Lezen

A la Johan Verminnen

Als Johan Verminnen het heeft meegemaakt en ik nu ook, dan zullen velen dit herkennen. De enige vakantie die dit jaar haalbaar is, is een vakantie in mijn straat. Het is niet nodig om nu voor mij een mosselfeest te organiseren of een benefietconcert. Barre omstandigheden maken mij creatief. Hoe groter de tegenstand, hoe weerbaarder ik word.   Ik neem vakantie in mijn straat.             Op maandag zal ik, samen met mijn stoere buurjongen van negen, honderd keer op en af fietsen zonder handen. Dat is dan een korte fietsvakantie om op te warmen.             Op dinsdag zal ik dauwtrappen op de groene stroken in de straat en bladeren van de paardenbloem plukken om er kruidkoek van te bakken. Daarmee heb ik mijn natuurvakantie.             Woensdag is stiltedag. Ik zal de dag beginnen met een wandelmeditatie in open lucht, waarbij je vijf meter aflegt in een kwartier, en de dag afsluiten met een innige omhelzing van mijn lievelingsboom, de witte paardenkastanje. Mijn alternatief voor het aanbod aan spirituele vakanties.             Donderdag is midweek. Op die dag zijn er altijd speciale attracties. Dit jaar zal mijn straat speelstraat zijn. Aan attracties geen gebrek.             Nog drie dagen te gaan. Ik maak er een driedaagse van. Een kampeervakantie in de tuinen van mijn buren. Dat krijg ik wel geregeld. Telkens een nacht logeeraccommodatie in ruil voor een uur grasmaaien of een kilo kersen plukken.   Wat maakt het uit dat ik veel geld kwijt ben aan prijzige hoorapparaten, als ik vakantie kan nemen in mijn straat.

Johanna-Tara
0 0

spiegelbeeld

Vanop een afstand zie ik een meisje, het lijkt alsof ik haar ken Wanneer ik dichterbij kom is het zo vreemd, ze lijkt precies op wie ik ben. Haar beeld maakt me onzeker en bang, we zijn gelijk en toch ook weer zo verschillend, De blik in haar ogen is zo koel, het gevoel dat ik erbij krijg is dan ook zo verstikkend. Ik wil niet naar haar toe gaan, en probeer men blik af te wenden, Maar dan probeer ik te beseffen hoe het komt dat ik haar uit het niets herkende. Ik draai me terug om, en ik lach met een subtiele glimlach naar haar, Zij doet hetzelfde, ze lacht terug maar met een andere kijk, en dat maakt het allemaal zo raar. Iedere stap die ik wil nemen neemt zij ook, en zo komt ze dichter en dichter Iedere actie of handeling die ik wil uitvoeren, doet ze ook, maar toch lijkt het meer voorzichtig. Dan is er geen afstand meer te groot om zeker te weten wat ik eerst niet wou beseffen, Zij is mij en ik ben haar, ik zie mijn spiegelbeeld, ik probeer haar gewoon te overtreffen. Ik zie een angstig, gebroken meisje, maar de gevoelens zijn onzichtbaar voor de omgeving Want ze verstopt zich in de sterke versie van mij, en voor haar emoties is geen aanvaarding. Ik durf niet plezierig te lachen naar haar, bang dat ze gaat huilen, Ik durf niet te wuiven naar haar, bang dat ze weg wilt schuilen. Ik durf niets meer te doen waardoor het masker van men weerspiegeling verdwijnt, Want dan zie ik nog maar 1 meisje, degene die ik vroeger was, en het is nu zo ingeprent dat ik haar voor altijd mijdt.  

Kirstenn
1 0

Ramses

Misschien was u er ook die avond. En hebben onze blikken elkaar nog gekruist of hebben we zelfs met elkaar staan praten daar in die broeierige zaal. Of niet. In ieder geval, als u er was, is het u misschien ook opgevallen. Hoe variaties van parfum, zweet, vet en alcohol zich op een subtiele manier met elkaar vermengden. Heel subtiel zelfs, want naargelang de plek waar je stond, geurde het toch steeds anders. Nu eens overheerste het ene geurtje, dan weer het andere, zodat regelmatig van plaats verwisselen geen overbodige luxe was.   Al kon je neus even op adem komen na een verhuizing, voor je oren bleef het een kwelling, waar je ook stond. Overal klonk ijl gekwetter, dat de slecht gekozen achtergrondmuziek helemaal overstemde en slechts even onderbroken werd door het gerinkel van een gebroken glas of het losbarsten van een gefakete lach. En dan zwijg ik nog over wat er te zien was:  kasten vol apenpakjes en cocktaildresses -  was u ook zo chic uitgedost? -  die onwennig rond bouwvallige tafeltjes wiebelden. Bouwvallig ja, want niemand waagde het er ook maar één seconde op te leunen uit angst voor mogelijk instortingsgevaar. Meer aan de zijkant van de zaal zochten kamerplanten en  muurbloempjes elkaar op.   Zoom in. Tafeltje links in het midden. Cocktaildress rechts. Daarin stak ik. Niet dat ik er graag in stak. Ik liep haast verloren in die rotjurk. Ik stak erin omdat ik erin moest steken, want ik was er omdat ik er moest zijn, op die receptie. Al voelde het niet aan alsof ik er was. Ik was er eerder niet dan wel, op mentaal vlak dan. Ik deed nochtans erg mijn best, pikte vlijtig hier en daar flarden van gesprekken op en nam zelfs deel aan enkele, maar veel stelde het niet voor. Omdat ik van nature niet zo’n verteller ben, mondde zo’n gesprek steevast uit in een monoloog van de andere kant, waarbij ik in mijn rol als luisteraar gedwongen werd het gepoch over blitzcarrières, ideale gezinnetjes en superintelligente kinderen te aanhoren. Ik liet ze maar vertellen, maar luisterde na een tijdje allang niet meer. Kaatste enkel op vaste tijdstippen nog een knikje terug - al was het maar om duidelijk te maken dat ik nog niet versteend was - en gelukkig was er ook nog de wijn, waarmee ik al het beluisterde rustig kon doorspoelen en waaruit ik ook telkens de kracht putte om nieuwe gesprekspartners op te zoeken.   Uitgerekend midden in weer zo’n gesprek kwam hij binnen. Ik stond net naar de deuropening te staren, druk nadenkend over een mogelijke ontsnapping, en daar was hij. Hij hoefde geen moeite te doen om er te zijn. Hij was er meteen, kwam ook niet binnengeslenterd zoals de meeste gasten. Hij kwam binnengewaaid. Letterlijk. Als een koele bries op een te hete julidag. Zijn halflange, ravenzwarte haren wapperend in de wind die hijzelf met zijn snelle, trefzekere tred maakte. Zijn slungelige armen bengelden in hetzelfde ritme mee zodat zijn zwarte, ietwat te grote kostuumjas bij elke stap open- en dichtschoof als een op hol geslagen theatergordijn. In tegenstelling tot zijn donker pak en dito haar was zijn huid erg bleek, op sommige plaatsen zelfs doorschijnend, in zijn hals bijvoorbeeld, waar je achter zijn melkwitte huid de loop van zijn paarsblauwe slagader kon volgen. Net niet doorschijnend waren zijn ijsblauwe ogen, die als verrekijkers door de zaal tuurden, maar niets leken te zien.   Dat hoefde ook niet. Hij werd gezien, zoog in een mum van tijd alle aandacht naar zich toe. Vooral die van de cocktaildresses. Zij verstijfden, hielden hun adem in zodat het ijle gekwetter plots helemaal stilviel. Ik wist toen nog niet wie hij was, maar dat zou niet lang duren, want na die korte stilte werd zijn naam van cocktaildress tot cocktaildress gesist: “Ramses, Ramses, Ramses ...” . Op den duur leken ze zijn naam wel te scanderen. Zo luid klonk het gesis. Apenpakjes wendden zich af, staken vingers in hun oren, liepen naar de bar terwijl wij onze kans waagden in Ramses’ gratie te komen. Als mieren om een suikerklontje troepten we rond hem samen. Maar Ramses was geen suikerklontje. Ramses was een rots. Rotsige Ramses, tegen wie wij met onze cocktailschepen te pletter voeren om even later zinkend af te druipen.   Ook ik droop af. Het had totaal geen zin daar te blijven staan. Hij hief zijn hoofd niet eens op. Zijn glazige ogen hield hij stevig op de grond gericht - spiegelde de narcissus zich in de glanzende vloer? -  terwijl wij daar hunkerend naar een spatje aandacht stonden. Geen spatje kon eraf. Wèl spatjes in de ogen, spatjes over de wangen bij de cocktaildresses, die één voor één naar buiten kropen, een aantal van hen zelfs plat op hun buik, omdat ze voorovergevallen waren op de gladde vloer. De apenpakjes, die alles van op een afstand aanschouwd hadden, schaterden zich te pletter bij het zien van zoveel huilend, kruipend en schuivend vrouwvolk, maar kregen even later berouw en liepen zich ten slotte de benen van het lijf om hun eega uit haar tranenmeer op te vissen en te troosten.   Ik kroop alleen naar mijn auto en reed naar huis. Bij gebrek aan een fysieke trooster, zette ik de radio aan. Shaffy zong me hoopvol zijn “We zullen doorgaan” toe. Eerst neuriede ik wat slapjes mee, maar al bij het volgende stoplicht draaide ik de volumeknop wat hoger en begon luidkeels mee te brullen. Ja, Ramses, doorgaan zullen we – of liever – ik zal doorgaan, met of zonder kleerscheuren – mijn jurk zag er door het kruipen over de parking nogal gehavend uit.  En jij, Ramses? Stik jij maar lekker verder in je ego. I will survive, al is dat weer een ander liedje.                                       

Katrien Frederix
29 0