Lezen

zijn ze wel van mij?

Een vraag die me al eens bezighoudt.  Zijn ze wel van mij? Niet in de zin van ben ik wel de natuurlijke vader want daar kan over wat genetisch doorgegeven werd geen twijfel over bestaan. 3x2 druppels hoor ik wel eens.  De oudste lijkt buiten fysisch gekloond ook nog al mijn fratsen nog te zullen gaan kopieren.  Dat op zich baart me niet zo heel veel zorgen omdat het naderhand beschouwd met mij ook nog wel min of meer in orde gekomen is.  Toch betrap ik me erop hem van verdriet, ontgoochelingen en foute keuzes te willen besparen. Maar het lijkt wel averechts te werken.  Hoe meer ik tracht het pad te effenen en richting te wijzen des te meer lijkt hij de andere kant te willen opgaan. Herkenbaar?  Ja natuurlijk.  Toen mijn vader me op het hart drukte hoe belangrijk mijn studies waren lapte ik die raad ook aan mijn laars, trok de wijdse wereld in op zoek naar avontuur en spanning.  Dus dat komt nog wel goed. Nummer 2 is plichtsbewust, kan doelen stellen en er nog  naar toe werken ook. Verder is hij zo koppig en eigenwijs als een steenezel en als hij boos is trekt hij een frons en plooit zijn gezicht in dezelfde blijf-uit-mijn-buurt-gelaatsuitdrukking die mij in het verleden al eens bezorgde blikken en vragen opleverde. Dus ook bij het tweede exemplaar heb ik meer dan vooropgesteld doorgegeven dan wat het plan was. Kind 3 is de vrolijkheid zelve.  Met haar creativiteit, doorzettingsvermogen en haar ontwapenende charme krijgt ze ook (nu nog onbewust) iedereen op haar hand, een gave mij niet vreemd.  En dan bedenk ik me... moet ik hen niet behoeden voor...waarschuwen tegen en proberen voorkomen dat.......    Verdriet en fouten vermijden? Richting wijzen en even voorlopen? Maar dat duurt maar even want dan besef ik... ze zijn niet van mij.  Ze zijn niet mijn bezit.  Ze mogen, kunnen en moeten zelf hun weg bepalen en kiezen op welke tweesprong ze links of rechts gaan.  Als ze me het vragen zal ik wel zeggen dat het linkse pad vol wolfsklemmen en schietgeweren ligt en dat als ik het opnieuw zou kunnen doen nu het rechtse pad zou kiezen. Om dan wellicht te zien dat ze toch links afslaan omdat ze nu eenmaal van mij zijn. <object id="__symantecPKIClientMessenger" style="display: none;" data-install-updates-user-configuration="true" data-supports-flavor-configuration="true" data-extension-version="0.5.0.161"></object>

jan pultau
0 1

Meisje vermoord lief met één van de vier kussens

Hey liefje, Gij denkt nu zeker: OEI EEN BRIEF Geen nood: ik ga hem ondertekenen met ‘uw lief’. Bij Ikea bleek ons bed er eentje voor twee Net geen king-size: dat leek ons wel oké Iedereen die erin slaapt, zal ondervinden: Dit is gemaakt voor de dikste man ter wereld Zijn vrouw en hun vijf obesitas-kinderen. Toch zit er iets scheef Terwijl gij op uw twee oren kunt slapen Blijf ik draaien, wiebelen en gapen. Een slaaponderzoek lijkt me dan weer Nutteloos tot de tweede macht Want ook al zegt ge elke keer"Tot morgen liefje, slaapzacht"Ik weet dat ge dat niet kunt beloven Even later komt namelijk De schizofreen in u, onherroepelijk naar boven Liefje: snachts doet gij iets wat Tegen alle waarden van een huwelijk indruist Gij slaat op mijn gezicht schat Vol met de vuist Of ik in uw dromen nu Het gedaante aanneem Van Mohammed Ali Of gewoon mezelf op een slechte dag Ik ben er vrij zeker dat een aanval in de rug In geen van de gevallen mag. Liefje: uw kracht is gelukkig beperkt Maar ik heb tot mijn spijt Nog iets anders opgemerkt Je rolt soms over me heen Alsof ik de zakdoek in het bed ben En je stampt tegen mijn been Blijkbaar is noch mijn gewicht, noch mijn gestalte Een hindernis voor jouw Volgende halte: De andere hoek van ons bed Daar wil jij slapen Daar heb je uw zinnen op gezet Nu is het zo dat ik daar eigenlijk hoor En mij daar de laatste tijd Toch wat aan stoor Het volgende moest ik vragen van mijn nekspieren De kussens op onze matras ZIjn ondertussen al met z’n vieren Ik wist niet dat dat niet voldoende was Nu hebben blijkbaar jou voeten, Hoofd, rug en buik Erg graag een kussen in gebruik Waardoor het bloed snachts lustig Stroomt tot het hoogste punt van mijn hoofd En geloof me er is niemand je die rustig Van je kussens beroofd Alsof het je lottowinst is, je grootste schat Je verdedigt die zak met veren  Alsof je nooit eerder een kussen hadLiefje, slaapmonster, nachtschizofreen Mijn koffer blijft voorlopig hier Ik ga nog nergens heen Maar – gewoon voor mijn slaapvertier Zou ik willen dat je even oplet Want ik wil – alstublieft – Een,fuckingSTAPELBED.Uw lief.

Lot
0 0

En bijten ze?

Goedemiddag! Mooi weer he... Ik verschoot zo hard dat ik bijna met heel mijn hebben en houwen in de vijver sukkelde. Bijten ze? Bwa... nogal prevelde ik, nog niet helemaal bekomen van zoveel inbreuk op mijn privacy, want zo voelde het wel. Zoals zo vaak zocht ik de vijver op om even tot rust te komen met mezelf, mijn vislijn en hopelijk een vis. Al was die laatste zelfs niet noodzakelijk.  Ik kon perfect een paar uur aan 't water voor me uit zitten turen en genieten van een eend die op het water landt of een reiger die molenwiekend over het riet scheert. Een occazionele ijsvogel kon me minuten lang zonder enig probleem uit mijn realiteit halen.  Zoveel schoonheid, daar was het mij om te doen en natuurlijk de rust, de kalmte en een vis, als het even kon. Aan bijten ze? had ik op dit moment niet zo veel boodschap en het stoorde me eigenlijk meer dan dat ik mezelf wou toegeven.  Als ik onzinnig wil babbelen zou ik toch aan een of andere toog zitten en niet aan de oever van de vijver? Ik wou net even niet praten, geen mensen.  Geen meningen of standpunten gewoon even niets. Een vis .. hoogstens, en een eend of een reiger ... verder niets. Is het hier diep?  hmmm... gaat wel. Mag je hier vissen met een dagvergunning? Neen.... Zit hier snoek? Mmmm.... Met wat vis je? Met een vislijn.... Wat vang je zoal? Hoofdzakelijk nieuwsgierige, bemoeizieke, onbeleefde, praatzieke curieuzeneuze mosterdpotten maar die smijt ik onmiddellijk terug in de vijver. De rest van de avond bleef het rustig en werd mijn persoonlijk territorium gerespecteerd al kwam die merel die de maïs uit mijn voederbakje kwam stelen wel even heel dicht in de buurt.     <object id="__symantecPKIClientMessenger" style="display: none;" width="300" height="150" data-extension-version="0.5.0.161" data-supports-flavor-configuration="true" data-install-updates-user-configuration="true"></object> <object id="__symantecPKIClientMessenger" style="display: none;" width="300" height="150" data-extension-version="0.5.0.161" data-supports-flavor-configuration="true" data-install-updates-user-configuration="true"></object>

jan pultau
26 0

Als ik eens...

Als ik eens...  als ik ooit... of had ik maar...   Vaak begint terugblikken op wat voorbij is of vooruitkijken naar wat nog moet komen met deze gedachten maar ze leiden ons af van waarover het zou moeten gaan nl vandaag, nu, het moment.  Toch betrap ik me er ook af en toe op dat ik tijdens nachtelijke hersenwandelingen afdwaal en de geschiedenis wil herschrijven of dat ik onrealistische veel te ambitieuze toekomstscenario's opmaak. Op een van mijn nachtelijke mijmeringen ging ik 20 jaar terug en zocht ik een antwoord op de vraag die je me stelde tijdens onze laatste ontmoeting.  Waarom? Ik weet nog dat ik toen overtuigd "ik weet het niet": antwoordde.  Dat was een eerlijk antwoord.  Maar met dat stompzinnig, eerlijk antwoord schoot je niks op en die 4 woorden maakten je boos, machteloos en verdrietig. Ik heb je nadien nooit meer gezien of gehoord.  Geen woord, geen briefje tussen de ruitenwissers.  Geen "toevallige botsingen" op de meest onwaarschijnlijke plekken. Geen telefoontje.  Geen niets.... 10 jaar wel of net toch weer niet hadden jou en mij geen goed gedaan en hadden je wellicht gedwongen tot een beslissende keuze.  Een keuze die vast noodzakelijk was om mij uit je vezels en vanonder je vel te krijgen.  Keuzes die ik niet kon maken. Ik ben blijven worstelen met je laatste vraag. Waarom? Waarom niets?  Wij soulmates for life.  Gelijkgestemde, stapelzotte, hopeloos verliefde zielen voor elkaar bestemd tot het einde der tijden? Ik wist het niet .... Vandaag 20 jaar later weet ik het wel maar vraag ik me af of een antwoord er nog wel toe doet.  Laat je een herstelde achilleshiel niet best ongeroerd of zou je er alnog mee gebaat zijn een antwoord te krijgen? Zouden we dan...? En dan bedenk ik me dat afdwalen in mijn gedachten me maar afleiden van waar het moet over gaan en dat is vandaag, nu, het moment. De geschiedenis is geschreven en verandert niet meer tenzij in slechte amerikaanse jaren 80-films. Maar als ik morgen de lotto win.... of als ik in pensioen ben...of als ik morgen toevallig tegen je aan bots op een braderij...  dan...   dan misschien?   <object id="__symantecPKIClientMessenger" style="display: none;" width="300" height="150" data-extension-version="0.5.0.161" data-supports-flavor-configuration="true" data-install-updates-user-configuration="true"></object> <object id="__symantecPKIClientMessenger" style="display: none;" data-install-updates-user-configuration="true" data-supports-flavor-configuration="true" data-extension-version="0.5.0.161"></object>

jan pultau
0 0

Verdrinken in de zee van leven

Het gezicht in de spiegel is me vreemd. Holle ogen staren me aan. Geen sprankeltje leven te bekennen. De haast zwartkleurige pupillen worden benadrukt door de vreselijke zwarte wallen er onder. De ivoorkleurige huid is bleek, vaal en door het voedseltekort haast doorzichtig. Wie is dat meisje in de spiegel? Gefascineerd steek ik mijn hand uit en leg het tegen mijn wang op de spiegel. Ik probeer me voor te stellen hoe het voelt. De warme gerustellende hitte van een troostende hand. Tranen rollen over mijn wangen. Niets houdt het tegen. Dikke druppels hartenpijn en verdriet trekken brandende lijnen naar beneden. Het kerft en hoe hard mijn hand op de spiegel op wrijft. Ze verdwijnen niet. Doorheen mijn tranen staar ik naar het grimmige beeld. Het enige dat de nijd van mijn bestaan lijkt te overleven ligt als een donker aureool om mijn hoofd. Dikke zwarte lokken. Zo glad dat het haast nooit gekamd hoeft te worden. Mama, deed dat graag. Mijn haar kammen. Ze kon als de beste vlechten. Uren hield ze zich ermee bezig en ik liet het toe. Met het ouder worden stopte het kammen en vlechten, maar ze hield van mijn haar en ik mocht het enkel laten knippen bij uiterste noodzaak. “Als een duister engeltje.” Zei ze vaak. Ze had altijd van mijn haar gehouden, maar op een dag was dat niet meer genoeg. Ik nam de borstel vast en ritmisch begon ik de slagen door mijn haar te tellen. 20, 21,.. Bij elke tel welde de woede en hysterie meer en meer in me op. 50! Gillend sloeg ik met de borstel tegen de spiegel. Als een gebroken droom viel het in scherven uiteen. Koud en scherp lagen de tientallen stukjes verspreid over de hele badkamer. Slechts 1 klein stukje hing er nog steeds. Betoverd door zijn koppigheid plukte ik het uit de kader. Het voelde warm aan, alsof het leefde, met één oog keek het me aan. Starend in de diepten van het glas voelde ik het brandend pulseren. Ik wilde het omvatten. Één worden en zien wat hij zag. Zachtjes gleden de randen door het warme vlees. Bloed liep over de weerspiegeling en vertroebelde mijn zicht. Het maakte me blind. Hevig slikkend staarde ik naar het glas rondom me heen. Gebroken dromen, gebroken vleugels. Verloren en onherstelbaar. Getormenteerd deins ik achteruit en voel de koude stenen tegen mijn rug. Ik besef dat het tijd is, mijn hart doet pijn. Alles doet pijn! Het moet stoppen! Het brand, het snijd! Het moet weg! Fronsend houd ik mijn handpalmen naar boven en staar naar de blauwe fijne lijntjes die er doorlopen. Kleine riviertjes leven. Mondjesmaat toegelaten doorheen de krochten van mijn lichaam. Kreunend en gillend neem ik de scherf vast en snijdt mijn pols van onder tot boven open. Het warme bloed welt op en deze keer neem ik de scherf in mijn andere hand en herhaal de beweging. Grinnikend liet ik het vallen. Glinsterend en vol met vegen bloed ligt het vergeten in het midden van de badkamer. Ik voel hoe het bloed mijn lichaam verlaat. De rivier droogt op en mond uit in de zee. Ik wilde mezelf erin onderdompelen. De dood vinden in mijn zee van leven. Ironisch genoeg.  Langzaam laat ik me door mijn benen zakken op de grond en leg mijn armen op mijn benen. De dikke druppels leven spatten uiteen op de vloer, tikkend op het ritme van de klok. Het is stil. De tijd is het niet. Star en troebel leun ik tegen de witte tegels en kijk toe hoe de grote smalle secondewijzer verder tikt. Het nu verglijdend in het verleden, langzaam oplossend, tot stof vergaan, wegzinkend in het immer eindige verleden, dieper, dieper. Het is goed bedenk ik, het is goed. Dan stopt het getik en de tijd staat stil. De serene stilte slaat zijn vleugels om me heen. Het is goed. Shhhht. Het is goed.

Emely Rose
27 0

De Terugkeer

Het was ongelofelijk dat het voor een tweede keer gebeurde. Normaal gezien leerden mensen van hun fouten. Ze leerden om die geen tweede keer te maken. Ze leerden om deze soort problemen te vermijden, zodat ze de gevolgen geen tweede keer onder ogen zouden komen,  zodat ze nooit meer in situaties zoals deze terecht zouden komen. “Jij?” siste ze. Ze kon dit niet geloven. Dit was onmogelijk. Het kon gewoon niet anders. “Jij?” Hij keek haar aan in pure shock en zijn lichte karamelkleurige ogen gleden naar de sportauto die naast haar stond. De wind bracht een geur van zoutige zee met zich mee en liet haar lange, roodbruine haren opwaaien. “Wat is er gebeurd met haar?” vroeg hij geschrokken. Zijn gezicht was de perfecte combinatie van verbazing, bewondering en slecht verborgen plezier. “Wat doe jij hier?” vroeg ze. Haar stem klonk woedend. Hoe kon dit gebeurd zijn? Ze had gezworen dat ze hem nooit meer zou zien. Niet na wat hij tegen haar had gezegd op die dag dat ze Ethan de mantel uitveegde. Caleb Moreno, de beruchte vrouwenverleider. Een nagel aan haar doodskist. En toch was ze hier, recht voor zijn neus, voor de tweede keer in haar leven. Eén keer te veel. Hier, op de parking van George Garages, waar hij overduidelijk werkte. Kon deze dag nog slechter worden? “Ik werk hier. Maar wat is jouw excuus, Gabrielle? Hoor jij niet in New York te zitten, de slimmerik uit te hangen op poepchique Columbia in plaats van je broers zuurverdiende Ferrari in de prak te rijden?” “Ik ben afgestudeerd, jij verwaande kwast,” beet ze hem toe. “Niet iets wat jij ooit deed of ooit zal doen in je miserabel leventje.” Gabrielle probeerde niet al te veel te denken aan Christopher, haar twee jaar oudere broer en de trotse eigenaar van een zwarte Ferrari 612 Scaglietti. Of was de trotse eigenaar van eentje, eigenlijk, verleden tijd. “Dus, even alles op een rijtje zetten.” Caleb deed alsof hij diep nadacht en begon op zijn vingers te tellen. “Jij studeerde af in New York, je kwam terug naar dit slaperig dorpje in Californië en toen vernietigde je deze schoonheid?” Caleb schudde zijn hoofd in ongeloof en glimlachte toen zijn helderwitte tanden bloot. “Ik heb altijd geweten dat je pit in je had zitten.” Gabrielle ademde diep in en uit. Ze dwong zichzelf om kalm na te denken. Hij werkte in een garage. Hij was in staat haar te helpen – hoewel ze momenteel een hardnekkige drang bevocht om haar knie niet in een plek te stoten waar het echt heel erg veel pijn zou doen. Negeer gewoon de vervloekte bastaard, Gael, dacht ze in zichzelf. Gewoon simpelweg negeren en die woorden uitspuwen. “Je weet dat ik je haat met elke vezel in mijn lichaam, Moreno, maar deze auto moet echt opgelapt worden. Zo dringend mogelijk.” Voordat Christopher hem zo te zien kreeg, voegde Gael er in gedachten aan toe. Haar broer zou deze aanblik niet overleven. Zijzelf ook niet. Gael klemde haar kaken op elkaar en vouwde haar armen voor haar borst. “Reed jij niet met een middernachtdonkerblauwe Dodge Challenger uit de jaren ‘70?” Caleb leunde voorover om de motorkap open te doen om Ferrari vanbinnen te inspecteren en floot toen hij de schade zag. “Je hebt haar best hard toegetakeld, Gael.” “Hoe weet jij dat?” vroeg Gael hem opeens stomverbaasd. “Ik bedoel, hoe weet jij dat ik met een middernachtdonkerblauwe Dodge Challenger uit de jaren ‘70 rijd?” Gael merkte zelf nauwelijks op dat ze zijn exacte bewoording overnam. Caleb draaide zijn hoofd om haar aan te kijken. “Dus je hebt nog altijd die auto. Prima. Ze past bij je.” Onder andere omstandigheden zou Gael dat compliment geweldig hebben gevonden. Ze aanbad de Dodge. Nu kon ze enkel kwaad naar Caleb kijken en haar woede bekoelen door een opstandige haarlok achter haar oor te duwen. “Maar je dacht toch niet serieus dat ik de dag ben vergeten waarop jij stopte voor de deur om Ethan in zijn gezicht te meppen en in het Frans begon te gillen omdat hij je beste vriendin Amy zwanger had gemaakt - ook al zijn ze nu gelukkig getrouwd met twee prachtige kinderen?” Hij glimlachte naar haar. “Die herinnering, jij die daar staat in Ethans kleine keuken met schattige rode wangetjes en vuurspuwende ogen, is onmogelijk te vergeten. Zelfs als ik het wou vergeten,” eindigde Caleb, terwijl hij de motorkap weer zachtjes liet vallen. Gael probeerde niet naar beneden te kijken. “Dus je herinnert je de nacht nog waarop ik je inpeperde dat ik geen meisje voor één nacht ben. Goed. Fijn voor jou. Het is niet omdat ik het enige meisje ben dat je nog niet hebt verleid, dat ik ook automatisch op je lijstje wil staan.” Ze fronste haar wenkbrauwen. Haar toon was beledigend, maar het had totaal geen effect. Calebs grijns werd enkel groter. “Wie heeft je wijsgemaakt dat ik je op De Lijst wil hebben?” Hij knipoogde naar haar. Gael lachte kort. “Dus je zegt dat geen mannelijke hoer bent?” vroeg ze met een zoete glimlach. “Auwch. Is dat hoe je nog altijd over me denkt, zelfs na al die jaren?” Caleb deed een stap in haar richting. Zijn handen waren besmeurd met motorolie, net zoals de donkergroene overall met het logo van George Garages op zijn borst geborduurd. “Ik weet best dat jij dat bent, Moreno. Vergeet niet dat ik naar dezelfde middelbare school ging als jouw – laten we ze vriendinnen noemen bij gebrek aan een betere definitie – naar toe gingen. En ik heb een uitstekend goed beeld van je doen en laten tijdens de afgelopen jaren toen ik in New York was, de bolleboos uithangen zoals jij het zo mooi verwoordt, gekregen. Amy heeft me altijd op de hoogte gehouden.” Caleb deed nog een stap in haar richting.  “Erg jaloers?” sneerde hij. Hoe durfde hij dat zelfs maar te denken? Waar haalde hij het lef vandaan om haar zo te beledigen? Ze balde haar vuisten van pure woede. “Jij pompeuze idioot!” schreeuwde ze. “Het enige waarop ik jaloers ben, is dat ik nooit de mogelijkheid zelf heb gehad om je in je afgrijselijk gezicht te slaan!” “Je bent wel agressief voor zo’n klein ding, niet? Nu, vertel me alsjeblieft wat je met die auto hebt gedaan.” Caleb wees naar de auto. Hij had nog altijd die debiele grijns op zijn gezicht, alsof hij haar reactie het grappigste vond wat hij ooit had aanschouwd. Gael begon zich af te vragen of die lach soms op zijn gezicht was geplakt met secondelijm. Het zou veel verklaren. Ze had geen enkele intentie om zijn vraag te beantwoorden. Zeker niet nadat hij haar klein had genoemd. “Wil je dat ik de auto herstel of niet? Vertel me wat er gebeurd is.” Gael aarzelde. Ze voelde er niet veel voor om hem iets te vertellen over het illegale straatraceverhaal. De enige reden waarom ze er aan had deelgenomen was om Mason, degene die de race had georganiseerd en haar had uitgedaagd door te zeggen dat ze niet zou durven te rijden, een paar toontjes lager te doen zingen. Ze had meegedaan en ze zou gewonnen hebben, als die kerel haar niet van de weg had gereden. “Ik heb een ongelukje gehad,” antwoordde ze kalm. En ze loog nog niet eens tegen hem. “Met je broers Ferrari 612 Scaglietti, een auto die een V-12 bezit en 533 hp onder haar motorkap heeft liggen terwijl je zelf een prachtauto bezit? Goede poging, maar ik trap er niet in.” Caleb bestudeerde haar met een lange blik waar Gael zenuwachtig van werd. “Ik denk dat je naar de bergen bent gereden, naar die straatrace van Mason,” concludeerde hij uiteindelijk. “Hoe weet jij….” begon ze. Dat kon hij niet weten! Dat was onmogelijk! Of misschien was hij toch een beetje slimmer dan ze had gedacht. Nee, schrap dat. Hij maakte gewoon een goede gok. “Wat ik opmaak uit de weinige keren dat Amy het over je heeft, is dat jij altijd iets idioots en roekeloos uitvreet elke keer als je er de kans toe hebt. Deelnemen aan een illegale straatrace met je broers geliefde Ferrari past perfect in dat kadertje, vind je zelf ook niet?” Gael kon hem enkel kwaad aankijken. “Goed,” snauwde ze. “Ik heb inderdaad mee gedaan aan die stomme straatrace. En dan? Het was niet mijn fout dat ik de controle verloor over het stuur. Die oen duwde me van de weg met zijn Porsche!” Gael dacht terug aan wat er gisterenavond gebeurd was en voelde hoe het bloed weer door haar aders pompte. Het triomfantelijke gezicht van de man die haar van de weg duwde, zweefde voor haar ogen. Wie dacht die hersenloze sukkel dat hij was? De Stig? Lewis fucking Hamilton? Caleb begon de schade te bestuderen. “Duwde hij je van de baan bij die draai boven die kliffen, zo'n twintig kilometer verderop?” vroeg hij. “Ja. Ik had net nog de kans om het stuur zo te draaien dat de auto niet het ravijn in zou duiken,” antwoordde Gael, die nog steeds razend was door de herinnering aan het ongeluk. “Het is een mirakel dat je niet in het ravijn stortte. De weg is daar bezaaid met scherpe keien en stenen. Het is moeilijk om daar te rijden overdag, laat staan ’s nachts, zonder enige verlichting.” Zijn blik was bezorgd en respectvol tegelijkertijd. Als het niet zo serieus was geweest, zou Gael gewoon in het lachen zijn uitgebarsten. Maar het was serieus, en niet enkel omdat Caleb de man was die in de garage werkte, maar ook omdat hij één van Christophers beste vrienden was. Gael haalde haar schouders op. “Ik weet het. Ik heb het overleefd, oké. Alsjeblieft, vertel het niet tegen Chris.” Ze wist dat het klonk alsof ze bijna smeekte, maar dat kon haar op dit moment niet veel schelen. “Ik zal niets zeggen,” beloofde hij rustig. Om de één of andere reden die ze zelf niet kon verklaren, geloofde Gael hem. Hij mocht dan een kerel zijn die meisjes enkel goed genoeg vond voor onenightstands en kon vaak – nou ja, bijna altijd – een echte klootzak zijn, maar ze wist dat ze hem met dit kon vertrouwen. Ze staarden elkaar aan voor een lange tijd. Het enige geluid dat de stilte tussen hen verbrak waren de geluiden van werkende mannen uit de garage achter hen, de ouderwetse radio met de krakende countrymuziek en de aanrollende golven van de zee in de verte. Gael rook de vertrouwde geur van olie en benzine gemengd met de zoutige lucht. Het rook troostend, bijna als thuis. Caleb was degene die als eerste zijn stem terugvond. “Ik kan de schade wel repareren. Het is niet zo veel – het lijkt erger dan het in feite is, vooral blikschade.” Gael knikte. Ze was niet in staat om te spreken. “Ik heb een dag of twee nodig. Kan jij een verhaal verzinnen dat Chris zal slikken?” ging Caleb verder. Meteen had Caleb haar stem terug. “Ik ben niet achterlijk, weet je. Ik ben degene die naar de universiteit is gegaan om literatuur te studeren. Natuurlijk kan ik een verhaal verzinnen dat Chris zal geloven.” Caleb lachte opnieuw. Zijn witte tanden staken scherp af tegen zijn zongebruinde huid. “Gewoon even nachecken, schatje.” “Noem me geen schatje,” beet ze hem toe. Haar stem trilde van ingehouden woede. “Oké, liefje dan, als je dat leuker vindt.” Gael gromde. “Hou op met te flirten, Moreno. Ik ben hier pas twee dagen. Het is tot nu toe al een ramp dat ik je ben tegengekomen, nog afgezien van het feit dat ik jou - van alle mensen hier in de stad - moet vragen om me te helpen. Probeer niet om me te versieren, want je zal niet slagen.” “Je bent pas twee dagen geleden teruggekomen en je hebt al een kans gezien om een Ferrari in een hoop schroot te veranderen? Wauw, ik moet je echt bonuspunten geven in de categorie van wereldvernietiger.” “Stop met lachen, Moreno. Het is niet grappig.” “Ik vind dat je fascinerend bent. Ik heb nog nooit een meisje zoals jou ontmoet.” “Je bedoelt: een meisje dat niet geïnteresseerd is om de nacht met je door te brengen?” reageerde Gael meteen op het kleffe gedoe van Caleb. “Dat ook,” gaf hij toe. “Oké, ik moet terug aan het werk, liefje. Ik bel je wel als ik klaar ben.” Gael gaf hem een verdachte blik. “Je hebt mijn nummer niet,” zei ze langzaam. “Zeker heb ik dat. Ik heb het van Ethan.” “Ethan heeft mijn nummer ook niet.” “Maar Ethan heeft het gekregen van Amy, babe.” Zijn ogen glansden van plezier. “En zeg nou niet dat Amy je nummer ook niet heeft, want dat zou echt wel zielig zijn.” “Heb ik je al verteld dat ik je haat?” “Dat heb je inderdaad al gedaan. Meerdere keren zelfs, geloof ik. Maar vergeet alsjeblieft niet dat ik de auto moet herstellen, liefje.” Gael keek hem recht aan. Als blikken konden doden, zou Caleb allang op de grond moeten liggen. Misschien nog een beetje stuiptrekkend. Maar in ieder geval morsdood. “Goed. Bel me dan.” Ze haalde haar schouders op. Hij was onverbeterlijk. Calebs grijns werd groter. “Zoals je wenst, prinses.” “Jij denkt echt dat je zo slim bent, niet soms, Moreno?” Gael keek naar hem. Haar handen rustten op haar heupen. Haar vingers speelden met de lusjes van haar donkergrijze jeans. De wind speelde met haar crèmekleurige zijden sjaal. Onder haar zwartleren jasje had ze het warm. De zon liet haar huid gloeien. “Ik kan niet slimmer dan jou zijn, liefje. Jij bent immers degene van ons twee die naar de universiteit is gegaan.” Gael schoot hem nog één laatste scherpe blik toe en draaide zich toen om. Ze was bijna de parkeerplaats afgelopen toen ze achter zich Caleb haar naam hoorde roepen. “Gabrielle!” “Wat!” schreeuwde ze terug toen ze zich omdraaide. “Zie je vanavond op de barbecue van Amy en Ethan. Vergeet niet om dat sexy jurkje te dragen, liefje. Je zag er goddelijk in uit toen ik je de laatste keer zag.” Hij lachte en verdween toen in de garage. Gael stond een paar meter van de weg vandaan en wilde niet geloven wat ze daarnet had gehoord. Hoe wist hij van die barbecue? Hoe wist hij dat ze was uitgenodigd? Zodra ze aan die vraag dacht, kwam het antwoord meteen in haar hoofd op. Natuurlijk had Ethan hem uitgenodigd en hem verteld dat zij ook zou komen. Gael schudde haar hoofd. In haar gedachten overliep ze haar kleerkast. Kon het zijn dat ze dat fuchsia korte jurkje van Just Cavalli nog ergens had hangen? Ze dacht terug aan haar ontmoeting met Caleb in Ethans keuken, drie jaar geleden. Hoe hij haar had uitgekleed met zijn ogen en hoe zij hem had uitgescholden. Gael had hem toen net geen mep verkocht. Met een lichte sarcastische glimlach die rond haar lippen speelde, stak ze de straat over en liep langs het pad naar beneden. Door de hoge cipressen heen kon ze de zee zien stralen in de vroege ochtendzon. Welkom terug, schatje.

Leo Stearny
0 0

Wat een geluk - ik erger me weer dood aan alles en iedereen

Welk een genoeglijke uurtjes heb ik tot nu toe al beleefd aan de biografie van Geert van Oorschot. Er zit vaart in, er passeert een hele reeks dode schrijvers/dichters/redacteurs/recensenten de revue waarvan je denkt: allemaal aanzetten tot wederom waarschijnlijk wonderlijke biografieën - het is gespekt met zo mag ik verhopen waarheidskundige details (dat is welzeker, auteur/biograaf Arjen Fortuin tekent hier voor een titanenwerk) en vooral ook: er wordt - althans in deze fase van het boek, zo ongeveer middenin - kwistig rondgestrooid met citaten van de uitgever zelve uit brieven en telegrammen allerhande (het telegram! ik hing gisteren anderhalf uur aan de lijn van een ouderwetse telefoon - ik kan alleen maar hopen dat deze beeldcultuur-jeugd dat genoegen op een dag ook nog eens mag smaken). Het is een boek zonder maren die zich opwerpen, twijfels of ongerijmdheden die zich in het riet zouden verbergen. Het is bovenal een inspirerend boek.   Maar kom, voor zij die graag 'maren': de biograaf maakt door het belichten van bepaalde fasen en contacten (en soms expliciete terzijdes) natuurlijk een keuze: als hij daarbij patronen ontwaart (Van Oorschot als ruziemaker, als op de kleintjes lettende commerçant, als ... ) dan zou je weleens kunnen durven denken: echt? echt? Selecteren is ook propageren - maar zoals gezegd: ik neem aan dat deze keuzes niet uit de lucht komen vallen / al ontbreekt er dan ook wat vergelijkingsmateriaal (hoe zat dat bij andere uitgevers? hoe was die hun relatie met hun poulains, dichters, schrijvers?) Maar dat is maar een kleine maar, geen bezwaar om ongestoord te kunnen genieten van dit boek - mooi uitgegeven bovendien, al zou ik weleens willen weten op welk papier het nu is gedrukt.   Het fijne aan dit boek - althans, zoals ik het nu ervaar - is niet hoe Geert van Oorschot tot leven wordt geroepen - al zijn de citaten zoals gezegd wel een cadeautje van over het graf, ze geven inzage in temperament en strategie van een man die hoewel gedreven toch ook blijkbaar regelmatig redelijk 'stoemelings' succes oogstte. Het is eerder hoe er ook iets van zijn geest in de lezer lijkt te varen. Passie, gedrevenheid, voortvarendheid, durf. Maar ook: ergernis. En zodoende kan ik alleen maar met de grootste vreugde constateren dat ook ik opnieuw mijn ergernis terug heb. Ik erger me weer dood aan alles en iedereen, niet het minst aan mezelf. En welk een prachtcadeau is dat! Want door praktische modaliteiten en welwillende liefdesomstandigheden leek ik de laatste maanden wel meer dood dan levend. Maar dank god - of Fortuin of Van Oorschot - dus voor dit boek. Want is het niet bij een bijkanse regelmaat van ongeveer elke pagina dat ik denk: het verleden is springlevend, hoezeer toch zijn bedenkingen, oprispingen en kanttekeningen over macht en onmacht van literatuur van alle tijden.   Hoe Van Oorschot halsstarrig probeert een goed tijdschrift uit te geven (geniaal toch, zo'n satelliet rond een uitgeverij om te wegen op het publieke debat - vandaag reiken de ambities niet verder dan de omzet en het aankopen van wat kutkunst). Zo'n Hermans die verzucht dat het tijdschrift in kwestie geen aandacht heeft voor de actuele literaire ontwikkelingen (wat zouden die ontwikkelingen van vandaag dan wel mogen wezen, vraag ik me af). Hoe de uitgever zich ergert aan slappe literaire kost en lamlendige positioneringen ... Ik leef op bij zoveel voortvarendheid, bezieling, energie. Het is een misprijzen dat bij Van Oorschot altijd gepaard gaat met de hoop op beterschap.   En zo dwaal ik tijdens het lezen af in mijn eigen geestesbibliotheek van ongerijmdheden. Bekijk die dorheid die ons tegenwoordig overspoelt - zo van die gesubsidieerde 'wat nemen we onszelf toch ernstig' literaire magazines waar je met de beste wil van de wereld geen leven in kan schoppen. Zo van die in de publieke ruimte oprijzende figuren die je eigenlijk gewoon in een pennenzak kan steken: ze hebben dezelfde goede opleiding gehad, ze lezen dezelfde boeken, ze gaan naar dezelfde conferenties, en ze vertellen dezelfde lauwe prut - zelfs hun vertelstramienen zijn aan elkaar ontleend. Zo van die columnisten die zich druk maken over het kapitalisme in een kapitalistisch medium - op hun bananenschillen stormen ze de berg af - maar zeg hun niet dat het richting ravijn is. Het is een zichzelf repeterende draaikolk die me alleen nog maar doet kokhalzen. En terwijl ik bijna stik in mijn ergernis, voel ik me zo ook weer wat vrijuit ademen. Een politiek geworteld magazine met literaire bijdragen! Waarom zou het ook vandaag niet kunnen? Ik zie bijvoorbeeld vrucht in een communisme light (Van Oorschot draait zich om in zijn graf): kapitalistische uitwassen behoeven correcties, en daarmee val je heus niet het hele systeem aan. Armoede, overbevolking en hoge huurprijzen: het zijn serieuze onderwerpen die licht kunnen gebracht worden. Het zijn onderwerpen die door de schrijvers van vandaag vakkundig vermeden worden, omdat ze er gewoon geen weet van hebben, niet willen doorgaan voor een zeur (iedereen weet/kent het al) of zich vooral politiek neutraal willen positioneren. Kortom: het zijn onderwerpen die voor het rapen liggen, ze wachten alleen nog op de juiste schrijver(s).

Guy Bourgeois
25 0

Het is een mannetje

Het geraamte stond in een afgesloten kamertje, samen met de andere spullen waar we niet aan mochten komen, de diaprojector, de stencilmachine, de opgerolde wereldkaarten, de vellen groen en blauw kaftpapier en de grote perforator. Op de deur hing de naam van het kamertje: didactisch lokaal. Het apparaat waarmee de witte letters op een zwart zelfklevend lint waren gedrukt, lag op de lessenaar van meester Jos. Ook daar mochten we niet aankomen. Alles mochten we worden in die dagen. Brandweerman, dokter, filmster. En alles mochten we zijn. Braaf, stil en onzichtbaar. Maar ergens aankomen mochten we niet. Toch aarzelden we maar heel even voor we, die ene keer dat de deur van het didactisch lokaal tijdens het speelkwartier per ongeluk openstond, ongezien het kamertje binnenglipten. Ronny, Dirk, Marc, Erik, Carl en ik. Zodra de deur in het slot viel, reikten onze handen, de een al wat klammer dan de ander, naar de lichtschakelaar. Want een geraamte op de tree van de klas is een ding, op armslengte in het donker een ander. ‘Het is groter dan ik dacht,’ giechelde Erik. ‘En bloter,’ grinnikte Carl. ‘We moeten het aankleden!’ Ronny mikte zijn pet op het benige hoofd en Erik viste zijn sjaal uit zijn zak en draaide hem rond de magere nek. ‘Nu hebben we nog een dik stuk krijt nodig.’ Dirk deed meester Jos na zoals die tijdens de middag zijn sigaar rookte, hoofd in de nek, blazend naar de hemel.   ‘Correctie! Twee stukken krijt, en een tube lijm,’ zei Ronny. ‘Iemand moet terug naar de klas. Jij.’ Hij knikte met zijn hoofd in mijn richting. Het voelde alsof hij me wegstuurde. ‘Er is niet genoeg tijd,’ zei ik. ‘Toch wel, de meester is jarig en ze eten taart in de leraarskamer.’ De jongens keken naar me. Als ze taart aten duurde het speelkwartier dubbel zo lang. ‘Schiet op,’ zei Ronny. Er zat een rimpel in zijn voorhoofd. De denkrimpel die ik zo goed kende, die altijd voorafging aan een wilde inval. Zes jaar lang had ik ze met hem gedeeld, die wilde invallen, zes jaar lang had ik met hem en de andere jongens gevoetbald, tikkertje gespeeld, huiswerk gemaakt. En nu stonden ze naar me te kijken, wachtend tot ik weg zou gaan. ‘Komt er nog wat van?’ maande Marc me aan. Hij keek niet naar mij, hij keek naar Ronny. Ik glipte naar buiten. Op de speelplaats werd luid gejoeld en uit de leraarskamer klonk gelach en gezang. Lang zal hij leven. Het zou niet lang meer duren voor meester Jos met pensioen ging. Wij zouden de laatste klas zijn aan wie hij ‘de speciale les’ moest geven. Hij had gelachen toen hij dat zei. We vroegen niet waarover de les ging. Dat wisten we al. We wisten ook waar meester Jos het kijkmateriaal bij de les bewaarde. Op de dia’s die in het kamertje lagen, bij de diaprojector en het witte scherm. Was dat waarom de jongens me hadden weggestuurd? Het besef overviel me zo plots dat ik even tegen de muur van onze klas moest leunen. De onderste krul van het haakje waaraan Ronny’s jas hing die ik zo mooi vond, zo stoer, drukte in mijn nek. Het deed pijn, maar ik bleef staan. Minutenlang. Tot de deur van de leraarskamer openging en iemand de gang in liep. Zonder te kijken wist ik dat het meester Jos was. ‘Angela!’ Zijn stem galmde door de gang en ik schrok van zijn toon en stootte mijn hoofd tegen de bovenkant van het haakje. De jas viel op de grond.  ‘Waarom ben je niet op de speelplaats? En waar is je hofhouding?’ ‘Daar,’ wees ik. Mijn uitgestrekte arm trilde. ‘In het didactisch lokaal?’ donderde de meester. Ik trapte op de jas, stampte hem aan de kant en wilde de meester tegenhouden, maar het was te laat. Terwijl hij naar het kamertje beende, rende ik achter hem aan. Meester Jos gooide de deur open en zette zijn handen in zijn zij. ‘Wat stelt dat hier voor?’ Door de driehoek van zijn arm zag ik wat hij zag. De gebogen hoofden van de jongens, hun witte nekken. En op de witte muur – ze hadden niet eens de tijd genomen om het scherm op te zetten – de levensgrote projectie van een meisje en een vrouw. Naakt. Naast hen, als een wachter die over hen waakte, het geraamte. Met een dik stuk krijt tussen zijn tanden en een nog dikker stuk krijt tussen zijn bekkenbeenderen. Een rol plakband lag op de stencilmachine.   ‘Tong verloren, jongens? Kijk me aan als ik met jullie praat!’ doorbrak meester Jos de stilte. De jongens draaiden zich langzaam om, maar bleven naar de punten van hun schoenen kijken. Ze zagen me niet. Meester Jos zag me wel. Hij knikte naar me en wees naar het geraamte. ‘Het is een mannetje,’ zei hij. Alles wat ik niet was en nooit zou worden.  

Ines Nijs
2 0