Lezen

Te koop

Ik passeer het huis met het bordje ‘Te koop’ voor de deur en wandel door naar het einde van de straat. Pas als ik rechtsomkeer maak, durf ik het aan om het gazon vol kniehoge paardenbloemen voor het huis over te steken, het klinkerpad aan de rechterkant te volgen en aan de achterdeur te voelen. Die is los. Ik ga naar binnen en hoewel ik weet dat er niemand is, sluip ik de trap op naar de eerste verdieping. De woonkamer is hier, dat is ongewoon, maar het biedt wel een prachtig uitzicht. Eerst neem ik een kijkje in de kamers. Overal staat alles nog op zijn plaats en zijn de kasten vol, maar de planten beginnen al te verdorren. Ik kies een wit hemd met rode strepen. Het past net. Terwijl ik de mouwen oprol, wandel ik de badkamer binnen. Het blauwe flesje parfum ruikt het lekkerst. Ik leg mijn haar goed voor de grote spiegel en ga terug naar de woonkamer. Met een borrel uit de goedgevulde drankenkast ga ik languit op de vaalbruine sofa liggen. Terwijl mijn vingers de barstjes in het leer volgen, kijk ik uit op straat.De deurbel maakt een dreunend geluid. Ik ga rechtop zitten en staar drie seconden voor me uit. Dan stuif ik naar beneden en open ik de voordeur zodat ik net mijn hoofd naar buiten kan steken. Twee vrouwen kijken me aan met een brede glimlach. ‘Hallo, zegt de vrouw met het rode haar. ‘We reden voorbij en zagen dat u uw huis verkoopt. Wij zijn best geïnteresseerd.’ Even blijf ik staan zonder iets te zeggen. ‘Als we niet storen, natuurlijk,’ voegt ze eraan toe.  ‘Nee hoor, kom maar binnen’ antwoord ik en zwaai de deur open. Kamer na kamer gids ik hen door het huis.  ‘Zo gezellig!’ merkt de roodharige vrouw op in het midden van de hobbykamer. ‘Weet u zeker dat u het wil verkopen?’ Ik blijf staan en kijk haar even zwijgend in de ogen. De glimlach op haar lippen verdwijnt. 'Ik... We zouden het begrijpen als u toch nog besluit hier te blijven wonen.’ De blonde vrouw plaatst een porseleinen beeldje weer op de vensterbank en beaamt met een knikje. ‘Ik ga er toch nog eens over nadenken,’ zeg ik. Vijf minuten later lig ik opnieuw op de sofa en zie ik door het raam nog net de auto van het koppel in de schemering verdwijnen.

Felix Sandon
26 0

Nog niet gedaan

Het gebeurt dat ik deze vraag voorgeschoteld krijg: "Wanneer schrijf je over mij een stukje?" Ik herinner me een keer op een feest. Een 50-jarig huwelijk was het. Een verre neef die naast me zat schreeuwde het in mijn oor. De muziek stond luid en de man had al enkele glazen bier achter de kiezen. Eerst verstond ik niet goed wat hij zei. Het woord 'stukje' had ik begrepen, maar omdat hij met een stukje puddingtaart in zijn handen zat, dacht ik dat hij vroeg of ik een 'stukje' taart moest hebben. Ik schudde van 'nee'. Door zijn geschreeuw waren er al enkele kruimels puddingtaart in mijn oor beland. Toen hij met zijn andere hand deed alsof hij iets opschreef, begreep ik pas wat zijn vraag was. "Oh", lachte ik, de kruimels uit mijn oor wrijvend. "Een stukje schrijven. Ja, als ik geen inspiratie heb." Bij deze dus. Nee, de vraag stellen is toch een beetje zoals de zanger die op een feest zijn eigen plaat als verzoeknummer bij de DJ aanvraagt. Al vroeg onze oudste onlangs iets soortgelijks. "Wanneer komen wij er nog eens in?" Tja, anekdotes of gebeurtenissen zijn er in overvloed. Of zelfs gewone zinnen. Zoals deze die hij al uitsprak toen hij nog klein was en aan de eettafel dringend naar het ‘potje’ moest. “Ik heb nog niet gedaan hè”, zei hij dan telkens. Als schrik dat we zijn bord met eten zouden wegdoen. De uitspraak is al die jaren blijven hangen. Als de druk te hoog wordt, belandt het twintig jaar later nog altijd op de eettafel. “Ik heb nog niet gedaan hè.” Het is een zin zoals die in veel huiskamers te horen is. Een inside joke. Een familiegrap. Maar deze staat bij mijn favorieten. In meerdere betekenissen. Nee jongen, doe zo maar verder.  

Rudi Lavreysen
28 0

over André Hazes, Hallelujah en tatoeages

‘Leef, alsof het je laatste dag is’. André Hazes wil ons doen geloven dat het een goed idee is, maar mij lijkt het toch niet het beste advies. Ik ga niet overstag, want geef toe: wie wil er leven alsof het zijn laatste dag is? Er zijn een aantal voordelen, dat klopt. Je hoeft niet meer spaarzaam om te springen met geld. Koop die sofa met tijgerprint, laat een zwembad graven in je tuin, koop die veel te dure oranje broek. Je kan luidkeels meezingen met André Hazes zonder je zorgen te maken over je reputatie. Je kan – in navolging van André – een nieuwe vlam onder je vleugels nemen. Je kan zelfs een tattoo laten zetten met de naam van die nieuwe vlam. Onder andere omstandigheden zou ik dit ten stelligste afraden, maar op je laatste dag? Gewoon doen. En niet op je onderarm of op je schouder. Doe eens zot! Zet hem op je gezicht (als traantjes!) of op je vingerkootjes.   Er zijn ook enkele nadelen verbonden aan dit levensmotto. Die zitten naar mijn gevoel vervat in de zin: ‘pak alles wat je kan’. Daar zou ik toch, ook op je laatste dag, voorzichtiger mee omspringen. Je wil immers je laatste dag niet in een cel doorbrengen. Eens je in de gevangenis zit, krijgt deze uitspraak een heel andere betekenis.   Ik heb een zwak voor songteksten. Als student spaarde ik mijn geld om cd’s te kopen in de Bilbo. Terug op mijn kot haalde ik het cd-boekje uit de cd-doos om de songteksten te lezen. Als je niet beschikt over een ontwikkelde oog-hand handcoördinatie, is het moeilijk om het cd-boekje onbeschadigd uit dat doosje te halen. Ik kan u vertellen: ik beschadigde menig cd-boekje bij het scheider der boek en doos. Muziek luisteren met een beschadigd tekstboekje in mijn hand werd een op zich staande activiteit waar ik mezelf uren in kon verliezen.   Ik zie bij mijn jongste dochter hetzelfde gebeuren. Ze kan volledig opgaan in muziek. Daar horen schattige taferelen bij, zeker als ze een koptelefoon opzet en luidop meezingt. Ik hoorde nog nooit iemand zo schattig ‘Hallelujah’ zingen. De opgetelde pijn van Leonard Cohen én Jeff Buckley verdwijnen in het niets als je een schattig kinderstemmetje enthousiast ‘Hajelujah’ hoort zingen.   De betekenis van Engelstalige songteksten ontgaan haar grotendeels, maar bij Nederlandstalige nummers luistert ze soms aandachtig naar de teksten. Ik zag haar gisteren scrollen in mijn Vlaamse lijst (buiten de spotify omgeving klinkt dit veel fouter dan ik het bedoel). Ze koos Het Zesde Metaal. Ik kan alleen maar hopen dat ze zich niet te veel laat inspireren door songteksten.   Dochter (neuriënd): Lala… hmm hmm. Moeder: Welk liedje zing je? Dochter: Naar de Wuppe van Het Zesde Metaal. Moeder: Hoe gaat dat ook alweer? Dochter: ‘Er wordt nog altijd meer gedronken, dan dat er wordt gekotst. ’T Is nog al nie na de wuppe. Doe moa voort.’

Lore Dewulf
32 0

De Week: Vrijdag

Vrijdag Vrijdag is ook maar een dag. Neem een verlengd weekend en zie hoe een donderdag zich transformeert naar een vrijdag. Of een dinsdag naar een maandag. Woensdag verlof vragen, is naar mijn mening iets voor sociopaten en bazen. Of Mozes. Het weekend loert om de hoek met roodomrande ogen als een monster met duistere bedoelingen. Geen engel met een aureool en witte vleugels maar een duivel met hoorns en een staart.De gewone man's beste vriend is mijn vijand. Waarom? Waarom niet? Het weekend is ademhalen terwijl je verloren gaat tussen de golven, het helpt in het hier en nu maar je gaat ten onder. Het weekend is zoiets. Iets om je te herinneren dat je teloor gaat. Ik ben slecht in weekends. Ik zoek mijn betekenis tussen duistere youtube videos en godvergeten online fora. Ik besta niet op weekends. Ze zit op haar vaste plek, zoals altijd. (Want dat is de betekenis van een vaste plek.) Het enige dat hier ooit verandert is de datum. Elke dag is een ander nummer, meer niet. Zoals alles nummers zijn. Mijn werk bestaat uit nummers, voor mensen die denken dat ze iets doen. We kopen om alles gemakkelijker te maken, en maken zo alles oneindig veel moeilijker. Elk stukje plastiek verdwijnt uit ons gezicht en verschijnt in de zee, verdomme. Ik ben mezelf niet vandaag. Ik ben nooit mezelf, hoe kan ik mezelf zijn als ik niet weet wie ik ben? Waarom worden de belangrijke dingen niet geleerd op school? Alles lijkt een afleiding. De slimmeriken, zij die het spel snappen, zijn vrij. De rest van ons werkt voor dromen die nooit de onze zouden zijn. Mijn werk zorgt ervoor dat iemand een bos kan platgooien voor zijn villa. Omdat hij graag in de natuur woont, nota bene. Hoe kan ik mezelf niet als een slachtoffer voelen van de maatschappij? Als je een website opent, moet je akkoord gaan met de voorwaarden. Als je wordt geboren heb je niets te kiezen. En zij, zij staart maar met een lege blik naar haar nieuwe scherm. Zij is het waard. Zij is het waard te redden. Mona Lisa. Mona Lisa. Mona Lisa. Wordt alsjeblieft wakker. Wil meer. Wil meer van alles, behalve van minder. Ze speelt met haar pen. Een lok haren zit aan het haakje, ze draait de pen rond en rond. Nu heeft ze een gekrulde lok haar. Ik wou dat ik de pen was. Een stukje plastiek, metaal en inkt. Ze neemt me vast en schrijft krullerige letters op een blad. Ik moet iets doen, maakt niet uit wat. Gewoon iets. In films gebeurt er altijd iets waardoor de bal gaan rollen. Elke film begint als een gewone sul leeft zijn dagdagelijkse beslommeringen. Dan gebeurt er iets en alles verandert. Ik kijk rond maar er is niets dan me doet denken. Denken wordt sterk afgeraden, waarom zouden we het anders zo weinig doen. En als we wel veel nadenken, waarom is het dan dit geworden? Ik sta op en ga naar de koffiemachine. Mijn eigen avontuur. Voorbij de Bureaubergen. Langs de Mona Lisa. Naar mijn doel, de watervallen van koffie. Het raadsel van de koffiemachine ontrafelen. Ik mompel, 'De waarheid zit in jezelf,' en lach. Mona voelt zich bekeken of zoiets. Ze verzet zich en focus zich terug op haar werk. Het is warm vandaag, de ramen lijken wel een vergrootglas. Een God kijkt naar haar mieren en vraagt zich dingen af. Het is warmer dan ooit. Bruine drek loopt uit een sissende rioolbuis. De beeldspraak is bijna zo walgelijk als de koffie zelf. Waarom drink ik iets heets in de hitte? Mijn onderbroek plakt, op plaatsen die liever duister en onontdekt blijven. Stop met denken, verdomme! Conclusies zijn gedachten die je afmaakt en denkt te begrijpen. Gebeurtenissen die je rondmaalt in gedachten totdat je de essentie hebt gedistilleerd. Een uitgepuurde idee. Maar hoe weet ik het verschil tussen teloorgang en vooruitgang? Het avontuur naar de koffiemachine leverde meer vragen op dan antwoorden. Ik zit op mijn stoel en open een project dat al twee dagen geleden af moest zijn. Ik werk. Ik moet geloven dat ik werk, anders ben ik gek hier te zijn. De week zit er bijna op, de klok tikt traag haar laatste relevante seconden. Iedereen staart gefixeerd naar de klok. Ook Mona. Haar handtas zit op haar schoot. Ik ben bang. Bang van de betekenisloosheid van vrije tijd. Wachten moet ik. Waarvoor? Wat als de bel het moment van actie is? Het moment dat mijn verhaal begint. Mijn leven is een biografie dat niemand wil lezen. Een proloog van een lang, saai boek. Wellicht ben ik een tweedimensionaal personage uit een slechte serie. Een figurant uit Mona's leven. Wat zal zij doen dit weekend? Gaat ze een orgasme hebben? Iets lekker ruiken? Hard en gevaarlijk rijden, zodat ze zich levend voelt? (fuck de konijnen) De bel gaat, en net als een startschot voor de paralympics, stuiven ze weg. Sommige nemen de lift, anderen de trap. Ik staar ze na. De koffie is koud geworden. Ik heb geen woord uitgesproken vandaag en vraag me af of mijn stem het nog doet. Wellicht klinkt het als een oude diesel in de winter. Ik neem de koffie vast en plaats het voor Mona's toetsenbord. Een raadsel voor maandagochtend. Als de poetsvrouw het niet weggooit. Mona, ik moet iets voor je doen. Iets dat niemand anders durft. Je zal geen boek over me schrijven, maar misschien wel dankbaar zijn. Zoals een kind dankbaar is als zijn vader de alimentatie betaalt tussen zijn escapades door. Ik passeer de stervende planten en druk op de knop van de lift. Hij arriveert een paar seconden later. Als het opent staat er een man in de lift. Hij heeft verward haar en verwarde ogen. Een grijze das en een witte hemd en een stoppelbaard. We gaan samen naar de bodem. Maar als hij uitstapt blijf ik staan in de lift. Ik klik op de knop 6, de bovenste verdieping. De deur gaat open. Links van me is er een trap met een bord genaamd Nooduitgang. Exact wat ik nodig heb. Een uitweg. Ik open de deur en ga de trappen op. De laatste verdieping. Een koele bries wacht me op en voor een ogenblik sluit ik mijn ogen, genietend van de hitte van de zon. Mijn schoenzolen knerpen op de bruine kiezels. Onder me loopt de parking leeg, als een barst in een dam. Mona's auto staat klaar om de weg op te rijden. Ze draait weg en verdwijnt. Ze gaat me nooit kennen, denk ik. Nooit weten wie ik ben, of waarom. 'Goeiemorgen, overmorgen en alle dagen daarna Mona.’ Ze hoort me niet. Waarom zou ze ook?    Ik heb bang van de afgrond. Er zit altijd iets in me dat wil springen, een deel van me dat ik vrees en ontken. Toch zou het ook grappig zijn moest ik mijn eigen auto verpulveren. Bestaat daar een verzekeringsclausule voor? Als iemand de hel bezit, zijn het wel bankiers en verzekeraars. Misschien is dit het enige betekenisvolle dat ik ooit kan doen. Het enige dat me menselijk maakt is mijn sterfelijkheid. Ik stel me voor hoe Mona naar haar collega's stapt en vraagt waarom? Waarom? Ik vraag me af of ik dood ben, en dit de hel is. Of een droom waarin je niet kan ontwaken op de gewone manier. Toch is het hoog. Een meter van de rand beangstigt de duizeligheid me. Is het zelfbehoud of het omgekeerde, dat ik hier sta te kijken? Misschien is vallen net zoiets als wakker worden. En ik slaap al te lang. Ik nader de rand alsof het een dolle hond is. Het duizelt me. Een wind komt aanzetten en blaast me zijwaarts. Ik deins achteruit. 'Als dit een sein was, dan is het de stomste ooit,' fluister ik naar de wind. 'Blaas me vooruit of achteruit, maar verdomme geen zijwaartse onzin!' Mijn keel voelt rauw aan, het schuurt. Maar ik kan niet slikken. Als bij goddelijke interventie valt de wind still. Het lijkt alsof de wolken hun adem inhouden Dit is mijn beslissing, denk ik. Dit is mijn keuze. Mijn leven, geleid door mij. Dit is hoe vrijheid proeft. Ik strek mijn armen en sluit mijn ogen. Dit is het dan. Dit is mijn hoofdstuk dat ik aan stukken scheur. Waarom wachten op een uitvlucht, en niet gaan voor de vlucht? Nu! Nee, wacht. Nog niet. Toch niet. Jawel nu. Nu, verdomme. Nu of nooit. Nu.Nu.Nu dan. Nu? Nu. Nu! Ik strek mijn armen, en vlieg. De wind giert in mijn oren, ik krijg geen lucht binnen. Mijn hart heeft nog nooit zo snel geslaan. De adrenaline. De stress. De wind in mijn oren. De gewichtloosheid. De berusting. De stilte. De echtheid. Niets is zo levend als doodgaan. Weg met de klok. Niet je geld sparen en het wijs besteden, maar alles uitgeven in een keer. Een keer. Meer heb ik niet nodig. Niets anders dan nu. Nu. Nu.

Stelselmatig
0 0

De Week: Donderdag

Donderdag Ik haat donderdagen. Ik herinner me niet eens zo goed meer waarom. Ik weet dat ik ooit eens een klote donderdag heb gehad. Sinds die dag haat ik alle Donderdagen. Zo ben ik toch nog een man van traditie.  Altijd op tijd, behalve vandaag. Dat is mijn motto. Ik stap uit en ren naar de deur. Terwijl ik loop, kom ik voorbij parkings waar aan beide kanten een auto op de lijn geparkeerd staat. Wordt ik ooit een dictator, dan is dat de doodstraf. Niemand mag zich ooit nog egoïstisch parkeren. Behalve Mona, natuurlijk. Ik storm naar binnen. Een beetje zoals een ridder het kasteel van de draak bestormt. Mona zit op de bovenste verdieping van de hoogste toren. Ik neem wel de lift, uit gemakzucht. Er wordt neergekeken op zure lucht en zweetplekken. Doornroosje werd ooit wakker en zei,’ als een draak verslaan zo gemakkelijk is, kon je in een nachtwinkel wel een pastille kopen.’ De prins droop af en werd alcoholieker, hij stierf aan een meteoorinslag. Niets te maken met zijn slechte lever of eenzaamheid. Ik plof op mijn stoel en bedenk waar de draken zitten, tot ik Mona hoor zuchten. Ik probeer te zien wat er scheelt. Ik scan haar als een killer robot zou doen in een film. Ze ziet er goed uit, evenveel make-up als altijd. Haar ogen zijn niet waterig, haar lippen rood zoals altijd. Het moet op weg naar het werk gebeurd zijn. Was het die vleermuis van een IT'er, of heeft ze slecht nieuws gehad? Misschien heeft ze een konijn omver gemaaid. Of een hele familie konijnen. Met fluorescerende vesten. Die keurig over staken aan een verkeerslicht. Ze was gehaast en reed door rood, net een seconde te laat merkte ze de konijnen op. Bam, gedaan. Allemaal dood. Ach, Aurélie. Wat boeit een familie konijnen omver rijden. Je auto verstikt dagelijk mensen en dieren met haar giftige gassen. Is het minder erg omdat we dat collectief doen? Waar denk je dat je afval naartoe gaat? Je weggesmeten kleren? Alles wat je hebt, maakt de wereld een beetje kapot. Het verschil tussen actief iemand doodslaan en passief vergiftigen is maar een idee in je hoofd. Je ego weet altijd alles zeker. Godver, mijn stomme gedachtengang. Ik moet stoppen met nadenken en wel meteen.  De koffie, bedenk ik. Ik breng haar nu de koffie die ze altijd neemt. Zwart, zonder suiker. Ik sta op en ga naar de koffiemachine.  Dan druk ik de geheime combinatie in en wacht als de machine zwarte teer in een plastic beker spuwt. Poedersuiker, poederkoffie, poedermelk, poederwater als het bestond. (Waarmee leng je dat dan weer?) De koffie is klaar en ik neem de beker vast aan de bovenrand, dat minder warm is. Ik zie haar werken achter haar scherm. Mona Lisa heeft een job als iedereen. En wat er er scheelt weet zij alleen. Ik moet de beker gewoon voor haar neerzetten. 'Gaat het?' vragen en zien hoe ze haar hart opent als een blauwe lelie haar hart voor de zon. Mijn Mona. Ik kijk haar aan, draai me naar Mona toe maar mijn benen lopen door. Ik ga zitten in mijn stoel, met koffie dat voor mij ondrinkbaar is. 'Sukkel' galmt in mijn hersenpan. Ik heb een interne gong en die maakt een 'sukkel' geluid. De sukkel gong. Daar sla ik nu op, honderd maal per seconde. Sukkel, sukkel, sukkel. Mijn hoofd, een tempel voor sukkels. Ik ben monnik Sukkelkop en mediteer het sukkel zijn.  Het is half tien en ik voel een paar ogen in mijn rug priemen. Ik open Exel, bang dat de baas eindelijk door heeft dat ik hier niets doe. Een lichte zweet breekt uit, als ik meer en meer documenten open en doe alsof ik werk. Het zou te verdacht zijn als ik me omdraaide. Nee, ik moet normaal doen, en werken. Werken is normaal op de werkvloer. Plots valt het scherm van Mona om. Het botst tegen de mijne en ook de mijne valt om, de koude koffie valt over mijn toetsenbord, en spat op mijn hemd. Verschrikt besef ik dat alle aandacht plots hier gevestigd is. 'Het spijt me!' roept Mona, mijn Mona luidkeels. Ze kan me niet langer negeren, want ik ben het slachtoffer! Yes! 'Is okee,' zeg ik. Wat zoveel betekent als; 'Godverdomme! Mens, kijk uit!' Maar nooit tegen haar. Ze mag me elke dag onder spoelen, en dat bedoel ik niet vies. Anders had ik wel onderspuiten gezegd. Ze haalt een zakdoek tevoorschijn en staat op. Voor ik het goed en wel besef staat ze voor me en dept de koffie op het toetsenbord en de tafel. Even heb ik een prachtig zicht op haar balkon, en ik denk; O Julia, ik ben het. Romeo. Ik neem je mee voor een rodeo. 'Sorry! Is alles okee?' vraagt ze. Ik duw het scherm terug recht en prul wat aan de kabels achterin. Het beeld verschijnt terug en toont de lege documenten. (ach, dat was al zo) 'Prima hoor,' Zeg ik en ik probeer het toetsenbord uit. Minder geluk daar, enkele knoppen reageren niet meer. 'Maar deze jongen heeft minder geluk gehad, vrees ik.' Door al de koffiegeur ruik ik haar niet eens en mijn hemd is verbrod voor vandaag. Ik bedenk me ineens dat er een meeting is vandaag. Geen tuning meeting op de parking, maar in een bureau voor de rijkere Johnny's. Een kwartier later staat de man van IT bij ons, hij kijkt haar scherm na. Hij koppelt het los en draagt het weg. Ook neemt hij mijn oude ongebruikte toetsenbord mee.  Zonder dat scherm zie ik haar vanuit mijn ooghoeken. Daarom geniet ik van het moment en kijk zoveel ik kan. Ze is zo puur. Ik zie haar en bedenk dat ze het perfecte balans is tussen het comfortabele en exotische. Ze is de plastieke zwembad in de tuin, maar ook de jacuzzi in een verwenoord. Ze is de vrouw die je opwacht na het werk en de vakantielief die je leert kennen op het strand. Ze is een zelfgemaakte chocoladepudding op de zetel, of macarons in een sterrenzaak. Mijn Mona is het allemaal, helemaal. Zacht maar niet breekbaar. Slank maar niet in hongerstaking. Teder maar niet verlegen. Ze keek in tien minuten, twee maal naar mijn hemd (dat betekend naar mij.) Wie zou denken dat donderdag wel eens beter zou zijn dan een woensdag? Het is half elf, en de IT'er verschijnt met een splinternieuw scherm en toetsenbord. Het nieuwe scherm is groter dan het vorige. Ik bedenk hoeveel centimeter naar rechts leunen erbij komt om haar te zien. Na tien minuten is het scherm geplaatst. Ze bedankt de IT'er en hij verdwijnt weer van mijn toneel. Tijdens de gehele pauze zit ik op het toilet en overdenk ik mijn job, het weer, waarom vogels vaker op lichte auto's poepen dan donkere en wat mijn Mona denkt van de IT man. Het voelt weer aan als het laagste punt van de week. Die IT'er is interessant, sociaal, fikst dingen en draagt een jeans. Ik daarentegen heb een vuile hemd, een saai leven en zit de hele pauze met mijn blote billen op de pot. Ik zou een blog kunnen beginnen over mijn drollen. Een strontwaarzegger worden ofzo.  'Beste man, ik vrees dat u niet lang meer hebt.' 'Hoe weet u dat, o waarzegger?' 'Omdat er bloed uit uw anus komt, beste man. Dat, en uw endeldarm is net in de pot gevallen.' Ik moet iets doen maar ik weet niet wat. Ik weet alleen waarom. Als ik niets doe, word ik gek. Ik ga een maatpak bestellen, gemaakt van een dure stof als alpaca wol of zo. Iets beter dan jeans. Ik kan elke dag een bloem bestellen en die hier laten leveren voor Aurélie. Op het kaartje schrijf ik 'voor Mona, mijn liefste Mona'. Mijn vuile hemd bracht Mona en de IT kerel dichterbij. Terwijl ik aan de kantlijn sta met vuile kleren, spelen zij voetbal. Ik wil verdomme ook eens scoren. Mijn been begint in slaap te vallen. Tijd om van de pot af te gaan. Het is half twee en ik zit in vergadering met iedereen op deze vloer. Ik voel me meer dan ooit verlaten. Mama giraf heeft na de bevalling haar nek gebroken en baby giraf, oftewel ik, blijf alleen achter. Ik moet stuntelen met veel te lange poten, een nek al zo hoog dat ik mijn eigen poten niet meer kan onderscheiden en de vloer is van ijs. Ik wordt weggestopt aan een hoek van de tafel en ik doe alsof ik luister. Dat is mijn echte job. Doen alsof ik werk en doen alsof ik luister. Ik zou eigenlijk om opslag moeten vragen omdat ik er zo goed in geworden ben. Als ik een propere hemd droeg, tenminste.   'Baas, ik wil opslag.' 'Maar je doet niks,' zegt de baas. 'Akkoord, maar ik doe het wel op zo een manier, dat het een opslag verdient. Of tenminste een bedrijfswagen, doe maar een BMW of iets met driehonderd PK en achterwielaandrijving.' 'Pardon, je wil een auto? Je krijgt de oude bestelwagen waarin de mannen van IT hardware verhuizen.' 'Ook goed, want dat is stiekem een Transformer. Ik heb die mannen het zelf in elkaar zien zetten,' zeg ik. 'Wat? Ik kan je toch geen Transformer geven? Die heb ik zelf niet eens!'  'Wat heb je dan wel?' vraag ik. 'Een BMW. Okee, al goed. U krijgt mijn BMW. Ik neem de Transformer wel.' 'Dank u.' Het is drie uur en het eind is nog steeds niet aangebroken.  Mijn Mona kijkt geïnteresseerd en speelt met haar pen. Haar ogen waar ik nog steeds niet uit ben welke kleur ze eigenlijk hebben, staren naar een grijs kostuum. Ze is in het blauw vandaag. In feite is ze altijd in het blauw, zoals de blauwe Powerranger altijd in het blauw is.  Ze is mooi, zo mooi. Haar kleine oorbellen, haar fijne handen. Ik ben triest, zo triest dat iemand als Aurélie moet werken in zo een plaats als deze. Dit is een menselijke legbatterij en we moeten allemaal dezelfde eieren leggen. En een keer per week vergaderen we over de eieren die we leggen. En tegelijk lopen we op eieren en heeft de opperhaan soms een eitje met ons te pellen. Een eitje van een cent. Ik ben een kaasrasp bij een familie lactose intoleranten. Ik ben een flitspaal op een afgesloten stuk straat. Ik ben een boot in de woestijn. Ik ben een figurant dat vergeten is de set af te gaan, terwijl iedereen lang naar huis is. Maar Aurélie blijft de ster, de Mona Lisa. En ze is mooi, zo mooi.  

Stelselmatig
9 0

De Week: Woensdag

Woensdag Woensdagen zijn altijd emotioneel. Je bent in het eerste deel van de week in de ochtend, en in het de tweede deel na de middag. De pauze splijt de week in twee zoals Mozes met de zee deed. Alleen probeer je niet zo snel mogelijk naar de overkant te lopen. Ik zit in mijn auto en moet uitstappen, anders telt 'naar je werk gaan' niet. (Het is als Monopoly spelen, je moet langs start.) Wagens komen toe gereden, mensen stappen haastig uit en gaan naar binnen. Ik zie vrouwen in nette kledij en mooie schoenen, met ordelijke kapsels en te veel armbanden. Ik zie mannen met donkere pakken, stropdassen en kortgeknipte kapsels die nog even kijken op hun dure horloges. Iedereen draagt dingen die geen nut hebben, omdat ze mooi zouden zijn. Omdat de arme op de rijken willen lijken, maar de rijken niet op de armen. Zo gaat de mode  Waarom denkt de hele wereld dat nutteloze dingen het mooiste zijn? Iedereen wil mooi zijn. Maar bijna niemand is mooi, behalve Mona Lisa. Ik zie iedereen de parking op komen, behalve mijn Aurélie. Ik was van plan te doen alsof ik wat later aankwam, zodat ik met haar mee kon lopen. 'Goeiemorgen, overmorgen en alle dagen daarna, Aurélie. Alles kits?'  'Hey, goeiemorgen. Gaat wel, ik ben wat laat door al dat verkeer,' zegt ze terwijl ze de deur binnenloopt die ik voor haar open hou. 'Geen zorgen, dat ben ik al jaren, nooit last mee gehad. Ik ben zelfs een week niet komen opdagen,' grap ik. Ze lacht helder als een waterval uit een sprookje. Het geluid vult de batterij van mijn hart.  'En wat zeiden ze toen je terugkwam?' vraagt ze. 'Verkeer hè. Ik zat in een monsterfile en de politie had een paar dagen nodig om het monster te verslaan, omdat elke keer als ze dichtbij kwamen, enorme filegolven ze terug wegspoelden.' Dan lacht ze luid en kust me op mijn wang. 'Met jou wil ik in elke file zitten.'  Negen uur dertig. Ik stap uit de auto en snelwandel naar de draaideur, dan druk ik op de knop voor een lift op te roepen. Er volgt een luide bing en de liftdeur opent zich. Er staat al een grijs kostuum in de lift. 'Verdieping?' vraagt hij. 'Ik verdiep me in de mysteries van de liefde en haar zeven hellen,' mompel ik. Hij kijkt me vragend aan, 'Pardon?' ‘Twee.' Ik durfde niet langer wachten. Hoe bang ben ik voor de man met de zweep? We kijken naar dierendocumentaires, en vergeten dat we naar onszelf aan het kijken zijn. De man drukt op de knop en de lift schiet in actie. Eens op het tweede verdieping aangekomen stap ik uit en snelwandel naar mijn bureau. De man gaat verder omhoog. De smalle doorgang splijt de lange hal in twee. Het plafond is zo laag dat het de bazen weghoudt. -Hun ego's zouden zich moeten bukken, en zoiets doet niemand.- Ik kan de vlekken tellen op de bruine, stoffige panelen.  De vloer van diarree-kleurige linoleum. Ramen die enkel aan de buitenkant gewassen worden. Acht uur per dag is dit mijn gevangenis. Je moet hier wel werken om niet gek te worden. Te laat, denk ik dan. Ik passeer Mona’s lege stoel en plof neer op mijn zetel. Ik zet het scherm aan en kijk rond. Niemand lijkt te merken dat ik een paar minuten te laat ben. Vroeger was je toch cool als je te laat kwam? Zou iemand het merken als ik naakt zou zijn? Ik heb vaak van die gedachtes. Wat als ik nu iemand op zijn bek zou slaan, hoe zouden de mensen reageren? Of zou iedereen doorwerken, inclusief de arme stakker die ik een bloedneus bezorg? In de namiddag gebeurt allicht het meest memorabele van heel de week. Een beker koffie valt om en een vrouw verschrikt zoals enkel vrouwen dat kunnen. Onmiddellijk staat een ander recht met een zakdoek. Sierlijk knielt ze en veegt ze de troep weg. Dan wast ze haar handen aan de lavabo langs de koffiemachine. Ik adem diep in, sta op en ga voor een koffie. Terwijl ik dat doe, komt Mona binnen gewandeld. Like she was walking on to a yacht. 'Excuseer,' zeg ik tegen Mona, mijn Mona als ik haar passeer.  Voor een halve seconde ruik ik haar. Mona's mooie blonde haar dat naar abrikoos en zoetigheden ruikt. Mijn hart klopt alsof het me naar haar toe wil kloppen. Hij ramt zich tegen mijn ribben als een gevangene tegen de tralies van zijn cel. Ik wacht voor de machine terwijl het zijn zwarte drab, gemengd met melk en suiker in een beker spuugt. Ondertussen kijk ik haar stiekem aan.  ‘Je bent wat later vandaag?’ vraagt iemand waarvan ik de naam nooit heb onthouden. Aurélie vertelt dat ze naar de garage moest gaan, ze was in panne. Italiaanse auto’s werken zo hard als het volk dat ze maakt. Ik zou een prima Italiaan kunnen zijn. Belissimo. Pronto. Una bierra! Wat een saaie gesprekken. Vertel me je fantasies en bedgeheimen. Vertel me je dromen. Zwijg over het weer of roddels of gebeurtenissen die je toch niet begrijpt. Hou je mening voor je, vertel me waar je aan denkt, al geloof je niet in wat je zelf denkt. Iedereen probeert altijd logisch te zijn. Verdom de logica, slim proberen doen maakt je zielig, niet slim.  De rest van de tijd doe ik alsof ik iets doe.  Het was precies drie uur, toen ik het laatst naar de klok keek. Ik besluit nog eens te kijken, omdat het lang geleden aanvoelt. Twee na drie. Verdomme. De tijd rolt als een auto in de modder en rijdt zich bijna vast in deze zompige moeras van goedkoop werkvolk. We kijken soms wat neer op arbeiders, meer uit schuldgevoel bedenk ik me. Zij doen tenminste nog iets. Ons ego is het enige dat het toneel draaiend houdt. Ik googel iets over Frans beddengoed in de zeventiende eeuw. Het is vrij zinloos, maar minder zinloos als hier zitten en de kans hebben het op te zoeken. Ik haal mijn portefeuille uit. Daarin zitten de winnende lottonummers sinds 1998. Als ik ooit terug in de tijd gestuurd wordt, dan heb ik dat papiertje bij en kan ik direct op de lotto spelen. En hopen dat ik niet terecht kom in de Middeleeuwen, natuurlijk. Het zegt wel wat over me, bedenk ik nu. Dat ik nooit klaar ben voor de toekomst. Als ik wat geluk heb, ben ik vandaag klaar voor gisteren. Spijt in dingen die ik nooit doe of spijt in de dingen die ik gedaan heb. Soms vergeet ik dat alles, uiteindelijk, een keuze is. Ik moet wakker worden. De rest van de tijd lig ik met mijn hoofd op mijn handen naar een scherm te staren. Mona staat op en neemt iets warms. Ze lacht. Weet zij welke keuzes ze maakt? Of staat ze ook op automatische piloot.  Ik wacht op iets wat moet gebeuren, want iets moet gebeuren. Zo kan het niet eindeloos verdergaan. Ik denk na. Ik denk teveel na, denk ik soms. En dan stop ik daarmee, en dan vergeet ik te stoppen en begint alles opnieuw. Verkopen ze pleisters om te stoppen met na te denken? Misschien is nadenken wel dodelijker dan roken. Waarom zijn er dan geen campagnes tegen het nadenken? Op school leert niemand je nadenken. Je leert samen te spelen met de meerderheid. Bijna iedereen maakt deel uit van de meerderheid, want iedereen wil speciaal zijn. Als je echt speciaal was, was je niet in de meerderheid. En dan voelde je je eenzaam en verlangde je naar begrip. Ego's zijn een redmiddel voor een nutteloos bestaan. Zolang je daar in gelooft, gaat het nog goed. Mieren hebben geen oftewel een enorm ego. (daar moet research naar gedaan worden.) Daarom moet je solliciteren voor een job. Kijken of je mee kan spelen in het theater. Kijken of je gelooft. Kijken of ego nog steeds God is. Je krijgt de job nooit door aan te geven hoe vreemd het allemaal wel niet is.  Hoe solliciteert een dictator? Ja, ik heb ervaring in volken uitbuiten, dat verandert dan in ik ben een harde werker. Ik zal de rest van de wereld bedreigen met een atoomoorlog als het even tegenzit, dat is ik ben gedreven. Ik zal kranten bedreigen en propaganda maken, oftewel ik ben een echte teamplayer. Het is drie na vier en ik ga naar mijn auto. In de lift zit dezelfde man als deze morgen. 'Naar beneden?' vraag ik deze keer als hij na mij instapt. Hij mompelt iets wat me ontgaat.  'Pardon?' zeg ik. 'Ja.' Ineens voel ik deze verbintenis tussen ons twee. Ik snap wat hij bedoelt, ik begrijp hem want in een flits zie ik zijn hele ziel voor me, opengesperd als een boek. (In het Nederlands, nog wel.) Wij hebben een sterke band van broederliefde, klaar om de wereld te trotseren. We zijn Batman en Robin. En Robin en Batman. Samen schilderen we de Mona Lisa.

Stelselmatig
7 0

De Week: Dinsdag

Dinsdag Dinsdagen zijn zachter dan maandagen. Alsof de ergste bramen zijn weggevijld. Toch is zo een dinsdag altijd ruw en scherp. Je hebt nog steeds handschoenen nodig om het te kunnen hanteren. Ik heb nog steeds handschoenen nodig. Mona zit tegenover me en praat met een vrouwelijke collega. Ze praten luid en lachen. Over het kerstfeest van vorig jaar, het weer en de nieuwe IT'er. Ik zucht en vraag me af of ik me in het gesprek kan mengen. Dat vraag ik me al af sinds ik klein was, toen mijn moeder nog schreeuwde op mijn vader. Op school mocht ik nooit praten. Het was altijd voetbal. Elke pauze en elke turnles was het voetbal. Waarom was het voetbal? Ik speel liever badminton. Ik weet nooit of ik moet beleven of toekijken. Het ene vult me met nostalgie, het andere met eenzaamheid en omgekeerd. Moet ik supporteren voor een groep waar ik niet in geloof, of meedoen aan een spel dat ik niet wil spelen? Ik heb nooit geleerd hoe je moet samenspelen. Mensen die niet samenspelen eindigen in een instelling of een gevangenis. Het is een wonder dat ik door de mazen ben gevallen en terecht ben gekomen op een plek waar ik niet thuishoor. Deze plek is misschien toch de hel. Een trage doodsrochel dat vijfenvijftig jaar van je leven in beslag neemt. Ze keuvelen nog een kwartier en dan is Aurélie weer aan het werk. Ik neem een papiertje. Over tien minuten is het hier zo verlaten als een kerkhof om middernacht. Dan kan ik haar iets schrijven. Je bent mooi, dat past. Ik kan het plakken op haar scherm en.. en dan wat? 'Was jij het?' vraagt ze dan na de pauze. 'Ja.'  'Waarom?' 'Dat zijn de vragen, hé. Waarom? Waarom gaat de zon op en onder. Waarom graast de koe, waarom jaagt de leeuw en waarom ben jij zo mooi? Waarom ben je zo mooi dat het me pijn doet. Hier in m'n borst voel ik een druk, en elke dokter die ik heb bezocht zegt; 'ik kan u niet helpen.' Alsjeblieft, laat me je huid polijsten met mijn warme handen,' zeg ik haar. 'Tot het zijdezacht is, en helemaal van mij.' 'Oh.'  Oh. Dat is alles dat ze zegt. Ik leg mijn hart op het spoor en ze raast erover als een trein. Mijn bloed kleeft aan haar handen, en als ik ze erover aanspreek zegt ze; 'oh.' Dan zou haar collega me uitlachen en iedereen zal een prop naar me gooien. Zoveel dat ik erdoor bezwijk en pas vrij zou komen als ik ze allemaal gelezen had. Op elke prop staat wat voor een sukkel ik ben. Ik lees verder en verder, in de hoop iets te lezen van mijn Mona. Tenslotte, na honderdduizend proppen papier herken ik de hare. Ik ontfrommel het papier ten lange leste en lees het. Er staat simpelweg 'oh'. Dat alles gebeurd niet, ik neem gewoon mijn pauze als alle anderen en ga buiten zitten. Het is bewolkt en grijs, alsof het land verdrietig is. Waarom weet ik niet. En ik vraag het ook niet hardop. Dat is normaal. Voor ik het goed besef, zit ik terug op de stoel voor mijn scherm. De IT'er terug is gekomen en ergens achterin de ruimte fladdert hij rond als een vleermuis. Ik haat vleermuizen, ze zijn net zo lelijk als insecten, die weer zo lelijk zijn als spinnen. Tijdens de pauze ben ik erachter gekomen dat ik hem niet mag, en nu kan ik uitzoeken waarom. Ten eerste, zijn broek. Ten tweede, zijn gezicht. Hij ziet er te sportief uit, en niet slim genoeg voor iemand die met computers werkt. Onmogelijk kan hij een goede IT'er zijn. Ten derde - en dat is de belangrijkste reden - zijn de mensen te geïnteresseerd in hem. Hij werkt hier nog maar enkele weken, en iedereen lijkt al zijn vriend te zijn. Ik werk hier al zeven jaren. Zeven is een magisch getal. Vertel dat maar aan iemand met nog maar zeven euro op zijn bankrekening.  U bent blut, zegt u? welnee! Je hebt iets magisch dat veel anderen niet hebben. Je hebt zeven. Waarom de persoon in kwestie waarschijnlijk zegt,’ zeven? gezever!’ Ik sta op en loop naar de koffiemachine. Daar staat meneer IT computergenie. Ik loop langs hem door, neem een koffie en leun nonchalant tegen de muur. Van hier kan ik Aurélie perfect zien. Haar smalle schouders steken net boven de leuning van haar stoel uit, waar ik dankbaar voor ben. Haar vingers tokkelen over de toetsen op een bijna geile manier. Ik wou dat ik het toetsenbord was. En elke toets mijn eikel. Eens de machine uitgesputterd is neem ik mijn koffie. Dan ga ik weer zitten en kijk naar de echte eikel in de kamer. Meneer IT. Mijn laatste drie zoekresultaten zijn:   - Pyrotechniek voor brandweermannen   - Toen kwam nunquam   - Hoe overleef je de week Ik heb nooit echt opgelet op school, maar nooit het gevoel gehad dat ik iets miste. Het belangrijkste dat me ooit verteld werd was van een kerel dat inviel voor Engels. Hij zei; 'Als je niet kiest, wordt er voor jou gekozen.' Woorden die ik nooit helemaal vergat. Dat en de definitie van PR. Ik zoek nog iets op vadertje google; stukken van mensen. Het toont me niet de letterlijke zin van het woord. Het kiest in mijn plaats wat er getoont wordt. Ik mag woorden zeggen, maar ik kies de betekenis niet. De wereld is een groepspelletje, ik speel solitaire. Ik zit in mijn auto en wacht. Ik moet Aurélie nog een keer zien, anders kan ik niet naar huis toe. Ze heeft sinds kort een crèmekleurige cinquecento, dat wel past bij haar. Een rechthoekige uitlaat, mooie velgen en chrome afwerking. Het enige wat eraan mankeert ben ik. Ze stapt het glazen gebouw uit en stapt in haar auto. Ze ronkt weg van mij.

Stelselmatig
8 0

Kamer nummer

Zacht geklop op de deur haalt me uit de thriller op mijn schoot. Me vaag bewust van gevaar schuifel ik om mijn hotelbed heen het smalle gangetje door. Maanden heb ik hier naar uitgekeken. Ongestoord doen wat ik wil, wanneer ik het wil: lange douches nemen en een onrealistisch hoge stapel boeken verslinden. Ik stuurde hem mijn kamernummer, onverdoken in een rechttoe rechtaan bericht. Zijn reactie was mager. Ik besteedde er verder weinig aandacht aan. De bal lag nu in zijn kamp. In gedachten had ik al van verschillende scenario’s genoten.  Daar sta ik dan, de klink in mijn hand. Zijn verschijning in de deuropening, anders dan in mijn script, verrast me. Hij zegt iets. Ik ben al vergeten wat en laat hem binnen. Zijn jas aan de kapstok. Zijn schoenen evenwijdig eronder. Ik kijk er verbaasd naar. Omdat zijn spullen nu in mijn kamer liggen alsof ze ook een beetje bij mij horen. Omdat het nog te vroeg is om te hopen dat hij na vannacht voor altijd bij mij zal horen. De ratio haalt me uit mijn verlangen en spoelt een ijskoude rilling langs mijn rug. Ik schud de waarschuwing van me af. Rechtvaardig mezelf met de boodschap dat het leven te kort is om altijd verstandig te zijn.  Hij scant de kamer en neemt het glas wijn waar ik al met onzichtbare inkt zijn naam op had geschreven. Hij weet wat rode wijn met me doet. Ik zie de verwachting in zijn grijns. Zelfgenoegzaam maar nog voorzichtig. Of beeld ik het me in? Zijn lichaam ploft in de stoel bij het raam. Hij kijkt me uitdagend aan. Zijn blik zegt: hier ben ik, laat nu maar zien wat je plan is. Ik bedenk me dat ik niet beslist had welk scenario ik nu echt zou willen uitvoeren.  “Zal ik je een rondleiding geven?”, vraag ik retorisch. Hij lacht. De spanning die in de lucht hing, klaart een beetje op. Het is een moderne hotelkamer. Zo eentje waar de badkamer overloopt in de slaapkamer, slechts gescheiden door een glazen wand, alsof de hele wereld één grote inloopdouche is. Plots realiseer ik me dat ik me dus niet terug kan trekken, voor wat extra poeder en moed. Terwijl hij van zijn glas nipt en zich over mijn stapel boeken buigt, glip ik toch even de badkamer in. “Wat lees je?”, roept hij me na. “Iets over de Griekse mythologie”, antwoord ik over mijn schouder, terwijl ik haastig mijn make-up bijwerk.  “Interessant?” wil hij weten. Ik wil hem net vertellen over Zeus en zijn allesverwoestende bliksemschicht, als ik in spiegelbeeld zie hoe hij zich langzaam uitkleedt. Zijn blik onpeilbaar, alsof hij niet enkel door een glazen wand maar ook door mijn kleren heen zit te kijken. Ik wankel, voel het effect van de rode wijn in mijn hoofd en tussen mijn benen. Stilzwijgend dwingt hij me zijn voorbeeld te volgen. Hij schuift dichterbij. De wand als een obstakel tussen ons in. Ik draai me van hem weg, open mijn bh met één hand. Met de andere gooi ik mijn lange haar over mijn schouder. Ik kijk opzij en zie in mijn ooghoek de bult in zijn boxershort gestaag groeien. Met mijn armen verlegen over mijn borsten keer ik me naar hem toe. Mijn intussen hard geworden tepels druk ik zachtjes tegen de glazen wand aan. De koude van het glas doet me rillen. Of is het zijn hongerige blik? Zijn laatste kledingstuk valt op de vloer. Mijn blik volgt zijn donkerrode lid dat tegen het raam tikt. Ongewild klinkt het deuntje van Roodborstje in mijn hoofd. Mijn vingers strelen de andere zijde van het glas waarop zijn kloppende eikel voorvocht achterlaat. Alsof we versmolten zijn tot één, neemt zijn hand het van mij over en verplaatst ritmisch het vel van voor naar achter. Zijn andere hand als een high five opgeheven, om zichzelf staande te houden. Mijn lippen zo dicht bij de zijne. Mijn hete adem beslaat het glas als plotse mist tussen ons in. Om even snel weer te verdwijnen. De kus waar ik zo naar verlang, zo dichtbij, is nog steeds zo onbereikbaar. Slechts gescheiden door 3 centimeter pas gepoetst glas. Mijn clitoris smeekt om de druk van zijn edelheid. Hij sluit zijn lippen om de afdruk van mijn tepel en ik kan het verlangen niet langer aan. Mijn vingers verdwijnen tussen mijn benen. Troosten mijn natte poesje. Mijn andere hand glijdt over zijn glazen lichaam. Trillend op mijn benen dringt een hoogtepunt zich op. Zijn heupen schokken en hij spuit. De ruit ontneemt me mijn beloning. Als ik mijn ogen open, is hij verdwenen. Enkel de bliksemschicht die ik als een illusie in zijn sperma op de glazen wand herken, bewijst dat hij hier was. Mijn Zeus, de geilste der Griekse Goden.  

Amanda C
4 0

De Week: Maandag

Maandag Op maandagen zucht ik het luidst, dan weet ik niet of ik moet huilen of wenen. Neem het zekere voor het onzekere en doe beide, denk ik dan. Ik zit op een stoel aan een bureau. Voor me, de lege stoel van Aurélie. Daar achter, net boven de dubbele deur, hangt de klok dat 8:53 wijst. Ook zie ik de planten aan het eind van de gang, die dieper hangen dan de wallen onder mijn ogen en bijna net zo zwart. Mijn toetsenbord is proper, bijna precies zoals toen ik hem kreeg behalve de laag vet op de tweede rij letters. Hetzelfde geld voor al het andere apparatuur. Behalve misschien de rechtermuisknop dat heeft afgezien na lange sessies solitaire. Soms denk ik dat ik een geest ben, dat niemand ooit gemerkt heeft dat ik hier zit. Misschien ben ik dood en weet ik het zelf niet. Dat geloof ik niet, als dat zo is dan is dit de hel.  Ik neem een pen vast, speel het rond mijn vingers. Dan zet ik het op mijn pols en klik. De ijzeren top van mijn pen drukt in mijn huid. Ik haal de pen weg. Wat blijft is een perfecte cirkel met een blauwe punt in het midden. Aurélie is tenslotte aangekomen, ze heeft net een yoghurt gegeten, er hangt nog wat van in het putje van haar mond. Ze gaat zitten en haalt een kleine spiegel uit waarin ze haar gezicht bestudeerd. Ze dept het weg met een zakdoek. Dan staart ze naar het scherm en het licht in haar ogen gaat uit. Ik zou best haar spiegel kunnen zijn, bedenk ik. Ik zou alles zien en bovendien kan ik zeggen hoe mooi ze eruit ziet. Het is verbazingwekkend, hoeveel moeite ze elke ochtend steekt in haar make-up, gewoon om naar een scherm te staren. Dat zijn de momenten waarop ik alle hoop verlies. Zij, de Mona Lisa, mijn Mona Lisa. Dit, een stoffige kast waar niemand haar ooit zal zien. Het is boeken voor brandhout. Ik kijk naar de klok, tien na één. De elektronica zoemt zacht. De klok tikt loom verder. Soms vraag ik me af of de klok tijdsbesef heeft. Zoals psychiaters zelf ook naar de psychiater gaan, zo kijkt een klok naar een andere klok. Noem het getikt, maar een klok moet ook eens twijfelen. Ik steun mijn kin op mijn hand. Nu zullen ze vast denken dat ik nadenk, en nadenken is normaal, maar niet te veel. Ik besluit terug te doen alsof ik werk. Normaler dan werken op je werkplaats, bestaat niet. Het is als plassen in het toilet. Niemand stelt je de vraag; 'Wat moet je daar?'  De sociale regels moeten ten allen tijde gevolgt worden. Als iemand daar uit valt, heb je chaos. En als bazen ergens bang voor zijn, is het chaos. Daarom ziet alles er zo mistroostig uit, dat bedacht ik in de jaren van grijze arbeid. Het is gemaakt om je te breken. Het is twintig na één en ik stel me voor hoe ik me voorstel aan de vrouw van mijn leven. 'Goedemiddag, Mona,' zou ik haar zeggen. 'Mijn naam is Aurélie,' zegt ze. 'Ja, maar jij bent de Mona Lisa,' zeg ik dan. 'Mijn muze, mijn maan en sterren.' Ze bloost en kan haar lach niet bedwingen. Met haar wijsvinger draait ze haar blonde krullen rond en rond.  Ik ga nog verder. 'Je bent voor mij als het heelal voor Galilei. Het canvas voor Rubens. De taal voor Shakespeare.' Ze blijft even stil en de twijfels prikken me. Oei oei, vond ze dat wel leuk om te horen? Straks denkt ze dat ik niet normaal ben. 'Je bent beeldschoon,' fluister ik dan en ik kijk haar recht in de ogen. 'Nog nooit heeft iemand zo iets tegen me gezegd.' fluistert ze terug en ik kan haar bijna niet geloven. 'Ik zeg enkel wat ik voel, wat ik al maanden wil zeggen.. Aurélie?' 'Ja?' 'Als ik straks naar huis rij, dan denk ik aan jou. Als ik eet, denk ik aan jou. Als ik mijn pyjama aantrek en ga slapen, denk ik aan jou. Als ik dan in slaap val, droom ik van jou.' 'Waar ben je al die tijd geweest?' vraagt ze. Hehe, net voor je neus, zal ik even denken. Maar dat zeggen? Nooit. 'Ik heb geleefd met een hart van steen. Maar niet langer, Aurélie. Ik sterf liever vandaag aan een bloedend hart dan een leven te verduren dat zonder jou niet de moeite is. Want, zie je. Het zit zo,' stamel ik.  Ze merkt dat ik een zetje nodig heb. En dan doet ze iets wonderlijks, ze klimt uit haar toren en dwarrelt naar beneden als een vergeeld blad van de boom, om me te ontmoeten op gelijke voet. 'Wat probeer je te zeggen?' vraagt ze. 'Dat ik van je hou, Aurélie. Al sinds het moment dat ik je voor het eerst zag. Je maakt me zo blij en triest tegelijk, dat ik elke dag uitgeput naar huis ga.' 'Je houd van mij?' vraagt ze verbaasd, alsof dat zo vreemd is. 'Ja Aurélie, mijn Mona Lisa. Ja.' Het is bijna vier uur en ze ruimt haar spullen op, mikt haar appel recht in de vuilbak en neemt haar smartphone. Ze wacht op het eindsignaal als een voetbalteam dat drie nul voorstaat.  Aan de overkant van haar veel te grote bureau zit ik. Ik sta drie nul achter met maar drie minuten speeltijd te gaan. Misschien moet ik zorgen dat we een klein accident krijgen op de parking, iets waarbij zij in fout is. Dan moet ze me wel erkennen, denk ik. Ik stel me voor hoe we dat verhaal jaren later delen met onze vrienden, ouders en kinderen. Ze zullen lachen en Aurélie kijkt dan grijnzend weg en speelt weer met haar blonde krullen. Maar ik doe niets. Ik doe altijd niets. Oftewel, nooit. Dat is mijn verhaal. Ik kan er niet van weglopen, ik draag het mee, een leven lang. Ik kijk toe als ze haar stoel achteruit schuift en vertrekt met haar handtas over haar schouder. Ze loopt onder de klok door en verdwijnt van het toneel. Dan komt het besef dat ik de wedstrijd heb verloren

Stelselmatig
7 0