Lezen

Kruiptocht in een roze onderbroek

    vandaag dan richting het verlaten Doel de brug over het Troebelwater   voorbij een boel krap gewordenleeggevlogen nesten   er was geen herberg onderweg ook geen puree met braadworst rode kool het dagmenu voor laatkomers de fijnigheden alle uitverkocht   muziek meneer die jukebox wil niet meer de aftandse idolen hangen roerloos aan de muur   ik dank ze nog het meisje voor het stroef genaai de stof die roze restjes zitten lekker en ik   strompel lees ze de affiche aan de schandpaal dat het circus   wilde dieren heeft mensen lokken zal de tent wil vol   ik kruip onder tribunes olifantenvoeten door de modder zie de   de eeuwenoude Grote Goochelaarmijn god wat kent hij vele trucjes laat de mensen in het ongewisse groentjes lachen ook   hij buigt hij groet de clown met grijze grappen doch zijn brede grijns vertrouw ik niet ontvoert het kind in mij misschien   ik lonk nog even naar haar ferme buste en de pluimendiva schenkt mij nog een vlagje met vaarwel   slenter verder door het bos voor losgelatenheden richting bron de kleine beer stil in de rug   hij hangt de jaren aan mijn schouders prevelt wat hij wil dat alles vredig overleeft   de blinde moeite hebben mieren opgespaardik ben te moe leg ik ze uit   bij nacht dan zingt de krekel nog een laatste wiegeliedje en ik voel het aan de sterren   dat de brug berust het klare water vangen wil de bedding zich straks naar me plooit       uit de reeks  'Reizen met Ricky'

Bernd Vanderbilt
0 1

Gesprek over lineaire vs circulaire tijd

Wat te denken?   Het woord retromingent ken je niet, het bestaat niet eens.   Achterwaarts plassen, als man? Met een boogje over je schouder, Door de knieen gezakt, tussen de benen door, Steunend op één hand en twee voeten, zorgvuldig, Van op paard of fiets, met een behoorlijke snelheid, Of doen alsof, en je omdraaien?   Zij lacht een druppel in haar slipje. Wasbeer, zegt ze, is een voorbeeld. Een neushoorn kan het ook. Jij niet. Alle vrouwen kunnen het, Maar wij kunnen dan ook meer.   Een aanfluiting, weerleg je, Ik ben toch je washand en je eenhoorn? En elke waarheid die uit je lekt Vang en vat ik Stilstaand en aandachtig, steunend op mijn andere hand, Zonder te kijken over mijn schouder of Diep door de knieën te gaan.   Wat te doen?   Tussen het geroezemoes van roes en roede stroopt het bloed zich op Ze kronkelt cirkels in rood krijt op mijn borst. Het gaat alleen maar voorwaarts, jouw leven, houdt ze vol, Een kwestie van tijdigheid en tijdelijkheid Niet van eb en vloed en maan en zon.   Belachelijk, spreek je tegen, Sterren en planeten bepalen jouw koers Net zo min als de mijne, wij zijn gelijk Maar niet hetzelfde, ook jij streeft naar de strepen Die kometen nalaten, en ik verlang naar zwarte gaten Om me op te slorpen, hier onder de rode kornoelje.   Wanneer, heeft ze het laatste woord, en niet zozeer waar We stil zijn en zwijgen, en met het hart op de tong, Ik jou een zoen offer, en jij Mij de oorsprong van het leven verklaart, Alleen dan weten we,   Wat te voelen.     meer op www.bijgekleurd.wordpress.com  

Dirk Van Boxem
23 0

Bellenverf en oogbollen

     een wondere indianenzomer sprakeloze vlinders die hun leven niet vertelden kleurige verhalen droegen   misschien liepen er krijgers langs de dijken om daar op het einde van een etmaal wespen die hen te moordzuchtig leken langzaam te verdrinken in een colaglas   wij keken niet wij zaten op hetzelfde stille stoeltje waar men liever eerst zichzelf en dan het evenwicht verliest   wij wisten geen van beiden waar die omtrek nu begon zij het van het ronde bijzettafeltje of van de mond   wij zwegen niemand die het vroeg in welke bergen ik ze dan gevonden had die arendsveren blikken vol met ongebroken boontjes in een notendopje   voeren mieren toen voorbij zeven op een wereldreis ze zongen liederen uit volle borst over krekels zoete ijver en genot in teamverband   ik heb me sinds die dag ook nooit meer afgevraagd of het goed was en waarom bepaalde ogen nooit weg zullen rollen als bange knikkers in een speelgoedwinkelbrand   wij voelden ons kinderen van mindere goden onwerkelijke wezentjes op een vergeten planeet voor goed met rust gelaten voor wie we waren   onschrikbarende dagen lagen voor ons en we lachten wezen naar die ene dolle donderwolk die met een opgetrokken rokje nog wat zonlicht op ons schijnen liet   wij zagen dieren op de oever vissen in de vijver mensenstreken kende men hier niet geen norse mannen met een geitenbaard hoogstens ezels met een paardenstaart geen eksterwijven laat staan chique kitsch geen diamanten dure ringen niersteentjes die kan men aan een koordje hangen heel voorzichtig rond een broze nek   hier konden we zelfs kiezen tussen appelsap en bier van gistende verlangens tussen knipogen en bessen zoeken   wij vonden twee verloren knuffelberen spraken zelfs uitvoerig tegen eendagsvliegen die nog volop over morgen wilden fantaseren   wij hadden tijd en konden later wel proberen of het puntje van de tong nog altijd zo verlegen was   we streken vóór de nacht het weer vergat elkander in met zalf met rust in halfvergane tinten zacht gevoel melancholie   de duisternis zou ons wel naar de juiste kamer leiden en we dachten dat er geen seconde was die twijfelde dat wij elkander nooit zouden verliezen   we hadden blijkbaar te veel tijd ja er is nog altijd bellenverf die vele overschotten die kadertjes eerst ophangen en haakjes zijn er voor het fijn begin voor een uitgesponnen dialoog tussen beide helften die ook in de lucht gelukkig verschillen   nu? nu het kan nu de wijze klok het tikken laat de eenzaamheid misschien een levenslengte overslaat       uit de reeks  'Majnun, het gebrabbel van een gek' 

Bernd Vanderbilt
3 0