Lezen

Artikel pensionering Mie

Het “Decreet betreffende het Nederlandstalig Openbaar Bibliotheekwerk” dat in 1978 goedgekeurd wordt, legt gemeenten en provincies strikte regels op. Om kwaliteit en spreiding te kunnen garanderen bevat het decreet strikte regels voor financiering, erkenning en erg veel detailregels. Ook het personeelskader en de aanwervingsvoorwaarden worden vastgelegd. Een bibliotheekdiploma wordt noodzakelijk geacht, bibliotheekscholen opgericht.In die context begint Mie Van Boxem haar carrière in de bibliotheeksector. De licentiate geschiedenis behoort tot één van de eerste lichtingen afgestudeerden aan de bibliotheekschool in Antwerpen. Eerst als bibliothecaris en later als docent maakt zij vanop de eerste rij de ontplooiing van de openbare bibliotheken mee. Vandaag gaat Mie op pensioen. Hoewel op de achtergrond, de rol die zij de voorbije vijfendertig jaar speelde, was vaak cruciaal voor studenten, collega’s en bibliotheken.Na haar afstuderen gaat Mie begin jaren ‘80 aan de slag bij de openbare bibliotheek van Deurne. Jong, ambitieus en bevlogen start ze bij de jonge garde in een team van oude rotten. Omdat elk tijdsgewricht fricties geeft, gaat dit niet zonder slag of stoot. Wanneer zich in 1984 de kans voordoet om bibliothecaris te worden in Kalmthout, gaat ze ervoor.Mie maakt in die periode deel uit van het bibliotheekkoppel. Zij met twee voeten in de praktijk, hij aan de knoppen bij de beroepsvereniging. Voor haar een uitgelezen positie om de openbare bibliotheek van Kalmthout te boetseren naar de nieuwe inzichten en ontwikkelingen. Afscheid nemen van de cultuur van de vrije bibliotheekjes, een bekwaam personeelskader uitbouwen in een voltijdse bibliotheek. Als eerste bibliothecaris in deze kleine gemeente, heeft ze hier een flinke kluif aan. Eerste mijlpaal in haar carrière is absoluut de bouw en inrichting van de huidige bibliotheek die in 1996 geopend wordt. Nadat ze de professionalisering in de bibliotheek van Kalmthout op de kaart heeft gezet, verandert Mie haar focus en gaat in 1997 aan de slag, eerst als docent en later ook als coördinator van de twee bibliotheekopleidingen, SCVO Pestalozzi en SCVO-Sité (Encora), in Antwerpen. Het is in deze rol dat zij voorgoed haar stempel op de bibliotheeksector drukt.Het netwerk aan contacten dat ze tijdens studiedagen en -reizen opbouwde, zal de komende jaren enkel maar uitbreiden, en vooral verdiepen. De kunst om de cultuur van een huis te begrijpen en te doorgronden, heeft ze volledig in de vingers. Mie staat bekend als iemand die kritische vragen stelt, in de diepte luistert en daarop reflecteert. Zowel als mentor, docent als coördinator wordt ze gerespecteerd om haar ernst, principes en inzichten. Maar bovenal wordt zij geprezen voor haar mensenkennis. Elke student die de afgelopen twintig jaar in Antwerpen de bibliotheekopleiding volgde, is door Mie gevormd. Intervisie, stagegesprekken, een babbeltje voor of na. Zowel bij de initiatie als het graduaat worden mensen gecoacht naar competenties en sterktes en uitgedaagd om dat extraatje er ook uit te halen. Deze kwaliteit gecombineerd met haar inzicht in organisatieculturen én haar zorg voor de bibliotheeksector, maken van haar een sleutelfiguur, een rode draad door de professionalisering. Generaties mensen gevormd, de juiste persoon op de juiste plek.  Niet op het voorplan maar wel cruciaal voor de ontwikkeling van studenten, opleidingen en bibliotheken. Bedankt om de professionalisering van de sector op zo’n warme, menselijke en ambitieuze manier mogelijk te maken.Bedankt Mie, en veel succes bij je nieuwe plannen en dromen.

Margot
1 0

De nacht

Die gedachten waarop nachten kunnen breken, verblind door een gebrek aan licht en high van hun eigen duister. Een sombere overpeinzing komt altijd onverwacht. Ze rijt elke jonge nacht, onervaren in haar veelvoud aan mogelijkheden, moeiteloos aan flarden. Amper opgewassen tegen wie geen aandacht heeft voor nachtelijke pracht. Zelfs in het meest volmaakte duister heb je zwartkijkers. En de nacht zet poorten open, laat niets of niemand buiten, dronken door een macht van tolerantie, een drang naar experiment als een dodelijke cocktail. Als stomende seks kan, dan kan ook verkrachting. Als liefde en behagen, dan ook woede en verwarring. Hier krijgt iemand een ingeving, ze wil haar man verrassen. Daar drijft de rommel in zijn hoofd een man naar drank en zelfmoord. Hier woedt oorlog, daar groeien tweede kansen. Hier feesten als de beesten, daar een spuit in de aders. Gekker moet het niet worden, dacht de nacht bij zichzelf, en toen werd het nog gekker. Gierende banden. Een Nissan die zich rond een lantaarnpaal drapeert. Vrouwen nagefloten, ze negeren, krijgen slaag. Wat had je aan? Honden verscheuren elkaar voor hun baasjes vermaak. Een eenzame man die zijn allerlaatste adem uitbraakt. Een dronken val van zes hoog. Een gooi naar macht. Een betoog. Kristalnacht. Lange messen. Een popster vermoord. Een baby doodgeboren. De schemering was zwanger van beloften en van kansen, maar de nacht brengt alle duivels aan het springen, aan het dansen. De nacht snuift lijntjes sterrenstof, voelt zich groter, kan meer aan. Als een zaadje in de hersens groeit een inval tot een daad. En met spijt in hun ogen zeggen zij het was de coke, het was de drank. Maar het was de nacht, onverantwoord, die de rede had verpacht. Het was de nacht, opstandige puber, onstuimig, ondoordacht. De omvang van de schade die ze toelaat had ze nauwelijks verwacht. Het was de nacht, wanneer alles nep en schijn en verdacht. Arresteer de nacht. Veroordeel de nacht. Die junkie. Die hoer. Die gangster. Moordenaar. Bedrieger. Leugenaar. Messentrekker. Manipulator. Pak haar alles af. Trek haar bij de haren. Sleep haar over de grond. Het is de dag die onze zelfoverschatting weer verstomt.

Gert Vanlerberghe
3 0

Zondebloemen (5)

Eerst cirkelen ze nog de ijzervogels, vliedend boven het witte veld, waar in het midden kuit van felrode forellen ligt, meer dan een handvol, tussen de duizenden edelweissjes, net als een merkpunt in Japanse grinttuin, waar van onder elke kiezel een witte bloem kroop, kleurloos als de dood.   Niet Attis, maar de macabare handen van Florimond hebben er een slagnet klaargezet, de rode visparels erin gelegd en hij wacht, in een hazelstruik, tot ze neerstrijken en het net toeslaat.   Het is Chione, godin van de sneeuw, die de ijsvogels redt. Vlokken dwarrelen neer en de rode kuit verdwijnt onder een laag sneeuw. Florimond ontsteekt in woede. Furieus is hij, zijn oogaderen spatten en het bloedt druipt van zijn gezwollen kop, drupt in de sneeuw, lokt een condor, die hem als een reuzenspecht de schedel openhamert, de gruwel, zijn hersenen en de foetus van de Hydra eruit pikt en wegvliegt.   Roeland daalt en landt, stapt uit zijn kleine zeppelin. Zijn beide armen steekt hij omhoog, strekt ze in de vrieslucht en slaakt een kreet van bevrijding naast het lijk van zijn vader.   Op zijn sleutelbeen voelt Roeland een hand, van Chione, die hem sneeuw aanreikt, waarmee hij zich de geest reinigen kan en ze leidt hem mee. Hij zweeft en kleeft aan haar zuivere sluier. Verslingerd raakt hij, zoent haar in het bos van de minne.   Chione, rein en wit, hunkert naar zijn wilde kleuren, kleedt hem uit. Hij voelt haar lichaam warm worden en zijn geslacht zwelt, glijdt tussen haar dijen, eksters tikken op het raam en Roeland schrikt wakker.       Roeland laat Gladys los. Lewis werkt hier en daar het rood en het wit nog wat bij op het schilderij. “Het is geen Oidipus en Iokaste geworden,” zegt Lewis maar dat lag niet aan mij.   “Wat kan ze heerlijk fluisteren...” Veel meer kan Roeland niet uitbrengen en tante Gladys trekt wat velletjes wc-papier van het rolletje, wrijft Roelands zaadcellen uit haar rosse driehoekje en haar lippen zeggen in zijn blozende oor: “Het geeft niet, jongen, ik vergat zelf te stoppen bij het wegvliegen van de condor.”   Ze schenkt hem en Lewis nog wat jenever in. “Als mijn Simca starten wil, rijd ik zachterdag via Rochefort, helemaal tot in Redu. Misschien vind ik er nog wat exemplaren van Kamera of zit June Palmer op me te wachten in l’Auberge du Désir,” zegt Lewis.   “Redu, het boekendorp?“, vraagt Roeland. Gladys knikt en strijkt Roeland door het haar, “en June Palmer stierf tien jaar geleden,” gaat ze verder, “het is gewoon een nare necrofiel, die Lewis!”   Lewis lacht en zegt: “Rij met me mee. We kunnen er overnachten. Een weekendje uit, samen, als een klavertje drie.” Roeland knikt en Gladys vindt het een goed idee: “Neem hem maar eens mee naar die berg schimmelboeken. Zelf kan ik niet. Ik moet naar een kunstsmid te Poperinge.”   “Om haar kuisheidsgordel te laten repareren,” zegt Lewis, die zijn glas achterover kapt.         Kuit voor de vogel deel 5 van ‘Zondebloemen’ uit de reeks  ‘Roeland Wittebolle’

Bernd Vanderbilt
0 0

Zondebloemen (4)

Door het hek. Gladys roodt zich de lippen nog een keer en Lewis heeft een deur, waarop men kloppen kan, hetgeen gebeurt en Lewis is thuis, Roeland nog lang niet. Gladys vertelt Lewis iets over bloed en beuling, over schuimbrood en een brand. Ze gaat dan vlak voor hem staan, op haar tenen, alsof ze achter hem ook brandweerwagens gehoord heeft en over zijn kop wil kijken om ze te tellen. Ze geeft Lewis een zoen op het voorhoofd en een afdruk van haar mond prijkt boven zijn wenkbrauwen. Slechts vel, wat bot en een hersenvlies scheiden de rode smak van zijn frontale kwab. “En waag het af te vegen,” lacht ze de slaperige man toe, wiens huis op een volgestouwd arsenaal lijkt:   beitels, magazines, raspen duimspijkers, vingerschroeven, affiches rolletjes, kwasten en filmbanden prenten, boeken, uitgescheurde billen vijlen, velletjes en blokken hout   Krabbelpennen en een rol wc-papier liggen op een schrijfbureau; in de hoek van de enige kamer staat een ezel met een blanco doek. Overal waar Roeland kijkt hangt wel wat schaamhaar uit de stapels (op vergeeld papier); tepels en borsten hangen her en der, als te veel abrikozen in dezelfde boom, te veel bomen in hetzelfde bos. Gladys merkt dat Roeland niet weet waar eerst te kijken en zegt: “Op den duur let je er niet meer op. Hij verzamelt die dingen als reservenaalden voor die ene roze den die maar niet groeien wil.”   Roeland durft te lachen en Lewis schudt het hoofd: “dat doet ze nu elke keer, de draak steken met mijn collectie”. Hij zet een kan rozenbottelthee, en drie tassen bovenop een toren prenten en tijdschrijften, waarvan de bovenste mammeloesjes (die van Ann ‘bang bang’ Arbor) het al snel warm zullen krijgen, denkt Roeland.   “Of schenken we die knaap iets sterkers in?”, zegt Lewis. “We zien wel”, antwoordt Gladys, die Roeland op de dij klopt. De thee verdwijnt in hun keel en Lewis werpt Roeland een goedkeurende blik wanneer hij in één van de magazines begint te bladeren. Dude Magazine, March 1965, The Russian Bared or one day in The Life of Tanja Tolstoj.   Gladys staat op, zegt dat ze dringend moet, trekt wat velletjes van de rol wc-papier, verlaat de bungalow en stapt naar het vertrek op de achterkoer. Als onderweg haar hak in een verdwaalde dennenvrucht blijft steken, trekt ze het muiltje uit en slingert het naar het hoofd van de blauwe kabouter, die het projectiel niet ontwijken kan.   Twee mannen, temidden massa’s bloot en naakt. Lewis moet het kwijt aan Roeland: “Duizend borsten en granaatappelen! Dat is me wel een tantetje dat jij hebt. Dat ze al die jaren lang quasi onaangeroerd gebleven is?” “Geef mij toch maar een dreupel”, zegt Roeland, want straks komt ze terug met in haar hart de ziel van Iokaste, met een lege blaas, met niets aan en zonder muiltjes.           Duizend borsten en granaten deel 4 van ‘Zondebloemen’ uit de reeks  ‘Roeland Wittebolle’

Bernd Vanderbilt
0 0

Iets uit niets.

Dikwijls komt er niks van.   Het voornemen in mijn blikveld leek even wat te worden maar strandt op ongefundeerde weerstand of twijfel.  Morgen dan misschien? Of anders? Iets anders?  Vaak blijft het bij onuitgewerkte ideeën of onuitgekristaliseerde bedenksels.  Proefdrukken van begeesterende opwellingen.   Analyses van mogelijke invalshoeken en vage personnages en hun karakteristieken. Staren naar de regels op een wit blad! Scenario's leiden nergens naar toe en resulteren in scrips zonder clou. De wezenlijke essentie mankeert. Gaat het ergens naar toe? Komt er een besluit?   Of blijft de mythe ronddolen zoals rusteloze geesten in een spookvilla die af en toe toch "boe" roepen als een te nieuwgierige bezoeker plots, ongewild het pand betreedt? (Positief) resultaat hing te vaak af van puur toeval.  Van ingebeelde druk van buitenaf of van inspanningen, interesse en curieuze vragen van mensen die als ze even mochten binnen piepen, wel aangestoken werden door mijn wild gepeins, gepieker en gezoek. Nergens naartoe leidende kronkels.  Zo ging het heel vaak! Althans dat is het tot nu toe geweest. Niets uit niets. Niets voor niets, echter. Zo weet ik nu. Sedert kort ga ik er niet meer al te diep op in.  Want het helpt geen zier. Het leidt ook tot niets. Ik tracht me niet te laten meesleuren in de beperking van ongefundeerde voorwaarden die leiden tot excuus- en uitstelgedrag. Ik zie wel en bekijk het als toeschouwer. Even van op afstand.  Ik beschrijf mijn gedachten en portretteer het proces als een proclamatie van mijn theoriën en vooronderstellingen. Wat gebeurt er? Wat voltrekt zich in mijn spinsels? Wat is er wel? Wat is er al? Niet wat per C "zou moeten worden" in een ideaal scenario. Ik treed uit mezelf en laat betijen zonder doelloos te graven en naar oorzaken te zoeken of aan gevolgen te denken. Ik ga verder. Ik ga vooruit.  Ik produceer. (R)evolutie.   Ik evolueer ... van aap naar mezelf. Darwin is er niets tegen.     

jan pultau
0 1

Zondebloemen (3)

Het is als in een elektrische slow motion western. Ze springen uit de trein en komen in een dorre berm terecht met enkel grint, een poppenpoot en een halve neonbuis. Zij het dan op een druilerige zaterdag want in Amerikaanse cowboyfilms schijnt altijd de zon en tante Gladys neemt hem bij de hand, in een poging zijn aarzelende tred te versnellen.   “Niet bang zijn, Roeland. Niets staat op het spel. Ik heb al eerder voor Lewis geposeerd. Laatst schilderde hij me als Artemis temidden een toom krielkippen. ‘Breng de volgende keer een jonge knaap mee’, zei hij en ik dacht onmiddellijk aan jou.” “Is het de bedoeling dat we samen iets doen op dat schilderij?”, vraagt Roeland. “In een schilderij leeft hoogstens ongrijpbaar verlangen, maar wat Lewis precies voor ogen heeft, weet ik niet”, zegt Gladys die haast een hak omslaat op enkele grove keien. Ze stopt bij een paal die zonder geweld de bovenleiding zweven doet, neemt lippenstift uit haar handtas, zoent de lucht om haar lippen wat extra te kunnen roden en tekent daarna een even rode smiley op de paal. “Ik heb aan je moeder beloofd goed voor te zorgen, je verder op te opvoeden, ver weg van die beul,” gaat ze verder, “ik wil dat binnen enkele jaren elke vrouw van je zou zeggen: dit is nu pas een man!”   Zij kijkt hem aan, hij in haar ogen. “Ik zal straks de ganse tijd bij je zijn, lieverd, en Lewis is een vrijdenkend man. Hij heeft ook een aardige collectie oude filmpjes. Harrison Marks. Zegt dat ik de ziel van June Palmer in me draag.” “Nooit van gehoord,” zegt Roeland terwijl hij vijf cent op de sporen legt. “Ik breng je wel op tijd op de juiste gedachten,” stelt ze hem gerust, “of misschien juist op andere gedachten en fluister ik wat in je oor, misschien wel een verhaal over je vader, die zich in een hazelaar verbergt, naast een edelweissjesveld, vlakbij een kleine Noorse nederzetting met falurode huisjes. De gevels zijn er geschilderd met walvisbloed en in het witte veldje heeft hij een val gezet, met knalrode bessen erin, om een zwerm lijsters te vangen en ze daarna met blote handen één voor één de kop af te rukken.” “Niet grappig,” zegt Roeland, “maar het zou een ongepaste opwinding wel snel naar de wip helpen.” “Ongepast is relatief”, spreken haar lippen, terwijl haar duim en wijsvinger een glimlach vormen en hem bij de kin vasthouden. Ze kijkt hem opnieuw prangend aan en wanneer ze loslaat, zegt hij: “Je klinkt net als een wijze filosoof, een oude Griek met witte krullen.”   “Straks zal je wel merken dat ik geen witte krullen heb,” plaagt ze hem, “we moeten doorstappen. Hij woont ginds in een bungalow, in een naaldbos.” In de verte zien ze de dennen al. Er loopt een pad tussen stammen, hars en een laag afgevallen naalden, die met de jaren de grond en het leven van de bosbloemen zuur gemaakt heeft. Dan moeten ze nog door het smeedijzeren hek en voorbij die blauwe kabouter, zonder broek en zonder ogen.         Vijf cent voor twee ogen deel 3 van ‘Zondebloemen’ uit de reeks  ‘Roeland Wittebolle’

Bernd Vanderbilt
0 0

Lief en stil

ik zal lief en stil zijn, stil als... stil zoals alleen een schaduw stil kan zijn als een vlieg op de muur als een vlo zo klein niemand hoeft te weten dat ik hier zou zijn zeg niet nee nee nee niet dit keer ik kan niet meer allerliefste ik wil je zo verschrikkelijk graag ik wil je meer dan ooit meer dan wat dan ook ik wil je meer dan ik verdraag ik zal lief en stil zijn, stil als... stil zoals alleen een schaduw stil kan zijn als een vlieg op de muur als een vlo zo klein niemand hoeft te weten dat ik hier zou zijn zeg niet nee nee nee niet dit keer ik kan niet meer   Lief en stil - Kommil Foo   Daar staat hij dan, in het midden van haar living. Stil zal hij binnengeglipt zijn, zoals alleen hij dat kan. Met de sleutel die hij al lang niet meer zou mogen hebben, of gewoon door het kelderraam. Ze zucht, grabbelt naar de wasmand en loopt opnieuw naar buiten om de zongedroogde was van de wasdraad te halen. Ze zal morgenvroeg niet nog eens met een hart dat meer overloopt van spijt dan van liefde naar de druppels op haar slaapkamerraam staan kijken en plots beseffen dat ze de was die ze de vorige dag buiten te drogen had gehangen vergeten was omdat hij weer aan haar voeten lag. Spijt zal ze wel hebben, maar deze keer tenminste ook een paar droge sokken. Ze houdt ervan hoe de stof door haar handen glijdt als ze de kleren rudimentair opvouwt en op een langzaam hoger en onstabieler wordend hoopje in de wasmand dropt. Als ze weer binnenwandelt staat hij nog steeds op dezelfde plek. Een brok ellende, wachtend op een troostende hand die hem geleidelijk laat leeglopen. Ze stelt het zo lang mogelijk uit omdat ze weet dat ze zichzelf morgen weer zal haten en omdat ze weet dat ze op steeds minder begrip kan rekenen bij de steeds kleiner wordende groep vrienden die ze nog in vertrouwen durft nemen. Het lijkt misschien egoïstisch maar het is zuiver zelfbehoud voor ze toegeeft aan aan iets dat haar de komende dagen weer zal verteren. Want toegeven doet ze toch. Hij kent heer zwakke plek, hij is haar zwakke plek. Hoe hij zo afhankelijk kan zijn van haar en dan weer plots verdwijnen omdat zijn ego weer genoeg opgepompt is om toch maar weer een gedoemde poging te wagen om dan na verloop van tijd weer voor haar neus te staan. Nu haar praktische omzwervingen uitgeput zijn grijpt ze zijn hand en trekt hem naast zich op de zetel. Tegen zich aan. Daarvoor is hij hier. Troost en afleiding. Dat is alles wat hij wil maar zoveel minder dan wat ze te bieden heeft. Maar ze geeft wat hij wil nemen en haat zichzelf elke keer een beetje meer.

Juffrouw Vee
34 0

De vos

Kortverhaal                       De vos                                                                                                                     Ingeborg Daniëls   Achteraf gezien was het een voorteken geweest dat ze van al haar porseleinen diertjes juist de vos aan diggelen had laten vallen. Zoals altijd moet de tijd erover neerstrijken om aan een voorteken betekenis te geven.    In haar knoestige handen houdt ze het stapeltje bidprentjes dat ze verzameld heeft  na een leven van zondagse missen. Op elk prentje prijkt vooraan een heilige, de Maagd Maria met boreling, naar obesitas neigende cherubijnen, een lijdende Christus of een oplichtend kruis op een donkere achtergrond. Op de achterkant staan gebeden en bezinningsteksten die aanmanen tot christelijk leven en het te allen tijde vermijden van de katholieke hoofdzonden. Het papier is intussen verweerd tot leer. De klok op de marmeren schouw tikt gedurig voort.    Terwijl ze de gebeden prevelt, dwalen haar ogen door de ommuurde tuin. De hagen van beuk en de palmstruikjes heeft George nog geplant en 40 jaar lang plichtsbewust gesnoeid. De gele rozen, salvia’s, geraniums en afrikaantjes worden nu verzorgd door Roger van op de hoek, die zijn kleine pensioen aanvult met het onderhouden van de hofjes in de straat. Ze mag straks niet vergeten te zeggen tegen George dat hij het gras moet afrijden. Nee, dat mag ze in geen geval vergeten.    Haar gedachten zijn opeens afgeleid van de prentjes. Er beweegt iets tussen de onderste takken van de rododendron. In een flits ziet ze een witte vlek en een roodbruine vacht. Dan oplichtende ogen.  Een gele blik pint haar aandacht vast en heel even voelt ze haar hart verkrampen. Dan verdwijnt het dier even snel als het verschenen is. Versteend kijkt ze naar de zwiepende takken van de struik. Een vos! Een vos in haar hof! Even twijfelt ze. Was het geen hond? Nee, de honden uit de straat kent ze bij ras, naam en vachtkleur. Hoe komt Reynaert dan in haar ommuurde stadstuin terecht? Het dier moet vanuit het natuurdomein zijn territorium hebben uitgebreid of misschien is het wel een moervos met hongerige pups. Ze tast met haar voeten naar haar pantoffels onder de tafel en duwt zich recht. Even blijft ze zo staan met haar ogen strak op de struik gericht, dan schuifelt ze naar de achterdeur.   De oktoberlucht waait haar vochtig en onaangenaam tegemoet. Buiten het geluid van een paar mussen is er geen spoor meer van de vlammende aanwezigheid van de vos. De tuin is weer stil en in zichzelf gekeerd. Ze moet plots denken aan de oude dorpspastoor.    ‘Geluk is een tuin en een goed boek.’ ‘En het geloof natuurlijk’, voegde hij er dan aan toe, voor het geval we zouden denken dat hij in een onachtzame bui aardse zaken boven de Heer verkoos.     De hele avond blijft ze stil voor het raam zitten onder haar zelf gebreide dekentje. Zou hij terug komen? De verschijning van de vos heeft haar geraakt tot diep onder haar ribbenkas. Ze voelt hem nog trillen tussen haar longen en hart, op de plaats waar ze ook andere dingen heeft gevoeld, zoals liefde en doodsangst.   De komst van het dier projecteert beelden van lang geleden op de binnenkant van haar netvlies.    Als schoolmeisje was ze graag bij haar grootouders in het lemen huisje met het rieten dak, al ontzag haar grootmoeder haar niet als het op werk aankwam. In de hoek achter de deur stond grootvaders wandelstok. In het eikenhout had hij afbeeldingen gekerfd die haar kinderlijke fantasieën hadden gevoed. Een draak, een boer met zeis, een melkmeisje, een zwijn en de heilige Castulus die -om redenen die ze zich niet meer kon herinneren- zijn favoriete heilige was geweest. Maar het allermooist vond ze de pluimstaart die aan het handvat hing. Ze herinnert zich hoe zacht hij had geleken, maar hoe stug de haren aanvoelden als ze hem streelde. Het had haar grootvader een zeker aanzien gegeven als hij met die wandelstok, laarzen en een pet over het erf wandelde. De vossenstaart bungelde tot halfweg de stok als een trofee. Dat de staart inderdaad van een dier afkomstig was, had ze pas later beseft. Grootvader had een vossenkadaver op tafel gesmeten. Hij had het beest in een klem bij het kippenhok gevangen en de doodsstrijd was duidelijk lang en hevig geweest. De aanblik van de bebloede tong en de gebroken ogen hadden haar maag doen keren. Toen grootvader met één trefzekere slag de staart van het dier kapte, kon haar verbijstering niet groter zijn. Nu had hij twee staarten voor zijn wandelstok, had hij lachend gezegd. Zijn zichtbare minachting voor dit dier had haar evidente bewondering voor haar grootvader op slag van alle naïviteit ontdaan.   Voor de rododendron ligt een opengevouwen pakje van de slager met daarop twee sneetjes hesp en wat kaaskorsten. Die heeft ze tussen de klaargemaakte sneetjes brood uit gepeuterd en apart gehouden als aas voor de vos. Misschien verleidt de geur van het welkomstgeschenk hem wel. Ze heeft moeite om zich te concentreren op de gebedsprentjes die ze routineus leest en op een stapeltje legt. Haar kaartspel met God kan haar vandaag maar moeilijk tot rust brengen. Wanneer ze de gebeden voor de derde keer wil doorploegen, verrast een plotse beweging in haar linkerooghoek haar. Een roodbruine vos met zwarte poten schrokt in een paar seconden het vlees naar binnen en grist dan het witte inpakpapier met zich mee de struik in.  Ze spert haar ogen open naar de plek waar ze vanmorgen nog stond. Op doorweekte pantoffels en in haar nachtkleed, probeerde ze tussen de takken te turen. Haar knieën hadden zich krakend verzet. Het moet de Heer zijn die haar met dit magische wezen zijn goedkeuring toont!    ‘Dank, Heer’, prevelt ze. ‘Dank!’ De rest van de avond tintelt het in haar maag en gloeien haar oren.   Ook de volgende dagen verschijnt de vos in haar tuin, steeds op hetzelfde moment, na haar gebeden. Eerst waagt hij zich maar enkele seconden van onder de beschermende takken vandaan. Na enkele dagen blijft hij een paar minuten zitten om zijn presentje te verorberen. Hij gunt haar een blik op zijn glanzende vacht die het herfstlicht nu eens bruin, dan weer oranje kleurt. Boven zijn zwarte, slanke voorpoten valt zijn witte bef des te feller op. Alsof hij de jagers uitdaagt:    'Hier is het te doen! Schiet maar in de roos!'    Ze wil zich verzekeren van zijn terugkomst en na enige tijd offert ze niet alleen haar broodbeleg, maar ook haar middagmaal op. Reikhalzend kijkt ze uit naar de komst van haar roofvriend, het ijkpunt van haar dag. De felle verschijning vervult haar met een warmte die nog het meest lijkt op verliefdheid, een gevoel dat ze zich met moeite kan herinneren. De vos is haar minnaar. Iemand die haar apathie doorbreekt. Iemand om naar uit te kijken. Dat ze hem gadeslaat, beseft de vos duidelijk. Op het moment dat hij zich op het voedsel stort en hij tegelijk zijn priemende blik naar omhoog richt, naar haar, achter het raam, houdt ze telkens haar adem in. In zijn pupillen schitteren arrogantie en ontembare honger. Terwijl de tijd haar voordien voorkwam als lijm waar ze doorheen moest waden, vloeien de dagen nu door elkaar. Wanneer ze 's morgens de ogen opent en haar stramme knoken uitrekt, is de vos haar eerste gedachte.    Ze weet niet meer hoeveel weken of maanden het geleden is sinds hij zich voor het eerst vertoonde. In elk geval  vriest het en zit de ijsgrijze lucht vol sneeuw wanneer ze op een morgen beslist om buiten te blijven zitten. In haar dikke kamerjas en pantoffels met schapenwol sleurt ze een plastic stoel van het terras. Tot naast het eten, bij de rododendron.     Ze moet ingedommeld zijn, want het schemert al wanneer ze uiteindelijk geritsel hoort. Ze moet geen moeite te doen om doodstil te blijven zitten. Haar lijf is een ijsklomp. De vos lijkt niet verrast en kijkt haar recht aan met zijn brandende ogen. Onmiddellijk voelt ze zijn warmte. Ze wil iets geruststellends zeggen, maar durft niet. Bang dat haar krakende stembanden hem zullen verjagen. Ze glimlacht alleen maar. Ik ben ongevaarlijk. Ik ben geen jager. Ze denkt het en hoopt dat de vos het begrijpt. Hij buigt zijn kop, snuffelt aan de kaas en kalkoenfilet en eet alles op zonder schrokken. Daarna likkebaardt hij en wast rustig zijn poten. Tijd en ruimte vallen samen, ze versmelt met de vos. Hij kijkt haar aan en slaat zijn staart rond zijn voorpoten. Dan grijnst hij. Vosje Vos Rent door het bos Met tanden die blikkeren En ogen die flikkeren Slacht nu het konijn Vosje mijn.    ’s Nachts ziet ze zijn gele ogen en voelt ze de aanraking van zijn staart tussen haar benen.   De vos is nu altijd aanwezig in haar tuin. Ze wijkt niet meer van zijn zijde, al vriest het stenen en soppen haar pantoffels van het water.    Ze zingt voor hem, terwijl hij op haar schoot slaapt. Haar handen strelen de sneeuwvlokken van zijn stugge vacht. Wanneer hij uitgeslapen is, geeuwt hij zijn tanden bloot en richt zijn blik op haar. Het verbaast haar geenszins dat hij spreekt.    ‘Wilma’, zegt hij. ‘Wilma, George wacht.’  

Ingeborg Daniëls
3 2

Zondebloemen (2)

  Zaterdagochtend, in zijn kamer met aan de muur één poster van Darlene Bubbles en één van Skinny Puppy. Roeland opent het raam. Gisteren was het nog een hot-and-shiny-borsten-worsten-dag, waarop de zon een vermeende vrolijkheid uitstraalde; vandaag is het kil en bewolkt. Een schimmelpaardje trekt een grijze koets door de lucht. Het ding drijft dichterbij en vervoert twee schapen, met of zonder kop, want ogen of oren kan hij niet onderscheiden van de rest. Het gevaarte vliegt gevaarlijk laag, zal straks misschien blijven haperen aan de appelaar. Dan vallen de schimmel en de schapen in de groenselhof om daar een hoop vuile sneeuw te vormen.   Ja, sneeuw op een ochtend in september en mijn vader, Florimond Wittebolle, heeft deze nacht allicht weer enkele stervende koeien in zijn Magirus getakeld om ze naar Van Hoornweder te voeren, naar dat kleine Sijseelse slachtkot waar ze nog snel in stoofvlees versneden werden.   Aan de horizon ziet Roeland rode voertuigen, rijdende ladders en blauwe zwaailichten. Misschien hebben enkele van die getikte Lotjes het gesticht van Onze-Lieve-Vrouw in de fik gestoken, en staan Lieselotje, Charlotje, Lancelotje en Lorelei buiten naar de vlammen te kijken, allen met de handen in het verwarde haar en de voeten in pantoffels van konijnenpels.   Als Roeland de keuken binnenkomt, staat tante Gladys blootvoets voor het aanrecht, op haar tenen, om alles beter te kunnen zien. Ze leunt voorover waardoor haar benieuwde tepels de vensterbank bijna raken. Zeven brandweerwagens telt ze en op haar negligé prijken ongeplukte anjers, eronder leeft dat zachte vel   Snel! Koffie moet ik zetten. Deze ochtend geen gepluimde kippen in de keuken! Anders gaat ze klappertandend rondlopen, om ze te vangen, en verschijnen er rode vlekken op de muur, bloed dat uit hun koploze nek spettert.   “Daar had ik nu zo’n trek in”, zegt ze met een stem als warme melk, terwijl ze met beide handen de tas streelt en wat koffiedamp in zijn richting blaast, “neem ook een tas en trek straks iets warms aan.” “Waarom?”, wil Roeland weten. “Vertel ik je straks wel, op de trein naar Paardenput.” “Paardenput?’ “Ja, Paardenput”, glimlachte ze. Ze drinken en ze zwijgen. Tante Gladys laat een hemels boertje. Haar kop is leeg (de tas, bedoelt hij) en spoelt hem in de pompbak.   "Ti-da-ti-da-ti-da..." Zingend als een blijde ambulance, loopt ze de trap op terwijl haar flinterdunne negligé zonder twijfel openvalt en als een verkwikkende sliert ochtendnevel achter haar aandrijft. Roeland probeert nog aan een eeuwige zomer te denken maar haalt dan toch een pullover uit de wasmand en trekt die aan boven een losse jeansbroek. Een onderbroek vindt hij niet.   Ze gooit een elastiek naar hem voor ze de fiets opkruipt: “om boven je rechter enkel te doen, anders draait je broek in de ketting” ...en komt die slurf uit zijn broek te hangen, denkt zijn scrotum. Onderweg naar het station van Brugge, passeren ze de nasmeulende, platgebrande, brood- en boterkoekenfabriek. “Dit stond dus in lichter laaie deze ochtend. Vaarwel tonnen schuimbrood en vettigheden!”, zegt tante Gladys met een stem die harder klinkt dan hij gewoon is en ze test haar fietsbel wanneer ze de laatste brandweerman voorbijrijdt. Blusschuim hangt hem tussen de benen.   De fietsen maken ze 1-2-3 met een cijferslot vast aan een ursusdraad, die een hondenkakperkje scheidt van het trottoir. Op het perron wacht een trein, op sporen, wissels, bruggen en tunnels. “Die nemen we,” weet ze, “de boemeltrein naar Brussel. Die zal wel stoppen in het station van Paardenput.” “Als jij het zegt...” en Roeland neemt een krantje van de grond, begint uit de rubriek ‘vakantie en tijdverdrijf’ luidop voor te lezen:   driedaagse sauna in Helsinki helend bubblebad in Bollywood treinreis door een Ijslands paradijs weekendje in Willy Wankerland slurffestijn in Florida   Gladys lacht waardoor haar bolle welpjes weer wakker schrikken. Terwijl hij een slapertje uit zijn oog rechter oogput peutert, neemt zij de gratis krant van hem af, mept er een wesp mee dood en het zwartgele wezen valt op het oranje tafeltje. “Moordenaar,” zegt Roeland zonder enige verontwaardiging in zijn stem. “Ben ik allergisch aan, aan bijensteken, wespensteken, breisteken en bereid je maar voor, mijn jongen. Straks te Paardenput moeten we volledig uit de kleren. Warm is het niet vandaag”. “Geloof ik niet”, zegt Roeland, terwijl zijn slurf het tegendeel beweert. “Echt. Oidipous en Iokaste. Bij een schilder. Model staan. Maar ik ben je moeder niet, dus maak je geen zorgen, lieverd. Gewoon jezelf blijven, poseren, eigenlijk een stilleven, want een schilderij is maar een momentopname.” Als jij het zegt, denkt Roeland terwijl hij de schuin naar onderen wegdruipende regendruppels op het raam volgt; ze kruipen gelukkig door de wand van de wagon en hopelijk slaagt hun koelte erin zijn zestienjarige willy weer wat kleiner te krijgen.   Dit alles terwijl er niet eens een station is te Paardenput en ze niet eens op een stoptrein zitten. Het is een intercity en eenmaal voorbij Aalst stopt die pas in Brussel-Zuid. Maar er is een stroompanne, net voorbij de bocht bij Paardenput. Een kraan is bij een overweg in de buurt van Erembodegem tegen de bovenleiding gereden. Enfin, de conducteur komt langs en vraagt de reizigers om uit te stappen en zich te voet westwaarts, naar de bushalte ‘Paardenput’ te begeven. “Daar zullen vervangbussen U dan afhalen”, stelt hij gerust.   De wesp lijkt definitief dood te zijn. Geen stuiptrekking zal die angel nog in beweging krijgen, denkt Roeland. Met zijn hand veegt hij de wesp in de krant, die hij als een lijkverbrandingsbootje onder het tafeltje bij het raam houdt, legt de wesp daarna te rusten in de kleine assenbak en sluit het dekseltje. “Kom we gaan,” en Gladys trekt Roeland bij de mouw, “Lewis wacht op ons. Straks is zijn verf al droog.”         Stroompanne te Paardenput deel 2 van ‘Zondebloemen’ uit de reeks ‘Roeland Wittebolle’

Bernd Vanderbilt
50 0