Lezen

Café In de Linde

  Onder de stamgasten van Café In de Linde heette het dat  Mariette de waardin geboren was in de achterkamer tussen de biervaten, de  zakjes  chips, de repen praliné en double lait en de droge worstjes. Een flauwe grap die over de jaren heen de status van legende had verkregen terwijl de werkelijkheid net dat tikkeltje vreemder was. Haar vader had het café gewonnen bij het pokerspel. maar vermits hij er  de man niet naar was  om zijn dagen door te brengen achter de tapkast liet hij het  aan Mariette en haar zus Lisette over om de zaak draaiende te houden. Maar Lisette had net zoals haar vader het kaarten in haar bloed al waren het in haar geval tarotkaarten.  Als ze vijf minuten tijd had en ook wanneer ze die niet had probeerde ze klanten te overhalen  om door haar hun kaarten te laten leggen.  Helaas voor Lisette bestond de klandizie van het café, dat op slechts enkele passen van een begraafplaats gelegen was voornamelijk uit potige grafdelvers, steenhouwers en nuchtere begrafenisondernemers en die waren niet meteen ontvankelijk voor dat soort hocus pocus. Op een dag had Lisette dan maar de bus naar de grote stad genomen en was nooit meer teruggekeerd. Het enige wat ze had achtergelaten was een grote glazen bol  die ze van een anonieme aanbidder gekregen had met Valentijn en die nu al jaren zijn vaste plaats had op de hoek van de toog.  Als iemand er Mariette over aansprak was haar standaard antwoord dat de bol haar vertelde als er problemen op komst waren. Waarna ze luidkeels lachte al was het wel opvallend dat er in al die jaren nooit een dronkenmansruzie of een gevecht te noteren viel.  Niet dat de klanten van Café In de Linde zo braaf waren verre van. Menig vechtpartij werd beslecht op het kerkhof, uit het zicht van Mariette. Mariette was een klein pezig vrouwtje met een felle blik en een scherpe tong. Aanbidders werden vakkundig ontmoedigd en niemand kon haar moederlijke allures toedichten. Toch was haar café voor vele van haar klanten een tweede thuis en voor sommige waarschijnlijk hun enige. Geheel getrouw aan de legende leek Mariette echt in de wieg gelegd om waardin van Café In de Linde te worden. Wat een zieltogend dorpscafé zonder dorp was toen haar vader het buitmaakte werd in haar handen een pareltje van cafécultuur. Als in de vroege ochtend  de deur openging geurde het er naar  bruine zeep en  boenwas. De koperen taps glimden, de zilveren koffiefilters sprankelden, de glazen fonkelden. Vroege jongens konden er terecht voor havermoutse pap en ’s middags in de winter stond er altijd wel een pot erwten of ajuinensoep te pruttelen op de Leuvense stoof. In de lente vulde ze de plantenbakken op de vensterbanken buiten met geraniums en viooltjes. In de zomer hing er een vliegengordijn met veelkleurige linten aan de deur. In december liet ze manke John de ramen beschilderen met voorstellingen van kerstmannen en rendieren. Zo  gingen  de jaren voorbij terwijl de wereld van Mariette en haar klanten stilstond. Tot op de dag dat er twee film en een radioploeg arriveerden die met hun wagens de ingang tot het kerkhof blokkeerden, alle vijf  de tafeltjes van het café innamen en hun spullen er achterlieten alsof ze al jaren kind aan huis waren. Ze bestelden expresso en cappucino en latte machiato en kregen filterkoffie met een dot slagroom. Mariette en de enkele klanten die op die zomerochtend aan de toog hingen keken stilzwijgend naar het spektakel van door elkaar rennende mensen met camera’s en microfoons en wat nog allemaal. Het vreemdste was dat ze maar rond het bushokje aan de overkant bleven draaien. Mariette  deed alsof het haar allemaal om het even was. Ze had haar handen ook meer dan vol met al dat vreemd volk. Klanten zijn klanten, als het geld maar binnenkomt, zei ze  Uiteindelijk  waren Leo en Mon van begrafenissen Bertels poolshoogte gaan nemen. Bleek dat het allemaal ging om een scharminkel van een boom die half weggestopt  zat achter de bushalte. Eén of andere een minister had beslist om die tot monument uit te roepen omdat  hij er al enkele honderden jaren stond, geplant bij wijze van grenspaal  op het snijpunt van de grens tussen drie gemeenten. Meer nog die boom was de linde uit de naam van het café en had een blikseminslag overleeft, vandaar zijn zielig voorkomen. Nadat de hele bende weer verdwenen was staken Mariette en haar stamgasten de straat over om het monument  van dichtbij te bekijken. Niemand van hen had de boom ooit opgemerkt, behalve misschien om ertegen te pissen, opperde Pierre de steenhouwer. Het hoofd schuddend om zoveel onzin keerden ze  na enkele minuten op hun stappen terug niet wetend dat vanaf dan niets meer hetzelfde zou zijn in Café In de Linde.    

Paula Dumont
1 0

Petrichor

“We zijn nu al drie seizoenen een koppel.”Ze zegt het zonder verpinken, strijkt een ontsnapte haarlok achter haar oor. Hij kijkt haar niet aan, weegt zijn antwoord in het trillende licht van de hete zomerzon. Het water van het kanaal klotst onophoudelijk tegen de romp van een aangemeerde boot, verdrinkt zijn woorden nog voor hij ze hardop zegt. Er is iets aan haar uitspraak wat hem treft. De bescheiden grootsheid van die mededeling. Het gemak waarmee ze hun relatie op gelijke hoogte stelt met de onvergankelijkheid van de seizoenen, ze keren altijd terug...“Weet je,” gaat ze verder, als hij blijft zwijgen, “ik blijf maar wachten op een groots gebaar. Iets vol overgave. Niet zo’n scène als in de films, bedoel ik. Meer zoiets als onweer na een hete dag. Het ene moment schijnt de zon nog ongenadig en gutst het zweet je uit de kleren en dan opeens, boem, die rommelende dreiging, de wind steekt op, de hemel splijt in vonken uiteen en je weet plots dat je enkel en alleen op dit ene moment hebt zitten wachten. De koele druppels op je hunkerende huid, de sissende geur van zwavel en het besef dat je hier altijd al hebt moeten zijn. Op deze plek, dit bevroren ogenblik.” Ze keert zich naar hem toe. Legt haar blik onbevreesd in de zijne.“Petrichor.” Vragend staart hij terug, één wenkbrauw opgetrokken en met zijn beetje schuine lachje, waarvan ze beweert dat net die onregelmatigheid hem onweerstaanbaar maakt.“Petrichor,” herhaalt ze dan. “De geur van regen op droge grond. Dat, mijn lief, is wat jij voor mij bent.” Haar blik dwaalt weg over het water. In profiel doet ze hem denken aan een Griekse godin wiens naam hem ontsnapt. Petrichor, herhaalt hij in stilte. Zelfs de klank van het woord smaakt zoet. Één tijdloos ogenblik lang herinnert hij zich alles wat hij nooit heeft geweten. Dan legt hij zijn armen stevig om haar heen, drukt zijn wang tegen haar zachte haren. “Ik wed dat je haar in de herfst de kleur heeft van gesponnen goud.” Zijn stem amper een fluistering, gedempt door hun aanraking en het gestage klotsen van het water. Zonder dat ze zich omdraait, ziet hij haar gezicht voor zich, de krulling van haar mondhoeken, de subtiele boog van haar lippen. Haar glimlach als regen op dorre grond.

Elfi Vandenabeele
56 3

De meisjes van Carlito

Hij heeft je gebruikt. Als een vaatdoek, zo heeft hij je gebruikt. Annabelle wiegde heen en weer op haar brits in haar cel van de vrouwengevangenis te Gent. Ze zat er inmiddels drie maanden. Dansend was ze binnen gebracht met haar twee beste vriendinnen, twee van haar zusters zoals ze elkaar noemden op de boerderij: Merel en Sharon. Ze was ervan overtuigd geweest dat ze er amper een maand zou zitten voor de hel losbrak. Dat ze haar desnoods zouden komen bevrijden. Ze had gedacht onvervangbaar te zijn. Weken had ze op een roze wolk geleefd. Zelfs van de verhoringen kon ze zich amper iets herinneren, want ze had steeds in zichzelf zitten neuriën, alsof het allemaal niet over haar ging. Inmiddels danste Annabelle allang niet meer. Ze was pas negentien geweest. En dreigde voor dertig jaar de cel in te gaan. Ze zou dan vijftig zijn wanneer ze vrijkwam, een heel leven verspild. Haar enige zuster, haar echte zuster, diegene met wie ze een vagina gemeen had, had bij haar bezoek op haar ingepraat. Ze was de enige die het nog iets kon schelen wat er met haar gebeurde. Haar ouders had ze nog niet gezien. ‘Hij gebruikte je, snap je dat dan niet?’ vroeg haar zuster, de wanhoop klonk door in haar stem. ‘Getuig tegen hem. Verspil je leven toch niet.’ Ook toen had ze heen en weer gewiegd, terwijl ze in zichzelf had zitten grijnzen en neuriën. Ze had zich een martelaar voor de zaak gevoeld: ‘Spring op van vreugde als men je vervolgt.’ Wat had ze van die man gehouden, en wat had ze vertrouwen in hem gehad. Ze was ervan overtuigd dat hij de wedergeboren messias was, en dat de eindtijd op handen was. Dat zij, al zijn meisjes, het gewoon in gang moesten zetten. En dat hadden ze allemaal gedaan. Bijna allemaal. Ellen had het niet gekund. Annabelle had het wel gekund, misschien was ze nog net iets ijveriger geweest dan de doorsnee. Annabelle veegde opkomende tranen uit haar ogen en stak een sigaret aan. Ze rookte veel tegenwoordig. Veel meer was er hier toch niet te doen.   Annabelle leerde Carlito kennen op een chiro-fuif in het dorp. Zelf was ze geen lid van de chiro. Eigenlijk was Annabelle nergens lid van. Zij was het typisch soort meisje om misbruikt worden: onzeker, verlegen, en jong. Hoe volwassen je ook voelde, als zeventienjarige was je jong, een kind nog bijna. Carlito was al bijna dertig geweest. Hij had zwart warrig haar en een bijzonder zware baard. Aantrekkelijk was hij eigenlijk niet. Toch had hij op één of andere manier Annabelle weten te charmeren. Als ze er later op terug dacht, dacht ze, dat het zijn ogen waren. Hij had heel donkere ogen, die erg diep in hun kassen lagen. Die duisternis accentueerde hij met zwarte make-up, zou ze later te weten komen. Carlito ademde in alles hoe hij handelde mysterieus, en dat had Annabelle aangetrokken. Meer dan ze zichzelf in het begin toegaf. Dat hij meer dan tien jaar ouder dan haar was, kon haar bijna vanaf het eerste moment geen moer schelen. Hij had een zeer intense, pikante geur, bijna zoals de kruiden die haar vader op de barbecue strooide in de zomer om het vlees meer smaak te geven. Later zou ze te weten komen dat het de geur van marihuana was. Ook toen hij naar haar toe kwam had hij nog een klein stolpje van een joint in zijn hand. Hij nam een trek en boog zich naar haar toe terwijl hij de rook in haar aangezicht blies. ‘Ik heb van jou gedroomd,’ zei hij zacht in haar oor. Het was vreemd want hij hoefde helemaal geen moeite te doen om boven de muziek uit te komen, en toch nog zacht, bijna intrigerend, te klinken. Ze giechelde als het bakvisje dat ze was. Annabelle had nog nooit een vriendje gehad, laat staat dat ze ooit een andere man dan haar vader had gekust. Carlito’s baard prikkelde tegen haar wang. ‘Je bent prachtig zoals je bent. Ik zag ons samen een toekomst uitbouwen.’ De rook die hij steeds maar weer in haar gezicht blies, maakte haar een beetje high. Zijn kalme, intense stem hypnotiseerde haar. Die avond ging ze met hem mee naar zijn boerderij, waar hij samen met acht andere meisjes woonde, maar dat had ze die avond niet geweten, ze had in ieder geval geen enkele van de andere meisjes gezien. Die avond had ze niet alleen voor het eerst een jongen gekust, maar ook voor het eerst een penis in haar vagina gevoeld. Ja, in het begin had het een beetje pijn gedaan, maar bijlange niet zoveel dat het onaangenaam was geweest. ‘Nu ben je van mij,’ zei hij toen hij zich bezweet van haar afrolde. Glimlachend kuste ze zijn borst. Voor het eerst in haar leven voelde ze zich eindelijk iemand. Van iemand. Het was niet Carlito die zich introduceerde in zijn vreemde gedachtegangen. Het waren de andere meisjes. De o zo opgewekte, in lange jurken gehulde, bijzonder jonge meisjes. Geen van hen was ouder dan twintig. Annabelle voelde zich meteen tot hen aangetrokken. Hun opgewektheid, zelfs als ze nare klusjes deden, zoals het huis poetsen, of groenten in het tuintje plantten, alles deden ze terwijl ze aanstekelijke deuntjes neurieden. Al snel had Annabelle vriendschap met hen gesloten. Ze bleef ook steeds vaker op de boerderij slapen. Soms in het bed van Carlito, maar nog vaker in de kamer van de meisjes, waar ze tot een gat in de nacht praatten en giechelden. Het leek wel een zomerkamp. Het was vreemd, maar Annabelle was niet jaloers toen ze erachter kwam dat alle meisjes het met Carlito deden. Dat kwam omdat als ze in zijn kamer was, zij de enige was die er voor hem toe leek te doen. Dan had hij alleen aandacht voor haar, dan zei hij precies de juiste woorden om haar nog feller verliefd op hem te maken. Maar ze was niet alleen verliefd op hem, ze was verliefd op heel de levensstijl. De vrijheid die de meisjes uitstraalden, de spelende manier waarop ze door het leven huppelden. Op haar achttiende verjaardag was het dan ook de voor de hand liggende keuze dat ze haar koffers pakte en naar de boerderij verhuisde. Ze had het al weken op voorhand gepland. Ze wilde zich volledig onderwerpen aan Carlito, een echt meisje van hem worden. ‘Annabelle, je bent niet goed snik! Je bent helemaal gebrainwasht door die vent,’ riep haar zuster kwaad. Haar ouders stonden in de huiskamer te wenen. ‘Er is niets dan je kan doen om me van gedachten te doen veranderen, Elle. Ik hou van hem,’ zei ze kalm. ‘Maar dan moet je toch niet meteen bij hem intrekken? Je hebt nog zoveel tijd. En wat met je school?’ School… De keren dat ze er nog was geweest de laatste maanden, had ze zelden meer gedaan dan aan hem gedacht en zijn naam in haar schriftje gepend. Haar moeder omhelsde haar wenend. ‘Wees geen vreemdeling, hé, je bent hier altijd weer welkom,’ snikte ze. Annabelle knikte beduusd glimlachend. Het deed haar pijn haar moeder zo te zien, want ze hield werkelijk van haar moeder. Het was immers de vrouw die haar gebaard had. Maar haar moeder zou het wel begrijpen, later, dat dit iets was dat ze moest doen. Annabelle keek geen enkele keer om wanneer ze zich naast Carlito in de oude pickup-truck hees, haar koffer op haar schoot. Eindelijk zou haar leven beginnen.   Uitbundig omhelsde Merel haar wanneer ze toekwamen op de boerderij. Irene nam haar koffer van haar aan. ‘Nu ben je echt één van ons,’ zei Merel. ‘Ze is altijd van mij geweest,’ antwoordde Carlito in Annabelles plaats, met die zo typerende kalme, zachte stem van hem. ‘Ik ben blij dat je er bent, Annabelle.’ ‘Laten we het vieren!’ riep Merel uit. Carlito sputterde niet tegen, en even later zaten ze allemaal in de huiskamer met pils en marihuana. High liet Annabelle haar hoofd rusten tegen de schouder van Carlito, die zachtjes zijn arm om haar heen sloeg. Hij kuste haar op het voorhoofd. Ze tilde haar zwaar hoofd op zodat ze hem in de ogen kon kijken. ‘Ik hou van je,’ zei ze zacht, zo zacht dat niemand het eigenlijk horen kon. ‘Alles komt goed, schatje, alles komt goed,’ zei Carlito, en blies de rook uit zijn mond in haar gezicht, die ze diep inhaleerde. Hij kuste haar innig.   Ze kende het leven inmiddels op de boerderij, maar toch was het nog heel anders als je er woonde. Eigenlijk waren de dagen vrij gestructureerd. ‘s Morgens om 9 uur stonden de meisjes op en ontbeten ze samen, zonder Carlito weliswaar. Carlito werkte ‘s morgens van 7 uur tot 13 uur in een garage in het dorp als Mechaniciën. ‘s Morgens was dan ook voor de meisjes de periode waar ze huishoudelijk werk deden. Annabelle vond het niet vervelend. Carlito betaalde alles: hun eten, hun marihuana, hun drank… Dus vond ze het maar fair dat ze ook haar steentje bijdroeg. En de meisjes maakten het echt aangenaam. Dan neurieden ze liedjes, giechelden ze, speelden met water. Het leek alsof niemand ouder werd dan zestien. Nog kinderen eigenlijk. Na de middag, wanneer Carlito terug was, spendeerden ze de meeste tijd met te luisteren naar hem. Dan zaten ze in de huiskamer. Zachte psychedelische muziek op de achtergrond, een joint die rondging en een pilsje in de hand. Dan vertelde hij over de tijd die ging komen. De tijd van de uitverkorenen. ‘Het wordt een prachtige tijd. Jullie zijn de uiverkorenen, mijn schatjes. Hier zal het beginnen, op deze boerderij. Besladny!’ Het was een woord die ze veel hoorden. Elke middag herhaalde hij het. Nooit kwam Annabelle te weten wat het eigenlijk betekende, maar het had zo’n hypnotiserende kracht dat ze ‘s nachts er soms van droomde hoe hij het in haar gezicht fluisterde. ‘Besladny,’ zuchtten de meisjes allemaal tezamen, alsof ze wisten wat het betekende. Hij glimlachte. ‘Jullie zijn de pracht van de nieuwe wereld. Laat mij jullie leider zijn! Ik heb alleen het beste met jullie voor. Jullie wacht zo’n mooie toekomst. Jullie zullen leiders van een hele generatie worden.’ ‘Besladny,’ fluisterden ze opnieuw. Ze giechelden. Die avond, toen ze in bed lagen, spraken ze er nog over. Ze waren bijzonder high, maar te opgewonden om te slapen. Besladny werd een modewoord op de boerderij. Bijna elke middag kwam het naar voren. Terwijl ze stoned of dronken, of allebei, waren, zou hij het hen influisteren. Zou hij vertellen hoe waardevol ze waren en welke sleutelrol ze zouden spelen bij Besladny. Vaak bedreef hij daarna de liefde met hen. Soms met één, vaker met meerdere tegelijk. Ze waren één grote familie, en Annabelle voelde zich volkomen op haar gemak bij de andere meisjes en bij Carlito. Het was thuis. En als ze alleen was met Carlito dan behandelde hij haar als een prinses, alsof zij de enige was die er toe deed, alsof ze niet alle negen uitverkoren waren, maar alleen zij, of dat zij de leider van de uitverkorenen was, de vrouw van de messias. De boerderij was het equivalent van de tuin van Eden, vond Annabelle. Ze aten hun zelfgemaakte groenten, speelden spelletjes, liepen vrij rond in ruime gewaden of zelfs naakt, vrijden, en dronken en blowden dat het een lieve lust was. Elke middag was ze samen met de anderen stoned en dronken. Veel had de jonge Annabelle daar niet voor nodig. Meestal nam ze enkele trekken van een joint en dronk vijf pilsjes of twee tequila-shotjes voordat ze zich prettig voelde. Zo noemde ze de staat waarin ze elke middag verkeerde: prettig voelen. Om eerlijk te zijn moest ze bekennen dat ze niet zo gek was op de smaak van marihuana of bier, daarom was ze blij dat ze niet zoveel nodig had.   De grimmigheid op de boerderij kwam er niet plotsklaps. Alsof ze de ene middag nog spelend in de huiskamer doorbrachten terwijl ze luisterden naar de woorden van Carlito en de andere middag vreselijk bang van hem werden en bijzonder nuchter waren. Nuchter waren ze nooit. Maar Carlito’s preken werden steeds vuriger en gewelddadiger. Soms schreeuwde hij het uit, hij begon nog erger dan gewoonlijk de wereld waarin ze leefden uit te schelden. Hen te vertellen hoe ze de wereld moesten laten zien wie de baas was. Intussen was de boerderij ook in het oog gekomen van de politie en de buurt. De meesten vonden het maar vreemd, en man met negen meisjes die amper meerderjarig waren en nooit buiten kwamen. Dus systematisch kwam de politie op bezoek om te kijken wat er gaande was, of omdat ze een klacht van één van de buurtbewoners hadden gehad. Annabelle haatte de dagen dat de politie over de vloer kwam. Carlito was dan helemaal niet te genieten. Dan schold hij soms tegen hen, dat ze teveel de aandacht van de buurt opslorpten, dat ze zich normaler moesten gedragen. Dat hij zou vertrekken en ergens anders opnieuw zou beginnen. Als ze dan ‘s avonds op zijn kamer werd uitgenodigd, gaf hij haar opnieuw het gevoel die prinses te zijn, en kon ze hem alles vergeven. Op dat moment werd ze weer even verliefd op hem als ze dat was geweest heel in het begin. Op een dag zei hij, midden in een gesprek in de huiskamer, terwijl de meisjes giechelend rookten en dronken: ‘Jullie houden niet echt van mij.’ Het werd stil in de huiskamer. De meisjes keken hem allemaal verdwaasd aan. Sommigen leken hem te willen tegenspreken, maar durfden niet. ‘Jullie houden van jullie leventje hier. Dat jullie lekker high en dronken kunnen worden zonder gevolgen, zonder verantwoordelijkheid.’ Tirza begon te huilen, heel stil, eigenlijk amper hoorbaar. ‘Jullie houden van het feit dat jullie uitverkoren zijn, maar willen er niets voor doen.’ Annabelle knielde voor hem neer en keek hem doordringend aan terwijl ze zijn dijen, daarna zijn benen en uiteindelijk zijn voeten kuste. ‘Ik zou alles voor jou doen.’ De andere meisjes knikten en mompelden instemmend. Hij keek op Annabelle neer met een vage glimlach rond zijn lippen. ‘Zou je je leven opgeven voor mij? Zou je zelfmoord plegen voor mij?’ Annabelle, bijna door het rode heen, en bijzonder onder de invloed van drugs en drank, sprong op en rende naar de keuken. Even later kwam ze terug met één van de steakmessen die ze in een lade had gevonden. Ostentatief zette ze het mes tegen haar pols. ‘Je moet het maar zeggen, Carlito, en ik doe het.’ Ook zij weende nu. Of ze werkelijk zelfmoord voor hem zou hebben gepleegd, zou ze later betwijfelen, maar ze waren allemaal in die tijd tot zoveel in staat. ‘Doe het!’ schreeuwde Illiana. ‘Doe het!’ Illiana stond op en ging wijdbeens voor Annabelle staan. Annabelle drukte het mes zo hard tegen haar pols dat het wat begon te bloeden. Illiana schreeuwde het uit bij het zien van het bloed. Vaag glimlachend stapte Carlito naar haar toe en begon haar uitbundig en nat op de lippen te kussen. ‘Besladny vraagt niet jouw leven, maar dat van een ander,’ zei hij tussen twee kussen door, heel zacht in haar oor, zijn baarde kriebelde op haar wang. Vanaf dan begon het. Carlito had drie families uitgekozen uit het dorp. Eén familie waren de ouders van één van de meisjes, de twee andere families waren wildvreemden. Allen families die hem het leven zuur maakten, zou Annabelle later in de gevangenis te weten komen. De preken stopten, maar high werden ze nog wel elke middag. Het plannen ging vaak door tot laat op de avond. Er moest veel bloed vloeien volgens Carlito. Ze zouden het ‘s nachts doen, wanneer hun slachtoffers sliepen. Carlito deelde de meisjes in groepjes van drie. Ellen, Annabelle en Merel zouden de ouders van Merel vermoorden. Carlito legde hun exact uit hoe ze het moesten doen. Het moest vooral bloederig zijn, dus vuurwapens waren uit de boze. Met messen moest het gebeuren. Met hun eigen messen, dat was symbolischer volgens Carlito. ‘Dan worden ze door hun eigen wapens vermoord.’ Hij lachte schel. Of het van de zenuwen of de angst was, wie zou het zeggen, maar de meisjes konden niet anders dan hem volgen in zijn lachen. Toen ze die nacht in hun kamer in het duister lagen, nog high van de joints, vroeg Annabelle aan Merel: ‘Ga je het kunnen? Het zijn tenslotte je ouders.’ ‘Zij zijn beesten,’ fluisterde Merel zacht. ‘Ze doen niets anders dan ons het leven zuur maken. Ze kunnen het niet verkroppen dat ik gelukkig ben.’ De volgende avond kwam Carlito pas laat terug naar de boerderij. Hij had een hond mee. Een puppy nog. Waar hij het vandaan gehaald had, wisten de meisjes niet. Terwijl hij de eerste joint van die avond opstak liet hij het diertje samen met de joint rondgaan, van hand tot hand. ‘O, zo schattig,’ riep Merel uit. Ze kuste het beestje op zijn snoetje dat heel zacht kreunde bij de aanraking. Toen het terug bij hem was gekomen, plaatste hij het dier op de tafel. Het sloeg met zijn kwispelende staart enkele lege flesjes bier omver, en keek verwachtingsvol de groep rond. Carlito verdween even in de keuken en kwam terug met negen steakmessen. Plechtig overhandigde hij aan elk meisje een mes. Verdwaasd keken ze van het mes, naar Carlito, naar het hondje. Carlito zette zich terug op zijn vaste plaats en nam de joint van Ellen over. ‘Nu is het aan jullie.’ Hij knikte naar het hondje. Er was een korte aarzeling maar toen stoof als eerste Merel op het hondje af. De andere meisjes lieten zich niet onbetuigd. Ze wisten dat als ze nu faalden, ze altijd zouden falen. Met zijn negen stormden ze op het beestje af, die eerst nog een angstige kreet van verbazing uitsloeg, maar algauw jankte van angst en pijn. ‘Ja, dood het! Dood het! Vermoord het!’ schreeuwde Carlito die toekeek hoe het dier van bloed en leven werd beroofd. Wanneer er geen beweging meer in het diertje zat, gingen de meisjes één voor één terug naar hun plaats, het bloedige mes slap in hun handen. Op hun mooie gezichtjes en lange blauwe kleedjes waren spatten bloed zichtbaar. Carlito applaudisseerde. ‘Goed zo. Jullie zijn er klaar voor. Doe jullie schoenen aan, het is tijd.’   Merel en Annabelle zongen liedjes terwijl ze over de donkere straten dwaalden. Ellen zong niet mee. Ze hielden elkaars handen vast en huppelden als tieners die naar een dorpsfeest gingen. Bij het huis aangekomen maande Merel hen tot stilte. Ze kon zelf amper haar giechelen inhouden. Het zou een gemakkelijke klus worden. Merel had immers nog een sleutel van haar ouderlijk huis. Het was vanzelfsprekend dat Merel hier de leiding nam. Ze leidde de meisjes naar de keuken waar ze het licht aanklikte en hen elk een mes uit het blok gaf die op het aanrecht stond. Merel glimlachte gelukzalig. Annabelles benen trilden van anticipatie. Angst had ze niet. Het leek zo natuurlijk om dit te doen. Wat zou Carlito straks trots op haar zijn. Annabelle en Ellen volgden Merel naar boven. Ze giechelden wanneer Merel de deur van slaapkamer van haar ouders opentrok, als kleine meisjes die een deugnietenstreek gingen uithalen. ‘Wat… Is dat jij Merel?’ vroeg haar moeder slaperig, waarschijnlijk wakker geworden door het geluid van de giechelende meisjes. ‘Ja, mama, ik ben het,’ zei ze lieftallig, meer een meisje van tien dan een meisje van twintig. Haar moeder zuchtte, opgelucht leek het wel. Maar niet voor lang; Annabelle en Merel liepen op het bed toe, het mes zo krampachtig in hun handen dat Annabelle krampen in haar vingers kreeg. Ook Merels vader was inmiddels wakker geworden, maar was niet opgewassen tegen de bloeddorst van de meisjes. Lachend kerfden ze in het vlees. Het vlees was net zo zacht als dat van het hondje. Ze lachten nog harder wanneer de moeder van Merel gilde. De vader probeerde hen tegen te houden met zijn brute kracht, maar het mes ging zo gemakkelijk door zijn vingers, zijn handpalmen, uiteindelijk zijn buik, zijn hals. Wanneer ze ophielden, bleef er een hoopje bebloede massa over waarvan nog amper te zien was dat het ooit mensen waren geweest. Giechelend dompelde Annabelle haar rechterhand in het bloed en begon boven het bed in bloedige letters die afdropen, het woord Blesladny te tekenen. Een kwartier later stonden ze van voor het bed hun kunstwerk te bezichtigen. Een bloedig woord boven een bloedig bed. Heel de tijd had Ellen in het deurportaal gestaan, zacht snikkend. ‘Blesladny,’ fluisterden de twee andere meisjes en moesten weer giechelen. ‘Wat ben jij toch een schijtlaars, Ellen,’ verzuchtte Merel wanneer ze de kamer uitliepen om terug naar huis te gaan.   Lang duurde het niet voor de politie op het spoor van de daders kwam. Met groot vertoon stormden ze op een woensdagmorgen de boerderij binnen, maar Carlito had het aan zien komen en had al de benen genomen. De meisjes, en Annabelle voorop, waren ervan overtuigd geweest dat hij de volgende stap in het proces van Blesladny aan het voorbereiden was. Bang waren ze niet toen ze opgepakt werden. Ze vonden het meer een spelletje dan iets anders. Maar nu was Carlito opgepakt. Drie maanden had hij nog van de vrijheid kunnen genieten, terwijl zij opgesloten zaten. De climax waar Annabelle zo naar uitkeek, was een anti-climax geworden. Hij had hen allen aan de schandpaal genageld. ‘Hij zegt dat hij er niets mee te maken had. Dat hij al weg was wanneer jullie de feiten pleegden,’ had de rechercheur haar gezegd. ‘Hij noemt jullie, en ik citeer: ‘Gekke wijven’.’ Pas dan had ze voor het eerst gestopt met neuriën en was de glimlach op haar lippen getalmd.

Malakh Ahavah
0 2

Het verscholen dorp

Met een schrapend geluid schiet de door de kou verharde voorband in het bevroren karrenspoor. Met moeite blijf ik overeind. In een poging om fiets en lichaam weer in evenwicht te brengen, geef ik een ruk aan het stuur. De wielen van mijn fiets knisperen door de bevroren modder. Heel kort stokt mijn adem. Meteen daarna vindt ze een weg naar buiten, vanuit mijn warme longen de ijzige kou in. Voorzichtig over het glibberige en bevroren pad rijdend, tuur ik tussen de kale bomen en besneeuwde struiken door het winterse landschap in. Koning Winter heeft bijna alles wat normaal groen is van bladeren ontdaan. Kale takken zijn achtergebleven. Door hun enorme aantal en dichtheid is mijn zicht evengoed beperkt. 'Aan het einde van het pad is aan de rechterkant een smalle doorgang. Loop daar enige meters het bos in, en je ziet het snel genoeg,' had de oudere heer in het dorp met krakende stem gezegd. Hij moet het punt waar ik nu ben bedoeld hebben.  Licht opgewonden stap ik af. De sneeuw onder m’n schoenen kraakt na de aanraking door mijn schoenzool. Verder hoor ik niets dan stilte. De stilte van de bevroren bossen om me heen. Ik kijk naar links en naar rechts. Niets te zien. Plots hoor ik een knakkend geluid achter me. Ik draai me snel om. Mijn hart bonkt in mijn keel, ondanks het feit dat ik opnieuw enkel bomen zie. Ik besluit het er op te wagen, en loop behoedzaam door de dikke sneeuw. Het is pas half drie, maar ik heb het idee dat het al begint te schemeren. Hoe kort moeten de dagen hier toen in de winter niet zijn geweest? Een laaghangende tak ontwijkend loop ik in de richting waar ik denk dat het moet zijn. Intuïtief draai ik mijn gezicht opzij. Het laatste wat ik wil, is een tak tegen m’n koude wangen en neus krijgen. Als ik de tak rustig over m’n schouder weg laat schieten, zie ik plots het smalle paadje dat tussen de bomen door bij me vandaan loopt. Mijn adem stokt, terwijl mijn hart een sprongetje maakt. De kou lijkt plots verdwenen. De combinatie van spanning en opgewondenheid doet al het andere vergeten. Voorzichtig loop ik vooruit. Ik wring me tussen takken door. Ook de boomstronken op dit paadje zijn bedekt met een laagje sneeuw. Dit maakt hen moeilijk zichtbaar. Mijn schoen schiet tot twee keer toe weg. Ik bemerk het nauwelijks.  Het paadje voor me kronkelt een stukje omhoog. Een meter, hooguit. Op dit verhoginkje staat een boom. Ik vervolg mijn weg hier naar toe. Een paar tellen later grijp ik me vast aan de stam. Vanaf de verhoging kijk ik een kuil in. Aan de rand van de kuil ligt er één. Het is geen originele meer. Deze zijn immers vernietigd. Maar toch. Ik loop er naartoe, de omvang en bouw in me opnemend. Als ik er voor sta, zie ik op het laagste punt een donkere ingang. Ik kruip er in. Dan ben ik binnen. De inzettende schemer van buiten is hier maar een heel klein beetje zichtbaar. Verder is het donker. Ook is het hier minder koud. Ik adem in en ruik hoe een muffe lucht van bladeren en grond mijn neus vult. Het geeft me, vreemd genoeg, een vertrouwd gevoel. Hier hebben ze dus gezeten. In deze en acht andere hutten. Hier, in de bossen, hebben bijna honderd onderduikers zich ruim anderhalf jaar verscholen gehouden. Hoofdzakelijk Joden, maar ook Britse en Amerikaanse piloten. Een Rus ook, zo gaat het verhaal. De oude heer had het me die middag allemaal verteld. Hij had me gevraagd of ik het Verscholen Dorp al had bezocht. Toen ik ontkennend had geantwoord, was hij zijn verhaal begonnen. Over de bezetter die steeds nadrukkelijker aanwezig was geweest. Over hen die hierdoor niet meer vrijelijk konden leven. Over hen die geholpen hadden met het bouwen van hutten,  en over hen die de bewoners hiervan hadden voorzien in de eerste levensbehoeften. Ik had aan zijn lippen gehangen. Een zenuwachtige nieuwsgierigheid had zich van mij meester gemaakt. Snel daarna was ik op de fiets gesprongen, op zoek naar de restanten van het verscholen dorp.  Hoe moet het leven hier zijn geweest? Totale afzondering. IJzige koude. Doodse stilte. Continu angst. Was men blij geweest? Blij dat men hier, weg van de bezetter, had kunnen wonen? Of had angst geregeerd? Hoe waren de verhoudingen tussen de bewoners? Was het gezellig? Werd er gelachen? Was er ruimte voor romantiek en liefde? Of werd er vooral gewacht op het onherroepelijke betrapt worden? De heer had me verteld dat dit na 18 maanden was gebeurd. Twee soldaten waren op een jongen gestuit die hout aan het hakken was. Hij had hen verteld over het verscholen dorp. De soldaten waren versterking gaan halen, waardoor de bewoners tijd hadden gehad de bossen in te vluchten. Een aantal werd alsnog gepakt om op de meest definitieve manier gestraft te worden. De rest was ontkomen, in ieder geval op dat moment.  Hoe moet het leven hier zijn geweest, midden in de soms ijskoude en soms snikhete bossen? Wie hadden hier gewoond, en hoe gingen ze met elkaar om? Wie waren er gevlucht, en welke kant op? Hadden zij die bij elkaar hoorden, elkaar weer gevonden?  Wie werden er voor eeuwig van elkaar gescheiden? De vragen blijven door m’n hoofd spoken. Ik hoor buiten de stilte, en laat me achterover op de grond zakken. Deze plek met haar geschiedenis overweldigt me. Ik blijf lange tijd zitten, me afvragend wat zich hier allemaal heeft voltrokken. Pas als het al lange tijd donker is, verlaat ik het verscholen dorp en zet ik koers naar m’n hotel. Deze tekst is gebruikt als inzending voor een verhalenwedstrijd van het voormalige Monuments of Life. Op basis van een publieksbeoordeling is deze tekst als winnende beoordeeld, waarna pubicatie in de verhalenbundel ' Monuments of Life vol. 2' heeft plaatsgevonden.

Quirijn Teunissen
5 1

Reinhoudt

Ik ben hier al vaak geweest, en toch ziet de statige gevel er nog altijd donker en dreigend uit. De makelaar is al tien minuten te laat en mijn het zonlicht prikt fel in mijn ogen. Dat laatste wijntje gisteravond was duidelijk te veel. Hoe graag wil je het pand verkopen als je er zelfs niet in slaagt op tijd te komen? Ik laat mijn blik terug over de gevel gaan, het woord ‘monumentaal’ komt automatisch bij me op. De rozige glas-in-lood ruitjes zijn zo vuil dat je er bijna niet meer door kan kijken. Ik kan me nog levendig voorstellen hoe ik vroeger kerst vierde aan de andere kant van het raam. Grootmoeder toverde er elk jaar opnieuw in om een gigantische kerstkalkoen met truffelvulling op de tafel. Als kind keek ik met een mengeling van bewondering en afschuw toe terwijl ze tijdens het koken haar arm tot bijna aan de elleboog in het achterste van de vogel liet glijden om hem te vullen. Ik kreeg dat beeld maar niet uit mijn hoofd, ook niet wanneer ze het intussen krokant gebruinde gevogelte enkele uren later op de overdadig gevulde kerst tafel zette. Ik durf haar nog steeds niet te vertellen dat ik vegetariër ben geworden. ‘Excuseer voor de vertraging, ik vond nogal moeilijk parkeerplaats in deze buurt.’ Een man met warrig haar en een stoppelbaard steekt zijn hand naar me uit. ‘Ik ben Kevin, de makelaar. Heeft u het makkelijk gevonden?’  Terwijl ik zijn hand schud, valt mijn oog op de rouwranden aan zijn vingernagels. Er zit een vlek op de kraag van zijn iets te strakke hemd. Moest ik echt interesse hebben gehad in het huis, zou dit een afknapper van formaat geweest zijn. ‘Zullen we naar binnen gaan?’ vraagt hij vrolijk.  Ik knik zonder iets te zeggen en volg hem het portaal in. In de hal zie ik meteen de glooiende stenen trapleuning waarvan mijn broer en ik altijd naar beneden gleden. Een seconde lang denk ik aan het litteken op mijn knie dat ik overhield aan die ene keer dat mijn kousenbroek bleef haken.‘Zoals u kan zien mevrouw: een prachtige hal met alle authentieke elementen uit de jaren twintig. De trap is opgetrokken uit massieve kalksteen en de vloertegels zijn ook nog de oorspronkelijke. U voelt in de hal al meteen de klasse die het pand uitstraalt. Een zeer mooie burgerwoning.’ Ik kijk naar de charmante vloertegeltjes  die onder de bruine plekken zitten of gebarsten zijn. De stenen trap en de majestueuze luster aan het plafond vullen de ruimte. Maar de muren, ooit stijlvol wit, zijn in de loop der jaren lelijk vergeeld en staan vol zwarte strepen. De vergane glorie stemt me triest. Ik wil zo snel mogelijk naar de kamer zien waarvoor ik gekomen ben, zodat ik hier weg kan. De makelaar zwijgt even en lacht me hoopvol toe, maar ik weet niet wat te zeggen. Hij knikt en gebaart me hem te volgen naar de woonkamer. Die ziet er nog helemaal uit zoals ik me ze herinner. Ouderwets bloemetjesbehang, een fraaie visgraat parket en grootmoeders robuuste, lange buffetkast van kerselaar tegen de muur. Zou de afstandsbediening van de tv nog altijd in het bovenste schuifje liggen? De eiken planken kraken theatraal onder mijn voetstappen. Het ontroert me. In gedachten zie ik grootmoeder traag naar de eettafel lopen om de schaal violettes te nemen. Ze had er altijd wel eentje in haar mond, op eender welk moment van de dag. In het rusthuis krijgt ze er geen meer, de verpleging zegt dat ze aan haar suiker moet denken. Aan het raam staat nog steeds het ziekenhuisbed waarin ze de laatste jaren sliep. Het doet me denken aan een artikel dat ik onlangs las. Blijkbaar worden rolstoelen en ziekenhuisbedden vaak als verkooptruc gebruikt in de immosector. Maar ik heb dit huis nooit zonder het bed geweten. De ruimte is donker en muf, maar groter en plechtiger dan ik me herinner. Ik kijk naar de ornamenten aan de lambriseringen die het hoge plafond omranden. Het moet zeker twintig jaar geleden zijn dat ik hier nog ben geweest. ‘Dit is de ideale ruimte om mensen te ontvangen, vind u niet? Mooie houten vloeren, hoge plafonds, originele glas-in-lood ramen. U hoeft eigenlijk alleen te schilderen om de kamer een modernere toets te geven.’ Dan aarzelt hij even. ‘Zoals ik u aan de telefoon al zei is er ook nog een deel dat aan vernieuwing toe is. Dat laat ik u nu zien. Hier moeten nog wat kleine renovatiewerken uitgevoerd worden, maar dat heeft dan wel weer als voordeel dat u dat volledig naar uw eigen wensen kan doen.’  We komen aan in wat ooit grootmoeders imposante keuken was. Tot mijn ontsteltenis staat er alleen nog een oud, gietijzeren fornuis. De blauw betegelde vloer plakt. Uit het plafond komt een oude, gesmolten elektriciteitskabel. De muur eronder is zwartgeblakerd. Ik begrijp niet dat dit pand zo te koop wordt gesteld, van deze keuken neemt elke potentiële koper meteen de benen. Het is niet te geloven dat het huis tot voor kort nog bewoond werd. ‘De elektriciteit werd volledig afgekeurd, deze kabels dateren nog uit de jaren zeventig. Zoals u ziet is er eens een kortsluiting geweest. Wat er juist allemaal moet gebeuren, weet ik niet vanbuiten. Dat staat op het keuringsverslag. Misschien is het wel opgelost met wat kleine ingreepjes.’ zegt hij op nonchalante toon.  Ik laat mijn wijsvinger kraken en klem mijn kaken op elkaar. Het is wel duidelijk dat hier meer nodig is dan enkele kleine ingreepjes.  ‘En u kan zelf een keuken naar keuze laten installeren. Tegenwoordig kost dat niet zoveel geld meer.’  Ik draai mijn rug naar hem toe en kijk naar het plafond.  ‘Persoonlijk,’ gaat hij in een adem verder, ‘zou ik de muur tussen de keuken en de woonkamer eruit halen en een grote, moderne leefkeuken laten plaatsen. Zoals u ziet zijn de mogelijkheden eindeloos.’ Hij krabt in zijn warrige haren en zorgt daarmee voor een spoor van witte huidschilfers die op zijn schouders neer dwarrelen.  Ik kan me niet voorstellen dat mijn kokette grootmoeder, die op regelmatige tijdstippen drukte op het feit dat ze uit een familie van aristocraten afkomstig was, in deze omstandigheden heeft geleefd. Ik moet hier zo snel mogelijk terug buiten. Zo gauw ik oom Reinhoudt’s kamer heb gezien, ben ik hier weg. De makelaar moet mijn ontsteltenis hebben gezien, hij lacht zenuwachtig.  ‘Zoals u ziet was hier al enige tijd niemand meer geweest. De eigenares van het pand was niet goed te been en verbleef uitsluitend in de voorkamer.’  Arme grootmoeder. Waarom heb ik nooit iets gedaan? Ik probeer mijn neus zo onopvallend mogelijk dicht te knijpen kijk even kort rond om interesse te veinzen. Naarmate het einde van de rondleiding nadert, voel ik zenuwen opkomen. Ik kan niet verklaren waarom ik zo graag de kamer van mijn dode oom wil zien. Ik weet niet wat ik juist verwacht of wat ik hoop te vinden, maar het is mijn enige kans om uit te zoeken wat er allemaal gaande is in mijn familie. Ik wil weten wat voor man oom Reinhoudt was en waarom mijn moeder rode vlekken in haar nek krijgt wanneer zijn naam wordt genoemd. Want hoewel ik hem al twintig jaar niet meer gezien heb, krijg ik zijn beeld maar niet uit mijn hoofd. Die glanzende donkere ogen en de wilde baard. De donkere pijp in zijn rechtermondhoek, de bril met de vettige glazen die altijd een beetje scheef op zijn neus stond. Zijn luide ademhalen, zijn trillende handen en zijn verlegen glimlach. Het dunne lijntje speeksel op zijn kin als hij ons moeizaam dag zei. Als kind begreep ik niet waarom hij zo stotterde, ik heb lang gedacht dat hij het voor de grap deed. Van de hele familie had ik hem het allerliefst. De laatste keer dat ik hem zag, was net na mijn zesde verjaardag. Ik mocht mee naar zijn collectie miniatuurtreintjes op zolder komen kijken. Het was indrukwekkend. Met de grootste precisie had hij een landschap met treinsporen, een station, een slagboom en stopborden na gemaakt. Net echt. Hij had er speciaal stukjes mos voor uit Noorwegen laten komen, vertelde hij. Ik weet nog steeds niet wat er juist gebeurd is, maar op een bepaald moment bleef hij op zijn kamer zitten wanneer we op bezoek kwamen bij grootmoeder. Een geschil met mijn moeder, blijkbaar. Grootmoeder zei dat het wel zou overwaaien. Dat deed het niet. Dat jaar met kerst bracht zij een bord met eten naar zijn kamer. Ik weet nog goed hoe boos mama werd toen ik vroeg waarom hij niet meevierde. Dat ik een lastig kind was, had ze gezegd, en dat ik niet altijd overal mijn neus in moest steken. Papa zei dat hij een vreemde man was en dat we niet op hem moesten letten. Dat hij liever aan zijn miniatuurtreintjes werkte dan ons te zien. Sindsdien heb ik nooit meer een vraag over oom Reinhoudt durven stellen. ‘Er is nog een laatste kamer, maar die kan ik u helaas niet laten zien, mevrouw.’ zegt de makelaar zacht zacht. Hij lijkt onzeker. ‘Zoals ik u vertelde aan de telefoon woonde de volwassen zoon van de eigenares in deze kamer. Toen hij onlangs kwam te overlijden is zijn moeder meteen in een home geplaatst, waardoor er een aantal praktische zaken nog niet in orde zijn gebracht. De kamer is verzegeld door de politie, het onderzoek is nog maar een paar dagen geleden afgerond.’ Ik knik langzaam. De kamer van oom Reinhoudt. De reden waarom ik hier ben. ‘Ik begrijp dat het moeilijk ligt meneer, maar ik zou de kamer toch graag zien. Ik moet een inschatting kunnen maken van welke werken er nodig zijn, en hoeveel dat zal kosten.’Kevin de makelaar glimlacht, hij had deze vraag duidelijk verwacht. ‘Ik begrijp dat kandidaat-kopers alle ruimtes in dit pand willen gezien hebben, maar dat is in dit geval helaas niet mogelijk. De kamer is qua grootte en indeling zeer vergelijkbaar met degene die op het eerste verdiep. En ik kan u verzekeren dat de nodige werkzaamheden ook in lijn liggen met de rest van de woning.’ ‘Kunt u echt geen uitzondering maken? Ik kan best tegen een stootje. Bovendien had u me gewaarschuwd aan de telefoon. Die ruimte bepaalt immers hoeveel mijn potentiële bod op deze woning bedraagt. Ik ben erg geïnteresseerd.’ Bingo. Als hij het pand ooit echt verkocht krijgt, hoop ik dat hij zijn commissie aan een manicure en een kappersbeurt uitgeeft. Hij haalt diep adem en recht zijn rug.  ‘Misschien kunnen we al een tweede bezoek vastleggen, wanneer de kamer is schoongemaakt. Dan heeft u de tijd gehad om even na te denken.’ ‘Dat ligt moeilijk, meneer. Mijn huidige huurwoning is verkocht, ik word er weldra uitgezet. Ik heb dus geen tijd te verliezen, ik moet zo snel mogelijk een nieuwe woning vinden.’ ‘Goed dan. Normaal gezien organiseren we enkel bezoeken wanneer het pand schoon is gemaakt, maar in dit geval moest het snel gaan omwille de kosten van de home.’ Hij aarzelt even. ‘Ik moet u wel waarschuwen, mevrouw. Wat zich achter deze deur bevindt, is gerust schokkend te noemen. Ik reken op uw discretie, ik doorbreek hiermee mijn belofte aan de eigenares van de woning.’ Mijn hart maakt een sprongetje. Hij duwt de deur open en neemt een stap opzij, zodat ik binnen kan gaan.  Aan weerszijden van de muur hangen politielinten. De makelaar heeft niet gelogen, de kamer is effectief verzegeld. Een warme walm van vocht en onhoudbare stank slaat me in het gezicht. Het lijkt alsof ik elk moment op zijn ongekoelde lichaam kan stuiten. De soep van deze middag baant  zich langs mijn slokdarm terug een weg naar boven. Ik kan maar net op tijd slikken. Op de muren staan in verschillende kleuren onverstaanbare boodschappen en formules gekrabbeld. Overal staan bruine handafdrukken, ik kan niet uitmaken of het in bloed of in kak is. Ik krijg het plots ijskoud. De vlekkerige parket is omgeven van de omver gevallen stapels kranten. In een hoek van de kamer ligt een berg kleren, tot ongeveer een meter hoog. De waanzinnige stank nestelt zich in mijn neusgaten. Ik heb altijd een hekel gehad aan horrorfilms over huizen. Die typische films waarin een gezin een oud huis koopt en af te rekenen krijgt met de boze geest van de vorige bewoner die er zelfmoord pleegde en daarom niet naar het hiernamaals kan. Ik het gevoel dat ik middenin zo’n film zit. Ik hoopte op een aanwijzing, maar de aanblik van deze kamer schept alleen verwarring.  ‘U ziet het: ook hier is een grondige make-over nodig. Al ziet het er erger uit dan het is. Structureel gezien is deze kamer helemaal in orde, hoor. Alleen de muren en de vloer moeten stevig aangepakt worden.’ Ik knik en richt mijn blik naar het plafond, hopend op een rustpunt in deze allesovertreffende chaos. Maar ook dat staat vol bruine handafdrukken, geen idee hoe hij daar is geraakt.  ‘Oké.’ zeg ik aarzelend. ‘U had me gewaarschuwd.’ ‘Laat u niet ontmoedigen door deze kamer, mevrouw. Na wat klus- en schilderwerk zal het er hier weer prachtig uitzien. U moet eens kijken naar de lambrisering en naar die prachtige rozetten op het plafond. Die zijn allemaal perfect te redden.’ Ik probeer enkele boodschappen op de muur te lezen, maar het kronkelige handschrift is op enkele a’s na onleesbaar. Daarom wilde moeder dus niet dat ik naar het huis zou komen kijken. Die ‘slepende ziekte’ waaraan oom Reinhoudt zogezegd is gestorven, staat letterlijk over de muren uitgesmeerd. Daarom die  vreselijke en onpersoonlijke begrafenis.  ‘Wat is hier eigenlijk gebeurd?’ Ik werp een blik in de stoffige spiegel die op de grond staat. Knokig en bleek, kleine, afhangende borsten, grote oren. En een kille, eenzame blik. ‘De man die hier woonde leed aan een bijzondere vorm van schizofrenie. Daarom woonde hij bij zijn moeder, hij kon niet zelfstandig functioneren. Toen ze te oud werd om voor hem te blijven zorgen, is het fout gegaan.’  ‘Wat vreselijk.’ Ik mompel het eerder tegen mezelf dan tegen de makelaar. Een lullige opmerking, maar ik weet niet wat ik anders zou moeten zeggen. De makelaar vervolgt op vrolijke toon dat dit renovatieproject erg interessant is. Hij vertelt iets over zes procent BTW en over renovatiepremies, maar ik hoor amper wat hij zegt. Ik moet naar buiten.

Annelies Leysen
30 0

Nooit meer winter

Nooit meer winter   Sommige verhalen gaan over families, tragedies, verloren huisdieren of zelfs verdwaalde weduwen die zichzelf prostitueren, meestal uit noodzaak, eerzucht of gewoon uit een vorm van rouwproces.  Andere verhalen gaan over vrouwen. Hoe ze met hun wijsvinger silhouetten tekenen op naakte, bronstige mannenruggen. Schilderend vissen naar complimenten. Want zo zijn vrouwen op hun best; zoekend naar bevestiging. Dit verhaal gaat over een speciale vorm van een vrouw, een moeder. Mijn moeder. Mijn kind.   Ik droeg mijn moeder vaak onder de arm. Beschermend, verwarmd. Alsof de wereld, onze wereld, omgekeerd was. Niet speciaal omgekeerd, maar gewoon omgekeerd. Sinds enkele maanden was zij meer een dochter dan een moeder voor mij. Een taak die ik trouwens beter deed dan het dochterzijn. Onze reis ging van start in een afgedankte auto die we onderweg hadden onderschept door onze retorische welsprekendheid. Moeder vertelde mij over de schoonheid en hoe deze zich manifesteert in het behang van ons dagelijks leven. ‘Er zijn slechts weinig dingen mooier dan een zachte nocturne van Chopin’, begon ze vroeger altijd haar pleidooi. ‘Misschien woorden of misschien een zucht gevuld met geluk. Misschien is het wel de maan. Hoe die de natuurlijke schoonheid weerspiegelt. Met haar onbewoonde kraters en haar ongenaakbaarheid’. ‘Is dat niet schoonheid?’ vroeg ze mij telkens serieus. ‘Onbewoond en ongenaakbaar?’ Ze meende elk woord. Alsof ze het citeerde uit een beschermd, fragiel papyrusrolletje dat in een gekoelde kelder bewaard wordt. Ik begreep haar niet. Maar haar stem deed mij rustig worden. En in alle rust zit waarheid. ‘Die schoonheid wil ik aaien, vangen en tegen mijn warme borst drukken, om het zo te laten inslapen op het ritme van mijn onbevangen hart. Schoonheid moet je al wiegend omarmen’, sloot ze met een klein knipoogje af. Wat was ze onbegrijpelijk mooi. Alle moeders zijn mooi. Maar de mijne was mooier. Eigen moeder, schone moeder. Het was ons eerste uitje en wellicht ook ons laatste. Hoewel we dat nooit zeker weten. Maar slechts één goede reis is genoeg, meer dan genoeg. Moeder liet mij een plaats in de auto kiezen. Ze sprak niet en bewoog enkel als mijn schaduw bewoog. Zo zijn moeders, ze gaan mee met je schaduw. Het weer in de ochtend was minder mooi dan verwacht. De voorspellingen waren incorrect. Ik stuurde hiervoor een mail, enkele dagen later, met als onderwerp ‘Fake news’, als klacht tegen de onjuistheid. Ik zou het in mijn slotrede ook hebben over ‘incompetent’, maar dat wist ik nu nog niet.   De hemel leek donker. Soms droeg het zware, bruine wenkbrauwen. Waarmee het dan fronsend naar beneden keek. Alsof het een eeuwige twijfelaar was. Net zoals mijn moeder ook was: een eeuwige twijfelaar. Behalve nu. Nu vluchtte ze weg van de twijfel. Wij samen. Zij op mijn schoot, als in een omgekeerd verhaal. We werden overvallen door een uitzonderlijk nu. Ik legde mijn hand op haar alsof ik haar zonovergoten, zwarte schouders aanraakte. Ze blonken. Baren onduidelijke schaduwen, silhouetten van onmetelijke symbolen. Schuins over de parking stond een huis waarnaast een gigantische boom rustte. De kruin kwam enkele meters boven het dak van het huis uit. Het creëerde een grote, zwarte ufo die zich langzaam verschoof van de voortuin naar de straat. Wanneer de zomer zorgde voor enkele extra uren zonlicht kon je een prachtig fenomeen zien. De horizonlijn die het dak van het huis met de lucht afscheidt, vormt een sluimerend daglicht. Alsof het met een droge kwast gemanipuleerd werd. Als een verwend kind dat niet naar bed wil. Worstelend naar uitstel vecht het tegen de donkere, kille zucht die reeds op het oppervlakte het leven domineert. De zucht van de duisternis was genadeloos. Moeder werd vager. Op de tast voelde ik of ze nog aanwezig was. Ze was voor mij perfect zwart. Net mooi zwart genoeg. Je kon ook overdreven zwart zijn. De naakte duisternis danste een charmante wals doorheen de verlaten straten. De dood beseffen start in de ogen. Een verdwaalde zekerheid die leunt op het besef van vergankelijkheid. Sterven kan je samen, doodgaan niet. Deze zekerheid was onvoorwaardelijk. Moeders ruiken naar onvoorwaardelijkheid. Ze dragen een onvermoeibare vorm van zorg en rust. Iedereen sterft. Behalve moeders misschien. Die blijven bestaan.

Niels Lievens
47 0

Wat zou ik doen als ik maar 24u te leven zou hebben?

Dan zou ik voor zonsopgang, rond vijf uur, opstaan om een ritje te paard te maken. Daarna zou ik om 9 uur ontbijten samen met mijn beste vriendinnen in een weide vol zonovergoten bloemen en paarden. Om 11u nodig ik al mijn familieleden en vrienden uit om een feest te vieren. We gaan eerst in een wildwaterpretpark zwemmen, om daarna met een ijsje, popcorn en heel veel andere snacks een fimmarathon van 2 uur te houden. Om 16 uur besluiten we om het eten te bereiden en om 17 uur zitten we in de woonkamer te 'picknicken' en met elkaar herinneringen op te halen over hoe het vroeger was. Dan is het al 19 uur en ruimen we alles op, verplaatsen we de meubels en leggen we matrassen op de grond van de woonkamer. Eerst zetten we mijn playlists 1 voor 1 op en luisteren we daarnaar terwijl we ons omkleden. We dragen allemaal verschillende onesies en dus maken we gekke groepsfoto's die we allemaal op onze sociale media plaatsen. #selfietimeee Om half 21 dimmen we de lichten en beslissen we welke series en films we op Netflix gaan bekijken. Om 21 uur worden er nog cadeau's afgegeven aan elkaar en beginnen we aan de marathon met chips, drank, snoep, chocolade, etc. Iedereen gaat om 2 uur slapen, behalve mijn ouders, beste vriendin, lief en ik. Wij gaan naar buiten, waar ik op een paard stap en afscheid neem van hen. Om 3 uur vertrek ik met mijn paard op wandel, als een soort afscheidswandeling. Om 4 uur 30 passeer ik nog eens langs huis, waar ik voor de laaste keer afscheid neem van iedereen en dan vertrek ik met mama op wandel naar een heuvel, dicht bij ons huis, waar ik haar voor de laatste keer mijn verontschuldigingen maak voor het feit dat ik me zo ergerde aan haar, vroeger. Ik kijk om me heen, vervolgens in haar ogen en fluister, "I love you infinity, mama." Dan sluit ik mijn ogen en neem nog een paar laatste ademteugen voordat ik sterf, in haar armen.

Bordeauxx
20 0

writersblock

'Wanneer ga je die bult onder het behang weghalen Françoise? Het is echt geen zicht!' 'Ma, toe jong, ga je daar nu weer over beginnen? Je weet dat ik hem graag zie!' 'Maar Françoise toch! Die vent van jou is echt onmogelijk! Hoelang is dat nu al? Is dat geen week of drie geleden dat hij jou vroeg om hem onder het behang te plakken? En gij leent U daar toe! Dwaas trien van een dochter...zoiets!' 'Het is een fase of zoiets. Hij is echt vastbesloten. Hij komt er weer vanonder als hij uit zijn writersblock is zegt hij.' 'Praat hij dan nog met jou? Dan?' 'Wel, iedere keer ik aan het eten van de kinderen begin, hoor ik een licht kreunen en dan vraagt hij mij om elders te koken. De rest van de dag hoor ik hem nauwelijks!' 'Hoe is het mogelijk! Elders gaan koken! Stuk pretentie...onnozel schrijverke! Hij zou beter een beetje gaan werken! Dat zou ik nog wel eens...' 'Hij heeft verschrikkelijke honger zegt hij...' 'Ongelooflijk! En jij laat dat allemaal toe! En hoe zit het dan met je seksleven?' 'Tja, dat moet je er bij pakken natuurlijk. Ik moet zeggen dat het me eigenlijk wel opwindt. Hij is eigenlijk in een soort van constant gesteven toestand, bij wijze van spreken!' 'Daar ben je vet mee!' 'Is het daar haast gedaan, stukske schoonmoeder van mij, met de nadruk op schoon!' 'He Manuel, levend en wel, zo te horen!' ' Dat is het minste wat ik van jou kan zeggen! Weer aan het stoken? Het mag al beginnen gaan of moet ik vanonder mijn papier komen misschien?' 'Rustig vent! Rustig! Ik kom Françoise steunen in haar ellende! Je weet toch hoe behoeftig ze is! Straks moet ze een minnaar nemen, weet je wel!' 'That's it! Ik geef er de brui aan! Wat kan mij de verheven poezie schelen! Ik kan hier toch nooit in stilte werken!'   Ripppppp....boenkkkkk   Kreunnnn  

Manuel Van den Fonteyne
2 0

Het nest.

De onderbuur plaatste een vogelhuisje. Het zou nooit naar beneden tuimelen, daar liet het kordate optreden van de klopboor geen twijfel over bestaan. De muren van de stadstuin maakten er een supersonisch gesnerp van. Wij hadden alles uit onze handen laten vallen en ons naar het raam gerept. Eindelijk gebeurde er weer iets tijdens onze afzondering. Van op de tweede verdieping volgden wij benieuwd de werkzaamheden. De ladder wiebelde op het milimetergazon tussen hortensiabloemen in de maak.            “Het wordt een dorp.” gniffelde opa. ”Dit is nummer vijf.” Wij wisten hoeveel nestkasjes er ondertussen hingen, maar voor de zekerheid telde Ellie ze nog eens na.             “Och here toch…”blies pa. “Precies een Centerparcs. Daar trappen de mezen niet in. Daarbij: zij hangen verkeerd. Te laag en in de schaduw. Met al die hoge bomen aan de overkant.”             De boor hield even haar bek.             “Sshhttt!” beval ma. “Kom! Maak dat hij ons niet ziet. Geen ruzie met die rotvent.” Aan de zijkant van het gordijn trok zij Ellie naar zich toe. Maar dat belette opa, pa en mij niet om verder te gapen naar de kleine bungalows die plik plok aan de muur hingen. Chalets zonder Alpen.             “Toch mooi hout. En die koperen daken, heel chic.” vond ik.             “Oh ja?” pufte pa. “Er komt wel geen vogel op af.”             Ma haastte zich de kamer in en duwde de transistor aan. Zij werd er zenuwachtig van.             “Het is al goed.” klaagde zij en draaide de volumeknop fors open. “Non… rien de rien. Je ne regrette rien.” Een aftands nummertje dat zij in jaren niet meer had gehoord. Ma verstond geen Frans, maar dit wel. Zij neuriede enkele woorden mee en kwam weer tot bij de anderen. “Zie ons hier staan.” foeterde zij. “Een mooi gezinsportret, zo van beneden gezien.”             Ellie telde nog eens. “Eéntje voor elk van ons.” besloot zij ernstig. “Ik zie mij daar al hangen.” grapte opa. “Dan nog liever hier binnen. Zo opeengepakt.”             Ik keek naar de open lucht. Uitvliegen, leek mij ook wel wat.                 Het hing. Goed stevig. De man probeerde het uit. Dan verplaatste hij de lichte ladder tot tegen de hoogste boom aan de overkant van het smalle perseel. Hij schoof de aluminiumstaven zo ver mogelijk uit, maar de andere bomen beletten ons te zien wat hij precies uitvoerde. Hij kwam nog even te voorschijn om op het gazon een zaag te halen.             “Zie je wel!”zei pa. “Zoals ik zei. Teveel schaduw. Hopelijk gaat hij de boom niet verminken.”             “Sadist.” zei ma tussen haar tanden. “Ik kan die vent niet uitstaan. Nooit een goeiendag, zelfs geen glimlach. En hoe hij naar je kijkt. Geen wonder dat hij geen vogels aantrekt.”             “Wat wil je.” zei pa. “Een eenzaat.”             Ergens in het midden van de ladder hield de man halt. De bladeren ritselden vervaarlijk. Dan spurtte hij naar boven. Wij begrepen niet wat hem bezielde. Hij morrelde in de groene kruin. Deed de hoogste takken wild wuiven en dan hoorden wij de zaag naar beneden kletteren, ontwaarden een uitgestrekte arm, een bruuske beweging, een voet die de lucht in veerde en het geflits van zonlicht op de metalen staven.                           De week nadien mochten wij terug naar school. Ellie vond dat maar niets. Ik had er wel zin in. Als ik thuiskwam  keek ik of er koolmeesjes op bezoek kwamen. Maar niets. Pa had gelijk. Het bleef doodstil. Er was teveel schaduw.

Dorlan Slefficsroth
25 0

De duivenbende

Het is maandag. De lucht is grijs en voelt kil aan. Het is buitengewoon stil wanneer de roltrap me op het plein Zwarte Vijvers in Molenbeek duwt. Er komt me geen geur van warme broodjes of look tegemoet zoals op andere dagen. En ook de helblauwe lucht en de snijdende winterwind waar ik zo van hou zijn afwezig. Er zit dus niets anders op dan zo snel mogelijk te stappen in plaats van slenterend te genieten. Net als ik wil oversteken valt mijn oog op de stoeprand. Of beter in het keelgat van een duif.Keelgat mag je hier zeer letterlijk nemen. Er liggen drie duiven op de stoeprand met elk een gat in hun keel ter grootte van een klein ei. Vol afschuw draai ik me om en loop door, maar ik krijg het beeld niet van mijn netvlies geveegd. Het doet me denken aan die ochtend dat de buurvrouw me kwam zeggen dat Kurt rost Pietje had dood geschoten. Ik was toen 14 jaar en smoorverliefd op Kurt. De buurvrouw wist dat en toch vertelde ze het zonder veel details en liet me dan achter. De buurvrouw was een opgetutte dame uit Brussel die zo deftig en beheersd was dat ze de jonge liefjes van haar man met een zure glimlach verdroeg. Daar stond ik dan, een verdwaalde tiener, met honderden vragen in mijn hoofd, maar ik kreeg geen geluid meer uit mijn mond. Ik had een hekel aan rost Pietje. Als kind vond hij niets leuker dan mij en mijn vriendinnetje te pesten. Zes jaar lang hebben we dat moeten dulden. Tot hij groot genoeg was om zich met andere dingen bezig te houden. Wapens blijkbaar. Ik kreeg direct een schuldgevoel voor alle vloeken die ik als kind over hem had uitgesproken. Misschien was ik echt een heks en was Pietje door mijn schuld dood? Pas uren later heb ik vernomen dat het niet mijn Kurt was die had geschoten en dat het eigenlijk allemaal een ongeluk was. Ze hadden met oude wapens zitten spelen en een kogel die had vastgezeten was los gekomen en recht door het achterhoofd van Pietje gegaan. Misschien waren de duiven ook zo aan hun einde gekomen, door een ongeluk, of door rebelstienergedrag? Hadden de jongens hier op het pleintje al spelend naar elkaar geschoten en waren de duiven ertussen beland? Of was er een burenruzie uit de hand gelopen? Of zouden de bewoners hier dagelijks een aantal duiven schieten om dan lekker gaar te stoven? Dan waren hun ogen groter dan hun buik geweest en dat klopt niet met het beeld dat ik de voorbije jaren ontwikkelde over de bewoners hier. Voedsel wordt hier niet verspild, maar met de buren gedeeld. Nee, de duiven lijken brutaler aan hun einde gekomen te zijn, alsof er een gepantserd voertuig met grote pinnen op de bumper gepasseerd is waarop de drie duiven tegelijk vastgepind werden. Dat moet dan wel zelfmoord geweest zijn, of waaghalserij van een paar jonge duiven die elkaar uitdaagden. De man achter het stuur moet van totale schrik de duiven op de stoep gegooid hebben. Het zou ook geen zicht zijn om in een zwarte geblindeerde wagen met drie duiven als trofeeën vooraan je bumper door Molenbeek te rijden. Dan denkt de plaatselijke politie helemaal dat ze in één of andere maffiafilm terecht gekomen zijn en gewoon in het wild mogen schieten. In gedachten verzonken voel ik de kilte niet meer. Aan het groentewinkeltje ruik ik het verse fruit. Een vlucht lichtgrijze duiven maakt een sierlijke beweging over mijn hoofd. Dat waren de mooie duiven die steeds de aandacht trokken door één of andere kunstzinnige dans. Nooit zag je ze bedelen om eten of zenuwachtig rondpikkelen. Ze leken wel uit prinselijke oorden te komen, enkel om wat schoonheid in de stad te brengen, nooit om onze rust te verstoren. Misschien behoorden de drie dode duiven wel tot een onruststokende gangsterbende en werden ze door de duivenpolitie neergekogeld met de lechees van het groentewinkeltje op de hoek? Ze leken wel gangsters nu ik eraan denk. Het waren niet de verzorgde duiven die respectvol uit de weg gingen en hun behoeften aan de muurkant achterlieten. Nee, de duiven op de stoeprand waren van de vuile bende, die hun groenwitte slijmerige behoeften over het hele plein lieten vallen, zodat je bij regenweer gegarandeerd op je bek ging als je de metro uitkwam. En dan weet ik het plots... De drie duiven stonden wellicht heel hard te lachen wanneer er weer een oudje tegen de grond ging. En deze keer was het oudje in totale woede met zijn wandelstok de duiven te lijf gegaan. Zo is het vast gegaan. En niemand durft de duiven nu weghalen uit respect voor dat oudje. Ik ril nog even en dan verdwijnt de dode duivenbende samen met wijlen rost Pietje voor altijd ergens in mijn achterhoofd.

Fien SB
77 1

De Kale Realiteit

Zittend achter z’n bureau zat Richard weer over haar te denken. Het was vandaag 2 jaar geleden dat hij haar gesproken had. Ik ga d’r weer bellen, dacht hij. Vanavond is het weer tijd. Hij keek rond op z’n bureau. Zeven, acht, negen lege flesjes. Dat was meer dan de afgesproken twee biertjes. Afgesproken met zichzelf wel te verstaan. Eigenlijk was de afspraak om helemaal niet meer te drinken, maar dat is even anders gelopen.   Zijn verlangen om haar te spreken steeg met elke nieuwe slok. Hij weet stiekem  dat het geen goed idee is. Ze gaat het niet waarderen. Er is een reden dat zij niet zelf al contact heeft gezocht. Zou ze al een ander hebben, vraagt Richard zich af. ‘Al’, want het is pas tweeënhalf jaar uit. Een half jaar daarna had Richard toch dronken opgebeld. Ze had hem duidelijk gemaakt dat die dat niet nog is moest doen. Toch dacht hij er elke keer aan als hij had gedronken. Dan pakte hij d’r foto erbij en keek met plezier terug naar die tijd. De enige tijd dat hij ooit gelukkig was, was met haar. Maar wie zegt dat ze het niet zou waarderen, vraagt Richard zich hardop af. Misschien voelt zij wel precies hetzelfde, maar durft ze, net als ik, niet te bellen. Misschien is ze zelf in net zo’n wanhoop om mijn stem te horen als ik de hare. Je kan niet van de ene op de andere dag niets meer geven om iemand waarmee je zoveel moois hebt meegemaakt.   Het is gewoon een ondankbaar stuk stront, denkt Richard. Dat is wat ze is. Een ondankbaar stuk stront. Ik maar betalen, betalen en betalen. En wat kreeg ik ervoor terug? Wat een kutslet. Richard schrikt van zichzelf. Hij zit voorover gebogen boos te staren in het donker met alleen zijn telefoonscherm dat zijn gezicht oplicht. Hij neemt terug wat hij dacht. Hij neetm het terug voor zichzelf. Niemand anders heeft hem gehoord, maar hij wil het toch terugnemen voor zichzelf. Het spijt me lieveling, denkt Richard.Hij neemt nog een laatste slok van zijn biertje, en pakt een nieuwe uit de koelkast die onder zijn bureau staat. Als het biertje open is pak hij een sigaret uit zijn pakje Camel en steekt hem aan met een lucifer. Als de lucifer uitgeblazen is met een flinke adem rook, denkt Richard terug aan het vorige telefoongesprek. Hij probeert het zich goed te herinneren, maar het is alweer twee jaar terug en hij had wel een slokje op. Richard weet nog wel dat hij zich pas de volgende middag kon herinneren dat hij überhaupt gebeld had. Hij zag op z’n telefoon dat hij gebeld had en toen kwam het weer terug. Nooit had hij zoveel schaamte gekend als dat moment. Hij kon zich alleen nog haar boze stem herinneren en zijn lichte gejank. Gesmeek, dat was er ook nog. Waarom precies, wist Richard niet meer, maar hij had wel een goed idee waar het om ging.   Nu hij terugdenkt aan die nare herinnering beseft hij toch dat het inderdaad geen goed idee is om te gaan bellen. Alhoewel, denkt hij, dat is twee jaar geleden. Wat nou als ze intussen heeft ingezien dat ze nooit zo gelukkig was als met hem? Wat nou als ze snakt dat telefoontje van hem? Hij wist dat ze niet alleen maar verliefd is geweest op hem. Ze was knettergek op hem.   Richard is vaker meisjes tegengekomen waar hij gevoelens voor had, maar het was nooit zoals met haar. Hij kon haar misschien een paar uur vergeten, maar daarna vergeleek hij elk meisje met haar en niemand kon evenaren.   Hij drukt z’n sigaret uit en steekt direct een nieuwe op. Hij ziet het armbandje liggen dat ie van haar had gekregen voor z’n verjaardag. Hij pakt het op en doet hem om. Soms vraagt hij zich af waarom het uit is gegaan. Hij heeft er nooit een duidelijk antwoord op gekregen. Het was zondag nog koek en ei. Letterlijk, want ze waren samen gaan lunchen. En maandag was het ineens voorbij. Het was gewoon over. Dat heeft ook niet geholpen met het ‘rouwproces’. Was het maar een rouwproces, denkt Richard. Was ze maar overleden, dan had ik het makkelijker kunnen accepteren. Dan was ze voor altijd de mijne geweest. Dan had hij de rest van z’n leven met haar in gedachte kunnen bestaan. Maar zo is de realiteit niet. De realiteit is dat Richard weer dronken is met z’n telefoon in de hand, niet wetend wat hij moet doen.  Hij is bang dat ie een heel ander meisje aan de telefoon krijgt. Iemand die nooit zou kunnen vallen voor een weirdo als hij. Hoe dat de eerste keer gebeurd is snapt hij nog steeds niet.  Maar het gebeurde wel. Het gebeurde wel en het kan nog een keer gebeuren. Ik moet het erop wagen, denkt Richard. Ik moet het geprobeerd hebben. Als ik nu nog steeds niet over d’r heen ben, gaat het dan nog wel gebeuren? Dan moet ik er alles aan gedaan hebben om haar terug te krijgen. Liever morgen even schamen dan een leven lang spijt, zo redeneert hij. Hij neemt nog een grote slok en drukt z’n sigaret uit. Hij pakt haar nummer erbij en belt.  Hij gaat over, twijfel begint toe te slaan. Wat als ze weer boos wordt?Nog een keer, moet ik niet een keer nuchter bellen? Hij gaat voor de derde keer over, wat ga ik zeggen? Totdat ze opneemt. ‘Waarom bel je mij?’ ‘Waarom nam je op?’

Dirk de Ruyther
0 0

Kwispeltje (Het Grote Bos deel 4)

Er was eens, heel lang geleden, in het Grote Bos, een ontploffing. Alles in een straal van drie kilometer was verwoest. Alles? Neen, een piepklein houten huisje was blijven staan, aan de rand van de perimeter.            Vlak na de ontploffing was het doodstil. Dieren ritselden niet meer in het struikgewas. Er was geen struikgewas meer, en de dieren lagen her en der, uiteengereten. De volwassen beuken, eiken en espen lagen als een grote mikado door elkaar. Daartussen vonden aaseters de afgerukte pootjes, snuitjes, staartjes en buikjes waar de ingewandjes uit puilden. De geur van verbrand vlees vulde de lucht. Het was alsof iemand een enorme vleespastei aan het bereiden was. Geen vogeltje kwetterde nog, morsdood als ze waren, te pletter gestort van de takken van de bomen aan de rand van het bos. Alles was verbrand, weggeblazen, omvergehaald of versplinterd. Wat overbleef van het Grote Bos hield zijn adem in. Plots piepte er iets. Het deurtje van het houten huisje rammelde zachtjes en het huisje zelf kraakte in al zijn voegen. En daar bleef het bij. De nacht viel. De wolven huilden naar de volle maan. Ze cirkelden rond het houten huisje, snuffelden aan het deurtje, probeerden krasselend aan losliggende planken te morrelen, maar raakten niet binnen. Ten langen leste wrong de leider van de roedel zijn snuit door een spleet aan de achterkant. De anderen wachtten in spanning af. Ze hoorden een klap, steen op ijzer. De wolf jankte hevig en de anderen trokken in paniek aan zijn achterpoten. Ze kregen geen beweging in hun leider, terwijl die harder en harder jankte, schreeuwde, huilde, brulde, krijste, loeide, vloekte en tierde. Als de wolven niet zo bezig geweest waren met sleuren, zeulen, trekken, sjorren en beulen, dan hadden ze vast opgemerkt dat hij wat gesmoord klonk. Nu lag de roedel trekkende wolven ineens enkele meters achteruit, met een onthoofd wolvenlijf nog stuiptrekkend in hun poten. Bloed spoot pulserend uit de nek tot tegen het houten huisje en dan steeds minder ver, tot het lijf ophield met kronkelen en al het wolvenbloed op was. Verbouwereerd liet de roedel hun voormalige leider liggen. Ze kwamen nooit meer in de buurt van het houten huisje. De ochtend gloorde. Op andere dagen zou de zon zo mooi tussen de takken door geschenen hebben, maar nu zorgde de warmte er alleen maar voor dat het rottingsproces van de gesneuvelde dieren sneller vooruitging. Het begon steeds erger en erger te stinken aan de rand van het Grote Bos. Eerst deden maden zich tegoed aan de in ontbinding zijnde karkassen, daarna groeven doodgraverkevertjes diep in de zachte weefsels van de kadavers en de gieren scheurden stukjes halfvergaan vlees los om een eindje verder op te schrokken. Tenslotte kwam de hyena, vorig jaar tot president van het Grote Bos gekozen, om zijn voormalige onderdanen finaal achter de kiezen te steken. Met veel smaak kloofde hij de botjes af, hier en daar een made of een kevertje uitspuwend, want die lustte hij niet. De cirkel des levens was rond. Dagen gingen voorbij. Op de bomen verschenen zwammen. De geur van ontbinding werd minder zoet, en neigde meer naar natte dozen. Het huisje bleef dicht. Aan het deurtje werd niet meer gemorreld en het kraakte niet meer, behalve als een zuchtje wind over de vlakte waaide. Toen verscheen de machtigste van alle dieren: Nobel, de leeuw. Hij had het verhaal van de wolven gehoord en wilde er het fijne van weten. Welk monster verborg zich in het enige houten huisje dat de explosie had overleefd? Zou het nog leven? En hoe had het de ontploffing kunnen doorstaan?            Voorzichtig naderde Nobel zigzaggend het piepkleine huisje. Voor elke stap snoof hij even aan de omgewoelde grond. Alles nam hij in uiterste concentratie in zich op. Een zuchtje wind deed het huisje kraken. Nobel keek op en verstijfde. Na enkele seconden die minuten toeschenen, kwam Nobel terug in beweging. Hij snuffelde aan het kiertje onderaan het piepkleine deurtje. Hmm. Wolf. Ja, natuurlijk, dacht Nobel bij zichzelf, die kop. Hij besloot te kloppen. Er gebeurde niets. Net op het moment dat hij nog eens wilde bonzen, verschoof de grendel aan de binnenkant. Nobel deinsde achteruit. De deur piepte langzaam open. Nobel legde zijn oren plat, schudde eens met zijn manen, spande al zijn spieren op en was klaar om de aanval in te zetten. Toen moest hij bulderend lachen. In het deurgat stond een kleine, onschuldige puppy die kwispelde.            “Hallo,” zei de puppy.            Nobel gromde zachtaardig en verbaasd.            “Praat maar, hoor,” zei de puppy. “Ik begrijp je.”            Nobel was nu nog meer verbaasd. “Hoe kan dat nu? Iedereen weet toch dat honden alleen maar kunnen blaffen en niets verstaan van wat andere dieren zeggen? Hoe is het dan mogelijk dat ik jou begrijp en dat jij mij begrijpt?”            “Dat weet ik ook niet. Alleen, voor de explosie blafte ik zoals alle andere honden en kon ik niets van het gekonkelfoes van bijvoorbeeld de gieren verstaan, maar sinds de ontploffing kan ik dat wel.”            “Wel verdraaid.”            “Zeg dat wel. Maar kom toch binnen, eh…”            “Nobel. Nobel is de naam. En ik wil niet onbeleefd zijn, maar je nederige stulpje is me te klein.”            “Oh, natuurlijk, wat dom van me. Ik neem even mijn stoeltje en een tafeltje. Wil je wat drinken?”             “Neen, dank je, eh…”            “Ik heb geen naam gekregen, Nobel, dus kies jij maar.”            “Dank je, Kwispeltje dan, ik heb geen dorst.”            Kwispeltje ging zijn piepkleine huisje binnen en kwam terug met een piepklein tafeltje en de schedel van een wolf met een lange spijker door zijn neus en onderkaak. Hij plaatste het tafeltje voor Nobel en ging zelf op de schedel zitten. De leeuw zakte door het stoeltje, maar zat er niet mee. “Vertel eens, Nobel, wat brengt u hier?”            “Wel, ik had gehoord van de wolf.” Nobels blik gleed naar de schedel onder het zitvlak van Kwispeltje. “En ik wilde wel eens zien wie dat gedaan had. Verder is het je misschien opgevallen dat jouw huisje het enige is wat is blijven staan na de ontploffing en dat jij de enige overlevende bent binnen een straal van drie kilometer.”            “En?” vroeg Kwispeltje.            “Wel,” bromde Nobel, “Hoe moet ik het formuleren? Ik ben de leider van het leger. Een onbekende vijand heeft een onbekend wapen ingezet met nog onbekende gevolgen. We weten dat het alles vernietigt en jouw huisje is dan ook een verrassing. We weten dat het iedereen doodt. Dat jij nog leeft en meer zelfs, dat je kunt praten, is ongelofelijk maar waar. Ik wil weten hoe dat komt.”            “En je denkt dat ik dat weet?” vroeg Kwispeltje ongelovig.            “Nee, maar ik denk wel dat jij de sleutel bent.”            Maarschalk Nobel en Kwispeltje praatten nog een tijdje verder over koetjes en kalfjes en hoe die erbij lagen na de explosie. Sommigen hadden nog gras tussen hun tanden, anderen stierven een pijnlijke dood terwijl ze melk aan het drinken waren. Een koe werd uit elkaar gerukt, net toen ze aan het kalven was, vertelde Nobel met veel smaak. Ze hadden het er ook over dat ze beiden wees waren. Na een twintigtal minuutjes moest Nobel er vandoor, maar hij beloofde de volgende dag terug te komen. Kwispeltje nam afscheid en begon vriendschappelijke gevoelens voor Nobel te koesteren. De volgende dag was Nobel er niet en de dag erna ook niet. Kwispeltje voelde zich verdrietig. Hij miste zijn nieuwe vriend. Op de derde dag kwam Nobel wel, maar hoe zag hij eruit? Ten eerste had hij zeker niet de soepele tred die je met een leeuw associeert. Ten tweede stonden er nog maar enkele plukjes van zijn ooit zo fiere manen op zijn hoofd. Ten derde jankte hij zachtjes en ten vierde had hij zich overal tot bloedens toe gekrabd. Tussen zijn klauwen hing vel en ruw manenhaar en hij deed de moeite niet om het ervan tussen te likken.            Kwispeltje schrok bij de aanblik en dartelde naar Nobel. Net op tijd. Nobel stortte in, nahijgend van de inspanning en het overduidelijke lijden dat hem ten deel viel. Hij kon het evenwel niet laten om met zijn achterpoten te blijven krabben, ook al hingen overal lappen huid en plukken haar los. Zijn hele rug was rauw vlees. Kwispeltje moest huilen.            “Wat is er gebeurd?” vroeg Kwispeltje.            Nobel kon bijna niet meer praten. Hij fluisterde, maar na elk woord was hij buiten adem. Hij was werkelijk aan het eind van zijn Latijn. “Deze.” Pauze. “Plek.” Pauze. “Is.” Gehijg, Nobels tong hing uit zijn muil en hij deed geen moeite ze terug binnen te trekken. “Gevaarlijk.” Langere pauze. “Vlucht.” Pauze.            “Moet ik vluchten? Is het zo gevaarlijk?”            Nobel knikte met moeite. Zijn ogen kreeg hij niet meer open.            “Ben je er zo aan toe omdat je hier drie dagen geleden geweest bent?”            Nobel knikte opnieuw heel zacht, maar wel erg duidelijk. Een traan liep langs zijn neus, naar zijn mondhoek, maar hij likte ze niet meer af.            “Maar hoe komt dat dan? Is het de ontploffing?” Kwispeltje wachtte op een antwoord, maar dat kwam niet meer. Nobel was dood. Kwispeltje ging zitten, legde zijn oortjes droevig plat en zijn grote puppy-ogen vulden zich met tranen. Hij kwispelde voor het eerst sinds hij zich kon herinneren, niet. Zo bleef hij een tijd waken tot het besef kwam dat hij voor Nobel niets meer kon doen en eigenlijk moest vluchten voor het onbekende gevaar. Hij nam zijn knapzak, die rode met witte bollen, en holde het Grote Bos in. Hij liep drie dagen en drie nachten aan een stuk door. Toen botste hij onverhoeds op de schuilplaats van een roedel wolven. Ze lagen kriskras door elkaar heen op de open plek voor hun hol. Het waren de wolven die in zijn huisje wilden inbreken en wiens leider hij had dichtgespijkerd. Zo te ruiken lagen ze hier al een tijdje.             Kwispeltje kwam voorzichtig dichterbij, voor het geval er toch nog eentje zou leven. Met die lepe wolven wist je nooit. Wat hij toen zag, deed hem de haren te berge rijzen. Hun vacht was losgescheurd en hun huid overal opengehaald. De aarde rond de wolven was gedrenkt in hun bloed. Ze hadden zichzelf levend gevild en ze hadden zich doodgekrabd.            Kwispeltje zigzagde tussen de wolvenlijken door. Vlak bij de ingang van het hol lag een hyena. De president, dacht Kwispeltje. Wat deed die hier? Hij tikte met zijn voorpootje tegen het linkeroor van de president. Hij verroerde niet. Toen pas zag hij dat ook hij onder de krabletsels zat en meer nog, hij had zijn eigen buik open geklauwd en daarbij waren al zijn ingewanden naar buiten gekomen. Automutilatie in de ergste graad. De jeuk moet verschrikkelijk geweest zijn, ook in zijn buik. De restanten van de diertjes die hij opgepeuzeld had, waren in de smurrie nog vagelijk herkenbaar.             Kwispeltje wist niet wat hij nu moest doen. Hij was alleen op de wereld. Ouders had hij niet, zijn beste vriend was dood en zelfs zijn vijanden hadden het loodje gelegd. Wat moest hij nu met zijn leven? Het had gewoon geen enkele zin meer. Kwispeltje zocht een touw, vond dat in het hol van de wolven en ging op zoek naar een stevige tak. Hij hing zich op. Zijn laatste gedachten waren voor Nobel. Een traan welde op en biggelde langs zijn neus tot bij zijn mondhoek. Hij likte ze niet op. Na een paar laatste stuiptrekkingen was het over. Kwispeltje bungelde zachtjes aan de tak, enkele blaadjes dwarrelden naar beneden en alles werd doodstil.  Plots zweefde een krom stuk hout door het zwerk en sneed het touw door. Kwispeltje kwam met een kwak op de grond terecht en verzwikte zijn rechtervoorpootje. Het krom stuk hout landde naast hem in het malse gras. Kwispeltje lag enkele ogenblikken roerloos onder de boom vooraleer hij het bewustzijn hervond. De lus rond zijn nek maakte hij reflexmatig met zijn voorpootjes los, hij rochelde een aantal minuten tot zijn strottenhoofd weer een beetje in zijn normale plooi lag en huppelde naar het krom stuk hout. Hij besnuffelde het helemaal, merkte dat er tekeningen in gegroefd waren en dat er iets op geschreven stond. Vreemd genoeg kon hij het lezen: “Als je wilt dat een boemerang bij je terugkomt, gooi hem dan weg.”            Kwispeltje besloot om het te proberen. Met een flinke zwaai smeet hij de boemerang naar de eiken aan de rand van de schuilplaats der wolven. Eerst zwiepte het ding rechtdoor, maar vlak voor de bomen maakte hij een wijde boog en zweefde zo snel als de wind terug in zijn richting. Kwispeltje liep de boemerang tegemoet en hapte hem na drie vierde van zijn vlucht uit de lucht. Dat vond hij een leuk spelletje. Zo leuk, dat hij het nog eens probeerde en nog eens en nog eens. Zo speelde Kwispeltje nog lang en gelukkig, zonder ooit nog de behoefte om zichzelf te verhangen, te voelen. En als er niets onverwachts gebeurd is, dan speelt Kwispeltje dat spelletje daar nu nog.

Wim Dhaese
0 0