Lezen

Het kerstdiner

Liefste papa,   Afgelopen zaterdag was het kerst. Dat zijn we bij tante Annie en oom Jan gaan vieren. Ze hadden hun huis versierd met duizenden lampjes in alle kleuren van  de regenboog en in de woonkamer hadden ze speciaal een hele grote kerstboom gezet. Een echte! Er lagen tien pakjes voor mij onder. Voor zus maar vier en voor mama twee. We hebben hard gelachen toen opa zijn cadeautje opendeed. Er zat een nieuw vals gebit met tandenborstel en een tube tandpasta in. Het oude heb ik gekregen. Ik ga het in een glas water op mijn nachtkastje zetten, net zoals opa dat doet. Tante Truus was er ook. Mama zegt dat ze maandag terug naar het centrum moet. Ik denk dat ze het huis voor oude mensen bedoelt, maar zo oud is tante Truus toch niet?   Als voorgerecht waren het zelfgemaakte kaaskroketten van oma. Ik heb er zoveel gegeten dat ik de tel ben kwijtgeraakt. De ijstaart kwam uit het centrum, maar niemand heeft ervan kunnen eten. Tante Krista heeft ze per ongeluk omgestoten. Maar niemand vond dat erg, want zotte mensen kunnen toch niet koken, zei oom Ruud. Ik heb geweend, want het was er eentje met chocolade én slagroom.   Tante Truus is na de koffie samen met mij een engel gaan maken. Buiten in de sneeuw. Dat is superleuk. Je doet dat door met je armen en benen tegelijk te zwaaien. Maar eerst moet je wel op je rug gaan liggen. Zus heeft een sneeuwpop gemaakt. De ogen en neus waren restjes van de kaaskroketten. Ik heb er het oude gebit van opa ook nog ingepropt. Mama heeft er een foto van getrokken. Ze gaat hem voor ons afprinten op fotopapier. Ik hang hem zeker en vast op in mijn kamer.   Papa, ik vond het echt jammer dat je er weer niet bij kon zijn, want we hebben mens-erger-je-niet gespeeld en zijn pas gestopt na middernacht. Ik was nog helemaal niet moe. In bed heb ik eerst een Rode Ridder gelezen en daarna stiekem onder de deken dit briefje geschreven. Ik hoop dat ik niet teveel fouten heb gemaakt, want spelling is niet mijn beste vak op school. Voetbal en hoofdrekenen doe ik het liefst.   Wanneer ik je terug zal zien weet ik niet. Eric, mijn beste vriend zegt dat ik zal moeten wachten en dat dat nog heel lang kan duren. Of dat waar is weet ik niet.  Soms geloof ik hem en soms wou ik dat ik morgen al bij je was.   Liefste papa, over enkele dagen is het 2018. Mama, zus en ik gaan dan hamburgers eten en naar het vuurwerk kijken in de stad. De zelfgemaakte rijstpap van tante Truus eten we daarna thuis op. Als er nog wat over is, stop ik volgende week na school bij het kerkhof. Dan kan jij ook eens proeven.   Ps. Ik mis je. Ps. 2 Zus mist jou ook. Ps . 3 Mama mist jou ook. Ps. 4 Ik mis jou meer dan mama en zus!

Sascha Beernaert
11 0

Diane Broeckhoven/ Wat voorafging - Rupert Thomson / Dit feest heeft lang genoeg geduurd - Edgar Hilsenrath/ De belevenissen van Ruben Jablonski

Diane Broeckhoven/ Wat voorafging Wie vertelt mij het verhaal? Weet hij alles of niet? -de ik = de auteur. Broeckhoven schrijft de biografie van haar moeder en van zichzelf. Zij kent haar deel van het verhaal. Wat vertelt de eerste zin? -‘Hoe heb je me gevonden?’àdat iemand kwijt was en iemand anders haar heeft gevonden. De toon waarop is verwijtend, dit wijst dus ook al op een vorm van conflict. Door wiens ogen kijk ik en hoe beïnvloedt dit mijn kijk? Is het maar een persoon of zijn er meer? -We kijken door de ogen van de schrijfster, hierdoor krijgen we een ander beeld op de moeder en op hun relatie dan als het vanuit de moeder zou zijn geschreven. Bij wie ligt mijn sympathie en in hoeverre word ik daarin gestuurd door de verteller? -bij de auteur, vooral door de herkenbaarheid. Zij schetst  het verleden van haar moeder, waardoor ik kan begrijpen hoe ze zo is geworden, maar tegelijk ook wat zij ondanks dat haar moeder zo is allemaal voor haar moeder doet. Ik denk dikwijls: Diane, gij zijt zot, uw moeder verdient dat niet. De liefdevolle manier waarop ze schrijft stuurt mijn sympathie voor haar. Misschien ontbreekt het verhaal wat aan zelfkritiek. Broeckhoven hemelt zichzelf misschien ook wat op. Bv. p.17: ‘Ik heb de oorlog met mijn moeder overleefd door het principe van onvoorwaardelijke liefde te beoefenen, als een boeddhist.’ Als er meer vertellers, perspectieven zijn, wat zijn dan de onder onderlinge relaties, wat is ieders rol en motivatie in het verhaal? Hoe verhoudt iedereen zich tot de gebeurtenissen? -N.V.T. Zijn er personages in het boek van wie ik niet te weten kom wat zij zelf denken? Wat spelen zij voor rol? -De moeder is eigenlijk het hoofpersonage. We krijgen een beeld van haar door de ogen van de schrijfster, dit zal verschillen van wat ze echt denkt. Wat zou het verhaal zijn als ik het ‘ in goede volgorde’ zou vertellen? Wat is het effect van door elkaar gooien? Krijg ik uiteindelijk een sluitend verhaal of zitten er gaten in? - Broeckhoven begint met de laatste weken en het overlijden van haar moeder (Het einde). Dan geeft ze de geschiedenis van haar moeders leven (Wat voorafging). Ze eindigt met de begrafenis (Wat volgde). Door met het einde te beginnen weten we dat Broeckhoven haar moeder tot het einde bijstaat, hierdoor dwingt ze sympathie af, het maakt tegelijk nieuwsgierig naar wat voorafging. Het laatste deel maakt het verhaal rond. Hoe verhoudt de tijd binnen het verhaal zich tot de tijd die nodig is om het verhaal te vertellen? Zijn er sprongen in de tijd genomen en hebben die een functie? - Het verhaal wordt verteld in de weken die voorafgaan aan moeders dood en de dag van de begrafenis, maar beslaat het hele leven van de moeder. In welke maatschappelijk historische tijd en in welke omgeving speelt het verhaal zich af? Is er maar één periode of locatie? Hoe laat de schrijver de maatschappelijke context mee resoneren in het verhaal. Zijn er dingen die ik over die tijd weet die de schrijver nadrukkelijk of heel subtiel niet in het boek laat doorklinken? Zo ja, waarom is dat dan? -Het verhaal speelt zich af in Antwerpen en Parijs, de plekken waar de moeder geleefd heeft, in de 20ste eeuw en de eerste 14 jaar van de 21ste eeuw. Het maatschappelijk historisch kader is voortdurend als achtergrond aanwezig. Broeckhoven laat het eerder subtiel doorklinken, maar als lezer weet je dat dit kader de personages maakt tot wie ze zijn en mee hun handelingen bepaalt. Moet ik dingen opzoeken op het verhaal te begrijpen? - Ik kan het boek volledig begrijpen zonder dingen te moeten opzoeken. Er is geen achtergrondkennis nodig. Broeckhoven legt veel uit, bv. p.126: ‘Mijn salaris bedroeg 14 000 Bfr., zijnde 330 euro.’ en p.131: ‘…de Nederlandse Inno, die toen nog L’innovation heette.’ Zijn er elementen in het verhaal die steeds terugkomen, die elkaar versterken of steeds een ander aspect laten zien? Kortom: welke motieven en thema’s kan ik vinden? -Thema’s: De moeilijke moeder-dochter-relatie De hunkering naar liefde van en erkenning door de moeder De plaats in het gezin: tussenkind zijn   En tot slot: kan ik beelden en beeldspraken vinden? En zo ja, hoe sturen zij mijn denken en gevoelens over de personages en het verhaal? Wat is hun functie. - Broeckhoven gebruikt weinig beeldspraak, maar waar ze die wel gebruikt, is het goedgekozen,  bv. p.105: ‘De aders op het voorhoofd van mijn vader spanden zich dan als touwen.’ En p.192: ‘Maar hoe meer ik naar een milde moeder verlangde, hoe meer ze zich met prikkeldraad omwikkelde en me afwees.’ -Broeckhoven vervalt af en toe in clichés als ‘tortelduiven’ voor geliefden, (p.62), spic en span, duivel uit het doosje, om de lieve vrede,… -Soms vult ze suggestieve passages iets te veel in. Zo schrijft ze over het lot van vrouwen als haar moeder: ‘Er zouden  uitsluitend lieve woorden tegen hen gefluisterd mogen worden door zachtmoedige verzorgers. De werkelijkheid ligt er mijlenver vandaan.’ (22) Die laatste toevoeging zou niet nodig moeten zijn als het relaas van de vertelster geslaagd is. -Soms vertelt ze te veel of legt dingen uit, bv. p.28: ‘De volgende dag, na mijn bezoek in de hallucinante wachtkamer vol vertwijfelde bejaarden, is het afscheid nog hartverscheurender.’ Dit is een weergave van oprecht sentiment, maar het zou de lezer moeten zijn die wat er verhaald wordt al dan niet hartverscheurend vindt. De schrijfster zou het hem of haar niet hoeven te vertellen. -Nochtans slaagt ze er meestal wel in niet te sentimenteel te zijn en haar boodschap duidelijk over te brengen. De lezer voelt uiteindelijk mededogen voor de moeder en voor Diane zelf.     Rupert Thomson / Dit feest heeft lang genoeg geduurd Wie vertelt mij het verhaal? Weet hij alles of niet? -de ik = de auteur. Thomson schrijft een portret van zijn familie en zichzelf n.a.v. het overlijden van zijn vader. Hij kent zijn deel van het verhaal, maar heel weinig van dat van de anderen, en dat is ook wat hij wil meegeven: je kan iemand nooit helemaal kennen, ook niet als je erbij woont. Hij zoekt veel uit door met mensen te gaan praten enzo, maar dan nog weet hij lang niet alles. Wat vertelt de eerste zin? -‘Mijn moeder heeft nog een keer iets tegen me gezegd, na haar dood’àdat de moeder van de ik dood is Door wiens ogen kijk ik en hoe beïnvloedt dit mijn kijk? Is het maar een persoon of zijn er meer? -door die van de auteur. Hij probeert dingen ‘objectief’ te schrijven, waar hij conclusies trekt bv. i.v.m. zijn broer door nadien ook mee te geven hoe zijn broer het zag/ziet, maar toch beïnvloedt het mijn kijk. Bij wie ligt mijn sympathie en in hoeverre word ik daarin gestuurd door de verteller? -bij de overleden moeder: zij is het enige personage dat alleen positief wordt voorgesteld. Thomson vraagt mensen hoe ze was en krijgt alleen positieve antwoorden, bv. p.162: ‘Nou, ze was echt beeldschoon […] Ze was altijd opgewekt en enthousiast en hartelijk, terwijl je vader eerder iets stugs had.’ Thomson herinnert zich zijn moeder vaag. Hij vraagt anderen hoe ze was en die geven alleen positieve antwoorden, om hem te sparen? Het is in elk geval het beeld dat Thomson van haar wil bewaren en het beeld dat hij de lezer meegeeft. Als er meer vertellers, perspectieven zijn, wat zijn dan de onder onderlinge relaties, wat is ieders rol en motivatie in het verhaal? Hoe verhoudt iedereen zich tot de gebeurtenissen? -N.V.T. Zijn er personages in het boek van wie ik niet te weten kom wat zij zelf denken? Wat spelen zij voor rol? - We komen het van weinig personages te weten, of slechts deels, omdat de auteur het zelf niet weet. Het gaat zowel om de mensen dicht bij hem (zijn familie) als anderen. Wat zou het verhaal zijn als ik het ‘ in goede volgorde’ zou vertellen? Wat is het effect van door elkaar gooien? Krijg ik uiteindelijk een sluitend verhaal of zitten er gaten in? -De schrijver schrijft dit verhaal n.a.v. de dood van zijn vader: in de goede volgorde krijg je dus zijn dood, de 7 maanden waarin de broers samen rouwen in het huis van de vader, de spanningen die er zijn, het leegmaken en de verkoop van het huis, de verwijdering van zijn jongste broer en hun reünie. Op deze manier zou de schrijver nooit uitkomen bij waar het echt om draait, het trauma uit zijn jeugd, het plotse sterven van zijn moeder, de angst dat iemand zomaar kan wegvallen. Door het dooreengooien kan dit wel. De schrijver slaagt er hierdoor in meerdere lagen in het verhaal te stoppen. Helemaal sluitend is het verhaal niet: de schrijver blijft met veel vragen zitten, en bijgevolg de lezer ook. Hoe verhoudt de tijd binnen het verhaal zich tot de tijd die nodig is om het verhaal te vertellen? Zijn er sprongen in de tijd genomen en hebben die een functie? -Het verhaal begint in 1965, een jaar na de dood van zijn moeder, maakt dan een sprong naar 1984, wanneer zijn vader sterft. En daarna worden gebeurtenissen aangehaald in een schijnbaar willekeurige volgorde. De lezer moet heel aandachtig zijn om te begrijpen wat zich wanneer afspeelt, de schrijver geeft dit soms aan met een jaartal te vermelden, of met tijdsaanduidingen als ‘twintig jaar later’ en door het gebruik van de tijd. Wat zich in 1984 afspeelt schrijft hij in de t.t. Door deze sprongen slaagt de schrijver erin de verschillende lagen mee te geven én bij het pijnpunt, het overlijden van zijn moeder, uit te komen. Het is ook door deze sprongen dat hij kan meegeven dat je iemand nooit helemaal kent. -De tijd die hij nodig heeft om het verhaal te vertellen begint in 1984, na het overlijden van zijn vader, maar beslaat zijn hele leven. In welke maatschappelijk historische tijd en in welke omgeving speelt het verhaal zich af? Is er maar één periode of locatie? Hoe laat de schrijver de maatschappelijke context mee resoneren in het verhaal. Zijn er dingen die ik over die tijd weet die de schrijver nadrukkelijk of heel subtiel niet in het boek laat doorklinken? Zo ja, waarom is dat dan? - Het verhaal speelt zich af in de 2de helft van de 20ste eeuw. De maatschappelijke context klinkt door in de muziek die ze beluisteren, de kleren die ze dragen, de normen die gelden, de kunstenaars die in zijn,…  Het verhaal speelt zich voor een groot stuk af in het huis van de vader na zijn overlijden, maar alle plekken waar de schrijver en zijn broers hebben gewoond komen aan bod. Moet ik dingen opzoeken om het verhaal te begrijpen? - Namen van muziekgroepen, kunstenaars, bekenden,… komen voor in het boek. Het is niet noodzakelijk ze te kennen om het verhaal te begrijpen, maar wel interessant. Ook enige kennis van de maatschappelijke context is relevant, omdat de schrijver elementen daaruit aanhaalt om de historische tijd en de milieus te schetsen. Zijn er elementen in het verhaal die steeds terugkomen, die elkaar versterken of steeds een ander aspect laten zien? Kortom: welke motieven en thema’s kan ik vinden? -Thema’s: Rouwen, gemis ‘mensen kunnen zomaar verdwijnen’ Familiebanden: tussen broers, tussen zoon-vader,… Herinneren: herinneringen zijn niet betrouwbaar   En tot slot: kan ik beelden en beeldspraken vinden? En zo ja, hoe sturen zij mijn denken en gevoelens over de personages en het verhaal? Wat is hun functie. - Thomson gebruikt heel veel beelden, bv. p.9: ‘Haar plotselinge dood heeft haar uitgevaagd, als met krijt geschreven woorden die door de leraar van een schoolbord worden geveegd.’ of p. 183: ‘Elke lantaarnpaal waar we langs rijden maakt een fotokopie van mijn gezicht.’ Vaak zijn ze echter ver gezocht, bv. p.9: ‘De bossen doemden voor me op, de bladeren in dreigende clusters als een paddenstoelenwolk.’ of p. 114: ‘… klim ik in mijn lievelingsplataan, waarvan de schors is afgeschilferd op plekken waar takken uit de stam komen, als een trui waarvan de mouw tot aan de ellenboog is opgestroopt.’ En vaak zijn ze overdreven, bv. p.40: ‘Het was zo stil op de overloop dat ik ergens achter me een vlieg tegen het raam hoorde botsen.’ -Thomson raakt gebeurtenissen, vaak ook vreselijke, aan zonder er te diep op in te gaan. Hierdoor dringen ze net meer door bij de lezer. -Hij schrijft intiem en oprecht, nergens sentimenteel, en toch ontroerend. Bv. waar hij terugkeert naar de plek waar zijn moeder ineengezakt is tijdens het tennissen, een plek die vroeger een tennisveld was, maar nu een parkeerplaats is geworden: p. 167: ‘Toen ze weg waren gelopen, bleef ik tussen de Renault en het busje in staan. Met hun witte markeringsstrepen leken de parkeerplaatsen een spookachtige echo van de tennisbanen waarop ze ooit uitzicht hadden geboden – spookachtig en tegelijkertijd logisch, alsof ze een bewerkte versie of de neergang ervan waren. Ik maakte een foto […] Later liet ik op Terminus Road een afdruk maken van de foto die ik had genomen. Drie auto’s, van achteren, een paar ondiepe plassen – wat witte strepen… De foto was opvallend nietszeggend, zonder echt middelpunt. Nee sterker nog: het was alsof hij was bewerkt. Alsof het onderwerp van de eigenlijke foto was verwijderd, waardoor alleen nog achtergrond restte.’     Edgar Hilsenrath/ De belevenissen van Ruben Jablonski Wie vertelt mij het verhaal? Weet hij alles of niet? -de ik = Ruben Jablonski = de auteur, die een andere naam gebruikt. De ondertitel leert ‘Een autobiografische roman’ leert me dat. Wat vertelt de eerste zin? -’22 maart 1944. De Russen zijn er!’à We krijgen de datum mee. We kunnen nu al vermoeden dat het om een bevrijding gaat. We krijgen ook een richting mee over waar het zich kan afspelen. Door wiens ogen kijk ik en hoe beïnvloedt dit mijn kijk? Is het maar een persoon of zijn er meer? -We kijken door de ogen van deze Ruben Jablonski zelf: het verhaal begint bij de bevrijding uit het getto. Hij is op dat moment een ongeïnspireerde jongeman, zonder levensvreugde of zin in het leven, en dat beïnvloedt mijn kijk. Bij wie ligt mijn sympathie en in hoeverre wordt ik daarin gestuurd door de verteller? -zeker niet Ruben Jablonski zelf: hij is ongemotiveerd, ongeïnspireerd en hij ‘gebruikt’ vrouwen. -de andere personages komen aanwaaien en verdwijnen weer, ze zijn niet diep genoeg uitgewerkt om sympathie of antipathie op te roepen, behalve op het einde zijn vader, die vind ik niet sympathiek omdat hij Ruben tegen zijn wil in de bontindustrie dwingt. De schrijver creëert dit gevoel bewust. Als er meer vertellers, perspectieven zijn, wat zijn dan de onder onderlinge relaties, wat is ieders rol en motivatie in het verhaal? Hoe verhoudt iedereen zich tot de gebeurtenissen? -N.V.T. Zijn er personages in het boek van wie ik niet te weten kom wat zij zelf denken? Wat spelen zij voor rol? -Ruben zelf: doordat hij zo ongeïnspireerd is, geeft hij weinig prijs Wat zou het verhaal zijn als ik het ‘ in goede volgorde’ zou vertellen? Wat is het effect van door elkaar gooien? Krijg ik uiteindelijk een sluitend verhaal of zitten er gaten in? -Het verhaal beschrijft Rubens kindertijd en jeugd tot hij jongvolwassen is en zijn boek, Nacht schrijft. Hij begint het verhaal bij de bevrijding uit het getto, blikt terug op zijn romantische kindertijd en beschrijft dan hoe hij van de ene naar de andere plek trekt in de hoop een boek over het getto te kunnen schrijven. In goede volgorde zou het eerste deel zeemzoeterig zijn. Nu weet ik dat er een breekpunt komt, het maakt me nieuwsgierig naar wat volgt. Hoe verhoudt de tijd binnen het verhaal zich tot de tijd die nodig is om het verhaal te vertellen? Zijn er sprongen in de tijd genomen en hebben die een functie? - zie vorige vraag. Hij begint het te vertellen vanaf het moment van de bevrijding, maar vertelt over zijn hele kindertijd tot de periode waarin hij het boek probeert te schrijven. Over de tijd in het getto vertelt hij opvallend weinig. Hij besteedt hier ook weinig tijd aan. In welke maatschappelijk historische tijd en in welke omgeving speelt het verhaal zich af? Is er maar één periode of locatie? Hoe laat de schrijver de maatschappelijke context mee resoneren in het verhaal. Zijn er dingen die ik over die tijd weet die de schrijver nadrukkelijk of heel subtiel niet in het boek laat doorklinken? Zo ja, waarom is dat dan? -Het verhaal speelt zich in de 20ste eeuw af, de tijd voor tijdens en na WO II. De maatschappelijke context bepaalt het hele verhaal. -We volgen Ruben, alias Hilsenrath, tijdens zijn leven: Hilsenrath werd in 1926 in een Duits-Joods gezin geboren in Leipzig, maar groeide op in Halle. Na de Kristallnacht in 1938 vluchtte het gezin zonder de vader naar het Roemeense Sereth. Daar woonden een opa en oma en het stadje had voor de toen 12-jarige Edgar een paradijselijke klank, die hij er in werkelijkheid ook ervoer. Zijn vader bleef in Halle achter, maar vluchtte in 1939 naar Parijs. Edgar zou hem pas na de oorlog weer zien toen het hele gezin wonder boven wonder herenigd werd. In 1941 kwamen Edgar en zijn moeder en broer terecht in het Oekraïense getto Mogilev-Podolski – een stad die niet meer dan een ruïne was – , waar ze soms met meer geluk dan wijsheid gespaard bleven voor transport naar een vernietigingskamp. In 1944 werd het getto door de Russen ontzet en al snel koos Edgar voor het avontuur door naar Palestina (destijds nog Engels mandaatgebied) te trekken in de hoop daar een nieuw paradijs te vinden. Dat werd een ontgoocheling. Hij belandde er meerdere keren in de gevangenis. In 1947 keerde hij terug naar het inmiddels in Lyon wonende gezin, maar vertrok kort daarna al weer naar de Verenigde Staten. -Hij vertelt opvallend weinig over het getto, buiten wat algemeenheden en hoe hij en zijn familie per toeval weten te overleven niets. Het verhaal begint op het moment waarop hij uit het getto bevrijd wordt, het gaat over hoe hij er niet in slaagt zijn gettoroman te schrijven, hij is verdoofd, hij vindt de woorden niet, dus kan hij ze ook niet schrijven in dit boek dat vanuit het perspectief van wie hij op dat moment is, is geschreven. Moet ik dingen opzoeken op het verhaal te begrijpen? -Je kan dit boek grotendeels begrijpen zonder al te veel achtergrond te hebben  over de streek. Uiteraard kent iedereen de grote lijnen van de Jodenvervolging. Veel wordt duidelijk in het boek/ de Russen bevrijden hen uit het getto, Palestina is op dat moment onder Engels bewind,…   Zijn er elementen in het verhaal die steeds terugkomen, die elkaar versterken of steeds een ander aspect laten zien? Kortom: welke motieven en thema’s kan ik vinden? -Thema’s: de pogingen om het boek, Nacht te schrijven: het is een noodzaak voor hem deze roman te schrijven, maar het lukt maar niet, pas op het einde, als hij op de boot naar Amerika zit, vindt hij woorden. zijn onrustige maatschappelijke bestaan (jobhoppen avant la lettre, ongemotiveerd, ongeïnteresseerd in de inhoud van zijn jobs)) de politieke verwikkelingen in de regio: in Midden-Europa tijdens het nazisme, zijn visie op de Armeense genocide en de ontwikkeling van de Joodse staat en de verhouding tussen Palestijnen en Joden in die tijd. zijn gedrag naar vrouwen toe: hij ziet hen alleen als wezens om seks mee te hebben zijn depressie: omdat het niet lukt het boek te schrijven of in de nasleep van het leven in het getto (bijhorende impotentie) familieverhoudingen   En tot slot: kan ik beelden en beeldspraken vinden? En zo ja, hoe sturen zij mijn denken en gevoelens over de personages en het verhaal? Wat is hun functie. - We vinden hier niets terug van de aangrijpende taferelen in het getto uit Nacht, of van de satire in De nazi en de kapper. Deze Belevenissen lijken met weinig literaire ambitie geschreven te zijn. We krijgen bijna naïef te noemen dialogen  en beschrijvingen die je eerder in een droog geschiedenisboek verwacht. De vele seksscènes worden zonder passie afgeraffeld Ik vermoed dat deze kale, bijna fantasieloze stijl een bewuste keuze van Hilsenrath is, want het sluit wel aan op het levensverhaal van Ruben Jablonski die na het getto zijn inspiratie en zin in het leven totaal lijkt te zijn kwijtgeraakt. De platte, onversierde, taal, de plichtmatige dialogen, het zonder opsmuk beschreven gehobbel van het ene baantje naar het andere, en de kleurloosheid van de rafelranden van het leven passen hierbij. Het maakt er wel ene boek van waar je je als lezer moet door bijten..    

veerle schaltin
6 1

Masterclass Autobiografisch Schrijven – Opdracht 1 – Veerle Schaltin

Geschreven n.a.v. fragment uit ‘Wat voorafging’ van Diane Broeckhoven (p. 92 tot 100) Premisse: Om er bij vrienden bij te horen moet je ergens goed in zijn, om er thuis bij te horen ben je best zo onzichtbaar mogelijk.   Sneller dan anders fietste ik na school naar huis. De garagepoort kon niet vlug genoeg open zijn, mijn fiets niet rapper tegen de muur gezwierd. Ik denderde de trap op en juichte met de livingdeur nog in mijn hand: ‘Moeke, er is een muziekschool waar je kan leren gitaar spelen zonder eerst zeven jaar notenleer te moeten studeren!’ Ik griste het briefje van Jeugd en Muziek uit mijn boekentas en duwde het onder haar neus. ‘Mag ik dat doen? Toe?’ Natuurlijk mocht ik het. Een middag meer dat ze geen last van me had, kwam immers altijd goed uit. Mijn hart maakte een schroefsalto als ik even later de trap naar mijn kamer op holde. Ik zou leren gitaar spelen zonder saaie muzieknoten. En als ik dat kon,  zou ik er weer bij horen, bij Yves, Peter, Jurgen en Guy.   De voorbije zomervakantie was anders geweest dan alle andere. We hadden geen fietsraces of rolschaatswedstrijden georganiseerd. We hadden geen kampen gebouwd en ook nauwelijks potteke stamp gespeeld. De hele zomer had in het teken gestaan van het grote optreden van Yves, Peter, Jurgen en Guy. Elke ochtend hadden die vier zich in de berging bij Jurgen opgesloten om er pas ’s avonds weer uit te komen. Wij mochten er niet in de buurt komen. Annick en ik hinkelden, sprongen touwtje of haalden onze Barbies boven. Een paar keer fietsten we naar de snoepwinkel om zoveel snoep te kopen als we in onze zakken gestopt kregen. Ons zakgeld raakte echter te snel op. We telden af naar de avonden. Elk uur duurde een halve dag. ’s Avonds dramden de jongens door over hun optreden, welk nummer er nog bij kon, waar een akkoord moest worden aangepast, hoe ze zich zouden kleden,… Annick en ik stonden erbij voor Piet Snot. Af en toe hadden ze een taak voor ons. Zo mochten we tickets verkopen. We knipten rechthoeken uit gekleurd papier, schreven er ‘OPTREDEN’ en ‘5 frank’ op, en tekenden er nog een gitaar bij. Met deze kaarten schuimden we de Meerminnenstraat en de Dwergenstraat af. Als iemand me vroeg welke muziek ze speelden, haalde ik mijn schouders op, want alle namen waar de jongens mee dweepten waren Chinees voor mij. Op de vraag of ze goed waren, antwoordde ik volmondig ‘ja’, al had ik nog geen enkele noot mogen horen.   De dag van het optreden zetten Annick en ik drie rijen stoelen klaar in de garage bij Yves. Aan de zijkant plaatsten we een tafel. Annick zette er bekertjes met chips op. Ik legde er koeken bij die ik thuis met Petit Beurres, Smarties en suikerglazuur had gemaakt. We haalden ook flessen cola aan. Voor de garage klapten we een picknicktafeltje open. Hierop installeerden we onze kassa, niet meer dan een eenvoudige schoendoos waar we het geld instopten. Ook al was niet elke stoel bezet, om stipt twee uur deden we de poort dicht, want dat had Yves ons opgedragen. Meteen daarop vulde kattengejank de pikdonkere garage. Ik gaf Annick een stomp. ‘Dat moet zo,’ fluisterde ze, ‘dat heet stemmen.’ Dit vals gedoe ging snel over in keiharde rockmuziek. Toen Yves begon te zingen, knipte Annick het licht aan. Guy gebaarde dat we moesten rechtstaan. Iedereen danste voor of zelfs op zijn stoel. Ik deed uiteraard mee, maar moest mijn voeten wel dwingen om heen en weer te springen. Op het einde zwaaiden Peter en Jurgen hun gitaren in de lucht, en gooide Guy zijn drumstokken weg. De vier pakten elkaar stevig vast. Wij applaudisseerden luid. Mijn handen konden elkaar niet goed vinden. Als het publiek weg was, bleven de jongens maar zeuren over hoe tof het was geweest. Annick en ik ruimden ondertussen alles op. En toen was de vakantie voorbij.   Het briefje van Jeugd en Muziek was een zegen. Elke zaterdagnamiddag zou ik voortaan naar de muziekschool gaan. Dat ik eerst een jaar zang moest doorworstelen voor ik echt een gitaar kreeg, viel wel tegen, maar om er weer bij te horen had ik veel over. Het tijdstip bleek niet zo gelukkig gekozen. Elke zaterdagmorgen gingen we immers met het hele gezin naar de markt. Zo’n voormiddag kon alleen bij de Sels afgesloten worden. Als het volgens mijn moeder hoog tijd was om naar huis te gaan, smeekte mijn vader: ‘Nog eentje?’ Staf schoof dan snel de zoveelste pint naar hem toe. Mijn broer en ik kregen chips en cola. Ik speelde nog maar een spelletje op de flipperkast of koos een nieuw plaatje in de jukebox. Mijn moeder roerde haar lepel woest in haar koffie rond. In de auto vloog ze uit tegen mijn vader: ‘Hoe moet dat nu met de muziekschool?’ Thuis brulde ze zo hard dat het vast drie huizen verder te horen was. Steevast verdween ze zonder eten klaar te maken naar haar bed en ging er liggen huilen. Mijn vader wisselde geen woord met mij als hij me naar de muziekschool bracht. De lessen verliepen anders dan ik had verwacht. Ik heb nooit toon kunnen houden. Als de leraar me vroeg ‘Oude Jan en jonge Jan’  voor te zingen, begonnen de meisjes achter me zacht te miauwen. Tijdens de pauze gingen ze op de speelplaats op een bank staan en riepen: ‘Komt dat kijken, komt dat kijken… hier treedt op… de jankende kat!’ Ik moest dan voor iedereen zingen en alle kinderen miauwden mee. Ik hield mijn hoofd en schouders recht, en boetseerde een lach op mijn gezicht, maar liefst was ik in een gat in de grond verdwenen. In de auto terug naar huis was het weer muisstil. Thuis zat mijn moeder te breien of te lezen alsof er niets was gebeurd. Ik volgde haar voorbeeld of ik ging buiten met de jokari spelen. Over die plagerijen liet ik niets los. Mijn ouders hadden al problemen genoeg. En ze zouden toch zeggen dat ik me er niks van moest aantrekken. Ik wist dat als ik ergens mee gestart was, ik dat jaar ook uit moest doen. Dus ging ik elke week opnieuw naar de muziekschool. De chips en de cola van bij de Sels lagen elke week zwaarder op mijn maag. Ik wist toen al dat ik het na dat jaar zou opgeven, dat ik nooit gitaar zou spelen, nooit meer bij Yves, Peter, Jurgen en Guy zou horen, en dat onze wonderlijke zomervakanties voor altijd voorbij waren.

veerle schaltin
11 1

De Zieke Man

Ze legde een dekentje over me, en nog één. En nog één. Ze bracht me kippensoep, kuste haar hand en legde die op mijn wang. Ik zei: 'Maar ik ben vegetariër.'... Ze antwoordde engelachtig: 'Maar je bent in de eerste plaats ziek. Genees maar snel.' Ik slurpte van de kippensoep. Mijn darmen protesteerden hevig, gingen een MMA-gevecht aan met elkaar. Ik vreesde het ergste, maar mijn boxershort bleef voorlopig remspoorloos. Ik zei: 'Ik heb angst.' Ze kwam naast me zitten, wreef over mijn voorhoofd: 'Hoezo, angst?' 'Het toilet... Zo gulzig... Met zijn opengesperde muil... Het wacht op mijn darminhoud.... Zo stil en rustig... En toch zo gulzig... Ik wil niet.... Ik wil niet!....' 'Je begint te ijlen', zei ze. 'Probeer wat te slapen.' Maar ik kon niet slapen, enkel rusteloos draaien en keren in een zetel van ongemak. Ik schopte het deken van me af, legde het weer over me. Warm en koud blies over mijn lichaam. Ik dacht ergens God te zien aan het einde van de tunnel. Ze kwam terug naast me zitten: 'De dokter zal er zo dadelijk zijn.' Haar bambi-ogen weerspiegelden een harmonieuze kosmos waarvan zij de enige ster was. Ik kneep in haar hand: 'Blijf nog even bij me, ik...' Maar nog voor ik mijn zin kon afmaken, spurtte ik naar het toilet; naar een opgesperde muil van keramieke gulzigheid. De snelheid waarmee mijn darmen hun drassige inhoud in de pot spuwden was ongezien. Ik schreeuwde en kreunde en liet mijn tranen de vrije loop. Ik mompelde: 'Ik kan niet meer... Ik kan niet meer...' Tot er op de WC-deur werd geklopt. Zij: 'De dokter is er. Kom je?' Als een gebroken Caesar strompelde ik de woonkamer binnen, legde me opnieuw in de zetel. Ik legde mijn hand op mijn voorhoofd, sloot mijn ogen en zei zacht: 'Ach... Ach...' De dokter op vrolijke toon: 'We zullen eens zien wat er scheelt. Kun je je kamerjas openen? We zullen eens luisteren.' Nadat hij me onderzocht had: 'Een klein buikgriepje. Niets aan de hand. Enkele dagen rust en je bent er zo weer bovenop.' Ik kneep in zijn beide handen; handen die stinkende wonden hadden verschoond; handen die zich troostend op een schouder hadden gelegd; handen die wijsheid bezaten. Ik herhaalde: 'Ach... Ach...' De dokter: 'Dat is dan dertig euro, alsjeblieft.' Zij betaalde, liet de dokter uit. Wanneer ze terugkwam, staarde ik naar het plafond: 'Zal het ooit goed met me komen?' Het was alsof mijn darmen hun antwoord al klaar hadden. Zij: 'De dokter zei dat het slechts een buikgriepje is. Hou je nu kalm. Wacht.' Ze kwam naast me liggen, onder het deken. Ik zei: 'Maar nu zal jij ook ziek worden...' 'Ik wordt nooit ziek.' Ze omhelsde me, legde haar hoofd op mijn borst en viel in slaap.   Ik wou dat ik eeuwig ziek was.

Michaël Verest
30 0

een diepe put

Opdracht één, stap drie Thema van leven en dood Premisse: Voor wie de dood niet aanvaardt, zal ze geen nieuw leven voortbrengen. Is dat wel zo? Hoe kom je daartoe? Sinds die dag ben ik veel gevoeliger geworden voor het lijden van mensen. De woorden die ik toen hoorde sloegen in als een bom. De krater in mijn ziel werd een put die de komende weken zou vol stromen met mijn tranen. Ik weet niet wat mijn ziel is. Het diepste van een mens voorbij alle kennen.    De wanden van de put die eerst nog overeind bleven, stortten in. De tijd dat er stevige grond was, leek voorbij. Mijn ziel werd bodemloos. Een paar weken later werd een Duitse topindustrieel door de Rote Armee Fraction vermoord. Een bom onder zijn auto en een krater in de weg.    Met hun linkse ideeën had ik altijd enige sympathie gevoeld. Nu beukte het nieuws van de moord in op de afbrokkelende wanden van mijn put.      Er was iets veranderd in mij. Ik snikte het uit, alsof het mezelf overkwam. Het besef dat het om iemands geliefde ging, die nu achterbleef. Een huwelijk dat brutaal werd stuk gemaakt. De foto van de vermoorde man bleef hangen aan de wanden van mijn ziel. De bron van mijn tranen was lang geleden droog gelegd. Tranen waren als kind verboden en ik leerde om niet te voelen. Als mijn grootvader stierf, wist ik niet wat er werd verwacht dat ik zou voelen.    Wat me nu overkomen was, had wat toen dicht gesnikt was, weer open gebroken. Nu welden de tranen op bij alles dat wijst naar grote liefde, liefde in moeilijke omstandigheden, onmogelijke liefde, liefde die wordt getackeld. Welke waarde hebben die tranen? Wat dragen ze bij tot het leven? Zijn snelle emoties niet even snel weer vergeten? Wat moet er meer gebeuren als je geraakt wordt door het lijden van anderen? En door je eigen lijden? Ik las ergens dat het leven intenser wordt in tijden dat de dood dichtbij is. Mijn grootvader was 10 toen zijn vader stierf en toen zijn moeder stierf 17. Hij ging aan de drank. Hoe kan het leven intenser worden nadat de dood heeft toegeslagen? Is de dood niet altijd destructief? Kan de intensiteit te groot zijn? Een man die onder het kruis stond waarop zijn geliefde Meester werd terechtgesteld, schreef vele jaren later: “In het begin was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God. Dit was in het begin bij God. Alles is door Hem geworden…In Hem was leven, en dat leven was het licht der mensen. En het licht schijnt in de duisternis maar de duisternis nam het niet aan.” De wereld van Johannes was ook ingestort. In wat hij schrijft is zijn geliefde een Woord van God, licht in de duisternis, maar een duisternis die het licht niet aanvaardt. Is dood gelijk aan duisternis? Beide hebben geen identiteit, net zoals de godheid. Dood en duisternis zijn de afwezigheid van iets. De afwezigheid van leven of van licht. Maar God wordt Licht genoemd. Duisternis kan niets met het licht doen. Maar zonder duisternis zouden we niet weten dat er licht is. Pas in de duisternis wordt het licht zichtbaar. God is ook duisternis. Heeft Johannes in dit Woord het antwoord gevonden op de dood die zijn wereld liet instorten? Thomese schrijft: “Ze is iemand geworden die steeds opnieuw geboren moet zien te worden: in de woorden die ik voor haar vind.” Zijn dochtertje, nog een baby is pas gestorven. Moeten de tranen woorden vormen? Moeten uit die put vol tranen woorden en beelden opwellen? Uit een onkenbare bron in het diepste van die bodemloze put, ingeslagen in de ziel? Woorden als een echo. Een echo van wat?      

Hendrik Van Moorter
25 1

Afscheid

‘Je bent de eerste’ zegt Ewoud als ik wat aarzelend ‘De erfzonde’ binnenstap. Instinctmatig buig ik lichtjes mijn hoofd als ik de drempel over ga. Bovenaan, op de steilste helling van de Brugstraat lijken de huizen zo klein. Ik ga alvast aan één van de tafeltjes zitten met uitzicht op de straat, zo kan ik iedereen zien aankomen. ‘Kan ik je al iets te drinken brengen?’ ‘Het komt nog van de gezamenlijke rekening’, knipoogt Ewoud. Wat zou ik kunnen drinken om die harde knoop in mijn maag te verzachten. Het liefst sloeg ik nu een paar borrels achterover maar ik wil mijn neef niet verontrusten met die bestelling om tien uur ’s morgens.  En een dubbele tong is wel het laatste wat ik nu nodig heb. “Een glaasje water graag’, bestel ik.  Dat zal helpen tegen die droge mond. Waarom moest ik het mezelf zo moeilijk maken. Ik had in alle gemoedsrust naar hier kunnen rijden en ervan kunnen genieten om iedereen nog eens terug te zien. Eén glaasje water zal niet volstaan, voel ik,  maar meer is ook niet aan te raden. Daar moet je van plassen.   Ik verwonder me over de toenemende spanning in mijn maag . Straks moet ik nog overgeven. Ik weet ondertussen wel dat de rede soms niet opgewassen is  tegen het gevoel maar ik dacht dat ik dit ondertussen allang onder de knie had.   Langzaam druppelen ze binnen. Ik blijf uiteindelijk recht staan want telkens komt er weer iemand binnen die ik moet begroeten.  ’Lang geleden dat we elkaar zagen, hoe gaat het ondertussen met je?’ herhaal ik verschillende keren.  Het leidt wat af, al blijft het gevoel in mijn maag zeuren. Daar zijn ook mijn kinderen. Ze lijken groot in deze kleine ruimte. De volgende generatie in volle wasdom, midden in het leven, mooi en sterk, nog in de illusie dat alles zo blijft. ‘ Zal het lukken mam’, vraagt Marieke bezorgd. Ik glimlach geruststellend naar haar. Het koffiehuisje raakt stilaan vol.  Iedereen is er ongeveer. We moeten vertrekken, willen we op tijd zijn voor de dienst.   Ik zit vooraan tussen mijn broers en zussen, in de rug gesteund door mijn kinderen. ‘Je kan mailen met de voorganger’ had Ingrid, mijn schoonzus me laten weten. Voorganger, zo heet blijkbaar de man die de dienst leidt. Ik wilde zeker zijn dat er een lezenaar stond en dat er een goeie micro voorhanden was. Mijn stem heeft niet de draagkracht om een hele kerk te bedienen.   De voorganger leest een tekst uit De Korintiërs. Het gaat over sterke vrouwen. Hij had de tekst niet slechter kunnen kiezen.  De opeenvolgende rituele handelingen zijn vertrouwd en tegelijk vreemd. Wierook en wijwater. Het duurt allemaal te lang. Dan hoor ik mijn naam. Ik sta recht en loop naar voor. Alle ogen zijn nu op mij gericht. De lezenaar biedt een welkome steun. Ik kijk de kerk rond. Ik sta in haar schoenen.  Zo moet zij zich gevoeld hebben, vijftig jaar geleden. Voor mij op de lezenaar ligt de tekst die ik gisteravond moeizaam bij elkaar schreef. Ik adem diep in en met de kracht die me nog rest, richt ik mij tot de aanwezigen in de kerk:    Beste familie en vrienden,   Onlangs was ik op bezoek bij mijn moeder. Het was in de vooravond. Zij lag al in bed. Ik schoof een stoel bij.  Ze praatte over de oorlog. De tocht met de tram door Aalst naar hun huis dat ze in puin aantrof.  De herinnering aan de onzekerheid of haar moeder en een paar broers het overleefd hadden, verbleekte bij die van haar pop die in het bombardement bleef. ‘Vader vond dat ik te oud geworden was voor een nieuwe pop’, zei ze, na zoveel jaren nog steeds verongelijkt. Ze was vijftien. De glazen kast vol poppen in de woonkamer kon dat verlies nooit goedmaken. Ze haalde anekdotes op, sommige had ik al meerdere keren gehoord, andere leken nieuw of was ik ze misschien vergeten? Ze lachte bij de herinnering hoe nonkel Iwein hun tante Ella altijd nadeed als die op bezoek kwam. Haar broer, nonkel Iwein was de animator en imitator van de familie. Ze vertelde over de trouwfeesten van haar broers en zussen. Ik begreep dat die nogal eens thuis gevierd werden en dat mijn moeder dan gewoonlijk in de keuken te vinden was, ver weg van het feestgedruis. We haalden herinneringen op over tante Madeleine en het huis in de Vredestraat. Wij, een gezin met zeven puberende kinderen, trokken in bij de alleenstaande zus van mijn grootvader. Een hele uitdaging voor beide partijen. Iedereen noemde mijn moeder, naast moeken zoals wij haar noemden, Bea of Beken. We lachten bij de herinnering hoe, dit keer mijn broer  Maarten,  tante Madeleine vaak nadeed en van Beatrijs, zoals ze mijn moeder altijd aansprak, Treabijs maakte. Doorheen al die verhalen ging de vooravond ongemerkt over in de avond. ‘Het wordt laat’, zei ik, ‘Ik stap maar eens op’. Maar zij was nog niet moe en blijkbaar in een praatgrage bui. Het ene verhaal riep het andere op, en niet altijd in logische volgorde. Mijn moeder benadrukte dat haar rol in al die verhalen er bij voorkeur altijd één geweest was achter de coulissen. En toen vertelde ze over de enige keren in haar leven dat ze, weliswaar niet van harte, toch vanachter de coulissen gekomen was en in de schijnwerpers gestaan had. Al kwam het licht dan vooral van de kerkkaarsen. Mijn broers en zussen zullen het zich nog herinneren dat onze ouders, in het laatste jaar dat we in Melsele woonden, lid waren van  een bezinningsgroep. Deze gezinsgroep’, zoals ze dat noemden, stond onder leiding van de onderpastoor. Zijn naam ben ik vergeten. In vergelijking met haar dorpsgenoten had mijn moeder een mooie taal en een goeie uitspraak. Er werd in haar ouderlijk huis, zoals ook bij ons thuis, AN gesproken - toen heette dat nog ABN - wat in die tijd eerder uitzonderlijk was. Omwille van die mooie uitspraak stelde de onderpastoor mijn moeder voor om elke week voor te lezen in de mis. Mijn moeder was als de dood om dat te doen maar het kwam niet in haar op - en het was in die tijd ook niet gebruikelijk - om nee te zeggen tegen een pastoor of een onderpastoor…   Daar is gelukkig verandering in gekomen’.   Ik pauzeer even, er wordt hier en daar wat gegniffeld. De voorganger staat schuin rechts voor me. Ik zie hoe zijn wenkbrauwen even de hoogte inschieten. Ik ontspan mijn schouders, verplaats even mijn voeten en vervolg dan:   ‘Elke week stierf mijn moeder duizend doden als ze vooraan in de kerk haar tekst voorlas. De spanning kondigde zich al aan halverwege de week en nam gestaag toe richting zondag. Het wende nooit en ze repte er ook nooit met één woord over. Ik zag als kind mijn moeder daar staan, totaal onwetend over de beproeving die ze doorstond daar vooraan, met alle ogen op haar gericht. Aan deze voorleeszondagen kwam er abrupt een einde met de grote tragedie die ons gezin trof. We verhuisden naar Geraardsbergen en daar was geen pastoor of onderpastoor die mijn moeder ertoe verleidde om die plek vooraan in de kerk terug in te nemen en jammer, er deden zich ook geen gelegenheden meer voor die haar er toe bewogen om zich nog eens op het voorplan te begeven.  Bescheiden. Het staat terecht op haar rouwbrief want deze kwaliteit heeft mijn moeder haar hele leven tot in de finesse gecultiveerd en zelfs tot kunst verheven.  Vandaag zijn we hier om afscheid te nemen van mijn moeder, om haar, even nog eens, in de schijnwerpers te zetten. Daarom sta ik hier vooraan in de kerk op de plek  waar zij zoveel jaar geleden zichzelf overtrof om zondag na zondag haar veilige plek achter de coulissen te verlaten om zich in het licht te wagen. Ik wens haar toe dat ze zich nu in het licht mag vermeien, eindelijk bevrijd van alle schroom en angst.’   Ik kijk de kerk rond. Ik voel opnieuw hoe alle ogen op mij gericht zijn. Het heeft nu iets geruststellend. Ik sta terug in mijn eigen schoenen. Deze plaats hoort mij toe. Langzaam loop ik terug naar mijn stoel. Ik zie de opluchting in de ogen van de familieleden op de eerste rijen. Ze kennen de strijd. Ze vreesden een onverbloemd portret. Het is niet wat ze denken: ‘Over de doden niets dan goeds’.  Het was de juiste symbolische handeling: ik raapte de draad op, vergeten op de oude kerkvloer. Ondanks en dankzij mijn moeder werd ik haar alter ego.                              

Haddie
0 0

Mijn ijsman

In de verte weerklinkt het vrolijk deuntje van de ijskar. Op slag laat ik mijn pop vallen wiens haren ik net nog zo zorgvuldig aan het borstelen was. Ons huis, met vooraan de symmetrische houtconstructie, in het midden oplopend naar een punt, ligt zo’n twintig meter dieper dan de straat. De voortuin en de boomgaard ernaast zijn omzoomd met een haag. Van de voordeur tot aan de straat loopt een paadje dat uitkomt op een hek.  Allemaal hebben we wel ergens een litteken opgelopen in de veroveringstocht van het leven. Zelf heb ik op de muis van mijn rechterhand een vijf cm brede genaaide snee, opgelopen bij een valpartij met een glazen zuigfles van mijn elf maanden jongere broertje. Ik vraag me af hoe ze dat toen deed, mijn moeder. We hadden geen telefoon. Vijf kinderen tussen de zes en een jaar en waarschijnlijk was ze al zwanger van het zesde. Waren de buren gealarmeerd door mijn huilen en belden ze de dokter? Of stuurde ze mijn oudste zus naar de buren? Ik besef opeens dat ik dat nooit gevraagd heb. Het litteken van mijn oudste broer Olav spreekt nog het meest tot onze verbeelding, vooral omdat niemand van ons getuige was van het ongeval. In een dappere poging om over het hek te klimmen bleef hij met zijn knie haken in één van de pinnen. We vroegen ons nooit af waarom er pinnen op dat hek zaten. Ik snel het paadje af naar de straat. Het is een rustige straat. Verkeer kennen we nog niet. Zelf hebben we geen auto en slechts een paar buren hebben al een auto op de oprijlaan. Soms gaan we naar de hoek van onze straat die uitkomt op de Schoolstraat, de hoofdstraat van het dorp. We wachten geduldig en roepen dan: ‘Daar is er weer één!’ en  schrijven de nummerplaat op van de auto die voorbij rijdt.  Het kan wel even duren voor ons blaadje vol is. Zelden draait een van deze auto’s onze straat in.   Het tingelende muziekje klinkt steeds harder en dwingender. De ijskar rijdt heel langzaam onze straat door om iedereen de tijd te geven de werkzaamheden even te staken, de portemonnee te pakken en de straat op te lopen. Ik zie de bovenkant van de ijskar al opdoemen boven de haag. Ik open het hek – het is gelukkig niet op slot - en zonder te kijken storm ik de straat op. Met gierende banden komt de camionette van de brouwer, vanuit de andere richting, in de sloot voor ons huis tot stilstand.   Ze noemde het een geleide fantasieoefening. We moesten onze ogen sluiten en de ogen van onze moeder zoeken. Ik vond ze niet. Geen enkele situatie kwam me voor de geest waarin ik haar ogen op me gericht wist. Er kwamen me wel andere ogen voor de geest: de buurvrouw van een tante waar ik logeerde en die meer deed dan alleen mijn gekneusde knie verzorgen. ‘Ach, die jongens kunnen zo wild zijn’ zegt ze vriendelijk. De ogen van de monitrice, ze draagt me in haar armen. Er zitten splinters in mijn voet van het houten podium. Ze neemt de tijd om ze voorzichtig één voor een met een pincet uit te trekken. De pijn deert me niet. De vriendelijke ogen van de ijsman. Ook als ik geen ijs koop mag ik in zijn ijskar klimmen.  Hij heeft zwart haar en een snor. Hij is altijd vrolijk en vertelt verhalen. Af en toe krijg ik een reclamedisplay van Ola in karton. Ik ben de koning te rijk. Hij is mijn ijsman.   Ik zit samen met mijn broers en zussen in de speelkamer als de deur openzwaait. De imposante verschijning van de brouwer vult de deuropening.  Met gespeelde strengheid vraagt hij: ‘wie was dat stoute kind dat voor mijn auto sprong zodat ik bijna verongelukte?’ Ik wil in het kleinste hoekje kruipen maar ik kan me niet bewegen. Hij grapt nog wat over een mogelijke straf voor dit stoute kind. Dan zegt hij:  ‘De volgende keer, eerst goed links en rechts kijken voor je naar je ijsman snelt.’ Hij knipoogt naar mijn moeder. Ze lachen. Iedereen lacht. Ik voel mijn wangen warm worden, schaamte.  Het hek zal wel weer op slot gaan.   Ik ben op weg naar huis. Opeens hoor ik het bekende tingelmuziekje. Ik verstijf. Uit de andere richting nadert de ijskar. Ik durf niet op te kijken maar vang toch nog een glimp op van de man achter het stuur. Een oude, norse man zonder snor.       

Haddie
0 0

Vetpakken

Vanaf de straat klonk de claxon van Harry’s nieuwe auto, een DeSoto Airflow SG Business Coupe. Ik nam een laatste hap van mijn pannenkoek en kuste met volle mond Luanne gedag. In de spiegel in de hal controleerde ik of mijn pak me nog steeds goed stond. De grote groene ruiten op de gele stof sprongen op je af. Het was modern en toch gekleed.   Toen ik het huis uitkwam maakte Harry met zijn gele mouw met groene ruiten een ongeduldig gebaar uit de DeSoto. Het zijraam kon elektrisch naar beneden. Afgelopen vrijdag had Harry het voortdurend omhoog en omlaag laten zoemen. “Nu is er veel wind, ik doe hem wat verder dicht.” En als we bij een stoplicht stonden: “Ik geef je weer wat lucht.” Zrrrrr deed het raam, en de straatgeluiden werden luider en de dieseldamp van een vrachtwagen woei onze neusgaten in. “DeSoto heeft ook een model met airconditioning, maar dan adem je evengoed die uitlaatgassen in,” zei Harry. Ik vond het allemaal prima. Ik was blij dat ik niet zo’n investering had hoeven doen en met hem samen op pad kon. “Je ziet er toppie uit, kerel,” zei Harry toen ik instapte. “Mag ik je complimenteren met je keuze?” Dat had de vent in de winkel tegen ons gezegd toen we afscheid namen met onze nieuwe pakken in vloeipapier in een doos. “Een prima vent,” zei Harry. “Maar hij liet kansen liggen. We moeten een beetje opschieten, het is nog een heel eind.” “Ja, we hebben smaak,” daar is niks aan gelogen, beaamde ik. Ik liet mijn blik over de dubbele rij gouden knopen gaan. Tussen de knopen verdween mijn groene stropdas met dubbele Windsor. De geelwitte borsalino lag op mijn benen. Harry droeg de zijne al, maar ik vond het te warm en de wind uit het open raam trok aan de hoed. Harry was een verhaal begonnen, maar ik had het begin gemist, vanwege mijn pak. Het kwam erop neer dat in Duitsland een kerel die Hetler heette een groep volgelingen had die allemaal een uniform droegen. “Net als wij,” zei ik, toen zijn verhaal was afgelopen, ook om niet te laten merken dat ik niet goed had opgelet. “Dat is dus heel modern, die eenheid in presentatie.” “Zo’n investering haal je er snel uit,” beaamde Harry. We zoefden langs witte huizen met grote tuinen. “Is het hier?” vroeg ik. We waren inmiddels een half uur onderweg. Het werd steeds warmer, en wat betreft luchtigheid hadden we beter een andere stof kunnen kiezen. Maar deze was het mooist en ook sterk, dus had je langer plezier van je pak. “Nee, joh. We gaan een buitenwijk doen. Op kantoor denken ze dat daar een prima doelgroep zit. De kerels hebben goede banen en ze hebben veel kinderen.” “Waarom proberen we het hier niet?” zei ik. “Is al afgewerkt. Het gaat nu om de buitenwijken.” “Het is wel een eind rijden,” zei ik. Harry begon In Love with the Memory of You te zingen. Hij kon goed zingen, dus ik hield mijn mond. Dat was het enige dat me aan hem stoorde; het leek of hij altijd alles beter voor elkaar had dan ik.   Eindelijk waren we er en stapten we uit. De straat was leeg en breed. We waren de enige auto. “Je zei dat ze goede banen hebben,” zei ik. “Ja, daarom zijn er geen auto’s. Al die kerels zijn naar hun werk.” Harry liep om de DeSoto heen in de richting van het eerste huis. Twee kinderen op het trottoir vermaakten zich met een hoepel. Nu ik Harry op de rug keek, zag ik dat er iets vreemds was met zijn pak. Het leek of het op de rug en aan de achterkant van de broekspijpen veel donkerder was en een beetje doorzichtig. De groene ruiten waren nauwelijks meer te zien. “Harry, er is iets met je pak,” riep ik. “De achterkant ziet er raar uit.” Harry keek over zijn schouder. Hij voelde aan zijn achterwerk. “Getverdemme, het is helemaal vet,” zei Harry. Hij schudde zijn hand heen en weer. Ik keek ook achterom, en streek langs mijn dijbeen. Mijn vingertoppen glommen. Ik rook eraan. Het rook naar frituur. “Bij mij zit het ook,” zei ik. “Het moet van die bank afkomen.” Ik liep terug naar de DeSoto. “Kijk maar, die glimt helemaal.” We inspecteerden de voorbank. Het groene leer glom in de zon. “Die bank heeft ons vet gemaakt,” stelde Harry vast. Harry zag eruit als een omgekeerde okapi. De achterkant van zijn pak was donker en glom, de voorkant was nog helder geel met groene ruit. “Wat doen we nu?” zei ik. “Zullen we terugrijden en onze pakken in de was doen?” “Bekijk het,” zei Harry. “Dan is de dag al weer voorbij als we terug zijn. Ik heb net een nieuwe auto en een nieuw pak gekocht. We moeten rendement halen.” We stonden een tijdje met onze handen in de zij rond te kijken. De kinderen met de hoepel kwamen langs. “Jullie ruiken naar doughnuts,” zei een zesjarig meisje. Ze holden lachend weg. “Laten we onze pakken dan maar helemaal vet maken,” zei Harry. “Dat geeft meer eenheid.” “Hoe doen we dat?” vroeg ik. “We wrijven ook de voorkant tegen de bank.” We trokken om de beurt onze pakken uit. Ik ging achter Harry staan, zodat niemand kon zien dat hij in zijn onderbroek stond. Daarna was het mijn beurt. Methodisch wreef ik de nog niet vette stukken tegen de glimmende voorbank. Het vet lag als dikke vernis op het leer, en leek onuitputtelijk, alsof de bank een spons was die bij de geringste druk vet uitperste. “Hoe kan dit nou,” zei Harry. “Zou het een grap zijn? Ik heb de DeSoto nog maar een week. Niemand is er bij geweest. Gisteren heeft hij de hele dag vlak voor de deur in de zon gestaan.” “Dat verklaart het,” zei ik. Ik trok mijn broek weer aan. Die was zwaar geworden en kleefde. Van het colbert had ik minder last, want daar droeg ik mijn overhemd onder. Nu konden we eindelijk aan het werk. Ik monsterde mijn vetpak. Het zag er minder gelijkmatig uit dan ik had gehoopt, en het leek alsof het doorschijnend was. De kleur was nu eerder bruin dan geel. “Ik ben er niet helemaal gerust op,” zei ik. “Laten we de eerste met z’n tweeën doen.” “De eerste met z’n tweeën,” echode Harry. “Dat klinkt een beetje Bijbels.” “Ik bedoel er niks mee, alleen maar dat we samen de eerste doen,” zei ik. We liepen naar het eerste huis van de straat. Harry belde aan. Een vrouw deed open. Ze zag er ongeduldig uit. Ze had papillotten in haar haar. “We kopen niet aan de deur,” zei ze geërgerd. “We willen u niks verkopen, mevrouw,” zei Harry. “We willen u er alleen op attenderen dat Proctor and Gamble door middel van loting uw adres heeft geselecteerd. Als vertegenwoordigers van deze firma hebben we het genoegen u een gratis proefverpakking te kunnen aanbieden van Mr Clean’s Abraxo super waspoeder. Dit poeder wast zes keer beter, en staat bekend om de wervelende kracht waarmee het vet wegtovert alsof het er nooit is geweest.” “Wat zien jullie er raar uit,” zei de vrouw. Ze snoof. “Zijn jullie soms zwervers?” Er ging me opeens een licht op. “Neemt u ons niet kwalijk, mevrouw,” zei ik. “We hebben een ongelukje gehad. Als je kleine kinderen hebt, morsen die wel eens met vet, u kent dat wel. Zouden we gebruik mogen maken van uw wastobbe? Dan kunnen we u meteen de kracht van Mr Clean’s Abraxo Super waspoeder demonstreren.” Harry beloonde mijn ingeving met een nauwelijks merkbaar knipoogje. De vrouw twijfelde. Twee vreemde kerels binnenlaten die niet bepaald fris roken, daar zou iedereen voor passen. Ze nam ons nog eens onderzoekend op. Toen verzachtten haar gelaatstrekken. “Vooruit dan maar. Maar jullie moeten niet denken dat ik open sta voor andere dingen. Je hebt van die mannen die zodra ze binnen zijn, denken dat ze van alles kunnen proberen.” “Mevrouw, ik verzeker u dat wij keurige heren zijn en dat we ons beiden in een gelukkige huwelijkse staat bevinden. De eer van een dame is voor ons het allerhoogste goed,” zei Harry plechtig. Hij stak zijn vingers op alsof hij een eed aflegde.   De vrouw ging ons voor de gang in, maar hield meteen stil. “Loop maar door naar de tuin, daar staat de wastobbe. Ik wil die smerige pakken niet in huis hebben.” Via de keukendeur kwamen we weer buiten. Onder een afdakje stond een grote tobbe met een wringer ernaast. “Laten we onze pakken dan maar uittrekken,” zei Harry. “Aan dat kraantje hangt een slang waarmee we dit ding kunnen vullen. Heb jij het waspoeder?” “Kunnen we met koud water het vet eruit krijgen?,” vroeg ik. “Er staat toch dat het schoonmaakt als een tornado?” Ik las de verpakking. Er stond: ‘Honderd procent vetverwijdering, gegarandeerd’. We legden onze pakken in de tobbe en Harry draaide de kraan open. Het vullen ging traag. De zon verdween achter de wolken en er woei een kil briesje. Ik kreeg het koud. Boven mijn sokophouders kreeg ik kippenvel. Toen de pakken net onder water stonden, stak de vrouw haar hoofd om de keukendeur. “Ik heb een ketel opgezet. Het duurt nog even voor het water warm is.” “Dat is niet nodig, mevrouw,” zei Harry. “We wassen met koud water.” “Zulke onzin heb ik nog nooit gehoord,” zei de vrouw. “Geef me Mr Clean maar eens even,” zei Harry triomfantelijk lachend. Als een tovenaar die een magische bezwering uitvoert, goot hij het poeder in de tobbe. Het zonk omlaag en bleef in hoopjes op de pakken liggen. De vrouw kwam naar buiten en boog zich over de tobbe. “Wacht maar tot het water warm is,” zei ze misprijzend. Ze verdween naar binnen. Enige ogenblikken later deed ze de deur weer open. “Jullie mogen wel even binnenkomen.” In de woonkamer stond een bruine bank. Je zonk er ver in weg. Omdat we ons niet op ons gemak voelden, bleven we voorover geleund op het puntje zitten. Zelfs nu leken we nog op elkaar. We droegen beiden een wit overhemd met gouden manchetknopen, een gestreepte das, en ook onze gestreepte boxershorts leken afkomstig uit dezelfde voordeelverpakking van Farmer Jack. Even later kwam de vrouw de kamer binnen. Haar papillotten had ze verwijderd. Haar blonde haar hing nu golvend tot haar schouders. Ze droeg een blad met een koffiekan en kopjes. Ze zette het blad op de salontafel en ging tussen ons in zitten. Harry leek zijn gebruikelijke tegenwoordigheid van geest te hebben verloren en staarde zwijgend naar de pendule op de schoorsteenmantel. “Jullie jongens zullen wel vaker eenzame huisvrouwen tegenkomen, is het niet?,” zei ze, terwijl ze koffie inschonk. De uitdrukking ‘jullie jongens’ hoorde je de laatste tijd wel vaker. Het gaf een sfeer van gezellige familiariteit. Ik keek opnieuw naar Harry, want ik wist niet wat ik kon antwoorden, maar ook hij zweeg. Hij staarde naar zijn kopje waarvan hij het schoteltje met beide handen vasthield. Ik stond op. “Wat vriendelijk dat u ons koffie serveert, mevrouw. Ik zal eens kijken of het water al warm is.” Ik liep naar de keuken. Daar stond een grote pan van grijs emaille te dampen. Ik voelde voorzichtig het water. Dat was lauwwarm. “Het water is warm, we kunnen beginnen,” riep ik. Harry haastte zich naar buiten en we togen aan het werk. We lieten het koude water op het gras weglopen, ik leegde de pan in de tobbe en Harry gooide de rest van Mr Clean’s op de pakken. We roerden het lauwe water, maar het poeder bleef opnieuw onopgelost liggen. “Het begint me nu wel de keel uit te hangen,” zei Harry. “Misschien doen we iets fout. Weet jij hoe je moet wassen?” Ik antwoordde ontkennend. Terwijl we in de tobbe tuurden, was de vrouw achter ons komen staan. “Jullie kunnen beter groene zeep gebruiken.” Ze verdween en kwam terug met een blik waaruit ze flinke klodders in de tobbe gooide. “Nu kunnen jullie wassen. Wrijf de kleren over het wasbord en spoel dan uit.” Om beurten probeerden we het terwijl de vrouw oplettend toekeek. We kregen de slag te pakken en schrobden er op los tot het zweet ons op het voorhoofd stond. Als een opzichter hield de vrouw onze verrichtingen in het oog. Af en toe gaf ze aanwijzingen, zoals: ‘Die pijp is nog niet helemaal gedaan’, of: ‘Vergeet de kraag niet’. Nadat we zo’n tien minuten aan het werk waren geweest, zei de vrouw tegen Harry: “Op jouw onderbroek zit ook vet. Of zijn het soms remsporen?” Harry probeerde de achterkant van zijn boxershort te bekijken, maar dat lukte niet best. “Ik zie niks,” zei hij. “Jawel,” zei de vrouw. “We moeten de onderbroeken ook doen.” Harry maakte een abrupte beweging alsof hij van iets schrok. Daarop haalde hij met een verbeten gezicht zijn broek uit de tobbe en sloeg hem uit, zodat de waterdruppels in het rond spetterden. Hinkend trok hij de met water verzadigde broek aan. “Hartelijk dank voor de gastvrijheid mevrouw. Ons werkschema laat geen ruimte voor een langere pauze,” zei hij met een stem die hoger klonk dan gewoonlijk. “Jullie kleren moeten eerst door de wringer en dan nog een paar uur drogen aan de waslijn,” zei de vrouw. Maar Harry wenkte me met een hoofdbeweging en ik volgde zijn voorbeeld. Het viel niet mee het zware natte pak aan te trekken, maar het was nog warm, zodat de natte stof niet onaangenaam aanvoelde. Toen we buiten waren, keek ik vragend naar Harry. Zijn gelaat vertoonde een angstige uitdrukking. “Ze zat aan mijn achterwerk. We moeten maken dat we wegkomen. Je hebt van die types die zomaar de politie bellen, al heb je niks verkeerds gedaan.” We beenden flappend terug naar de DeSoto, een spoor van druppels achterlatend waarin vetbubbeltjes dreven die in regenboogkleuren naar de zon glimlachten. Ik opende het portier, maar er schoot me iets te binnen. “Als we instappen, worden we weer vet. Dan hebben we voor niks onze pakken gewassen,” zei ik, omlaag buigend, want Harry zat al achter het stuur. Harry sprong naar buiten. Hij gooide zijn armen in de lucht zodat een regen van spetters tegen de DeSoto kletterde. “We hadden gelijk aan het werk moeten gaan,” schreeuwde hij. Dat idee van jou was behoorlijk stom.” “Jij vond het een goed idee,” zei ik, hoewel ik mezelf ook de schuld gaf. Ik schaamde me omdat, nu ik eindelijk zelf iets had bedacht, het op een fiasco was uitgedraaid. Harry bleef een tijdje omhoog kijken, alsof hij een Zeppelin zag. Allengs begonnen zijn mondhoeken te trillen. Daarop trok hij woest het portier open. “We moeten nu weg, ik heb geen zin in politie.” Terwijl hij startte, voelde ik aan de bank. Die zat nog onder het vet. Er hing een enorme frituurlucht in de auto, en ik vroeg me af waarom we dit niet op de heenweg hadden opgemerkt. Terwijl Harry een bocht in stuurde gleed ik tegen de deur, en ook Harry gleed naar mij toe, met het stuur als enige houvast. “Een ding heeft ons dit wel opgeleverd, we…“ Harry maakte zijn zin niet af omdat nu een bocht de andere kant op volgde en ik tegen hem aan gleed. “Hou je maar vast aan het portier,” riep hij, en het verbaasde me dat er geen ergernis meer in zijn stem doorklonk, maar eerder een soort vrolijkheid alsof we op de kermis waren. Hij leek zijn goede humeur weer terug te hebben. “Het heeft ons dus opgeleverd,” riep hij, terwijl hij gas gaf en nog een bocht nam, de wielen begonnen te gieren en de DeSoto overhelde, “dat we hebben geleerd hoe je moet wassen.” “Ik zal het je nog sterker vertellen,” riep ik, over het geraas van de motor. “We weten nu ook dat Mr Clean’s Abraxo super waspoeder minder goed wast dan groene zeep. Wat gek eigenlijk dat we het nooit hebben geprobeerd.” We waren inmiddels weer op de grote weg gekomen. Harry minderde vaart. We gleden langs de witte wijken. “Toch zit hier iets Bijbels aan,” mijmerde Harry, nadat we een tijdje hadden gezwegen. Hij wees naar boven. “Ik ben niet erg gelovig, maar je zou bijna de indruk krijgen dat iemand ons iets probeert duidelijk te maken.”

Vincent Baumgart
80 1

Leven na de dood

Oef, het was gelukt! Edina slaakte een zucht. Het vlammetje van de kaars die naast het bed stond, flakkerde even op.Eindelijk was ze erin geslaagd zich te ontdoen van dat lamentabele lijf! Al dat gejammer aan haar bed de laatste dagen! En al dat geleuter over hemel en hel!Mensen toch, kijk omhoog, aanschouw het eindeloze universum. Denken jullie nu echt dat er alleen op aarde leven is? Goed, jullie weten niet beter natuurlijk. Ze was opgelucht dat ze zich bevrijd had van dat krakkemikkige omhulsel en zich voortaan met leuke dingen bezig kon houden. Ze moest er nooit meer aan denken tijdig haar medicatie te nemen om dat menselijke lichaam leefbaar te houden, geen pijnlijke toestanden meer, ze moest zich niet meer wassen, zich niet meer afvragen wat ze zou aantrekken, zelfs eten was overbodig. Ze keek schamper naar de restanten die getuigden van haar verblijf hier op aarde en besloot nog even alle mooie plekjes van de aardbol te exploreren, plekjes waar ze wegens de beperkingen van dit aardse stoffelijke lichaam nooit geweest was.Ze had zich het leven hier anders voorgesteld. Maar mensen zaten opeengepakt in drukke steden, vervuilden de lucht, vraten zichzelf ziek of slachtten elkaar af in zinloze oorlogen.Slechts een enkeling had echt van de schoonheid van de blauwe planeet genoten. Even later flaneerde ze over de paradijselijke stranden van Bora Bora, Aitutaki en het Anakena strand van Paaseiland met op de achtergrond de moai in het mysterieuze landschap.  Ze ging naar het reusachtige China en India, zwierf door de poesta’s en de steppes van Mongolië. Nu lichamelijke beperkingen niets meer in de weg stonden, keek ze al uit naar de volgende stop.  Geen berg was te hoog, geen zee te diep. Ze verkende het Andes gebergte, doorkruiste de Kalahari en het oerwoud, inentingen waren overbodig.  Ze knuffelde de witte beren op de noordpool en praatte met de pinguïns op de zuidpool. Noch warmte of koude konden haar hinderen. Ze ging alsmaar verder, alsmaar hoger. Tenslotte besteeg ze Mount Everest zonder gezeul met materiaal of zuurstofflessen en hield halt op het dak van de wereld.Tijd om even te bezinnen, de oververmoeide geest leek op aarde niet tot rust te komen. Ze besloot haar geluk elders te gaan zoeken.Even later zwierf ze weeral verder, doorheen het wolkendek, het oneindige universum tegemoet. De koelte van maan of de hitte zon, ze voelde geen verschil. Ze verliet het zonnestelsel en zocht een ander planetenstelsel op. En nog één en nog één…Nee, haar zoektocht naar gemoedsrust bleek uitzichtloos.Uiteindelijk ging ze nog maar eens en kijkje nemen op Rosea waar alles rozengeur en maneschijn is. Die reusachtige planeet waar een onuitsprekelijk rust heerst, waar iedereen op wolkjes loopt, waar de ene de harp bespeelt, de andere de luit. Saaie boel, maar een geschikte plaats om even tot rust te komen.“Ha, ben je daar weer?” zei Sinte Pieter. Edina negeerde hem en installeerde zich op een roze wolkje.Terwijl ze daar zo zat te mediteren, besefte ze opeens dat ze in haar haast om weg te komen, niet echt afscheid had genomen van de mensen daar op aarde die om haar gaven. Opeens schaamde ze zich. Misschien moest ze nog even terug.Ze bewoog zich al in de richting van de poort maar het donderende stemgeluid van Sinte Pieter weerhield haar.“Waar denk jij naartoe te gaan?”“Ik heb geen afscheid genomen op aarde, ik moet nog even terug.” “Neen hoor,” zei Sinte Pieter, “de aarde heeft Hij aan de mensenkinderen gegeven, jij bent nu een engel, jij hoort in de hemel om Hem lof toe te zingen. Ik laat je geen tweede keer gaan. Wanneer heb trouwens je ouders en al je andere voorouders nog opgezocht?”Mokkend installeerde ze zich weer op haar wolkje. ‘Hem’ had ze nooit gezien. Zingen kon ze niet, het klonk zo vals als een kat en haar voorouders kon ze tot in der eeuwigheid bezoeken. En weeral reispap eten zeker? En dan nog met een gouden lepel, als die in de gele brij viel, had je soms de grootste moeite om hem er weer uit te vissen.Ze hield de poort scherp in het oog , vastbesloten te ontsnappen. Toen een groepje zelfmoordterroristen zich aanboden en meteen hun 72 maagden opeisten, ontstond er een felle discussie met Sinte Pieter. Hij probeerde hen uit te leggen dat ze zich van hiernamaals vergist hadden maar de heethoofden luisterden niet. Sinte Pieter die al sinds mensenheugenis aan zijn stoel gekluisterd zat daar aan de ingang, had heel wat meegemaakt maar toen ze hem begonnen uit te schelden voor racist en varken, besloot hij een schare engelentroepen, ook gekend als de buitenwippers, in te zetten om de gewelddadige ketters buiten te smijten.Er ontstond een enorme chaos en Edina zag haar kans schoon. Stiekem gleed ze van haar wolkje en glipte door de poort.Even later was ze weer op aarde. Nu moest ze op zoek naar haar lijfje want zonder kon ze geen contact leggen met haar geliefden. Ze haastte zich naar haar voormalige woonplaats maar moest tot haar grote ontsteltenis vaststellen dat haar lichaam ondertussen gecremeerd was. De afscheidsplechtigheid was nog aan de gang. Ze daalde neer op de schouder van haar man en zei: ik heb je lief, daarna landde ze op de schouder van haar kinderen en fluisterde: ik hou van jullie. Ze zweefde verder naar haar kleinkinderen en gaf hen een kusje. Niemand reageerde, ze was te laat.Ze bleef nog even naar de afscheidstoespraak luisteren. Ach kom nou, dacht ze, niet overdrijven hé, ik mag dan nu wel en engel zijn, hier op aarde was ik dat zeker niet! Ze zou voor eeuwig rusteloos rondzwerven, tenzij ze gedwee weer naar de Rosea ging.Maar er waren nog zoveel andere planeten te verkennen: Alba waar altijd sneeuw lag en schitterde onder miljoenen sterren, Viridi waar je door eindeloos groene weiden met margrietjes en boterbloempjes kon zwerven, Flavum waar zonnebloemen groeiden zover als je oog reikte of Potissimum waar wezens als ET leefden. Ze besloot voorlopig terug te keren naar Rosea. Daar op haar eigen wolkje kon ze tot rust komen. Er viel altijd wel wat te beleven aan de poort. Ondertussen zou ze de jonggehuwden op aarde in het oog houden en als ze een leuk koppel zag, zou ze weer haar kans wagen als nieuwgeboren aardling. 'Gelukkig is hij die tevreden is met zijn lot, hoe dat ook mag zijn,' beweerde Seneca.Hoe zalig het leven daar op Rosea ook mocht zijn, nadat Edina genoten had van een gezellig samenzijn met haar ontelbare voorouders waarbij al weer tonnen rijstpap verorberd waren, werd ze toch weer ongedurig. Het leven op aarde met dat krakkemikkige lijfje mocht dan niet zo eenvoudig zijn, er viel toch meer te beleven dan hier in de hemelse sferen. De eentonige muziek en het kattengejank begonnen haar de keel uit te hangen en dus had ze zich weer geïnstalleerd op haar roze wolkje in de buurt van de poort. De interviews die Sinte Pieter daar dagelijks afnam, zorgden toch voor enige afleiding. Het was vaak hilarisch om aan te horen welke argumenten de kandidaten opvoerden teneinde hun zonden goed te praten om toch maar een plaatsje op Rosea te veroveren. Velen konden echter niet de juiste papieren voorleggen en werden onherroepelijk geweigerd. Maar nu de winter en dus ook de griepepidemie voorbij waren, was het iets rustiger en begon ze zich weer te vervelen. Misschien moest ze eens gaan praten met Sinte Pieter, er waren tenslotte zoveel moedertjes en vadertjes in spe die elke maand gespannen wachtten op goed nieuws. Al bij al was ze toch een succesvol advocate geweest in haar vorig leven, ze zou die weekhartige grijsaard vast wel weten te overtuigen haar te laten gaan. Ze moest alleen het juiste moment afwachten. Nadat een heel lief jong vrouwtje met een schat van een man voor de zoveelste keer een miskraam kreeg, besloot ze beroep te doen op de weekhartigheid van de oude man om haar toestemming te geven hen te helpen.Sint Pieter kreeg zowaar tranen in de ogen bij haar hartstochtelijk pleidooi en voor hij de kans kreeg een oordeel te vellen, had ze zich al uit de voeten gemaakt. Verdorie, dacht hij toen hij haar nakeek, ik heb me weer in de luren had laten leggen.Negen maanden later werd er een kindeke geboren op aard, lief en schattig, een echt engeltje beweerden de overgelukkige ouders. Ze werd met de beste zorgen omringd en had alles wat haar hartje begeerde. Edina beloonde hen haar lieftalligste glimlach.Een groot onheil verwoestte echter het mooie plaatje toen het gezinnetje het slachtoffer werd van een zwaar verkeersongeval waarbij zowel vader als moeder het leven lieten en Edina verweesd achterlieten. Haar lijfje zweefde enkele dagen tussen leven en dood. Omdat ze zo veel pijn had, smeekte ze Sinte Pieter herhaaldelijk haar weer naar Rosea te laten terugkeren. Omdat ze volgens menselijke normen minderjarig was, werd ze bovendien in een pleeggezin geplaatst toen ze weer aan de beterhand was. Dit keer had ze niets in de pap te brokken. Verstoken van echte moederliefde en een leuke papa, bleef ze haar smeekbeden aan Sinte Pieter herhalen. Misschien zei ze, kan je ‘Hem’ overhalen mij tot zich terug te roepen. Maar zowel Sinte Pieter als ‘Hem’ hielden zich stoïcijns doof.Uiteindelijk begreep ze de bewering van Epictetus dat mensen niet lijden door gebeurtenissen of door andere mensen, maar door hun eigen gedachten over die gebeurtenissen en die andere mensen.Edina wacht nu rustig af tot haar tijd gekomen is om zich weer op haar roze wolkje te installeren.

Nadia Lang
0 0