Lezen

verloren woorden (een verslag)

als grootvader sprak, luisterden de vogels vergezichten verrezen voor zijn ogen uit hun afgrond, er waren bergen, bergen van ijs te meer ze versmolten, te meer bevroor het hart van de samenleving dorpen werden schiereilanden, hun inwoners dreven verder en verder van elkaar weg runderen die over dit oppervlak heersten, vielen ten prooi aan fijnproeverij op porseleinen borden gevogelte scharrelde verwoed in vuilnisemmers, als ooit een kuiken uit een kinderhand bossen verkommerden als een kamerplantje op de vensterbank, akkers verdronken in een geurende, verzuurde vijver kantoorgebouwen teerden naar hartenlust op deze kwetsbare ondergrond straten werden als een studentenkamer door de laatste feestgangers verlaten danszalen werden kraakpanden en kraakpanden danszalen iemand moet zich evenzeer als een verloren kind op het land hebben gevoeld de wind kreunde een oerschreeuw verbrak het zwijgen de huid van de aarde verkrimpte als een dame op latere leeftijd beken stroomden als verkleurde aders door het landschap sneeuwwater werd in overvloed op een hoorntje gegoten er werd hardop gezucht verdriet was nog te lezen in de ogen van ouderen op een bankje of achter het gordijn van een vensterraam op eindeloze straten grootvader las een boek er is een grot waar alle water samenstroomt, het is de schatkamer van het verleden kleinzoon dronk er met een rietje uit hij had wel andere zorgen er stond een koper aan de deur nieuwsgierige aasdieren stortten gretig op hun ouderwetse bereidwilligheid dierbare herinneringen werden al snel een gebruiksgoed de laatste van hun soort soms onderbrak grootvader zijn weinige woorden dan keek hij zover over de wereld tot niemand nog geloofde dat hij het niet meer zag het landschap verkruimelde, een dapper struikje weerstond de weerbarstige wind grootvaders vingers vertakten, verloren hun grip op een omgeving die ooit dermate vanzelfsprekend was zaden van het struikje vervlogen vruchteloos in de storm hij was hier geboren, op deze houtstronk boven de laatste pijler van een verdorven samenleving het dorpsgebeuren speelde nog iedere dag door zijn vertimmerde geest zijn verkneukelde handen hielden nog even hard vast aan zijn vrouw als op die vreugdige zomerdag in juli, toen ze elkaar verzochten het leven samen door te brengen geen van beiden vroeg zich sinds die dag nog af waarom, dat laatste paar dromen had hij nog aan niemand verkocht tegenwoordig is iedereen voortdurend onderweg grootvader las verder het streven naar de waarheid de mensheid werd grootmoedig, durfde zo lang in het licht staren dat hij zichzelf de ogen uitstak zijn hand strekte zich naar de zon als een gebruiker naar zijn middel, als een psychoot naar zijn hallucinatie zolang hij de leugen ervan kon ontkennen, vergreep hij zich eraan een pijnlijke misvatting de mensheid verbrandde zich dermate aan de waarheid, tot zijn vingers zich verweerden als een houthakkershand mens trok zich niet terug verdwaasd door het gouden schitterlicht aan de bovenlucht, verruilde hij het dierbaarste wat hij had om de leugen in stand te houden mens zou zijn laatste kruimel hebben verpand tot er niets dan het ontkennen overbleef, tot de leugen zijn waarheid werd er kwam de man die nuchter in het leven stond hij probeerde vergeefs een gesprek aan te knopen met de mens in de goot, tikte verwoed op zijn schouder tot hij zeker wist dat er geen antwoord meer kwam de mensheid werd afgevoerd naar wat er ook van worden zal onderweg liep de man door straten van zwervers en bedelaars bij elke munt die hen toewierp woedde er een oorlog in hemzelf hoe was het zover kunnen komen en wat maakte hen anders dan hemzelf? hij liep nog een kroeg binnen en strompelde verder naar huis daar trof hij zijn grootvader, schijnbaar nietsvermoedend aan een limonade slurpend dat was wanneer de brand ontaardde mensen liepen elkaar voor de voeten in hun vlucht voor het vuur grootvader liet hen begaan, hij wist beter de kaarten lagen reeds op tafel grootmoeder grijnsde bitter ze was op een dwaalspoor gezet in haar hoofd weergalmden de woorden van een oude priester op een doordeweekse zondagochtend in een veel te koude kerk wie het goede wil verkrijgen, moet het kwade omarmen er was geen ontkomen meer aan sommigen stortten zich reeds in hun afgrond, anderen ploeterden verder in de mensenstroom roes vespreidde zich als een giftige damp over de samenleving de laatste middelen werden een gegeerd goed onder de rijken dat was voor de lucht verduisterde de stem van kleinzoon stokte grootvader slurpte verder de maan zag er dermate gevaarlijk uit die avond buiten gebeurde er veel mensen liepen verdwaasd door de straten, hun kreten werden gesmoord door het vensterraam soms steeg een integer gehuil boven de muren uit er moest weer iemand verloren zijn schouders werden opgehaald, anderen knielden in verslagenheid dan kwam het een bewustzijn trad in als een politiehorde over verboden plaatsen terugkeer was onmogelijk, alle vluchtwegen waren afgesloten gedachten omcirkelden als speurende helikopters het hoofd van kleinzoon nog voor hij zijn schuld kon bekennen, werd de moed hem ontnomen als een geldbeugel op heldere dag, maar iedereen was slachtoffer, tegen dergelijk oordeel was geen beroep de wereld grijnsde als een bankier die net een klant over de vloer had gehad haar wraaklust was bevredigd, maar de schade was onherstelbaar en kon niet meer worden terugbetaald een symbolische munt werd nooit meer uit de riolering opgevist die dag verscheen de zon verlegener dan ooit aan de horizon desondanks kwam er een nieuwe goedemorgen, een gebed voor de maaltijd, een overvolle wasmand, een niet te overziene vaat, vermoeide ogen en een gebroken ruggegraat een verhaaltje voor het slapengaan, een troostende kus op het voorhoofd van nog hoopvolle kinderen eens het zwijgen was hersteld, vervolgde grootvader zijn dag en grootmoeder haar taken had ik het niet gezegd die avond trok grootmoeder hem nog eens dicht tegen zich aan zo mag het voor mij eindigen een waakzame grootvader keek op van zijn limonade alsof hij op dit moment had gewacht hij wees naar zijn lege glas, grootmoeder schonk nog eens vol kleinzoon keek verstard uit het vensterraam op de achtergrond golfde het land in eb en vloed voor het overige was echter alles verdwenen grootmoeder sprak voor kinderen en kleinkinderen haar woorden drentelden rond de tafel als zijzelf ze verhief haar stem als een lepel maar haar spreuken verkruimelden, beschuit in de soep ik was er enkel om te luisteren als een dief op de trap verzamelde ik flarden maar haar wijsheid was ongrijpbaar, haar schort grootmoeder sprak zoals ze breidde diezelfde avond trok ze me echter dichter bij haar ze fluisterde als een buurmeisje over de struiken grootvader staarde schijnbaar goedkeurend vanonder zijn vermoeide ogen ze legde haar breiwerk voor me uit het was kleurrijk, een venster op een herfstige buitenwereld het zijn niet zozeer de kleuren die vervagen maar de patronen die vervelen ze wierp een vinger naar het venster en huiverde minder dan ooit tevoren de wereld vergrijst maar spreuken keren terug als de jaargetijden waarvan ze beweren dat ze verdwenen zijn vroeger was het beter zei mijn grootvader al, die zelf met zijn voeten in de strond stond te ploeteren haar woordenstroom stokte als een breiwerk waar even van opgekeken werd ze verdraaide de vingers rond de volumeknop van haar radio alsof ze daar de draad had laten vallen tranen liet ze echter minder dat werd mijn grootmoeder ik legde haar de woorden in de mond als een vals gebit in een glas bruisend water, een luisterdief op de trap tegenwoordig ben ik dichter onschuldige voorbijgangers worden onderworpen aan mijn verhaal ik spreek voor kenners en verwanten, verhef mijn stem als de pen die meer en meer spreekwoordelijk wordt, verwaarloos mijn gedicht de loodgieter vond toch ook het warm water niet uit? de dichter sprak zoals grootmoeder breidde vanavond laat ik haar tranen

Robijn Bodijn
34 0

DE FEESTDAGEN STAAN WEER VOOR DE DEUR

Deze ochtend zei manlief zo tussen neus en lippen:” Lap, ’t is weeral december, en de feestdagen staan weeral voor de deur.”  Ik denderde de trap af en trok de voordeur open juist op het moment dat een witgehandschoende hand, met rode robijnring, de vinger op de bel wou zetten. Daar stond hij dan, Sinterklaas met naast hem een op en neer wippende Zwarte Piet. Het leek of hij heel dringend moest plassen. De Sint wees met opgetrokken wenkbrauwen naar zijn witte schimmel, die hij aan onze brievenbus vastgemaakt had. “Of ze misschien gewoon langs de voordeur tot aan de schouw mochten gaan?” Toen ik hem naar het waarom vroeg, antwoordde hij dat het voor hen al lang geen pretje meer was om via de daken naar al die brave kindertjes te gaan. Ten eerste waren al die daken in Vlaanderen in een avonturenparcours veranderd. Overal lagen er bergen isolatiemateriaal op Poolse dakwerkers te wachten of  waren de daken met zonnepanelen versierd. Geen enkel paard dat nog zonder ongelukjes tot aan de schouw zou kunnen trappen. En dan hij, die goede brave Sint, die massa’s geld uitgaf om het kleine grut te belonen, met een zware verzekeringsclaim terug naar Spanje zeker! Ook had hij al een tijdje in het oog dat men op dit adres vlijtig een houtvoorraad door de schouw aan het jagen was. “Wat was daar de bedoeling van?” “Wel Sint, sorry hoor, maar wij hadden nog zo’n stapel openhaardhout in ons keldertje liggen en die willen we eventjes snel opbranden alvorens die tjevenminister een nieuw openhaard- en houtkachelbelasting uitvindt. Vroeger keken we dromerig in de houtvlammen en lagen we er romantisch op een lamsvelletje voor, maar we zijn al een beetje veel op de seniorenleeftijd en moesten we dit nu nog doen, dan kwamen we niet meer recht!” “Oké, oké, zei de Sint, maar is Zwarte Piet bij jullie nog steeds welkom, want verdorie ’t is me wat met al die herrie! Piet is mijn beste vriend en zelfs dat gunnen die herriemakers de kindjes niet meer. Kom uit de weg. Piet heb je de cadeautjes bij, want straks komen hier twee kleinkindjes die wel wat lekkers verwachten. Terwijl Sinterklaas en Zwarte Piet de trap ophollen, proberen twee feestdagen tegelijk door de deur te drammen. “Helaba, jullie twee, wat is hier de bedoeling van? Awel ik ben jouw verjaardag en die opdonder die zo tegen mij aanschurkt is Valentina’s verjaardagsfeest”.  Het was die ongeduldige oplawaai bijna gelukt om dezelfde dag ter wereld te komen. Ik heb er alles aan gedaan om, terwijl je schoondochtertje lag te persen, de boel tot na middernacht terug naar boven te duwen, zodat jullie twee verjaardagspartijtjes zouden hebben, maar ja, duidelijk mislukt, want nu vieren ze alsnog samen…grrr! Ze  proberen mij voor de deur weg te drukken. “Is het nu gedaan, roep ik, jullie moeten nog zo’n twee weekjes wachten en dan maar eerst kan ik jullie doorlaten”. Pruttelend doen ze een stapje opzij. Daar staat in vol ornaat de dikbuikige Kerstman. “Ho, ho, ho, ik dacht ik vertrek een beetje vroeger, want het is tegenwoordig geen kattenpis met die files om met een slee rendieren tot hier te komen”!  Maar Kerstman, vliegen jullie niet gewoon door de lucht?” Ho, ho,ho, ik vertrok nog maar met een grote boog over de aarde, of twee Russische straaljager, vlogen ons bijna omver en deden teken, dat wij niet door hun luchtruim mochten vliegen. Daarna werden wij boven Oekraïne bijna uit de hemel geschoten omdat ze daar dachten dat wij Poetinbommen waren. Toen kwamen wij aan Europa aan en daar hebben ze de buitengrenzen ondertussen zo hoog met glazen wanden opgetrokken om alles en iedereen buiten te houden. Petatboem, mijn liefste rendier, Rudolf met zijn smikkel tegen de omheining. Zijn neus knalrood van de botsing. We besloten dan maar om gewoon over de baan verder te rijden, maar als het geen trein vrachtwagens zijn, dan zijn het wel een roedel gele hesjesanarchisten of een bende stakende arbeiders die de boel vertroebelen. Dus ja, ik sta wat vroeger in je voortuin en zie gelijk dat die andere heilige wel naar binnen mag en ik niet”. “Maar Kerstman, onze kerstboom staat nog niet, waar ga je dan al die pakjes leggen?”  Oké, ik zal ondertussen wat kerstmarkten afschuimen, tot je die boom opgetuigd hebt. Maar jullie zijn toch niet van dat soort, dat eerst nog naar die middernachtmis gaat om zo’n halfnaakte stenen babypop te bejubelen, die volgens velen op die dag geboren zou zijn hé! Sprookjes daar doen wij niet aan mee hoor! De Kerstman sleet de straat uit, maar daar staat een reuzengroot 2019, met flessen champagne en vuurwerk te drammen. Miljaar, bijna weer een jaar erbij. “Nu moet je eens goed horen, Nieuwjaar, roep ik, alles op zijn tijd. Bol het maar af en kom binnen vier weken nog eens terug en ik zwier de voordeur met een smak dicht. Sinterklaas en Zwarte Piet staan geschrokken achter mij in de gang. “Mogen wij er misschien nog eventjes door, want wat verder in de straat wonen ook nog brave kindjes hoor”.   Sim, 2 december 2019 In afwachting van twee glunderende gezichtjes van onze twee kleinkinderen.

Sim
56 0

Nostalgie

Nostalgie. Het overvalt me, vaker dan verwacht.Melancholie. Van 't zelfde.   Het zijn dan ook zulke mooie woorden (proef ze maar eens, laat ze maar eens rondrollen in je mond), die een zo mogelijk nog mooiere betekenis omhullen. Er ligt een wereld in ze, een net niet helemaal vergeten wereld. En onschuld, puurheid, kinderlijk geluk; dat hoor ik er ook in. Het zijn souvenirs, zoals magneten uit verre oorden op de frigo.   Ik koester herinneringen. Ik verzamel ze. De herinnering als bevestiging van wat ik voel. Het probleem is dat ik daardoor soms vergeet het heden te koesteren. Dat is natuurlijk veel moeilijker. Doe dat maar eens, het heden omarmen. Carpe diem? Goh, moeilijk, maar het lukt gelukkig wel. Ik kan alleen beter dingen omarmen die voorbij zijn. Heel vroeger, toen ik nog kind was, plukte ik met gemak de dag. En recenter gelukkig ook, zondag nog bijvoorbeeld besefte ik dat het goed zat, de dag, en ik was 'm dus goed aan het plukken. Ik dacht niet: amai, hier ga ik achteraf nog aan terugdenken in een nostalgische bui. Al wil ik nu stiekem dat het opnieuw zondag is.   Zo is ook in de liefde nostalgie een noodzakelijke kwaal. Die eerste keren zijn dus wel zo goed als allemaal op! Gewoon voorbij, om nooit meer terug te komen. Dat is natuurlijk tegelijkertijd ook de pijnlijke schoonheid, daarom zijn het eerste keren. Maar toch, ik zou de minister van agitatie, opwinding en opperste ontroering niet zijn om me dat niet aan te trekken. Ik kan daar niet zomaar mijn schouders voor ophalen. Ik moet daar eventjes een beetje intriest gelukkig om zijn. Ik kan dat ja, intriest gelukkig zijn. (Ik moet daar alleen nog een mooi neologisme voor verzinnen.)   Dit alles tot groot jolijt van de crisismanager. Niet dus, die man heeft daar zelf geen last van. Houdt zelfs niet bepaald van herinneringen. "Wat voorbij is, is voorbij", zegt hij dan heel mannelijk en kordaat. Inwendig roep ik dan hoe dat nu in godsnaam mogelijk is. Uitwendig roep ik dat dan eigenlijk ook. Tegelijkertijd denk ik ook dat het zalig moet zijn om het heden zo bij de ballen te grijpen. Is het heden dan echt groter dan het verleden? Soms is het verleden een obstakel, een hindernis die genomen moet worden. Dan kan je elkaars heden elkaars verleden laten omarmen. Bedekken met de mantel der liefde, zeg maar.   Toen mijn crisismanager nog gewoon mijn kersvers vriendje was, verzuchtte ik dat al wel eens. Of ik benoemde het altijd: ons eerste dit, ons eerste dat. Zodoende besefte ik wel dat het heden zo slecht nog niet is, ook al verzamelde ik al die eerste keren quasi krampachtig, om ze nadien uit te stallen in een stoffig achterkamertje in mijn hoofd. Maar natuurlijk, eerst is er nu en dat is eigenlijk nog wel een hele tijd.  Misschien worden we ook nog gewoon elkaars later. Maar zoals het vaak gaat, wordt ook nu toen. Raakt ook nu verstrikt en verborgen in de vergetelheid en bleekt het zelfs af tot een verleden.   Trouwens, in een verliefde opwelling schreef ik toen een gedicht over die acrobatische tweespalt tussen heden en verleden. Dat doe ik wel eens, zo een poging tot probeerpoëzie, maar godzijdank meestal niet in een verliefde opwelling. Wie gelukkig is, hoort niet te dichten, althans volgens mijn radicale bescheiden mening. Hoe ongelukkiger de dichter, hoe mooier het gedicht. Daar schrijf ik later nog wel eens over. Of ook niet.   En foert!   Voorlopig is er echt wel ruimschoots voldoende nu om van te genieten. Ik ga dat alleszins keihard proberen.

Ministerie van Hysterie
4 0

De meetbaarheid van alles

We denken van alles dat het meetbaar is, of maakbaar. Ja, zelfs ons geluk is meetbaar en maakbaar. Er bestaan wiskundige formules om uit te rekenen hoe we het best gelukkig kunnen zijn. Er bestaat zoiets surreëels als een geluksindex. Er bestaan zelfhulpboeken om te timmeren aan de weg naar het geluk. Het lijkt wel alsof geluk een commercieel product is. Véronique Mommaerts zei het net nog tegen Mie in Tabula Rasa: "Je moet de architect zijn van je eigen geluk". Dat is misschien niet de beste referentie gezien de plottwist van gisterenavond, maar bon. Ik begrijp het ook wel ergens, hoor.   Alleen, ik geloof daar niet zo erg in. Soms ben je gelukkig, en liever vaak dan soms, en soms ben je 't niet. Het is pas door af en toe niet gelukkig te zijn, dat je de waarde van het geluk beter kan inschatten. Meten zeg maar, als je dat liever wil. Dat is zoals met dat gedicht van Herman De Coninck, over de gek uit het grapje die zichzelf met een hamer op het hoofd slaat. "Omdat het zo prettig is als ik ermee ophou."   Natuurlijk, soms is het geluk gelukkig uitzonderlijk nauwkeurig meetbaar. Pakweg 4,2 kg en 53 cm bijvoorbeeld, ik zeg nu zomaar iets. Of een opgeschoten kereltje van bijna 6 dat met 5 glitterstiften en 36 stickers totaal belangeloos een mooie tekening voor je maakt. Of 8 partjes overheerlijke pizza. Of 5 ontroerende verzen uit dat ene gedicht van die ene bijzondere man.   Jammer genoeg laat bepaald verdriet (vul het zelf maar in, het lijkt me redelijk universeel te zijn) zich toch ook op een bepaalde manier meten. De zoveelste traan en de zoveelste slapeloze nacht. Het zoveelste niet-verstuurde bericht of niet-uitgesproken woord. De zoveelste pint en sigaret. De zoveelste keer repeat van telkens hetzelfde verdrietlied. Het aantal dagen te tellen vanaf de afwezigheid en afstand, het aantal dagen dat onvermijdelijk nog moet komen waardoor die twee a's alleen maar lijken toe te nemen.   De leegte zelf, die laat zich dan weer niet meten. De leegte is onmeetbaar want simpelweg onmetelijk. Sommige dingen laat je dan ook beter ongewogen. Omdat ze te gewichtig zijn, en te bewogen. Soms laat je ook beter dingen onuitgesproken. Trouwens, bestaat dat dan eigenlijk, de maakbare en meetbare relatie? Tel je de gelukzalige momenten, weeg je die af tegenover de moeilijke? Is liefde echt een werkwoord, als in het cliché? Of is het iets dat volledig vanzelf gaat, als in de film - en dus ook als in het cliché. Zolang er liefde is, is er hoop. Dat zou nog een mooie zijn voor de Bond Zonder Naam, als die al niet bestaat. Lukt het met deze blog niet, dan heb ik gelukkig nog een carrière in het verschiet bij de Bond.   Tabula rasa: kan dat überhaupt? Opnieuw beginnen, als nieuw. Als twee niet meer zo heel maakbare mensjes die niet hoeven te meten hoe graag ze elkaar wel niet zien. Die niet hoeven te meten wat vroeger was en wat nu is. Mijn crisismanager en ik denken er over na. Wij kunnen goed nadenken, soms te goed. Gelukkig komt alles altijd goed, ooit. Dat zijn dan weer wijze woorden van mijn oudere zus, die nochtans ook een erg hoog BZN-gehalte hebben.   Ach, 't is moeilijk niet te vervallen in clichés als het gaat over De Liefde, niet waar? Begin  ze maar te tellen!

Ministerie van Hysterie
12 0

Instagramintolerantie

Ik ben fan van Dirk De Wachter. Ken je 'm? Hij wordt ook wel de Nick Cave van de psychiatrie genoemd, en met zo'n bijnaam zit je bij mij al bij voorbaat gebeiteld. De man werpt een heerlijk nuchtere blik op de vaak oppervlakkige maatschappij waarin we allen maar wat aanmodderen. In plaats van krampachtig te willen tonen hoe geweldig je leven is zegt hij dat het vandaag een kunst is om een klein beetje ongelukkig te kunnen zijn. In alle bescheidenheid durf ik me, met vallen en opstaan, een beginnend kunstenares van het kleine ongeluk te noemen.   Ik worstel zelf wel eens met de druk die al dan niet bewust wordt opgelegd door een medium als pakweg Instagram, vraag maar aan mijn crisismanager. Laatst filmde hij me stiekem terwijl ik aan het fulmineren was over de goedkope emoties die sommigen tentoonspreiden via belachelijke foto's. Behoorlijk confronterend achteraf, tevens hysterisch en hilarisch. Maar ik dwaal af.   Het leven is nu eenmaal noodlottig, wisselvallig en banaal. Laat dat nu net de voornaamste boodschap van dit ministerie zijn! We leiden immers geen Instagramleven. Allez, ik toch niet.   Ik word 's morgens niet wakker met een geplamuurd gezicht en geföhnd haar (#wokeuplikethis #maakdatdekatwijs). Ik post geen foto's van mijn eten dat blijkbaar glutenvrij, veganistisch, paleo en pascalenaessensachtig zou moeten zijn. Mijn bikinifoto's hou ik liever voor mezelf, tot grote spijt van enkele van mijn lezers. En ik hoef ook niet in de winter geconfronteerd te worden met foto's die melding maken van het 'bikiniproofen' van je lijf voor een zomer die nooit lijkt te komen. Wat ik 's morgens aantrek, moet je maar bewonderen als je me tegenkomt in levenden lijve, want die #ootd is -laat ons gewoon eerlijk zijn, het blijft tussen ons- ronduit belachelijk. Het kan heus niet waar zijn dat je alleen maar smoorverliefd bent op je vent en niet laat zien dat je hem soms een dreun op z'n smoel wil verkopen. Kan en passant iemand me ook uitleggen hoe je als werkende moeder met kroost een pinterestvriendelijk huis kan hebben, modelkinderen en een Gisele Bündchenlijf? En het lijkt me bovendien weinig realistisch om de hashtag wanderlust te gebruiken als je een all-in hebt geboekt naar Ibiza.    "Zo gaat het in het echt toch niet?", bries ik meestal na het zien van dergelijk huichelachtig beeldmateriaal. Ik onderdruk de neiging om foto's te trekken van het wekelijkse pak friet, de eeuwige berg strijk, de broek die 'opeens' niet goed meer past, de zoveelste zucht van de crisismanager op mijn klaagzang, onze stinkbek en warkop 's morgens en onze uitgeteldheid 's avonds, gehuld in joggingpak en al. Deze lijst is niet exhaustief. Meer voorbeelden? Contacteer me gerust via een privébericht. Ik moet hier natuurlijk ook niet a-l-l-e-s prijsgeven.   [Voor de duidelijkheid en voor mijn geestelijke gezondheid: ik ben voor onbepaalde duur niet meer terug te vinden op Instagram.]   Want, weet je, er zijn nu eenmaal van die dagen dat je melancholisch bent, dat je sip bent maar niet weet waarom, dat je prikkelbaar bent en er rotslecht uitziet (puisten op mijn dertigste - komáán), dat je platzak bent en lusteloos, rusteloos, moedeloos. Maar hé, wat maakt het uit? Het echte geluk zit 'm namelijk in de kleine dingen en in de verbondenheid met anderen. Ik citeer graag De Wachter die op zijn beurt Leonard Cohen citeert: "There's a crack in everything, that's how the light gets in."   Laat ons die barsten wat meer koesteren en rustig zoeken naar manieren om gewoon tevreden te zijn met het, tja, gewone.   En anders? Allemaal in therapie bij Dirk De Wachter!

Ministerie van Hysterie
16 0

Een pintje voor 't wachten

‘…en een pintje voor ’t wachten.’ Zo rondde de man voor me in de fleece met verfspatten van z’n in 1998 geschilderde kinderkamer zijn bestelling af. Net als deze man, die een kleintje met een boulet special bestelde, wat mij weinig leek voor iemand die ik zou verwarren met een Aziatische zwarte beer mocht het niet voor de lichtroze verfplekken op z’n rug zijn, vind ik het ook moeilijk om vijf minuten te wachten zonder blik mannelijkheid in m’n handen. Ze moesten me maar eens een mietje vinden. Daarom ga ik nooit naar de frituur zonder een pintje voor 't onderweg zijn, een pintje voor de weg van de parking tot de deur, een pintje voor ’t wachten tot ik kan bestellen en een pintje voor het achteruit parkeren op m’n oprit.   De middenstand laat hier serieus wat geld op tafel liggen. En daarin stellen de Halloween, Black Friday, WK, EK en BK vierende Rotary-leden me eerlijk gezegd teleur. Want waarom kan ik alleen pils slurpend aanschuiven op plaatsen waar patatten, curryworsten en – God mag weten welke vortzak die gepaneerde driehoeken vol ruksel bestelt – ragouzi’s in 50 liter vet liggen te pruttelen? Staan we op zondagochtend niet allemaal in de rij bij de bakker te denken ‘kon ik nu maar een halve liter in m’n keel gieten, ’t zou hier veel plezanter zijn?’ En waarom trekt de Primarkverkoopster een frons dieper dan haar decolleté als ik vraag of de Jupiler op een andere verdieping staat? Enkel in de Colruyt staat mijn fles wijn voor ’t wachten klaar als ik binnenkom, gechambreerd en al. Die Jef gaat nog rijk worden, let op m’n woorden.   De geverfde beer drinkt met gulzige slokken van z’n blikje. Je wil natuurlijk niet dat dat pintje voor ’t wachten nog halfvol is als je bestelling op de toog wordt gezet. Want wat is een pintje voor het wachten als je niet moet wachten? De mensen zouden kunnen denken dat je een ordinaire drankverslaving onderhoudt. Ondertussen bestel ik een maxi met stoofvlees, een berenpoot en een Bicky Cheese. ‘Ah en, twéé pintjes voor ’t wachten.’ De frituuruitbaatster glimlacht en kijkt net te lang in m’n ogen om te kunnen ontkennen dat ze wou dat elk plekje van haar lichaam vanavond op mijn menu stond. Beermans krimpt een centimeter of vijf en neemt nog een slok.   Welke politieker besliste er trouwens dat er alleen maar pintjes gedronken mogen worden tijdens het wachten? Kijk, ik masturbeer al eens graag als ik tien minuten tijd heb. Een kwartier als ’t wintert. Is een Kleenex – of een ongevulde ragouzi – voor het wachten teveel gevraagd? Ik zet mij hier wel achter het draaimolentje met Hallmarkkaartjes. En geef toe, dat groot onderhoud zou toch minder vervelend zijn met een 18-jarig Filipijns warmbloedje voor ’t wachten. Mét een lijn coke in de bilnaad? Wat denk je zelf, zit ik hier misschien in een Dacia-garage ofzo?   De beer slaat de laatste geut achterover en gooit z’n blikje in de vuilbak met het groene papier waarop ‘geen blikjes’ staat geschreven. Sorteren is, per slot van rekening, een wijvengedoe. Net als je oksels wassen, blijkbaar. Maar godverdomme, met die kinderkamer deed hij de Sixtijnse Kapel eruitzien als de paintballhangar na een teambuilding van de Vlaamse Parkinson Liga. Ik maak alfamangewijs m’n tweede pintje soldaat en kijk hoe Michelangelo afdruipt met z’n kleintje in z’n handen. Bij gebrek aan betere opties om de tijd te doden, begin ik door Instagram te scrollen. De uitbaatster en ik zwijgen, terwijl de seksuele spanning door de lucht knettert dat de lichten ervan flikkeren.

Hans Verhaegen
183 0

Poepie

Ben ik depressief? Ik voel me bijna nooit meer echt goed, vrolijk. Ik zie in mijn studie niets anders dan depressie, ruminatie, antidepressiva, ... Misschien dat dat ervoor gezorgd heeft dat ik het gevoel krijg dat ik zelf depressief ben? Ik besef dat het misschien gewoon het herkennen van bepaalde symptomen is dat ervoor zorgt dat ik dat denk, maar misschien ben ik het wel echt?    Zelfs als ik bij Nick ben voel ik me vaak geremd of droevig. Ik wil hem ook niet altijd tonen dat ik me niet zo goed voel, dus verstop ik dat en dat maakt het nog erger. Ik geraak er niet meer uit, uit die negatieve cirkel. Weet je waar ik het meest naar verlang? Naar dicht tegen Nick aankruipen, en kusjes krijgen en me geliefd voelen. Ik zie hem ook vaak genoeg, maar ik voel me niet altijd geliefd. Nochtans doet hij niets anders dan vroeger. Ik denk dat ik er op dit moment gewoon wat meer nood aan heb dan anders. Ik focus me op die lieve woordjes en tedere kusjes. Ik tel ze als het ware, en als ik er te weinig tel, dan ben ik verdrietig. Dan voel ik me niet geliefd genoeg. Goh, wat ben ik stom.    Ik zou graag gewoon even geen lief hebben. Geen lief in mijn hoofd. Eigenlijk wil ik wel een lief, maar wil ik er niet voortdurend over zitten nadenken. Er gaan letterlijk (echt letterlijk!) geen 2 minuten voorbij dat ik niet aan hem denk. Ik voel me soms lichtjes obsessief worden. Ik weet zelfs niet of het nog lichtjes te noemen is. Ik voel me eigenlijk verschrikkelijk. Maar hoe zou ik me dan voelen als ik Nick niet meer had? Daar denk ik de laatste tijd vaak aan. Dat ik nu moet genieten, dat ik alles heb wat ik wil en nodig heb. En toch kan ik dat niet. Misschien ben ik gewoon zo, vatbaar voor depressie? Neurotisch?    Ik merk ook dat ik mezelf meer en meer begin te haten. Groot woord he? Haten. Makkelijker om over mezelf te zeggen dan over anderen, dat lijkt toch al minder overdreven. Ik wil zo graag gewoon eens genieten, ik wil zo graag iemand zijn die iedereen graag heeft. Ik wil niet te zwaar tillen aan kleine dingen. Ik wil stoppen met huilen. Ik wil stoppen met mezelf te haten. Maar hoe?    Ik heb hulp nodig en dat besef ik. Ik had een afspraak gemaakt met een psycholoog twee weken geleden want ik voelde dat ik het zelf niet kon oplossen. Ik ben nog nooit zo teleurgesteld geweest in een gesprek. Waarschijnlijk omdat ik er deze keer net heel veel nood aan had, maar wat voor een psycholoog was dat? Ik kwam daar buiten met gevoel dat ik raar was, dat ik een obsessief, verschrikkelijk iemand was. Ik zal het dan maar zelf moeten oplossen.   Ik zou zo graag weten hoe ik zelfzekerder kan worden, hoe ik mezelf graag kan leren zien. Want het is waar wat ze zeggen, je kan een ander pas echt graag zien als je jezelf graag ziet. Mijn relatie wordt afgeremd door mijn constante twijfel en angst. Ik wil all the way gaan, ik wil springen en zien waar ik uitkom. Maar dat durf ik nu nog niet.    Pff. 'T is zwaar. Te zwaar. 

Layla Clarke
2 0