Lezen

Het gesprek

De wind blies haar haar alle kanten op. Irritante wind! Stomme haren, storend in haar gezicht. Ze was zenuwachtig. Nog een uur en ze zou hem eindelijk terugzien. Eindelijk wilde hij weer praten, met haar en met niemand anders. Ze las om de tijd te doden. De woorden drongen niet meer echt tot haar door. Maar ze las toch verder. Het boek ging over ‘graag zien, hoe je uw relatie sterk houdt’. Misschien kon ze hier nog wat informatie uit opsteken die ze kon gebruiken straks bij het gesprek. Dus las ze verder.   Vijf voor. Snel nog even het wc passeren en naar de plaats van afspraak. Ze wilde zeker niet te laat zijn. Dat zou typisch zijn voor haar. Weeral te laat. Deze keer ging dat niet gebeuren. Stipt op tijd stond ze er. Ze was voorbereid. Haar gsm op vliegtuigstand, in de rugzak, rugzak in de fietszak. Ze was onbereikbaar vanaf nu. Anders dan normaal. Waar hij zich steeds aan stoorde, dat ze steeds bereikbaar was, voor iedereen. Nu dus niet. Nu even niet. Nu enkel hij en zij en niemand anders. Ohja, en de hond.   Hij was laat. Ze nam haar rugzak terug uit de fietszak, gsm uit de rugzak en zette haar gsm terug aan. Misschien had hij al gestuurd en had ze dat nu niet gekregen, misschien ging hij nog later zijn, misschien was er iets gebeurd, misschien had hij afgezegd, gevraagd om het te verplaatsen, misschien… Ah! Daar is hij! Ze moest lachen. Ze moest zich inhouden om niet te lachen. Een warm gevoel, ze ontdooide. Zo blij om hem te zien, zo vertrouwd hem te zien sukkelen met de fiets en de hondenbak erachteraan. “Mijn twee mannen”, dacht ze. Maar ze slikte haar tong in en haar lippen werden terug hard. Ze begroette de hond, uitvoerig. Lang geleden. Dan hem, ongemakkelijk. Gelukkig nam hij haar meteen in zijn armen. Hij wist wel wat te doen, of volgde zijn impulsen. De spanning steeg, in haar borst en haar schouders. Ze wilde zo graag ontspannen, ontdooien, plooien, helemaal terug knuffelen, maar ze hield zich stijf. Het was nog niet besproken, het kon nog niet. Nu nog even niet.   Of we nog ergens iets kunnen eten, vroeg hij. De spanning nam toe, ze voelde het in haar lijf. Zij had speciaal op voorhand gegeten. Ze had net gegeten. Ze had net gegeten, zodat ze meteen konden doorgaan naar de hondenwei, zodat ze niet eerst ongemakkelijk moesten neerzitten aan een tafeltje omringd door mensen en in elkaars ogen kijkend. Ongemakkelijk. “Oké” Honger is een akelig beestje, dus “oké, we zullen eerst nog even iets eten en drinken”. Ze gingen meteen zitten bij het eerste het beste dat ze zagen. Hij bestelde eten en drinken, zij enkel drinken. Ze wist niet goed wat te zeggen, maar ze haatte de stilte. Ze vroeg hoe zijn weekend was, hoe het met de hond was, hoe het eten was,… Ze vroeg dingen die niet relevant waren, aan de buitenkant speelde. Spanning liep op, weer voelde ze dit in haar lijf. De wc, de wc was haar uitweg. Altijd al geweest eigenlijk. Haar eigen plekje, waar niemand haar stoort. Hier kon ze even zijn. Ze liet de spanning los en de tranen volgden meteen. Zucht. Ogen afvegen en weer naar hem. De rest van zijn eten was om mee te nemen, ze konden vertrekken. De hond bood afleiding op de roltrappen. “Hoe voelt ge u?” Hij vertelde. Hij was boos geweest, had alles opgeschreven in een brief. Zeer ongewoon voor hem. Hij ging de brief niet afgeven, hij was gekalmeerd nu. Het was beter. Hij wilde haar verhaal horen. Zij vertelde. Ze moest wenen. Ze weende snel. Ze weende om de spanning te bevrijden, weg uit haar lichaam. Ze weende en vertelde en schaamde en voelde schuld. Ze deelde en hield zich dan weer in. Ze vond de woorden niet, aarzelde, probeerde te voelen. Hij begreep haar eerst niet. Dacht dat het enkel om de uitleg rond de zatte kus ging, niet over meer. Dacht dat alles anders was gelopen. En kon het abstracte niet volgen. Hij had nood aan concreetheid, aan 1 + 2 = 3. Zij kon hem dat niet bieden. Zij dacht veel en chaotisch en abstract. Dit viel niet te lijmen. Eerst leek het weer te blokkeren, te stagneren.   De hond in het water bracht ruimte en adem. Blote voeten want het gras was bezaaid met plassen regen. Elk liepen ze aan een kant van het water, het water dat tussen hen lag, de weg naar elkaar splitste. De hond liep ertussen heen en weer, door het water. Probeerde voor verbinding te zorgen. De verbinding die zij zochten, maar zo moeilijk konden vinden. Dat beeld hielp. Het werd concreter. Ze hield niet van die stiltes. Er waren dan te veel gedachten en na een tijdje kon ze die niet meer delen. Ze wist dan niet meer hoe. Ze wilde zijn hand vastnemen, hem licht aanraken met haar vingertoppen, de verbinding letterlijk voelen. Ze hield zich in. Misschien was dat niet zo’n goed idee om nu te doen. Hij deed het wel. Hij deed het in haar plaats. Hij trok haar tegen zich aan. “Meisje toch”. Heel even was het er weer. De verbinding, de connectie. Ze keken naar de hond die in het water plonsde en voor de allereerste keer zwom. Beiden met trots. Ze lachten. Het lachen bracht hen dichter bij elkaar. Samen. Het voelde alsof er niets aan de hand was, alsof alles nog was als daarvoor, alsof alles beter was dan ervoor, alsof alles was zoals het was ‘Oké’. Hij keek naar haar, ze durfde niet goed terug te kijken. Gelukkig was ze kleiner. Ze dook weg in zijn borstkas, begroef haar neus in zijn oksel. Hij tilde haar kin op. Nu moest ze wel kijken. Ze zag zijn gezicht, zo mooi en zacht. Hij kuste haar. Ze kusten. Zacht. Het was met een dubbel gevoel. Ze wist niet wat ze voelde. Ze dacht. “Denken is misschien geen goed teken”, dacht ze.   Zijn zus belde. Hij nam op. Haar gsm stond nog uit, zat in de rugzak, uit de fietszak op haar rug, zij was voorbereid. De spanning kwam terug. Ze voelde het in haar schouders. Ze kromp ineen. Hij was boos, lastig. Ze voelde zijn ambetant zijn in haar lichaam. Ze wilde zich onzichtbaar maken, zorgen dat hij niet nog meer zou ontploffen. Ze wist dat ze iets moest zeggen. Ze moest iets zeggen als ze het anders wou. Ze benoemde het. Die spanning, het ambetant worden van hem, de zwaarte. Hier ging het om, ze wisten het weer. Ze waren het alweer vergeten door de zachtheid, liefheid, humor en verbinding van de dag. Maar dit, deze spanning, die zwaarte, dat is wat hun relatie de laatste tijd was. Hier wilden ze allebei van weg. Hier liep het telkens mis. “Maken we elkaar wel echt gelukkig?” vroeg ze, maar beiden wisten ze het antwoord niet.   Ze willen ervoor gaan, maar hebben de energie niet meer om te vechten. Toch niet nu, niet nu onmiddellijk. Ze nemen terug afscheid. Weer ongemakkelijk. Het is beter nog wat te ademen, elk op zichzelf, even apart. Hij wilt haar meenemen, in hun bed leggen, naast elkaar leven. Zij wilt meegaan, de avond samen eindigen. Maar ze zijn nu slimmer dan alle keren hiervoor. Ze nemen afscheid. Elk hun eigen we. Ze zien het nog. Ze ademen nu eerst even. Dan zien ze nog. Ze zien het nog, we zien wel. Ze voelen het nog even na en gingen nu elk hun eigen weg.

Kristien
0 0

Theedrinken

Verderop wordt nog wat tennis gespeeld. Spel van de derde garnituur, mensen uit de buurt, na de middag in 't cafe. Dit is zo'n beetje de enige heisa, op een stuk of negen mannen in bovenmaatse regenjassen na; zij sjouwen met hekken, rollen de geblokte linten af die zij na het uitstoten van commando's en het maken van brede gebaren weer oprollen. Naast de deur waar net een bleek zonnetje schijnt, de ketel ruist en het water de pot in kan, is het rustig. Het gekrakeel en de honderden meters die omgelopen zouden moeten worden vanwege het rozenfeest, is uit het zicht van de broers. Zij kijken afwisselend naar mekaars ongeschoren bakkesen en de stapel kranten. “Die berg kan nu de kachel wel in,” oppert de tien minuten jongere. De oudere heeft er moeite mee, met het afscheid van de berichten. “Moeiteloos doorbraken ze de sleur.” “Dat zeg je best aardig, zo poëtisch.” “Ik bedoel het toch echt anders.” De jongste zwijgt, hij wil de lummel niet zijn, een misverstand is sneller dan een schot hagel, die kranten staan er vol mee, met dat soort trammelant. Hij schenkt het water in de pot en doet er twee scheppen lapsang souchong bij; even schakelen naar een ander onderwerp. “Die bank, die van onder de appelboom, kan die naar de buurman? Hij tikte eergisteren tegen de ruit en stak zijn duim omhoog dat-ie het wel ziet zitten.” De oudere loopt naar het raam. “Geef-em dan ook van die sla, die is nu groot, de rest kan aan de kant van de weg, tien cent de krop. En dit boeddhistisch theedrinken, daar houden we ook maar eens mee op.”  

PP de Noorderman
141 0

Billy Sønderland (slot)

  Vrijdag is het, 5 december.   Gisteren heb ik aan de Scheldedijk te Zwijndrecht, in het hoofdkantoor van DEME, mijn ontslagbrief afgegeven en daarna, in de namiddag, een eigen zodiac gekocht bij Marina Yachting te Oostende.   Deze ochtend ben ik bij het krieken en het kraaien van een kerkhaan, de haven van Oostende uitgevaren, naar Zonderland, het eiland bij de noordelijke top van de Noordhinder dat ik het mijne mag noemen.   De zee is rustig en een zon blakert op de golven. Ik zie uit de richting van Oostende de Vlaanderen XX dichterbij komen. Hij brengt me de containers, de reddingssloep en de kottermast. De zuigerhopper nadert en op het dek staat ze. Doesjka. Met haar jonge handen ondersteunt ze een zwangere buik. Ze laat de rechterhand los en zwaait naar me.   Een kraan laat de reddingssloep zakken. Daarna volgt de kottermast. Een koord en een boei zitten eraan bevestigd. De kottermast verdwijnt onder het wateroppervlak, de boei laat niet los en dobbert als een roze kop, ginds, op een boogscheut van mijn eiland. Ernaast drijft alsnog de reddingschuit.   Billy roept mij op door de VHF: “Die containers. Dat zal niet lukken. Ik kan niet dicht genoeg komen.” Hij zegt nog dat “hij vertrekken moet, met de Vlaanderen XX. Naar Qatar. Hij is verkocht.” Een halfuurtje later zie ik ze wegvaren, Billy en Doesjka, samen in de stuurhut van dat groene schip, in de richting van het Kanaal.     Het is Natasha die haar hand op mijn schouder legt. “Breng ik vóór ik sluit nog een Mort Subite? Je zat te weer te dromen.”   Er zit een natte plek op haar négligé. Mijn tranen zijn het niet en ik kijk door het raam, naar de roeste kotter die aan de overkant, aan de kade van de vismijn aangemeerd ligt.   “Neen, Natascha. Dank je. Ik ga zwemmen. In de Noordzee. De winterwind en het zout proeven,” en ik vraag of ik mijn gerief bij haar mag laten, een grote zak, met daarin een schriftje met op de kaft ‘Bagger’ en twee legodozen, nummer 4999 (Vestas Wind Turbine) en nummer 6270 (Forbidden Island). Wat jammer is: een wiek ontbreekt. Ook de kop. Van die ene piraat.         De laatste gueuze slot van het historische kortverhaal ‘Billy Sonderland’ uit de reeks ‘Waanhoop’

Bernd Vanderbilt
0 0

Billy Sønderland (9)

Het is de natte droom van elke Vanderbilt - ikzelf ben wat rest van dat Wulpse geslacht - om weer op een eiland voor de Vlaamsche kust te wonen, met enkel een meisje en uitzicht op de zee, om op zondag de Sincfal weer over te zwemmen, om daar aan de overkant in een duinpaviljoen bier te drinken en dan die wrede mensheid weer te verlaten, terug te keren naar de bedkast, naar een zwangere Doesjka.   Het is ook de droom van elke De Cloedt om voor de Vlaamse kust een eiland op te spuiten, maar dan om er geld uit te slaan, of een schiereiland met lagune voor de kust van Heist en Knokke, met nog meer beton, windmolens, appartementen. Nog meer winst voor de bedrijven DEME, De Cloedt, Durco, Versluys en co.   Of een afvaleiland. Ik las het in artikels van 1981 en 1999 waarin de baggerbazen Van De Cloedt lieten optekenen dat “de creatie van een stort in de Noordzee onontbeerlijk is om de stijgende berg industrieel afval en baggerslib te kunnen bergen.”     Eén jaar lang werk ik nu al voor Offshore & Wind Assistance. Van Doesjka geen spoor meer. Op nog zo’n quade saterdach werd ik wakker. Alles was verdwenen: de zwarte opblaaskroon, haar zotte kleertjes, glimlach en die bruisende gedachten.   Ik blijf de molens nazien en toekijken hoe meer en meer slib op de Noordhinder gespoten wordt. De zuigerhoppers van DEME en De Cloedt Dredging komen er hun baggerspecie dumpen en stilaan verrijst er een eiland, vijftien mijl ten noorden van de Thorntonbank, net buiten de Belgische territoriale wateren.   “Hij zal straks wel weten waar naartoe met zijn veertig polopaarden en drie ezels,” zeg ik op een dag tegen Billy. “Polopaarden, ezels, van wie?”, vraagt Billy. “Van Gery De Cloedt. Zijn Hedwigepolder wordt binnenkort onder water gezet,” want hij moet er weg met zijn ganse hebben en houden. Hij zou er een postbus kunnen plaatsen, op dit nieuwe eiland, offshore leven op zijn eigen belastingsparadijs.   Hetgeen mij op een idee brengt en op 30 november 2017 neem ik het vliegtuig naar New York en begeef me op die koude dinsdagochtend van 1 december naar 760 United Nations Plaza. Aan de ingang van het hoofdkantoor van de Verenigde Naties word ik gefouilleerd en moet ik door een metaaldetector.   Op de zevende etage is het loket ‘Micronaties : registratie en erkenning’. Het lijkt wel een oudere zus van Doesjka. Ze zit achter een glazen wand met luistergaatjes en draagt een trui met memorabele strepen: paars, oranje, rood. Ze vraagt wat ze voor me kan doen    “Ik kom voor de registratie van mijn eiland,” zeg ik haar en ze neemt een formulier. “Naam?” “Billy Sønderland, neen, Jan Zonder Land”, antwoord ik. "Geeft U mij Uw identiteitskaart a.u.b.," zegt ze en ze noteert : Bernd Vanderbilt. “Naam van het eiland?” “Zonderland.” “Vlag?” “Paars, oranje, rood, horizontale strepen,” en ik overhandig haar een recente satellietfoto, ook een schets met daarop de exacte coördinaten. Dan moet ik enkel nog het formulier ondertekenen.   “Dat was het,” zegt ze en ze steekt mijn formulier, netjes alfabetisch in een kaft met daarin alle andere microstaten. Helemaal achteraan zit nu Zonderland, achter Zimlandia. "U kunt dit eiland nu de facto als het Uwe beschouwen," hoor ik haar nog zeggen, "U was de eerste om het op te eisen. Op een erkenning hoeft U verder niet te wachten."   Terwijl ik naar Zaventem terugvlieg, maak ik alvast concrete plannen. Wat ik van mijn vader erfde, zal goed besteed worden, aan de bouw van een stevige sokkel met daarop een cilindervormige woonst (met een diameter van zes meter) en een kegelvormig dak, zonnepanelen voor de LED-verlichting en stroom voor een koelkast, een aanlegsteiger voor radioschepen, een speelduin en een lichtmast met een kraaiennest.   Daags nadien, in The Old Steamer, trakteer ik een fles champagne. Maar nog steeds geen Doesjka, niet tegen mijn dij, noch aan de horizon. Nergens een teken van frivool leven.   Van Natascha krijg ik drie dikke zoenen en Billy zegt dat hij alvast twee zeecontainers naar mijn eiland kan brengen. “De Baelskaai in Oostende moet opgeruimd worden. Er ligt ook nog een achtergelaten reddingssloep. En de mast van kotter. Die kan ook mee.”       Zonderland deel 9 van het historische kortverhaal 'Billy Sønderland' uit de reeks  'Waanhoop'

Bernd Vanderbilt
0 1

Veilig gedrag: bestraffen of belonen? Enkele praktische handvaten

Veilig gedrag: bestraffen of belonen? Enkele praktische handvaten (ZWART)   Het is jammer genoeg een vaak voorkomende vraag: moet een werkgever opteren voor het belonen of het bestraffen van gedragingen om tot veilig gedrag te komen? Volgens de laatste psychologische inzichten is het beter om niet te kiezen voor straffen. In dit artikel worden enkele praktische voorbeeldtoepassingen meegegeven voor werkgevers, preventieadviseurs, etc. om onveilig gedrag te ontmoedigen.   Straffen werkt, maar minder goed dan belonen   Het is moeilijk om een beeld te kunnen schetsen van de impact van straffen en belonen. Hiervoor moeten we teruggrijpen naar de complexe theorie van operante/instrumentele conditionering. Het uitgangspunt van deze ingewikkelde theorie is dat de gedragingen enkel en alleen veranderen wanneer de gevolgen zwaar genoeg doorwegen. Gedragingen die een ontevredenheid als gevolg teweegbrengen zullen minder vaak uitgevoerd worden. Een straf kan ervoor zorgen dat een werknemer op de vingers getikt wordt, waardoor hij of zij het gedrag in de toekomst vermoedelijk niet meer zal vertonen. Helaas heeft een straf ook een onverwachts neveneffect op de leidinggevende. Deze zal namelijk leren dat straffen zeer effectief is en dus treedt bij de leidinggevende ook conditionering op. Ook in andere situaties waar straffen ongepast is, is er een gevaar dat de leidinggevende dit opnieuw gaat doen. In tegenstelling tot belonen, dwing je met negatieve sancties de mensen, om op te houden met een bepaald gedrag. Hierbij reik je hen echter geen nieuw, noch veilig, gedrag aan.   Een effectieve straf   Een straf moet tevens aan vier verschillende voorwaarden voldoen om toch te werken. Ten eerste moet de straf intensief genoeg zijn. Toch mag de straf ook niet te zwaar zijn om te voorkomen dat het leermechanisme door emotionele inferenties wordt geblokkeerd. Daarnaast is het belangrijk om de straf snel te geven, zodat de link tussen het ongewenste gedrag en de straf wordt gelegd. Ten derde is de consistente van belang. De straf moet elke keer toegepast worden wanneer het ongewenste gedrag zich voordoet. Tot slot moet bovenop de straf het gewenste gedrag getoond worden. Al deze voorwaarden maken het werken met bestraffen zeer moeilijk.   Praktische voorbeeldtoepassingen   Om te vermijden dat er slecht werk wordt geleverd, wordt er aangeraden om te focussen op positieve bekrachtiging. Een leidinggevende heeft de taak om eventuele waardering te uiten wanneer een werknemer zijn werk doet. Daarnaast kan het effectief zijn om een veiligheidssuggestie-box te plaatsen in de onderneming. In deze doos kunnen werknemers zelf suggesties doen om de veiligheid in het bedrijf te verhogen. Of dit zal werken, dat is de vraag.

erikavanhelmont
0 0

Stijloefening: De pennen van Di Bono. Schrijven met de zwarte pen. (tekst Marthy)

In de woelige periode die de jaren ’90 inluidden, verloren fotografen en beeldende kunstenaars zich in het onbekende. Ze beelden de anonimiteit van de gewone mens af in hun werken. De bijzondere persoonlijkheden vergaten ze. De kunstenaars zoomden in die periode pijnlijk hard in op details van individuen. Zo ontstonden reeksen met bijna dezelfde werken die het karakter van een onbekend persoon blootlegden.   In 1992 creëerde Rineke Dijkstra het portret van een eenzaam en kwetsbaar meisje. Het meisje ziet er onzeker uit. Dijkstra legde dit beeld vast met een overdreven grote camera, vlakbij de branding. Ze maakte gebruik van de verouderde techniek waarbij ze haar hoofd onder een zwart doek verstopte. Daarmee verloor ze uren tijd. Wellicht een vreemd beeld op zich. Ondanks alle moeite brengt dit beeld geen vernieuwing. De foto doet namelijk sterk denken aan “De geboorte van Venus” van Sandro Boticelli, een werk uit 1628.   8 jaar later maakte Sergey Bratkov de reeks “Kids”, met treurige kinderportretten. Een van de werken uit deze reeks, is Sasha. Het meisje ziet er allesbehalve kwetsbaar uit. Onverschillig rookt ze een sigaret, hoewel ze er niet ouder dan 10 uitziet. Met deze reeks tracht Bratkov de schrijnende realiteit in beeld te brengen van Russische ouders die hun kinderen naar een modellenbureau brengen. Daar moeten de kinderen de verwachtingen van hun veeleisende ouders inlossen.

Kristelw
0 0

Onzin bij de NMBS

“De trein naar Aarschot komt aan op spoor 5”, klinkt het in het station van Lier. Een twintigtal mensen stappen samen met mij in de langverwachte wagon. Na een drukke werkdag en een gemiste aansluiting kunnen we naar huis.   Ondanks de files, ben ik met mijn wagen een half uur sneller op het werk. De NMBS voorziet voor mijn traject helaas geen rechtstreekse verbinding. Enkel tijdens de spitsuren kan ik via een aanvaardbaar traject reizen tussen Mechelen en Heist-op-den-Berg. Buiten die uren zou ik heel de provincie Antwerpen moeten doorkruisen om Mechelen te kunnen bereiken. Toch kies ik voor de spoorwegen, want die jagen geen uitlaatgassen door onze kostbare lucht. Wie in dit land een milieuvriendelijk vervoermiddel kiest, krijgt daarvoor niet noodzakelijk de gemakkelijkste reis in de plaats.   De NMBS is als een haas met een gebroken poot. In gezonde toestand baant hij zich aan ongeziene snelheden een weg door elk onontgonnen terrein. De breuk waarmee hij kampt, maakt hem echter traag en onzeker. De haas kiest nu voor de bekende wegen. Nieuwe oplossingen ontdekken, dat is voor na het herstel.Hoe kan ik de kwaliteiten van de haas appreciëren als hij er geen gebruik van maakt?   Waanzinnige files van wagens teisteren en vervuilen ons land. Vertragingen, besparingen en een onvoldoende uitgewerkt spoornetweg teisteren de treinpendelaar. De overheid buigt zich over mobiliteitsdiscussies zoals de Oosterweelverbinding. Terwijl hinkt de kreupele haas NMBS verder en wens ik hem veel beterschap toe.

Kristelw
0 0