Lezen

Onbetaalbaar

De Thalys vanuit Parijs was vertraagd. Daardoor had Félien haar verbinding gemist en was ze veel later dan voorzien aangekomen in Antwerpen Centraal. Dat deerde haar niet. De stad van de liefde had immers haar naam alle eer aangedaan.  De wieltjes van haar koffer ratelen over het Astridplein. Slagerij Roosemeyers sluit over een kwartiertje, maar dat haalt ze wel. Op het moment dat ze de Van Schoonhovenstraat ingaat, begint het te miezeren. Ze trekt de capuchon van haar hoodie over haar hoofd. Net voor de bocht, aan de rechterkant van de straat, is de slagerij van Ellen en Pieter, een familiezaak, doorgegeven van vader op zoon. De aluminium deur heeft altijd geklemd, maar is nu blijkbaar hersteld. Félien valt de winkel binnen. Ze doet haar capuchon af. Er zijn geen andere klanten zo net voor sluitingstijd.  Ook al is ze in weken niet meer in de winkel geweest, toch begroet Ellen haar vriendelijk: "Hey Félien. Dat is lang geleden…"  Félien wil de vraag voor zijn en valt haar in de rede: "Op vakantie geweest, hé. Drie weken…" Ze vertelt niet waar naartoe en met wie. Om het gesprek daarover uit de weg te gaan, laat ze haar blik opvallend dwalen over de salades in de koeltoog.  Terwijl Ellen een stukje plastic folie over het uiteinde van een gigantische salamiworst wikkelt, reageert ze zoals het een winkeljuffrouw betaamt - vleiend en toch commercieel: "Ja, ik zie het. Je straalt. Hier werken we gewoon door. Zelfstandigen, hé. Wat zal 't zijn voor jou?"  Félien voelt zich ongemakkelijk, alsof haar stralende gezicht haar zonde verraadt en ze leest het eerste het beste bordje af: "Preparé van de chef…" En na een aarzeling voegt ze eraan toe: "Doe maar tweehonderd gram."  Ellen veegt met een spatel de bruinoranje massa in een rond plastic potje. Tegelijkertijd vraagt ze: "Weet je het al van Fred en Irma?"  Félien kijkt verrast op. Haar verbazing tracht ze wanhopig te verbergen door op zoek te gaan naar een denkbeeldig boodschappenlijstje in de buidelzak van haar hoodie. Onder de klamme sweaterstof ontmoeten haar handen elkaar, alsof ze er zijn om elkaar gerust te stellen. Ze plaatst de nagel van haar linkerduim in de muis van haar rechterhand om bij de les te blijven. Stamelend reageert ze: "Nee… En… euhm… een sneetje blokpaté, een centimetertje ofzo."  Dat Félien niet doorvraagt, is voor Ellen allerminst een reden om niet verder te vertellen. Ook roddelen is inherent aan de job van een winkeljuffrouw, denkt ze. Ellen haalt de witte terrine uit de toog en duidt met een vleesmes vragend de dikte van de plak paté aan. Intussen zegt ze: "Hun huis staat te koop. Ze gaan uit elkaar." Félien knikt ter instemming van de centimeter, die eigenlijk eerder twee is, en probeert zo verbouwereerd mogelijk te reageren: "Allé, zo een schoon koppel."  Ellen pikt er maar al te graag op in en de ingetogen woede waarmee ze de plak blokpaté op het papiertje gooit, zegt veel over wat ze ervan vindt. Venijnig voegt ze eraan toe: "Schijn bedriegt, hé. Hij heeft haar bedrogen. Wat mag het nog zijn?"  Haar vraag klinkt als een commando. Félien vuurt terug: "Drie sneden hesp."  Ze voelt zich duizelen. Haar hart klopt in haar keel, het zweet breekt haar uit. Ellen ziet het niet, want ze ontdoet de ontvette beenham met een scherp mesje van zijn vacuümverpakking, ook al heeft Félien niet naar die variant gevraagd. Terwijl ze de klomp in de toog laat vallen en er het bordje in prikt, vraagt ze het dan toch: "Beenham of ontvette? Venten, ze zijn niet te vertrouwen."  "Doe maar van die Italiaanse," besluit Félien. Terwijl Ellen de Italiaanse ham uit de aparte toog met delicatessen haalt, praat ze ongeremd verder: "Naar 't schijnt heeft hij een minnares in het buitenland. Hij zit veel in Parijs. Drie was 't, hé?"  Félien knikt. Alle goede dingen bestaan uit drie. Oscar Wilde zei ooit: in married life three is company and two is none. Maar schellen hesp zijn natuurlijk geen huwelijk.  Met haar rug naar Félien toe vangt Ellen de glibberige plakken ham uit de snijmachine op. De veiligheidsklep maakt een harde klik. Félien schrikt op.  "Jij moet toch ook vaak naar Parijs, hé?" oppert Ellen. De vraag hapt Félien toe. Ze twijfelt of ze moet toegeven of ontkennen. Zoveel mogelijk de waarheid zeggen, beslist ze.  Net als ze wil spreken omdat het uitblijven van een antwoord ongemakkelijk wordt, vult Ellen de stilte: "We hebben terug van die worstjes die je zo graag eet."  Het klonk als een sorry, maar dat is het natuurlijk niet. Félien haast zich om te reageren: "Ja, dat valt voor. Doe er maar een stuk of vijf."  De worstjes hangen als slingers aan het plafond. Ellen heeft een trapje nodig om eraan te kunnen en dan nog moet ze op haar tippen staan. Félien probeert zichzelf tot bedaren te brengen door in te schatten welke worstjes Ellen zal nemen. Groepjes maken: eentje van twee en eentje van drie. Three is company, two is none. Tot haar verbazing snijdt Ellen twee keer twee worstjes af en daarna eentje. Félien probeert er niets achter te zoeken.  "Jij bent het toch niet?" vraagt Ellen haar, met het ene worstje nog in de hand.  "Wie?" stamelt Félien, ook al heeft ze de vraag maar al te goed begrepen. Als wanhopig afleidingsmanoeuvre voegt ze eraan toe: "En nog vijf plakjes jonge kaas. Dat zal 't zijn." "Awel, zijn minnares," verduidelijkt Ellen. De balans van baldadigheid en lacherigheid in haar stem is niet in evenwicht. Félien weet zich geen houding te geven. Wat weet Ellen? Wie van haar klanten heeft haar dit verteld? Of was het Irma zelf die haar op de hoogte bracht? Beide vrouwen kijken elkaar aan. Net als Félien denkt dat het juiste antwoord van haar gezicht valt af te lezen, wendt Ellen haar blik af en giechelt: "Hey zeg, dat was een grapje, hé."  Ellen bukt zich en pakt de vijf sneetjes reeds gesneden en voorverpakte Gouda uit de koelkast onder de toog. Als de glazen deur met een zachte plof dichtvalt, geeft ze Félien een dikke knipoog. Ze steekt alle vleeswaren in een grote, witte papieren zak en plakt die dicht met een sticker die uit de kassa rolt.  "Vierentwintig en een half," zegt ze. Terwijl Félien haar betaalkaart uit het etui trekt, valt een kaartje van de Parijse metro op zijn zijkant op de toog. Het kantelt en ligt tussen de twee vrouwen in. Félien houdt haar kaart tegen de betaalautomaat terwijl ze haar blik niet kan afwenden van het ticket.  "Parijs is een mooie stad, hé," zegt Ellen net iets te gespeeld. Ze neemt het ticket, legt het bovenop het pakket vleeswaren en overhandigt alles aan Félien. "Bedankt en tot ziens!" galmt de enthousiaste stem van de winkeljuffrouw door de slagerswinkel als Félien met het pak onder haar ene arm en de ratelende koffer voortgeduwd door de andere, zich snel naar de uitgang beweegt. Ze knijpt er nog snel een obligate "Tot ziens!" uit. Opgelucht geeft ze de aluminium deur een te harde duw, waardoor het lijkt alsof ze vanuit de winkel op straat wordt gekatapulteerd.  Intussen is het harder beginnen te regenen. Félien merkt het niet eens. De capuchon blijft af. In haar hoofd schijnt de zon. Hun huis staat te koop. Ze gaan scheiden. Daarom vroeg hij haar om bij hem in Parijs te blijven.  Als ze terug op het Astridplein staat, is het papier van de zak week. Aan de hoeken komen de eerste scheuren. Ze gooit alles in een vuilbak voor het hotel.  Op de trein van Antwerpen naar Brussel koopt ze online een veel te duur ticket naar Parijs. Het geeft niet, want net als een goede roddel is onbezonnen liefde onbetaalbaar. 

Véronique Scheyvaerts
49 1

Rayn da'Foxx

Uiteindelijk ben ik een soort rockster, wetewel? I’m a rock star, baby!  Rayn da’Foxx. Ondoorgrondelijk. Een beetje gevaarlijk. En stuk voor stuk willen ze zijn zoals ik. Ik kan ‘t ze nie kwalijk nemen: hun levens zijn om bij in slaap te vallen.  ’t Zal wel! Dat ze dromen van méér?  Fuck it.  Dromen is ‘t juiste woord. Lag er zo’n leven naar hen te lonken, ze zouden ... hoogstens ... misschien ... een hand uitsteken. En dan terugdeinzen. Allemaal!  Maar als ge een ster wilt zijn, moogt ge van ‘t vuur niet benauwd zijn. Komt ge nog maar in mijn buurt? Dan zult ge u vroeg of laat schroeien. Alles leg ik in as. Nie omda’k da zo wil — ‘t is gewoon wat ik telkens zie gebeuren. Elke fokking keer.  Ik hou die nobody’s ne spiegel voor, snapt ge? Ne spiegel die toont wie da ze níé zijn. Als ge daar te diep in kijkt, verliest ge alle zelfrespect en ineens ook alle redelijkheid ... alle bróód-nodige beheersing. Ze zouden hun ziel verkopen, om nog maar te kunnen snuiven van de bedwelmende roes van adoratie die rond mij hangt gelijk een parfum.  En dan gebeurt het. Zonder da ze ‘t zelf in de gaten hebben, staan er ... hupla! ... geen maten nie meer op de grenzen waar da z’over willen gaan.  Natúúrlijk storten ze te pletter op mijne ramsjtein! Vanéígens verbranden ze hun gat! Maar op de blaren ritsen? Néé, ze gaan bij mister Noble een beetje jammeren en klagen. Alsof da ‘t mijn schuld is da ze zichzelf wat hebben wijsgemaakt.  Losers. Alles begint bij weten wie da ge zijt. Een kat moet gene vos willen zijn. En een hond gene wolf.  Wa nen hypocrieten boel ook! Alsof da zij nie moorden om te eten! Vangt den beer geen vissen? Slacht de wolf geen schaap? Eet de kat geen muizen, schrokt den hond geen vlees? Wat die kloefers frustreert ... daar moet ge nie aan twijfelen ... is hun eigen lafheid. Hun ergerlijke tekorten.  Da ze gelijk schildpadden hunne kop intrekken, as ‘t erop aankomt. Da ze zich niet durven te tonen voor wa ze zijn ... en geïntimideerd zijn door wie da wél doet!  Maar fuck, wat is mijne wereld op zijne kop gezet, toen ... Ge gaat het nie geloven ... uwen blik is verwrongen door al die afgezaagde Reynaert-roddels ... maar eeuwen geleden was ik ne volksheld, wetewel? Nen entertainer! Koningshof en boerenhof waren wég van mijn clevere zottigheden ... waar da trouwens genen druppel bloed aan te pas kwam.  Maar toen was ‘t gedaan met ‘t applaus. ‘k Had het zien aankomen, maar toch. Opeens bestormden ze mijn burcht. Mijn Malpertuus. Mijn Wazeland. Mijn Capitool!  En de schuldige was William! Rukker William-die-Madoc-maakte! ... Ne mens, OMG ... en nog onbetrouwbaarder dan de rest van zijn slag. Ne kloosterbroeder, die — tot zover zijn vrome geloften — aaneen hing van de leugens en de overdrijvingen.  Acht eeuwen later kan ik hem nog altijd den titel van ‘schrijver’ nie gunnen. Die man was nen beenhouwer die zonder te verpinken kipkap maakte van de feiten ... op de slachtbank van zijn vettig verhaal.  Mijn reputatie is voor eeuwig en altijd naar de bom! En waarom? Omda ‘t beenhouwerke per se nog een vossenepos op ‘t satéstokske van zijn pover palmares wilde prikken. Een vossenepos, komaan ... die waren er duizend jaar daarvoor óók al.  Maar weet ge wa dat hij deed? William-den-afschrijver schraapte uit de braadpan van ene Franse Renart de belevenissen bijeen, klopte ze op en dikte ze nog wat aan, overgoot ze met een forse geut seks en sadisme, en vond het blijkbaar zijn recht om mijne zuivere voornaam aan die wansmakelijke remix te verbinden.  Ikke, ne manipulator zonder geweten? Ikke, moorden uit pure bloeddorst? ... En het zelfzuchtig seksueel roofdier dat hij van mij wilde maken, ben ik óók al niet: ik draag de vrouwtjes juist op handen! Ik doe alleen maar wat de meeste vetzakken van venten vergeten: luisteren naar wat da missus mist en wenst in haar leven.  Toegegeven: ik hou van alle vrouwen, en dat is oprecht een groot verdriet. Maar enfin: asshole William had mij dus goe bij mijne me-too, jong. En de gevolgen konden hem gestolen worden!  Wacht. Nu ben ik mijnen draad kwijt ... Juist! Heel in het begin liep het allemaal nogal af. William zijn fantasiekes maakten da’Foxx nog legendarischer. Zeker omdat hij d’er ook mijn échte plaagstreken in stak. Mens en dier herkenden die, en natuurlijk was het een groot succes, elke keer da meneer ergens te velde een nieuwe aflevering stond te performen.  Maar voor da’k het goed en wel dóór had, werden al die overdrijvingen door het klootjesvolk voor wáár genomen ... en nog verder opgeblazen van mond tot mond. Al die leugens zorgden voor ne giftigen buzz en ook ... ‘t ergste van al ... voor nen breakdown van mijn huishouden — en dat heeft hij en hij alleen op zijn geweten!  Oké. Er waren ... intermezzo’s met Hersinde ... da gade mij nie horen ontkennen. Wat een wolvin.  Maar al dat ánder overspel da meneer-den-broeder in mijn schoenen schoof en in geuren en kleuren moest beschrijven? Zéverr!  Het maakte wel dat Hermelijn onze kroost onder den arm pakte en mij achterliet in heavy emotional shit. Daar zat ik dan in mijn crib, die natuurlijk veel te groot is voor ne vos alleen.  Dus ik vervloek u, William-die-Madoc-maakte! Ik hoop dat er ne kater u ne kloot afbijt ... zoals in da gruwelijk pastoorsverhaal da ge van begin tot eind bijeen hebt gelogen!  Maar da’s dus nog nie alles. Het duurde nie lang of al die leugens en klachten kwamen aan de oren van King Noble. En hup, ik had een proces aan mijn been. Da verhaal kent ge wel, denk ik.  Toen heb ik de show van mijn leven moeten geven ... anders was ik hier vandaag nie geweest. De galg stond gereed. Ne schat heb ik moeten verzinnen, en een complot, om da zwak figuur van ne koning te overtuigen. Enfin, eigenlijk zijn vrouw ... die ietske te zot was van blingbling aan haar lijf.  Ik smeet er nog een belofte bovenop, om ne ... pel-grims-tocht ... te doen. Haha. Da ziede van hier, ik naar Rome en Jeruzalem. Maar allee.  Dus vrijspraak, ’t zal wel zijn ... maar toen? Wa was da met die’n dikke Noble?!  Die losers laten stropen ... daar moet’al ziek-in-de-kop voor zijn. Maar dat hij ook Hersinde haar achterpoten...? Da was er dus ver over. En allemaal voor een complot dat er geen wás! Kijk, ik heb gezworen da zij van heel die conspiracy nie op d’hoogte was, maar smeken en argumenteren, da bracht allemaal nie op. Ik kreeg da koppig bevel nie gekeerd.  Ocharme da kind. Weken en weken daarna kon ik haar nog soms horen krijsen. Nachtmerries had ik ervan ... En da’k het heb proberen tegenhouden, da wist ze nie eens! Ze kende alleen maar de alternatíéve feiten, gelijk da ze in de dagen daarna zijn beschreven door dieje William-de-mislukten-Tarantino!  Ik, Rayn da’Foxx, had Noble het vonnis ingefluisterd. Ik, Rayn da’Foxx, had persoonlijk om da stropen gevraagd.  De zoveelste monsterlijke misdaad die die valsemuil-van-Madoc mij in de pluimstaart heeft gewreven.  Maar geschiedenis is de gelogen waarheid van den overwinnaar. Dus Hersinde, die kon mij wel verscheuren.  En dan hing ik óók nog es aan die stomme bedevaart vast!  Ik begon eraan ... met het plan ... wat dacht ge ... om ergens halfweg een tof plekske te zoeken. Zo wat chillen voor een jaar of twee, awel ja: er zijn ergere dingen.  Maar van al da stappen kreeg ik al direct groten honger. Haas Cuwaert, de pechvogel, die trof mij op een slecht moment. Wa kan ik zeggen? Ne vos moet eten ...  Ik schrokte hem op, met pels en pezen en al. Niets bleef er van hem over.  Maar opnieuw gaf William er nen draai aan. Tja ... blijkbaar kon hij nog een dramatische finale gebruiken. Van een onopgeloste verdwijning maakte hij een onthoofding ... ook al was er dan helemaal geen hoofd. En niemand die daar spel van maakte!? Ja ... spektakel marcheert altijd, precies.  Alleszins, voor de zoveelste keer had die valse pen mij gejost. En ik kan ’t u zeggen: deze keer was sucken! Opeens was ik gene pelgrim meer, maar opnieuw ne valse moordenaar. FLANDERS’ MOST WANTED! ... Ikke?  Dus ja. Verder reizen kon ik wel vergeten. Onderduiken moest ik, direct! In the middle of nowhere ... in nen afgedankte molen.  En toen had Hersinde mij te stekken, chapeau da ze mij gevonden heeft. Met ne lepen truc ... nochtans mijn specialiteit ... heeft ze mij aan de molenas kunnen klinken.  Fuck jong, toen heb ik het mogen kunnen. Ik heb minstens zo luid geschreeuwd als zij, den dag da ze haar vel verloor.  Gefolterd ben ik, dagen aan een stuk ... en dan ineens stond ze daar ... met ne VOORHAMER!!! Mijne kop eraf, dacht ik ... ’t is gedáán met de vos.  Uiteindelijk heb ik mij d’eruit geluld. Ja kijk, als er iets is wat ik kan ...  (WOLVENGELUID)  Wat zegt ge, Hersinde? Ha, ‘t eten is gereed?  (TOT HET PUBLIEK) Oké crowd, ik ga hier moeten stoppen. Maakt nie uit, ‘t voornaamste is gezegd. Voor bisnummers zult ge nog wa geduld moeten hebben. Tot mijne comeback!  Want Rayn da’Foxx ... STOPT ... NOOIT!!!  Merci en bedankt! Love you, bitchéééés!  (BEIDE HANDEN DE LUCHT IN, BUIGT EEN PAAR KEER, GAAT AF, DRAAIT NOG EENS OM)  Ha ja! ... En als ge zo nog eens iets hoort?  IT WASN’T ME!!!     © Marc Terreur, 16 augustus 2023

Marc Terreur
0 0

Verhuisdozen van Pandora

De mannen van de verhuisfirma laden ze in de vrachtwagen: de dozen die mijn leven bevatten. Het is te zeggen: een stukje ervan, enkel de dingen die ik dien te herinneren, de gebeurtenissen die het waard zijn te bewaren als souvenirs. Toen ik ze inlaadde was ik niet bepaald selectief: de ene dag gebood de sentimentaliteit mij dit en dat te bewaren, de volgende dag gooide ik alles weg vanuit de optiek van tabula rasa. Wat in die dozen zit, is dus meer een allegaartje dan de essentie van vijftien jaar geleefd te hebben. Maar is het leven niet zo? Gedichten worden enkel geschreven bij geboorte, huwelijk en overlijden; de rest is louter opvulling. Het leven van alledag is het cement tussen de grote gebeurtenissen die we willen bestendigen door beeltenissen ervan in grote potsierlijke fotoboeken te bewaren. Het zijn die dozen die het zwaarste zijn, niet het cement. Dat wat in grijze zakken tijdens ontelbare ritten naar de kringloopwinkel werd gevoerd, waren de details. Dat wat in de verhuisdozen zit, zijn parels, parels voor de zwijnen.  Als ik de dozen in het nieuwe appartement open, walg ik van de nostalgie. Het zijn een voor een dozen van Pandora. Eigenlijk wil ik slapen op de grond, eten uit papieren borden en kleren opdiepen uit een zak van de Action. Ik wil komen tot de essentie door me te ontdoen van alle ballast. Stiekem hoopte ik dat de vrachtwagen ergens op de Antwerpse ring in de berm zou belanden en in de fik zou schieten. Natuurlijk gebeurde dat niet. Ik wilde echt een nieuwe start, maar daar beslisten de mannen van de verhuisfirma anders over.

Véronique Scheyvaerts
62 0
Tip

Alsof

Hoe begin je over zoiets?Op het moment dat hij één tiende bezorgd, negen tienden achterdochtig vraagt:"wat scheelt er?"? En je in zijn ogen leest: “je hebt een ander”.Op het moment dat hij geïrriteerd wegloopt en tussen zijn tanden moppert:“ik ben weer tegen de muren bezig, het interesseert jou geen bal wat ik vertel”?En je voelt dat elk weerwoord alleen maar stemverheffing gaat veroorzaken.Of op het moment dat zijn ogen vuren spuwen en hij roept dat hij zich afvraagt wat je daar nog loopt te doen? Hoe vertel je aan diegene waarmee je 22 jaar samenleeft dat je er eigenlijk niet bent?Misschien zelfs nooit geweest.Dat je ergens rondzweeft tussen werelden?En dat die afwezigheid de laatste jaren prominent aanwezig is.Terwijl het voordien soms weken, maanden of misschien zelfs jaren amper merkbaar was voor jezelf en de anderen. Dat die verandering en terugkeer naar je kindertijd en naar tijdloos jou evenzeer overvalt als hem?Maar dat je het daar fijn vindt. Misschien zelfs fijner dan hier? Dat je weet dat jouw werelden niet combineerbaar zijn? Maar dat je jou in die 44 jaar genoeg hebt verzet genoeg geprobeerd er ééntje te kiezen,en je nu moe bent.Dat het hier soms eenzaam is, maar daar niet? Over zoiets begin je niet. Je wil hem niet buitensluiten dus doe je alsof in deze wereld. Af en toe zet je de deur open om mee te verdwijnen, maar hij komt niet. Hij ziet jou niet en toont zichzelf niet.  Beide voeten op de grond, hier en nu en in een ongezamenlijke toekomst.  En jij zweeft, nergens en overal tussen alle tijden heen.

Fien SB
160 7

Brokkenmaker

Slordig aangekleed strompel ik hijgend tot aan het witte bushokje met een geel dak. Ik leun voorover met mijn handen op mijn bovenbenen en adem zwaar in en uit. Mijn maag rommelt als een ferme onweersbui. Het brokgevoel zit tot in mijn keel. Een koddige vrouw met grijze lokken zit op de blauwe tweepersoonsbank. Lekker uit de wind.  Ze leest een stationsromannetje: ‘Ah! Ge moet u niet haasten! De bus van twee is altijd twintig minuten te laat’ Ze kijkt me bezorgd aan, duwt haar afgeschoven bril met ronde glazen terug omhoog op haar neus: 'Daar kunt ge uw klok op gelijk zetten’  Ik voel me draaierig, krijg het warm en koud, open mijn benen en leun terug naar voren. Alles wat in mijn maag zat, komt onophoudelijk met golven weer uit mijn mond. Het braaksel gutst op de grijze vierkante klinkers van het voetpad. De spetters pletsen op mijn zwarte winterbottines: ‘Ooh, ik voel me echt niet goed’ Opnieuw bijt er een steek in mijn maag gevolgd door een gevoel van misselijkheidsgraad tien op de schaal van misselijkheid. Ik leg mijn hand op mijn buik en waggel naar de zitbank in het schuilhuisje. ‘Een Tic-Tac?’, offreert de aardige dame. Ze rommelt in haar grote cognackleurige reistas.  Een dik uur geleden ontwaakte ik slap in een veel te witte kamer. Mijn ogen prikten. Ik voelde me moe. Alles was vaag. ‘Waar ben ik?’, mompelde ik zacht. De contouren van een Scandinavisch interieur werden scherper. De witte matras zonder lattenbodem lag pal op de lichtbruine parket. Ik voelde de vloer onder mijn ruggengraat. Ik rolde kreunend op mijn zij. De klophamers in mijn hoofd mokerden erop los. ‘Waar ben ik?’, probeerde ik met veel moeite voor een tweede keer. Geen antwoord. Ik trok het witte donsdeken hoger tot over mijn buik en wreef met één hand door mijn gezicht. De mokerslagen bleven maar komen: ‘Waar ben ik? En van wie is deze loft?’ Op een paar groene kamerplanten na, was nagenoeg alles hier wit.  Een vage gouden vlek bewoog gezwind in de verte. Het stuitte en danste naar me toe: help! Ik trok angstig het dekbed tot voor mijn neus. De golden retriever sprong bij mij in bed, landde met zijn twee voorpoten op mijn buik en likte in mijn gezicht. ‘Eiikk! Zeg! Allez, ‘t is goed!’ Ik probeerde de harige loftbewoner van me af te duwen. Het vrolijke beestje lekte me een tweede keer, op mijn wang. ‘Allez zeg! ’t Is goed!’, en duwde hem met mijn handen weg: ‘Af! Zit! Lig! Allez!’ Hij zette zich keurig op zijn poep en wachtte op een beloning. Ik steunde op mijn onderarmen, zuchtte diep en streelde hem over zijn hoofd met mijn linkerhand. Een walm van misselijkheid steeg weer op: ik heb een kater. Ik kriebelde hem verder in zijn nek: ‘Ja! Nu weet ik het weer. Gij zijt, Batsie! En gij woont hier, hè? Is het niet? Batsie? Ja, hè?’  Batsie sloot zijn ogen en genoot van de kriebelmassage. Ik ging ervanuit dat dit een ja was, stopte met flemen en plofte naar achter met mijn hoofd in de donzige witte hoofdkussens: ‘Pfff, ik voel me mottig. Jaag jij die kater weg, Batsie?’  Het liep al mis bij het nemen van de eerste horde in het kampioenschap voor beste werksfeer van weggesnoeide teams. In de vergaderzaal met een massief houten ovale vergaderzaaltafel had Nikhiel, de chef van de chefs net zijn twee agendapunten aangekondigd. Onze dienst medische ruimten en implementaties wordt stopgezet en de datum voor de teambuilding is gepland.  Daar zaten we dan: Nikhiel, Florenza, Geeta en ik, elk in een mosgroene bureaustoel met zwenkwieltjes rond het platte houten ei. Analoog met de boodschap van ons ontslag vulde de vergaderzaal zich met ongeloof, verdriet, frustratie en gelatenheid, en het enthousiasme van een zelfvoldane manager. Hij bleef maar doorbomen over hoe goed deze beslissing is: ‘Ge gaat er allemaal beter van worden. Nieuwe wegen worden ingeslagen! En, ik heb mijn best gedaan om alsnog een budget voor de geplande teambuilding vrij te krijgen. Allez, Geeta. Trek eens een kaartje! We gaan er een lap opgeven!’ In het midden van de vergaderzaaltafel stond een visbokaal zonder water met een bodempje van gekleurde dichtgevouwen ideeënbriefjes. Ik keek hem scheef aan: meent hij dit nu echt? Ik draaide me hoofd naar rechts en lonkte naar Florenza, collega implementatie van voorzieningen. Haar lange zwarte krullen rustten op haar schouders. Ze daagde me regelmatig uit. Zomaar, uit het niets, op een doodgewone grijze dinsdagnamiddag wanneer Geeta weer eens vroeger vertrokken was.  Er kwam nooit iets van. We lagen allebei in de knoop van vroegere liefdesprobeersels. Florenza’s echtscheiding was te rauw om nu, of zelfs ooit aan iets nieuws te beginnen. En ik, lijmde nog de brokken van de laatste poging tot een relatie, aangegaan onder het motto ‘alleen is maar alleen’ ,en celibatair door het leven gaan, vond ik een hele andere uitdaging, zelfs onmenselijks las ik ooit in de krant. Ze staarde ijzig naar beneden. Florenza, ik ga je missen. Mijn dichtste collega, mijn bureaubuddy aan ons landschapsbureau.  ‘Allez Geeta! Komaan! Eens goed roeren in de visbokaal en een kaartje pakken. Waar gaan we naartoe met dit team?’, bulderde Nikhiel ongegeneerd verder. Geeta, collega van enveloppefinanciering, leunde naar voren en strekte haar arm naar de visbokaal. Ze husselde met haar hand door de briefjes, plukte een fluo roze post-itje en plooide het open. Haar diepbedroefde stem zei zacht: ’We gaan… we gaan met z’n allen…’  ‘Allez, wat luider en enthousiaster, hè Geeta’, dreunde Nikhiel ertussen. Ik draaide met mijn ogen: wat een walgelijke man. Geeta schraapte haar keel en zei stevig: ‘We gaan met zijn allen teambuilden op de Warme Winter Openlucht Kermis!’ Het bleef muisstil. Niemand applaudisseerde. Nikhiel sloot af met de idiote woorden: ‘Goed, dat is dan geregeld’ Hij leunde naar achter in zijn bureaustoel, keek op zijn horloge, stond naarstig recht en haastte zich de vergaderzaal uit.  De draaimolens toerden rond op orgelmuziek. Smikkelende mensen in wollen winterjassen, mutsen en sjaals met suikerspinnen en appelbeignets wandelden me tegemoet. Ik had afgesproken met Florenza en Geeta aan de eetkraampjes. De natte vrieskou deed me rillen. De botsauto’s karden rond onder een tentvormig dak met een metalen vloer op de beats van een oude disco-hit. Hun remlichten knipperden rood. De man van de rupsbaan verkondigde in zijn microfoon om te blijven zitten, want de rups gaat nog achteruit. Uit de frisbee, een schommelende klepel met daaraan draaiende gondels kwam een hels geschreeuw. De kermisverlichting kleurde vrolijk groen, roze, wit en geel. De attracties waar behendigheid een rol speelt, hadden minder succes. Een donzige knuffelbeer keek me zielig aan: grijp mij!  'Joehooee!! Hier is het te doen!’ Twee gedaantes, ingeduffeld alsof ze op wintersportvakantie vertrekken, wuifden naar mij. Ze misten enkel skilatten en stokken. Klaar om een afdaling te maken. Klaar om plezier te maken. Ik gaf de twee dames elk een zoen. De elektrische heteluchtblazer ronkte zich te pletter om ons en de andere winterkermisgangers warm te blazen. ‘We staan hier al een kwartier op u te wachten’, mopperde Geeta. De groene lichtslinger van het drankenkraam knipperden aan en uit. Uit de muziekboxen klonk er kerstmuziek. Geeta lachte half gesmoord: ‘We hebben dan maar ééntje gedronken zonder u’  Florenza grinnikte: ‘De Nikhiel is er niet bij. Die komt niet. Griep volgens zijn sms. Zijn deel van het budget hebben we dan maar opgedronken’ Geeta haalde haar neus op.  ‘Ik trakteer op hot mojito’s!’, flapte Florenza enthousiast eruit. Ze rammelde met haar want een plastiek zakje gevuld met rode muntjes in de lucht: ‘Hier! Van dit kraam! Ik heb bonnetjes gekocht’ We stonden klaar voor de volgende horde van het kampioenschap voor de beste werksfeer van weggesnoeide teams.  ‘Maar allez, Florenza, meent ge dat nu? Hot mojito’s? Dat kan toch niet lekker zijn? Welke crimineel heeft dat uitgevonden?’ Aan de binnenkant van het kraam stond een forse barman met kerstrui en kerstmuts. De barman spitste zijn oren en draaide zich om: ‘Ha! Jungen man! Sie haben jetzt ganz nichts so gedrünken. Vielleicht dieses mojitos! Fragen sie an die Damen. Sie smecken die mojito’s’ Hij keek me aan met zijn roodgloeiend gezicht. In het kraam is het wel lekker warm, dacht ik. Geeta kon het niet houden van lachen. Florenza beaamde: ‘Sehr schön, Sehr schön. Proef maar eentje, ik trakteer’ Door de beruchte vergadering van een paar dagen geleden, was de warme rumdrank meer dan welkom en tegen haar kon ik geen nee zeggen.  De barman prepareerde drie warme cocktaildranken met munttakken in. ‘Ik ben mijn job kwijt, Flo’, wauwelde ik: ‘Wat moet ik nu doen?’ ‘Hetzelfde als ik en genieten van onze laatste momenten samen’  Geeta hees ondertussen de ene hot mojito achter de andere binnen en begon emotioneel te lallen: ‘Jullie jongen vogels, hebben chance. Ik! Ik? Wat moet ik zeggen? Nog twee jaar en ik was klaar. Op pe… pe… soen. Op pensioen!’  Ik dronk gulzig. Florenza slurpte en keek me in mijn ogen: ‘We gaan elkaar na deze kermis nooit meer zien’ Ik verslikte me: hoor ik dit goed?  ‘Ik heb een job aangeboden gekregen in Liezele. Volgende week kan ik beginnen’ Deze mokerslag had ik niet zien aankomen. Waren alle mokerslagen van deze week niet uitgedeeld? De knipperende kerstlichtjes werden vaag. De kerstmuziek fadede uit. Als flirtende bureaubuddy’s deelden we toch alles? Ik dronk de warme rumdrank in één teug uit: ‘Bbbuurrpppp! Nog één voor mij, Geeta. Wieder jetzt mojito!’  ‘Geen probleem. We hebben bonnetjes genoeg!’, juichte ze veel te luid.  ‘Die gaat morgen een kater hebben’, fluisterde Florenza in mijn oor. Ze omhelsde me rond mijn middel en trok me tegen haar aan. Ze staarde naar de grond.  ‘Batsie? Batsie!’ Ik schiet paniekerig wakker en sla het witte donsdeken van mij weg: ‘Batsie? Batsie?’ De goudkleurige speelvogel komt vrolijk kwispelend aan gewaggeld en drukt zijn natte neus tegen mijn voorhoofd. Ik streel hem over zijn kop. ‘Batsie? Zijt gij de hond van Flo?’ Ik kijk naarstig rond en zie op het witte Ikeanachtkastje vrolijke foto’s staan: Florenza op vakantie in de bergen, Florenza met hoogstwaarschijnlijk haar moeder, Florenza met een aandoenlijke Batsie.  ‘Dat kan niet! Kut, kak, kut! Niet met Florenza!’ Mijn hersenen knetteren op volle toeren: we zijn collega’s, goede vrienden, waren goede vrienden, waren collega’s. Ik krijg het benauwd: ze laat me in de steek. Ik schiet in een kramp. Ik moet hier weg. Opgejaagd als jong wild, trek ik mijn kleren aan: waar zijn mijn schoenen? Waar is mijn portemonnee en telefoon? ‘Allez Batsie! Zit zo niet te kijken! Zoek mijn telefoon!’ De hond gaapt groot en legt zich neer in het overhoopgehaalde bed. Mijn ringtone verstoort de stilte. Het geluid komt van onder het donsdeken. Ik gooi het in de lucht. Batsie springt recht. Mijn telefoon rolt op de parketvloer: ‘Sorry Batsie. Ik moet weg!’ Ik check mijn telefoon. Gemiste oproepen, gemiste berichten en scrol naar de app van de regionale bus. ‘Fuck! Over een paar minuten is de bus van twee uur er al’  Ik schiet uit de startblokken: weg uit deze beklemmend plek. Weg uit deze hachelijke situatie. 

Evelien Meulders
12 0