Lezen

Stilte aan het front

Een herfstdag in oktober 1917 [Flashback] Ik dwaal rond over de grijsgrauwe slagvelden rond Ieper. Het is nog vroeg in de ochtend. Rondom mij een mistig landschap van alleen maar kraters, prikkeldraad en vernieling. Het lijkt wel alsof ik word opgezogen door het niemandsland en de duizenden lijken die haar bewonen. Ik vergeet zowaar even dat we in een offensief zitten. Kanonnen bulderen, geweren blaffen en granaten slaan in. Nog meer dood en verderf. Alsof er nog niet genoeg is geweest. Ik was nooit een voorstander van deze oorlog. Kanonnenvlees, meer dan dat zijn we niet voor de grote heren die deze oorlog zijn begonnen. Wijt het aan mijn karakter of aan het feit dat ik het nut er helemaal niet van in zie. Ik voel echt niet de behoefte om wat Duitsers neer te knallen voor een beetje roem. Thomas is wel zo. Die meldde zich zelfs vrijwillig aan om hier te mogen vechten. Wat waren mijn ouders trots op mijn kleine broer. “Ach, leek je maar wat meer op Thomas!”, hoor ik vader nog zeggen. Een mortier slaat dichtbij in. Het haalt me weg uit mijn gedachten, terug naar het front. Waar is Thomas zelfs? Zojuist liep hij nog vlak langs me. Haastig begin ik rond me te kijken in de hoop hem terug te vinden. De dikke mist beperkt echter het zicht zodanig dat ik enkel wat vage schimmen kan onderscheiden. Ik zet al mijn hoop in op de figuren die een paar luttele meters voor me lopen. Twijfelend ga ik naar ze toe. Wat als het Duitsers zijn die hier vlak langs me staan? Ik heb geen flauw benul in wiens voordeel de slag uitdraait. Het moet voor Thomas, praat ik mezelf moed in. Met mijn bajonet in de aanslag nader ik de soldaten. Niet dat ik me hier zou weten te verdedigen tegen een groepje van de vijand. Toch geeft het me ergens een gevoel van veiligheid. Ik roep mijn kleine broer. Geen antwoord natuurlijk. Kan ook moeilijk anders als de kanonnen geen moment zwijgen. De grond davert door een enorme explosie dichtbij. Wankelend probeer ik mijn zoektocht verder te zetten. De soldaten zijn inmiddels verdwenen in de kille mist die boven het niemandsland zweeft. Verdorie! Wat als dat Thomas is? . . . . Mijn ogen openen zich. Een fel brandend licht schijnt me recht in het gezicht. Het is stil. Oorverdovend stil. Ben ik dood? Is dit God die me bij zich roept? Stilaan wennen mijn ogen aan het licht en ik bemerk enkele contouren die langs me lijken te staan. Dan lijkt mijn gehoor terug te keren. Een sterk geroezemoes overweldigt me. “Naam?” kan ik precies onderscheiden uit de drukte. Ik voel me suf. Alsof alle kracht uit mijn lichaam is weggevlucht. Gaan lopen voor de Duitsers. Duitsers? Waar ben ik eigenlijk? Waar is het slagveld en waar is Thomas? Ik probeer te achterhalen waar ik in godsnaam ben terechtgekomen. Ik lig op een bed. Vastgebonden, zo lijkt het wel. Een koor van geschreeuw en gejammer dringt mijn hoofd binnen. Geen enkele geur dringt tot me door, mijn reukzin heeft me duidelijk in de steek gelaten. Ik wend mijn ogen af van het intense licht en probeer rondom me te kijken. Eerst zie ik de gewonde soldaten. Dan hoor ik ze. Moedeloos schreeuwen ze het uit van de pijn. Alsof ze er liever gewoon een einde aan willen maken. Langs mij blaast iemand zijn laatste adem uit. Eentje minder die moet lijden op deze gruwelijke plaats. Maar waarom lig ik hier dan? “Naam?” herhaalt iemand nu harder. Mijn oog valt op de verpleegster en de dokter die langs mijn bed staan. Beiden gehuld in een schort die misschien ooit wit was, maar die benaming al lang niet meer waard is. “Naam?” vraagt de dokter nogmaals. “Dokter, ik denk niet dat hij in staat is om op uw vragen te reageren,” richt de verpleegster zich op een voorzichtige manier tot haar meerdere. “We hebben hem iets gegeven om te kalmeren.” “Op het eerste zicht heeft hij geen verwondingen,” steekt de dokter van wal. “Hij bloedt zelfs niet eens! Waarom sturen ze zo een lui naar ons!” De dokter komt me niet bepaald vriendelijk over. Ik heb medelijden met de mensen die hem een hele dag moeten verduren. De verpleegster lijkt enigszins geschrokken door de toon van de dokter. “Toen hij hier binnen werd gebracht had hij een ernstige paniekaanval en riep hij constant de naam van een zekere Tom of Thomas. Hij was zo onrustig dat we hem moesten vastbinden en platspuiten.” “Ach, weer eentje die niet snel genoeg van het front weg kon zijn dus,” begint de dokter woedend terwijl hij zijn rug naar me toekeert. “Dit is toch geen plaats om een paar lafaards op te vangen die doen alsof hen iets mankeert, gewoon om de oorlog te ontlopen!” “Hij heeft zijn beide armen en benen nog,” gaat hij verder “Hij heeft hier niets verloren. We sturen hem terug naar het front.” “Dokter, u weet toch dat we sinds kort patiënten zoals hem moeten doorsturen naar een psychiatrische veldhosp…,” de verpleegster wordt abrupt onderbroken door de dokter. “Die charlatans met hun gezever over emoties en mentale verwondingen. Doe wat je niet laten kan. Ik moet hier écht medisch werk verrichten. Soldaten die écht gewond zijn!” De verpleegster is duidelijk aangedaan door de onverschilligheid van de man langs wiens zijde ze al zovele soldaten heeft verzorgd. Wanneer ze doorheeft dat ik haar al een tijdje aankijk, komt ze plots naar me toe. Nu ze zo vlak langs me staat zie ik haar gezicht pas echt goed. Haar jeugdige en onschuldige uitstraling verraadt dat ze niet veel ouder is dan achttien. Een bos donkerbruin haar, chaotisch in een dot opgestoken, gaat schuil onder haar verpleegsterskapje. “Hij is niet altijd zo hoor,” vangt ze aan terwijl ze me met haar helderblauwe ogen aankijkt. “Zijn zoon sneuvelde echter een tijdje geleden en nu kan hij soms wel eens nors overkomen.” “Ach, ik heb niet echt meegeluisterd,” lieg ik. “Je bent je tong dus toch niet verloren,” grapt ze terwijl ze haar glimlach voor de eerste keer ontbloot. “Waar ben ik? En wat doe ik hier?” vraag ik aan de verpleegster. Ik wil nu echt wel eens antwoorden krijgen. “Je bent in het veldhospitaal nabij Ieper. Ze vonden je in een krater op het slagveld, helemaal alleen en in shock.” Ze kijkt me bezorgd aan alsof ik een kleuter ben die net van zijn fiets is gevallen. “Laat me je even losmaken. Het ergste lijkt me wel voorbij te zijn.” Haar aanwezigheid doet me vergeten dat ik ben vastgebonden. “Waar is Thomas?” vraag ik verontrust. “Thomas. Dat was het,” zegt ze enthousiast alsof ze net een weddenschap heeft gewonnen. “Waar is hij?” Opgelucht kijk ik rondom me. “Het spijt me. Ik ken geen Thomas. Je bent gewoon al zijn naam aan het mompelen sinds je hier bent.” Haar antwoord doet mijn gevoel van opluchting weer verdwijnen, als sneeuw voor de zon. “Thomas Bennett. Mijn kleine broer. Ik had moeder nog beloofd hem in de gaten te houden.” Terwijl ik het over mijn broer heb, besef ik dat ik mezelf nog niet eens heb voorgesteld. “John trouwens. John Bennett.” Ik steek mijn hand weifelend uit. “Alicia Smith. Aangenaam,” en ze steekt haar hand uit en schudt de mijne. “Het spijt me echt van je broer,” gaat ze verder. “Ik zou willen dat ik je kon helpen.” “Je helpt hier al genoeg mensen zo te zien,” zeg ik ietwat vleiend. Ik zie meteen aan haar gezicht dat ze minder leuk nieuws gaat brengen. “Ik vrees dat dat je hier niet kan blijven. Ze kunnen je veel beter helpen in het hospitaal hier een paar kilometer vandaan.” Voor ik afscheid van haar kan nemen wordt ze weggeroepen. Een nieuwe lading zwaargewonden wordt binnengebracht. Alicia verdwijnt tussen de andere verpleegsters, een lange shift van bloed en oplapwerk tegemoet. De regen komt met bakken uit de hemel vallen wanneer ik de hospitaaltent verlaat. Afgunstige blikken zijn er in overvloed. Verpleegsters, brancardiers en gewonde soldaten. Ze kijken me aan alsof ik de vijand ben. Zelfs de bestuurder van de transporttruck werpt me een vieze blik toe. Al is die misschien vooral pisnijdig omdat ik hem heb laten wachten in de gietende regen. Ik stap de laadbak van de truck in en neem plaats op een van de krakende houten zitbanken. Het opmerkelijke gezelschap voor deze rit wekt meteen mijn aandacht. Vlak langs me schuifelt een soldaat zenuwachtig heen en weer terwijl hij iets onverstaanbaar mompelt. Achteraan tokkelt er dan weer iemand voortdurend met zijn vingers tegen zijn voorhoofd. Het laat me niet bepaald comfortabel voelen. De meest vreemde snuiter zit echter tegenover me. Hij kijkt me indringend aan, zijn ogen wijd open. Het lijkt wel alsof hij recht door me heen kan zien, het oneindige tegemoet. Ik probeer zijn blik af te wenden, maar wat ik ook doe, hij blijft me gewoon griezelig aanstaren. Het is lang stil geweest. In de hospitaaltent, in de transporttruck en wie weet zelfs aan het front. Alsof de verweesde soldaat tegenover me het zag aankomen beginnen de kanonnen plots te bulderen. De symfonie van brullende projectielwerpers geeft me een benauwd gevoel. Het brengt me terug naar het front. Naar het niemandsland. Naar Thomas. . . . . Ik heb Thomas nog steeds niet gevonden. Het baart me nu echt zorgen. Wat als ik hem nooit vind? Wat als hij dood is en hier ergens vergeten blijft liggen tot het einde der dagen? De gedachte alleen al maakt me misselijk. Ik moet hem vinden. Ik heb een belofte gedaan aan moeder. Drie soldaten schuilen in een krater. Ze hebben zich zo klein mogelijk gemaakt, met hun handen over hun oren. Alsof ze het allemaal niet meer aankunnen. Wanneer ik me er langs leg, hoor ik een van hen iets mompelen. Tevergeefs vraag ik of ze mijn broer hebben gezien. Geen antwoord. Misschien zijn ze doof geworden door de duizenden bommen en granaten die ons hier om de oren vliegen. Het kan haast niet anders. Ik waag me terug het open niemandsland in. Weer slaat een projectiel dichtbij in de grond. Ik schrik me rot. Hoewel ik hem deze keer fluitend naar beneden hoor vallen laat ik me toch weer verrassen. Het doet me denken aan het onweer thuis. Aan de donder en de bliksem. Na de verblindende flits van de bliksemschicht probeer je je schrap te zetten voor de donderslag die elk moment kan gaan komen. Toch weet die je altijd weer onverwachts te verrassen. Dat is het! De soldaten van daarjuist zijn gewoon bang voor het onweer. Eigenlijk verschillen ze niet zoveel van elkaar, het onweer en de Duitse artillerie. Ze laten je ineenkrimpen van de schrik en doen je smeken om genade. Dat ze maar zo ver mogelijk hier vandaan inslaan. Ze onthullen hoe nietig we soms kunnen zijn. Ik zie mensen neervallen als dominostenen. De aanhoudende bombardementen boetseren het landschap naar eigen hand. Hier fabriceren ze een krater uit het niets. Daar laten ze er weer eentje verdwijnen in de vlakte. Een boomstam, die tot dan toe nog recht stond, wordt in tweeën gespleten. Zelfs de natuur overleeft het Duitse vuur blijkbaar niet. Elke minuut die voorbij gaat, doet mijn hoop om Thomas te vinden aanzienlijk slinken. Elke donderslag die de grond laat daveren, doet me twijfelen of mijn kleine broer de kogel met zijn naam er op nog niet heeft ontvangen. Ik moet hem vinden. Hij moet en hij zal veilig thuiskomen. . . . . Ik kom aan in het hospitaal waar Alicia het over had. De plaats waar ze me volgens haar kunnen helpen. Helpen met wat? Ik moet Thomas vinden en ik kom niet bepaald dichter bij het front. Een oudere verpleegster wacht ons op voor het vervallen gebouw dat met veel improvisatie als hospitaal kan doorgaan. Ze begeleidt ons naar de slaapzaal. Het plafond kraakt gevaarlijk. Het zou me niet verbazen moest een van deze dagen het dak gewoon naar beneden vallen en alles en iedereen met zich meenemen. Een dokter onderzoekt ons vluchtig en stelt dan een voorbarige diagnose. Hij spreekt vaak over Shell Shock. Ook bij mij kraamt hij tegen zijn assistente enkele haast onverstaanbare woorden uit en concludeert dan dat ik eerst een dag moet rusten vooraleer de behandeling begint. Ik hoor het met tegenzin aan. Niet dat ik sta te springen om terug naar het front te gaan, maar ik moet Thomas nog steeds vinden. Als ik ’s nachts door een hevig bombardement weer in een panische toestand terechtkom, acht de assistente de situatie blijkbaar ernstig genoeg om de dokter te gaan halen. Die besluit dadelijk met een elektrische shockbehandeling te beginnen. Twee stevige verpleegsters grijpen me vast en dragen me naar een afgelegen kamer wat verder de gang door. Ik word op een ligzetel neergegooid en het tweetal verpleegsters bevestigen enkele geleiders op mijn hoofd. Het angstzweet breekt me uit. Dan giert de elektriciteit door mijn hoofd. Ik bevind me in een combinatie van realiteit en herinnering. De kanonnen bulderen terwijl de stroom door mijn lichaam brandt. Ik hoor vaag de dokter naar me roepen en toch ploeter ik door de modder van het niemandsland. Een gruwelijkere behandeling bestaat er volgens mij niet. Tien luttele minuten in die folterkamer lijken wel uren te duren. De dokter, tot dan toe een aangename persoon, verandert daarbinnen in een ware duivel. Het voelt alsof de bliksem inslaat, niet op een of andere boom, maar in mijn hoofd. Dit allemaal terwijl de dokter en zijn hulpjes er vlak langs staan. De tweeënhalve dag in het hospitaal zijn misschien nog erger dan mijn tijd aan het front. Ik ben dan ook vrij opgelucht wanneer de dokter de zaal binnenkomt en enkele patiënten uitpikt om terug naar het front te sturen. Vooral wanneer hij mij er ook uit kiest. Het klinkt raar om verheugd te zijn terug naar het front te moeten. Zeker wanneer sommige anderen in de zaal de dokter smeken om maar niet terug te hoeven gaan. Mij kan het allemaal niet meer zo veel schelen. Het front is een hel. Deze plaats is een hel. Maar Thomas zit wel aan het front en niet hier. De weg van Ieper naar de frontlinie lijkt eeuwig te duren. De soldaten langs me in de truck bidden God om vergiffenis, om hen alsnog te redden van een ongewisse dood aan het front. De angst om te sterven overvalt ook mij soms, zeker nu ik Thomas nog steeds niet heb gevonden. Ik kan niet snel genoeg terug op het slagveld staan, dichter bij mijn kleine broer. De truck komt tot stilstand. Vanaf hier moeten we te voet verder, vertelt de bestuurder ons. Het is nog fris, zo vroeg op de ochtend. De vorstlaag die zich gedurende de nacht op de grond heeft gevormd, begint op te warmen en verandert de bodem in een grote modderpoel. Troepen wisselen elkaar af in de achterste loopgraven. Nu is het onze beurt. Het geeft me een goed gevoel dat iemand in mijn plaats weg kan zijn van het front. Hopelijk krijgt Thomas die kans ook. We lopen door de verbindingsweg naar de voorste loopgraaf. Haar karakter blijft me elke keer weer verbijsteren. Soldaten tot hun enkels verzakt in een mengsel van modder, bloed en uitwerpselen. Lijken die nog niet zijn weggehaald maar wel al aangevreten door ratten en ander ongedierte. Ik ruik nog steeds niets, maar kan me inbeelden dat de stank ondraaglijk moet zijn. De kanonnen zwijgen voor een keer. Stilte aan het front. Stilte voor de storm. Soldaten maken zich klaar voor een nieuw offensief. Deze aanval wordt beslissend, volgens de officieren. Een plan tot in de puntjes uitgedokterd. Het moet alleen nog maar uitgevoerd worden. Daar staan we dan. Honderden soldaten tegen elkaar gepropt in een smalle loopgraaf. Ze kijken elkaar bang aan, wachtend op dat ene signaal. Dan begint het onweer. Zware en lichte artillerie, van mortieren tot kanonnen, ze beginnen allemaal muziek te spelen. Loeiende deuntjes kondigen harde ontploffingen aan. De aarde davert en dreunt. Dan klinkt het fluitsignaal. Nu gaat het beginnen. Soldaten werken zich een weg naar boven via de sporten van de ladders. Sommige kunnen niet snel genoeg boven zijn, anderen grijpen de ladder twijfelend vast. Ik klim naar boven en voeg me zo snel mogelijk bij de rest van het peloton. De drassige modder van het niemandsland verzwelgt mijn laarzen, alsof mijn voeten en de grond een zijn geworden. Met elke stap die ik zet, voel ik me dichter bij Thomas. Boven mij, in de eens zo heldere lucht,  overheerst een machtsvertoon van projectielen. De kanonnen bulderen aan beide kanten. Wij die er pal tussenin vertoeven, zijn de dupe van dit helse onweer. Onze artillerie die vanuit de eigen loopgraaf zo behulpzaam en beschermend lijkt, is hier niet minder dreigend dan de Duitse. Ik vraag me af hoeveel langer deze plaats het onder de voortdurende bombardementen nog kan volhouden. Hier en daar staat nog één enkele boom recht. Het lijkt alsof die het vertikt neer te vallen, om de herinnering aan vroeger levend te houden. Een landschap van kraters blijft over, gevuld met troebel water en ratten. Ongedierte dat hier op miraculeuze wijze weet te overleven, terwijl niets of niemand anders dat kan. Elke mortier die inslaat maakt me een beetje kleiner, trekt me wat meer naar de grond toe. Ik kan dit niet meer aan. Soldaten vallen in groepen tegen de vlakte. Ze krijgen niet eens de kans zich te verweren. Ze verliezen armen, benen of delen van hun gezicht. Sommige hebben het geluk op slag dood te zijn. Anderen hoor ik het uitkrijsen van de pijn, verlangend naar het einde van dit noodlottig bestaan. Schuilend in een krater maak ik me zo klein mogelijk. Ik probeer hier ver vandaan te zijn. Het gruwelijke niemandsland beangstigt me, doet me beven en sidderen. Realiteit en herinnering lijken het weer tegen elkaar op te nemen. Ik dwaal af naar het slagveld van enkele dagen geleden. Naar Thomas. De kanonnen blijven bulderen terwijl ik steeds dichter bij mijn broer ben. Ik heb hem bijna gevonden, ik voel het. . . . . De hemel kleurt grijsbruin door de rook en de opvliegende modder. Akelige fluittonen en donderslagen verdoven mijn oren. Het niemandsland davert zonder ophouden. De wereld lijkt te vergaan. Een soldaat loopt vluchtig terug naar onze linie. Thomas? Ik roep zijn naam in de hoop dat hij doorheen deze overweldigende kanondreunen ook maar iets zou horen. Waarom loopt hij terug? Ik blijf zijn naam schreeuwen, ook al is het vrij hopeloos. Ik kan mijn eigen woorden amper verstaan. Een soldaat in onze loopgraaf legt zijn geweer aan. Hij mikt op Thomas. De storm aan mechanische geluiden verbergt de galm van het schot. Dan stopt de donder. De kanonnen, de mortieren, de houwitsers en de geweren. Plots zwijgen ze allemaal. Een oorverdovende stilte voltrekt zich over het niemandsland. Ik voel mezelf happen naar lucht. Mijn kleine broer valt levenloos neer.  

MauritsDodion
14 0

ad astra

Sterren hebben ook hun onstabiele periodes, zei de wetenschapper. Net zoals de mens puberteit kent. Net zoals wij vastlopen in existentiële vragen, worstelen met het waarom van het bestaan. Voor een ster is vijf miljard jaar even eindig als een mensenleven van gemiddeld tachtig jaar. Al die miljarden jaren en nog geen enkele ster die na diep piekeren het antwoord kon vinden. Wat wij mensen kunnen leren, is onverschillig blijven in het bestaan. Stoïcijns volgen wij de baan van het leven. Sterren zingen, zei de wetenschapper. Sommigen op het ritme van een hartslag. Pulsarsterren. Ze roteren op één seconde tijd om hun as en vormen daarbij het onverstoorbare ritme van een mensenhart. Tik. Tik. Tik. Het ritme toont geen slaap, geen rouw, geen verdriet. Ook geen rust, geen verwondering, geen liefde. Anderen trillen. Loom, met het timbre van een fagot. Opgewonden, met de opgewekte toon van een piccolo. De meeste mensen brommen op een lage toon, het geluid van een rode reus, een ster die op instorten staat. Wij zijn niet anders dan de miljarden hemellichamen. Wij zijn een lichaam dat af en toe hemelse tonen aanneemt. Wij zijn een lichaam dat uiteindelijk uit elkaar valt in basiselementen van het universum. Een handjevol pulsarster weegt evenveel als een bergketen, zei de wetenschapper. Ik vouwde mijn handen en probeerde de ontembare massa rots te balanceren. Een dagelijkse oefening. Er zijn sterren die aan het einde van hun leven diamant worden, zei de wetenschapper. Daar hield het op. Ik kon niks meer verzinnen. Eindelijk een eigenschap die de mens nooit bezitten zal. 

Jolien Van de Velde
42 4

Bouwstenen

Ik heb iets met LEGO! Uren speelplezier hebben deze blokjes mij als kind en tiener bezorgd. Zo heb ik een hele stad gebouwd; van restaurant naar school, tot ziekenhuis; volgens mij was er zelfs een cabaret bij, waarna deze bouwkunsten door de denkbeeldige sloophamer werden gehaald en "het puin" keurig in een lege 15L verfpot verdween.   Als veertiger geniet ik nog steeds van deze steentjes. Ik ben nu gepromoveerd tot AFOL (Adult Fan Of Lego). Al beperk mij tegenwoordig tot de collector’s items, ik kan het niet laten om regelmatig langs de vitrine van de Lego-winkel in Wijnegem – Shop Eat Enjoy te wandelen om het laatste pronkstuk te bewonderen. Afgelopen zondag had ik prijs! Daar stond die dan, uitgestald, als ware het een museumstuk, de replica van een schrijfmachine uit 1864 die gebruikt werd door Ole Kirk Christiansen, oprichter van de Deense multinational. Het katapulteert mij terug naar de lessen mecanografie in de middelbare school en naar mijn gloednieuwe crèmekleurige Remington draagbare schrijfmachine. Ik heb haar heel toepasselijk Remi gedoopt en ze werd mijn kostbaarste bezit. Met de grootste zorg maakte ik wekelijks de zwarte toetsen schoon met een zacht sop. Met dezelfde zorg verving ik het lint zodat Remi haar maagdelijkheid niet verloor.  Dat mijn handen zwart als kool werden tijdens dit proces nam ik er graag bij.   De typeles werd mijn lievelingsvak; niet door het monotoon getokkel en het om het snelst typen maar het was vooral een handig excuus om mijn hoofd leeg te kunnen maken en te dagdromen van een carrière als scenarioschrijver in Hollywood. Pagina's vol heb ik geschreven, de ene zin al vloeiender en coherenter dan de andere. Drama was de rode draad doorheen mijn verhalen. Gebroken gezinnen, eenzaamheid, kleinburgerlijkheid, allemaal zaken die ik dagelijks kon waarnemen en die mij raakten. Tinseltown was te bling bling voor mij. Verder dan een sporadische bijdrage aan de universiteitskrant ben ik niet geraakt maar schrijven blijft een constante in mijn leven.   Op dit hebbeding van 200 EUR kan je weliswaar niet typen, toch is het een sierlijke herinnering aan een jeugd gevuld met creativiteit en een zeer levendige fantasie terwijl ik word aangespoord om mijn hersenspinsels op papier te blijven zetten. En dat is onbetaalbaar. Ja, met LEGO mag ik terug kind zijn.

Mephis
25 1

Talent

De winnaar van het afgelopen jaar werd net bekend gemaakt. Geen haar op mijn hoofd dat eraan denkt nog ooit deel te nemen aan die wedstrijd. Het was opgezet spel en er waren valsspelers. Hoe kon die nieuwkomer al meteen duizenden volgers hebben? Hij had nog maar twee keer meegedaan, terwijl de vorige winnaar over de tijdspanne van een jaar amper enkele honderden ‘likes’ bij elkaar sprokkelde?Haha, ik zag mijn kans schoon toen de bedenker van de site een panel wilde samenstellen om de leden enige inspraak te verlenen. Ik had mij kandidaat gesteld en behoorde meteen tot het panel. Verschillende medeleden hadden mijn kunnen trouwens meermaals onderkend en geprezen. Al snel kon ik aantonen dat er iets grondig fout liep met het registreren van de ‘vind-ik-leuks’. Mijn vele terechte opmerkingen werden toegejuicht, zodanig zelfs dat de bedenker snel spijt kreeg van de macht die zijn panel verwierf. Dus doekte hij het op. Dan bleek dat er slechts drie waarachtige panelleden bestonden en dat de overige één en dezelfde persoon waren, de bedenker zelf. Omdat ik mij hierover teveel roerde en één en ander aan het licht bracht, bedacht de bedenker dat mijn houding niet meer strookte met de regeltjes die hij zelf bedacht had en schrapte mij als lid. Opgeruimd staat netjes, zal hij gedacht hebben. Hij was tenslotte een (be)denker. Maar ik heb meer pijlen op mijn boog. Via het slapend lidmaatschap van een vriend, kan ik mij opnieuw toegang verschaffen tot de site. Ik hou mij gedeisd en trek niet teveel aandacht. Zelfs de enthousiaste collega’s van weleer hebben niets in de gaten. Het zal mijn vriend wel verbazen dat hij binnenkort wordt gekroond tot de meest talentvolle schrijver van het jaar.  

Vic de Bourg
27 4

Vlindervingers

Aan de rechterkant van mijn hoofd, zo’n 10 centimeter erboven, hoor ik mijn souffleuse. Als het gevloeide even stokt, rond zich tast, geeft ze mij woorden in. Soms ben ik dicht of lui en dan verpakt ze de inspiratie van het moment. Voor later. Hoeveel van die pakjes er zo al verloren zijn gegaan. Het is een proces dat soms voelt als het verplaatsen van een dood paard, log en moeizaam. Weliswaar ritmisch verlicht door opstoten van treffende woordstromen. Plots ingevallen en al zeulend gevonden, staan naadloos en precieus geschikt naast elkaar. Het puzzelen en polijsten occupeert, doet mij verzinken in het behaaglijke creatorsvacuüm. De essentie bestaat uit het vormgeven en naar mensenmaat reduceren van de abstractie en onoverzichtelijke weligheid van het innerlijk wezen. Een vertaling van het onuitspreekbare. Woordkeuze staat op gelijke voet met inhoud en enig gevoel voor esthetiek is, wat mij betreft, onontbeerlijk. Bladvulling kan wel verzadigen, het is echter de verrassende complexiteit van de smaak die de doorslag geeft. En alle leegtes liggen overwogen gezaaid, in omarmende cirkels. Het zijn zij die met verdeling alles bij elkaar houden. Urenlang naar binnen staren, dwalen en draaien in een vergeten lichaam. Het schrijven is een scheppende schijndood die niet gepland wil worden en zich opdringt, persistent aandringt. Het noodzakelijke spreken dat geen woord waardig genoeg acht. Omgezette peinzingen die bleke vlaktes ontwijden. Gekiemd in zelfklevende reflecties en met bloeitijden die mij hele winters gewichtloos doen uitzitten. Mijn woorden dwarrelen voorbij andermans forten, uitgezonden om herkenning en afgebakende verbinding te vinden. Het zijn passanten die kleine briefjes tussen poreuze stenen moffelen. Dragers van dubbelzijdige spreuken en oneven gedachten. Vlindervingers geven de richting aan, dansend in een klare missie, steeds opnieuw de bestaansdiepte in.

KarolienDeman
54 1

Slagersblues

Opgewekt maar toch peinzend doofde Kathy de lichten van haar winkel. Ze wreef zich in de handen. Dikke koude handen. Reeds vijfentwintig jaar had ze een slagerij die ze ‘slagerij, bij Kathy’ noemde, de klanten hielden het op ‘Kathy’, het leven was al moeilijk genoeg. Ze stond er al die tijd alleen voor. Door het harde werk waar ze, op drie weken in juli na, eigenlijk nooit mee ophield was ze in een constante staat van trance geraakt. Haar dagen leken al vijfentwintig jaar exact op elkaar. Tot zaterdag was het werken wat de klok sloeg, op zondag ging ze naar de viswinkel en bestelde ze een schotel vis. Die at ze met een glas witte Moezelwijn. Na dagen in het vlees te moeten graaien vond ze een visschotel er aangenaam en smakelijk uitzien. Ook met de visvrouw kon ze goed praten. Ze deelden dezelfde frustraties. Dat kwam ze te weten toen ze ooit een schotel vongolé vroeg, ze had daar zin in. Annita van de viswinkel zuchtte diep, haalde haar schouders enigszins somber op en staarde naar de grond terwijl ze voorzichtig stamelde: ‘ach, hier wil niemand vongolé. Ze kennen dat niet eens. En als ik er bestel moet ik er meteen genoeg nemen, met als gevolg dat ik binnen de kortste keren rotte vongolé heb. Mij niet gezien.’ Kathy begreep Annita. Ook in haar beenhouwerij was er amper sprake van eens een avontuurlijke vraag. Gehakt met kilo’s, koteletten en vogelnestjes, echt veel verder reikten de verlangens van haar klandizie niet. Ook tijdens de feestdagen was er maar weinig vraag naar een echt wildmenu waar ze zich nog eens uit de naad voor zou moeten werken. Fondue bij de vleet en gourmet. Mensen waren hier lui en niet geïnteresseerd in goed eten maar vooral in veel eten. Soms had Kathy er genoeg van, al wist ze drommels goed dat ze geen andere optie had dan verder doen, de zaak moest hoe dan ook worden afbetaald voor ze kon verkopen. Toen ze thuis kwam waste ze haar handen volgens een vast ritueel. Eerst nam ze een kraakverse handdoek, rook aan de zeep, deed de warmwaterkraan open, net warm genoeg, iets boven lichaamstemperatuur en begon zich langdurig de handen te wassen, ze nam daarbij twee keer zeep. De zeep geurde naar den. Den of munt, al was dat vrijwel hetzelfde natuurlijk. Ze rookte muntsigaretten. Kathy wilde alles fris, dat kwam natuurlijk omdat ze al jaren in een eerder frisse omgeving werkzaam was. In haar atelier was het altijd fris. Daar hield ze sinds een aantal jaar een chronische stijve nek aan over. De laatste tijd was er iets anders wat haar zorgen baarde, ook vandaag zag ze het opnieuw duidelijk. Haar handpalmen waren bezaaid met rode vlekjes. ‘Slagerseczeem’, ze proefde het woord alsof het een plakje charcuterie betrof. ‘Driehonderd gram gehakt en vijf sneetjes slagerseczeem alstublieft’, ze lachte met haar eigen grapje, bekeek zichzelf in de spiegel en zag dat ze ouder werd. Wie niet vaak in de spiegel kijkt kan zichzelf nog verrassen en vaststellen dat de tand des tijds ongenadig zijn klauwen zet in alles van waarde. Na het handen wassen, warmde ze een teiltje melk op in de microgolf oven, strooide er een beetje cacao poeder in met één klontje suiker en installeerde zich in de zetel. Ze slurpte quasi geruisloos van haar chocolademelk. Ze keek ernstig naar de hallogeenspot die spiegelde in het raam. ‘Slagerseczeem’, ze hield het woord even in de lucht. Als het doorbreekt zou dat gewis het einde van haar carrière betekenen. Wat moest ze dan? Ze nam een dekentje en verstopte haar handen onder een extra kussen. Wat er ook gebeuren zou, Kathy bleef trouw aan zichzelf. Al wist ze dat haar nog donkere tijden te wachten stonden.

Thomas De Mulder
17 0