Lezen

Masterclass Autobiografisch Schrijven – Opdracht 2 - Veerle Schaltin

Vandaag begreep Farahilde dat ik niet was wie men haar altijd had verteld dat ik was. De jongeman die eerst voor priester had geleerd, maar na de oorlog toch met haar grootmoeder Bertha was getrouwd. De brave familievader die vanuit zijn zetel aan het raam, sigaretje in de hand, zijn kroost stil in de gaten had gehouden. Ze begreep dat ik ook niet de kale oude man was in wiens dromerige blik, in zwart-wit ingekaderd, ze elke zondagmiddag had gekeken, als ze aan de grote tafel in de living aten. Ze leerde de man kennen die ik echt was en die ik nooit heb willen zijn. De man die niet eens had mogen bestaan.   Zodra ze de kamer binnenstapte, voelde ze dat Rebecca en zijzelf hier niet alleen waren. De lucht was dens alsof een onzichtbare nevel de ruimte vulde. ‘Ik heb je voorouders al uitgenodigd’, zei Rebecca terwijl ze een kop thee inschonk. Farahilde tuitte haar lippen. Ze wilde iets zeggen, maar de woorden stokten in haar keel. Ze had deze afspraak gemaakt omdat ze al over de helft van haar leven was en het gevoel had nog steeds niets gepresteerd te hebben. Het was alsof ze voortdurend sliep, leefde met een rem op. Dat wilde ze niet langer. Ze had al zoveel geprobeerd: therapieën, yoga, wandelsessies,… Ze had al zoveel geleerd, maar slaagde er niet in het in haar leven te integreren. Eerder had ze nog een familieopstelling laten doen, maar niets was wezenlijk veranderd. Rebecca had haar aangeraden haar voorouders om hulp te vragen door erover te schrijven. Elke ochtend had ze trouw haar schrift genomen en drie pagina’s vol gepend. ‘Lieve voorouders, weten jullie waarom ik zo vastzit?...’ De antwoorden waren heel chaotisch geweest. Het woord ‘familiegeheim’ kwam regelmatig terug. Rebecca dacht dat haar familie een geheim met zich meedroeg. Dat geheim wilden ze vandaag openbreken. Om de mensen die bij de opstelling betrokken waren voor te stellen, gebruikten ze kussens. Uit een bak die in de hoek stond, koos Farahilde een klein roze voor haarzelf. Ze legde het midden in de kamer. ‘Neem ook maar een kussen voor je rem,’ zei Rebecca. Nu pakte ze het grootste. Dat liet ze pal op het roze kussen vallen. Rebecca legde er nog een bij. ‘Dit is je grootvader. Ik voel dat hij met het geheim te maken heeft.’ ‘Kan best,’ knikte Farahilde, ‘Hij kwam ook in mijn schrijfsels voor.’ Terwijl Rebecca zich concentreerde op de boodschappen die ze via de kussens doorkreeg, zette Farahilde zich op een stoel aan de kant. Het was niet dat ze zich niet op haar gemak voelde bij de gestorven mensen in deze kamer, maar dat die een geheim zouden onthullen, waarvan ze niet wist hoe groot het was, en welke invloed het op haar leven zou hebben, zorgde voor een spanning die kolkte in haar ingewanden. Ze nam de thee van de tafel en klemde hem stevig in haar handen. Hij kon haar niet verwarmen. Eerst vertelde Rebecca wat ze waarnam bij elk kussen. Ze blies en zuchtte toen ze de rem probeerde op te tillen. ‘Ik voel veel weerstand,’ zei ze, ‘maar ik weet dat het niet jouw rem is. Hij is van je grootvader.’  Uiteindelijk lukte het haar toch hem van het roze kussen te schuiven. Ze haalde er nog twee kussens bij. ‘Ik weet niet wie dit zijn, maar ze horen hier.’ ‘Misschien mijn nonkels,’ suggereerde Farahilde. Rebecca schudde haar hoofd.  Na lange tijd fluisterde ze: ‘Dit zijn soldaten. Het is oorlog.’ Ze vouwde haar handen op haar hart. ‘Er is iemand gedood.’ Farahilde wist dat haar grootvader in de eerste wereldoorlog had gevochten. Ze had zijn ‘Oorlogsgedenkenis’ gelezen. Daarin repte hij met geen woord over wat er zich tijdens de veldslagen had afgespeeld, maar het leek haar niet zo vreemd dat hij iemand zou hebben doodgeschoten. Dat gebeurde nu eenmaal tijdens een oorlog. Een stilte die als een obus ontplofte, maakte duidelijk dat het niet zo eenvoudig was. Rebecca schuifelde van het ene kussen naar het andere en terug. Traag, tergend traag. Ze kneep haar ogen tot spleetjes. Op het puntje van haar stoel volgde Farahilde al haar bewegingen. Zeg iets, dacht ze, zeg toch iets. Rebecca’s lippen bewogen even, maar er kwam geen klank uit. Ze pierde in het ijle. Plots hief ze haar arm op en hield hem als een pistool tegen haar hoofd. Met grote ogen keek ze Farahilde aan.  ‘Het was niet op het slagveld. Ook geen moord. Het was een afrekening. Wie niet eerst schoot ging eraan. Hij heeft de trekker overgehaald.’ Farahilde schoof nog meer naar voor op haar stoel. De kamer werd een vrieskist.   Het was druk op de baan toen Farahilde naar huis reed. Slechts flarden van het radionieuws drongen tot haar door. Een agent was bij een aanslag op de Champs-Elysees omgekomen… Wat betekende zijn leven bij het leven dat haar eigen grootvader zomaar had afgeknald? Op een ander moment zou ze helemaal niet bij deze agent hebben stilgestaan. De media kapte bijna dagelijks berichten over aanslagen met liefst zoveel mogelijk doden en gewonden als hete pek over de wereld uit. Het maakte haar immuun voor de brandwonden. De pek die zij deze middag over zich had gekregen, brandde wel, tot diep in haar ziel. Rebecca had verteld dat het tijdens een spel was gebeurd, een weddenschap. Een gezaghebber had haar grootvader en een kameraad allebei een pistool in de handen gedrukt. Hij dwong hen de revolver tegen elkaars slaap te houden. ‘Wie heeft hier lef?’ had hij gelachen, ‘Vooruit! Toon het!’ Haar grootvader had over zijn hele lijf getrild en geschoten. Hij smeet het pistool weg en stormde de abri uit recht naar de vuurlinie. Kogels floten er een nacht lang om zijn oren, maar geen enkele wilde hem raken. Toen hij de volgende morgen naar hun schuilplaats was teruggekeerd, was het lijk opgeruimd en had iedereen luidop gezwegen. Een vrachtwagenchauffeur toeterde omdat Farahilde hem niet liet invoegen. Ze maakte zich zo klein mogelijk en remde. Zoals ze dat al haar hele leven had gedaan. Net zoals haar grootvader na die afrekening. Hij had zich onzichtbaar gemaakt en gezwegen. Zij had al die tijd in zijn schoenen gestaan. Nu was het moment gekomen om haar eigen paar aan te trekken. Ze drukte het gaspedaal stevig in.   Veerle Schaltin

veerle schaltin
6 1

Daisuke

Ze beslist om nog een keer naar de Sainte-Anne kerk op de Place de la République te gaan. Het is te warm om naar buiten te gaan, maar ze wil weten of de catalogi van de Japanners al zijn gearriveerd. De Place de la République ligt nu helemaal in de zon, alleen de trappen voor de kerk liggen in de schaduw. Bij de obelisk, midden op het plein, staat een donkere man met een kameel. Ze vraagt zich af hoe het zit met kamelen en de zon. De man lijkt wat van plan te zijn met de toeristen, maar de toeristen hebben er niet veel zin in. Het is te warm. En het zijn geen toeristen. Ze zijn niet gekomen voor kamelenritjes. Ze zijn gekomen om naar foto’s te kijken. Ze dragen badges. Deze week is het stadje één groot fotografiemuseum en met een badge mag je overal binnen. De bekende fotografen hangen in paleizen en kerken als de Sainte-Anne, de onbekende hangen in lege panden of gewoon op straat. Ze komen elk jaar, deze week, de badges. Ze willen geen kamelenritjes. Ze willen foto’s van kamelenritjes.   Ze gaat naar de geïmproviseerde shop, vooraan in de kerk. De catalogi zijn nog niet gearriveerd. Het is warm in de Saint-Anne. Ze wil weg, naar hun koele appartement bij het Théâtre Antique, maar ze gaat toch nog een keer naar de foto’s kijken. Het zijn beelden van acht Japanse fotografen. Ze werden iets meer dan veertig jaar geleden voor het eerst in New York getoond en ze hebben daar veel indruk gemaakt. Op de expo in New York zag de wereld voor het eerst dat de fotografie in Japan radicaal was veranderd. Ze kent de beelden, maar nu ziet ze de afdrukken in het echt. Het zijn donkere zwartwitfoto’s. Ze zijn gemaakt op straat, weg van de studio, in het Japan van na de tweede wereldoorlog. Fotografen hadden plots lichte camera’s waarmee ze snel konden fotograferen, midden in de gebeurtenissen. Ze maakten slordige, haastige, slecht belichte en vaak onscherpe beelden.   De beelden van de expo in New York zijn hier in de Sainte-Anne aangevuld met beelden van de jonge Japanse fotografen Sakiko Nomura en Daisuke Yokota. Hun beelden zijn zo mogelijk nog zwarter dan de beelden van hun meesters. Ze zijn zo zwart dat je vaak niet weet wat je ziet. Yokota fotografeert graag als het donker is. Thuis, op straat, of in een hotel om drie uur ‘s nachts. Ze ziet lichamen, kamers, bedden, schimmen. Van ver lijken de beelden wel reeksen zwart fotopapier. Als ze haar hoofd schuin houdt, ontwaart ze hier en daar een figuur. Of toch niet. Je kunt deze beelden nog nauwelijks foto’s noemen. Het zijn flarden van beelden. Het zijn vage herinneringen aan wat ooit is geweest. Yokota experimenteert. Hij heeft fotografie gestudeerd, maar heeft niet eens een echte donkere kamer. Hij gebruikt zijn badkamer als donkere kamer. Hij knoeit met de scheikundige producten en maakt opzettelijk krassen. Op de beelden van Daisuke Yokota zit ruis, net zoals er ruis zit op de elektronische muziek van Aphex Twin, een van Yokota’s idolen.   Als ze de kerk verlaat, ziet ze het blad op de deur. Book signing Daisuke Yokota Thursday 9th at 5PM. De signeersessie is in de espace Nonante-Neuf, op een verlaten industrieterrein, op twee kilometer van de Place de la République. Geen bomen, nauwelijks schaduw. Alleen stenen en moordende zon.   Yokota zit aan een tafeltje, met een stapel lichtblauwe boeken. Het zijn de catalogi. Een vriendelijke dame geeft een papiertje, je schrijft je naam erop en Yokota kopieert je naam in het boek. Hij kijkt niet op, hij signeert. Dit is het moment. Dit is haar kans. Ze haalt het boek uit de kaft die ze speciaal heeft gekocht om Immerse, zijn boek, in te bewaren. Ze heeft het boek twee dagen geleden gekocht. Het is een van de 40 handgenaaide exemplaren, geprint op Fedrigoni papier en speciaal voor dit fotografiefestival gemaakt. Geen twee boeken zijn dezelfde, elk blad is een unieke print. Yokota kijkt op, ze is één van de veertig. Ze kijkt in de blije ogen van de jonge man die al jaren met een lantaarn voor haar uitloopt, in haar donkere kamer, met haar eigen beelden, haar eigen herinneringen, haar eigen verhaal. Ze is te verstomd om hem dat te vertellen. Ze kan alleen maar arigato gozaimasu stamelen.

Elisabeth Leysen
0 0

Noem een Facebookvriend niet zomaar een vriend

Een welbekende greep uit het overaanbod: Facebook, Twitter, Pinterest, LinkedIn, Tumblr, Instagram, Myspace, Google+, Youtube,… . De lijst is lang. Heel lang. Misschien zijn er zelfs meer sociale netwerken dan u Facebookvrienden heeft, zelfs al ligt dat aantal hoog. De overkoepelende mediaan ligt in België op 241. Dat zijn zes volle bussen vrienden per persoon. Maar bij hoeveel mensen kunt u uw hart luchten bij een kopje koffie? Staat er werkelijk een verhuisteam van 241 man aan uw voordeur, wanneer u een zware kast niet in uw eentje kunt verslepen? We hadden nog nooit zoveel vrienden, we waren nog nooit zo eenzaam. Het is een hedendaagse paradox waarin de meesten zich herkennen. Kwantiteit overwint kwaliteit, het woord ‘vriend’ is gedegradeerd tot een lege huls. Bij deze daarom een warme oproep tot gezonde nuance.   Privacy, de mythe van de 21ste eeuw Zelf beweert Facebook dat het geen privacy-inbreuk wil plegen door de exacte relaties van haar gebruikers bloot te leggen. Laten we deze stelling even onder de loep nemen. In het derde kwartaal van 2017 maakte Facebook een nettowinst van liefst 4,7 miljard euro, en behoort daarmee tot de snelst groeiende en grootste bedrijven wereldwijd. Toch houdt het vol dat haar prioriteit niet bij winstbejag, dan wel bij het verenigen van de gebruikers ligt. Misschien was dat ooit, in de prille levensjaren van het internet, inderdaad het geval, maar tegenwoordig vallen zulke uitspraken toch moeilijk te rijmen met de grootschalige reclamecampagnes en politieke inmenging. Facebook verkoopt geen producten, het verkoopt u. Het heeft ù nodig, meer bepaald uw persoonlijke interesses om zo gericht en effectief mogelijk advertenties aan te bieden. Geen enkel platform vraagt u dermate de oren van het hoofd als Facebook: welke sport beoefent u? Welke boeken heeft u gelezen? Naar welke muziek luistert u het liefst? Waar bevindt u zich? Vroeger kon men enkel ‘liken’ of ‘afblijven’, nu is er ook een scala aan emoticons beschikbaar om gevoelens zo precies mogelijk weer te geven. Het algoritme juicht, de gebruikers zijn tevreden. Want geef toe: “like als je tegen dierenmishandeling bent”, dat kan een computer nog niet interpreteren. Hij zou redeneren dat u doodgeknuppelde zeehondjes leuk vindt, en een paar passende foto’s voorstellen… Specifiëren kan dus geen kwaad, het verhoogt enkel het comfort. Tenslotte verkoopt iedereen die een account aanmaakt zijn ziel aan Facebook, ook inactieve profielen. Lees er de privacyverklaring maar eens op na. Die kan beknopt worden samengevat tot “privacy is een mythe”. Alles wat loszit wordt verzameld, gaande van batterijsterkte en IP-adres tot bankkaartgegevens. Betreden op eigen risico. Waarom dan niet preciseren bij relaties? Als iedereen mekaars ‘vriend’ is, wat is de waarde van vriendschap dan nog?     Alternatieven Andere (a)sociale media tonen dat het mogelijk is om onpersoonlijke benamingen te gebruiken, zonder draagvlak te verliezen. Youtube spreekt bijvoorbeeld over ‘abonnees’ (subscribers), Instagram, Pinterest en Twitter over ‘volgers’ (followers). Met alternatieven uit het dagelijks leven zouden we al een heel eind komen: ‘ouder’, ‘grootouder’, ‘kennis’, ‘collega’, ‘medestudent’, etc. Facebook gebruikt het woord "vriend" als synoniem van een kennis of contact. Een wereld van verschil, want vriendschap gaat over het leven en zijn kronkels, over een soulmate aan je zijde op je levenspad, over wat de ene mens voor de andere mens kan betekenen. En dat dat wederzijds is!   Geen goedkoop titeltje Vrienden zijn schaars en kostbaar. Facebook, strooi dure woorden niet achteloos in het rond alsof het letterkoekjes zijn op 6 december. Laat ons zelf beslissen wie onze vrienden zijn. Echte vriendschap kun je niet plannen en draait niet rond vriendschapsverzoeken die je kunt aanvaarden of weigeren, maar overkomt je. Bovenal werkt echte vriendschap in de luwte, achter de schermen, niet op het scherm zelf. Ook al laten we onze smartphone thuis, vrienden dragen we altijd met ons mee in ons hart.

Amaryllis
0 1

Onder de moerbeiboom - Marieke - opdracht 2

Vandaag zal het de laatste keer zijn, dat de mol vrij spel krijgt in onze achtertuin. Deze middag heeft Liv in overleg met de arts en geflankeerd door haar zoon gevraagd om de pijn verder te bestrijden.  De medicatie zal opgevoerd worden. Wij weten allemaal, met haar steeds verzwakkende toestand, dat deze verhoging wel eens de laatste kan zijn. We weten niet of het kwestie van uren of van dagen is. Maar we vermoeden dat er nu heel snel een einde komt aan het verblijf van deze bijzondere gaste. Ze had ervoor gekozen om zich niet verder te laten behandelen. Chemo en bestraling hadden haar leven misschien nog iets kunnen rekken, maar geen oplossing geboden. Deze ‘giftige’ ingrepen zou ze sowieso nooit hebben toegelaten, zelfs bij minder noodlottige prognoses had ze die geweigerd. Dat vertelde ze me op een van die vele momenten dat ik haar in haar gezellig ingerichte kamer kwam verplegen.   Toen ze iets meer dan twee maand geleden toekwam, moest ze het nog leren: ‘zich laten verzorgen’. Ze was een taaie en koppige dame die al jaren alleen woonde en gewoon was haar plan te trekken, zich te harden en eindeloos op zichzelf te bezuinigen. Met een verbeten, lichtjes verbitterd trekje rond haar mond probeerde ze zich toen zelf recht te zetten, op te staan en naar de wc te gaan. Ze weigerde hulp te vragen. Maar al heel snel kwam er verandering in haar houding. De groene omgeving deed haar weer ademen. Hoe meer ze onze zorg toeliet, hoe zachter de trekken in haar gezicht werden. Hoe zwakker haar hele lichaam werd, hoe stralender haar lach en haar ogen. Het was een intense ervaring om haar op korte tijd zo te zien evolueren naar iemand die gelukkig haar einde tegemoet trad. Het zijn er maar enkelen per jaar die nog zo helder van geest zijn als ze hier toekomen, die tijdens hun verblijf in onze hospice nog een mooi slotstuk aan hun leven kunnen breien. De meeste van de gasten komen pas als de medische wereld hen geen sprankeltje hoop meer kan bieden. Ze hebben vaak nog maar enkele dagen te leven en zijn soms amper bij bewustzijn. Aanvaarden dat het einde nabij is, blijft voor velen erg moeilijk. Slechts enkelen durven het lot in de ogen te kijken en te uiten wat er gaat komen.   Liv bloeide op tijdens haar verblijf. Ze genoot met volle teugen van dat laatste slokje leven, alsof ze nu pas ontdekte hoe lekker het was. Zin in een stukje oude kaas? Ze durfde het te vragen en haar kinderen zorgden dat het in orde kwam. Een kopje advocaat én een stukje pure chocolade bij de koffie? Mosselen gaan eten op restaurant?  Dat was meer dan twintig jaar geleden wist ze me te vertellen. Deze zomer wilde ze het allemaal nog meemaken. Oude bekenden, vrienden en familie kwamen op audiëntie terwijl zij als een koningin op haar favoriete plekje onder de moerbeiboom zat. De verweerde planken van de ronde tafel lagen verstopt onder blikken koekjesdozen, kaartjes, schaaltjes met pralines, fotoalbums, fruitsap en bloemen. Oude herinneringen werden opgerakeld en nieuwe ter plekke gesmeed. Er werden banden aangehaald en andere definitief verfoeid. Ze stond midden in het leven, net nu iedereen wist dat het voor haar snel zou afronden. Liv werd ook gevierd. Op een natte zomerse dag is door een groep intimi met muziek en woord afscheid van haar genomen. Een afscheid voor de dood. Samen. Ik mocht erbij zijn. Ik voelde het meeslepende ritme van de taiko-drums en werd geraakt door de kwetsbare stem van haar negenjarige kleindochter toen ze ”Een sneeuwwit vogeltje” zong en zichzelf op gitaar begeleidde.   Ik kon het me amper voorstellen toen Liv vertelde dat ze zo alleen had geleefd. Hoewel ze samen een intense band hadden, verliep het contact met haar beide kinderen niet altijd zonder conflict. Ze was dan ook een vrouw met een sterke mening en dat durfde wel te botsen met haar zoon en dochter. Deze zomer stond voor hen honderd procent in het teken van zo veel mogelijk met hun moeder samenzijn. Dagelijks kwam minstens een van hen op bezoek. Haar zoon had met zijn vrouw en beide kinderen een stacaravan in een nabijgelegen camping gehuurd. Dit was hun vakantie. Ze waren hier kind aan huis. Vooral zijn jongste had het soms moeilijk om de nodige rust in ons verblijf te respecteren. De zesjarige jongen bruiste van energie en had zijn beweging nodig. Als grootmoeder en kleinzoon samen plannetjes bekokstoofden dan zag je de vonken tussen hen beiden flikkeren. Hun pretoogjes spraken boekdelen. Zo ben ik ervan overtuigd dat zij degene was die hem had ingefluisterd dat die mollevallen nood hadden een aan grondige sabotage. Want dierenleed raakte haar meer dan gelijk welke onheil de mensheid overkwam. Onder het goedkeurend oog van zijn grootmoeder deed hij dagelijks zijn tour langs het grasveld om met een stok val per val te laten dichtklappen. Geduldig zette onze tuinman de vallen de volgende keer weer gebruiksklaar. Het groeiende aantal aardebruine bergjes op ons gazon toonde wie er in deze strijd aan de winnende hand was.   Vandaag is het schooljaar alweer enkele weken bezig en heeft dit gezin er een weekenduitstap van gemaakt. Ze plannen om een laatste keer van dit seizoen in de caravan te slapen, want de nachtelijke kou dringt al diep binnen door de dunne wanden. Maar de zon schijnt voor de tijd van het jaar nog uitbundig. Na het gesprek met de dokter hebben ze zich weer geïnstalleerd onder de moerbeiboom. Naast haar stoel staat de rollator die vooral dienstdoet als mobiel tafeltje voor haar vaste attributen: het doosje met sigaartjes, een turquoise aansteker met assenbakje, haar gsm en een klein snoeptrommetje gevuld met zoetigheid voor de kinderen. En binnen handbereik staat altijd een groot glas water, afgedekt met een groen siliconenblad waar een geel-bruin bijtje op uitrust. Als ik aan de vooravond buiten kom om een andere patiënt op het aanliggende terras te verzorgen, valt me op hoe moeizaam Liv beweegt. Uitgeput draait ze haar hoofd op het steunkussen en zoekt een houding die haar minder pijn doet. Haar schoondochter kantelt voorzichtig de rugleuning van haar rolstoel naar achter, zodat zij even kan liggen en rusten terwijl de kinderen weg zijn met hun vader om het avondmaal te halen. De warme septemberwind doet de bladeren van de moerbeiboom ritselen, zonnevlekken dansen op haar broze huid. De vrouw zet zich weer aan de tafel en probeert zich te verdiepen in haar boek. De oma van haar kinderen moet even op krachten komen. Straks terug het rumoer, dan staan ze weer hier, om samen spaghetti te eten.  “Ik druk je nogmaals op je hart: als hij niet drastisch aan zichzelf gaat werken,” zegt ze duidelijk, al is haar stem niet meer dan een zucht “moet jij voor jezelf én voor de kinderen een beslissing nemen en van hem weggaan.” De vrouw kijkt op, zegt niets, maar knikt dat ze haar begrijpt. Ze ademt diep in, houdt de lucht even in haar longen vast, om ze dan gecontroleerd weer te laten ontsnappen. Het is alsof ze een groot verdriet wegdrukt, groter dan het nakend verlies van Liv. Het is alsof ze de consequenties van deze boodschap niet durft laten doordringen, omdat die haar hele wereld op zijn kop zullen smijten. Maar ze heeft het gehoord. Ik ben benieuwd of ze deze morele steun zal toelaten en of die haar de moed zal geven om de stap te zetten. Het is niet de eerste keer dat Liv deze boodschap geeft, vertelde ze me eerder. Wel de laatste keer. Hoe hard moet dit niet voor een moeder zijn? Te zien dat haar zoon zijn gezin aan het verliezen is. Maar Liv kijkt verder vooruit naar het leven dat ze niet meer zal meemaken, ze kiest voor het welzijn van haar kleinkinderen.   Straks, na het eten zal Liv helemaal uitgeput zijn. Ze zullen haar naar haar kamer brengen, nog instoppen en warm afscheid nemen. Zij beseffen het niet, maar de kans is groot dat ze haar niet meer bewust gaan terugzien, dat ze, geholpen door de medicatie, langzaam uit zal doven. Dan zal er rouw volgen. Gemis. Van haar sonate zal nu de coda weerklinken. Voor haar nageslacht begint er een nieuwe melodie.

Marieke Genard
0 0

Paus

“Piet?” riep ze uit, verraste ongeloof in haar stem. Zij had hen al van ver in de gaten. Eerst het meisje, halflang asblond haar, een bruin, ontspannen gezicht, zelfverzekerde blik, en een donkerblauw kleedje, duur in al zijn eenvoud, dat was eraan te zien. Dan pas hem, in een witte T-shirt, jeans en dikke, bruine mefisto’s - veel te warm voor de tijd van het jaar - die hem ondanks hun plompheid toch allure gaven. Zij waren druk pratend vanuit ‘Pieter De Somer’ het binnenplein van het ‘Paus’ over gewandeld.  ‘Paus’ was zijn plek geweest, vijf jaar lang. TEW. Niet zo’n moeilijke studie. Een verlengde van de middelbare school, maar moeilijk genoeg voor hem. Zijn thesis had hij over de kunstsector geschreven - schilderijen - op aangeven van zijn moeder Annick welteverstaan, want zijn hart lag bij auto’s en voetbal.   Sabine en Lien stonden aan de overzijde, op de drempel van het Hogeschoolplein met het Pauscollege. Het binnenplein lag er verlaten bij. De dag was nog jong en ondanks het seizoen – het was begin juli -  hing er een aangename koelte in de lucht. De meeste studenten hadden Leuven al verlaten. Zij niet. Ze lummelden wat aan in de gelukzalige tussentijd die enkel het studentenleven kenmerkt. Het vacuüm van enkele dagen waarin de tijd geen tijd is en er, na de heroïsche examenprestatie, een gevoel van volledig zorgenloosheid hangt. Het plezierige niemandsland waarin alles kan en alles mag omdat het verdict nog niet is gevallen en er bij gebrek aan vonnis, niemand al voorwaarden kan opleggen. Nu was dat laatste voor de twee vrouwen een mindere zorg: zij haalden zonder al te grote inspanning jaar in jaar uit eerste zit en naarmate de jaren vorderden voegden zij daar telkens nog een graad aan toe. Het enige waar zij op dit moment mee bezig waren, was het zich overgeven aan de totale ontspanning, op een plek waar ze graag rondhingen. Het Paus was weliswaar mannelijk terrein, maar er hing ook een zware nostalgie in de lucht die een merkwaardige aantrekkingskracht op hen beide uitoefende, alsof het de geschiedenis zelf was die je uitnodigde in haar vertrekken te vertoeven. Het ‘Paus’ als de statige verpersoonlijking van waar de respectabele universiteitsinstelling al jarenlang voor stond: grandeur, eruditie, betrouwbaarheid, degelijkheid. Het college was al generaties lang ingenomen door veelbelovende zonen van de hogere sociale klasse en de vrije beroepers die goed verdienen en waar het metier van vader op zoon werd doorgegeven. Speelvogels die hun studies met schijnbaar gemak door walsten in het onwankelbaar geloof dat het succes van hun ouders mutatis mutandis op hen zou overvloeien. Piet was een uitzondering op die regel geweest. Hij bleef staan, keek op, en onderzocht haar gezicht. Het duurde lang vooraleer hij aarzelend ‘Biene?’ wist uit te brengen. Die naam had Sabine – behalve bij haar thuis – al in geen jaren meer door iemand horen uitspreken. Zij droeg sinds haar studententijd een geheel nieuwe bijnaam waarvan zij vond dat die robuuster was en daarom beter bij haar paste. Ze lachte. Hij ook, eerst een grote, enthousiaste lach en glinsters in de ogen, daarna dat stel ruwe handen voor zijn verbaasde mond: “Ik zou je nooit herkend hebben!” Ze vonden het niet onprettig elkaar terug te zien. Zij had nog nauwelijks aan hen gedacht en was verrast te merken dat hij dezelfde was gebleven. Ze scheelden vijf jaar, hij had bij de oudste kinderen gehoord en was veruit de sympathiekste geweest, ongecompliceerd – hij hield van auto’s en van voetbal en van Duran Duran. Geen streken, niet betrokken in amoureuze intriges – of toch niet met hen – geen behoefte te verleiden of te ‘oefenen’. Zij was de op een na jongste geweest, de lenigste, de kwieke spring-in’t-veld waarvan hij als oudste jongen weinig last had gehad. Bijna tien jaar was het geleden dat zij elkaar niet meer hadden gezien. Haar herinnering aan hem was zuiver – ongetroubleerd. Zij hadden het nooit nodig gevonden om de draad terug op te pikken maar nu ze hier zo stonden was het evenmin onaangenaam. De pauze knop die een decennium geleden was ingedrukt, werd met deze ontmoeting afgezet. Levenslijnen kwamen terug bij elkaar. Minder verstikkend en, anders dan toen, uit vrije wil. Ze waren volwassenen nu, of toch bijna. Roel zou niet veel later met Anne-Sophie gaan samenwonen, Piet zou Sabine geregeld in Antwerpen opzoeken en ook Annick zou opnieuw een plaats innemen in het leven van haar ouders, op een volkomen natuurlijke, maar ook de enig denkbare manier: aan de zijde van Benny, een oude studiegenoot van hun beide vaders. Zo vulden zij elkaars leven, kleurden het, smaakten het.  

Sabine Steels
0 0

Maman Thérèse (opdracht 2, Kristien)

‘Je moet gaan slapen, Kathy. Je kan niets doen en het is beter dat ze geen blanken zien’, zegt Thérèse. Vanuit de stoel op het donkere terras staat Kathy recht. Ze wuift naar de drie studenten die in het maanlicht de wacht houden over het grote, verduisterde huis met naam Mont-Thabor en gaat op de tast naar binnen. Haar ogen wennen aan het donker. Alle kamers liggen vol met matrassen, kleren, boeken en mensen. Ze doet haar sandalen uit en legt zich op een matras op de grond in de gang. Naast haar liggen een baby met zijn moeder en studenten. Ze slaat een doek om zich heen en staart naar het plafond. Zaïre. Zeven weken geleden landde ze in de hoofdstad Kinshasa. De chaos op het vliegveld, de zwoele kleverige warmte, de vele zwarte mensen, de krakkemikkige wagens en de petroleumlichten van de kraampjes langs de straten overvielen haar toen. De ochtendlijke wandelingen doorheen de buitenwijken en de discussies met de lokale bevolking introduceerde haar tot een nieuwe wereld. Op een luchtige wijze kwam ze de laatste nieuwtjes te weten, de prijsstijgingen, de sluiting van benzinestations, de knagende honger van de bevolking en de uitzichtloosheid van de regering. Ze schrikt wakker. Ze gooit het beest dat over haar gezicht kruipt weg. De lange kakkerlak vliegt weg en zet zich vast op de muur naast haar. Ze slaapt niet meer in. De stilte buiten wordt nu en dan verbroken door een kreet of een knal. Op de tast zoekt ze haar zaklamp. Ze zet zich recht en neemt het dagboek uit haar rugzak. ‘Ik ben zo ongerust. Buiten wordt er geschoten. Militairen hebben belangrijke plaatsen ingenomen. Ik zou graag papa en Steven verwittigen maar de telefoon is al drie dagen afgesneden. Straks plunderen ze misschien ons huis en zullen ze mij en al deze lieve onschuldige mensen afslachten. Wat zal papa zonder zijn dochter doen en Steven zonder zijn zus? Nee ik wil leven. Ik wil het overleven. Die militairen voelen zich nu de koning te rijk. Maar voor hoelang?’. Het wordt licht. Kathy staat op, plaatst de matras achter een deur en groet de huisgenoten die wakker zijn. Buiten werken enkele studenten in de moestuin. Kathy moet binnenblijven. Onrustwekkende berichten sijpelen binnen. De militairen zijn op 200 meter van Mont-Thabor aan het plunderen. De studenten verstoppen hun diploma’s in een put in de tuin en nodigen Kathy uit hetzelfde te doen. Kathy geeft hen haar pasport en fototoestel. Thérèse komt aangelopen en leunt tegen de deuropening. ‘Kathy, l’ambassade Belge te cherche. Ze zoeken je. Ik heb het via radiocontact vernomen’. ‘Ah oui? En wat moet ik nu doen?’, vraagt Kathy. ‘Wij kunnen je nergens heen brengen want de benzine voor de wagen is op. Bovendien is het nu te gevaarlijk om op straat te gaan. Het komt wel in orde’. Thérèse stapt naar de keuken en organiseert het middagmaal. Kathy volgt haar en helpt de studenten met het snijden van de maniokbladeren uit de tuin. Het gebeuren in de stad is het middelpunt van de conversaties. ‘Gisteren heeft een man de etalage van een schoenwinkel leeggehaald. Maar toen hij thuis kwam was zijn vrouw woedend. Hij had alleen schoenen voor de linkervoet mee’. Ze lachen allemaal. Het middagmaal is klaar. Thérèse brengt een kom rijst en groenten naar het terras. Twaalf kinderen zitten met een plastieken bord voor zich. Ze volgen met volle ogen de kom. Thérèse schept op. ‘Bon appetît mes enfants’. In slilte slokken ze hun bord leeg. Thérèse komt terug binnen en kijkt bezorgd naar Kathy. ‘Wat ze morgen zullen eten weet ik nog niet’. Thérèse. Altijd opgewekt naar buiten. Altijd vol oplossingen en vooruitzichten. 35 jaar geleden kwam ze, als Belgische bioloog, samen met haar man en hun vier kinderen naar Kinshasa om les te geven aan de universiteit. Geconfronteerd door de moeilijkheden waar vele studenten mee kampten, openden ze hun grote huis voor enkele alleenstaande moederstudenten. Door de jaren heen, kwamen er ook steeds meer wees- en straatkinderen bij. Ze vormden hun huis om tot het gemeenschapshuis Mont-Thabor waar ieder een plaats en taken kreeg.   Het is drie uur. Er wordt aan de poort gebeld. Iedereen in huis is alert. Zijn het de militairen? Misschien een buur in nood? Een studente schuift voorzichtig het uitkijkluifel van de poort open. ‘Oui?’ vraagt ze beleefd. ‘Het is voor Kathy, la Belge.’ ‘Er zijn hier geen blanken’. Thérèse die het gesprek op afstand volgt, snelt naar de poort. ‘Oui, Monsieur. Kan ik je helpen?’ ‘De ambassade heeft me gestuurd om Kathy op te halen.’ ‘Ik versta het’. Thérèse opent de poort. Een zwarte wagen rijdt de oprit op. Kathy moet mee. Er is geen tijd om deftig afscheid te nemen. Ze omarmt vlug drie kinderen en Thérèse. ‘Thérèse, het is voorbij voor mij. Kan je alstublief aan iedereen zeggen dat ik moest vertrekken en dat ik het jammer vind dat ik geen afscheid kan nemen?’ Kathy heeft tranen in de ogen. ‘Pas de problème. Ik zal het doen. Denk nu en dan nog eens aan ons hier’, antwoordt Thérèse. Een jonge moeder brengt Kathy haar pasport, fototoestel en rugzak. Kathy stapt in. Kinderen en enkele volwassenen wuiven haar uit. Ze hangt uit het venster op de achterbank. De chauffeur roept kwaad ‘Ben je zot? Wil je je leven riskeren? Doe vlug het venster dicht.’ Kathy zwaait van achter de geblindeerde vensters verder naar het luchtledige. Niemand kan haar zien. De poort wordt vlug dicht gedaan. Ze staart naar het voorbijglijdende straatbeeld. De straat is leeg. Mensen zijn binnen gebleven voor de veiligheid. Alles is geplunderd, overal glasscherven, in brand gestoken benzinestations en autowrakken. Alles is vernield door mensenhanden. Alsof een troep mieren een krekel aanviel en enkel het skelet overliet. Zelfbediening voor de sterksten. Ze komen aan op de Belgische ambassade. De wachter herkent de nummerplaat. De poort gaat open en de wachter commandeert hen met zijn mitrailleur snel binnen te komen. De wagen rijdt binnen. Kathy is veilig. Haar Zaïrese collega’s en vrienden niet. Zij moet vluchten. Thérèse mag blijven. In de ambassade loopt het vol Belgen. Vol blanken. Na een uur krijgen ze zalm, kaviaar, hesp, kaas en brood voorgeschoteld. Er wordt gegeten. Kathy eet niet. Ze kan niet. Zij in het huis van Thérèse ook niet. De kinderen eten er maïsmeel met water, zonder melk, zonder suiker, zonder vlees. Bedden zijn geïnstalleerd in de gangen en kamers. Er wordt geslapen. Kathy schrijft afscheidsbrieven voor de mensen van Mont Thabor en neemt haar dagboek. ‘Overal Ogen Monden Gewoonten   En toch, de jouwe zijn anders.   Het zijn de jouwe’ Ze sluit haar ogen en is bij het leven van Thérèse.

Kristien Vliegen
0 0

Genoeg!

Genoeg! Het is genoeg! Ik heb de cursus bestudeerd, heb mijn sesam-broodjes belegd met de gedaantes van verteller en schrijver, heb er me, met de assistentie van een detox-love thee met kurkuma, ananas en gember, bio, raw, vegan, heb me er bij neergelegd dat ik altijd buiten de tekst zal staan want ik bén de schrijver – ik, die graag bladzijde na bladzijde inniger in mijn verhaal en in mezelf zou willen duiken, aiaiaiaiai- ik schuif vertelinstantie, alwetende en zovele andere niet-wetende vormen van perspectief opzij – ik moet wel, de tijd dringt! – en ik vertel. Ik overtreed de regels. Tant pis. Ik schrijf!               Ik ben een paar tientallen jaren jonger. Pardon. ZIJ is een paar tientallen jaren jonger. Gaat het café binnen. Gelukkig, de rook van sigaretten en sigaren is dragelijk. De asbakken op de tafels zijn leeg. De eikenhouten lambrizering, de spiegel en de glazenkast achter , de sierlijk uitgesneden houten panelen van de toog, het zachte, wit marmeren blad er bovenop, de lederen banken, de deuren en ramen met gezandstraald glas, de muurschilderingen overal, het overvalt haar. Prachtige Neo Renaissance, zeggen de kenners. Het is niet aan haar besteed. Het is te. Te gemanieerd. Te bruin. Te warm. Te stil. Te weinig lucht. Dat vooral: te weinig lucht.   Maar hij heeft hier met haar afgesproken. Ze kijkt rond, knikt vriendelijk naar de kelner, ziet hem dan zitten, een beetje op afstand van de andere klanten. Ze glimlacht, stapt op hem af. Hij helpt haar uit haar mantel, geeft die door aan de kelner, bestelt dadelijk twee koffies, (koffie, ja toch?), schuift haar stoel bij, gaat zelf zitten aan de overkant van de tafel, recht tegenover haar. Hij steunt op de ellebogen, leunt een beetje voorover, tokkelt op de tafel met de vingers van zijn normale hand, bekijkt haar, ze spreken over koetjes en kalfjes, wachten tot de kelner de bestelling brengt. Dan zegt hij wat hij te zeggen heeft. En zelfs nu, na al die jaren, komt bij haar het beeld boven van hoe hij daar zit. Als een onderhandelaar. Doe je dit voor dat. Het is pas nu, nu de beelden opnieuw verschijnen, dat ik er de woorden bij vind - en wat, wat met die woorden? Benoemen ze wat op wacht stond in mij, of wordt wat er verschijnt , in mij verwekt door woorden?   Hij: ‘Je weet toch waarom ik je gevraagd heb om je alleen te spreken?’ Zij: ‘ Nee. Geen flauw idee. Misschien wil je me wel uitnodigen om mee naar het theater te gaan. Of naar de film of zo. Misschien wil je me vragen of ik mijn nota’s met jou wil delen. Of om samen iets in te studeren. Je combineert rechten met politieke en sociale. Al dat noteren, corrigeren, overschrijven, met je arm… (haar adem stokt abrupt. sorry.sorry) Sorry. Sorry. Het is niet kies om daar over te beginnen…’ Hij: ‘ Het is niets, het is niets. Maar ja, het is toch wel iets in dat verband. Ik wilde je vragen… ‘ (hij valt stil). Zij: ‘ Wàt is het, zeg het. Wie weet lukt het wel, kunnen we samen…’ Hij: ‘ Welja. Misschien kunnen we samen… Ik wilde… ik wilde… eigenlijk wilde ik je vragen, of jij met mij wil verkeren.’ Zij: (ze strekt haar rug, bekijkt hem, perplex) ‘Maar jong toch! Maar jong toch!’ (ze is van slag, ze zoekt een antwoord, ze wil hem niet kwetsen, hij, met die drie vingers aan zijn rechterarm, die rechtstreeks aan de elleboog zijn gegroeid, als blaadjes veldsla op een zandbedje, zonder onderarm, die op maat gesneden pakken draagt, die…) Hij: ‘Die arm, dat is niet iets wat in mijn familie zit. Dat komt door een medicament dat mijn moeder heeft genomen toen ze pas in verwachting was . Softenon. Tegen zwangerschapsbraken. De dokter heeft haar die pillen voorgeschreven. Maar ik kan alles doen, weet je. Het is mijn linkerarm. Ik kan zelfs tennis spelen. Er zijn altijd wel ballenjongens in de buurt. En…’ Zij: ‘Maar daar gaat het toch niet om, joh. Je moet dat niet uitleggen. Dat maakt geen verschil. Ik ben’. (hij onderbreekt haar). Hij: ‘Ik heb er met mijn ouders over gesproken. Je weet toch wie mijn vader is. (ze schudt haar hoofd: nee, dus). Mijn vader is éen van de hoofdaandeelhouders en lid van de Raad van Bestuur van de bank XXX. Hij zetelt in de senaat. Ze zegden dat ze helemaal achter mij stonden. Ik dacht, (haar hand ligt nu ook op de tafel. hij legt er zijn goede hand over. ze trekt die van haar niet terug, ze wil hem niet nog erger bruskeren). (ze is verbauwereerd, ze gelooft niet wat ze hoort, ze wil het niet geloven). Hij: ‘ ‘Ik dacht, je bent een meisje. Een vrouw. Je bent naar de unief gekomen. Je wil toch zeker een goede partiij…Als je met mij gaat, ben je voor je hele leven verzekerd van..’.   Die keer is de eerste keer. Ze voelt het, het flakkert op als vuur waar de wind in valt, het overspoelt haar als een tsunami: de diepe verontwaardiging, de razernij, het gevoel dat ze tot in de toppen van haar tenen beledigd werd. Je bent een meisje, je gaat naar de unief. Dus. Je bent een meisje. Dus. Je bent een meisje. Dus. Aan de haak slaan. Zo rijk mogelijk. Status verzekerd. Ich liebe dich in Zeit und Ewigkeit. Haar hersenen, haar tong blokkeren, het is daarboven de absolute leegte. Maar haar lijf neemt het over. Ze staat recht, bekijkt die hufterige apekop zelfs niet meer, ze draait hem de rug toe en stapt weg, het neo-renaissancecafé door, voorbij de (nieuwsgierige? geamuseerde?) blikken van de stamgasten. Ze kookt.   Nu, een half leven later, leer ik werken met begrippen als ‘thema’, individualiteit’, ‘verbondenheid’, ‘premisse’; lees ik ‘Sprakeloos’. En ik ontdek,, waarom ik die keer, waarom ik volgende keren, zo op mijn hart ben getrapt. Respect, te veel. Alle mensen zijn gelijk, natuurlijk. Verbondenheid. Zelfrespect, te weinig. Confrontatie, gevreesd. Tegenspraak, te weinig. Sprakeloos. Maar mijn wijze lijf beperkt de schade, neemt het over. Het geeft ze het nakijken. Genoeg!                                                                 

versta
29 0