Lezen

Nooit Rust

  Lijn 401. Naam van de bushalte : 'Nooit Rust'. Geloof het, of geloof het niet, net tegenover het opvangcentrum voor daklozen in Malle. Mooi staaltje van inlevingsvermogen van de Lijn. Rust is een woord dat ik niet ken. Tegen de binnenkant van mijn schedel blijft het onophoudelijk vragen regenen : 'Zal mijn aanvraag tot leefloon goedgekeurd worden? Is mijn maatschappelijk assistent overtuigd van mijn werkbereidheid? Zal ik een huurwaarborg krijgen, en geld voor de eerste huur?' Krijgen is veel gezegd, eigenlijk een renteloze lening, want ik moet het binnen de twee jaar terugbetalen. Hoe ga ik dat klaar spelen, met een leefloon van 867,40 euro per maand? En dan spreken we nog niet over het vinden van een betaalbare woning.  Geen nood, zo wordt gezegd, ik word geactiveerd. 'De vragen blijven komen, ga ik snel werk vinden?  Als ongeschoolde arbeider, weliswaar Belg, maar van buitenlandse origine, zoals dat zo mooi genoemd wordt. Gelukkig klikte het wel met de maatschappelijk assistent van het OCMW. Ik kom op de wachtlijst  voor het verkrijgen van een woning via het sociaal verhuurkantoor. Het zou mooi zijn als ik ook een tewerkstelling via het OCMW kan krijgen. We zien wel, voor vandaag is er opvang. Vandaag is het gratis. Bushalte 'Nooit Rust' Visionair van de Lijn. Ik hoor vandaag van collega's op straat, dat het inloopcentrum De Vaart, dat ik nog ken van vroeger, overgenomen wordt door een of andere beveiligingsfirma. Het had anders lang geduurd om de mensen in dat centrum te vertrouwen. Alsof je even gemakkelijk van hulpverlener verandert dan van broek. Maar aan ons wordt niets gevraagd. Ondergaan en meewerken, anders noemen ze je  nog weerspannig, of niet gemotiveerd. 'Nooit Rust' Ik noem het : 'Nooit gerust'.

dirk adijns
0 0

Brief voor ouders

Beste ouders, Op maandag 16 mei gaan wij op schoolreis naar Pairi Daiza. Aan de hand van een leuke fotozoektocht, bezoeken we alle dieren van deze mooie dierentuin. Voor we terug naar huis gaan, pikken we samen nog de roofvogelshow mee. Hoe ziet onze planning er uit? 7u45: we verzamen op school. 7u45-7u55: je bezorgt ons voor opstap in de bus €3 (hiermee zorgen wij voor het ontbijt en middagmaal op dinsdag 17 mei)8u: vertrek van de bus! Wat brengt je kind mee? - een kleine rugzak met daarin:             ° lunchpakket (boterhammen)             ° 1 flesje water en 2 drankjes (gezond drankje, geen frisdrank)             ° 2 koekjes Welke kleren doet je kind aan? - kledij die vuil mag worden - schoenen die makkelijk zitten en waarmee kan worden gewandeld - petje als het een zonnige dag is - regenjas als het regent Wanneer keren we terug? Na een leuke dag, zijn we om 18u terug op school. Blijft je kind op maandag 16 mei na de schoolreis niet slapen op school? Je kan je kind komen halen om 18u aan de schoolpoort. Blijft je kind op maandag 16 mei na de schoolreis slapen op school? Deze leuke activiteiten staan op ons programma: 18u30: we eten met zijn allen een pakje frieten19u15: pyjamafuif20u: we kruipen ons bedje in   Dinsdag 17 mei De kinderen die niet op school bleven slapen, worden om 8u45 afgezet aan de schoolpoort. Vandaag staat onze school in het teken van de Olympische Spelen: 9u: we spelen de hele voormiddag buiten en doen toffe en sportieve activiteiten12u: we eten onze boterhammetjes buiten op (je hoeft geen lunchpakket te voorzien)13u tot 15u35: in de namiddag gaan we verder met de toffe en sportieve activiteiten15u35: je komt je kind ophalen aan de schoolpoort of je kind blijft nog even in de nabewaking.   Wij zijn alvast heel enthousiast voor deze leuke uitstap, wij zijn ervan overtuigd dat ook de kinderen dit een superdag zullen vinden.   Vriendelijke groeten,   De directie

Wiet De Boodt
0 0

De veroveraar

De veroveraar keek vanop een heuveltop naar de strijdende menigte beneden hem. Vijftigduizend geharde mannen vochten als leeuwen tegen een leger dat in dapperheid niet onderdeed, maar waarin de eerste barsten van de wanhoop zichtbaar werden. De afloop van de strijd was nu al duidelijk. Straks wapperde zijn banier op de muren van alweer een nieuwe stad. Ze was niet de eerste, ze zou evenmin de laatste zijn.   Zijn aanspraak was even eenvoudig als duidelijk: hij was de uitverkorene. De veroveraar maakte zich echter geen illusies. De meesten geloofden hem niet. Maar sommigen wel. Dat volstond. Overal waar hij hen naartoe leidde, vochten fanatici en sceptici zij aan zij, omdat hij dat zo wou. In zijn naam konden ze moorden. In zijn naam gingen ze dood. Zijn faam reikte tot ver buiten hun veroverde rijk en betekende vaak al de halve overwinning.   De aandacht van de veroveraar werd getrokken door een strijder, die, ver weg van hem, het strijdperk ontvluchtte, bebloed en bezweet, een andere heuvel op. Zijn wapen was hij kwijt, zijn vertrouwen blijkbaar ook. Zo snel liep de wanhopige vluchter, dat hij niet zag dat niemand hem achterna kwam. Hij snelde voort de heuvel op, negeerde het pad, was bijna boven toen hij een voet verkeerd neerzette en de helling aftuimelde, weg van het gewoel, uit het zicht van de veroveraar.   Vele uren na zijn val werd de vluchter bevend wakker. De huivering werd heviger toen hij zag waar de helling hem had neergeworpen. Een wereld van sneeuw en ijs zover het oog reikte, strekte zich uit in alle richtingen. De bevroren woestijn leek in niets op de warme wereld thuis. Angst vulde het gemoed van de vluchter. Veel groter echter was de angst die hij las in de ogen van de mannen en vrouwen die zich in een cirkel rond hem hadden verzameld. De sneeuwbewoners riepen dingen die de vluchter niet begreep. Daarna knielden ze een voor een voor hem neer in de sneeuw.   De ijsmensen waren een simpel volk. Van de wereld wisten ze niks. Nadat hij hun woorden had leren begrijpen, was de vluchter niet verbaasd toen hij ze over hem hoorde zeggen: de Uitverkorene, gezonden door God. Wij worden de nieuwe koningen van de wereld. De vluchter, het vluchten moe, twijfelde niet. Hij riep ‘volg mij en ik leg de wereld aan uw voeten’. De jaren daarop maakte hij van jongens mannen en van mannen soldaten. Toen ze vertrokken op hun lange mars naar eeuwige glorie, dacht de Uitverkorene slechts één ding. Naar huis.   De eerste keer dat de ijsmensen iets anders zagen dan sneeuw, waren ze bijna te verbaasd om te vechten. Maar ze raakten eraan gewoon en algauw vochten ze een rijk bij elkaar waarin hun sneeuwvlakte maar een kleine witte vlek vormde. Stad na stad viel in de ijskoude handen van het bevroren volk. Maar ze stopten nooit. De Uitverkorene joeg zijn strijdlustige leger onverbiddelijk voort. Langzaam kwamen ze dichter bij zijn thuis. Zijn faam was daar al.   Uiteindelijk kwam de dag waarop slechts één veldslag hem scheidde van het land dat hij zo lang geleden was ontvlucht. De Uitverkorene ging voorop in de strijd, bijgestaan door duizenden mannen uit alle hoeken van zijn rijk. Met zijn banier in de ene hand en zijn zwaard in de andere hieuw hij zich een weg door de vijandelijke gelederen. De afloop van het gevecht lag al vast. Toen hij zijn zwaard diep in de buik van een tegenstander dreef, zag de Uitverkorene in zijn linkerooghoek hoe in de verte een soldaat het slagveld ontvluchtte. Het kwam hem bekend voor: de manier waarop de soldaat liep, viel en verdween in het niets.         Inspiratie: Genesis, One for the vine

joris
0 0

Scenario 'Bloemendood'

Bloemendood   Synopsis   Marc is bloemenkweker.Hij krijgt hulp van de kreupele Peter. Marc is uit hebzucht met Anne getrouwd. Hij houdt niet van zijn vrouw en heeft een minnares. Hij besluit zijn vrouw uit de weg te ruimen door haar een boeket Monninkskap te schenken dat bij aanraking en bij het inademen bijzonder giftig zijn. Het lukt en het fortuin is voor Marc en Bibi op voorwaarde dat ze Peter steeds bij hen laten wonen. Marc geeft zijn vrouw een groot boeket.  Anne sterft een gruwelijke dood. De neurotoxines beïnvloeden beweging, hart en longen. Ze kan nog slecht horen en zien. Als ze stervende is ziet ze haar man lachend binnenkomen met zijn minnares (Bibi) Het laatste dat Anne ziet en hoort zijn de triomfantelijke blikken en woorden van Marc en Bibi die voor haar neus elkaar hartstochtelijk zoenen. Ongezien is Peter getuige van wat er gebeurd en treurt bitter voor de vrouw die steeds zo goed voor hem was.  Bibi haat de eeuwige aanwezigheid van Peter en laat geen kans voorbij gaan om Peter te kleineren. Marc is hier niet van op de hoogte. Zoals voorheen weidt hij zich volledig aan zijn passie met hulp van Peter.  Bibi wordt zwanger. Het lukt Peter een bloem te kweken die overheerlijk ruikt, Elke dag schenkt hij Bibi één bloem. Dan komt de dag van de bevalling. Bibi wil thuis bevallen met een vroedvrouw.       VERTOLKERS   Vader (Marc): een ruwe hebzuchtige man met slechts één passie; bloemen.   De kreupele helper (Peter): kreupel, bedeesd met een groot hart voor Anna. Is slimmer dan hij zich voordoet.   Bibi  (afkorting van Brigitte): een mooie sexy vrouw zonder scrupules. Ze spoort Marc aan om zijn vrouw om te brengen.       Scéne I   Marc stapt  de huiskamer binnen met een boeket schitterende bloemen. Achter hem zie je de voetsporen vol modder.   Camera volgt de voetsporen tot de man stilstaat. Camera laat de vuile voeten aan de voorkant zien en gaat langzaam naar boven tot het nors gelaat van Marc te zien is. Camera zoomt in op de hand die het prachtige boeket bloemen vasthoudt en zijn arm uitstrekt. Een vrouwenhand neemt het boeket over. De vrouw steekt haar gelaat in het boeket. Camera inzomen op het gelaat van de vrouw die haar hoofd terug strekt. Op haar gelaat ligt een brede glimlach.   Anna: ‘Ze zijn schitterend Marc! Blijf even. Ik wil je zo graag omhelzen…’   Terug het gezicht van Marc in beeld.   Marc: 'Ik hou die omhelzing te goed als ik gewassen ben.  Ik stink als een beer.   Gezicht van de vrouw in beeld. Ze lacht geamuseerd   Marc draait zich om, gaat terug naar buiten, kijkt even om met een glimlach en werpt haar een handkus toe   Camera terug naar Anne.   Anne omhelst het boeket als een minnares en steekt terug haar gelaat in het boeket. Plots blijft ze als versteend staan. Het boeket valt uit haar handen. Inzoomen op het boeket. Geluid van een lichaam dat tegen de vloer slaat.   Fade out.     Scéne II    Marc stapt met een stralende lach het huis binnen. Camera volgt zijn blik die tenslotte blijft rusten op de leuning van een grote sofa. Camera; vooraanzicht van Marc die zich omdraait. Camera volgt Marc die de radio opzet.   Eerst horen we muziek van Klara, maar hij verzet de post op studio Brussel. Muziek van ACDC ‘Thunderstruck’ weerklinkt. Marc zet de radio luider en beweegt zich wild op het ritme van de muziek en zingt het refrein mee. Lachend verlaat hij de kamer en haalt ondertussen een GSM tevoorschijn.   Fade in leuning sofa.   Camera rust op een paar voeten met tenen die verkrampt zijn. Langzaam volgt de camera het lichaam van een paar vrouwenbenen (van Anne) naar boven en blijft rusten op handen die zwak in een zitkussen klauwen. Verder naar haar torso dat zwaar op en neer gaat. Camera gaat langzaam verder tot haar hals.  Beeld stopt bruusk en zoomt in op haar gezicht en houdt dat beeld vast.  Inzoomen op het gezicht van Anne valt samen met het refrein van ‘Thunderstruck’. Anna haar gezicht kleurt paars door ademnood, haar mond staat constant open in een geluidloze schreeuw, de ogen van angst en pijn wijt open. Camera zwaait langzaam naar een raam waar  Peter  staat te gluren. Hij ziet 2 mensen de kamer binnenstappen. Een vreemde vrouw (Bibi) en Marc. Marc gaat naar de radio en zet hem uit.  De vrouw gaat naar Anne, glimlacht als ze zegt: ‘Hij bleef enkel bij jou voor het familiefortuin. Maar iets zegt me dat wij er meer gaan aan hebben. Haar glimlach wordt nog breder, ze draait zich om naar Marc en kust hem vol passie. De camera laat terug het gezicht van Anne zien die haar ogen sluit. De camera zoomt in op Peter die verslagen toekijkt. Fade out.     Scéne III   Camera: Marc en Bibi zitten aan de tafel en klinken met champagne. Ze lachen allebei.   Camera zoomt in op het afschrift van het testament. Terug naar het koppel.   Bibi zegt: ‘Een hartstilstand zeiden ze, géén spoor van vergiftiging. Schat je bent een genie.’   Marc: ‘Gewoon een liefhebber van bloemen.’ Lacht hij. Bibi ‘Dat we er Peter moeten bijnemen was niet voorzien, maar ja…’   Marc: ‘Peter was een zoon voor haar. Ze heeft de jongen uit het weeshuis gehaald. Hij is wat simpel en kreupel. Niemand wou hem. Zij gaf hem liefde en een thuis. Hij helpt me uitstekend met de verzorging van de bloemen.   Bibi zucht en nipt van haar glas.   Peter komt de kamer ingelopen zonder iets te zeggen. Hij kijkt naar Marc.   Marc: ‘Genoeg geluierd. Ik ga de serres sluiten. De nachten worden koud.’   Hij staat op en gaat de kamer uit.   Camera richt zich op Bibi.   Zij kijkt Peter aan en snauwt: ‘Inderdaad, genoeg geluierd. Je mag de tafel afruimen en de lakens verversen. Waar wacht je op? Zijn je hersenen ook kreupel?’   Peter geeft geen antwoord dienen en buigt zijn hoofd om haar niet in de ogen te kijken   Fade out.       Scéne IV     Peter stapt over de straat met een groot aantal boeken onder zijn arm. Het volgend ogenblik zien we hem een nachtlampje aansteken en begint in de boeken te studeren. Hij valt in slaap aan zijn bureau. Hij komt te laat voor het ontbijt en krijgt van Bibi niets meer te eten.   Bibi: ‘Wie te laat komt voor het ontbijt heeft géén honger. Ga Marc helpen en na de middag mag je meteen het huis stofzuigen. Als je denkt te kunnen profiteren, dan ben je aan het verkeerde adres. En als het je niet bevalt dan ga je met die lamme poot van jou een andere thuis zoeken.’   Camera naar Peter. Peter knikt en verdwijnt sloffend.   Camera; Peter zit terug aan het bureau met zijn nachtlamp aan. Hij leest in de plantenboeken.     Camera zoomt langzaam rond op het bureau. Er liggen bloemen, bloemblaadjes, stuifmeel. Er staat ook een microscoop op de tafel en een erlenmeyer. Elke nacht bestudeert hij de boeken.  Na een bijzonder zware dag valt hij terug in slaap aan zijn bureau.   Camera  laat Peter zien die op zijn bureau ligt te slapen in daglicht. Het is middag als hij in paniek wakker word. Bibi wil zijn kamer binnenkomen als hij juist de kamer buiten gaat. Bibi tracht in zijn kamer te zien, maar Peter sluit snel de deur en houdt de sleutel bij zich.   Peter: 'Sorry Bibi, ik... het zal niet meer gebeuren. Marc kaffert hem uit. Marc: ‘Peter het wordt tijd dat je je herpakt! Ik weet dat Anne als een moeder voor je was. Maar binnenkort is hier nieuw leven. Bibi is zwanger. Ik wil dat je alles voor haar doet begrepen?’ Peter knikt en slaat zijn ogen neer.    Camera toont verschillende nachten waar Peter aan het werk is met; -Peter bouwt een serre met houten latten en plastiek. -Peter plaatst er een UV lamp en een vochtregelaar in de serre. -Peter sleurt zware zakken potgrond naar zijn kamer en vult verscheidene met kleine aarden bloempotten met kleine jonge scheuten. -Je hoort Peter vloeken als de scheuten verdorren of de zaden niet uitkomen. -Peter opent voorzichtig een pakje van het buitenland waarin meeldraden zitten. -Peter vult de potten terug. - Peter tracht het nachtlampje aan te klikken, maar de lamp springt. Peter gaat naar de serre om meer licht te hebben. Verwijdert het zware plastiek.   Camera zoomt in op Peters gezicht. Peter glimlacht.  Camera zwaait naar de serre. Alle scheuten in de bakjes hebben bloemen gemaakt.   De volgende dag aan de ontbijttafel.  Peter: Marc, ik...  ik heb een nieuwe bloem gecreëerd tijdens mijn vrije tijd...  Het moest een verrassing blijven voor Bibi en het kindje. ik wou een heel geurige bloem.    Marc slaat zijn pleegzoon op zijn schouders en zegt ontroerd. ‘Dat is een prachtig gebaar. Ik ben fier op jou. Een bloem speciaal voor Bibi en het kindje. Het spijt me dat ik soms boos op je was.’   Peter lacht schaapachtig: Het... het moest een verrassing blijven. Hij glimlacht als een klein kind en strompelt uitgelaten naar zijn kamer, waar hij een bijzonder geurige bloem plukt. Hijkomt terugaangestrompeld en geeft bedeesd de bloem aan Bibi. Bibi en Marc lachen. Bibi: ‘God, wat een heerlijke geur. Daar kan geen enkel parfum tegenop.’ Ze lacht voor het eerst naar hem. ‘Bedankt Peter, namens mij en het kind.’   Peter: ‘Graag gedaan,’ zegt hij opgetogen en gaat met Marc naar buiten om de bloemenserres te verzorgen   Camera; Verschillende scénes waar Bibi van Peter bloemen krijgt. Af en toe zie je Marc of Bibi over haar buik strijken.  De dag is aangebroken dat Bibi gaat bevallen.   Bibi: ‘Peter! Verwittig de vroedvrouw en haal Marc. Mijn vliezen zijn zojuist gescheurd.’  Peter  belt onmiddellijk de vroedvrouw.  Camera naar Bibi die haar ademhalingsoefeningen doet. Peter blijft onbewogen naast haar zitten tot de vroedvrouw aanbelt. Peter haast zich om de deur te openen. De vroedvrouw voelt aan Bibi's gespannen buik. Vroedvrouw: 'Peter, ruim het vruchtwater op, haal een paar handdoeken en zet de waterketel op. Peter doet wat hem gevraagd wordt en trekt zich terug naar buiten, zo volgt hij alles ongezien door de vensterruiten. De vroedvrouw haalt de baby er uit. De baby heeft geenr neus noch oren en begint hartverscheurend te wenen. Marc, Bibi en de vroedvrouw wenden geschokt hun blik af. Dan horen ze in het geschreeuw van de baby steeds hetzelfde woord: ‘moordenaars!’. De vroedvrouw vluchtn in paniek naar buiten en belt totaal overstuur de politie. Camera naar Peter die nog op dezelfde plaats staat. Hij kijkt geboeid toe. Bibi en Marc versmachten de baby. Marc gaat naar buiten met de baby in zijn armen  en kijkt in paniek rond. Marc: 'Peter, kom hier! Je moet me helpen!' Marc kijkt nog eens rond maar kan Peter nergens bespeuren  Marc wordt op heterdaad betrapt als hij het lijkje juist heeft begraven onder de bloemen. De sirene klinkt oorverdovend als de combi met schuivende banden komt aangereden. Marc ziet Peter met iemand van de politie praten. De politieman: 'U wordt beiden aangehouden voor doodslag met voorberachte aarde. Mevrouw wordt nog eerst naar het ziekenhuis gebracht om complicaties te vermijden. Maar jullie allebij zullen berecht worden. Marc en Bibi worden beide aangehouden  Als ze beiden worden weggevoerd glimlacht Peter triomfantelijk naar Marc en Bibi. Uit het huis klinkt plots muziek van KLARA. Stomverbaasd kijken ze achterom naar Peter.     Fade out                                          EINDE         .

Fanny Vercammen
0 0

herfst cirkel 2016

De Herfst cirkel 28 oktober   Werk van kunstenares Ine Lammers, 2013   Na de zomer kijk ik graag in de spiegel De zon zit er nog in, zie ik, in de spiegel zelf, in de tuin achter me, Of is het in mijn eigen ogen, huid en haar ? Hoe ervaart de vrouw naast mij haar lichaam, of mijn lichaam?   Hart en hoofd Vlees en bloed Billen borsten buik   Wat deed de zomer met jouw lijf Hoe is het NU met jou? Wat durf jij NU tonen?   Dag Marie,    Op vrijdagavond 28 oktober 2016 nodigen we je graag uit voor een herfstcirkel  met als thema 'wij en ons lichaam’.   Het is herfst en we oogsten. Noten, kastanjes, druiven, maïs, bieten, paddestoelen, appels, .. De grootste vrucht van onszelf is ons lichaam. De zon, de rust, de energie van de zomer heeft wat met ons gedaan. Hoe zie jij haar, wat vindt je van haar..   Ben je benieuwd naar stilstaan bij jouw lichaam en haar verhaal? Heb je zin om de kracht van deze vrouwelijke intimiteit te delen onder vrouwen? Heb je behoefte met vrouwen onder elkaar, te luisteren, te spreken, te ontmoeten? Wij hebben je er graag bij.     Praktisch    Locatie: Heerlijckyt Geetbets Begeleiding: Veerle & Ine Uren: Aankomst tussen 18.30u en 19.00 Uren: Diner op het kasteel 19.00u tot 20.00 Uren: Start cirkel 20.00u (stipt) - einde 22.30u  Kosten: 60 euro incl BTW (voor huur ruimte, koffie en thee bij aankomst, avonddiner en een glas cava) Inschrijven: per mail naar Ellen: admin@vrouwenfestival.be, graag uiterlijk 20 oktober 2016    Wij kijken ernaar uit om je te verwelkomen!   Warme zomergroet,  Veerle & Ine   She&Company  futuring the feminine

veerle bovyn
0 0

Tot ziens, Marianne (deel 19)

De agent achter het loket kijkt me onbegrijpend aan vanonder zijn harige wenkbrauwen. Warrige borstels lijken het. Horizontaal over zijn voorhoofd loopt een rode afdruk van zijn pet. Het lijkt een naad. Alsof het dak van zijn schedel is getild en er weer opgezet. Zijn schaarse haren zijn nat van het zweet en zijn doorschemerende schedel blinkt als een spiegel.   “Hoe zegt u?” vraagt hij met een halfdicht geknepen linkeroog. Ik haal diep adem en doe mijn uitleg een tweede keer: dat een man me de toegang heeft ontzegd tot het tehuis waar mijn zus verblijft. Dat ik haar dringend moet spreken omdat ons ouderlijk huis is verdwenen en ik nergens mijn ouders kan vinden, net zo min als mijn oudste broer. Dat mijn andere broer een eind hier vandaan woont, net als mijn jongste zus, en dat ik hun telefoonnummers niet ken en… en… en… Het klinkt allemaal gejaagd en uitermate verward. Dat hoor ik zelf. De agent blijft me onbeweeglijk staan aankijken, rechtop naast zijn bureaustoel, zijn bovenlichaam voorover geheld, zijn brede, behaarde handen steunend op de balie. Door de weerkaatsing van het tl-licht in het veiligheidsglas lijkt hij transparant, alsof hij ieder moment kan oplossen in de atmosfeer.   “Ogenblikje,” zegt hij. Hij loopt naar de deur van het kantoor, ontgrendelt ze en wenkt me. Ik volg zijn instructie en passeer hem met een zeker onbehagen. Ik voel me als een verdachte die een verhoorruimte wordt binnengeleid. Met een handgebaar geeft hij me te kennen dat ik plaats mag nemen op de stoel voor zijn bureau. Zelf begeeft hij zich naar een klein tafeltje achteraan in het lokaal. Hij neemt een zwarte kunstlederen boekentas van de vloer, plaatst deze op de tafel en haalt een turquoise thermosfles tevoorschijn. Hij schroeft de beker van de fles en giet deze vol. Terwijl hij de hete drank langzaam naar binnen slurpt, kijk ik om me heen. Het interieur van het bureau is vreselijk ouderwets. En bepaald armoedig. Alsof de tijd hier heeft stilgestaan. De vergeelde wanden zijn kaal, op een prikbord, een kalender en een klok na. Aan het prikbord is een robotfoto gespeet van een onguur uitziende kerel met stoppelbaard en een wollen muts met omgeslagen rand. Van de uitklapbare kalender zijn drie maanden in één keer af te lezen: de afgelopen maand, de huidige en de toekomstige. De datum van vandaag is omlijst door een knalrood verschuifbaar plastic vierkantje. Van de ronde klok draait de secondewijzer haastig rondjes, terwijl de twee andere wijzers schijnbaar onbewogen het uur aangeven: dertien minuten over zeven. Eén wand van het vertrek wordt bijna helemaal in beslag genomen door een stel ijzeren kasten in donkere kakikleur, waarvan de deuren tekenen van ernstige mishandeling vertonen. Ze zijn geblutst van onder tot boven. Ik werp een blik over mijn schouder. Aan een tweede bureau zit een agent met opgestroopte hemdsmouwen een verslag in te tikken. Zijn hoofd hangt zwaar over zijn klavier gebogen, wat de spieren in zijn nek gespannen doet staan.   De agent die me heeft binnengeloodst, giet zijn laatste slok koffie door zijn keel en smakt als een bejaarde. Hij zwaait enkele keren zijn omgekeerde beker heen en weer om de binnenkant te drogen, waarna hij hem terug op de fles schroeft. Nadat hij alles weer zorgvuldig heeft weggeborgen, komt hij met rustige schreden op me toegestapt. Meteen wanneer hij plaatsneemt aan het bureau, komt zijn koffieadem me meteen tegemoet gewaaid. Ik denk onwillekeurig aan moeder, omdat haar adem permanent naar koffie ruikt. Maar ook de herinnering aan vader flitst door mijn hoofd. Zoals de agent tegenover me zit! Op dezelfde manier zat vader tegenover mij toen hij me mijn reis naar Australië uit het hoofd trachtte te praten.     “Zo. Laat ons nu eens even alles rustig op een rijtje zetten,” zegt de agent zuchtend, terwijl hij op zijn bureau een aantal dingen herschikt die niet op herschikking lagen te wachten. “Laat ons beginnen met de kwestie dat u de toegang tot dat huis werd ontzegd. Welk huis bedoelt u precies?” Hij kijkt me nauwlettend aan, alsof hij de woorden van mijn lippen wil lezen. Ik leg hem uit dat ik de instelling bij het park bedoel, waar patiënten worden opgenomen die niet zelfstandig kunnen wonen. Hij knikt en vraagt wat ik daar te zoeken had.   “Mijn zus,” zeg ik. “Zij is daar gehuisvest.”   “Hm. En waarom werd u de toegang ontzegd?”   “Weet ik veel. Ik mocht gewoon niet binnen. De man die opendeed beweerde dat mijn zus daar helemaal niet woont. Maar dat is gelogen. Ze woont er makkelijk al tien jaar! Ze heeft een autismespectrumstoornis, moet u weten, en was er één van de eerste patiënten. Waarom hij nu beweert dat ze er niet woont, begrijp ik niet. Kunt u er niet voor zorgen dat hij mij binnenlaat?”   “Ik vrees van niet,” zucht hij. “Onze taak is het handhaven van de orde. In eerste instantie op de openbare weg. Als u, om welke godsonmogelijke reden dan ook, de toegang tot dat tehuis wordt ontzegd door een man die daar klaarblijkelijk de verantwoordelijkheid draagt, dan kunnen wij daar als politie niet tegen optreden. Dat is geen zaak voor ons. Los daarvan neem ik overigens aan dat die man een goede reden zal hebben gehad om u niet binnen te laten.”   “Dat had hij niet! Ik wilde gewoon mijn zus zien!”   “En waarom, als ik vragen mag? Waarom trotseerde u zo laat op de dag een sneeuwstorm om uw zus te zien? Wat was er zo dringend?”   “Ik wilde haar vragen of zij misschien weet wat er met ons huis is gebeurd.” Hij kijkt me aan met een bedenkelijke blik.   “Wat er met uw huis is gebeurd? Hoe bedoelt u?”   “Het is verdwenen! En onze ouders ook!” De agent werpt een blik op zijn collega, die gestopt is met typen. Ze bekijken elkaar alsof ik een gek ben die zit te raaskallen.   “Waar bevond zich dit huis?” vraagt de agent.   “In de Kerkstraat.”   “De Kerkstraat…” De andere agent laat zijn armen met opgestroopte hemdsmouwen op zijn schoot vallen. “Dat is mijn wijk,” zegt hij. “Welk huisnummer?”   “Zeventien.” Hij denkt zichtbaar na. “Hoe zag het huis eruit?”   “Een rode bakstenen gevel, groene voordeur en witte ramen met bruine klapluiken. Naast het huis een garage met een blauwe kantelpoort.” De agent steekt zijn onderlip bedenkelijk naar voren en schudt nadenkend het hoofd.   “Vreemd. Ik kan me geen huis in de Kerkstraat voor de geest halen dat aan die beschrijving voldoet. Trouwens… voor zover ik weet, is er in geen járen nog een huis afgebroken in de betreffende straat.”   “Maar dat moet wel!” roep ik uit. “Vijf weken geleden stond het onze er nog, en nu is het weg!” De blikken die de twee agenten elkaar toewerpen, laten er geen twijfel over bestaan dat ze mij niet geloven.   “Enfin, los jij het maar op,” zegt de wijkagent tegen zijn collega die tegenover me zit, “ik heb geen tijd om me hiermee bezig te houden. Ik moet dit verslag nog afkrijgen voor mijn dienst erop zit.” Hij zet zich weer aan het typen. Tegen een razend tempo hamert hij met zijn twee wijsvingers op de toetsen van het klavier, zo snel dat hij voortdurend de backspace dient te gebruiken om fouten te corrigeren. De andere agent richt zich weer tot mij.   “Kijk eens, jongen,” zegt hij, “ik vrees dat wij u niet kunnen helpen. Tenzij u verboden geestverruimende middelen heeft gebruikt. In dat geval kan ik u een slaapplaats aanbieden in de amigo.” Ik kijk hem onbegrijpend aan.   “De bak! Is dat duidelijker?” vraagt hij. De grijnslach die volgt op zijn woorden doet me bleek uitslaan. Mijn adamsappel wipt voelbaar op en neer. De agent staat op en loopt naar de deur. Hij zwaait ze open en maakt me met een handgebaar duidelijk dat hij wil dat ik opkras. Ik sta op van mijn stoel en loop hem met gebogen hoofd voorbij. Wanneer ik een laatste keer omkijk, valt mijn oog op de klok. De secondewijzer draait alsmaar door, maar de andere wijzers geven nog steeds hetzelfde uur aan als een kwartier geleden: dertien over zeven.   De koude snijdt alweer als een slagersmes door me heen. Ik hunker naar een warm bed. En ik heb honger. En dorst. Ik snak naar een warme maaltijd. En een hete drank. Thee, koffie, warme chocomelk, oxo… alles zou me smaken. Helaas bezit ik geen rode duit meer. Ik weet niet waar naartoe. Ik moet ergens beschutting vinden voor de nacht, maar waar? In het park slapen, zoals ik in Sydney deed, is uitgesloten. Doe ik dat, dan kan men me morgen in een lijkzak proppen.   Mijn passen leiden me naar het stationsgebouw, het enige gebouw waarvan ik weet dat het op dit uur nog toegankelijk is. Warm is het niet echt in de wachtzaal, maar alles is beter dan een sneeuwstorm trotseren. Ik zet me neer op een bank. Een harde bank. Bruin gevernist hout met ribbels die pijn doen aan je kont. Niet comfortabel. Mijn doorweekte rugtas zet ik naast me. Ik weet niet waarom ik die tas blijf meedragen. Er zit haast niks meer in. Ik heb zowat alle kledingstukken, die ik mee had, aangetrokken. En toch is ze zwaar, de tas. Dat komt omdat de stof, waaruit ze is vervaardigd, vocht opneemt. Ik zou het onding beter ergens achterlaten.   Ik strek mijn benen voor me uit en huiver. De koude is zo diep in mijn aderen doorgedrongen dat ik me niet meer lijk te kunnen verwarmen. Ik voel me rillerig, alsof ik ziek aan het worden ben. Ook van de honger wellicht. Ik bekijk de mensen die me omringen in de wachtzaal. Stuk voor stuk boezemen ze me wantrouwen in. Om niet te zeggen: angst. Langs mijn linkerkant zitten twee dames naast elkaar op dezelfde bank. Hoewel ik er zeker van ben dat ze bij elkaar horen, wisselen ze geen woord. Dat komt omdat hun aandacht bij mij ligt. Dat voél ik! De dame uiterst links bespiedt me het opvallendst. Hoewel ze voorwendt geen interesse in me te hebben, dwaalt haar blik voortdurend naar me af. Telkens ik naar haar kijk, wendt ze haar ogen af. Dat kan geen toeval zijn. De dame naast haar houdt de schijn iets beter op. Ze heeft haar ogen onophoudelijk op een magazine gericht dat op haar schoot ligt. Enkel begaat ze de fout de bladen te snel om te slaan, waardoor zelfs een blinde kan zien dat ze niet echt leest. Ze doet enkel maar alsof. Ik weet zeker dat ook haar voelsprieten op mij zijn gericht. Schuin tegenover me zit een man al een kwartier naar een punt op de muur achter me te staren. Ik heb even onopvallend omgekeken om na te gaan of er iets te zien is, maar dat is niet het geval. Geen bobbeltje in het stucwerk. Geen platgedrukte mug. Niets. Het kan niet anders of het is zijn manier om achteloosheid voor te wenden, terwijl hij me stiekem in de gaten houdt.   Een tweede man zit voortdurend naar de monitor te staren waarop de treinen worden aangekondigd. Hij lijkt op het eerste gezicht totaal geen aandacht aan me te schenken, maar zijn oorspieren staan strak als kabels. Ook dat wijst op een meer dan normale alertheid.   Maar het meest bedreigend vind ik de kerel die helemaal rechts van me zit. Hij heeft hagedisachtige ogen en zit me de hele tijd schaamteloos aan te staren met een blik die me doet huiveren. Ik weet niet wat dit gezelschap bezielt, maar als zij binnen de tien minuten niet op een trein zijn gestapt, loop ik gillend de wachtzaal uit.   Een halfuur later zijn de vogels gevlogen en zit ik zo goed als alleen in de wachtzaal. Enkel een slanke man met kort opstaand wit haar, beige overjas met pelskraag en een opzichtig gekleurde sjaal loopt nog te ijsberen. Hij heeft langs één kant een oortje in, waardoor ik hem ervan verdenk info over mij door te spelen aan de anderen. Na een tijdje loopt ook hij in de richting van de perrons en kan ik even opgelucht ademhalen. Van de gelegenheid maak ik gebruik om me languit op de bank te leggen. Ik ben doodmoe en wil even mijn ogen sluiten. Mijn doorweekte rugtas gebruik ik als hoofdkussen. Comfortabel is het allemaal niet, maar ik heb geen andere keuze.   Hoeveel later het is, weet ik niet, maar een diepe stem haalt me uit mijn slaap. Ik open mijn ogen en zie een man in uniform over me gebogen staan. Zijn oogleden hangen af alsof hij de droefenis van de hele wereldbevolking met zich meedraagt.   “Kom, jongen, zet u recht,” zegt hij. Hij port me aan met zijn hand. Ik ga overeind zitten en kijk verdwaasd om me heen. Buiten mezelf en de geüniformeerde man is er geen hond meer in het stationsgebouw.   “Heb je je laatste trein gemist?” vraagt hij.   “Hm? Wat? Nee.”   “Wat doe je hier dan nog?” Ik wrijf de slaap uit mijn ogen. “Ik wilde hier overnachten,” zeg ik.   “Dat zal niet gaan,” antwoordt hij. “Het is hier geen hotel. We gaan dadelijk het gebouw afsluiten.”   “Maar… ik kan nergens anders naartoe,” probeer ik. “En het is zo koud buiten.”     “Jammer, maar daar kan ik geen rekening mee houden. Als ik jou hier vandaag laat overnachten, ligt het hier morgenavond vol daklozen. Kan ik niet toelaten. Kom! Pak je spullen.” Hij neemt me bij de arm en helpt me overeind.   “Maar… waar moet ik dan naartoe?” vraag ik.   “Geen idee. Dat is mijn probleem niet. Je kunt je aanmelden in het ziekenhuis. Via dat kanaal krijg je misschien toegang tot een instelling.” Ik ruk mijn arm los en bekijk hem vernietigend. Hij beantwoordt mijn blik met een dreigende oogopslag. Door die afhangende oogleden lijkt hij op een boze hush puppie met ectropion.       “Gaan we moeilijk doen?” vraagt hij. “Kom! Ga nu gewoon mee naar buiten.” Hij wil me weer bij mijn arm pakken, maar ik sla zijn hand van me af.   “Kijk, jongen, het is simpel,” stelt hij. “Of je gaat met mij mee naar buiten, of ik bel de politie. Aan jou de keuze.” Ik blijf nog even uitdagend staan, maar geef uiteindelijk toe. Tegen de wil van een stationschef valt niets in te brengen. Ik gooi mijn doorweekte tas op mijn rug en loop met slepende voeten het stationsgebouw uit.   De koude neemt gestaag toe. Het wordt een ijsnacht zoals we er zelden één hebben meegemaakt, dat is duidelijk. De sneeuwvlokken worden alsmaar dikker en de wind nijdiger. Mijn tenen lijken al na enkele stappen los in mijn zomerschoenen te liggen. En al na een paar minuten ben ik verkleumd tot op mijn ruggengraat.   Een bushokje biedt me enige beschutting. Niet veel, want de zotte wind maakt dat de sneeuw alle kanten uit dwarrelt en ook in het hokje waait. Enkel helemaal in het hoekje is een klein plaatsje vrij van sneeuw. Daar ga ik op de harde koude grond zitten, en trek mijn knieën hoog op, zodat ze me beschutting bieden tegen de snijdende wind. Ik leg mijn voorhoofd op mijn knieën en sluit mijn ogen. Even lijk ik in te dommelen, maar reeds na enkele seconden galmt de laatste kreet van Marianne alweer door mijn hoofd, en tekent het schrikwekkende laatste beeld zich nog maar eens af op mijn netvliezen. Ik open meteen mijn ogen om het beeld te verdrijven. Ik ga zuchtend verzitten en vraag me af of ik niet nog eens moet proberen om Marianne te bereiken. Het horen van haar stem zou een enorme geruststelling betekenen. Ik diep mijn mobieltje op en lees het uur af: 22u23. Als ik het goed heb, is het in Sydney op dit moment… even omrekenen… 8u23 in de morgen. Geen onmenselijk vroeg uur om iemand te bellen, toch? Ik roep mijn contactenlijst op en blijf minutenlang naar haar nummer zitten staren. Alsof ik hoop dat de telefoon mijn gedachten zal registreren en haar in mijn plaats zal opbellen. Dat doet hij niet. Na enkele minuten druk ik op het groene telefoontje en wacht met ingehouden adem. De zoemtoon gaat vier keer over. Dan wordt er opgenomen. Mijn hart springt op. “Marianne?” roep ik hoopvol. Het volgende ogenblik barst een spervuur aan woorden los. Een aaneenrijging van klanken waar ik geen jota van begrijp.   “Marianne, wacht even!” val ik haar in de rede. “Ik versta geen woord van wat je zegt. Praat een beetje trager en duidelijker, wil je?” Er volgt een nieuw salvo. Ik tracht uit de woordenbrij een aantal begrippen te distilleren, maar het lijkt wel alsof een taal wordt gesproken die ik niet ken.   “Marianne, wacht even!” roep ik luid. De woordenbrij stopt. Ik slaak een zucht van verlichting, maar het volgende ogenblik snijdt een luide fluittoon mijn trommelvlies zowat aan flarden. Ik houd het mobieltje een eind van mijn oor en wacht tot het geluid is uitgestorven. Dan leg ik het voorzichtig weer aan mijn oorschelp en vraag: “Marianne? Ben je daar nog?” Opnieuw begint de stem woorden uit te braken. Deze keer trager en minder geagiteerd, maar nog steeds onverstaanbaar. Stilaan daagt het me dat het niet Marianne is die ik aan de lijn heb, maar een wildvreemde. De gedachte dat iemand zich de telefoon van Marianne heeft toegeëigend, doet mijn stoppen doorslaan.   “Who is this? ” roep ik in de microfoon. “Where did you get this phone? Did you steal it? Where is Marianne? I want to speak to here! Now! Give me Marianne!!!” Die laatste woorden schreeuw ik zo luid dat aan de andere kant meteen wordt ingelegd.   “Hallo? Hallo!!!” roep ik. Tevergeefs. In een bui van razernij keil ik mijn mobieltje de straat op. Het toestel ploft midden op de rijweg in de sneeuw en verdwijnt in de dikke laag. Een minuut later komt een zeldzame auto aangereden die nog op de baan is en vermorzelt de telefoon onder zijn wielen.   Ik blijf nog even zitten te kleumen en hijs me dan overeind. In dit bushokje zal ik er nooit in slagen de slaap te vatten. Daarvoor is het te tochtig en lig ik er niet beschut genoeg. Ik ga nog maar eens de straat op. Ik dacht de laatste dag in Sydney dat ik liep als een oude man. Dat was niets vergeleken met hoe ik me nu voortbeweeg. De koude zit in mijn spieren en gewrichten, wat maakt dat ze vastlopen als een ongeoliede machine. Samen met het decimeter dik pak sneeuw is het er de oorzaak van dat ik haast geen voet meer vooruit kom. Als het zo blijft sneeuwen, ligt er morgenvroeg een tapijt waar niet meer door te waden is. Ik voel mijn krachten afnemen en vrees dat ik ieder moment kan vallen, wat een gewisse dood zou betekenen.   Ik strompel met de grootste moeite nog een eindje verder, tot ik bij een winkel kom met een diep portaal dat niet afgesloten is door een rolluik. Dit is mijn kans. Als ik érgens kan schuilen voor de nacht is het hier. Ik loop het portaal in en vlei me op de grond. De vloer is koud en hard als graniet, maar ik lig tenminste droog. En beschut tegen de wind. Ik rol me op als een egel, wurm mijn mond in mijn kraag en adem in mijn kleding om mijn borst te verwarmen. Uitgeput als een loopgraafsoldaat deemster ik weg…   Ik word gewekt door een fijn getsjilp. Ik open mijn ogen en zie een vogeltje naast me zitten. Het kijkt me aan en beweegt zijn hoofdje bliksemsnel over en weer. De borst van het diertje is rood als bloed. Ik richt mijn hoofd op en voel een warme zonnestraal op mijn gezicht vallen. Met enige moeite ga ik overeind zitten. Het vogeltje wipt het portaal uit en blijft op de stoep naar me staan tsjilpen. Nadrukkelijk, alsof het me ergens naartoe wil lokken. Ik krabbel overeind, rek mijn pijnlijke rug en verlaat het portaal. Eens buiten kijk ik om me heen. De wereld is bedekt met een maagdelijk wit tapijt, waartegen de rode borst van het vogeltje fel afsteekt. De stormwind, die gisteravond de takken van de bomen deed zwiepen en slaan, is bedaard. Er heerst nu een vredige rust. De dikke laag sneeuw dempt ieder geluid en maakt dat de wereld er sprookjesachtig uitziet.   “Tsjilp tsjilp tsjilp.” Ik kijk naar het vogeltje. Het heeft zich enkele meters van me verwijderd en huppelt nerveus heen en weer. Zijn fijne pootjes laten een onleesbaar geschrift na in de sneeuw. Ik zet me in beweging en waad met hoog opgeheven voeten door het dikke pak sneeuw. Ik volg het vogeltje, dat steeds verder wipt. Hoewel er ijspegels aan de dakgoten hangen en mijn adem uit mijn mond opstijgt als de rookpluim uit een stoomlocomotief, heb ik het niet koud. De sneeuw, waar ik tot aan mijn enkels inzak, dringt in mijn zomerschoenen, maar toch worden mijn voeten niet nat.   “Tsjilp tsjilp.” Ik kijk omhoog. Het vogeltje, dat me in het park heeft gelokt, is opgevlogen en zit nu boven me op een tak. De poedersneeuw, die het op me neer laat dwarrelen door met zijn pootjes onrustig over en weer te schuifelen, doet me mijn ogen afdekken. Wanneer ik weer opkijk, zit het diertje niet meer op de tak. Ik kijk om me heen, maar vind het nergens meer terug.   Ik wil verder lopen, maar zie mijn weg versperd door een ondoordringbare muur van met sneeuw bedekte heesters: een wirwar van takken die elkaar omstrengelen als versteende slangen. Ik kijk achter en naast me. Overal is de begroeiing even compact. Het lijkt wel alsof ik gevangen zit in een sinister, onherbergzaam woud waaruit geen ontsnappen mogelijk is. Ik tracht de takken uit elkaar te duwen, maar dat lukt me niet. Het is een vlechtwerk van twijgen dat met de blote hand niet is te ontwarren. Ik voel een paniekaanval opkomen. Maar dan klinkt plots een zachte stem die mijn naam roept. Ik kijk op en zie rechts van me de muur van heesters opengaan. Als de Rode Zee voor Mozes. Tussen de struiken ontwaar ik een witte gedaante die me wenkt. Ik loop op haar toe, maar zodra ik haar nader, trekt ze zich terug tussen de struiken, als een nevel die door de gewassen waait. Ik volg haar, maar de takken lijken me vast te grijpen. Links en rechts. Langs beide kanten voel ik de twijgen zich als koude vingers om mijn armen sluiten. Ik sla ze van me af en worstel me door de heesters. Wanneer ik het struikgewas verlaat, zie ik de witte gedaante op een afstand staan, voor de deur van een groot gebouw: het tehuis waar Bea verblijft. Opnieuw wenkt ze me met een handgebaar. Ik loop op haar toe, maar het sneeuwtapijt reikt nu bijna tot aan mijn knieën, waardoor het me al mijn krachten kost om vooruit te komen. Wanneer ik even opkijk naar de ramen op de eerste verdieping van het gebouw, zie ik achter een beslagen ruit de contouren van een schim opdoemen.   “Bea!” roep ik. De schim wrijft met een handbeweging de aanslag van het raam. In het gezicht dat verschijnt, herken ik mijn zus.   “Bea!” roep ik opgelucht. Ik steek mijn handen naar haar uit. Ze opent het raam en kijkt met een nietszeggende blik op me neer. En dan doemen plots mijn andere zus en mijn twee broers achter haar op. Allemaal hebben ze een verstarde blik in hun ogen. Nog even later verschijnt een trieste clown, wiens naargeestige hoofd is omgeven door een bos rood krulhaar. De blik in zijn ogen boezemt me angst in. Terwijl ik moeizaam verder schrijd, wringt de clown zich naar voren en buigt zich naar me toe. Hij lijkt me uit te lachen, terwijl achter hem mijn broers en zussen star en onbewogen op me neer blijven kijken. Willoos, lijkt het wel. De grijns van de clown wordt steeds breder en grimmiger, tot de schmink laagje na laagje van zijn gelaat begint te brokkelen. Het gezicht, dat langzaam wordt ontbloot, meen ik te kennen. Wanneer ik op het voorhoofd een lelijke dikke ader zie verschijnen, gaat er een schok door me heen. Degene die onder de schmink schuilging, was ikzelf! Ik deins geschrokken achteruit. Een afgrijselijke lach, waarvan mijn haren overeind komen te staan, stijgt op uit de monden van mijn broers en zussen, die zich langzaam naar voren beginnen te dringen, als een aaneengesloten geheel. Ik kijk toe hoe mijn evenbeeld tegen het raamkozijn wordt gedrukt, tot het zijn evenwicht verliest en uit het gapende gat dondert. De kreet die het slaakt, gaat door merg en been. De plof, waarmee het in het dikke sneeuwtapijt terecht komt, klinkt dof en kort. Langzaam begint de sneeuw rond het lichaam rood te kleuren. Een uitdijende vlek… Met een ruk schiet ik wakker. foto:  ©photosuus

Lou Van Lier
14 0

Evangelina telt de vliegen

  Proloog   Karel Van Miert is op een dag uit een appelboom gevallen. Doodgevallen, als een vlieg die halverwege stierf (zoals ze het wilde), ergens in de lucht.   Het gebeurde op een rare dag met witte ochtendzon, zoutnevel hing over de schorre, purper was de ondergang en pepperspray is met vier p’s, prevelde de wijkagent die de rouwstoet begeleidde naar de put.   In de oven lagen de broodjes nog. Vergeten, het zelfverzonnen doel, hoe het voelde. Ik hunkerde. Naar de smaak van lippen.     Intermezzo   Evangelina, aan het strand, op nog zo'n zonnige zomerse dag rijdt er een vrachtwagen over een dijk vol met kindertranen, weggevlogen ballonnen en de chauffeur lost diepgevroren kroketten, bonen, prinsessen liggen te bruinen.   Er is een casino. Straks treedt hij op. Willy. Claes. Met zijn natte piano en hij speelde zonder twijfel ook een deuntje op die begrafenis, briljante noten, zwart en niet eens wars. Een helikopter vloog over, duikelde en veel verder regende het, bommen. Leeggezogen werden de wolken, hoop stierf met de mensen.   Daarom. Hoe dan ook. Hou vast. Val vooral niet. Blijf. Onschuldige boter smeren. De haren zitten goed, oogbollen en centen rollen, zoetweg leidt de bekoring.     Epiloog   En toch, leef ik nog, werd het de dag van mijn leven. In Oostende verzamelde ik, schelpen, vond ik zand, het eerste dozijn zoenen met Evangelina, starend naar (het waren er dertien) starre vliegen. Doodgeklopt.         uit de reeks  'Waanhoop'  

Bernd Vanderbilt
0 0

Over zin- en zenloosheid.

    Soms raak ik zo verstrikt in mijn hersenspinsels en betrap ik me er op dat ik tijdens mijn avondlijke mijmeringen wegzak in scenario’s waarin ik ongewild en ongevraagd een hoofdrol krijg toebedeeld. Hoe harder ik dan tracht rust onder mijn dakpan te krijgen des te sneller springen de prikkels en impulsen binnen. Oncontroleerbare gedachten bouwen scenario’s op die nooit plaatsvinden maar die op dat moment in alle hevigheid ontsporen en me voor enge, onoplosbare raadsels en dilemma’s plaatsen. Op zulke momenten is er niemand die heviger verlangt naar een kabbelende beek en groen mos op een natte leisteen  dan ik.  Maar, Ik draai en keer.  Ik zucht en blaas en tracht de rust te zoeken maar vind slechts onrealistische drukte in een oncontroleerbare maalstroom van gedachten en ideeën.  Nacht na nacht krijg ik de hoofdrol toebedeeld en word ik ongewild gebombardeerd tot bedenker en uitvoerder van oplossingen van de chaos rondom mij. Fait-divers  uitvergroten tot eerste wereldproblemen is een natuurlijke gave die, mocht dit een Olympische dicipline zijn, deze me zou verheven tot Usain Bolts grootste uitdager. Overdag ben ik kalm en rustig en relativeer de relativiteitstheorie tot er enkel nog letters en cijfers resten.  Dan slaag ik er in de zaken rustig en van een afstand te bekijken alsof ik ze aan mij voorbij zou kunnen laten gaan.  In dezelfde film figureer op de achtergrond, neem ik afstand en minimaliseer mijn rol en verantwoordelijkheid.   Analyseren laat ik aan anderen over,  zoek geen schuldigen en probeer (ver)oordelen aan anderen te laten. Overdag ben ik zo … s’ nachts ben ik de andere zoals tegenpolen die elkaar nergens lijken te vinden,  zo ontegensprekelijk gedoemd om  met elkaar in conflict te blijven gaan. Het is niet anders… het ene moment van het ene te veel en op het andere van het andere te weinig en omgekeerd… Maar misschien is het wel goed zoals het is en hoef ik me geen zorgen te maken als de ene of de andere ik de bovenhand neemt.  Misschien ben ik op de een of andere manier wel het tegengewicht van mezelf? Misschien ben ik onbewust in balans en juist geijkt in een apart metriek stelsel? Alleszins, ik ga er nu mijn hoofd niet over breken.   Daarvoor dient de nacht.  Op de een of andere manier leidt die me wel naar het juiste scenario en misschien vind ik nu wel de invalshoek.  In het andere geval hoef ik me er morgen geen zorgen over te maken want morgen is het gewoon weer dag. <object id="__symantecPKIClientMessenger" style="display: none;" width="300" height="150" data-extension-version="0.5.0.161" data-supports-flavor-configuration="true" data-install-updates-user-configuration="true"></object> <object id="__symantecPKIClientMessenger" style="display: none;" width="300" height="150" data-extension-version="0.5.0.161" data-supports-flavor-configuration="true" data-install-updates-user-configuration="true"></object>

jan pultau
4 0

De pier (Opdracht D. Troch) / Gangen (Opdracht C. Gastmans)

De Pier   —Dag Roger. —Julienneke. Ik mag toch Julienneke zeggen? —Liever niet. Het is moeilijk voor mij om hier te zijn. —Oei, ok. Hoe komt het dat je mij terug wilde zien? —Dat weet ik niet. Ik dacht: Julienne, herpakt u. —En je bent hier. —Ik ben hier. —Dat doet me deugd. —Jij bent ook hier. —Ik ben hier. Jij bent hier. We zijn hier samen. Nee, mensen zeggen dat de pier voor toeristen is, maar dat vind ik niet. Ik vind het fantastisch dat je eten gewoon onder jou kan zwemmen. Vind je dat niet? Wat eet je? Eten we iets? Heb je honger? —Ik heb niet echt honger, maar ik kan eten. —We eten iets. Baars. Kabeljauw. Of nee, tong. Maar misschien eet ik dat deze avond al wel, hé Julienneke. —Roger. —Ik zwans er maar mee. —Ik hou daar niet van. —Maar dit is toch fantastisch. De pier. De zeedijk. Dit is het leven, of niet. —Ik heb zoiets nog nooit gedaan. Buiten met u dan, de vorige keer. Ik bedoel, met onze Fil deed ik dat niet. Wij deden zo’n dingen niet. Het is niet dat ik niet wilde, maar onze Fil. —Julienne, we gaan geen oude koeien uit de gracht halen. Wij leven hier en nu. In dit moment. De pier is van ons. Deze tafel, deze stoelen zijn van niemand anders. —Ja. Straf dat je het gelezen had. —Ja, enfin. Nee, eigenlijk niet. Ik had het niet gelezen. —Het zoekertje, hé. Straf dat je mijn annonce gelezen had. —Ja, ja. De annonce. Het zoekertje.. Ik ben mee. Wat eet je? Ik trakteer. Kies maar. Geen kreeft, hè. —Nee, geen kreeft, Roger. Niks. Ik heb toch geen honger. —Geen honger? Dat kan. Dan eten we niet. Nee, Julienne. Dat ik u hier nog eens zie. Drink een cocktail. Mojito. Sex on the beach. Nee, ik lach ermee. Cuba Libre. Cola. Dat lust je. —Ik weet eigenlijk niet of dit toch zo’n goed idee was, Roger. —Julienne, begin weer niet. Je weet niet wat ik heb moeten doen om hier te geraken vandaag. —Je mag mij niet dwingen, Roger. Dat heb ik je gezegd. Het is moeilijk. Alsjeblieft.         Gangen   Tussen de kamers hangen zwart-witportretten van senioren die uitbundig van het leven genieten. Hij bekijkt ze vluchtig, in de momenten tussen zijn stappen. Hij zet grotere passen dan zijn moeder, hij heeft tijd.  'Wacht,' zegt ze en blijft staan bij een smal toogje. Een verpleegster met de heupen van een gevallen peer staat op van achter haar computer en knikt ter herkenning. 'Ik hoor dat mijn moeder vrijdag naar huis mag?' 'Uw moeder.. Mevrouw Versteilen?' 'Versteilen, ja.' 'Die mag inderdaad naar huis.' Ze lacht.  'Dat vind ik niet verantwoord. Vindt u dat verantwoord? In deze toestand?' 'Er zijn geen aanleidingen om haar hier te houden, mevrouw.' 'Kan ik met een dokter spreken?' Dat kan niet. 'Hoe moet ze in het rusthuis geraken? Ze kan zelfs haar urine niet ophouden.' Hij hoort het haar zeggen: urine. Dat is geen woord dat zijn moeder zou gebruiken. Ze hebben het nooit over urine. Als er al op de vloer gepist wordt, wordt het nonchalant een ongelukje genoemd, of genegeerd tot de verpleging het opmerkt. Ze zegt urine. 'Zij kan hier niet weg.' Zijn moeder knikt terwijl de Peer uitlegt hoe er voor alles gezorgd zal worden, hoe ze een grotere kans op infecties heeft als ze hier blijft, hoe ze echt beter af zal zijn in het rusthuis. Hij ziet haar knikken, maar ze luistert niet.  'Niet verantwoord!' zegt ze terwijl ze haar vinger in de lucht werpt. 'Kom.' Hij volgt. Ze zwijgen.  Vanuit een zwartomrande kader lacht een tachtiger hem toe. Ze gooit een bal. Hij kan niet zien naar wie of wat. De emoties zijn misschien vals, denkt hij, maar deze mensen zijn echt. Ergens loopt dit oudje rond, gooit ballen, heeft al haar tanden nog.  Bij de uitgang moeten ze op twee knoppen drukken om buiten te kunnen. Erboven hangt een bordje dat bezoekers aanmoedigt niemand buiten te laten. 'Volgende week ligt ze hier terug. Nee. Ze zal weer iets hebben, maar over mijn lijk dat ik ze naar hier laat komen. No way. Nooit meer.' 'Nee,' antwoord hij. 'Niet naar hier. Dat moet niet. Heel goed wordt ze hier toch niet verzorgd.' 'Neen. Dat is ook waar. Ik ben benieuwd!'    

The Mahatma
0 0

Tot ziens, Marianne (deel18)

De laatste nacht in Sydney heb ik geen oog dicht gedaan. Niet alleen vanwege de talrijke muggen die rond mijn oren zoemden, maar ook - en vooral - door een innerlijke kwelling. Mijn gedachten dwaalden onophoudelijk naar Marianne. Het laatste, weerzinwekkende beeld dat ik van haar bewaar, staat op mijn netvlies gebrand, terwijl haar laatste kreet door mijn hoofd blijft galmen. Het teistert me. Ik vraag me af of ik correct heb gehandeld. Was ik niet te harteloos en onverbiddelijk? Haar verdriet leek zo oprecht. Maar waarom is ze dan zo hardnekkig tegen me blijven liegen? Ik breek er me het hoofd over. Dat deed ik tijdens de vlucht naar huis, en dat doe ik ook nu. Ik slaag er niet in dat duivelse motortje in mijn hoofd af te zetten. Was ze bang om me de waarheid te vertellen? Zo ja, waarom? Omdat ze bang was me te verliezen? Er bestaat een reële kans dat die Davy Matthews op het slechtst denkbare moment ten tonele verscheen. Misschien wilde ze die eikel helemaal niet zien. Misschien was het daarom dat ze die wegwuifgebaren maakte. Om van hem af te zijn voor ik buitenkwam. Omdat ze vreesde dat ik me dingen in het hoofd zou halen. Wat ik ook heb gedaan. Ik kan me wel voor het hoofd slaan. Haar woorden, dat ik vanuit een impuls reageerde; dat ik mezelf de tijd moest geven om alles te laten bezinken; dat ik over enkele dagen de dingen beslist weer in het juiste perspectief zou zien… het zouden wel eens profetische woorden kunnen zijn. Het fenomeen lijkt zich te voltrekken. Ik betreur mijn beslissing om er overhaast vandoor te gaan. Ik had mezelf de tijd moeten geven om rustig na te denken. Als ik haar door mijn onverzettelijkheid tot een wanhoopsdaad heb gedreven, vergeef ik het mezelf nooit!   Mijn tocht door het luchthavengebouw lijkt eindeloos. Ik krijg het onbehaaglijke gevoel dat men de hele wereld heeft overdekt. Dan moet ik weer een gang links in, dan weer een roltrap op, daarna eentje naar beneden, gangetje rechts, gangetje links, weer een verdieping hoger… En de hele tijd loopt een stroom zombies met me mee. Allemaal mensen met de blik op oneindig, net als ik op zoek naar de uitgang van dit immense gebouw.   Wanneer ik de luchthaven verlaat, is het alsof ik deur naar de Noordpool opentrek. Een ijzige wind blaast door mijn ribben en doet me klappertanden! Het lijkt alsof de zon is uitgedoofd. Minus twee liet de piloot ons via de intercom weten. Minus tweeëndertig lijkt me dichter bij de waarheid! Als ik intussen niet reeds doordrongen was van spijt, dan zou mijn terugkeer in dit tochtgat aan de Noordzee daar wel voor zorgen. In een mum van tijd zijn mijn vingers verworden tot gevoelloze stokjes die willoos aan mijn handen zitten. Huiverend van de kou haal ik mijn rugzak leeg. Een dikke trui behoort niet tot mijn in allerhaast bijeengeraapte garderobe. Maar ik heb een spijkerbroek. En als ik daar bovenop alle T-shirts, polo’s en hemden aantrek die ik mee heb kunnen grissen, kan ik me misschien net voldoende warm houden.   Huiverend sta ik op de bus te wachten die maar niet komen wil. In mijn broekzak speelt mijn hand met mijn smartphone. Ik voel een drang om Marianne’s nummer op te roepen. Ik wil weten of ze nog leeft. Ik haal mijn mobieltje tevoorschijn en druk op de aan-knop. Het lukt me nauwelijks om deze eenvoudige handeling uit te voeren. Elke aanraking met een object voelt aan alsof me de duimschroeven worden aangelegd. Ik druk op het groene telefoontje onder haar naam en houd het toestel aan mijn oor. Drie keer gaat een zachte zoemtoon over. Dan houdt het op. “Marianne?” vraag ik. Er volgt geen antwoord. “Marianne? Hoor je me? Ik ben het, Boris!” Met mijn stijf bevroren lippen lukt het me amper om de woorden te vormen. Het lijkt wel alsof ik een spraakgebrek heb. De lijn blijft dood. Ik toets het nummer een tweede keer in en wacht. Rillend van de kou. Maar ook van de spanning. De lijn blijft dood. Een derde poging. Deze keer gaat de zoemtoon weer over. Vier, Vijf keer. Dan klinkt er gekraak! Als van een wikkeltje dat van een snoepje wordt gehaald. “Hallo, Marianne? Hoor je me? Marianne!” Geen reactie. Ik druk het toestel weer uit en denk na. Misschien moet ik maar een sms-je sturen. Ik druk op het gele envelopje en tik de letters in. Het gaat moeizaam, ook al vergt het niet meer dan enkele zachte vingertikjes op het aanraakscherm. Mijn vingers zijn intussen zo gevoelloos geworden dat ze niet langer tot mijn lichaam lijken te behoren.   Kun je me bellen? Dringend!   Ik druk op verzenden. Haast onmiddellijk boort zich een heldere berichttoon door de ijle winterlucht. Ik kijk om en zie een voluptueuze dame achter me staan. Met haar rug naar me toegekeerd, gehuld in een dikke winterjas. Om haar hoofd heeft ze een beschermende sjaal gebonden. Ze haalt een mobieltje tevoorschijn en werpt een blik op het oplichtende scherm. Mijn hart springt op. “Marianne?” zeg ik. Ik loop op haar toe en neem haar bij de arm. Wanneer ze haar hoofd draait, laat ik haar verschrikt weer los. Twee uitpuilende oogbollen, als pingpongballen, in een gezicht dat zwart is als de nacht, kijken me verbaasd aan. “Wat wil jij, jongeman?” vraagt de dame met een vreemd accent. Ik krijg geen woord over mijn lippen. Ze bekijkt mijn outfit en lijkt medelijden met me te krijgen. “Kan ik jou ergens mee helpen?” vraagt ze. Ik schud het hoofd en loop van haar weg. Ze kijkt me na tot de bus komt aangereden.   Ik sla de hoek om, waardoor de wind recht in mijn gezicht komt te staan. Sneeuwvlokjes, klein als muggen, vliegen me om de oren en dringen in mijn neusholtes. Ik vorm mijn ogen tot spleetjes en tuur voor me uit. De straat waar ik ben opgegroeid, lijkt nauwer dan voorheen. Het is alsof de huizen naar elkaar zijn toegeschoven, als in een continental drift. Ik hou mijn passen in en kijk om me heen. Er is heel wat veranderd in de straat, in vergelijking met hoe ze vroeger was, toen ik nog een kind was. De tengere boompjes, die de stoepen afboorden, zijn flink opgeschoten. De stammen zijn nu vuistdik. Maar de kruin blijft karig omdat de takken elke herfst worden teruggesnoeid tot een knot. Twee van de boompjes ontbreken al jaren. Het ene is kort na de aanplant doodgegaan en nooit vervangen. De stam heeft er nog jaren staan zieltogen, tot hij op zekere dag is afgebroken. Vermolmd tot in de kern. Het andere boompje is op een keer omvergereden door een man met een gehuurde bestelwagen. Een stukje stam, niet hoger dan dertig centimeter, is alles wat nog aan het ongeval herinnert. Ik bekijk het eerste huis op de hoek. Hier bevond zich destijds de bakker, waar vader op zondag de knapperige broodjes haalde. De heerlijke baklucht deed vaak de hele straat het water uit de mond lopen. Na de dood van de bakker is het huis omgebouwd tot een bel-etagewoning met garage. In de aangrenzende woning is nog steeds de krantenwinkel gevestigd, waar ik als prille tiener geregeld voor het uitstalraam ging staan. In een rek langs de linkerwand stonden magazines met interessante covers uitgestald. Vrouwen pronkten er op met hun ontblote boezem en onthaarde kutjes. Prachtig studiemateriaal voor een puber die nog nooit een naakte vrouw had gezien. Mijn preutse moeder zou nog liever dood ter aarde zijn gestort dan dat één van ons een glimp van haar lichaam zou hebben opgevangen. Ook mijn zussen waakten erover dat ik geen vierkante millimeter van hun naakte lichamen te zien kreeg. Tot ik die magazines in de krantenwinkel ontdekte, had ik geen vermoeden hoe een vrouwenlichaam er uitzag. De covers waren een openbaring. Enkel de binnenkant van dat spleetje onderaan bleef een groot geheim… tot Marianne me inwijdde in de liefde. Ik ben haar heel wat verschuldigd. Ik diep mijn mobieltje op en werp een blik op het display. Geen antwoord van Marianne. Het maakt me onrustig. Ik kan me niet van het nare voorgevoel ontdoen dat er wat is gebeurd. Ik huiver bij de gedachte en berg het toestel weer op. Naast de krantenwinkel bevindt zich het grote herenhuis van de familie Beckers. Dit voorname stel mag er verantwoordelijk voor worden geacht dat vader en moeder mij per se naar de universiteit wilden sturen. De drie zonen Beckers hadden het stuk voor stuk tot iets geschopt waar onze ouders - in het bijzonder moeder - stikjaloers op waren. Tenminste één van ons moest daarom ook een universitair diploma halen. Aangezien Bob en Ben hadden gefaald en de zussen om diverse redenen niet tot studeren waren gekomen, rustte alle hoop op mij. Mijn slechte resultaten hebben moeder haast tot wanhoop gedreven. Het vierde huis is dat van de ouders van Elsje. Elsje is het enige meisje waar ik ooit verliefd op ben geweest. Ze was niet bijzonder mooi, maar dat zag ik toen niet. Ze droeg als kind haar lange blonde haren steeds in een lange, wapperende paardenstaart, die hoog op haar kruin ontsprong, waardoor hij een soort van vraagteken vormde achter haar hoofd. Telkens ik kon, liep ik de straat op om langs haar heen te lopen. Ik was in de hoogste hemel als ze even naar me keek. Maar dat gebeurde zelden. Meestal had ze geen oog voor mij. Iedere keer nam ik me voor haar een volgende keer aan te spreken. Dat heb ik nooit gedaan. Toen ze jaren later haar paardenstaart ruilde voor een millimeterbros, was mijn liefde op slag over. Van de ene dag op de andere zag ze er uit als een jongen, en liep ze hand in hand met een voluptueus meisje dat gehuld was in een brede salopette en dat er een soort van militaire pas op nahield. Elsje was opeens geen issue meer. Het volgende huis is dit van de familie De Greef. De vader van dit gezin werkt op hetzelfde bedrijf als mijn vader. Dat maakt hen tot collega’s, maar vrienden zijn ze niet. Mijnheer De Greef bekleedt namelijk een aanzienlijk hogere functie dan vader, wat voornamelijk moeder de ogen uitsteekt. Zij hoopt al jaren dat vader ooit een even hoge - of misschien wel hogere - functie zal bekleden dan De Greef. Maar vader gedijt beter in een ondergeschikte rol. Hakken tegen elkaar en knikken. Dat is meer iets voor hem. Naast de De Greefs woont de familie Oerlemans. De enige zoon van dit gezin heeft het, na een calvarietocht langs diverse universiteiten, alsnog tot advocaat geschopt. Ook een doorn in het oog van moeder. Het volgende huis is dit van de familie Hermans. Ook zij hadden maar één zoon: William. William was slechts twee jaar ouder dan ik en zat in dezelfde school, twee klassen hoger. Op een dag kwam hij op de speelplaats op me toegestapt. Hij vroeg of hij een keer mocht komen spelen. Ik durfde niet toe te zeggen. Moeder had niet graag dat er vreemde mensen over de vloer kwamen. Ze was er als de dood voor dat iemand haar innerlijke rust kwam verstoren. Uiteindelijk mocht ik bij hem komen spelen. Ik was in de wolken. Eindelijk had ik ook eens een speelkameraadje! Helaas bleek William een rare vogel te zijn. Hij was een kop groter en vier schouders breder dan ik en wilde altijd lijf-aan-lijfgevechten houden. Iedere keer kwam hij dan bovenop me liggen met zijn mond dicht bij de mijne, ademend in mijn gezicht. Hij lachte dan geheimzinnig en liep rood aan. Ik voelde me er onbehaaglijk bij. Toen hij enkele dagen nadien vroeg of ik nog eens wilde komen spelen, heb ik gezegd dat ik niet meer mocht van moeder. Twee jaar geleden heeft hij zich voor een trein gegooid. Arme William. Ik vervolg mijn weg. Het laatste huis voor het onze is dit van de familie De Boe… Ik blijf als aan de grond genageld staan, dek mijn ogen af voor de nijdige sneeuwregen en kijk verbijsterd toe, als een landbouwer die zijn oogst vernield ziet door een hagelstorm. Ik begrijp niet wat me overkomt. Hebben een handvol weken aan het andere eind van de wereld mijn geheugen aangetast? Loop ik aan de verkeerde kant van de straat? Ben ik een verkeerde weg ingelopen? Is het een straat die haast identiek is aan de onze?!? Het huis van de familie De Boeck, dat stond ingebed tussen het onze en dat van de familie Hermans, blijkt plots een hoekwoning te zijn! Op de plaats waar ons huis stond, strekt zich een door prikkeldraad omgeven weide uit. Ik kijk achter me de straat in om te verifiëren of ik iets over het hoofd heb gezien. Nee. Alles klopt: de bel-etagewoning op de hoek, de krantenwinkel ernaast, een analoge opeenvolging van huizen, de boompjes waarvan er twee ontbreken… Ik schud mijn hersencellen los en blijf, als door de hand Gods geslagen, naar het grasveld staan kijken. Ik lijk wel een alzheimerpatiënt die een ommetje maakt en plots niet meer weet waar hij zich bevindt! Terwijl de koude wind mijn oren haast van mijn kop blaast, denk ik aan vader en moeder. Meer in het bijzonder aan het laatste beeld dat ik van hen heb. De twee wassen beelden die naar het cameraoog van hun computer zitten te staren. In gedachten hoor ik weer het ijselijk gekrijs dat leek op te stijgen uit de krochten van de hel. Een ijzige hand grijpt me bij de keel. Er moet iets zijn gebeurd met vader en moeder. Met het huis. Hier moet een verklaring voor zijn. Maar welke? Ik moet er achter zien te komen.   Op weg naar mijn broer Bob, van wie ik opheldering hoop te krijgen, vliegen steeds dikker wordende vlokken me om de oren. Aan mijn borstkas kleeft een wit harnas van sneeuw. En mijn doorweekte rugtas weegt als lood. Ik sla de hoek om en houd halt bij het eerste flatgebouw dat ik tegenkom. Het is hier, op de hoogste etage, dat Bob woont. Ik kijk langs de gevel omhoog, maar zien of hij thuis is, kan ik niet. Het dakappartement ligt een beetje naar achteren en is vanop de straat niet te zien. Ik kijk op de bovenste bel. Op het etiket staat in drukletters te lezen: ‘Bob en Frieda’. Ik leg mijn vinger op de knop maar trek meteen mijn hand weer terug. Wat stond er? Ik kijk opnieuw. Bob en Frieda. Ik frons mijn wenkbrauwen. Mijn schoonzus heet Helena! Niet Frieda. Zou Bob…? Ach, van een gluiperd als hij kun je alles verwachten. Ik haal mijn schouders op en druk op de bel. Even later boort zich een diepe mannenstem door de ijle winterlucht: “Hallo?” Ik kijk verrast op. Ik herken Bobs stem niet! Nooit eerder heb ik hem met zo’n bariton weten spreken. Zou hij verkouden zijn? Niet ondenkbaar met dit hondenweer. “Bob?” vraag ik met mijn mond dicht bij de microfoon. “Ja.” “Ik ben het, Boris.” Heel even blijft het stil aan de andere kant van de lijn, alsof ik een delicate vraag heb gesteld die een doordacht antwoord vergt. Dan klinkt het plots: “Boris wie?” Ik slaak een verveelde zucht en draai met mijn ogen. Al sinds mijn kindertijd vorm ik een dankbaar slachtoffer voor zijn plagerijen. Ik heb er een bloedhekel aan. Doorgaans geef ik het dan al op, maar die keuze heb ik deze keer niet. Ik wil weten wat er met ons huis is gebeurd. Ik vraag het hem. Op de man af. Ik hoor hem tot iemand anders het woord richten. Met gedempte stem. Een vrouwenstem op de achtergrond brabbelt een antwoord dat ik niet kan verstaan. “Hoe bedoel je?” klinkt dan weer de bariton in de parlofoon. “Ons huis is weg,” zeg ik. “Het staat niet meer op z’n plaats! Wat is er gebeurd? Waar zijn vader en moeder?” Er klinkt opnieuw een gesmoord gemompel waaruit ik niks kan opmaken, alsof hij de microfoon afdekt met zijn hand zodat ik niet kan verstaan wat hij tegen de ander zegt. “Wie zei je dat je was?” klinkt het even later. Ik voel mijn bloed beginnen te kolken, maar tracht me te beheersen. “Boris! Je kleine broertje, remember!” bijt ik hem toe. Heel even blijft het stil aan de andere kant van de lijn. Dan klinkt het: “Ogenblik! Ik kom naar beneden.” Terwijl ik wacht, stampvoet ik om me warm te houden. De straat wordt schaarsverlicht door een paar oude lantaarns. In het gele licht vechten de sneeuwvlokjes een dappere strijd met de zwaartekracht. Sommigen lijken zich een weg omhoog te willen banen doorheen een spervuur aan oplichtende watjes. Uiteindelijk moeten ze zich gewonnen geven en volgen ze de neerwaartse stroom van de andere vlokjes. Ik richt mijn blik omlaag. Het voetpad ziet eruit alsof er een lading poedersuiker over is uitgestrooid. Wanneer het licht in de gang aanfloept, keer ik me hoopvol naar de deur. Doorheen het glas zie ik hoe een man uit de lift komt gestapt. Ik kijk vreemd op. Mijn broer Bob is een grote, tengere man, net als ik. Deze kerel is klein van gestalte en heeft bicepsen als heliumballonnen. Hij kijkt me door het glas van de deur aan alsof hij meent dat ik een deurwaarder ben die zijn inboedel in beslag komt nemen. “Ja?” klinkt het nadat hij heeft opengemaakt. Ik kijk langs hem heen de gang in. “Sorry, ik denk dat dit een misverstand is,” zeg ik verontschuldigend. “Ik wilde eigenlijk mijn broer spreken.” “Wie is je broer?” “Bob. Hij woont op de bovenste etage.” De man kijkt me met half dichtgeknepen ogen aan. “Ik bén Bob… van de bovenste etage,” antwoordt hij afgemeten. “Hoe… maar…” “Ben je zeker dat je aan het juiste adres bent?” vraagt hij. “Ja…” De man merkt dat ik minder overtuigd ben dan mijn antwoord wil laten uitschijnen. “Hoe is de achternaam van de Bob die je zoekt?” vraagt hij. “Wolfs.” “En hoe ziet hij eruit?” “Lang, mager, een beetje zoals ik. En zijn vrouw heeft lange bruine haren. Tot hier.” Ik zet mijn hand haaks op mijn bovenarm om de lengte te tonen. “En ze heet Helena.” “Zegt me niks,” doet de man met vertwijfeld vooruitgestoken onderlip. “Er woont hier geen lange magere vent. En ook geen vrouw met zo’n haar die Helena heet.” Ik doe een stap achteruit en kijk omhoog naar de belendende gevels. Ik ben toch aan het juiste adres… dacht ik… “Weet u dan misschien of er ergens in de buurt een Bob Wolfs woont?” vraag ik. De man wordt ongeduldig. “Ik zeg toch dat de naam me niks zegt,” antwoordt hij geïrriteerd. “Is er nog iets? Ik heb het koud.” Ik schud mijn hoofd. Daarop sluit de man de deur en sloft naar de lift, zonder nog één keer om te kijken. Om zeker te zijn of ik wel bij het juiste flatgebouw heb aangebeld, loop ik de hele straat drie keer op en af. Ik bekijk alle bellen en brievenbussen, maar van ene Bob Wolfs geen spoor. Ik zie maar één verklaring. Wellicht is hij intussen verhuisd en heeft hij het als naar gewoonte nagelaten me in te lichten. Wie houdt er immers rekening met Boris? Niemand toch! Aangezien Ben en Bieke te ver uit de buurt wonen om er te voet naartoe te gaan en mijn geld op is, rest me enkel nog de mogelijkheid Bea op te zoeken. Ik wil een poging doen om haar om opheldering te vragen. Geen sinecure, want Bea is de zus die in een tehuis woont omdat ze een autismespectrumstoornis heeft. Zij leeft in een andere wereld. Maar met wat geluk heeft ze een goede dag en slaag ik er in haar even uit haar persoonlijke universum te lichten.Het tehuis waar ze onder toezicht verblijft, is maar een paar straten van hier. Als ik de korte weg door het park neem, ben ik er zo.   In het park hangt een onaardse sfeer. De kale twijgen van de bomen zwiepen rusteloos heen en weer als geselroedes. Tijdens de zomermaanden klinkt hier alom het gefluit van vogels en ligt het grasveld bezaaid met mensen die zich tegoed doen aan de zon. Nu huilt er een ijzige wind door de bomen en zit het grastapijt verborgen onder een laag sneeuw. Ik trek mijn schouders hoog op en maak haast. Onder mijn voeten kraakt de sneeuw.   Door de kale takken van de heesters doemt de gevel van het tehuis op waar Bea verblijft. Met zijn hoge ramen en zware eikenhouten deur doet het denken aan een 19e eeuwse instelling voor wezen. Het lijkt alsof de tijd hier heeft stilgestaan. Maar binnenin heeft het oude gebouw een heel ander karakter. De zieken zitten niet opgesloten in kleine cellen die hun mentale toestand allesbehalve ten goede zou komen. Ze worden niet beschouwd als patiënten. Wel als bewoners die elk een eigen ruime kamer ter hunner beschikking hebben. Voor een groot deel wonen ze zelfstandig. Enkel krijgen ze aangepaste begeleiding en dagactiviteiten. Het is een woonvorm die mensen met een psychische stoornis of verstandelijke handicap, die geen nood hebben aan een continu psychiatrisch toezicht, de gelegenheid biedt tot op zekere hoogte een normaal leven te lijden. Ik bel aan. De man die de deur opent, kijkt me vreemd aan. Hij heeft een opvallende kaakafwijking, en langs één kant een flapoor. Hij vraagt me wat ik wil. Ik zeg hem dat ik mijn zus kom bezoeken. Bea Wolfs. “Wie zegt u?” vraagt hij met zijn uitstaand oor naar me toegekeerd. “Bea Wolfs.” Hij kijkt me aan als een slager die je om een vers gesneden brood verzoekt. “Mag ik binnenkomen?” vraag ik. Ik maak aanstalten om de laatste drempel te beklimmen, maar hij houdt me tegen. “Wacht eens even. Wie is Bea Wolfs?” vraagt hij. “Mijn oudste zus. Ze woont hier al enkele jaren.” “Is dat zo? Vreemd dat ik nog nooit van haar heb gehoord.” “Is er misschien een begeleider in de buurt?” vraag ik voorzichtig. “Ik bén een begeleider,” klinkt het kort. “O! Sorry.” “Niet erg. Ik beschouw het niet als een belediging voor mezelf, maar als een compliment voor onze bewoners. Maar goed. U beweert dus dat uw zus hier al jaren verblijft?” “Toch al een jaar of tien.” De wenkbrauwen van de man lijken boven zijn neus samen te frommelen tot een knot. “Kijk eens aan,” zegt hij. “Dat is dan wel héél vreemd. Ik ben hier namelijk tewerkgesteld sinds de aanvang van het project en heb nooit iemand met die naam gekend. Bent u zeker dat u aan het juiste adres bent?” “Héél zeker. Ze was één van de eerste bewoners.” “Dat lijkt me sterk. Tenzij… Kan het zijn dat ze staat ingeschreven onder een andere naam? Misschien haar meisjesnaam?” “Bea Wolfs IS haar meisjesnaam. Ze is nooit gehuwd geweest. Daar is ze niet toe in staat. Ze heet gewoon Bea Wolfs - voluit Beatrijs - en heeft hier altijd zo ingeschreven gestaan.” “Bizar. Hoe ziet uw zus er precies uit?” “Groot. Ik schat een meter tachtig. Slank. Maar ze is in haar jeugd een tijdlang zwaarlijvig geweest. De sporen daarvan zie je nog. Ze heeft overtollig vel onder haar kin en onder haar bovenarmen als ze deze optilt. Ze heeft brede heupen en draagt een ouderwetse bril en een tandprothese.” “Het spijt me,” schudt de man, “maar we hebben geen enkele bewoonster die aan deze beschrijving voldoet. Ik vrees dat u zich vergist.” Hij wil de deur sluiten, maar ik wurm mijn voet tussen de kier. “Maar nee, ik vergis me niét!” roep ik. “U vergist zich! Ik weet zéker dat Bea hier woont! Laat me binnenkomen, dan wijs ik u haar kamer!” “Het spijt me,” zegt hij. “We kunnen hier niet zomaar eender wie binnenlaten. Onlangs nog is hier een poging tot verkrachting geweest. Sindsdien zijn we extra voorzichtig. Als u kunt aantonen dat u familie bent…” “Maar ik bén familie!” roep ik uit. “Bea is mijn oudste zus, zeg ik toch!” Ik wurm mijn mond door de kier en roep: “Bea!” Mijn stem galmt in de kale inkomhal. “Bea!!!” De man geeft me een duw, waardoor ik achteruit van de drempel tuimel en hij de deur met een klap kan dichtslaan. Ik krabbel overeind en blijf verbouwereerd staan kijken, tot ik boven me een raam hoor opengaan. Ik richt mijn blik omhoog en zie vijf hoofden simultaan in het venstergat verschijnen. Alsof er een meerkoppige draak naar voren leunt. Drie mannen- en twee vrouwenhoofden. Alle tien de ogen zijn op mij gericht. “Wie moet je hebben?” vraagt één der vrouwen, wier hoofd is omgeven door een weelderige bos rood kroeshaar waardoor ze op een circusclown lijkt. “Bea!” roep ik haar toe. “Bedoel je Beatrijs?” De anderen vier staren me intussen onbewogen aan. “Ja,” knik ik hoopvol. “Weet u waar ze is?” De vrouw leunt wat verder naar voren en spreekt me aan op zachte toon, alsof ze me een geheim toevertrouwt. “Beatrijs is geboren in een gezin met zes kinderen,” klinkt het. “Huh?!? Nee, vijf,” verbeter ik haar. Zonder naar me te luisteren, gaat ze verder: “Haar moeder stierf toen ze zeven was. Op tienjarige leeftijd is ze afgestaan als oblate aan de cisterciënzerinnenabdij Bloemendaal in Eerken. Door haar vroomheid mocht ze al op zestienjarige leeftijd haar geloften afleggen als novice in het klooster.” “Ho! Wacht even. Over wie heb je het?” vraag ik. “Beatrijs,” antwoordt de vrouw. “Beatrijs van Nazareth. Ook wel Beatrix van Tienen genoemd. Of Beatrix van Lier. “Wacht eens, die bedoel ik niet,” zeg ik. “Ik zoek Beatrijs Wolfs. Mijn oudste zus! Kennen jullie haar? Ze woont hier. Beatrijs Wolfs!” De vrouw lijkt even uit het lood geslagen. Haar ogen draaien zo ver weg dat enkel nog het wit is te zien. Zodra haar irissen weer tevoorschijn komen, vervolgt ze: “De wolf, canis lupus, is een zoogdier dat behoort tot de roofdieren en de familie der hondachtigen. Hij komt wereldwijd voor en…” “Godverdomme! Doe eens normaal!” schiet ik uit. Mijn stem klinkt ongenadig hard in de stilte van de avond. De vijfkoppige draak kijkt op me neer als een groep biologen op een pas ontdekte diersoort. Ze lijken te overwegen wat ze met me aan moeten. Dan deinzen hun hoofden plots simultaan achteruit en komt de man die me even tevoren nog aan de deur ter woord stond, uit het raam leunen. “Kan het een beetje rustiger?” sist hij me toe. “Ik wil mijn zus spreken,” zeg ik weer. “Jongeman, nogmaals, de vrouw die u beschrijft woont hier niet en heeft hier nooit gewoond. Doe me een plezier en ga naar huis uw roes uitslapen, want volgens mij heeft u te diep in het glas gekeken.” “Maar… dat is niet waar!” roep ik. “Ik heb…”De man trekt zijn hoofd terug en sluit het raam. Ik kijk om me heen in de hoop dat iemand me kan bijstaan. Maar de ongure winteravond houdt iedereen aan de haard gekluisterd. Er is geen levende ziel te bekennen op straat. Ten einde raad neem ik een aanloop en beuk met mijn schouder tegen de zware deur. Er gaat een snijdende pijn door me heen en ik slaak een kreet van pijn. Moedeloos zet ik me neer in de sneeuw en verberg mijn hoofd in mijn handen.   ©photosuus

Lou Van Lier
0 0

allemaal sam

Sam bloedt. De rode vlek op de witte stof is afkomstig van de wijsvinger. Sam bijt op de nagels, vaak zonder het te beseffen. Het is een tic, een verslaving. Een vlucht. De frustraties van alledag wegen op Sam, niet de frustraties zoals de afbetaling van het huis, de auto, het ophalen van de kinderen, wel de meer verfijnde frustraties; Sam bijt op de nagels bij het denken aan het overaanbod in de consumptiemaatschappij, bij het tobben over het wat wel en niet gezegd, over het goed of fout van de impulsieve neigingen van de mens, over assertiviteit of gelatenheid. Sam tobt over de puinhoop aan cassettes en lege doosjes op de passagierszetel die toch eens moet georganiseerd worden. Vervolgens vraagt Sam zich af waarom eigenlijk. Doet het ertoe? Vindt Sam dat het ertoe doet? En zoja, is dat dan de Sam die Sam verlangt te zijn of de Sam die de universele conventionaliteit weerspiegelt die zegt dat cassettes in hun respectievelijke doosjes moeten zitten, en liefst mooi weggeborgen in een doos? Heeft de echte Sam hier allemaal geen lak aan? Sam zuigt op de bloedende wijsvinger. Sam denkt terug aan wat Bie gisteren zei – jij neemt jezelf veel te serieus, Sam. Sam fronst en zet de auto in eerste, het licht springt net op groen. De stem in het hoofd zegt dat Sam zich net niet genoeg au serieux neemt en daarom alles in twijfel trekt. Leven is de zwaarste taak ooit. De stem in het hoofd laat niet leven maar laat Sam geleefd worden. Geleefd, beleefd. Beleefd zijn, nog zo’n moeilijke taak. Hoewel dat eigenlijk gemakkelijker is dan grof zijn, rebel zijn, spugen op alles. Dát zou Sam wel willen, maar daarvoor moet eerst de stem in het hoofd worden uitgeschakeld. Een rebel hoeft die stem niet eens uit te schakelen, want een rebel heeft nooit een stem in het hoofd gehoord. Het is hopeloos. Sommigen dansen, maken muziek, schilderen, sporten en vinden daar de toegang tot het bedieningspaneel voor de stem in het hoofd. Sam denkt vaak dat schrijven een goede oplossing zou zijn. De stem woorden laten spreken tegen het papier, in plaats van wartaal te verkondigen in het hoofd (en liefst in spiraalvorm). Maar het bemiddelen tussen stem en papier blijkt een dubbel zware taak voor Sam. Soms, soms lukt het even, dan is de trance er, waardoor Sam een rechtstreeks kanaal is tussen het papier en de stem, zonder te moeten bemiddelen, wikken of wegen. Sam remt bruusk wanneer een jongeman onverwacht de straat over rent op vijf meter van het zebrapad, bij rood licht. Sam voelt woede opkomen, maar is al snel verward over de oorsprong van de woede. Woede vanwege de overtreding? Vanwege het gevaar? Vanwege het feit dat het weer een onverantwoorde jonge vreemdeling was? Of vanwege de schuldgevoelens over deze laatste gedachte? Misschien was Sam zelf wel onoplettend? Misschien was het niet eens een vreemdeling? Misschien had Sam gisteren een gelijkaardige situatie veroorzaakt als fietser? Sam beseft dat er teveel woede en kritiek broedt in het lichaam. Weer rood licht. Weer nagelbijten, aan de andere kant nu. Het bloeden is gestopt. Jezelf graag zien is een makkie. Maar breekt onherroepelijk zuur op. Sam kijkt vaak in de spiegel en denkt – ik zie je graag, Sam. Soms kan die zelfliefde zo intens zijn dat Sam op alles en iedereen zelfverzekerd toe stapt. Dat is het uiteindelijke doel van de zelfliefde. Dan gebeurt onvermijdelijk het volgende: Sam merkt dat niet iedereen Sam zo fantastisch vindt als Sam zelf, en dan wordt Sam boos. Om te kunnen liefhebben moet je eerst jezelf liefhebben, de stem in het hoofd schreeuwt Sam de woorden toe in een oneindige loop. Wanneer Sam het punt bereikt van de absolute zekerheid over de eigen grootsheid en schoonheid, kan in de eerste plaats slechts woede een gevolg geven aan de wanhoop jegens zij die deze kwaliteiten niet erkennen. Vervolgens breekt de twijfel los – hebben zij gelijk? Heeft Sam gelijk? Dan laat Sam de spiegel weken links liggen en wentelt zichzelf in onzekerheid en vervolgens de zekerheid dat Sam allerminst fantastisch is. De straatlantaarns knipperen wakker, de avond valt. Sam draait de steeg in en parkeert de auto. Ziet bij het uitstappen een verplaatsbaar parkeerbord staan. Zucht. Niet parkeren morgen tussen 6.00u en 18.00u. Sam stapt de auto weer in en begint gedachteloos de rit rond de blok. De eenrichtingsstraten wijzen de weg, de route loopt in acht-vorm. Na vier rondjes zonder enig succes grinnikt Sam bij zichzelf: als er ergens één of andere satellietsysteem de auto zou registreren, wil Sam het gezicht wel eens zien van de operator die op het scherm de auto oneindig achten ziet rijden…

LL Rigby
0 1