Lezen

Tip

Het kappersritueel

“Doe maar hetzelfde als de vorige keer.” Het is altijd de openingszin bij de kapper. Met mijn kapsel ga ik niet te veel avonturen aan. Hij weet hoe het moet. Laat sommige zaken maar onveranderd. Het is zoals de zondagse tomatensoep van moeder. Die mocht ook altijd dezelfde voortreffelijke smaak hebben. Ons gesprek gaat vervolgens over voetbal, werk en de kinderen. Tot er twee jongemannen binnenstappen. Ze gaan een gesprek aan met de tweede kapper, waarbij de twee hun smartphone tonen. Ik zie het in de spiegel voor me. Daar zie ik ook dat mijn kapper zijn hoofd naar het duo draait. Gelukkig staat zijn schaar in de pauzestand. “Het is nooit helemaal hetzelfde”, zegt hij. Hij weet duidelijk waar het over gaat. “Elk hoofd en elk kapsel is anders.” Nu begrijp ik het. De twee heren laten een foto zien en wensen dat hun coiffure dezelfde vorm krijgt. Ze overleggen een moment en vertrekken dan naar buiten. “Sommigen komen hier zelfs met een foto van Brad Pitt”, gaat mijn kapper verder. Ik denk eraan dat ik in mijn jonge jaren ooit hetzelfde deed. Met een foto van een popster uit een jongerenblad. Toen ik thuiskwam leek ik meer op de presentator van het journaal dan op de popster. Plots komen de twee terug binnen. Ze besluiten om er toch voor te gaan. Ik ben benieuwd welke foto ze hebben getoond. Ik gok op een beroemde voetballer. De kapper verwijdert mijn kappersschort, schudt het uit en neemt het borsteltje. Het doet me altijd denken aan de borstel waarmee ik champignons schoonmaak. Hiermee verwijdert hij de resterende haartjes uit mijn nek. “Nog wat gel?”, vraagt hij. “Zeker, dat mag”, zeg ik. Ook die zinnen maken deel uit van het kappersritueel. “Is het goed zo?”, vraag hij tenslotte. “Helemaal Brad Pitt”, lach ik.  

Rudi Lavreysen
134 1

Verder kijken dan je neus lang is...

“Hé! Ik heb helemaal niet zo’n lange neus als die van jou... Langneus!” hoor ik een jongensstem zeggen. Het geluid in de klas verstomt – gelach en geneurie maakt plaats voor een allesomhelzende stilte. Ik kijk om, en zie een leraar boven een jongen van om en bij de dertien jaar uittoornen.   Het is best een komisch zicht als je dit van op een afstand aanschouwt, moet ik toegeven...      Aan de ene kant de leraar: Voorovergebogen naar de veel-te-kleine-jongen toe, de handen s“Hé! Ik heb helemaal niet zo’n lange neus als die van jou... Langneus!” hoor ik een jongensstem zeggen. Het geluid in de klas verstomt – gelach en geneurie maakt plaats voor een allesomhelzende stilte. Ik kijk om, en zie een leraar boven een jongeteunend aan weerskanten van het éénpersoonsbankje, het gezicht rood aangelopen, de adem die keer op keer stokt wanneer hij van in- naar uitademen overgaat, zich klaarmakend om een waterval van woorden op de wereld los te laten. Woorden, die méér zullen betekenen dan waarvoor ze eigenlijk bedoeld zijn, woorden die diepere littekens zullen nalaten dan één van hen voor ogen had.      Aan de andere kant, de jongen die zich van geen kwaad bewust was bij het spreken van bovenstaande woorden, en daarom in plaats van weg te duiken in zijn stoel zijn rug volledig recht, ja, zelfs richting leraar gaat met zijn bovenlichaam en zo een – volgens de leraar – “veel-te-uitdagende-houding” aanneemt.   UITDAGENDE HOUDING?! What’s in a name?! De Dikke Van Dale beschrijft dit als: uit·da·gen(daagde uit, heeft uitgedaagd) “tot iets uitnodigen of verleiden; = tarten: iem. uitdagen tot een duel; een uitdagende houding;een uitdagende functie die een beroep doet op al je capaciteiten” houding(de; v; meervoud: houdingen) ”1 manier van houden van het lichaam 2 manier van doen; = gedrag(slijn)”   Was dat écht wat de jongen, in eerste instantie, bedoeld had? Wilde hij echt de leraar tarten, pesten, met hem duelleren? Een praktische analyse van de situatie zou het ons leren...   Uit gesprekken met medeleerlingen, bleek achteraf dat het allemaal begonnen was als een grap... De leraar wilde de klas tonen, dat spreekwoorden lachwekkend en belachelijk worden wanneer ze letterlijk worden opgenomen. En wie zou een beter proefpersoon zijn, dan de jongen-klein? Voor hem waren spreekwoorden immers een vreemde opeenstapeling van woorden – aan elklaar geregen zonder betekenis – die hem toegewaaid kwamen vanuit vreemde oorden. “Als je zo blijft opletten in mijn lessen,” had de leraar gezegd, “zal jij snel tegen de lamp lopen!”. Waarop de jongen had geantwoord: “Maar meneer, dat kan toch niet, de lampen hangen veel te hoog – ik ben geen reus, hoor!”   De leerlingen waren in luid gelach uitgebarsten – want voor de zoveelste keer, deed hij het weer, verkeerd! In plaats van geduld te tonen, uit te leggen en te duiden – had de leraar er nog een paar spreekwoorden bovenop gedaan (een schep of drie, vier) totdat de situatie escaleerde, in bovenstaand gegeven resulteerde. De jongen, zich van geen fout bewust, was zodanig in het verweer gegaan - de medeleerlingen spraken hem er liever niet op aan. Zo hadden ze hem nog nooit gezien, tierend en roepend - maar ergens had hij gelijk - misschien? Was de leraar te ver gegaan,  of trof hem geen blaam? De leerlingen waren er nog niet over uit -  ondertussen kroop de jongen ieder dichter en zelfs onder de huid!   Nochtans, moest de leraar zelf toegeven, was de jongen meestal rustig in de klas – deed wat er werd gevraagd – liep steeds in de pas. Wanneer de leraar écht eerlijk de situatie mentaal overliep – wist hij wat er verkeerd liep. Hij was vandaag in al zijn haasten – vergeten zijn “doos-met-honderd-en-één-brillen” in te laden --- waardoor de groene bril die hij nu op zijn neus had, de situatie van de ander compleet vergat. Een flashback bracht hem eventjes terug naar zijn eigen kindertijd – hij had het zeker niet gemakkelijk gehad, thuis.   T-HUIS?! Een “HOME”?! Het was een slaapplaats, meer was hij niet gewoon. Net daarom was hij leraar geworden, om voor het welzijn van alle leerlingen te kunnen zorgen. En tot zijn grote schrik, merkte hij op dat ook hij op zijn beurt ten prooi viel aan “wat-er-door-de-tijds-des-tands-gebeurt”: vergeten hoe het is, om niet volwaardig gezien te worden – de waarheid volledig “verkleurd”.   De “doos-met-honderd-en-één-brillen” moest hem weerhouden van deze grillen. Voor iedere situatie die komt voor – een andere kleur om te dragen, hoor! GROEN – de standaard situatie waarin je niets speciaals “moet doen” ROZE – PAARS -  ROOD – WIT – ZWART ... – alleen al in deze klas had hij er nodig...   ... Een stuk of acht!   ... Terwijl er een volledige klas pubers - ongeduldig op antwoord wacht!   **************************************************************************************************   Verder kijken, door de ogen van de jongen!     “Hé! Ik heb helemaal niet zo’n lange neus als die van jou... Langneus!” Een laatste zin schiet als een kogel uit mijn mond – recht naar de plaats waar ik wou, dat hij terecht komen zou. Het gelach in de klas verstomt – EINDELIJK – daar zijn we mee klaar voor vandaag.   De leraar denkt er duidelijk anders over, ik zie de blik in zijn ogen terwijl hij zoekt naar zijn eigen woorden. Woorden die méér zullen betekenen, die diepere littekens zullen nalaten dan ik (of hij) eigenlijk  voor ogen had. De leraar staat voorovergebogen – geen ontsnappen aan zijn “over”macht, dat had je wel gedacht . De handen steunend aan weerskanten van dit éénpersoonsbankje, het gezicht rood aangelopen, de adem die keer op keer stokt wanneer hij van in- naar uitademen overgaat. Op die manier, zo heeft men mij aangeleerd, wil hij zijn ongenoegen uiten maar ook – de “agressie” die door Zijn lichaam loopt even loslaten, het moét gewoon naar buiten.   Dat gevoel, dat ken ik ook... Wanneer het in de les (of gewoon in het leven) niet loopt zoals ik het wens.  De hele dagplanning zit in mijn hoofd – al zou ik het nu wel opschrijven, dat heb ik beloofd. Om dan deze nauwgezet te volgen, structuur die ik echt wel nodig heb en die me doet  voelen “geborgen”.  Reeds denken aan de dag van morgen, of de lessen van vanmiddag, of zelfs de reis die we dit weekend zullen aanvangen. Weten welke situatie de vorige telkens zal opvolgen – geeft rust... Tot op de minuut uitgeteld, al kunnen kleine veranderingen wel optreden – daar ben ik me van bewust.   Vroeger, toen ik nog wat jonger was – kon iedere wijziging leiden tot een ‘bom die barst’. Paniek  sloeg me dan om het hart ; omdat ik niet wist wat er van mij werd verwacht! Dat onbehaaglijke gevoel, dat je totaal niet weet wat te doen. Zoekend naar aanwijzingen in de ogen en gedragingen van mensen – proberen te achterhalen wat zij willen of wensen... Een dagtaak lijkt het wel – wat bij anderen vanzelf gaat is voor mij zeker niet evident – ken een ander? NEE, ken eerst en vooral JEZELF!     *******************************************************************************************************   Verder kijken... Door de ogen van de leraar   “Hé! Ik heb helemaal niet zo’n lange neus als die van jou... Langneus!” Terwijl hij deze zin uitspreekt, knapt er iets in mij. Tegenspreken – tot daar aan toe ; maar iemand uitschelden – dàt is een brug te ver, zeker als het hier gaat over mijn autoriteit als leraar!   De jongen lijkt zich ook helemaal niets aan te trekken van de situatie of het feit dat de leerlingen van zijn klas hem luidkeels uitlachten. Neen, deze jongen voelt blijkbaar geen pijn, of gène, of wat-dan-ook... Hoe ik dat merk? Je ziet het al aan de manier waarop hij in zijn stoel zit : zelfverzekerd (rechte rug, zijn blik naar de mijne gericht – alhoewel mij verteld was dat hij meestal niet durft kijken in’t gezicht?) ; arrogant (smalend, de lippen op elkaar pitsend tot fijne lijntjes die constant lijken te lachen) ; en uitdagend (steeds het laatste woord willen hebben).   Kortom, alles wijst op een tegendraads gedrag – want zeg nu zelf... Die spreekwoorden interpreteren, dat kan je toch wel léren?! Pas op, ik zeg niet dat het gemakkelijk gaat, zeker niet voor iederéén – maar de manier waarop hij laat blijken dat zijn studies en effort niets op0elveren.... is toch wel te wijten aan het niet willen, eerder dan niet kunnen?   De meeste leerlingen, vinden mijn lessen zalig: veel afwisseling in de patronen – die niet zomaar uit de schoolboeken moeten komen! ’s Avonds breek ik mij meermaals het hoofd, over hoe de leerstof attractief te maken valt – want ‘interesse’ is mijns inziens en ecgte nood... MOTIVATIE – zij het extrinsiek (eigen aan de omgeving) of intrinsiek (eigen aan de persoon zelf) – feit is dat het oh zo belangrijk blijkt te zijn dat leerlingen zich ‘amuseren’. Gedaan met ‘drillen’ en oneindig memoriseren – hallo vaardigheden!   Nu ik hier zo sta, mijn armen steunend op de éénpersoonsbank van de jongen, voel ik mijn gezicht rood aanlopen en mijn adem stokken – en hemeltjelief, wat ben ik daarvan erg geschrokken! Waarom is de afstand tussen ons door wat hij zegt, doet of zelfs maar denkt – voor mij vandaag onoverkomelijk ver?! Meestal, moet ik toegeven, is deze jongen actief in de les en zal hij alles proberen. Vandaag lijkt er veel meer aan de hand, maar eigenlijk... sta ik als leraar toch wel aan zijn kant! Voor de leerlingen gààn – alles doen om ze te ondersteunen – hopend dat ze nooit de eenzaamheid zullen ondervinden die er heerste onder de T-HUIS-kinderen... Een eenzaamlheid, zo onbeschrijfelijk hard – dat je  gewoon smacht naar een kléin beetje aandacht! Positief of negatief – dat maakt geen zier uit – in ieder geval word je dan gezién...   Ging ik een beetje te ver met dit spel? Heb ik zelf overdreven, de klas tot pestgedrag gedreven?   MISSCHIEN... WaarSCHIJNlijk... Zeker?!               Tijd om te denken aan de doos-met-de-brillen...! Dat zijn beslist geen modegrillen – handvaten om me als leraar – weer meelevender te maken...        

CVDR
0 0

Tinder Lucifer

How the King of Matches lost his bargain One equalsBerlin Wallsdancing 8/6=1,336/8=0,751,33+0,75=2,08How do we make this one again?6/8=0,758/6=1,33 So, either we lose one or we lose it again.But do we really want only one?Suppose we lose it again, what would happen then?We're down with one again. I hate to be alone.Whether it be 56 or 65, I'll make it my home.To excess your territory is not always intruding another one's integrety.It really doesn't matter if you make it a new one.But do we really want things not to matter?Do we want all our dreams to shatter?The things that dreams are made of are not always at hand.There are always Close your eyes and count to ten.Make it two and count again.I saw you peeking through your fingers...Count to three and we'll make it a new one. In the end, there was no one.I hate to be alone.These four walls, still they haunt me.I whispered through: your secret's safe with me, my friend.It's great fun to pretend. My home was shattered, it was never me that mattered.I wanted the things they dreamt for me.There are alwaysMore numbers. I'd love to intrude your integrity, acces nothing but your territory. Does that make you less one of me?There are more numbers than things to see.So, no, I don't want all of you.One less will do. For infinitely, no walls come in between.They only add to their belief that there is so much left to see.More than numbers, letters, things to shatter.More you nor me.Ignoring facts and numbers, words, again, are all I have.Down to the playground, where a profound religion allowed to play around.It's great fun to pretend when one has nothing on its hand. But does it gain us in the end?Probably.There are always things We don't know that for sure.For sure we can Either wayWithout numbers, facts or figuresThere are always words to say, that whisper through the walls.That's what we are forFriends In the end we gain what we lost.I hate to lose alone. One equalsA lot more matches

Robijn Bodijn
29 0

Ode aan de jarretelle

Station Brussel-Centraal. Het is een weerkerend nulpunt in mijn persoonlijke geschiedenis. Hier verloor ik immers vaak de strijd tegen koppige nylonkousen. Meestal voelde ik het al bij het uitstappen van de trein. De panty krulde over mijn zachte onderbuik tot aan de waterlijn van ultieme schaamte. Dan voerde ik een raar manoeuvre uit: mijn hand schoot razendsnel naar een jaszak en graaide naar de rand van de panty die net niet de benen nam. Zo strompelde ik naar het kantoor, rand in de hand, en vluchtte ik als de bliksem naar het toilet waar ik het onding tot onder mijn oksels trok. Soms haalde ik het kantoor niet, en leverde dat weerbarstig stukje stof me ook een staalkaart op van de verborgen hoekjes die Brussel-Centraal kent. Ik besloot dat ik er genoeg van had op de dag dat de rand me ontsnapte, en ik met de panty’s tot op de knieën in zo’n vergeten hoekje vluchtte. Natuurlijk gebeurde zoiets midden in de volle ochtendspits. Vive le porte-jarretelle!   Ik wil hier graag Emmanuel Kant bedanken. Deze verlichte geest hield ervan te flaneren door de straten van Köningsberg maar vond het best sneu dat z’n kostbare zijden kousen naar de verdoemenis gingen. Dus daar was ‘ie dan: de jarretellengordel! Het was in die tijd een antwoord op de kousenband, een band in stof met een gesp. Niet meteen handig want het zijde kousje slipte er al eens onderdoor. Te straks aangespannen had deze de slechte gewoonte om de bloedsomloop af te snijden waardoor dames, en zeker ook nobele heren, spontaan door de knieën gingen.   Maar terug naar het eureka-moment in de ochtendspits. Daar begon de zoektocht naar het gepaste exemplaar. Want de éne gordel is de andere niet. Soms moest ik het stellen met vier armtierige haakjes waarbij het heus wat friemelen vroeg om de kous er vast in te krijgen. Om nog maar te zwijgen van de terugslag tegen mijn zachte huid wanneer de kous los glipte. Tsjak. Een mens kan blauwe plekken krijgen op de meest vreemde plekken. Ik koos dus voor de stevigere versie, met acht haakjes. Zeg maar gerust de bomma-versie der jarretellengordels. Maar god, wat heerlijk. Geen geschuifel meer door het station. Geen pantystress. En het voelde best wel sensueel aan. Ik voelde hoe mijn lijf zich een andere houding gaf. Rug recht, een lichtere tred, heldere ogen.   Ooit was de jarretellengordel het symbool der vrouwelijke bevrijding! Ik hoor het de flappergirls uit die andere jaren ’20 nog zingen: ‘Shimmy and shake until your garters break’. Ik vraag het me trouwens vaak af of het kan. Zo hard dansen dat de jarretelles gewoon in flarden scheuren. Ik besefte ook dat ik me met dat kleine miskende kledingstuk zomaar even kon meten aan Marlène Dietrich als ‘L’Ange bleu’, of Sophia Loren. Maar de prachtigste jarretelles zitten rond de benen van diva Liza Minnelli. Oh, wat benijd ik haar voor de rol in ‘Cabaret’. Alle vrouwelijke sensualiteit samengebald in één nummer: Mein Herr. Wie zou nu niet met plezier een afwijzing aanvaarden als deze zo heerlijk scherpzinnig verpakt zit?   Misschien wordt het tijd voor een nieuwe bevrijding. Weg met de status van heimelijke lustopwekker in de besloten slaapkamer! Want wat smacht ik naar wat meer frivoliteit in dit grijze bestaan. Glitter verpakt onder kantoorrokken. De bandjes die in de huid snijden, de zachte rondingen benadrukken. Heel persoonlijk. Iets waar niemand zaken mee heeft, behalve je eigen lijf. Weg met de zweem van feministisch wantrouwen tegenover dit stukje stof. Maak er een statement van. Een duidelijk teken dat er met deze vrouw niet te sollen valt. Niet van haar stuk te brengen door wat jij nu wel of niet denkt van haar lijf. Comfortabele zelfzekerheid, in een ragfijn harnasje. Enkel te ontbloten aan wie zij wil.   De tijden veranderen. Met de jaren slopen er meer broeken naar mijn kleerkast. Ik liet rokken en jurkjes links liggen. Maar ik ben dat kleinood nooit uit het oog verloren. Ik koop er nog steeds. Voor de simpele schoonheid van het stuk. Voor de nostalgie. Omdat je er nooit gewoon genoeg van krijgt.

Jolien Van de Velde
103 0

Op de Sparta naar Loenhout

             Toen Lex, honderdvijfentwintig kilogram, toekwam bij zijn vriend Patje werd er ten huize Baelus druk gediscussieerd over welke brommer hij mee mocht nemen. ‘De kwetter’ van Moe was een optie. Dit Flandriake haalde makkelijk 65 kilometer per uur. Moe had maar één long dus fietsen ging niet meer. Na veel gezever viel de beslissing: Patje en Lex mochten de Sparta meenemen. Die had drie handvitesses en het was een okkazzieke. Patje had hem gekocht van de zoon van boer Mertens. ‘Die pak ik wel over en lap ik wel op,’ had hij gezegd. Een grote hindernis op weg naar café ‘den Boemel’ was de brug over de snelweg. Lex moest altijd afstappen als ze de brug wilden oprijden want het brommerke ‘trok dat niet’. Bovenop de brug nam Lex terug plaats.             In het café werd er veel gedronken, goed gelachen en er werden straffe verhalen verteld. Plots flitste er een rat vliegensvlug langs achter de frituur van dikke Guy buiten recht het café binnen. Chantal, de cafébazin, begon afgrijselijk te gillen en liet van ontsteltenis een glas vallen. Patje en Lex konden er wel om lachen. De rat verdween, via de toiletten, maar kwam via het keukentje achter den toog weer tevoorschijn en repte zich hals over kop via de voordeur van het café richting pita-bar Abu Simbel twee deuren verder. Ook daar veel geroep en getier. Chantal was wel opgelucht na al die commotie en reageerde: ’Da’s goed voor ene keer. Tegen dikke Guy zal ik mijn gedacht wel ne keer zeggen.’ De Laenen ging van opwinding en zattigheid naast zijn kruk zitten. ‘Ik ga straks toch nog een frietje steken.’ zei Lex. Patje kon de racistische praat niet laten: ‘Die rat zal wel content zijn daar bij Abu Simbel. Die komt niet van bij dikke Guy. Die zit bij Selda uit Irak.’ Chantal mopperde: ‘Patje, ander onderwerp want ik heb geen zin in uw gezaag.’ Gelukkig zat Dennis ook aan de toog en die wist te vertellen dat hij een nieuwe caravan had gekocht. ‘Ik heb er wel veel problemen mee gehad. Als ik het kraantje in het keukentje openzette, begon het toilet te lopen en andersom. Er zat een darmpke verkeerd.’ Hij schuifelde wat op zijn kruk en dronk nog wat van zijn trappist. ‘Iets later stond de schuif met bestek onder de poembak vol water. Er zat een ander darmpke verkeerd. Vloeken jongen, vloeken heb ik gedaan.’ Chantal die wat glazen afdroogde, vroeg: ‘En ben je er al mee weg geweest?’ ‘Zeker!’ zei Dennis. ‘Naar Hühnerscheid. Da’s niet ver van Bastogne. Slecht weer gehad. Ons Kelly was vergeten greppeltjes te graven. Ook wat gezever gehad met het gasvuur. Ineens een steekvlam van wel drie meter. Bijna heel de voortent weg. Da’s nylon, hé. Veel geluk gehad. Er zat een darmpke geplooid.’ Lex en Patje begonnen te lachen. Dennis ging onverstoorbaar verder: ‘Met den deze moet ik wel naar de keuring, want die weegt meer dan zeven honderd kilogram. Hij is wel veel beter dan dat Rapido plooicaravanneke dat ik heb gehad.’ Ondertussen was het half één ’s nachts en de twee vrienden zeiden: ‘Nog ene Chantal. Dan is het weer mooi geweest.’             Rond 01.45 stapten Patje en Lex op de brommer om terug te rijden naar Rijkevorsel. Als groot obstakel op hun weg naar huis nog steeds die vervelende brug. Patje kwam boven en realiseerde zich plots dat hij wel tot boven was geraakt zonder dat Lex was afgestapt. ‘Allez, nu geraak ik die brug wél op.’ dacht hij stomverbaasd. Er klopt iets niet. Hij keek achterom en zag zijn vriend niet. ‘Waar is de Lex?’ Er zat niks ander op dan terug te keren richting Loenhout. Anderhalve kilometer na de rechtsomkeer zag Patje zijn vriend tegen een boom zitten. ‘Ik zen er afgevallen,’ wist Lex beteuterd te vertellen. Een halfuur later arriveerden de twee vrienden ten huize Baelus waar ze alsnog het zoveelste pintje dronken.                                                                  

Hubert Grimmelt
16 0