouw zodat hij niet dood gaat. Ketel neemt de poten gretig. De brouw verkleurt naar rode klei. Het is niet lang meer voor het ons hoog zal tillen. Laag bij de grond stooft Strohaar het vlees van één poot en pekelt het ander. Van het bot maakt hij soep. Ons smul ervan.   Strohaar kruipt naar ons toe. Hij hangt tegen ons been zoals hij doet. ‘Mag ik?’ Hij knikt naar ons schoot. Ons open ons benen. Ons zie alleen zijn haar terwijl hij van ons smul. Erna klimt hij op ons. Hij trekt aan zijn pisser en duwt zijn tanden tegen ons mond. Zacht aait hij ons haar. Dat heeft hij niet eerder gedaan. Ons ben verbaasd eerst. Hij haalt zijn tanden weg en hijgt: ‘Ik hou van je. Ik blijf voor altijd bij je.’ En dan weet ons het. Ons ken dit. Veel wenden geleden, van vóór ketel. Ons haat dit. Ons pak zijn pisser en ballen en trek ze van zijn lijf. Strohaar schreeuwt van schrik. Hij vouwt zijn handen en doet van sorry sorry sorry. Ons vertrek naar boven het veen. Bij nieuwe maan kom ons terug met acht hoofden van de hutten dichtbij. Ons gooi ze op de grond voor Strohaar. Hij heeft er geen oog voor. Hij smeekt ons om weer van hem te houden. Hij kruipt steeds achter ons aan en blijft om ons roepen. Ons kook van binnen, zoals ketel. Ergens weet ons dat Strohaar anders is. Zoet. Maar het is te laat. Ons heb besloten. De kooi pakt Strohaars armen en trekt hem omhoog. Ons kom voor hem staan, ons ben even lang als hem nu. Strohaar kijkt ons aan, water loopt uit zijn oog. ‘M..m..misschien wilt u nu stoppen.’ Óns bepaal! Ons snijd zijn tong los.   Ons heb er een met lang haar gepakt om voor ons te koken en huis te houden. Het kermt de hele dag, vooral als het Strohaar ziet. Hij kan niets meer nu ons ook zijn armen heb genomen. Ons had gehoopt dat het ons zo kon behagen als Strohaar deed. Maar het is niet zoals hij. Ketel deert het niet. Ketel is content. Maar ketel wil nog één ding van Strohaar. Zodat de brouw ons hoog kan tillen. Het lijkt of ons benen in veen blijven hangen als ons naar Strohaar toe loop. Ons kniel bij Strohaar. Hij kijkt naar ons met zijn oog. Blauw als de hemel op een dag zonder mist. ‘Het is bijna over,’ zeg ons. Strohaar heft zijn hoofd. Ons leg ons voorhoofd tegen het zijne. En snijd zijn hart los.   Langhaar komt binnen met een stoof van hart. Het ruikt zoet, maar anders. Terwijl ons eet denk ons aan ketel, midden in ons huis. De brouw is klaar. Zoveel wenden werk ons al daarvoor. Maar al wat ons wil proeven is het zoete hart van Strohaar. Ons tuur in de stoof. Water loopt uit mijn ogen.

Wet OpDeWalle
34 1

Na de duik

Net na het verlaten van de départementale 784 rijden we via een smalle weg naar onze vakantiebestemming. De meeste namen van de dorpjes die wij doorkruisen beginnen met ‘Ker’.  In het Bretons betekent het  ‘bewoonde plaats’. Het gehuurde vakantiehuisje ligt in een nieuwgebouwde wijk met een tiental woningen, iets buiten een ‘Ker’-plaatsje. Achter de huizengroep leidt een lange zandweg door een heuvelachtig ruig landschap naar een breed strand.Het huisje is kraaknet en ruikt nog naar nieuw. Volgens het verhuurkantoor zijn we pas de vierde familie die er intrekt. Er zijn drie slaapkamers. Beide dochters hebben ieder hun kamer, een extra garantie voor de nachtrust. Terwijl vrouwlief haar garderobe uitpakt en in de kast hangt,  vind ik in het nachtkastje naast ons bed een stationsromannetje in de Franse taal ‘Une valise mystérieuse à la gare Montparnasse’. Wanneer ik het boekje terugleg, valt er een handgeschreven blad uit met de boodschap: ‘Méfiez-vous de l’homme des caves’ (Hoed u voor de man uit de holen). Op de achterkant staat een plattegrond getekend. Ik stop het blad in mijn broekzak en haal mijn spullen uit de reiskoffer.Nog voor mijn huisgenoten zijn opgestaan, trek ik de volgende morgen mijn joggingpak en loopschoenen aan. Ik gris nog snel een handdoek mee en ren richting zee.In de vakantiefolder had men het over het smaragdkleurige water. Het klopt volledig. Dit is onweerstaanbaar. In een wip sta ik in adamskostuum en neem een duik. Heerlijk!  Op een lange strook kiezelstenen laat ik mij drogen in de ochtendzon en merk op enkele honderden meters een dobberend vissersbootje.  Ik voel mij bekeken maar niet vanaf het bootje. Wanneer ik mij omdraai, zie ik tussen de wilde begroeiing naast de toegangsweg een figuur wegduiken.Ik kleed mij aan, loop nieuwsgierig maar behoedzaam  naar de plek tussen de struiken en vind een hol waarin etensresten en een deken liggen.Het weer slaat plots om, de zee wordt woeliger, het vissersbootje is verdwenen. Ik loop terug naar het vakantiehuisje. De deur staat wijdopen. Ik kom op adem want het ruikt er naar verse koffie. In huis is niemand meer aanwezig …  

Vic de Bourg
7 3
Tip

Zien is weten

[Let op, deze tekst gaat over seksueel misbruik.] Zien is weten Hij had een erectie. Verdomme, hij had een erectie! Neen, het was niet het eerste dat ik zag, misschien wel het laatste. En ik kende die erectie zo goed… God, ik had hem in mijn mond gehad, en hij vond het fijn? Hij vond het toch fijn? Dat hoorde ik toch aan zijn gehijg en gekreun? Ja, ik kende er ieder plekje van. Het eerste wat ik zag, was mijn dochter. Niet naakt, dat niet. Tussen zijn benen, dat wel. En zijn hand onder haar rokje, dat heb ik me niet verbeeld. Ik heb dat toch niet verbeeld? Zijn hand onder haar rokje. Ze leek het niet zo heel erg te vinden. Wel een beetje ongemakkelijk, alsof ze instinctief wist dat het tonen van je erectie niet op het curriculum van een vader stond. Ik sloeg de deur dicht, alsof niet hij net met zijn gore handen aan mijn dochter had gezeten, maar ik hem op masturberen had betrapt. Zijn hand onder haar rokje. Haar blik van ongemak, een heel klein beetje schaamte. Dat vergeet een moeder niet. Nooit. Hijgend stond ik voor de deur, alsof ik degene met een erectie was. Maar ik had geen erectie. Verre van! Al het bloed stroomde uit mijn hoofd, en ik moest lijkbleek zijn geweest. Daar stond ik met een nietsziende blik op die deur gericht, waar ik net mijn kind… met haar vader… haar vader! Nog geen minuut later ging de deur open. Hij was gekleed nu. De bubbel in zijn broek was nog net te zien. “Schat, het is niet wat je denkt!” Zeggen ze dat niet allemaal, wanneer het juist wel is wat je denkt? Als ze met een ander in bed liggen te flikflooien: “Het is niet wat je denkt!” Als ze al kussend een hotel binnenstappen: “Het is niet wat je denkt.” Als je ze hand in hand op straat betrapt: “Het is niet wat je denkt!” En al die dingen die niet zijn wat ik denk, hadden mij voor mijn huwelijk doen vechten. Maar niet dit. Niet dit. Ik zei niets. Ik staarde naar zijn borst, niet eens naar zijn gezicht. En kon alleen maar denken: mijn kind… met haar vader! Haar vader! “Ik gaf haar gewoon wat voorlichting… Daar had ze om gevraagd… En het is wat uit de hand gelopen.” “Uit de hand gelopen,” lalde ik hem apathisch na. Hoe kan zoiets uit de hand lopen? Met je eigen kind? Je eigen kind dat nog geen tien is: “Hier, kijk wat ik krijg van jou. Wil je het even aanraken?” Zo uit de hand gelopen? Ik probeerde me te herpakken, omwille van mijn dochter… Nu, nu echt, moest ik haar moeder zijn. Ik richtte mijn ogen naar mijn kind dat wat ongemakkelijk midden in de kamer stond, haar handen vroom tegen haar kruis, haar blik gericht naar haar voeten die schuin naar elkaar toe stonden. Alsof ze straf verwachtte. “Schat, ga naar je kamer alsjeblieft,” ik zei het zo zacht, dat het amper hoorbaar was. Ik wou vooral niet de indruk wekken dat ik boos was. Boos op haar. Ik was niet boos. Niet op haar. En eigenlijk ook niet op hem. Maar op dat moment was ook alle liefde die ik ooit voor hem had gevoeld, verdwenen. Ik voelde een intense haat, alsof ik misbruikt werd. Zoals ik het altijd had gevoeld voor iedereen die met zijn handen aan kinderen zat. Ik had nooit gedacht dat ik er één in huis had genomen. Ik boorde mijn ogen in de zijne. “Hoe lang is dat al bezig?” “Schat, er is niets bezig… Het is gewoon een misverstand.” Een misverstand? Ik had net mijn man betrapt, halfnaakt, en niet het juiste deel was naakt, met mijn kind - ik kon niet langer denken in termen van ons kind – maar dat was een misverstand. Wat was een misverstand? Zijn erectie, of zijn hand onder haar rokje? “Ik wil dat je gaat,” ik zei het zo kalm en zo koud, dat er wel ijspegels aan mijn lippen konden blijven kleven, maar als hij niet zou gaan, als hij zou tegenstribbelen, als hij ook maar zijn hand zou uitstrekken om mij aan te raken, dan zou ik hem vermoorden. Vermoorden, desnoods met mijn blote handen. Zijn huid van zijn lichaam krassen, alsof hij een konijn was dat ik vilde. “Schat…” Ik huilde. Ik had het eerst niet door. Maar toen voelde ik dat mijn kaken doorweekt waren. “Ga!” zei ik. Luider nu. Wanhopig bijna. Ik weet niet wat hij zag, maar hij stribbelde niet tegen. Mijn blik verroerde zich niet, terwijl ik hem de trap hoorde afdreunen naar beneden. Ik staarde naar de stoel in zijn kantoor. De stoel waarop het was gebeurd. Waar zo-even zijn erectie tentoon werd gesteld aan mijn kind, die nog geen erectie in levende lijve te zien moest krijgen, en al zeker niet van haar vader, een man van vijfendertig. We hadden die kamer samen ingericht. We hadden eigenlijk een groot huis. Vier slaapkamers, met twee kinderen... zou hij aan Anne, van zeven, ook? Ik mocht er niet aan denken. We hadden hem samen geschilderd. In het bruin. Hij wilde een echte mancave, met een lederen fauteuil, een tv, een computer, een eikenhouten bureau en lederen bureauzetel. Ik zou hem in die tijd, en eigenlijk tot vijf minuten geleden, alles gegeven hebben, alles vergeven hebben. We hadden na het schilderen in deze kamer gevreeën. In deze kamer had hij mij zijn erectie getoond. Of liever: ik had hem zelf uit zijn broek gehaald. Zou hij dat aan mijn dochter ook gevraagd hebben: “Net als je mama”? Ik rookte al bijna tien jaar niet meer, maar op dat moment had ik een peuk goed kunnen gebruiken. Ik moest denken aan de eerste keer dat ik hem had ontmoet. Hij was leerkracht geweest in de basisschool waar ik stage ging lopen. Hij was niet veel ouder dan ik, maar wel al afgestudeerd. Ik werd verliefd op de manier waarop hij met de kinderen omging: eindeloos geduldig was hij, en alles konden ze aan hem vragen. Toen dacht ik: zo’n leerkracht wil ik ook worden, een baken van hoop voor de kinderen… Een steunpilaar, die hen altijd serieus zou nemen, wat ze ook te vertellen hadden. En dat werd ik ook. Zijn vrouw werd ik twee jaar later. Het geduld dat hij met de kinderen had, had hij ook met mij, want ik kan best wel irritant zijn. Ik kon me geen betere vader voor mijn kinderen indenken. Heel dat beeld was nu niet meer dan een sprookje van lang geleden. Hoeveel kinderen? Hoe vaak? Ik zag hem niet langer als een zorgzame leerkracht, liefdevolle vader. Ik zag hem als een roofdier, op zoek naar een prooi. Een wolf in schaapskleren. Ik snikte nu. Ook dat had ik in het begin niet door. Maar toen hoorde ik mezelf. En ik maande me meteen aan te stoppen. Ik had geen tijd voor verdriet, of angst, of voor welke emotie dan ook. Nu moest ik er zijn voor mijn dochter. Mijn dochter van negen… Die net de erectie van haar vader had gezien. Zijn handen had gevoeld. Hoe moest ik dit in godsnaam aan haar uitleggen? Ik nam gulzig adem en veegde mijn wangen droog, alvorens ik naar haar kamer slenterde. Ze zat op het bed, bijna zoals ze in de kamer had gestaan: haar handen zedig gevouwen op haar schoot, haar voeten naar elkaar toe, haar blik daarop gericht. Ze had een wit jurkje aan, die afgewerkt was met kant. Ze knarste haar tanden, ik zag het aan de beweging van haar mond. “Het spijt me, mama.”

Malakh Ahavah
338 3

In het spoor van verwondering

"Snel, klauter omhoog.” kirde ze. Enthousiast bewoog ze en wees, op een manier dat ze niet naar beneden tuimelde. Ze leidde enkel met haar scherpzinnige blikken en handgebaren haar broer de weg naar de top. Die bereikte hij verbazingwekkend snel voor een zevenjarig ukkie. Hij zette zich voorzichtig naast zijn zus neer. Hoog verstopt in de toppen zaten ze veilig, leunend tegen de ruwe stam van de zomereik. Reikhalzend tuurden ze over de boomkruinen, naar het uitgestrekte landschap dat zich voor hun ogen kenbaar maakte. Het betoverde hen. “Welke geheimen verbergt dit allemaal?”, dacht Simon bedeesd, al speelde er een kleine grijns om zijn lippen, die volledig wees op een naderend avontuur. Hasse liet haar blik meevoeren, mee met de pikzwarte raaf, die zich loom liet meedrijven op de warme luchtstroom. Het vloog haast tegen de late zomerzon aan, maakte haar kinderlijke fantasie haar wijs. “Psst!”, een hand zwaaide voor haar ogen. Simon haalde haar uit haar dagdromen. “Hasse, kijk.”, fluisterde hij haar toe, zijn pientere ogen straalden.  Simon wees trillend van opwinding naar een plek vlak onder hen. Hasse’s ogen scanden de dichtbegroeide omgeving en reikten naar de open vlakte verderop. Rechts van haar zag ze een frivool fladderende vlinder. Een bont zandoogje, wist ze. Het vloog lustig in het rond, tot het landde verder weg.  Toen zag ze het. Simon’s ogen kleurden in allerlei tinten, vol verwondering. Daar liep het. Een schim, struinend doorheen de bomen, geen acht werpend op de twee mensenkinderen hoog verstopt in het nog dunne bladerdek. Het wurmde zich elegant door de lage begroeiing. Doorheen de duinen versnelde het van tempo. Alsof het zich haastte om de laatste toegangspoort die de weg tussen land en zee scheidde te bereiken. Sporen waren het enige wat het achterliet, ook al verdwenen deze al even snel als ze achtergelaten werden. De scherpe zeewind kende geen genade en nam alles wat op haar pad kwam met zich mee. Als een wervelwind belicht door de al laagstaande avondzon stuwde het de schim vooruit. Dat gaf het een verbazingwekkende kracht, of zo leek het toch voor Hasse en Simon. Of gaf het hen juist moed? Hasse zag hoe haar anders zo voorzichtige broer haast als een zwaluw naar beneden vloog. Een donkerbruine bos krullen was het laatste wat ze van hem zag. “Simon, wacht toch!”, maakte ze haar boos.  Met een laatste blik naar de hemel gericht, zag ze hoe een buizerd hoog boven haar zweefde. Het was alsof de roofvogel haar het vertrouwen gaf dat ze juist in dit onzekere moment nodig had. Met een lynx-achtige sprong, waarvan ze zelf niet wist dat ze deze bezat, landde ze op de zanderige ondergrond. Ze rende en rende, door de duinen die haar stevig vertraagden. Toch, was ze sneller dan ze ooit had durven dromen. Simon rende vrolijk verder. Hij had een doel, even vergat hij zelfs dat hij een zus had. Tot ze lachend en brutaal grijnzend hem voorbij stormde.   “Ik ben sneller, haha. Bedankt om me te vergeten.”, lichtjes nijdig stak ze haar tong uit en weg was ze. Simon remde zijn snelheid af en staarde licht beteuterd voor zich uit. Hij zag nog net hoe een paar stevige kuiten de heuvelachtige duin omhoog renden. “Pfff.”, hij wiebelde en viel. Een tapijt van lamsoor ving hem op. Met een knikje bedankte hij de zoutminners in stilte.  Eénmaal de top van de torenhoge duin bereikt, zag hij zijn zus rustig en dromerig voor zich uit staren. Puffend kwam hij tot bij haar en ze gebood hem om naast haar te komen zitten, zonder haar blik af te wenden van datgene wat Simon niet meer opmerkte. Tot hij keek en zag.  De schim liep op een draf langs de kustlijn. Het liep synchroon met de gloeiende zon, die verdween in de golven van de kalme zee. Ook al kwam de zeespiegel hoger dan ooit en hielden de dijken voorlopig stand, deze twee kinderen die opgegroeid waren in de buurt van het Zwin Landschapspark waren gewend aan de extremen waar ze werden aan blootgesteld. Toch, wie goed keek, zag in de verte - en overal - tekenen van een duurzame vooruitgang en ook vandaag, liet de biodiversiteit het niet afweten. Broer en zus zaten zo een hele tijd, naast elkaar leunend, tot de schim enkel nog maar een vage vlek was. Het donker viel, de sterren kwamen op en zij waren verzonken in het moment en in de gedachte dat wat ze vandaag hadden meegemaakt wel heel bijzonder was.

Zonsondergangdromen
72 0

De waarheid: Hoe de Tip Van De Week van M. De Ridder over MCH tot stand kwam

Ianthe wreef in haar ogen, gaapte naar een griet in rode lange jas die voor haar verscheen, staarde naar de witte bloemen in haar haar, glimlachte zuinig, zag dat het bloemenmeisje naar de vrije stoel aan haar tafeltje wees en nam schuifelend plaats. Wat doet een bloemennimf in Café Sport? ‘Ik ben Marjan,’ zei ze met een stem als een boterbloem. ‘Marjan De Ridder. Ik ben dichter -slash- rapper, schrijver, illustrator en leerkracht.’ Ianthe schudde haar hand, een hand met op de nagels bloemetjes getekend. Nagelillustraties? Een klasjufje dus. Wat moest die van haar? Ianthe zei niets en liet de hand met de bloemennagels los. ‘Je vraagt je waarschijnlijk af, wat ik hier kom doen? En waarom ik naar jou vroeg?’  Asjemenou, een helderziende dichter -slash- rapper! Ianthe kon een zucht door haar tanden niet onderdrukken. Ze keek Café Sport rond, zag geen bekenden en bracht haar hoofd dichter bij Marjan. ‘Mevrouw De Ridder, dichter -slash- rapper, waar kan ik jou mee helpen, want dat doe ik graag als altruïst -slash- Wereldverbeteraarster. Wist je dat er mensen zijn die beweren dat altruïsme niet bestaat? Dat anderen helpen, de straat oversteken bijvoorbeeld, puur egoïsme is? Maar dat is niet waar, mensen streven niet het puur maximale na, ze laten graag nog iets over voor anderen.’ Marjan leek even van haar stuk, herpakte zich, haalde een A4-tje uit haar aktetas en schoof het op tafel, richting Ianthe. ‘Lees dit,’ zei ze dwingend. “Wie is er gek? of One step d'r out!' van MCH” stond als titel gedrukt. Wie is er niet gek, dacht Ianthe. ‘Je moet mij helpen,’ zei Marjan, ‘ik zit helemaal vast. Ik hoorde van de redactie van AZF dat jij hier expert in bent. Ghostwriter zelfs.’ ‘AZF… die klotebende, rotmongolen,’ mompelde Ianthe. ‘Ben ik mee gestopt,’ herpakte ze zich, ‘bracht niets op.’ ‘Ik heb geld, veel geld,’ zei Marjan. Ianthe trok een wenkbrauw op. Veel geld? Als leerkrachtje zeker, dacht Ianthe, met nagels illustreren zal het ook niet binnenstromen.  ‘Ik geef je tweeduizend als je een recensie over dit topstukje schrijft.’ Dit wijf is gek, dacht Ianthe, tweeduizend lire? Of roebels? Kusjes? Ze is niet mis, misschien een trio met Alberto? Werkt ze als lichtekooi? Daarom zoveel geld? ‘Euro?’ vroeg Ianthe. ‘Wat anders?’ Dit wijf meende het. ‘Voor een paar lijntjes?’ Misschien bedoelt ze drugs? ‘Ianthe, het is een meesterwerk. En van MCH!’  Who the fuck is MCH, dacht Ianthe? Dit kind snuift lijm, of flipt van de boterkoekjes. ‘Doe je het?’ vroeg ze smekend, met lippen als een eend. Smeken als een eend? Duckface flowergirl kent de poses niet. Gelukkig waant ze zich geen actrice. Ik laat deze malloot vooraf betalen, dacht ze. ‘Isgoe,’ zei Ianthe, ‘het verlangen om goed te doen, de drang naar juiste kennis en de zoektocht naar schoonheid is voor mij belangrijk.’ Tweeduizend flappen ook, dacht ze. ‘Oh, kan je vooraf betalen? Handje contantje?’ Marjan De Ridder haalde vier briefjes van vijfhonderd uit haar portemonnee alsof het briefjes van vijf euro waren. Mevrouw De Ridder is loaded! Ianthe nam de briefjes aan, plooide ze in vier en stak ze in haar decolleté.  ‘Deal! Je topstukje krijgt een recensie van jouw hand, enfin de mijne, maar in jouw naam. Had je al iets bedacht?’ Marjan nam een tweede vel papier uit haar tas en legde het bovenop het eerste. ‘Nog niet veel,’ zei ze blozend. “One step beyond. MCH kopt in het kortverhaal “Wie is er gek? Of One step d’r out” meteen binnen met impressies van een verhouding tussen huurder en verhuurder.” ‘Niet slecht,’ mompelde Ianthe, ‘helemaal niet slecht.’ Ze schraapte haar keel. ‘Ik snap waarom je mij verzocht. Deze openingszin is loos, platjes, droog, niet fleurig, zou jij moeten weten, met je bloemetjes in je haar.’ ‘Ik weet het Ianthe, het mist bloemetjes.’ ‘Precies,’ zei Ianthe smalend, ‘impressies is te gewoontjes, maak er sfeerische impressies van, dat verstaat geen kat, maar toont dat jij niet gewoontjes bent, speciaal bent, dat je niet gewoon een dichter bent, of een rapper, maar een dichter -slash- rapper, begrijp je?’ De bloemen op haar kop knikten. ‘Zelfde probleem met verhouding, enfin, omgekeerde probleem, dat woord is te zwaar, te heftig, heeft iets nodig, iets zachter, bijvoorbeeld banaal, maak er banale verhouding van en je openingszin is af.’ ‘Wow,’ zei Marjan, ‘ze overdreven niet.’ ‘Die losers van AZF?’ vroeg Ianthe, dacht aan de tweeduizend op haar tieten en las de tweede zin. “Elke zin is een vuist.”  ‘Serieus, mevrouw de Ridder?’ zei Ianthe. ‘Dit lukt misschien in het eerste leerjaar, of geef je les in de peuterklas? Zinnen in een recensie verdienen lengte. Doe bijvoorbeeld volgende.’ Ianthe schrapte vuist, verving het door gebalde vuist en vulde de zin aan zodat ie klonk als een klepel: “Elke zin is een gebalde vuist in een aanslepende ruzie tussen de twee hoofdpersonages.” ‘En dat kan jij zonder de tekst gelezen te hebben?’ schrok Marjan. Ianthe haalde haar schouders op. Ik kan alles voor tweeduizend ballen, dacht ze. Meer had Marjan niet.  ‘Dus zover zat je?’ vroeg Ianthe nodeloos, meer om haar belang te onderstrepen, te benadrukken dat ze die tweeduizend waard was. ‘Hier zit ik vast,’ zei Marjan. ‘Het is een kortverhaal, juist?’ zei Ianthe. ‘Dus het is een verhaal, maar toch is er ruimte, en omdat er te weinig gezegd wordt, weet de lezer niet alles, juist?’ Marjan knikte instemmend. ‘En er is conflict, dat is er altijd? In een tijdspanne?’ ‘Weet ik niet,’ zei Marjan. ‘Doet er niet toe,’ zei Ianthe, ‘wat denk je van volgende: “Het kortverhaal is compleet maar laat ruimte voor mijmeren, laat de lezer twijfelen over wie of wat nu de meeste olie op het vuur gooit. In enkele zinnen toont de schrijver hoe waanzin in de mentale toestand van beide betrokkenen sluipt. Doordat de schrijver verschillende highlights in de week van de figuren opgooit en handige schijnbewegingen maakt in de tijd-ruimte interpretaties doorheen het verhaal krijgt de eigenlijke inhoud van de verhaallijn nog meer gewicht.” Marjans mond viel open. Ze staarde naar Ianthe al zag ze een geest verrijzen, op de muur kloppen en driemaal naar de wc gaan zonder doorspoelen. ‘Die MCH,’ zei Ianthe toen Marjan bijgekomen was, ‘heeft hij iets van een eigennaam gebruikt?’ ‘Madness, dacht ik,’ zei Marjan. ‘Madness?’ herhaalde Ianthe. ‘Dacht ik toch, wacht, check de tekst.’ Marjan greep het blad onder het vel papier waar Ianthe op schreef. ‘Niet nodig,’ zei Ianthe en hield haar tegen. ‘Madness will do.’ Ze schreef verder: “Toch weten we niet wie Madness is en of de gekte in het huis zit, in het hoofd van de verteller, de sfeer of de personages. De woorden hebben nog laagjes.” Laagjes, dacht Ianthe, dat werkt altijd. Toujours, dacht ze, een Frans of Engelstalig woordje gebruiken, dat werkt ook altijd. Maar is misschien hier niet nodig. Het is een ijzersterke tekst, vond Marjan. Dan mag dat nog eens gezegd. ‘Viel er je nog iets bijzonders op, aan die tekst, bedoel ik, niet aan het leven in het algemeen, of aan de stand van de maan, of aan hoe hier in café Sport de mannen scheef aan de toog hangen.’ Marjan keek naar de mannen aan de toog, likte haar lippen en tuurde opnieuw naar het blad waar Ianthe zo meteen nog een zin op zou kliederen. ‘Wel, euh,’ stamelde Marjan, ‘eigenlijk wel. Ik begreep niet goed waarom MCH op het einde er plots twee andere figuren bijsleurde. Dat leek me overbodig.’ ‘Overbodig,’ herhaalde Ianthe, ‘daar kunnen we wat mee.’ “Wanneer de schrijver dan op de valreep nog twee extra personages introduceert, klikken alle zinnen in een context en krijgt de lezer pas een resoluut besluit op zijn bord.” Ianthe las de recensiezin voor en Marjan lachte hardop, als een manische patiënt die te horen kreeg dat er nieuwe pillen uitgevonden werden, en dat zij als testcase uitgekozen werd. ‘Prachtig,’ siste Marjan. ‘Waarlijk prachtig, echt prachtig, zeer prachtig.’ Voor een dichter -slash- rapper toch arm van woordenschat, dacht Ianthe. Ach wat, rijk met geld, niets dat met euro's niet opgelost kan worden. Essentie vinden, daar kwam het nu op aan. ‘In drie woorden, Marjan, waar gaat dit stuk over?’ vroeg Ianthe. ‘Drie woorden?’ De bloemen in haar haar leken te verwelken, drooggezet door de moeilijke taak. ‘Of vier, maar niet meer, gewoon wat is de essentie, als er al een is, want essentieschrijvers, dat vind je niet veel meer, en al zeker niet op AZF. Je vond dat verhaaltje toch daar? Of heb je stiekem het uitgeknipt van een echte literatuursite? Alhoewel, met die start: One step beyond.’ Ianthe gniffelde even, tokkelde met haar vingers op de tafel als waren de vingers astronauten die de maanlanding oefenden, schraapte haar keel en herhaalde haar vraag. ‘Drie à vier woordjes dus, Marjan, over dit topstukje.’ ‘Goh,’ zei Marjan, ‘iets over een dakappartement en dat die kerel rare dingen doet om geen lawaai te maken en met een oud wijf die hem weg wil of zo.’ Tellen geeft ze niet, dacht Ianthe. Een, twee, drie, vier, hoedje van, hoedje van. Spuwt dat kind hier zowaar de langste zin uit in het hele gesprek, terwijl duidelijk drie á vier woorden gevraagd werden. Die leraresjes luisteren niet. Of verzon ze dat lerares zijn ook op haar cv? Schrijver en illustrator, dat is iedereen met een pen en papier. Maar moet je voor lerares geen opleiding genieten? Is dat geen beschermd beroep? Zou het wel moeten zijn, vond Ianthe. Voor de toekomst van de kinderen, en dergelijke. ‘Let op,’ zei Ianthe, schreef en las daarna voor: “Dit verhaal klimt tot in de nokjes van een fantastisch-realistisch studioappartement, vernielt de onschuld van oma’s en verkent de mentaal ongezonde compromissen die vaak voorkomen in een ongelijke machtsrelatie. De schrijver doet dit op zo een vrije en amusante manier dat ik het flitsverhaal graag zou zien doorgroeien tot een novelle of roman.” ‘Tot een novelle of roman?’ vroeg Marjan. ‘Weet ik veel,’ zei Ianthe, ‘is dat niet een mooi compliment, en tegelijk gebruik je de magische ik-zin, trek je jouw wil erbij, over wat jij - want daar gaat het toch om - wil. Dat jij verdomme wil dat die MCH jou een novelle schrijft, of God betert het, als hij echt wil, als hij echt jou wil plezieren, als de muze met bloemetjes in je haren die je draagt, een roman!’ De ogen van Marjan glinsterden, de kaken bloosden, en mocht Ianthe niet beter weten, ze leek te dompen op haar stoel. Dit grietje werd hier geil van. En Ianthe werd ervoor betaald. Betekende dit dat ze… Aan wat anders denken, dacht ze. Kan ik hier nog meer geld uitsleuren? Zoals het een echte professional betaamd? ‘Vind je dit goed genoeg?’  ‘Goed genoeg? Het is meesterlijk, Ianthe!’ Marjan klapte in haar handen. ‘Dit is de beste recensie ooit verschenen op AZF.’ ‘Dat kan wel zijn,’ zei Ianthe, ‘maar voor vijfhonderd extra, word jij de held van de recensie?’ ‘Vijfhonderd is geen probleem, maar hoe dan, hoe ga je dat flikkeren?’ Ianthe stak haar hand uit en vormde een kommetje. ‘Handje contantje?’ ‘Tuurlijk, dom van me,’ zei Marjan, nam nog een briefje, plooide het in vier, leek zich even te bedenken of ze het in Ianthes decolleté zou proppen, maar besloot dan toch het gewoon in het kommetje te leggen. Ze liet niet na Ianthes hand te strelen. ‘Thanks,’ zei Ianthe, ‘watch and learn. One step beyond!’ Ze nam haar pen en in één vloeiende beweging schreef ze: “Ik kon alleen maar denken: heerlijk toch zo een beetje drijven tussen absurdisme, ruzie en geluidsoverlast. En vond als podiumdichter (slampoëet) een soort punchline in een kortverhaal, maar daar zoekt u zelf maar naar. Eén ding is zeker: MCH maakt in dit verhaal geen enkel ongezond compromis.” Ze bekeek het vel papier. Best slordig handschrift heb je Ianthe, dacht ze. Ooit wordt dit ingekaderd, opgehangen in Tate Modern en zullen duizenden ernaar staren en de goddelijkheid bewonderen. Ianthe draaide het vel papier naar Marjan, die het gretig vastnam en luidop las. Toen ze slampoëet bereikte, schokte haar stem en liep een traan over haar wang. ‘Bedankt Ianthe,’ ze stond op, omhelsde Ianthe, kuste haar vol op de mond en probeerde haar tong binnen te wurmen. Ianthe beet op haar tanden. ‘Sorry Ridder,’ zei Ianthe, ‘dat is voor Alberto.’ ‘Ken ik Alberto?’ vroeg Marjan. ‘Neem je werkje, ga naar huis en typ het over.’ Ianthe keek hoe Marjan haar spullen pakte en Café Sport buitenwandelde. Geen foute kont, dacht Ianthe, waarom ben ik zo trouw aan Alberto?  Ze streelde de briefjes door haar borstenhouders. Tweeduizend vijfhonderd flappen.     (De personages in dit fragment zijn verzonnen; elke gelijkenis met bestaande plaatsen, met gebeurtenissen, met levende en/of dode personen, berust louter op toeval.) (Vrij naar 'Tip van de week van 30/03' in opdracht van MCH)

TonyCoppo
87 1