Lezen

't Leven begint bij 40...

Het gesprek wordt gevoerd tussen A een dame van 66 jaar en B een jonge man, leeftijd onbepaald.De dame zit op een kant  van een bank te genieten van het mooie weer. De jongeman komt aangereden met de fiets, stopt en komt op de andere kant van de bank zitten om wat te rusten en iets te drinken en eten. De dame heeft al wat levenservaring achter de rug, ze is eerder gevoelig van aard. De jongeman daarentegen is duidelijk rationeel ingesteld. Ze vertelt hem haar levensverhaal en hij reageert erop met  zijn eigen nuchtere kijk. A             Goeiemiddag !B             Goeiemiddag... A             Een 'goeie' middag, ja ! Want ik ben gelukkig ! Dat was niet 'altijd' zo, maar nu wel...B             Dat ken ik niet... 'Hoe komt het dat sommige mensen zo ongelukkig kunnen zijn?'  vraag ik      me wel eens af..A             Dat zit tussen je 2 oren hé.B             Dat zeggen ze ja.A             Ja, ik kan dat weten, ik heb een evolutie meegemaakt, dat kan ik je wel vertellen !B             Wil ik dat horen ?... Wil ik dat weten ?... (glimlachend)A             Toen ik nog jonger was, had ik de neiging om in depressie te gaan. Ik was véél te serieus, ik    wilde altijd alles weten 'waaróm ?'.  Ik maakte me over alles zorgen, altijd dubben en   denken... Ik was enorm verlegen ook... pfwoe... dát wil je niet weten !B             Wat dan wél ? A             Toen ik 35 was had ik een' totale inzinking'... B             Inzinking ?...A             Ja, nu noemen ze dat een 'burn-out'..                Ja, dat was het ! Een burn-out... helemaal uitgeput... geestelijk én lichamelijk...  B             Hoe kom je daar dan aan ? A             Overwerkt. Ik werkte 5 à 6 dagen in de week en deed nog overuren ook. Om mijn verdriet en              mijn miserie niet onder ogen te moeten zien. Ik was alleen met 2 jongens van 13 en 11 en                 mijn 2e relatie was ook al stukgelopen... B             Dan ga je toch gewoon verder ? Het leven gaat voort...A             Tja, maar dat was voor mij moeilijk hoor !... Ik heb maanden aan een stuk geslapen,.. en          geweend... slapen en wenen, dat was alles wat ik nog kon... B             Dat ken ik niet...A             Ik was ongelukkig, en ik dacht: "Ik ben nu onderweg naar mijn 40, ik zit zowat in de helft van mijn leven, en zie me nu hier liggen... " weet je ?...B             Euh, niet echt nee. Je had toch nog een heel nieuw leven te gaan ? .. zo zie ik het althans !A             Inderdaad, zo zie ik het nu ook. B             Waarom dan nu wél en toen niet ? A             Een nichtje van me belde en ze gaf me een 'gouden' tip ! Ze raadde me aan het boek van        Louise Hay te lezen, ken je dat ? "Je kunt je leven helen". En dat deed ik...  in één keer        uitgelezen, en meteen  aan de slag ermee ! Ik was zó enthousiast !...B             Zo maar, ineens ?A             Já ! Zóveel wijsheden stonden er in dat boek. Ik heb me toen zóveel gerealiseerd ! Ik ben veel             dingen helemaal anders gaan bekijken en begrijpen ! Een openbáring was het !B             Ik ken dat boek niet.A             Nee, jij zal dat ook niet nodig gehad hebben.B             Als jij het zegt.A             Ik dacht toen aan mijn grootvader, die zei vroeger dikwijls: 'Het is maar hoe je het bekijkt: je glas is half vol of het is half leeg !". Daar denk ik nog geregeld aan.B             Oh ja, het mijne half vol en het jouwe half leeg dan... A             Inderdaad ! En toen heb ik die klik gemaakt: positief denken ! En ik zei tegen mezelf:  "'Het     leven begint bij 40', zeggen ze. Dús, wat zit ik hier nu te mokken en te wenen en te zeuren en        ongelukkig te zijn ?... Het mooiste moet nog komen !"B             Oh ja ? en was dat zo ?...A             Ja, 't was waar ! Ik kreeg een nieuwe vriendenkring, nieuwe job, nieuwe man...  ik sloeg een                 nieuwe weg in en ik kwam tot leven !...B             Goed voor jou !A             Ja ! Enkele jaren daarna volgde ik nog een opleiding NLP en toen bloeide ik helemaal open,    zálig was dat !... B             Dat ken ik ja, mijn zus volgde die ook, die zag ik toen ook veranderen... open bloeien, ja.A             Ja ja... En toen werd ik 60...B             Oh, 60 al ?...A             Ja.  En toen kwam onze personeelsdirecteur binnen op kantoor, onverwacht en met een        ontroerende, héél warme verrassing... hmmm :-))) ... met een chique grote bloemekee !! "Jij      bent jarig vandaag ?!" zei hij en overhandigde mij die mooie bloemekee ! "Carolina, het leven              begint bij 60 hé, en ik kan het weten hoor ! Proficiat!" ...B             Hij kon dat weten ... ?A             Ja,... hij was 2 jaar eerder al 60 geworden... :-)B             Uiteraard ! (lachend)A             Hihi !... en ik dacht: 'Oké ! laat maar komen dan !...  :-)'B             En ?... A             Ik kan niet zeggen dat hij ongelijk heeft gehad. Ondertussen is er inderdaad nog wel een en ander op mijn pad gekomen... weer een nieuw weg ingeslagen !...                En toen werd ik 65... met pensioen, 1 januari 2020 ... !?...B             2020... jaja, dat was me het jaar wel...A             Ja, ......... ho !... wat een jaar !...                En dan kom je na een tijdje mensen tegen, weinig persoonlijk natuurlijk, meestal via                 Whatsapp, Facebook, of langs de telefoon... "Lang geleden hé.. en, hoe bevalt het je, met   pensioen zijn ? "... B             Ja, hoe bevalt het ?...A             Euh... ik zou het niet echt weten, eerlijk gezegd... Ja, nog niet goed en wel gestart en corona                 staat voor de deur...B             Tja, ..... A             ...en hier zit ik nu hé, wachtend,  ... op een bankje..........  ja...... (glimlachend)                Vól blijde verwachting ! Want het komt eraan, ik weet het !!!... haha...                Ik ben een laatbloeier, zei Jean-Pierre !.. ;-))

carolinaantonissen@hotmail.com
17 0

De draaischijf

"We moesten geluiden raden tijdens de quiz", vertel ik aan de ontbijttafel. "Bijvoorbeeld het geluid van een draaischijf op een telefoon. De quizmaster moest het uitleggen voor de jonge mensen. Het was ook een miserie. Bijna alsof je een fietsband moest oppompen door in het ventiel te blazen. Je moest op tijd je vingers eruit halen, of het liep fout. Onze pa had nogal dikke vingers. Hij gebruikte een potlood om in die gaten te kunnen en te draaien. De toetsen op onze volgende telefoon was een revolutie. We bleven maar bellen." "En het geluid van een speelgoedtelefoon op wieltjes. Zo eentje met een touwtje en een lachend gezicht. Hij vertelde dat de fabrikant op een gegeven moment de draaischijf verving door toetsen. Om mee te zijn met de tijd. Hij kreeg er klachten over. Geweldig toch. Stel je voor, een smartphone op wieltjes, dat slaat nergens op." Terwijl ik mijn toast met gelei besmeer, vertel ik verder. "Zo zei ik bij ons ma ooit tegen onze jongste dat hij iets uit het telefoonkastje moest nemen. ‘Uit het wat?’, zei hij. Ik vertelde dat er vroeger een telefoon op stond. Dat is zoiets als een hoedenplank in de auto. Daar liggen al lang geen hoeden meer op. En dat in het kastje de telefoonboeken lagen. ‘De wat?’, zei hij. Waarna ik moest uitleggen dat daar alle telefoonnummers in stonden. Hij zei me dat we vroeger gek waren.” "Je bent weer over vroeger bezig", zegt mijn vrouw. "Tja", zeg ik. "Ik heb er ook veel van. Meer vroeger dan later." "Hou het gezellig", zegt ze. "Heb ik je ooit verteld dat ons ma vroeger wel eens de boterhammen van onze pa smeerde", zeg ik, terwijl ik een boterham in haar richting schuif. "Gingen we het niet gezellig houden", lacht ze.  

Rudi Lavreysen
10 0
Tip

Torenperspectief

’11 maanden, zeven dagen, vier uur en acht minuten.’Otto’s blik dwaalt over de daken van Brugge. Een rood, wit en grijs gevlekte lappendeken besprenkeld met torenspitsen en schoorstenen. Hij hoort het raderwerk van de klok verspringen.’11 maanden, zeven dagen, vier uur en negen minuten.’Zijn handen rusten op de stenen balustrade. Vingers in de groeven van de uitgekerfde letters. De uitgehouwen pijltjes tonen hem in welke richting hij moet kijken om Oostkamp te zien. Of Ingelmunster. Maar Otto kijkt naar boven. Altijd. Elke zondagmiddag beklimt hij de trappen van het Belfort. De eerste maal met schrijnende longen en zware benen. Hij moest weg van het verdriet dat zijn voeten loodzwaar maakte. Daar hoog boven de stad voelde hij zich een paar gram lichter. Voor het eerst sinds de teller in zijn hoofd begon te lopen. Otto telt alles.‘Mijn persoonlijke chronometer’, grapte ze altijd.Negen minuten en elf seconden van de voordeur tot aan L’Estaminet. Veertien minuten en 32 seconden. Heen en weer naar de bakker voor een groot, rond, gesneden bruin brood. Zijn hoofd meet het onwillekeurig. Als een stopwatch die keer op keer gestart en afgedrukt werd. Het minste was goed genoeg om de seconden te laten wegtikken in zijn hoofd.‘Hoe lang deze keer?’, vroeg ze soms plagend terwijl ze hand in de zijne liet glijden. Ze wachtte zijn antwoord niet af en schudde lachend haar hoofd. ‘Gekke vent van me’, fluisterde ze en plantte een kus net onder zijn oor. Otto liet haar glimlachend begaan en telde. Elf seconden van plagen naar kussen. Daar boven in het Belfort telt de chronometer altijd luider. Hij voelt de seconden als hartslagen door zijn lijf dreunen. Een klein jaar geleden bleef de teller steken en sindsdien is er slechts ruimte voor één gedachte: ‘Kom terug, lief!’ Heel af en toe mag hij van zichzelf nog even denken aan die septembermaand. De nazomer lag loom en warm over de dagen heen. Otto zou het gras maaien. Een lam excuus om de hangmat te spannen tussen de tuinafsluiting en de boom. Hij lag gewichtloos te wiegen toen diep in huis een dof gerommel klonk. Het was de gil die hem uit de hangmat joeg. Hij vond haar onder aan de trap. Een stil en roerloos hoopje. Ogenschijnlijk intact, maar - zo vertelde de ambulancier geduldig - hopeloos vernield binnenin.Als mensen sterven, moet de dag zich in grijs hullen. Zij stierf in zijn armen terwijl de zon iedereen de pleinen en tuinen in lokte. Ze was zijn alles. Toen ze fluisterde ‘laat los, lieverd!’, liet ze hem alleen. Met die drie woorden nam ze al hun later met zich mee en plaatste een loodzware steen op zijn hart. In hem kolkte iets zwarts. Iets dat tegen woede aanschurkt en dat hem sindsdien trouw vergezelt bij elke stap. Een duif landt vlak naast zijn handen op de balustrade. De vogel hipt over de uitgekapte letters. Van Kortrijk naar Roubaix. Otto scheurt zijn blik los van de wolken en kijkt naar de groene glans die over de veren ligt. Zijn blik glijdt verder naar beneden. Op het marktplein wemelen mensen door elkaar.Op de bank zit een figuur in een rode jas. Een knalrode jas met zwart/witte strepen in de kap. Net zoals die jas die al meer dan elf maanden onaangeroerd aan de kapstok hangt. Hij leunt over de balustrade. Het figuurtje in de rode jas zwaait naar boven. Wappert onvermoeibaar met iets wits. De duif koert en vliegt op. Ze zeilt in een duikvlucht naar het standbeeld in het midden van de Markt en landt op Jan Breydels hoofd. Otto zijn voeten bewegen voor hij kan denken. Ze denderden de stenen trappen af. Met zijn linkerhand tegen de muur draait hij eindeloze rondjes die hem naar beneden brengen. Zijn voeten roffelen op de grijze uitgesleten stenen.‘Dat kan niet.’ herhaalt hij op het ritme van zijn stappen, maar tegelijkertijd verhoogt hij het tempo. Hij draait en draait. Verwilderd tuimelt hij het trapgat uit en rent naar de markt. Hij schiet voor de neus van paard en koets en slalomt tussen de toeristen het plein op.Zijn blik jaagt langs alle silhouetten, maar de rode jas is verdwenen. Al wat rest is een zee van grijze lijven met een bungelende camera rond de nek. Net voor hij zich wil omdraaien, springt iets wits in het oog. Op de zitbank wappert een papier. Het wit steekt fel af tegen het verroeste groen. Een steentje verhindert de wind om met het velletje aan de haal te gaan.Zonder vaart te minderen, knalt hij tegen de bank. Zijn hand beschermend over het stukje papier. De zwarte letters dwarrelen door elkaar. In de rechterbovenhoek is een klein hartje getekend. Hij knippert, haalt diep adem en concentreert zich op de drie woorden. ‘Laat los, lieverd.’ Er klikt iets in zijn borstkas. Een steen die tot stof verpulverd wordt. ‘Eén, twee, drie, vier seconden’ telt de stopwatch in zijn hoofd.

KiM
148 1

Narcissen

NARCISSEN A         Euh, goede middag mevrouw            …            Dag mevrouw...            Hallo B         Oh hallo, dag meneer, mooie dag, is het niet? A         Ja het is een mooie dag.            Ik vroeg me af of u soms een chocolaatje wenst, hier, neem maar. B         Oh, oh ja, leuk, dank u wel.            U bent al helemaal in de paassfeer zie ik. A         Hoe bedoelt u?            Oh ja, natuurlijk, paaseieren. B         Ja, inderdaad.            ...            Oei, is er iets? A         Neen neen, het gaat wel, ik… B         Wenst u soms een zakdoekje? A         Neen dank u vriendelijk.            ...            De narcissen bloeien vroeg dit jaar. B         Ja inderdaad ze bloeien vroeg.            Ik hou enorm van narcissen.            Als hun bloemen ontluiken, hoor je de vogels terug zingen en de zon                           schijnt ook meer.            Mijn tuin staat er vol van.            Ik vind ze zo mooi, ze bloeien heel lang en ruiken zo heerlijk en...            Sorry meneer dat ik zo doordraaf over narcissen, bent u zeker dat u geen zakdoek               wenst? A         Neen neen dank u, let u maar niet op mij.            … B         Komt u hier vaak? A         Neen, dit is mijn eerste keer sinds…            Wenst u soms nog een chocolaatje? B         U bent werkelijk te vriendelijk meneer. A         Ik deel ze graag met u, toe, neem maar.            …            Komt u hier vaak? B         Wel, ik kom hier dagelijks op dit bankje zitten in dit park.            Al vele jaren.            Iedere middag kijk ik met plezier naar Jeanette en haar trolley vol met broodzakken.            Kijk daar in de verte, daar komt ze aan.            A         Is dat die oude vrouw waarvan men zegt dat zij met de dieren kan praten? B         Ja, dat is ze, ze voert ganse gesprekken met de eenden.            Ik denk dat ze een soort dierenfluisteraar is of zo.            Alhoewel, dieren worden onderschat, misschien zijn ze wel slimmer zijn dan mensen.            Kijk, ziet u? De eenden komen al aangevlogen.            Ze weten dat Jeanette hier dagelijks op dit uur komt.            A         Ze ziet er mij in ieder geval een kwiek eendje uit die Jeanette. B         Haha u bent grappig meneer, ja ze is inderdaad een flink eendje. A         Wat weet u nog meer over het vrouwtje? B         Eerlijk gezegd weet ik niet zo veel over haar, ik ken haar niet persoonlijk.            Ik weet dat alle bakkers in de stad de kruimels van de snijmachine in zakken            bewaren voor haar.            Daar hoor ik vertellen dat ze veel tegenslagen kende.            Ze is het meest getekend door het verlies van haar grote jeugdliefde. A         Ja, narcissen ruiken inderdaad lekker.            Kon ze maar...            Kon ik ze maar...            Sorry, u zei? B         Wel, toen Jeanette weduwe werd, kwam ze dagelijks zien naar de eenden.            En het lijkt alsof zij haar verdriet aanvoelen.            De eenden zijn voor haar de kinderen die ze nooit had. A         Wij hebben ook geen kinderen.            Wij hadden geen kinderen.            Ik... B         Ik heb ook geen kinderen…            A         Mevrouw, gaat het? B         Ja hoor, dank u.            Ik moet straks terug naar het werk. A         Wat doet u van werk? B         Ik ben onthaalbediende op de dienst oncologie in het ziekenhuis hier achterom.            Ik hou van mijn job maar ik lunch niet zo graag samen met mijn collega’s. A         Oh, hoe toevallig, ik werk in de school aan de overkant als sportleraar.            Weet u, ik kwam vaak in het ziekenhuis.            Voor mijn vrouw, toen ze nog leefde            ...            Wat spijtig dat u niet graag uw pauze doorbrengt met de collega’s. B         Ja, het is niet dat mijn collega’s niet meevallen hoor, helemaal niet.            Maar ik heb het soms moeilijk met de gesprekken.            Vooral als ze stoom afblazen over de stress met de kinderen.            Mijn man en ik, …            Ziet u, we hebben jaren geprobeerd.            En toen verloor ik hem, de vader van mijn toekomstige kinderen. A         Het spijt me te horen wat u meemaakte.            Ik voel met u mee, ik ben mijn vrouw vorige herfst verloren aan een slepende ziekte.            Kijk, dit is haar ring om mijn pink, zo blijft ze voor eeuwig bij me. B         Ik draag de ring van mijn man rond mijn nek, dichtbij mijn hart.            Ik zal altijd van hem blijven houden, hij is altijd aanwezig. A         Zo voelt het bij mij ook, ze kijkt altijd toe, ook nu op dit moment.            Ze was zo... ja ze was mijn alles.            Ik zal altijd van mijn Rosie blijven houden. B         Heet uw vrouw Rosie? A         Ja inderdaad, mijn vrouw heet Rosie. B         Het zal wel toeval zijn, maar mijn man had op de palliatieve afdeling veel steun             aan een Rosie.            Ik weet niet of dat haar echte naam was, Rosie is niet echt een naam die je veel             hoort.             MIjn man had het dikwijls over haar, hij was er vol lof over.            Hoe zij met haar kale kop gekscheerde over haar vroegere zwarte krullen.            Hoe groot haar liefde voor haar man was en hoe zij zich nog steeds zijn prinses             voelde. Hoe hij haar bleef herhalen dat haar glinstering vele harten verwarmde, maar             vooral het zijne.            Ik was stiekem jaloers op zo’n grote liefde. A         Rosie…            Rosie mijn prinses…             Weet u, ze heeft me nooit verteld dat zij dit deelde met anderen.            Zij sprak me wel dikwijls over iemand op de afdeling, een zekere Hugo, een man             vol liefde voor zijn vrouw.            Hoe hij haar beschreef als een ster aan de hemel, die fonkelt als een diamant die             iedereen om zijn vinger wil dragen. B         Hugo            …            Maar dan bent u Dirk. A         Ja, ik ben Dirk.            U bent de vrouw van Hugo? B         Ja, ik heet Katleen.            ...             De narcissen bloeien écht vroeg dit jaar.

christinebogaert
21 1

Het is iets, maar geen gedicht meer

Zomaar het gedicht opnieuw beginnen, alleen maar omdat het daardoor niet meer hierom draait: het gedicht opnieuw beginnen. 'Niemand herinnert zich jouw zelfopgestelde criteria die leidden tot het moment waarop je stopte met fataal veel te schrijven', zei het wannabe analystje in je eigen beleving.  Maar het was fataal veel omdat het eindig was, dat leek je wel te begrijpen. Ik zie mezelf als een totaal overbodige verslaving. Is het mogelijk dit soort toestanden nog te vermijden? Het is 4u 's nachts en ik ben in verval en bloei tegelijk. Het betekenis negerende mannetje op mijn schouder staat me wel aan. Het is roekeloos jezelf op te delen. Ik laat mezelf aan mezelf over. Er is genoeg tijd voor iedereen om hetzelfde te doen. Je wil niet dat je niet geprobeerd hebt maar je handelt alles af vanop een afstand. Zonder toewijding. Er is iets mis - in iedere ruimte die je betreedt. Ik zie de verplaatsing van ruimte naar tijd, wat problematisch is want hoe beoog je progressie zonder kader? Je wil schreeuwen omdat er té veel tegelijk herkend wordt. Je kan passief zijn als je dat écht wil, maar je kan niet lachen met algemene onzekerheden die je samen met anderen moet ervaren. Door de toename van verveling was er even hoop.  Ik wilde vragende partij zijn maar dan anders.Ik wilde de situatie serieus in me opnemen maar vergat de onderverdeling van de ruimte. De fases waarin ik me bevind vorderen zich, respectvol, maar met opzet.  Ik wil dat het gedicht gaat over het gedicht, omdat het gedicht gezichtsverlies lijdt.Het gedicht lijdt gezichtsverlies, en dat moet je er zelf van maken.  De nieuwe methode is zonder het gedicht, opnieuw beginnen. Wat ga je nog doen zonder dergelijke vorm van vroomheid? Laat het gedicht zichzelf tackelen, maar daar is een eigen versie van mezelf al, luid en vragend om een ervaring die de moeite waard is. Verwoed geluid willen maken, alleen maar om er vanaf te zijn,maar dan gebeurt de de impasse toch weer opnieuw.

Dries Verhaegen
23 0

Het Bankje

A= Een man die ernstig ziek is geweest. Hij is recent ontslagen uit het ziekenhuis en is nu eindelijk aan de beterhand. Hij heeft op deze manier geleerd dat je moet leven in het moment.  Daarom spreekt hij erg veel een erg rechtuit. B= Een ‘gewone’ vrouw, een beetje een grijs en terughoudend persoon die normaal nooit zomaar een gesprek zou aanknopen.  Ze is het niet gewend een compliment te krijgen en weet niet goed hoe ze hier mee om moet gaan.  Ze slalomt het hele gesprek tussen meegaan in het gesprek en afwerend reageren.    B zit al op de bank. A komt iets later aan en zet zich naast haar.                                                      --------------------------------   A:        Prachtig weertje.  Nee? B:         Mmm. A:        Helderblauwe lucht, de zon die eerder verlegen schijnt vandaag.  En dat heerlijke briesje dat flirt met de dualiteit van:  ‘Doe ik nu die jas uit en verdraag ik het kippenvel?’ of  ‘Hou ik die jas aan en verdraag ik de zweetparel die over mijn flank naar beneden baant?’  Als u begrijpt wat ik bedoel? B:         (afwezig) Mmm, ja. A:        Maar als ik echt eerlijk ben, en vanaf heden ben ik dat permanent, vind ik u nog veel prachtiger dan heel dat zomers zonnetje en briesje bij elkaar. B:         Excuseer, spreekt u tegen mij mijnheer? A:        Ziet u nog iemand anders hier zitten misschien? B:         Nee, ik dacht dat u met iemand aan het bellen was. A:        Zie ik eruit als iemand die de hele dag in het publiek loopt te bellen? B:         Euh …, eigenlijk wel ja. A:        Wel, dat raadt u dan mis. B:         Dat zou kunnen.  Ik ben wel eens meer mis. A:        Ik gaf u net een compliment.  Heeft u het gehoord? B:         Ja. A:        Maar u verkiest om niet te reageren? B:         Dat klopt. A:        Waarom? Als ik zo vrij mag zijn. B:         Omdat ik niet helemaal zeker ben of u het wel meent. A:        Mevrouw, ik ben recent tot het inzien gekomen dat mijn tijd op deze zanderige  aardkluit veel te kort is om onwaarheden te spuien.  Daar kom je werkelijk nergens mee. B:         Hoe bedoelt u ‘recent’? A:        (zucht) Nu u het toch vraagt, ik was ziek, heel ziek. B:         Maar nu niet meer? A:        Ik heb gevochten, ben neergeslagen, door het stof gesleept en terug opgestaan. En na een eindeloos aantal dergelijke rondes heb ik uiteindelijk nipt gewonnen. B:        Goed voor u. A:        En u?  U ziet er, vergeef me m’n rechtdoorzeese tred, een beetje … ja ... verdrietig uit. B:         Dat is ook zo. A:        Mevrouw, geloof me, het leven is te kort om verdrietig te zijn. B:         Heeft u dat ook recent ingezien of komt dat van een keukentegel? A:        Ai, touché. B:         Sorry, ik wou u niet … .  (zucht)  Als u het dan toch moet weten.  Ik ben eigenlijk al verdrietig zo lang ik het me kan herinneren. A:        Maar dat is vreselijk.  Dat houdt toch geen mens vol? B:         Voor mij is het … normaal, denk ik. A:        Maar mevrouw, waarom bent u dan toch zo verdrietig? B:         Mijnheer luister, ik zit hier gewoon op een bank en u stelt me allerlei vragen.  Wat moet ik daar … A:        (onderbreekt)  Als u liever niet met me spreekt is dat ook goed hoor.  Dan draai ik me gewoon terug naar het verlegen zonnetje en laat ik u in u verdriet berusten.  Zegt u het maar. B:         In mijn verdriet berusten?  Bent u psychiater misschien?  Krijg ik zo dadelijk uw kaartje?  En een rekening?  Of is de eerste consultatie op kosten van het huis? A:        U beledigt mij.  Ik ben gewoon … begaan. B:         (zucht) Sorry, nogmaals. Ik wou u niet zo …  Vergeef me, ik ben een beetje moe. A:        Niet nodig.  Het is uw verdriet dat spreekt.  U moet het aanpakken mevrouw, bij de wortels vastgrijpen en uit de grond trekken. B:         Mijn verdriet heeft geen duidelijke reden, het is er gewoon.  Net zoals u eerlijkheid: permanent. A:        Ik weet zeker dat, als u mij de kans geeft, ik u … B:         (onderbreekt hem) Zegt u dit tegen alle vrouwen die u op een bankje tegen komt? A:        Nee, helemaal niet.  Dit is trouwens de eerste keer in meer dan een jaar tijd dat ik nog eens op een bankje zit. B:         Sorry. A:        U hoeft zich niet de hele tijd te excuseren. Het is uw schuld niet.  Het is gewoon, in een ziekenhuisbed kom je moeilijker mensen tegen om een doordeweeks praatje mee te slaan.  Laat staan zo een prachtige vrouw als u. B:         Dit praatje is alles behalve doordeweeks mijnheer.  En u, als u dan echt geen psychiater bent, dan moet u zo ongeveer het prototype van een charmeur zijn. A:        Ik?  Een charmeur?!  (lacht) Helemaal niet, ik observeer gewoon en ik benoem de dingen zoals ze zijn. B:         Ah?  Een wetenschapper dus? A:        Nee, eerder een realist met de ziel van een eeuwige romanticus. B:         (lacht voorzichtig)  U weet het wel mooi te stellen. A:        Mijn woorden zijn misschien mooi, maar u … ik val in herhaling: ‘U bent prachtig.’ B:         Ja, dat zei u inderdaad al.  En ik dank u.  Ik zou bijna geloven dat u het meent.  Maar vergis u niet, ik ben niet naïef. A:        Hoe bedoelt u? B:         U komt net uit het ziekenhuis.  Ik ben waarschijnlijk één van de eerste vrouwen die sindsdien uw pad kruist.  Natuurlijk vindt u mij prachtig.  U zou momenteel zelfs een gebochelde heks met het jicht in haar benen en een snor onder haar met steenpuisten geteisterde haakneus, prachtig noemen. A:        (lacht) U weet het wel mooi te stellen. B:         (lacht ook) Het zal weer het verdriet zijn dat spreekt zeker? A:        Ik zeg u niets, maar euh, mijn observatievermogen maakt momenteel een vette aantekening met rode bic. B:         Ah ja?  En wat noteert u dan misschien? A:        Ik citeer;  Feit, dubbelpunt,  steller dezes heeft op vijf minuten tijd twee maal met overdonderend succes een elegante lach ontlokt uit de prachtige mond van zijn huidige gesprekspartner. B:         (lacht) A:        Doorhaling, backspace, correctie:  drie maal. B:         Ja, ik geef het toe.  U bent hier goed in.  Ik ken u niet, maar u lijkt oprecht te zijn. A:        Nogmaals, ik heb geen tijd en geen boodschap aan onwaarheden. B:         Klopt, dat zei u al.  Sorry. A:        Waarom zegt u eigenlijk de hele tijd ‘sorry’?  Is dat ook een aspect van uw permanente verdriet? B:         Ik weet het niet.  Zou kunnen. A:        Mijn moeder zei altijd:  ‘Sorry is een duur woord.  Ge moet u alleen excuseren als ge echt iets hebt misdaan. Anders gaan we failliet voor dat ge het weet.’ B:         Zei ze dat echt of hebt ge dat hier ter plaatse verzonnen? A:        Euh …een beetje van allebei geloof ik. B:         (lacht) Betrap ik u hier op een onwaarheid? A:        Ja lap … nu zit ik vast.   Om een … euh …  lach op uw gezicht te krijgen, wil ik mijn heilige principes voor één keertje een beetje buigen. B:         Ik voel me vereerd. A:        Terecht.   Eventjes stil.   B:         Ik moet gaan nu. A:        Nu al? B:         Ik wil u bedanken voor deze niet alledaagse babbel.  Het was inderdaad te lang geleden dat ik nog eens elegant gelachen heb. A:        Nu voel ik me op mijn beurt vereerd. B:         (lacht) A:        Wat brengt de dag u verder? Tenminste, als ik nogmaals rechtdoorzee mag zijn. B:         Dat mag u.  Ik ga de kinderen van school halen. En ik moet nog langs de kramiek. A:        Om dagelijks brood te kopen en die eeuwig hongerige monden te voeden? B:         Zoiets ja. A:        Gaat u door het park? B:         Ja. A:        Vindt u het ok als ik u vergezel? B:         Dat kan.  Moet u ook die richting uit? A:        Nee, helemaal niet.  Maar ik moet of wil momenteel nergens anders zijn. B:         Dat is de realist of de romanticus die spreekt? A:        Het park doorkruisen, dat moet zo een 10 minuutje wandelen zijn, niet? B:         Euh ja, zoiets. A:        Ik waag mij, met uw goedkeuring uiteraard, aan een nobele poging om binnen die 10 minuten de spreekwoordelijke badstop van uw verdriet te vinden, die vervolgens met een ferme ruk uit te trekken zodat de tranenvloed kan wegvloeien om zo meer ruimte te gunnen aan die prachtige, elegante lach van u. B:         Dat gaat niet gemakkelijk zijn.  U bent gewaarschuwd. A:        Mag ik desondanks toch proberen? B:         (zucht) Ik weet het niet. A:        Ik meen het hoor. B:         Dat merk ik. … Ok dan, maar ik moet echt door nu. A:        10 minuten en counting.  Mag ik u mijn ondersteunende arm aanbieden? B:         Biedt u die aan elke vrouw aan? A:        Als u nog veel dergelijke vragen gaat stellen, ga ik kostbare tijd verliezen hè.  Trouwens de kramiek gaat subiet sluiten en uw kinderen wachten. B:         Sorry.   A en B staan recht en vertrekken door het park. Het bankje blijft verlaten, maar tevreden achter.

Wim Dufraing
7 0

Amor non celatur

𝐙𝐞 𝐯𝐞𝐫𝐝𝐢𝐞𝐧𝐭 𝐞𝐞𝐧 𝐞𝐞𝐫𝐥𝐢𝐣𝐤𝐞 𝐤𝐚𝐧𝐬 𝐨𝐦 𝐯𝐚𝐧 𝐦𝐞 𝐭𝐞 𝐡𝐨𝐮𝐝𝐞𝐧. 𝐀𝐥𝐬 𝐢𝐤 𝐧𝐚𝐚𝐫 𝐡𝐚𝐚𝐫 𝐤𝐢𝐣𝐤 𝐞𝐧 𝐝𝐞𝐧𝐤 𝐝𝐚𝐧 𝐯𝐨𝐞𝐥 𝐢𝐤. 𝐈𝐤 𝐡𝐨𝐞𝐟 𝐦𝐞 𝐯𝐨𝐨𝐫 𝐝𝐞 𝐰𝐞𝐫𝐞𝐥𝐝 𝐧𝐢𝐞𝐭 𝐭𝐞 𝐯𝐞𝐫𝐝𝐨𝐯𝐞𝐧. 𝐈𝐧 𝐡𝐚𝐚𝐫 𝐚𝐚𝐧𝐰𝐞𝐳𝐢𝐠𝐡𝐞𝐢𝐝 𝐯𝐨𝐞𝐥𝐭 𝐡𝐞𝐭 𝐚𝐥𝐬𝐨𝐟 𝐦𝐢𝐣𝐧 𝐛𝐞𝐝 𝐞𝐢𝐧𝐝𝐞𝐥𝐢𝐣𝐤 𝐞𝐞𝐧 𝐤𝐮𝐬𝐬𝐞𝐧 𝐤𝐞𝐧𝐭. 𝐙𝐞 𝐠𝐞𝐞𝐟𝐭 𝐦𝐞 𝐧𝐢𝐞𝐮𝐰𝐞 𝐛𝐞𝐥𝐞𝐯𝐢𝐧𝐠𝐞𝐧 𝐨𝐦 𝐧𝐚𝐚𝐫 𝐮𝐢𝐭 𝐭𝐞 𝐤𝐢𝐣𝐤𝐞𝐧. 𝐇𝐞𝐭 𝐢𝐬 𝐦𝐨𝐞𝐢𝐭𝐞𝐥𝐨𝐨𝐬 𝐯𝐞𝐫𝐭𝐫𝐨𝐮𝐰𝐞𝐧 𝐡𝐞𝐛𝐛𝐞𝐧 𝐢𝐧 𝐝𝐞𝐳𝐞 𝐜𝐨𝐧𝐧𝐞𝐜𝐭𝐢𝐞. 𝐃𝐞 𝐛𝐚𝐬𝐢𝐬 𝐢𝐬 𝐠𝐞𝐳𝐞𝐭 𝐯𝐨𝐨𝐫 𝐝𝐞 𝐟𝐮𝐧𝐝𝐚𝐦𝐞𝐧𝐭𝐞𝐧 𝐯𝐚𝐧 𝐨𝐧𝐳𝐞 𝐥𝐢𝐞𝐟𝐝𝐞. 𝐎𝐧𝐳𝐞 𝐭𝐡𝐮𝐢𝐬 𝐢𝐬 𝐰𝐚𝐭 𝐰𝐢𝐣 𝐞𝐫𝐯𝐚𝐧 𝐦𝐚𝐤𝐞𝐧 𝐭𝐢𝐣𝐝𝐞𝐧𝐬 𝐝𝐚𝐭 𝐝𝐞 𝐰𝐞𝐫𝐞𝐥𝐝 𝐳𝐢𝐣𝐧 𝐠𝐚𝐧𝐠 𝐠𝐚𝐚𝐭.  

d.tlmn_
32 0
Tip

Het Bankje

Op het bankje ziten een oudere man (A) en een jonge dame (B). Zitten naast elkaar, voor zich uit kijkend. Er vallen regelmatig rustige stiltes. … A – Interessant, heel interessant. B – Wat vindt u interessant? A – Die beelden. Het lijkt wel of ze ’s nachts theekransjes en dansfeesten houden. Wie weet wat nog meer. B – Hoezo dan? A – Ze zijn stil de hele dag. Schone schijn voor al die bezoekers. Ze moesten eens weten, die toeristen. …. A – Kijk, zag u dat beeld van die vrouw als u terug wandelt. Schijnbaar altijd in dezelfde houding maar als u goed keek, kon u zien dat ze zweette. B – Dat is de ochtenddauw die er nog op zit. A – Neen hoor, ze heeft vast een zwoele nacht gehad, daarvan zweet ze. B – Zwoel van dat kransje? Was de thee te heet misschien? A – Fantasie, juffrouw, een béétje fantasie, dat maakt het makkelijker. B – U houdt van hete thee dan? A – Ja natuurlijk wel. Alleen wordt die, net zoals soep, nooit zo heet gedronken als die wordt opgediend. B – (lacht)  Mijnheer heeft ervaring. A - (lacht terug) Wel ja, juffrouw. En u bent dan tóch een grapjas. B – U maakte toch ook een grapje, mag ik hopen? A – Ja hoor. Maakt u zich geen zorgen. Trouwens, ik ben toch al ingenomen. B – Nu maakt u mij nieuwsgierig! (B bekijkt A even) A – De allermooiste vrouw en ze wil mij hebben. Hoeveel geluk kan een man hebben? U lijkt wat op haar. (A kijkt vluchtig naar B) B – Is dat dan een compliment voor mij? A – Ja zeker! B – Oh! Dank u wel. … A – Dat beeld, dat daar schuin links voor ons staat, dat is prachtig. De zee. Die vrouw is er helemaal de verpersoonlijking van. Dat heeft de beeldhouwer goed gedaan. B – Daar kwam ik gisteren langs. Hoezo ziet u dat erin? A – De zee, de ene keer onstuimig, de andere keer koppig stil, of glad en gehoorzaam… B – Is dat uw idee over ‘de vrouw’? (half schertsend) A – Dat is de natuur en daar houd ik het meest van. … B – Komt u hier eigenlijk vaak? A – Bijna elke dag. Mijn Annie komt soms mee. B – Mag ik u wat vragen? A – Ja hoor. Wat wil je weten? Mag ik ‘je’ zeggen? B – U mag ‘je’ zeggen. Wat ik vragen wilde, hebt u kinderen? A – Ja, ik heb een jongen en een meisje. B – Werken uw zoon en dochter? A – Hoezo!? Ze gaan nog naar school. Ik moet wél op tijd weer weg om ze op te halen. B – Oh, neemt u me niet kwalijk. A – Geeft niets hoor. Vandaag ben ik vrij van mijn werk en dan kom ik graag overdag naar het park. B – Welk werk doet u? A – Ik was ooit zeeman, matroos. Mensenlief, wat heb ik veel van de wereld gezien. Maar ja, toen trouwde ik, ik was al dertig en toen er kinderen kwamen wilde ik zelf veel bij hen zijn. Nu werk ik… uhm, hoe zal ik dat uitleggen… tja. Weet je, het doet er ook niet toe. Vandaag ben ik in elk geval vrij. B – Inderdaad. Nu zit u hier. Ik ben blij dat ik u hier zie. A – Hoezo? Waarom dan? B – Uhm… Ja, normaal fiets ik gewoon recht door het park op weg naar de stad of naar huis. Maar ik wilde even nog wat buiten blijven, en ik hoor u praten over die beelden. A – Jij kent dit park dus? B – Ja, ik ben in Antwerpen geboren en opgegroeid. Ik woon hier nog steeds. A – Mooi! Ken jij het park goed? B – Tja, het is te zeggen, ik ken mijn weg hier, maar ik ken niet al die kunst hoor. Alleen enkele beelden. En in de zomer kom ik wel eens naar Jazz Middelheim luisteren. A – Wat fijn! Dat doe ik ook wel graag, als het niet te druk is tenminste. B – Helemaal zoals ik het ook graag heb. Niet te druk. … B – Kent u álle beelden en andere kunstwerken hier? A – Ik ken dit park als mijn broekzak en zeker de permanente beelden. Al sinds ik hier woon, lang geleden, toen ik met Annie trouwde. Ja, ik ben de liefde gevolgd en zij heeft geleid. B – Dat lijkt alsof u… A – (weer licht verward) Langs welke ingang kwam je binnen? B – Langs het bootje. A – Oh, de Misconceivable. Het bootje doet me mijmeren. B – Waar denkt u dan aan? A – De eeuwige twijfel. Steeds over andere dingen die het leven me gratis gaf. B – Dat klinkt minstens zo interessant als een beeldenverhaal. A – Wil je dat echt horen? B – Alleen als u echt wil vertellen. Ik heb wel even tijd. A – (meer in zichzelf pratend) Jonge mensen die tijd hebben, waar gaan we dat schrijven? De gebeurtenissen des levens. Ik was heel lang zeeman, heb de zeven zeeën bevaren. Woeste baren en glad stil water. De liters zoutwater die ik per ongeluk ingeslikt heb… B – Hoe lang was u zeeman? A – (glimlacht) Dat was toen ik piepjong was. In elke stad een ander liefje. In elke stad andere geuren en smaken. Overal was het anders. Andere kleuren, zelfs andere geluiden. B – Zoals? A – Zoals wat? B – Welke geluiden zoal? A – Van de santouri, de conga’s, percussie, de luit en de lier en … B – Leerde u zelf ooit een instrument bespelen? A – Ik kocht ooit een lier, het was een koopje in Griekenland, Kreta. Kijk, zoals dit beeld van Orpheus, waarvan ik met mijn gsm een foto nam. B – Dat is wel mooi. Ik ken iemand die… A – Kan je de muziek al horen? Zo’n mooi geluid! … A – Probeer alstublieft. B – Ja, jaja! Heel zuiver, één klank, er komt steeds een klank bij, de muziek zweept op en… A – Je hebt het helemaal begrepen! Je ziet wat je voelt. … B – Voorzichtig nu maar. Zo opspringen van de bank. A – Ik sta nog recht. Ik heb zin om te wandelen langs die beelden. Vergezel mij alsjeblieft. B – Het zou voor mij een hele eer zijn, om de verhalen uit uw mond te horen. (staat op en draait zich helemaal naar A toe) … A – Leentje! Jou had ik hier niet verwacht. Ik wandelde en … B – Dag opa, was u weer aan het gidsen voor toevallige passanten? A – Ja, maar ze is weg. Ik praatte hier met een jonge dame… Ik zie haar niet meer. … B – Kom, we wandelen langzaam terug naar oma. Ze zal wel ongerust zijn nu. Het wordt ook frisser. Ik was toch net op weg naar uw thuis. A – Ja, die oma. Altijd voor anderen bezig. Jij lijkt zo hard op haar. Ze zou warme hutsepot maken vanmiddag. Je blijft toch lunchen? B – Ja hoor. Vertelt u dan aan tafel verder? A – Verder vertellen? Waarover dan? Vertel jij eens over je school? Waarom zit je nu niet in de les? (stappen arm in arm het park uit, het bankje blijft achter)

Anemos
144 4
Tip

Bankgeheim

A: Lies! Ben jij dat?  B: An! Hoe lang is dat geleden?  A: Even denken, dat moet zeker een jaar of acht zijn, schat ik … minstens. B: Wat een toeval! Kom, ga toch zitten. A: Oké, waarom niet? B: Hoe gaat het met u? A: Interesseert jou dat dan na al die jaren? B: Ja natuurlijk, ik heb vaak aan u gedacht. A: Echt, Lies? Waarom? B: Ik weet het niet, af en toe flitst ge door mijn hoofd.   A: Ah ja?  B: Ik wou dat het vroeger allemaal anders was gelopen, geloof me. A: Tja ... Is het eigenlijk nog wat geworden tussen jou en Jan? B: Nee, niet echt. We zijn, denk ik, een maand of vier samen geweest. A: Jullie waren niet echt voor elkaar geschapen, zeg maar. Dat dacht ik toen al. B: Dat is iets wat ik nooit zal weten, spijtig genoeg. Op een morgen lag hij in zijn huis beneden in de gang, onderaan de trap. Met een gebroken nek. A: Gebroken nek? Dood? Wat is er dan gebeurd? B: Geen idee, niemand weet het. Hij is waarschijnlijk over iets gestruikeld en naar beneden gevallen. Dat beeld, An, dat beeld van hem daar in die gang, dat krijg ik nooit meer uit mijn hoofd.  A: Verschrikkelijk!  B: Ik was er kapot van. En daarna was er het gerechtelijk onderzoek. Alsof iemand van ons hem iets had aangedaan.  A: Djeezes. B: Het was de hel. Vooral de dagen nadien. Eerst was er de lijkschouwing en daarna werd iedereen verhoord, vrienden en familie. Allemaal. A: En, hebben ze iets gevonden? B: Nee, er was niks te vinden natuurlijk. Een ongelukkige val, dat kan iedereen overkomen. A: Ik mag er niet aan denken, zo alleen sterven. B: Heel erg. Ik had achteraf zoveel schuldgevoelens. Als ik die nacht bij hem was blijven slapen, leefde hij nog. A: Als, als, het heeft geen zin om daarover na te denken, Lies. Het is gebeurd. B: Waarschijnlijk wel, ja. Doet dat nieuws u dan niks? A: Jawel, natuurlijk wel. Maar het leven gaat verder.  B: Ik ben toch een lange tijd niet mezelf geweest. A: Ik ook niet, Lies. B: Nee … natuurlijk niet.  A: Gelukkig heb ik niet lang na heel het gedoe met Jan de man van mijn leven leren kennen.  We zijn hals over kop getrouwd en we hebben een zoon van zeven en een dochter van zes. B: Dat doet me deugd, An. Ik ben blij voor u. A: Waarschijnlijk was dat nooit gebeurd als Jan en ik samen waren gebleven. Eigenlijk heb je me geholpen als je het zo bekijkt. B: Gij zijt niet veel veranderd. Altijd het positieve zien in alles. A: Zo goed ken je me niet. B: Genoeg over het verleden. Kijk! A: Wat een mooie ring.  B: Ik moet er zelf nog aan wennen. Mijn vriend heeft me gisteren gevraagd of ik met hem wil trouwen. A: Proficiat. Zijn dat diamanten? B: Ja! Echte diamanten! A: Die hebben zeker een fortuin gekost. B: Ik denk het ook, het mag wel. Ik heb er zes jaar op gewacht. Ik heb hem wat moeten aanmoedigen, maar gisteren zat hij ineens voor mij op zijn knieën. A: Zes jaar is een hele tijd. B: Er was altijd wat anders. Of hij had het te druk of hij was er nog niet aan toe … A: Mannen hebben altijd zwakke uitvluchten. B: Op een dag heb ik hem gewoon gezegd: manneke, het is nu of nooit en als het nooit is, zijt ge me voor altijd kwijt. A: Dat moet indruk gemaakt hebben. Erg subtiel was je nooit.  B: Subtiel? Daar komt ge nergens mee. Mannen hebben duidelijke taal nodig! A: Daar kan je wel eens gelijk in hebben. B: Kent ge dat, een man die u zot maakt van verlangen? Zo een vent waarop ge niet kunt wachten tot hij naar huis komt en die dan de kleren van uw lijf sleurt? En gij die van hem? A: Ja, dat ken ik wel, ja. Dat blijft niet duren. B: Hij is dan nog knap ook met zijn donkere krullenkop en zijn wijze ogen. Zie, ik word weer helemaal week. En ik moet hem drie dagen missen. Ik hoop dat ik het overleef. A: Je hebt het wel flink te pakken. B: Vorige week hebben we onze zesde verjaardag met ons tweeën uitgebreid gevierd, alles erop en eraan. Hij had een kamer gehuurd in een gezellig hotelletje aan zee. Niet zomaar aan de Belgische kust, hè. Nee nee! Aan de Franse kust. Hij verwent me rot, An. En zo romantisch! Dinertje, lekkere wijn, een filmpje en de zaligste seks. Hij is écht goed in bed. Onze lijven zijn gewoonweg gemaakt voor elkaar, dat kan niet anders. A: Je bent nog altijd dezelfde flapuit, Lies.  B: Ik heb geen geheimen, hè An. Hoe zit dat bij u? A: Ik ben gelukkig getrouwd, echt. Ik heb een lieve, zorgzame man die altijd voor me klaarstaat. Ook voor de kinderen. Een zakenman in hart en nieren, dat wel. Maar dat houdt de spanning in onze relatie. De vonken vliegen er bij ons ook nog regelmatig af. Ik zie hem doodgraag. B: Dat is tof voor u An. Ik heb u altijd zo een man toegewenst! Misschien gelooft ge dat niet, maar het is zo. A: Daar twijfel ik wel wat aan, eerlijk gezegd. B: Kom zeg, het verleden is het verleden. Daar gaan we nu toch niet meer onnozel over doen. We zijn allebei gelukkig. A: Ja, dat ben ik. Vanmorgen kreeg ik ontbijt op bed. Niet zomaar vlug, vlug een half gesmeerde boterham met wat kaas en een kop lauwe koffie. Nee! Een uitgebreid ontbijt met vers sinaasappelsap, heerlijke broodjes, een zachtgekookt eitje, een glaasje cava en een rode roos op mijn bord. Zalig! Zomaar … alsof hij iets goed te maken had. B: Ziet ge! Dat is wat ik bedoel! Geweldig, zoiets. Dat zijn pas echte venten. A: Ja, dat vind ik ook. Nadien hebben we een halve dag in bed liggen vrijen. Niet te stoppen. Hij niet en ik niet. We hebben gevrijd alsof ons leven ervan afhing. Elke hoek van de kamer hebben we gezien. B: Zalig, An! Gij verdient dat echt. A: Ja … dat mag je wel zeggen. B: Als ik iets heb geleerd is het wel dat ge geluk moet vasthouden. A: Wijs gesproken, Lies. Daar denk ik hetzelfde over.  B: Wij zijn het met elkaar eens. Dat vind ik nu echt wel tof na al die miserie van vroeger. A: Wie had dat ooit kunnen denken, hè Lies? B: In mijn wildste dromen niet. Eerlijk! Ik heb altijd gedacht dat je me voor eeuwig haatte. A: Hoe was le Crotoy, Lies? B: Wat bedoel je? A: les Tourelles?  B: Waar hebt ge het over? A: Ik heb iets voor jou. Hier … kijk. B: Een factuur? A: Bekijk het maar eens goed. Het is de rekening van een hotel. B: Wat? A: De rekening van het hotel in le Crotoy. Le Crotoy! Ik kan het nog niet geloven. B: Hoe komt gij hieraan? A: Deze morgen stond mijn man in de douche te zingen. Zijn telefoon lag naast ons bed en hij kreeg een sms.  B: En? A: Ik heb het bericht gelezen natuurlijk. En daarna heb ik door alle berichten gescrold. Het was niet moeilijk om alles samen te puzzelen. B: Ik weet niet goed wat ge bedoelt. A: Die sms kwam van jou, Lies.  B: Wat? A: Lies Cottenjé. Hoeveel Liesen Cottenjés ken ik, denk je?  B: Maar … A: Peter Torres? Misschien zegt die naam jou iets? B: Peter? Ja, natuurlijk. Dat is mijn verloofde. A: Peter is mijn man, Lies. MIJN man. B: Wacht twee minuten. Wat is dat voor een verhaal? A: De grote zakenman reist wat af! Van jou naar mij en van mij naar jou.  B: Alstublieft An! Zijt gij nu ineens zot geworden? A: Eén keer googelen en ik had jouw adres. Ik heb vanmorgen tegenover jouw huis gewacht tot je naar buiten kwam en ben je naar hier gevolgd.  B: Mij gevolgd? Maar enfin! A: Hoe je het weer voor elkaar hebt gekregen of wat hier speelt, weet ik niet, maar ik laat het niet gebeuren, Lies. B: Gebeuren, gebeuren, wat gebeuren? A: Als ik jou nog één keer zie, doe ik je wat aan. Knoop het in je oren. Ik meen het. En Peter is geen haar beter. Zo gemakkelijk komt hij er niet vanaf. B: Wat bedoelt ge? Waar is Peter? A: Thuis, in bed. Hij is gisteren in al zijn onstuimigheid van de trap gevallen. Maar geen schrik, hij krijgt de beste zorgen. Die van mij. Jullie zien elkaar nooit meer. B: An? A: Blijf uit mijn vaarwater, lelijke onderkruiper. Of wil je dat er nog meer ongelukken gebeuren? Je bent verwittigd. Nog een fijne dag.

Kristin Huyghe
175 1

Helvetia

“Wat zeg je daar opa, dit is toch het Engelse volkslied maar jij zingt iets dat op Duits gelijkt.““Klopt, jongen, ik zing: Rufst du, mein Vaterland?Sieh uns mit Herz und Hand,All dir geweihtHeil dir, Helvetia!Hast noch der Söhne ja,Wie sie Sankt Jakob sah,Freudvoll zum Streit! Weet je, die tekst ken ik al van mijn veertiende, toen ik net zo oud was als jij nu bent en telkens ik het ‘God save the Queen’ hoor zing ik die tekst. Ik hoorde hem voor het eerst op een vakantiekamp in het bergdorpje Melchtal  in Zwitserland waar een lokaal koor voor ons optrad. Sindsdien raakt het riedeltje niet meer uit mijn hoofd. Later hoorde ik dat het er tot 1961 het nationale volkslied was.”“Nou, dat is allemaal heel lang geleden, opa. Vertel eens over dat kamp.”“We waren met honderden kinderen. Ieder van ons had dezelfde kartonnen valies met onze naam en adres erop.”“Kartonnen valiezen, opa, weet je dat zeker?”“En of, enkele jaren geleden haalde op eBay zo een valiesje de prijs van 58 euro. Kan je nagaan als je weet dat om en bij het miljoen kinderen zo een ‘doos’ kregen om op vakantie te gaan.”“Zwitserland, daar ben ik nog nooit geweest. Gingen jullie dan met het vliegtuig?”“Neen, met de trein, een nachttrein, want we denderden de hele nacht door en ’s morgens vroeg kwamen we toe. Wij wisten niet waar eerst kijken: eindeloze weiden met honderden koeien en daarboven de hoge bergen en een staalblauwe hemel.”“Heb je daar dan bergen beklommen?”“Echt bergbeklimmen kon je het niet noemen, maar wij hebben wel eens een zware bergtocht gemaakt waarbij we over grote rotsblokken moesten klimmen om op de bergtop te raken.”“Hoe was het daarboven, opa?”“Dat, jongen, kan ik haast niet beschrijven. Het was oogverblindend. Ik denk niet dat ik sedertdien nog ooit zo ontroerd werd door een landschap. Zo ver je kon kijken waren besneeuwde bergtoppen en toch was het hartje zomer. Vanuit de bergen kwam een lichte bries. De lucht was zo puur. Ik denk dat ik toen mijn longen voor de rest van mijn leven heb volgezogen. ”“Waarom zijn jou ogen plots zo vochtig, opa, ween jij?”“Ach, jongen, ik had het toen en heb het nog steeds. Als iets zo adembenemend mooi is dat het je de keel snoert, zijn tranen nabij. ““Zullen wij samen eens naar Zwitserland gaan, opa?”“Misschien, jongen, misschien.”

Vic de Bourg
54 2

Oma en kleinzoon in Baudeloparkje

Dialoog. Het Bankje. Oma( A) en kleinzoon( S) ontmoeten mekaar na lange tijd in het Baudeloparkje, Gents parkje waar kleinzoon vijftien jaar geleden vaak spelen kwam.         S Ik ben zo moe. A Probeer te slapen S De slaap wil me niet A Kan je geen kuiltje in mijn schoot graven zoals lang geleden, jongen? Vlij je hoofd in mijn holte Masseer ik je kruin? S Ik durf niet te slapen. A Waarom? S Omdat ik toch weer wakker word Weer wennen moet aan duisternis A Wat is wakker worden? S Verjaagd worden uit een diepe verlossing A Waarvan wil je verlost worden? S Van de nacht die dag wordt, van het verleden dat ook mijn toekomst is A De diepe slaap zal je kijk veranderen Ik heb een dromenvanger voor je Je knutselde die zelf ooit ineen als kleuter. S Heb je die bewaard? A Ik bewaarde alles en niet genoeg. S Worstel jij ook met de slaap, oma? A Ja, maar ik heb geen oma meer. Oma’s zijn breed, zacht, gewillig Oma’s zijn slaapverwekkende mensjes Ze kennen de vorm van al die hoofdjes Ze lezen moeiteloos zorgen weg S Alle oma’s? A Ja, ook de ebbes en nona’s S Jij bent toch blond A Je nichtje vroeg me toen ze vijf was: ‘Ben jij Turks?’ ‘Nee’ zei ik. ‘Dan ben je niets’ besloot ze ‘Ik ben een mens’ zei ik     A Jij bent zo’n knappe jongen, een man nu Drie continenten draag je in je Je bent van de wereld, kind S Jij bent van Gent A Ik ben ook een beetje van Laghouat, Emirdag en Istanbul S Hoe kan dat? A Ik droeg Düsseldorf, Lens, Baaigem toen ik een kind met een oma was Toen ik je moeder droeg leefde Algerije in me Toen je moeder jou droeg Groeide Turkije in me De Vlaamse klei is daarom zo rijk nu. S Dat is vreemd A Vrouwen dragen in hun schoot kinderen verzoening, vermenging, verstrengeling Oma’s zijn stamhoofden Hun beaderde handen strelen slapelozen Ze hebben al lang geleefd Hun toekomst is kleiner wijl het kleinkind net groter wordt. S Jouw gedachten geven me rust Op school ben ik niet wit In de Sleepstraat roepen ze ‘Arabier’ Aan de Brugse Poort zeggen ze ‘Turk’ Maar in jou zitten we allemaal ? A Zo is het. Ik ben trots omdat je zoveel bent. In je ebbe zitten ze ook allemaal. Kom, rust nu wat! Als baby sliep je ook op mijn schoot Je bent het kind van het millenium en het kind van drie werelden Je vervult een glansrol hier. Ik zou je tobben willen torsen.   S Het was zo lang geleden A Wat is lang? S ik hoorde je zo lang niet, oma A Ik ben blijven praten met jou Ik zocht je in Gentse straten S Heb je gehuild, oma? A Ja. Nu zijn mijn tranen zijn op S Wanneer zijn tranen op ? Ik huil zo vaak in bed A De jouwe zullen nooit op zijn, kind Na het huilen komt rust, slaap Slaap nu maar. Ik kijk zo graag naar de slapende man in je Naar de volle gloed van goedheid S Ik zou hier willen blijven liggen Hoor je de accordeon? Voel je de motregen? Ruik je de jasmijn? Vlakbij leerde ik saz spelen Weet je nog? A Ja, ik bracht je En erna draaide je aan de molen Je kon maar weg uit Baudelo als je eerst de schommel, de wip de molen in beweging kon achterlaten Je keerde telkens terug om beweging in de tuigen te krijgen Ik kreeg je niet weg Je was zes S ( glimlacht) Mijn zusje was net dood Ik kon niets achterlaten zonder beweging te zien A Ik wist het       Ariane   voor Sahin, Turks voor Arend, die op de lentedag van 2021 eenentwintig wordt      

Ariane Vergult
15 0

Beroemd

De auto stopte vlak naast me, bij de rand van het trottoir. Hij stond nog niet helemaal stil of het portier zwaaide open. Werktuiglijk zette ik een stap opzij. Een meisje wipte eruit en sprong voor mij. Ik bleef staan en draaide me naar haar toe. Een standaardmeisje. Make-up, gelakte nagels, hakjes. Achttien? Twintig? Ouder nog? Wie zal het zeggen. Al van hun twaalfde jaar zien ze er als dames uit.De man achter het stuur liet de motor draaien. Haar vader wellicht. Of lief. Ook dat valt met geen zekerheid meer uit te maken. Zo gauw ze achttien zijn, rijden ze in zo’n dikke Duitser. Ze plukte een vierkant boekje uit haar schoudertas.‘Mag ik een handtekening van u, mijnheer?’Een wolkje adem, een hoopvolle glimlach, glariënde ogen.Ze klapte het boekje open, een poëziealbum, en hield mij een balpen voor.Ik ritste mijn jas bovenaan wat open, schoof mijn hand in de linker binnenzak en toonde haar nadrukkelijk mijn vulpen. Die heb ik altijd bij me voor wanneer dergelijke gelegenheden zich voordoen. Het geeft gewicht aan de gebeurtenis. Ik glimlachte.Ze lachte ietwat verlegen terug. Zoveel plechtigheid had ze kennelijk niet verwacht.De man in de auto keek in de achteruitkijkspiegel naar de file die gestadig aan het groeien was, dan naar het meisje, of ze nog niet klaar was. Het was het uur dat iedereen naar huis wilde.‘Ik schrijf ook,’ zei ze. ‘Gedichten.’Ze hield het boek op de juiste bladzijde open. Ik schroefde bedachtzaam de vulpendop los.Achteraan in de sliert begon iemand te claxonneren. Dat was het onafgesproken sein om anderen tot een toeterconcert aan te zetten. Fietsers hielden verbaasd stil bij dat oorverdovende kabaal. Mensen met boodschappentassen en oudjes met rollator bleven staan gapen en vroegen zich af wat er aan de hand was. In enkele tellen vormde zich rondom ons heen een kring van nieuwsgierigen.‘Wilt u er iets bij schrijven, mijnheer? Voor Tanja of zoiets. Zo heet ik, Tanja.’Voor Tanja, met literaire groet, schreef ik en zette er met zwier mijn handtekening onder.Ook haar chauffeur begon nu driftig claxonstootjes te produceren om haar tot spoed aan te manen. Ik blies rustig en gewetensvol de inkt droog, kantelde de bladzijde wat naar het licht toe om zeker te zijn dat de inkt niet meer glansde en gaf haar het kleinood terug.'Dank u wel, mijnheer Grunberg,’ zei ze. Ze bekeek glunderend haar aanwinst en klapte het albumpje dicht. Terwijl de wagen al in beweging kwam en de stroom auto’s achter zich mee op gang trok, wipte ze erin en gooide me een kushandje toe.Het geloei van de claxons verstomde meteen. De fietsers hervatten hun weg. Het groepje mensen rondom mij loste zich op. De shoppers schoven weer verder langs de etalages. Weer iemand blij gemaakt.Ik schroefde de dop op mijn vulpen, schoof hem in mijn binnenzak en haakte hem vast aan de rand ervan. Mijn jas ritste ik tot boven toe dicht. Ik blies mijn handen warm, duwde mijn vuisten diep in de jaszakken en vervolgde mijn weg naar huis. Kan ik het helpen dat ik dezelfde bos kroeshaar heb als die beroemde schrijver? En een gelijksoortige bril draag? En dat ook ik, net als Arnon Grunberg, met een scheef mondje ben geboren? Al trekt het bij mij aan de linkse kant naar boven wanneer ik glimlach.

Esser
7 1