Lezen

Soep

Raar gevoel. Ik weet niet of ik nu verdrietig ben of Nick gewoon mis of nog altijd boos ben om hoe het gelopen is. Ik denk dat het alles zo een beetje is. Ik ben verdrietig dat ik niet meer bij Nick kan zijn, en ik mis hem ook enorm hard. Ik mis "gezinnetje" spelen. Ik mis samen koken, samen slapen, samen lachen. Ik wist dat dit ging komen he, dit moment. Dat ik hier alleen zou zitten en die leegte weer zou voelen. Zonder hem is alles zinloos en leeg. Het is niet dat ik nu niet meer met iets kan lachen ofzo, ik kan het ook wel even vergeten soms, maar niets maakt me nog uit. Er zit geen vuur, geen energie meer in mijn lijf. Geen zin om iets te ondernemen. Dat is moeilijk om te merken want de laatste weken toen ik bij hem was, was dat vuur er wel. Hij geeft me energie en laat me iemand zijn die toch al dichter komt bij wie ik wil zijn. Hij maakt me gelukkig.  Nu een stom voorbeeld, de vorige weken maakte ik twee keer per week soep. Gewoon, omdat ik zin had om eens iets te doen dat resultaat opleverde. Ik genoot daar echt van. Nu denk ik er nog niet aan om soep te maken. ECHT geen zin in. Dat is ook waardoor het me opvalt dat ik nu weer zo anders ben. Omdat ik geen soep wil maken. Want, flauwe woordspeling, maar mijn leven is al een soep. Mijn gevoelens zijn een soep. Ik zit er al zo diep in, dat ik niet meer weet hoe ik eruit moet geraken.  Zoals duidelijk uit mijn vorige teksten, heb ik al een paar "inzichten" gekregen in hoe ik in elkaar zit. Waar sommige dingen fout lopen. Ik dacht dat die inzichten me gingen helpen om uit de soep te geraken, maar ik heb me er helemaal in gewenteld en ben nog veel dieper weggezakt. Ik weet nog dat toen dit allemaal begon, deze moeilijke periode, hoe het toen voelde. Als een chaos, maar wel eentje die nog ver van me af stond. Ik heb me nu die chaos eigen gemaakt. Ik ben die chaos. En daar probeer ik structuur in te brengen, maar het lukt niet. Het brengt geen rust. Wat ik niet zou geven om me gewoon zorgeloos te voelen. Zelfs al is het maar tijdelijk. Om even in die warme cocon van zijn armen te zitten. En mij geliefd te voelen. Dat is alles wat ik wil. Weg uit deze wereld, voor altijd geliefd in zijn armen, in zijn hart.  

Layla Clarke
0 0

Impressie van een moment

  Hoe de bomen hun bladeren wiegen en in bloei staan, is de rust zelve. Een traag maar zeker ontwikkelen, zich niets aantrekkend van auto’s en mensen die om hen heen stuiven zonder om zich heen te kijken. Van alle kanten komend, steeds haastig op weg naar die ene belangrijke bestemming. In beweging blijven en vooral niet stoppen, vooral niet… Ik ben gezegend, en niet gezegend, om het laatste hoopje dagen thuis te mogen doorbrengen. Te zien hoe de bladeren zich vrolijk wentelend open krullen, zich naar de zon richten zoals ik. Wilde bijen huizen kennelijk in minuscule gaatjes in de hoeken van mijn vensters. Er staat een boompje pal voor de twee wijd opengeslagen deurramen van mijn appartement en ik ben er al gehecht aan geraakt. In amper datzelfde hoopje dagen spreidde het haar bladeren uit als een kind zijn vingertjes die om een snoepje vragen. Ik heb het bizarre gevoel ook al enkele mensen te kennen omdat er zich kleine patronen reveleren in het dagelijkse leven. Dat gebeurt altijd wanneer je ergens voor een langere tijd zit of terechtkomt en het is boeiend om ze telkens in het oog te krijgen.  Trefzeker de hand opsteken naar de buurman van recht tegenover me, de man die op mijn vader lijkt en met zijn bestelwagen allicht maaltijden rondbrengt en de zwarte dame die telkens de hele straat al bellend doorkruist. Toen ik vroeger, of moet ik zeggen precorona, dagelijks treinde naar het werk dan waren daar diezelfde mensen op mijn route. Het tijdstip van ontmoeten klokte soms griezelig gelijk met de dag ervoor en de dag daarvoor. Een randgedachte: dit gegeven vervulde me soms met een onbehaaglijk gevoel. Het gevoel in een soort van ‘loop’ te zitten. Je kent dat wel, niet? Weet je, ofschoon er donkere wolken bedreigend kijken tijdens deze zonnige dagen, probeert alles zijn gangetje te gaan.  En alle kleine dingetjes. Ik zie ze nu, want ik hang erboven met een vergrootglas. Het subtiele roteren in de natuur en de dagelijkse wereld. In mezelf. Vertraagd, verdiept kijken naar binnen en buiten.  Eigenlijk is er niet meer nodig dan dat.   

lisette
23 0

Semiramis

(I) De zon staat hoog wanneer Tim zich geschrokken rechttrekt. Met de achterkant van zijn handpalm veegt hij enkele zweetdruppels van zijn vochtig geworden voorhoofd. Hij hoort zijn hart bonzen door de open spleten van zijn ribbenkast. ‘Emilia?!’ Het duurt vijf volle tellen, maar bij het gewaar worden van haar aanblik deinst zijn hart langzaam terug. Met beide armen in de lucht dobbert ze zorgeloos over het water. Zijn prinses van het zwembad. Tim spreidt zijn benen. Vanachter zijn donkere zonnebril slaat hij nog even gade hoe zijn dochter de vier zijden van haar koninkrijk afschrijdt. Vervolgens laat hij zich zakken in de rode strandstoel en grijpt naar zijn i-Phone. Tien over vijf. Zou de ruim drie kwartier voordat ze het zwembad moeten verlaten, volstaan om een kruiswoordraadsel op te lossen? Hij opent de puzzelapp die hij een paar weken geleden uit verveling op zijn telefoon installeerde. Een in hokjes onderverdeeld wit rooster vult zijn scherm. Gedurig overloopt hij de lege roosters van links naar rechts. Waar beginnen? Assyrische koningin die haar volk wist te herenigen na een lange periode van tweedracht. Negen letters. Hij drukt zijn wenkbrauwen naar elkaar en tuurt peinzend over het zwembad. Daar baddert en glundert Emilia. ‘Pa-pa’, krijst ze als hun beider ogen elkaar onverwacht raken. Haar glimlach spoelt aan op zijn gezicht. Alsof zich boven het zwembad een licht elektrisch geladen veld vormt waarin twee positief geladen magneten geleidelijk naar elkaar toe bewegen. Ze tikt met haar beide handen op het wateroppervlak. Druppels spatten als vreugdevuurwerk de lucht in.   Vijf jaar geleden schonk het leven hem haar liefde. Dat hij haar geschenk als liefde mag benoemen, is hij pas naderhand gaan beseffen: wanneer hij zich bewust werd van de vastberadendheid waarmee hij voor haar zorgt telkens als ze bij hem is, op de even weken van de maand. Elke ochtend wekt hij haar dan behoedzaam met een kus, steeds nadat hij eerst voor haar het ontbijt heeft klaargezet. En hoezeer ze ook dwarsligt, of hoe vaak ze ook weigert om de door hem gesmeerde boterhammen te eten, toch brengt haar koppigheid hem zelden van de wijs. Met zacht gepor en lieve bevelen, maant hij haar aan tot de volgende stappen. Terwijl zij hem verder beproeft, alsof ze testen wil tot hoever hij voor haar wil gaan, wast hij na het ontbijt haar smalle lijf, helpt haar in de kleren die ze de avond voordien met zijn goedkeuring heeft uitgekozen, en brengt haar vervolgens naar school. Vaak waant hij zich een huzaar op vrijersvoeten, wanneer hij met zinnen als ‘liefje, ik kan het niet helpen, maar met gekamde haren lijk je sprekend op de prinses van Doornroosje’ of ‘mijn engeltje, als je je met die zeep wast, ruik je frisser dan een maarts viooltje’, haar probeert te overhalen tot een volgende stap. Dat van liefde sprake is, blijkt ook uit de wederkerige warmte die hij van haar ontvangt. Wanneer zij bijvoorbeeld ’s avonds, na het afgaan van de schoolbel, in zijn armen rent, en hem daarna haar klasverhalen vertelt. Heel soms fluistert ze hem toe dat hij de liefste papa van de wereld is. Maar nog meer voelt hij haar liefde in het gemis van de oneven weken. Als een huilende wolf hunkert zijn hart dan naar het ritme van de vorige week; naar Emilia’s listige spelletjes en zijn geveinsde vleierijen om van haar gedaan te krijgen wat gebeuren moet. Het is de spankracht die hem recht houdt en hem verhindert om doelloos door de stad te zwerven. En zo ontfermt ook zij zich over hem, ongevraagd en onbewust, louter door haar aanwezigheid op vaste tijdstippen per maand. Het ritme leidt hen intussen ruim een jaar. Tim durft er niet aan denken hoeveel maanden hem nog resten tot de tijd hun trouw geordend schema door elkaar zal schudden; wanneer hij haar na school naar nieuwe afspraken zal moeten brengen. De balletles, de muziekklas, de voetbalclub, het eerste verjaardagsfeestje… Terwijl hij deze gedachten van zich af probeert te zetten, schuift een witte wolk voor de zon. Zijn Emilia drijft aan het andere eind van het zwembad, ingenomen door een achtergelaten blauw-wit gestreepte strandbal die ze vrolijk voor haar uit duwt. Nog een dik half uur. Hij brengt zijn i-Phone dichterbij en herneemt zijn kruiswoordraadsel. Assyrische koningin die haar volk wist te herenigen na een lange periode van tweedracht? Negen letters. S-E-M-I-R-A-M-I-S, drukken zijn vingers in een flits die zijn geest terug in de geschiedenisles brengt.   (II) Hij voegt in op de rechter rijstrook en schakelt de snelheidsregelaar in. Op de passagierszetel naast hem doorbladert Emilia haar dierenprentenboek. De zoete geur van kindershampoo vult zijn neusgaten. In een oogopslag merkt hij hoe de laag staande zon de bovenste kroon van haar natte blonde haren oplicht. Met een gekromde nek hangt ze over haar dierenrijk. ‘Hoe eerbiedwaardig verwonderd kan een kind de vlekken van een giraf observeren?’ Vanachter haar bruine zomersproeten brandt een zachte rode blos. Een warme gloed vult de bestuurdersruimte. Tim concentreert zich op de brede rechte weg die zich voor hem uitstrekt. Het onverwacht late zomerweer heeft meer verkeer op de baan gebracht dan normaal op een zondagavond. Na nog geen vijf minuten schakelt hij de snelheidsregelaar uit om een traag rijdende witte Ford Fiesta in te halen. Een ouder echtpaar, wellicht op de terugweg van een familiebezoek of een uitstap naar zee. Bij het invoegen blijft zijn aandacht enkele seconden hangen bij de kleiner wordende witte stip in zijn achteruitkijkspiegel. De tien minuten die volgen moet hij meermaals van rijstrook wisselen om trager rijdende wagens te passeren. Tussendoor lonkt hij af en toe naar de zetel rechts van hem. Emilia hangt nog steeds over haar geliefde giraf. Maar nu met haar ogen dicht. Het beeld vertedert hem en brengt hem tegelijk tot rust. Wanneer hij de afrit neemt, laat hij de wagen zachtjes uitbollen om te verhinderen dat ze uit haar slaap zou worden gewekt. De zon verdwijnt al achter de huizen als hij de parking voor het huis oprijdt. Nadat hij de motor tot stilstand heeft gebracht, tikt hij Emilia voorzichtig op de schouder. ‘Aaaah’, kreunt ze. Ze wringt zich los uit haar slaap. Het prentenboek dat op haar schoot ligt, valt tussen haar benen op de grond. ‘Kom, opstaan lieverd’, fluistert hij haar toe, ‘mama wacht’. Tim klikt hun veiligheidsgordels los, opent zijn portier en stapt richting de kofferbak om haar spullen uit te laden. Terwijl hij de kofferbak dichtslaat, ziet hij Els met haastige passen de wagen naderen. Ze opent het portier naast de passagierszetel en tilt Emilia in haar armen. ‘Hé schat’, sist ze, ‘was je in slaap gedommeld?’ Emilia spartelt tegen haar slaap. Het gevecht met haar armen noopt Els ertoe om haar neer te zetten. Ze houdt haar nog even vast als haar roze waterschoenen de grond raken. ‘Ga je naar jouw kamer’, vraagt ze, ‘jouw pyjama ligt op jouw hoofdkussen.’ Als een zigzaggende slak sleept Emilia zich het huis in. Intussen is Tim met twee tassen in zijn handen naast Els komen staan. ‘Hoe gaat het?’, vraagt ze. ‘Bwo, ça va’, stamelt hij. Een onhandige stilte waait over de parking. ‘Euh, ik heb haar kleren bij… en ook nog haar zwemtas’, mompelt hij na een tiental seconden. Ze neemt de tassen van hem over en werpt hem een zorgzame blik toe vanuit de hoeken van haar ogen. ‘Frederik is er niet. Kom je anders even binnen?’   (III) ‘Dance me’, schuurt Cohen met een bronzen stem door de autoradio. Tims gedachten ritsen afwisselend van de auto’s voor hem naar het avondfeest van vier jaar terug. De eindeloze rij genodigden schuift als voorbij de verkeersopstropping één voor één de zaal binnen. Hij voelt hun warme handen en hun zachte kussen. Achter zich hoort hij de champagnekurken ploffen. En dan ziet hij zichzelf de zaal toespreken: een ode aan de liefde, zijn Els, die hij sinds zijn kindertijd al kent. ‘Alsof de goden ons voor elkaar hebben uitverkoren’, zo concludeert hij poëtisch zijn speech. Na het buffet leidt hij Els de dansvloer op. Een slow, een salsa en een swing; elk van elkaar gescheiden door een teder intermezzo van zoenende lippen. Bij de eerste opwaartse beweging waarmee zij hem raakt, weerklinkt applaus en schril gefluit. De gasten verzamelen zich dicht rondom hen. Met een brandende viool wakkert hun schoonheid het dansfeest aan. Ook als hij thuis is, flakkeren de herinneringen aan zijn bruiloft verder op. Hij zakt door in zijn grijze stoffen hoeksalon en vult zijn glas Jim Beam whiskey bij. In de reflectie van de fles ziet hij Jonas en Wim onder de met klimop overgroeide schutting van het buitenterras. Ze vragen hem naar de plannen voor hun huwelijksreis. ‘Twee weken Bali’, verkondigt hij luid. ‘En we nemen Emilia gewoon mee!’ En dan doemt plots een nieuw beeld op. In het diepst van de nacht staan hij en Frederik aan de bar. Ze heffen hun zoveelste glas bier. Met een vermoeide stem schreeuwt Frederik hem uitbundig toe. ‘Echt een topvrouw, jouw Els. Knap, charmant, zorgzaam… Je had niet beter kunnen treffen!’ Ze grinniken het schuim van hun lippen. Hij knipoogt en tikt hem op de schouder. ‘Nu jij nog hé. Wanneer geraak jij van straat?’ Tim herspoelt de scène tweemaal. Wat aan deze woorden voorafging en hoe de conversatie verder liep, kan hij zich niet meer herinneren. Ze hebben nog gedanst. Met z’n drieën. Hij, Frederik en Els. Ook hebben ze ook nog meer dan één glas bier verzet. Om de gedachten aan die avond te doven, kruipt Tim recht uit de zetel. Hij plaatst zijn lege glas op de salontafel en neemt zijn i-phone. Eén ongelezen bericht van Els. Met een kruisbeweging met zijn rechter duim ontgrendelt hij de schermbeveiliging en opent zijn berichtenapplicatie. Tot zijn verbazing verschijnt een foto van een in kleurpotloden gemaakte tekening. Zijn ogen vallen op dikke donkerblauwe lijnen onder een felgele bol; een blauwe watermassa waaruit een oranje gezichtje met lange blonde haren en een buitenproportioneel klein lichaam oprijzen. Een lange pijl tilt het meisjeslichaam verder de lucht in. ‘Ik’, zo verduidelijkt een onhandvastig handschrift. Zeven centimeter verder op het blad zweeft een verticaal langwerpig lijf met een klein oranje hoofd en kort bruin stekelhaar. Ook dit lichaam is van een pijl voorzien. ‘Papa’, staat dit maal aan het uiteinde geschreven. Tim neemt de tekening een minuut lang op, krabt in zijn haar en blaast een blije zucht. Hij scrolt naar beneden en ziet dat Els nog een onderschrift heeft nagelaten. Hij leest: ‘Van de hand van ons Emilia, vanavond nog getekend, voor de beste vader die ik me voor haar wensen kan, xxx.’  

Roger Martin
0 0

Garagetalk in First Dates

De blind dates uit First Dates brengen menselijkheid terug op de menukaart van reality shows. Geheimen die mensen doorgaans binnen hun eigen keuken houden, worden tussen de soep, de patatten en wat alcohol vrij moeiteloos en zonder schroom op de borden gegooid. Om connectie met de tafelgenoot te vinden in de hoop dat de vis bijt, om kijkcijfers te halen in de verwachting dat een snuifje gevoeligheid en eerlijkheid zonder al te veel knippen en plakken, kijkers naar een volgende aflevering doet terugkomen. Twee keer per week op restaurant is een gezonde dosis frequentie. Op die ene aflevering na waar mensen op sociale media en naar de VRT schreven dat bepaalde uitspraken van een kandidate over de Marokkaanse roots van haar tafelgenoot niet echt passen bij een sterrenmenu en zo de chef op het matje riepen. Mensen kauwen niet altijd hun woorden. Wat ze sinds lang denken maar nooit mogen zeggen, krijgt de kans om voor heel Vlaanderen aanhoord te worden. Dat denken is ook maar menselijk en valt niet zomaar uit de lucht. Je kan kritiek geven op het format van First Dates en de keuze van de VRT om wat voor sommigen gewaagde uitspraken zijn, uit te zenden. Voor redacties van dit soort programma’s zijn deze momenten waar we mensen uitgekookt, overgaar of zelfs in hun meest rauwe versie zien, hun broodwinst. Voor de gewone mens is het als aan de toog zitten van een bruine kroeg waar nog stiekem gerookt wordt. Laat ons niet vergeten dat First dates voor vele mensen aan die tafel ook een garagetalk is. Je kan er met een sociologische blik naar kijken, je kan analyseren hoe de kronkels in onze maatschappij werken en beseffen dat veel geesten vervuild zijn door politieke systemen waarin diezelfde mensen vastzitten. Je kan ook kijken hoe de rollen man/vrouw nog steeds verankerd zitten in onze maatschappij, corona of niet. Die maatschappij gaat echt niet meteen veranderen. Je kan ook stellen dat een programma met een script als: “Hmm, dat ziet er lekker uit!”, “Je hebt mooie ogen” en “Jij hebt een mooie glimlach” niet hoogstaand televisie maken is. En evenmin boeiend is voor de kijker. Mensen schieten graag op de messenger maar vergeten naar de kern te gaan. Dat is van alle tijden.  Laat mensen gewoon aan tafel of aan de toog spreken. Laat ze zeggen wat ze te zeggen hebben. Ga verder dan hun garagetalk die ze houden in een pseudo-chic restaurant. Garagetalk wordt snel garbagetalk. Maar laat ook de tegenpartij aan het woord. Ontrafel eerder de systemen. Zoek naar het waarom mensen zoiets zeggen. Onderzoek hoe het discours ook aan tafel heeft plaats genomen en zich ongevraagd in de discussie heeft geworpen, maar schiet de mensen niet gratuit af. Geef niet ondoordacht en ongezouten een mening op een mening maar probeer iets op te dienen dat er staat. Met pit en met een goede afdronk. En dan hebben we een goed programma en kan het iedereen smaken.

Erwin Abbeloos
20 0

Pinguin P

Pinguïn P wil geen nieuwe wending aan zijn leven geven. Hij piekert al maanden over een dreigende wending maar hij kan en wil de vredige alledaagsheid niet doorbreken. En toch lijkt zijn omgeving daar anders over te zullen beslissen.            Hij besluit op een dag naar Wim te gaan voor een gesprek. Wim ziet zichzelf het liefst als een pingofiel. De tocht naar deze levensgids is lang en niet zonder risico, beseft P hoewel de oude pinguin op zijn respectabele leeftijd nog altijd de fysiek van een zevenjarige heeft. Bij het krieken van de dag maakt hij zich klaar, neemt van iedereen afscheid, drukt hen op het hart dat hij zal terugkeren.            De zon doet warme pogingen om alle pinguïns richting flesjes zonnebrandolie te bewegen. Tegen het middaguur brandt ze op de vetlaag van hun witte buiken. Het wordt al snel te heet.In de tussentijd doen de pinguïns wat ze altijd doen: leven in zee, hun verenkleed wassen, hun kuikens voeden, korte vluchtjes door het water maken. En zweten.            Pinguïn P is vertrokken met een dubbele honger; een naar inktvisjes en een naar een rustgevend perspectief. Na drie uur heuplopen is P toch een beetje moe en rust hij wat uit op een blok ijs. Hij staart minutenlang voor zich uit. Veel meer doet hij niet. Zijn gedachten dwalen af naar een nieuwe en gevreesde transfiguratie. Hij heeft er lang over nagedacht, het zich ingebeeld, maar hij kan zich onmogelijk identificeren met een andere soort. Hoe kan hij zeeleeuw, zeehond of schorpioenvis worden? Hij wil pinguin blijven. Hij krijgt dwanggedachten waar hij vanaf wil. Ze verontrusten hem. Hij schaamt zich nu die dwingende en schrikwekkende wereld voor zijn geestesoog verschijnt. In een opeenvolging van beelden ziet hij: 1/een geheime voorbereiding, 2/een gecoördineerde actie, en dan 3/het resultaat van een massale pinguïnsuïcide. Overal liggen stukken van volwassen pinguïns. Zelfs de kuikens liggen er als bloedproppen bij. Ook de kleinsten hebben blijkbaar geholpen bij het hanteren van messen, het richten van mespunten, het precieze steken. Wat een gruwelijk tafereel! P krijgt krampen in de maag vanwege die angstaanjagende beelden. Ze wisselen mekaar snel af en doen zijn hoofd tollen als het hoofd van een dronken matroos. Vreemd genoeg draaien de beelden ook rond in een reuzenrad, ze bevinden zich in een pretpark voor zeevogels. Daar eten de vogels rode appels met suiker, en wafels met slagroom. Ze waggelen van het schietkraam naar de vrije-val-toren en lachen luid in hun onderbuik. Pinguïn P duizelt bij deze verwarrende toekomstbeelden. Aan zelfdoding doen in groep? Plezier maken in een pretpark?Hij vraagt zich af of hij misschien veel meer dan een mentale gids nodig heeft. Hij voelt dat zijn honger nog niet is gestild en waggelt naar de koude zee. Voorzichtig neemt hij een duik.             Na een korte lunchpauze zet pinguïn P zijn tocht verder. Hij heeft zijn nare ideeën in het ijswater achtergelaten. Na een tijdje heupwiegen lijkt een moeilijk pad zich voor hem te openbaren. Een erg smalle strook ijs, daar moet hij over zien te geraken. Hij berekent hoeveel stappen dat van hem vergt. Vijftig. Hij haalt diep adem en zet voetje na voetje tot hij aan de overkant die adem weer loslaat. Hij nadert Wim, dat weet hij wel zeker.            Toen de aarde nog niet opwarmde zoals de aarde nu opwarmt, was pinguïn P niet bang voor de toekomst. Hij kon als pinguïn leven en als pinguïn sterven. Sinds hij zijn zweet niet meer herkent als vluchtig maakt hij zich zorgen over wat nog moet komen. Hij vreest dat alle pinguïns moeten transformeren naar een andere soort; een soort dat in de diepte van de zee het leven kan verderzetten of een vliegend soort dat hoog boven de oceanen verder leeft. P weet wel zeker: hij is niet klaar voor die ommekeer. De geur van zijn zweet herkent hij niet sinds hij met die gedachte speelt. Hij wil vooral pinguïn blijven. Misschien kan Wim hem helpen?            P nadert het hol waar de pingofiel schuilt voor de vrieskou. Als hij bij de voordeur van het ijsgat staat hoort hij Wim al roepen: even geduld, ik kom zo! Als de zon ondergaat zitten ze beiden nog aan tafel bij een fles wijn en een stapel vis. P schudt heftig met z’n witte kop wanneer Wim zegt dat angst geen zin heeft.  Angst voor wat zal komen heeft geen zin. Zelfvernietiging? Wim schrikt van dat idee. Een voorbereidde zelfdoding? De veranderingen op Antarctica kunnen alleen nog maar aanvaard worden. Het is te laat voor de alarmbel. Te laat voor een betekenisvolle omslag. Daar is Wim van overtuigd.P begrijpt die boodschap niet. Hij wordt opstandig van het onomkeerbare. Er moet een oplossing zijn voor de opwarming van de aarde, het wegsmelten van zijn land, het verdwijnen van zijn voedsel. De pinguïnkuikens hebben recht op een toekomst en op hun aard, schreeuwt hij. Wim wordt triest van zoveel onmacht die nergens toe leidt. Hij is een absolute liefhebber van pinguïns maar kan P niet helpen. P wil zich bij voorbaat opsluiten in zijn identiteit. Wim is ervan overtuigd dat identiteit tijdelijk en inwisselbaar is.Ik ben hier en nu, zegt hij. Ik ben nu Wim maar morgen ben ik misschien een berg of een rivier. Ik leef met de stroom mee. Misschien word ik een vijand van mezelf, klaagt P, misschien word ik een zeeluipaard of zeemeeuw? Of erger nog: een mens? De gedachte een mens te moeten worden bezorgt P koudwatervrees, nee, het is sterker dan dat, het is de meest gruwelijke gedachte denkbaar. Hij weet hoe mensen omgaan met de aarde. Hoe konden zij hun moeder ooit opgeven?                     

Ingrid Strobbe
12 1

Kermisdagen

De hond beet, dus moest de hond weg. Ik huilde om de pijn in mijn arm en omdat de hond weg moest. Mijn vader vloekte. Mijn moeder stond stijf van de stress. De prille zomerzon gaf onze tuin ondanks het huilen en vloeken toch een feestelijke teint mee. ‘Kom Pluto, we zijn weg.’ Mijn vader kreeg een krop in zijn keel. Mijn moeder verstopte zich diep in een keukenhanddoek. Ik wilde mee. Ik wilde weten waar de hond naartoe zou gaan. ‘Niets van, gij blijft hier.’ Aan duidelijkheid geen gebrek. Mijn vader joeg de hond in zijn blauwe Ford Taunus. Pluto keek me na. Met trieste hondenogen, alsof hij schuldig pleitte. Ik vergaf hem, maar te laat. Hij was weg en zou nooit meer terugkomen. Zelf liep ik de rest van de dag verloren in mijn eigen tuin. De zon scheen, het was net zomervakantie. De schommel schitterde in al zijn glorie. Ik ging zitten op het schommelbootje. Mijn moeder verdween kortstondig achter onze grote groengele doornenstruik. Om te roken. Ze keek me niet aan toen ze terugkwam en passeerde me met haar blik op oneindig en verstand op nul. Het was weer niet gegaan zoals ze had gewild. Ik gooide kiezelsteentjes in de voederbak van de hond. De ketsende steentjes klonken scherp, mijn moeder keek door het raam. Ik hing onderste boven aan de buis van de schommel en putte moed uit een wereld op zijn kop. Als alles omgekeerd was zou Pluto misschien toch terugkomen. Het bloed zakte in mijn hoofd en ik voelde me ongemakkelijk worden. Alsof ik te lang op een draaimolen had gezeten. Toen ik moest plassen ging ik achter het tuinhuis staan en piste op mijn handen. De buurman zag het. Ik dook weg in het hoge gras. Hij wilde iets roepen maar bedacht zich. Ik bleef op mijn buik in het gras liggen en volgde de bewegingen van een lieveheersbeestje. Het gleed van grasspriet naar grasspriet, vloog kortstondig en landde uiteindelijk op mijn arm. Ik sloeg het met een welgemikte pets dood. Zo een dood beestje ruikt heel scherp. De kerkklok sloeg vijf uur, de zon stond nog steeds hoog aan de hemel en van enige wind was geen sprake. In de verte hoorde je het geluid van een draaiende rups. Kermis! Ik was het vergeten maar het was kermis. Mijn vader hield niet van kermissen dus meestal gingen we niet. Hij was nog steeds niet terug, hij zal de hond toch niet gaan begraven zijn ergens in de Ardennen of zo. Een nieuw baasje, dat was de afspraak, toch? Ik keek naar het dode lieveheersbeestje en dacht aan Pluto en beeldde me in dat hij ook dood was. Zou je dat ruiken, een dode hond? Een natte hond wel, dat wist ik. Hij mocht nooit binnen als het geregend had. ‘Kom ’t is kermis, we zijn weg.’ Mijn moeder stond voor me, helemaal opgemaakt. Mooie jurkje aan, lippenstift. Haar lange haren in een dotje. Hand in hand liepen we over straat in de late middagzon. Trottoir op, zebrapad af. Parkje door recht naar het dorpsplein. Een oase van molentjes, viskramen, botsauto’s, suikerspinnen en zo veel meer. We kochten drie kaartjes voor het molentje. Met een beetje geluk kon ik de flosj pakken en had ik een extra ritje tegoed. Ik besliste vooraf waar ik in zou gaan. De brandweerwagen, koersfiets en de bus. Het ritje stopte en ik nam plaats in de prachtig rode brandweerwagen. Ik zwaaide eventjes. De bel, klaar voor de start. Met het draaien van de molen klonk er ook muziek door de boksen. Een soort synthesizer zette een zware beat in gevolgd door een elektronische drum. En dan de zang: “Dear, love is a burning fire Stay, cause then the flames grow higher Babe, don ’t let him steel your heart...” Ik keek mijn moeder aan. Ze moet die muziek ook gehoord hebben. Ze huilde zacht. Tijdens de wissel zette ik me onbewust op de koersfiets en bleef mijn moeder aankijken. “Brother Louie, Louie, Louie Oh, she’s only looking to me Oh, let it louie She is undercover…” Ze nam een witte zakdoek, veegde haar tranen weg en wuifde een beetje wanhopig rond. Dat is mijn moeder ze is de liefste van de hele wereld, maar ze is vergeten wat het is om lief te zijn. Ze houdt van mij en ze houdt van het leven. Ze huilt omdat ze dat zo een vreselijk schoon liedje vindt. Ze huilt omdat ze aan mij denkt en aan Pluto. Ze vindt mijn sponsen broekje en sandalen zo lief. Ze wil dat de wereld aan haar voeten ligt. En de wereld zou aan haar voeten moeten liggen. Iedereen zou moeten weten dat mijn mama toevallig de allerbeste mama ter wereld is. De molen hield andermaal op. Ik merkte nu pas dat ik niet eens meer geprobeerd had de flosj te pakken. We vlogen elkaar in de armen en gaven elkaar een knuffel zoals nooit tevoren. We kochten oliebollen en aten door onze tranen heen spaarzame hapjes met telkens ruim bloemsuiker. Ergens ver weg blafte een hond.

Thomas De Mulder
24 1

Vesperum

'We zijn morgen weer terug hoor, schat' Ik haatte het wanneer ze me behandelde als een klein kind. Ik kon zeker wel een avondje alleen overleven. Ze keek me aan, gaf me een kus op m'n wang en vertrok met m'n pa naar de auto. Een gezellig uitje hadden ze gepland, naar een of ander festival. Het kon mij vrij weinig schelen want ik was alleen thuis en dat betekende dat ik de hele nacht kon opblijven! Ik hoorde de auto vertrekken van de oprit. Ik ging zitten in de living en legde de TV aan. Daarna keek ik in de keuken of er wat lekkers te vinden was en dat was er zeker! Ik nam een zak popcorn, begon te vreten en keek naar m'n favoriete serie. Voordat ik het wist werd het donker, het was fantastisch om alleen thuis te zijn. Ik keek even weg van de TV naar het raam dat uitkeek op onze tuin. Zag ik dat nu echt? Ik knipperde, even dacht ik dat ik rode gloeiende ogen had gezien. Het zal wel niets ergs zijn. Ik keek verder naar de TV. Toen gebeurde er nog iets, ik hoorde een geluid als van een stuk metaal die over de grond sleept. M'n hart begon deze keer sneller te kloppen, er was écht iets mis. Ik zette mijn serie op pauze en stapte naar het raam. Er was niets te zien. Het geluid was ook gestopt, ik kon niet geloven dat het een hallucinatie was. Het klonk té echt. Langzaam ging ik weer in de zetel zitten terwijl ik paniekerig het raam bekeek. De TV. Er was iets mis met de TV. Een afbeelding van een ijzeren zeis werd vertoond. M'n hart klopte sneller. De afbeelding veranderde, bloed drupte van de zeis. Nee nee nee, het kon niet waar zijn. Ik greep naar de afstandsbediening en zette de televisie zo snel mogelijk uit. Ik was nog niet veilig. Een vreemd getik klonk op de ramen van het huis. Rennend keek ik of alle deuren goed gesloten waren. M'n handen trilden terwijl ik een figuur in de tuin zag staan. Ik opende de keukenlade. Moet mes hebben. Moet kunnen verdedigen. Ik nam het scherpste mes dat ik kon vinden en nam het vast in m'n zweterige handen. Het getik klonk weer door het huis. 'W-w-wie doet dat?!' riep ik door het huis. Niets antwoordde. Ik wandelde terug naar de zetel terwijl ik nauwkeurig alle hoeken van de kamer controleerde. Wie deed dit? Ik durfde niet achter me te kijken terwijl ik stappen dichter hoorde komen. De deur kraakte, iemand had het slot geforceerd. Ik ga dood, ik ga dood. De stappen die ik achter me hoorde, kwamen steeds dichterbij. Vergeef me, alsjeblieft. Vergeef me. Een arm tikte op m'n schouder. Het was gedaan, vaarwel. Ik draaide me om en viel op de grond uit paniek. 'Vrolijk Halloween!' zei een blije stem.

Nova
8 0