Lezen

N van Not Done

(uit “verhalen van A tot Z”)   De lidwoord  (foto : Mantz Werner)   Van kindsbeen af , bij het inoefenen van de Nederlandse taal  leert men het juiste gebruik van het lidwoord. Is het “het” of “de” – gelukkig is er maar één “een” en geen “un” en “une” zoals in het Frans.  Hoe ouder men wordt hoe moeilijker men het aangeleerd kan krijgen.   Is het een modetrend ? Tegenwoordig komt men zelfs in gelauwerde teksten (o.m. op Azertyfactor)  een fout gebruik van het lidwoord tegen.   Voor degenen die met deze trend meedoen graag deze hersenspinsels om aan te tonen hoe “not done” het foute gebruik aanvoelt :   Vandaag is het het dag dat er witloof met hesp op de menu staat. De witloof kan in volle grond maar ook in water gekweekt worden.  Mensen uit het witloofstreek houden niet zo van hydro-witloof.  Zij zweren bij het echte grondsmaak.  Wat het hesp of voor Noord Nederlanders het ham betreft zijn er ook veel smaakverschillen. Wat het kaas aangaat heeft men de keuze tussen het Zwitserse Gruyère of het Franse  Emmenthal maar het Italiaanse kazen zijn tegenwoordig ook populair.  De witloof stoven, laten uitdruipen, in het hesp rollen en kaas erover.  In het voorverwarmde oven zetten en na twintig minuten is kees klaar.   Inmiddels is de witloof op en denken wij aan morgen.  Het dag zal druk worden.  Van zodra de ontbijt zal genuttigd zijn, moeten wij direct naar het stad vertrekken.  Vandaag beginnen immers het koopjes, in de volksmond het solden genoemd.  Het kleren, het schoenen, het witgoed apparaten, de behangpapier, het verf, alles zal weer aan het gekste prijzen verkocht worden.  Dat willen wij niet missen.     In het winkelstraat is het (ah, neen, dit is geen lidwoord !) inderdaad superdruk.  Vele mensen zijn met het wagen of met het trein of het metro naar de stadscentrum gekomen.  Het parkings staan vol en het duurt niet lang of alle winkels puilen uit van de volk.   Door de zachte weer in het winter is de aanbod groot.  En het kortingen zijn al van het eerste dag belangrijk.  Zowel voor het groten als voor het kleintjes is er wat te vinden.   Tussendoor wordt er tijd gemaakt voor een (dit is inderdaad een lidwoord maar er bestaat  geen foute versie van) drankje of hapje – een tussendoortje dus. Ook het restaurants, het snackbars en het koffiehuizen barsten van de volk. Het koffie is best lekker maar kan niet goedkoop genoemd worden.  Net voorbij het winkelstraat is er het bekende bakkerij waar het beste worstenbroodjes van het stad worden verkocht.  Daar moeten wij persé eens binnenspringen.   Voor hen die van de lezen van deze nonsens beginnen te genieten : gedaan ermee, dit is niet langer vol te houden.  Aan alle lidwoordverkrachters :  ahoe ! Dat zij mogen branden in het hel.

Vic de Bourg
0 0

X van Xeres

(uit “verhalen van A tot Z “)   HET DETAIL   Hij , groenblauwe ogen met lichtbruine weerspiegelingen, borstelige wenkbrauwen, halflang  asblond haar.  Zijn naakt gespierd en getaand bovenlichaam neigt zachtjes voorover.   Zij, fluwelen blik uit merendiepe kijkers, geen blauw is blauwer, fris heldere oogopslag, gebeeldhouwde lippen, kort  gitzwart  stomp lichtjes schuin lopend bobkapsel.  Haar beschaduwd hoofd draait even linksom.   Hij opent een boek en leest.   Zij beluistert Rachmaninov ’s derde klavierconcert op haar gedateerde MP3 speler.   Vanmorgen nog beiden in de fluisterstille tempel,  oosterse booglijnen en verbluffende mozaïeken die alle onheil weren, tuinen rondom, waar seringenaroma’s de lucht lichtjes benevelen.  In de hoogste hoogte van het minaret een lied dat neerdaalt en hun zielen verplettert in opperste gelukzaligheid.   Dan dwalen naar de zee die ruist en lokt achter de blanke zandduinen. Overweldigend hoe ze schuimt en toch blinkt onder wolken en zonnespel.  Fijne zandkorrels onder danshuppelende voeten en dan het gulzig slurpende en klotsende koele water.   Moe van spel en strand, neen, hongerig eerder, op weg naar het kleine eethuisje verderop. Heerlijke aroma’s van onverwachte kruiden en verre landen beloftes. Kleurenlichtjes weerkaatsen in gulzig geledigde cocktailglazen.  Subtiele gerechten, voor, hoofd en na.   Een fonkel in de koele Xereswijn.  Dan nagenieten. Sandalenvrije voeten in het mulle zand bij de laatste roodverdronken zonnestralen.     Plots sluit hij zijn boek, hij houdt niet zo van al te gedetailleerde beschrijvingen. Zij  heeft de ogen gesloten en stelt zich de lange vingers voor die het klavier beroeren en strelen.      

Vic de Bourg
28 0

Y van Yale

(uit ”verhalen van A tot Z”)     SURREALISME OF DE KUNST VAN HET ABSURDE   (“The Record Yale” was een publicatie uitgegeven door de studenten van de Yale University en bekend voor zijn absurdistische stijl)    Hij ging binnen maar zei niets.  Waarom zou hij ook ? Het duivenhok was dan ook niet meer zoals vroeger toen er nog meesjes in de perelaar huisden.  De appels daarentegen die werden ieder jaar dikker.  Dat kwam omdat hij ze individueel verpakte in zakjes die je daarvoor online kon kopen.   Dat is al maar meer in de mode dat online kopen en ook mode kan men online kopen. Wegversperringen vindt men nu ook in de commerce, dat heet dan sperperiode.  Ook dat heeft met mode te maken maar dan eerder mode voor jan modaal.   Modaliteiten worden meestal door instanties  bepaald. “Modaliteit drukt de verhouding uit tussen de beschrijving en de werkelijkheid, bijvoorbeeld het oordeel van de spreker ten opzichte van de waarschijnlijkheid.”  Dat is pas een surrealistische beschrijving door  Van Dale omdat …..   En toen wist hij plots niet meer waarom? Hij herinnerde zich ook niet meer het onderwerp dat hij voor oog had noch het ogenblik waarop hij deze woorden neerschreef.  “Ceci ne sont pas mes mots.”  “Une pipe?”  Simenon hield niet van kromme pijpen, hij wou ze recht.   Waar moet hij hem kwijt, zijn tekst.  Geen mens wil hem lezen.  Vuilbak is  geen optie.  Azertyfactor ? Goede ingeving!   In zijn taalles vroeg hij de blonde Deense:   “Wat is het tegengestelde woord of negatie voor iedereen?”  Zij antwoordde  “Niedereen”.  Hij vond het beter dan niemand en bedacht dat hij ooit een woordenboek moest samenstellen met de verzinsels van zijn cursisten.   Inmiddels zag hij rood van opwinding.  Dat kwam door die mooie zonsondergang.  Avondrood betekent dat het de volgende dag schoon weer wordt.  Alweer opwinding, door die aangekondigde hitte voor morgen. Zo heet als mosterd scherp kan zijn.   Waar kan men deze dagen kleine potjes mosterd kopen ?  Een tube ? Neen, kan verward worden met tandpasta en zijn tanden zien al zo geel.  Van het roken ? Neen, van teveel chocolade.   Toen hij vroeger in de chocoladefabriek werkte kwamen soms stukken naast de lopende band terecht.  Al wat op de grond viel werd opgehaald door de mannen van de zeepfabriek.  Daar werden de stukken door de zeep gedraaid wat resulteerde in mooie gemarmerde blokken.   Hij mocht er niet aan denken dat het omgekeerde zou gebeuren, gemarmerde zeepbellen na het eten van een reepje !   Bij het morgenkrieken eet hij gehaktbrood.  Bij het gehaktbrood eet hij morgen krieken. Bij het krieken van de morgen hakte hij het brood.   Hollanders kennen het woord kriek niet.  Nederlanders  wel , maar zij mogen niet verward worden met Hollanders.  Nederlanders wonen  dichter bij de Belgische grens, lekker warm en sympathiek. Zij trekken met volle bussen naar ons land en drinken sloten van het rode zurige zoete bier waarop de Kriek in al haar glorie prijkt.   Neen,  surrealisten zijn het niet , de NL-ers, daarvoor zijn ze iets te stijveharkelijk.  Nochtans hebben (vooral de donkeroranje) Nederlandse kanaries ook twee pootjes….twee gelijke pootjes…. vooral het linkse.      Stop het verhaal nu maar, het wordt  te realistisch.    

Vic de Bourg
0 0

R van Roulette

(uit “verhalen van A tot Z”) The winner takes it all   Ergens in de jaren zeventig is Frankrijk gastland voor de jaarlijkse internationale conferentie voor reisagenten en tour operators. Deze bijeenkomsten worden  in een bekende badplaats in het laag seizoen georganiseerd.  In feite is het een aantal dagen verwennerij van al wie betrokken is bij de organisatie van vakanties : van vliegtuigmaatschappijen tot hoteluitbaters, van reisagenten tot busexploitanten, kortom al degenen die het toerisme promoten. ’s Morgens wordt er vergaderd over uiteenlopende thema’s , ’s namiddags struinen de deelnemers allerhande attracties af en ’s avonds en tot diep in de nacht is er tijd voor recepties met veel bubbels,  dinerparty’s en reuze barbecues. De Fransen zijn dat jaar aan bod en hebben hun kroonjuweel Monte Carlo als “venue” gekozen. Onze ploeg die een internationale hotelketen vertegenwoordigt  logeert in een pas geopend hotel van een bevriende Amerikaanse hotelgroep. Mijn charmante Franse collega zegt dat ook zijn moeder in Monaco aanwezig is als chef van een bekend reisbureau  in Parijs.  Zij logeert in het mondaine Hôtel de Paris. Tijdens een van de vele recepties ontmoet ik de uiterst elegante Parisienne slash moeder slash reisagente.  Ze klaagt over haar hotelkamer.  Het is heel warm voor de tijd van het jaar en  het Hôtel de Paris mag dan wel “chique” zijn, er is geen airconditioning op haar kamer.  “Vous en avez de la chance dans votre boîte Americaine frigorifiée”  schertst zij.   De Monegasken hebben iets origineels bedacht om ons te verwennen.  Nu ja, origineel ? Alle congresdeelnemers worden gratis in de grote speelzaal van het Casino toegelaten , waar het minimum speelbedrag  voor de duur van het Congres, uitzonderlijk verlaagd wordt tot vijf Franse Franken, destijds het equivalent van 30 Belgische Franken, momenteel een luttele 75 eurocent. Wij hebben ons, zoals in de films, mooi uitgedost en lopen benieuwd tussen de speeltafels.  Door de zware overgordijnen en het dikke rode voltapijt is het er stil als in een tempel.  Het is dan ook een goktempel.  Naast het geluid is ook het  licht gedempt .  Enkel de typiische groene luchters werpen lichtbundels op de speeltafels.  Mijn Franse collega houdt het al snel voor bekeken.  Hij vindt het hele gedoe wansmakelijk.  Aan de tafel waar wij halt houden  wordt inderdaad met één haal van de croupier een veelvoud van zijn maandsalaris verspeeld. Met mijn vrouwelijke collega uit Duitsland heb ik besloten dat een terrasje of een nachtje uit in een of andere Club in Monaco al snel wat bankbiljetten kost. Wij besluiten te blijven en voor het equivalent bedrag  ons te amuseren en onze kansen te wagen in dit gokparadijs.  Wij vermaken ons niet zozeer met het spel dan wel met het ons voordoen als rijkeluiskinderen die het fortuin van Papa gaan verbrassen.  Vooral het mensjeskijkend gedeelte is daarbij uiterst boeiend. Rond de tafel ziet men lui van allerlei pluimage rondlopen of aanzitten.  Een man in onberispelijk maatpak loopt van de ene tafel naar de andere  en geeft telkens instructies aan een “handlanger” .  Deze man of vrouw respecteert nauwgezet de som en het nummer of de combinatie waarop moet  worden ingezet. Schril contrast met een andere tafel waar een knappe dertiger samen met een vriend nogal luidruchtig aan het spelen is.  Beiden zijn in hippiestijl gekleed in gerafelde jeans en (dure) jekkers over een t-shirt .  Als de fooien vet genoeg zijn knijpt het personeel voor haar vaste cliënteel graag een oogje dicht en in de zaal waartoe wij toegang hebben is geen strikte dresscode vereist. Plots is er rumoer aan een van de tafels.  Er zit een stokoude man.  Voor hem staan enkele torentjes van opeengestapelde speelfiches.  Onze 5 FF-fiches zijn mosterdgeel en rond.  De zijne hebben allerhande kleuren en de meeste zijn rechthoekig wat betekent dat hun stukwaarde  al snel in de duizenden FF loopt. Sommige stamgasten, vooral deze die in het geld zwemmen, hoeven niet steeds naar de kassa om hun geld in fiches te ruilen.  Zeer uitzonderlijk (en nogmaals  “moyennant un gros pourboire”) aanvaardt de croupier van een vaste klant dat er cash geld op de speeltafel wordt gelegd, uiteraard enkel briefjes, geen munten.  Aan de tafel van de oude gokker stijgt de spanning.  Hij wint het ene spel na het andere.  Zijn  stapels speelfiches beginnen te  lijken op de skyline van New York in miniatuur. Dan gebeurt iets merkwaardigs.  Met beide handen schuift de man heel zijn New Yorkse miniskyline naar voren.  Hij zet alles in op het rode nummer 7.  De fiches kunnen amper op het ene nummer staan maar met een oogwenk heeft de croupier begrepen wat de man wil en helpt hem met het opeenstapelen.  Geen andere speler waagt het op  hetzelfde nummer in te zetten. Na het “faites vos jeux “ en “rien ne va plus” gaat de roulette draaien.  Het witte balletje tolt rond en valt op het zwarte nummer 29, het nummer nààst de rode 7.  De man is alles kwijt maar blijft totaal onbewogen bij het gebeuren.  Een jonge dame wuift heftig met haar waaier, haar vriendin wankelt weg van de speeltafel naar de bar waar ze waarschijnlijk iets “sterks” bestelt om te bekomen. De man blijft zitten en stopt langzaam de linkerhand in zijn rechter binnenzak.   Hij haalt een bundel bankbiljetten boven.  Er zit nog een bandje om de spiksplinter-nieuwe flappen.  Zelf heb ik deze kleur van bankbriefjes nog nooit gezien. Het zijn biljetten van 500 Franse Frank.  Die hadden destijds een tegenwaarde van 3.000 Bef en zouden tegenwoordig  75 euro waard zijn.   Terwijl hij een tiental biljetten uit het bundeltje neemt fluistert iemand naast mij : “Il a la tremblote”.  De man bibbert inderdaad als hij de biljetten telt.  Niet omdat hij twijfelt maar van de ouderdom.  Hij zet het hele bundeltje geld opnieuw  in op één enkel getal.  Ooit werd  berekend dat er 2,7 kansen op 100 bestaan dat iemand wint met een “plein” (inzet op één getal).  Die dag zijn wij getuige van het feit dat het kan.  Het witte balletje komt terecht op het ene nummer waarop het geldbundeltje ligt.  De gokker wint 35 maal zijn inzet.  Een snelle rekensom leert ons dat hij op slag een slordige 175.000 FF of 1.050.000 BEF of 26.000 Euro gewonnen heeft. Morgen zal ik mijn Franse collega kunnen vertellen dat geen maandlonen  maar ettelijke jaarwedden verspeeld werden.  Ik krijg plots genoeg van dit decadente schouwspel  en  realiseer mij dat ik in mijn enthousiasme toch een duizendtal oude Belgische frankjes heb verspeeld.  Het is geweten : de Bank, en in dit geval , het Casino, wint altijd. Morgen keren wij terug huiswaarts en in het verlaten van de speelzaal zie ik een gang vol met de beruchte eenarmige bandieten . Ik wil weerwraak nemen op de uitbaters van deze goktent. Tot mijn grote verbazing  haal ik tot tweemaal toe Jackpot op verschillende gokautomaten.  In een mum van tijd (Toon Hermans zaliger zei vroeger dat hij er soms twee mummen voor nodig had)  win ik meer dan 700 BEF terug van mijn oorspronkelijke inleg. Voordat de verslaving toeslaat en ik mijn centen weer kwijt ben stop ik het spel.  Ik troost mij met de gedachte dat ik mij thuis in mijn eigen stamcafé nooit voor 300 BEF op één avond zo kostelijk zou geamuseerd hebben. Bij het verlaten van het Casino zie ik de twee vrolijke fils-à-papa hippies wegscheuren in een peperdure Porsche.    De volgende morgen heb ik nog tijd om enkele aankopen te doen.  Ik maak mezelf wijs dat ik de avond tevoren 700 BEF gewonnen heb en koop voor de helft van het bedrag in een kinderboetiek een snoezig bolerootje met blauwe bontkraag en fonkelende kleurenpailletten .  Dat is een cadeautje voor mijn anderhalf jarig dochterje.  Op haar Porsche gaat ze nog enkele jaartjes moeten wachten.  Papa moet daarvoor nog wat oefenen maar vreest dat het bij een Dinky Toy zal blijven.

Vic de Bourg
0 0

T van Taal

(uit “verhalen van A tot Z”)   "Het oog van Moskou"   Nadat hij een punt had gezet na zijn vorig puntloos schrijven vroeg hij zich af of een tweede poging nog ooit zou lukken, vooral omdat hij zich herinnerde dat hij destijds het hele verhaal in één trek had neergepend en dit nog eens overdoen een zware opgave kon worden, zo zwaar dat hij zich afvroeg of hij er überhaupt wel aan beginnen zou, wat dan in zijn ogen als laf overkwam want waarom zou het niet opnieuw lukken waardoor hij weer van de belangstelling kon genieten die zijn puntloos stukje had teweeggebracht toen hij het voor het eerst publiceerde op een webstek waarop creatievellingen van zijn soort hun ding kwijt konden, nu ja creatief mogen ze dan al zijn, hier en daar schort er toch wat in de hoofden van de bijdragers die in een vrije vertaling in het Frans als “contributeurs” en in het Engels als “contributors”  kunnen worden bestempeld maar bij nader toezien ook weer niet omdat bij de Fransen het woord betekent dat je meewerkt aan een groter geheel terwijl de Engelsen er meer een schenker in zien maar dat gebeurt wel vaker als men talen gaat vergelijken want als die Fransen zeggen dat zij “eventuellement” een tekst gaan schrijven bedoelen ze dat zij mogelijk, als het er ooit van komt eens wat op papier gaan zetten, de Engelsman of vrouw die daarentegen “eventually” wat gaat doen bedoelt hiermee dat hij of zij er uiteindelijk of tenslotte in geslaagd is iets te realiseren waardoor het alweer bewezen is hoe begrippen die in een ver verleden hetzelfde betekenden door de eeuwen heen een geheel andere betekenis kregen zoals een volwassen Engels varken een “pig” werd maar als big plots een klein zwijntje werd in het Nederlands waarop de Engelsen er het woord groot van maakten maar dat alles hoeft niet meteen in verschillende talen te zijn want ook binnen eenzelfde taal komt men dit tegen waardoor er noodgedwongen na ettelijke jaren artikels worden geschreven of boekjes worden uitgegeven waarin woorden of uitdrukkingen moeten worden uitgelegd aan personen die deze niet kennen maar weliswaar dezelfde taal spreken hetgeen dan soms leidt tot hilarische toestanden waarvan ondermeer “opstaande komedianten” dankbaar gebruik maken in hun “conferenties” en hun toehoorders schaterlachen ontlokken of ze met een rode kop en neergetrokken wenkbrauwen achterlaten omdat ze de “clou” niet gevat hebben wat dan ook weer geen ramp hoeft te zijn omdat het voor een aantal personen soms gewoon van de omgeving afhangt waarin ze opgroeien opdat ze bepaalde zaken wel of niet begrijpen, zo kan iemand die in een conversatie de uitdrukking “l’oeil de Moscou” opvangt nooit weten dat het hier gaat om een persoon die angstvallig de levenswandel van een ander in het oog houdt, alhoewel het ook de titel van een in 1961 verschenen boek is die op zijn beurt geïnspireerd was op de titel van de destijds reeds driehonderd jaar oude fabel van de heer de la Fontaine “l’oeil du maître” waarin een strenge meester zijn knechten in het oog houdt, ach zo zie je maar weer waartoe een simpel woordenspel leiden kan wat niet wil zeggen, voor wie niet meer mee kan, dat je een “loser” bent, ook al heb je de “pointe” van de grap niet begrepen want hoe puntlozer, hoe beter voor het opdoen van inspiratie.      

Vic de Bourg
332 0

L van Leger

(uit “verhalen van A tot Z”)   “My little castle”   In het zich onder klimop verschuilend gebouw (was dit camouflage?) duurde een verblijf in het Brusselse Klein Kasteeltje steeds drie dagen…   Niet voor mij … het werden twee maal drie plus twee maal zes dagen met een interval van enkele maanden : een oorlog die ik glansrijk zou winnen. Voorwaar, als morgen de vijand in ons landje binnenvalt zal ik als fregatkapitein de haven van Antwerpen blokkeren of tegen de windmolens aan de Belgische kust worden ingezet.   Na mijn studie bleek dat zonen uit kroostrijke gezinnen konden vrijgesteld worden van legerdienst. In tijd van oorlog of hoge nood konden deze vrijgestelden worden opgeroepen om het land te dienen. Afgekeurde miliciens daarentegen zouden voor de rest van hun leven gebrandmerkt blijven en pas worden ingezet als er in het land nog enkel vrouwen en kinderen overbleven.   In het KK werd uitgemaakt of men deugde voor de dienst – in het Frans luidde het : "être apte pour le service!". Eens "apte" zou ik mijn vrijstelling krijgen.   Vermits ik een jaar voordien een longontsteking had opgelopen en deze littekens had nagelaten, stonden de "medici militari" voor een zware opdracht. Terwijl zij zich beraadden, mocht ik intussen mijn wensen uiten over de keuze van mijn "wapen" en ligging van de kazerne waar ik mijn dienst wilde kloppen. Er was inderdaad keuzemogelijkheid, dank zij de toenmalige flower-power beweging die het leger humaner had gemaakt.   Door mijn uiteraard geringe wensen op dit vlak, verliep alles relatief vlot tot ik plots met andere twijfelgevallen werd afgevoerd naar het Militaire Ziekenhuis te Antwerpen! Hier werd ik de rest van de week vastgehouden en sliep als "longpatient" in een dicht berookte kamer samen met andere, mogelijk besmettelijke kameraden, die er alles aan deden om zich zo ziek mogelijk voor te doen, hen wachtte immers de dienstplicht indien zij niet werden "afgekeurd". Mij wachtte echter de VRIJ(HEID)stelling.   Na wijs beraad oordeelde de legerleiding dat zij de verantwoordelijkheid niet aankon om mij meteen vrij te stellen en verkoos mij later weer op te roepen. Vermits ik na schooltijd met het oog op die vrijstelling al mijn eerste job had aangenomen moest ik nog tijdens mijn proefperiode uitleg verschaffen over mijn weliswaar gewettigde afwezigheid. Hoe ik ook blaakte van gezondheid, ik werd na mijn ziekenhuisverblijf schuin bekeken op het werk, door collega's en later ook door de directie, vooral toen reeds na enkele maanden het tweede oproepingsbevel in de bus viel!   Het leger hardt onze jongens en gehard door de vorige ervaring, ging ik er met volle kracht tegenaan. Deze keer genoot ik warempel van de beruchte voettocht, begeleid door Brusselse flikken, die “onze jongens” (meisjes waren nog niet welkom) telkens in lange rijen van het Noordstation duidelijk met opzet via de hoerenbuurt omleidden naar het Klein Kasteeltje: de eerste (voor mij dus de tweede) kennismaking met de “naakte” waarheden van het bestaan.   Overmoedig onderging ik dit maal met de glimlach de psychische en fysische tests. Bij het interview stelde ik nieuwe eisen: bij een oproep onder de wapens wenste ik te dienen als officier bij de Marine. Voor rekruten waren daar slechts zeven plaatsen beschikbaar, dus gaf ik mijn akkoord om eventueel één van de maximum 23 onderofficieren te worden en tenslotte tekende ik zowaar om desnoods als gewoon matroos te worden ingezet. Ik was immers gek op de zee en op boten - het vorig verblijf in Havenstad Antwerpen had mij overtuigd!   In het K.K. dat ik intussen als mijn broekzak kende - ik voelde mij al een "ancien" - stoof ik van het ene kantoor naar het andere en zorgde ervoor dat mijn dossier overal  bovenaan kwam te liggen… ik zou snel genieten van mijn vrijstelling.   Toch volgde een tweede doorverwijzing naar het ziekenhuis, een litteken op een long verdwijnt nu eenmaal nooit.  Daar zette ik mijn strijd onversaagd verder om snel weer op mijn werk te kunnen verschijnen want ontslag dreigde!   Plots kreeg ik de stempel  “geschikt voor de dienst – apte pour le service”  en dit nog wel op basis van een dossier waarin ik voldeed aan de hoogste fysische kwalificaties want op dat vlak staan zeemachtofficieren nota bene net onder Paracommando's.   Het ABL (Armée Belge/Belgisch Leger) gaf zich gewonnen, zwaaide de witte vlag en waste de handen in onschuld. Mijn dienst zat erop.   Eindelijk terug op mijn werk heb ik na enkele maanden zelf mijn ontslag aangeboden, ik had een veel betere job gevonden….. logisch, want wie tijdens zijn legerdienst zulke prachtige resultaten neerzet, nietwaar..!?

Vic de Bourg
20 0

O van Ongelukkig

(uit “verhalen van A tot Z”)   Femmes fatales en vallende sterren   Aan de sterrenhemel van mijn geliefde zangeressen prijken haast enkel vrouwen met een ongelukkige liefde, rampzalig levenseinde, catastrofaal leven, rampspoedige ervaring,  desastreus voorval met noodlottige afloop. Ik noem ze “mes femmes fatales”.  Wat een onzaligheid, hoor ik je zeggen.   Toch is het zo.  Tijdens hun sterrendom oefende of nu nog steeds oefenen ze  een ondefinieerbare aantrekkingskracht op mij uit .  Zullen wij er enkele uit het lijstje lichte ?   Het begon op mijn vijftiende met de dood van Piaf.  Ik zag ze voor het eerst live in wit-zwart op de TV bij mijn bompa.  Hij was een van de eersten in het dorp die een televisie bezat. Haar laatste optreden in de Parijse  Olympia maakte een verpletterende indruk op mij.  Het gehavende dwergvrouwtje “la môme” -  amper begin in de veertig,  stelde er haar laatste verovering voor: een Griekse jonge God.  “A quoi ça sert l’amour” en de slotzin “Ca sert à ça l’amour” werd haar laatste ademtocht en voor mij een liefde voor het leven.  Ik heb ooit met het idee gespeeld een van mijn dochters Edith te noemen maar zover is het, allicht gelukkig voor hen,  nooit gekomen.   Piaf ontmoette tijdens haar trip naar de Verenigde Staten de uitgeweken Duitse Marlène Dietrich.  Zingen kon deze diva amper en buiten haar bijzonder lange en mooie benen kon ze bezwaarlijk een echte beauty genoemd worden.  Toch bezat zij het uitzonderlijk talent om zowel langs de Duitse als langs de kant van de geallieerden alle jonge soldaten te begeesteren.  Met haar onnavolgbare vertolking van Lili Marleen, het lied geschreven door “eines jungen Soldaten auf der Wacht” veroverde zij op haar eentje de wereld. Veel later volgde ondermeer haar meesterlijke interpretatie van de Duitse vertaling van het lied van Pete Seeger “Sag mir wo die Blumen sind”.   Toen la Dietrich reeds jaren niet meer op een podium was verschenen, ging zij plots terug optreden. Tickets vlogen aan onbetamelijk hoge prijzen de deur uit.  In Brussel was het enorme Vorst Nationaal volgelopen.  Het geroezemoes viel stil toen de lichten werden gedoofd en een spot werd gericht op een plaats achteraan het podium.  Plots hoorde men hier en daar een kreet van ongeloof en een langgerekt  ooooh als Marlène in een rolstoel werd opgereden tot vooraan het podium. Zij werd zachtjes uit de stoel geduwd en stond dan langgerekt  in een van haar beroemde glitterjurken met split en duizelingwekkende naaldhakken voor de microfoon.  Ze bracht welgeteld vijf van haar wereldsuccessen.  De zaal laaide van enthousiasme maar er volgden geen bisnummers.  Marlène werd in rolstoel afgevoerd.  Via de pers vernamen haar fans de dag later de reden van deze pantomime: “de bène van Marlène”  waren voor een fabelachtig bedrag verzekerd en de verzekerings-maatschappij wou het zekere voor het onzekere nemen, het stappen op haar stiletto’s tot vooraan het podium was véél te riskant.   Op hetzelfde moment dat Piaf en Dietrich elkaar ontmoetten verscheen een derde vrouw op het toneel :  Hildegarde Knef. Als vrijgevochten, zelfbewuste vrouw werd zij snel vergeleken met Marlène Dietrich. In het naoorlogse Duitsland was zij zonder meer een van de belangrijkste actrices.  Maar ook als schrijfster werd zij bekend onder meer door haar bestseller “Der Geschenkte Gaul” over hoe ze haar ganse leven tegen kanker streed. Met haar zwaar doorrookte stem was zij eerder een diseuse/ chanteuse maar bracht ze onnavolgbare interpretaties van haar veelal zelf geschreven liedjes. In vele opzichten volgde zij het pad van Dietrich.  Zo zou ook zij na jaren afwezigheid vanwege haar ziekte opnieuw de podia bestijgen. Als eeuwige fan was ik begeesterd toen haar komst in de Bozar in Brussel werd aangekondigd.  De grote Knef,  eindelijk in Brussel!   In de grote Henry Le Boeuf zaal zitten een vijftigtal fans op het parterre, op de verschillende andere niveau’s zitten her en der verspreid nog een honderdtal personen.  Tel daarbij een aantal genodigden uit Ambassades,  Knef was tenslotte een grote dame, en men kwam in totaal aan een maximum van 200 toehoorders. Op de grote scene staat enkel een vleugelpiano. De man die erachter plaats neemt is al levenslang haar vaste begeleider.   Dan verschijnt Hildegard, getekend, verouderd, draagt zij een pruik ?  De ouderen in de zaal herkennen meteen haar eeuwige lange witte jurk met gouden biezen. Het welkomsapplaus is spontaan maar klinkt pover in een zaal met tweeduizend zitplaatsen.  Weet Brussel niet dat dit een wereldster is die beter verdient?   Knef kijkt met haar brede bekoorlijke glimlach de zaal in en met beide handen nodigt ze het publiek boven op de balkons en in de nok van de zaal “Kommen Sie doch allen runter” . Dan wacht ze geduldig tot iedereen is afgedaald.  Geboeid vanaf de inzet van het eerste lied tot de laatste noot van het zoveelste bisnummer  is haar publiek in de ban van deze uitzonderlijke vrouw.  Voor mij zie ik een blonde twintiger met een heuse bandrecorder haar liedjes opnemen.  De jongen hangt aan haar lippen en lipt de meeste liedjes met haar mee.   Na afloop vindt de dame nog de kracht om handtekeningen uit te delen.  Bijna de halve zaal wacht haar op. Nu merk je aan haar hoofdband dat Hildegard inderdaad een pruik  droeg op het podium. Haar strijd tegen kanker heeft zijn tol geëist. Voor mij staat de blonde twintiger.  Ik hoor hem zeggen “Frau Knef, kommen sie bitte bald wieder nach Brüssel”.  Ze glimlacht.  Als ik voor haar sta lees ik in haar zieke ogen dat ooit nog naar Brussel terugkeren er niet meer inzit. Bij het spellen van mijn naam zegt ze gniffelend  “Ich weiss doch wie mann das schreibt, liebling” .  Mijn avond kan niet meer stuk.   Een bijna even rokerige stem, neen eerder een “bedroom voice” heeft de Franse actrice en zangeres Juliette Greco.  Net als haar voorgangsters op dit lijstje heeft ze beroemde mannen versleten of ontdekt.  Ze was gehuwd met Michel Piccolli.  Ze ontdekte grote namen als Serge Gainsbourg, Guy Béart en Léo Ferré.  Momenteel is ze gehuwd met de voormalige “pianiste du Grand Jacques”, Gérard Jouannest, componist van menige chansons van Brel.  Zij is de onvervalste femme fatale van de Parijse existentialisten. Maar ook één van de mijne.   Op een dag staat ze op het podium in Brussel. En dan gebeurt het. Het orkest zet in, zij begint een van haar chansons en plots niets meer.  Totale black-out.  De zaal is muisstil en houdt de adem in.  Dan zegt  Juliette op haar onnavolgbare manier : “Merde ! Je la connais pourtant  cette chanson ! – et puis qu’est ce que vous avez à me regarder tous? “  Applaus.  Even later laat ze het orkest weer starten en brengt ze haar volledig lied gevolgd door een minutenlange ovatie.   Nu de wapperende haren van de Duitse blondine werden gevolgd door de ravenzwarte pony van de Française,  is het de beurt aan een lichtroodharige.  Ook weer actrice op toneel en in films en ook weer een onweerstaanbare zangeres met een bijzondere stem, niet echt melodieus, maar diepgravend en soms stokkend ontroerend.  Haar “je te dirai des mots” , half in het Frans, half in het Grieks, breekt nog dagelijks harten van opgroeiende jongelingen en mannen. Palikari !  Socialiste in hart en nieren ontvlucht ze het Griekenland van de kolonels en brengt ze hartverscheurende teksten en liederen uit haar geboorteland.  Samen met velen die “on her side” stonden, wint ze de strijd en wordt ze minister van Cultuur in het van dictatuur bevrijde Griekenland.   Tijdens Europalia waar Griekenland aan de beurt is, ga ik naar een voorstelling in het beruchte Théâtre 140 op de Plaskylaan in Schaarbeek.  De zaal is volgelopen maar de voorstelling begint niet meteen. Vijftien minuten over tijd, de zaal wordt rumoerig. Wat is er aan de hand ?  En dan zie ik haar, mevrouw de Minister, mijn Melina Mercouri, een bos rode rozen in de hand. Zij was het wachten dubbel en dik waard, fataal vrouwtje toch!   Bij de blondines op mijn lijstje vind je nog  Dusty Springfield of de iets minder desastreuse Dolly Parton .  Bij de zwartharigen mag ik  de Franse Barbara niet vergeten of de Portugese Amalia Rodriguez en uiteraard de meest fatale van al mijn femmes fatales : de ongeëvenaarde Maria Calas.  Welk lot is er rampzaliger dan dit van deze diva der diva’s ? Ze scheerde de hoogste toppen en daalde af in de grootste ellende, niet  op materieel,  wel op emotioneel vlak.  Dat hoor je in iedere noot die ze aanheft,  in elke nuance die ze legt in haar diep doorleefde interpretaties.   Voor haar zijn alle superlatieven ontoereikend, zij staat eenzaam, verlaten en alleen aan de top van mijn lijstje : La Divina Diva Fatale !  

Vic de Bourg
0 2

De verlichte weg, de weg naar het licht

(Opiniërende verslagtekst)   Het is zestien februari de zon schijnt, de temperatuur enkele graden boven nul.  Ik had besloten hulp te bieden.  Als ik mij ergens voor engageer doe ik het ook.  Zo gezegd zo gedaan.  Ik neem de telefoon, druk het nummer en hoor aan de andere kant van de lijn een zachte mannenstem.  Deze stem doet me denken aan Matthias Schoenaerts in de film ‘Suite Française”.  Met veel geduld en overgave maakt hij me wegwijs in de te volgen procedure ‘Hoe waardevol sterven’.   Aangezien dit een ingrijpende gebeurtenis is zullen er gesprekken volgen met een psychiater, dokter en psycholoog.  Waar je een waardige levensbeeïndiging wenst, bepaalt de te volgen weg.  De volgorde van de stappen en ook de plaats waar deze gesprekken zullen plaatsvinden moeten zorgvuldig bepaald worden.   Wij kiezen voor de weg naar het licht in een ziekenhuis, niet thuis.      Twee weken later zit ik samen met mijn vader in het kantoor van de psychiater.  Op een zachte, rustige toon  vraagt de psychiater wat ons hier brengt, naar de reden van het licht te willen uitblazen.  Mijn vader, verzwakt, bijna zonder adem en met de zuurstofdarm in zijn neusgaten, vertelt zijn verhaal.  “Ik heb een mooi leven gehad, heb het licht in andermans ogen steeds gegund, heb veel kunnen lezen, leren en reizen.  De chronische longziekte heeft me sinds vorig jaar enorm verzwakt.  Kortademig, soms bijna stikkend.  Waaraan ik het te danken heb weet ik niet maar de ziekte van Tits heeft me ook te pakken genomen.  De hevige pijnen zijn op momenten ondragelijk.  Er kan niets aan verholpen worden.  Pijnstillers hebben een averechts effect op mijn ademhaling.  Ik ben nog zeer helder van geest en wil het niemand aandoen om dit te moeten verdragen.  Daarom kiest ik graag bewust voor een waardige manier van verlichting."   De psychiater luistert aandachtig en legt op zijn beurt de af te leggen weg uit.  Het is stil, het is helder.  Ik steun mijn vader ook al is dit geen prettige gedachte om afscheid te moeten nemen.  Samen rijden we terug naar huis, het is rustig.   Twee weken later volgt een tweede gesprek met een vrouwelijke psycholoog.  Op weg naar het centrum valt het toestel wat de zuurstof regelt in panne.  Gelukkig ontdekken we dit pas in de wachtkamer.  Na afloop van het gesprek zegt de dame dat ze snel een dokter naar huis zal langsturen.     In tussentijd thuis spreken mijn vader, mijn moeder en ikzelf minstens twee keer per week over de weg.  Wat ik zal overnemen, wat wil hij nu nog ….      Drie weken later zijn we nu.  De weg naar het licht is niet onbezonnen.  We gaan deze week woensdag 27 april voor een derde keer naar het centrum.  Wat zal het worden?  Wat gaan we te horen krijgen? Mijn vader hoopt een op snelle korte weg, de snelle weg van het licht. Woensdag weten we meer.   Inez          

Inezz
0 0

Tot ziens, Marianne (deel 8)

Met een ruk word ik wakker. Ik hap naar adem als een zwemmer in nood. Het lijkt alsof ik dood was en plots weer tot leven kom. Mijn hart gaat tekeer alsof ik een marathon heb gelopen en mijn hoofd lijkt uit elkaar te spatten. Ik open mijn pijnlijke ogen en kijk verdwaasd om me heen. Ik vind mezelf terug op een vreemde kamer, in een bed dat niet het mijne is. Ik pijnig mijn hersenen. Een paar seconden lang weet ik me niet te herinneren waar ik me bevind, maar dan komt in een flash alles terug. Van het ene ogenblik op het andere staat het gebeuren van de vorige avond me weer helder voor de geest. Ik kijk naast me. De plaats bezijden me is duidelijk beslapen, maar van Marianne geen spoor. Ik wil me oprichten, maar voel dat ik op het bed word gedrukt. Het is dan pas dat ik bovenop me een berg van beddengoed bemerk, alsof er een heuvel op me is gegroeid. Ik til voorzichtig het laken op en ontwaar Marianne die op mijn onderbenen zit met haar bovenlichaam voorovergebogen. Even weet ik niet wat te denken, maar dan merk ik dat ze mijn jongeheer in haar mond heeft! Ik schrik en verkramp, waardoor ze haar hoofd opricht en me aankijkt met een ondeugende blik. Tussen haar mond en het topje van mijn eikel spant zich een speekseldraad op.   “Je hebt toch geen bezwaar?” vraagt ze. “Je had een joekel van een ochtenderectie. Ik dacht: daar moet ik wat mee. Je moet het ijzer smeden als je heet bent!” Haar schelle lach snijdt door mijn hoofd. Een ogenblik later zie ik mijn penis weer in haar mond verdwijnen. Mijn ogen draaien weg en ik hap naar adem.   De intensiteit waarmee ik klaarkom, is zo hevig dat ik aan de zwaartekracht onttrokken lijk te worden. Even voel ik me als een engel, zwevend tussen de wolken. Maar een ogenblik later voel ik me benauwd worden. Mijn hoofdpijn, die even verdwenen was, komt terug opzetten met een ongeziene intensiteit en mijn maag krimpt in elkaar. Marianne komt vanonder het laken gekropen en nestelt zich naast me. Ze drapeert haar arm over me heen en geeft me een kus op mijn mond. Haar weeë adem doet me kokhalzen en ik keer mijn gezicht van haar af.   “Gaat het?” vraagt ze. Het lijkt of ik geen zuurstof krijg en ik voel een soort van paniek in me opkomen. Ik gooi haar arm van me af en ga wat rechter zitten. Mijn achterhoofd druk ik tegen de koude muur om me koelte te verschaffen. Ik haal herhaaldelijk diep adem, maar voel me draaierig worden. In mijn hoofd gaat een man met een hamer tekeer als een gek. Het voelt alsof mijn slapen op het punt staan uiteen te barsten. Ik gooi het laken van me af, hef mijn benen uit bed en ga op de rand zitten.   “Is alles oké met je?” vraagt Marianne bezorgd. Ik ontbeer de kracht om antwoord te geven. Even blijf ik nog zitten, maar omdat ik me met de seconde misselijker voel, sta ik op en loop wankelend naar de badkamer. Daar gekomen laat ik me neerploffen op de wc en bedek mijn ogen met mijn handen in de hoop de misselijkheid te bedwingen. Het heeft een omgekeerd effect. Op slag lijkt het alsof de wereld om me heen sneller begint te draaien, waardoor mijn maag de beweging niet kan volgen. Ik slik hevig om de gulp braaksel, die zich onweerstaanbaar door mijn slokdarm omhoog wurmt, binnen te houden. Tevergeefs. Net op tijd weet ik me over de pot te buigen. Het braaksel spuit uit mijn mond en mijn neus tot ik bijna stik.   Wanneer ik me weer opricht, loopt het zweet me van mijn voorhoofd en de tranen uit mijn ogen. De man met de hamer timmert als een bezetene, maar ik voel me opgelucht. Wat mijn lichaam niet wilde bevatten, is er uit. Ik zet me voor de wasbak en vul een beker met water. Terwijl ik een slok neem, bekijk ik mezelf in de spiegel. De ader op mijn voorhoofd tekent zich door de inspanning nog duidelijker af dan anders. Ik kan de ragfijne blauwe aders, die over mijn slapen lopen, tellen. En mijn ogen liggen diep in hun kassen.   “Boris? Is alles oké met je?” hoor ik Marianne vanuit de slaapkamer roepen. Ik bedek de ader op mijn voorhoofd met mijn haar, veeg mijn zweet af en drink de beker leeg.   Marianne heeft het beddengoed van zich afgegooid en ligt naakt op bed. Haar borsten hangen als twee met water gevulde ballonnen naast haar romp. Haar tepels wijzen elk een kant op.   “Did you throw up?” vraagt ze bezorgd. “Je ziet wit als krijt.” Ik zeg haar dat mijn maag vervelend doet omdat ik in geen tijden nog heb gegeten. Ze zet zich overeind, waardoor haar borsten meteen een hele andere vorm aannemen. “Nou, jongen, dan moeten we toch dringend ontbijten,” zegt ze. “Neem jij een douche, dan zorg ik intussen voor breakfast.” Ze staat op en gooit haar nachtjapon over haar hoofd. Ik krijg een handdoek aangereikt en begeef me naar de badkamer.   Ik laat het lauwe water overvloedig over me stromen, minutenlang. Het kikkert me op, fysiek, maar tegelijk heb ik alle kans om na te denken. Ik worstel met de gedachte aan wat gisterenavond en net nog is gebeurd. Jarenlang heb ik er van gedroomd om ooit de liefde te bedrijven. Lang heb ik gedacht dat het er nooit van zou komen. Ik wist niet hoe er aan te beginnen. Geen meisje vond me interessant. En een tergende faalangst weerhield me ervan toenadering te zoeken. Dat het uiteindelijk is gebeurd, stemt me tevreden. Maar aan de andere kant laat de gedachte dat Marianne mijn moeder zou kunnen zijn me niet los. Ook al heb ik fysiek geen afkeer van haar, toch voelt het aan alsof ik iets fout heb gedaan. Het is tegennatuurlijk! Maar goed. Straks neem ik afscheid van haar en tracht ik deze episode uit mijn herinnering te bannen. In Newcastle hoop ik niet alleen een baantje te vinden; ik hoop er ook een meisje te leren kennen dat voldoet aan mijn eisen. Ze moet jong zijn. In ieder geval niet ouder dan ik. Slank. Mooi. Liefst blond. Hoogblond mag ook. Niet te groot. Ze mag geen te forse neus hebben, want daar hou ik niet van, en kleine handen met fijne vingers en verzorgde nagels. En als het even kan: gelakte teennagels. Daar kick ik op! Met enig geluk vind ik het meisje van mijn dromen overigens vandaag al. Wie weet word ik, net als Jan Byttebier, al na enkele kilometer opgepikt door een jonge vrouw die zo welwillend is me ter plaatse te brengen. En mij maak je niet wijs dat zo’n jongedame voor niets zo’n grote omweg maakt. Ik maak me sterk dat Jan er geen gras over heeft laten groeien. Hij heeft het me niet verteld, maar ik kan me niet voorstellen dat hij en die jongedame met een gewone handdruk uit elkaar zijn gegaan. Nee nee!   Met die laatste gedachte weet ik mezelf op te peppen. Ik kan haast niet wachten om op pad te gaan. Maar eerst nog even genieten van een weldoend ontbijt, daarna mijn koffer ophalen in het hostel en dan… Het volgende ogenblik gaat er zo’n geweldige schok door me heen dat het lijkt alsof ik word geëlektrocuteerd. Ik realiseer me plots dat ik na afloop van de opera vergeten ben mijn laptop op te halen! Hoe fucking dom kun je zijn?!? Ik draai de kraan dicht en gooi de deur van de douchecabine met zo’n geweld open dat ze met een knal tegen de wand aanbotst. Het lijkt alsof er een bom ontploft. Ik hol de slaapkamer in en begin als een gek met allerhande kledingstukken te goochelen. Zonder me af te drogen probeer ik ze aan te trekken, wat uiteraard niet lukt! Een ogenblik later komt Marianne de slaapkamer binnen.   “What’s going on?” vraagt ze. “What bug has bitten you?   “Mijn laptop! Ik ben mijn laptop vergeten in dat opera-dinges!” roep ik uit. Ze reageert onthutsend kalm. “Ach, wat stom,” zegt ze. Terwijl ik dans op één been, omdat ik er maar niet in slaag mijn broek over mijn natte voet te trekken, bekijk ik haar vernietigend. “Is dat alles wat je kunt zeggen?” bijt ik haar toe.   “Boris, wees rustig,” zegt ze. “Je hoeft je niet zo druk te maken! Je laptop zit veilig in een locker.”   “Wie zegt dat hij daar veilig zit?”   “Natuurlijk is ie veilig! Waar dient zo’n locker anders voor? Droog je nou eerst even af en kleed je dan verder aan. Ik zorg voor ontbijt. En straks halen we samen je laptop op. Ik loop wel met je mee.”   “Echt?”   “Tuurlijk! Het is zondag. Ik heb niks anders te doen.” Ze loopt weer de woonkamer in. Een paar minuten later vult het aroma van koffie de flat. Ik voel me nog niet kiplekker, maar de geur van een bakje troost wakkert mijn hongergevoel aan.   Marianne heeft haar best gedaan om het gezellig te maken in de woonkamer die tevens dienst doet als eetkamer. Er staan twee flakkerende waxinelichtjes op de tafel, en uit de boxen sijpelt een rustig melodietje. Maar het overvloedige daglicht heeft een negatieve invloed op de sfeer. Ze wijst me aan op welke stoel ik mag plaatsnemen. Er staat een dampende kop koffie voor me klaar, maar van een rijkelijk buffet is geen spoor. Geen mandje met brood. Geen plakken kaas of vlees. Geen smeltkaas. Geen eitje. Geen confituur. Geen hagelslag... niets! Het enige wat op tafel staat is een glazen pot die een donkerbruine substantie bevat.   “Toast?” vraagt ze. Ik kijk verbaasd toe hoe ze uit de vrieskast een zak brood opdiept en twee diepgevroren sneden in een toaster propt. Een paar minuten later krijg ik een boterham op mijn bord die zo hard geroosterd is dat hij op een broodplankje lijkt.   “Is dat choco?” vraag ik, op de glazen pot wijzend.   “No, it’s vegemite,” zegt ze. Ik neem de pot op, schroef de dop los en gooi een blik op de inhoud. De donkerbruine, bijna zwarte substantie doet denken aan de vulling van pruimenvlaai. Ziet er lekker uit, maar het ruikt heel anders dan ik had verwacht. Ik doop mijn mes in het spul en smeer een laagje uit over mijn toast. Marianne doet hetzelfde.   “Eet smakelijk,” zegt ze, waarna ze met een krakend geluid een stuk van haar toast bijt. Ik neem zelf ook een hap. Ik verwacht mij aan een zoete lekkernij, maar dat valt lelijk tegen. De smaak van de bruine substantie houdt het midden tussen zout, bitter en kruidig, nog het best te vergelijken met de smaak van een blokje vleesbouillon. Ik slaag er niet in mijn weerzin te verbergen.   “Vind je ’t niet lekker?” vraagt Marianne. Ik antwoord niet en kauw als een gek, maar krijg de hap niet doorgeslikt. Ik denk dat een stuk autoband me beter zou smaken. Gelukkig is er koffie om de weerzinwekkende brij, die zich in mijn mond vormt, door te spoelen.   Na het ontbijt gaat Marianne onder de douche. Ik blijf in de woonkamer op haar wachten. Terwijl ze luidkeels “Hopelessly devoted to you” ten gehore brengt, maak ik van de gelegenheid gebruik om wat rond te snuffelen. Ze lijkt van spulletjes te houden waar ik de schoonheid niet meteen van inzie. Een beetje kitscherige rommel allemaal. Blinkende keramieken beeldjes en zo. Haar flat lijkt wel een souvenirwinkel. Ook het uitzicht dat via het raam wordt geboden, is weinig opmonterend. Je ziet niks van de stad. Recht tegenover bevindt zich een immens flatgebouw dat het uitzicht belemmerd. Pas wanneer ik mijn slaap tegen het raam druk en helemaal naar rechts kijk, zie ik heel in de verte een stukje van de baai en een deel van de Sydney Harbour Bridge, de grote ijzeren brug die de baai overspant. Ik vind het een claustrofobische flat, waarin ik nooit zou kunnen wonen.   Een uurtje later gaan we op pad. We lopen over straat als een tweekoppig monster. Marianne hangt aan mijn arm alsof ze mijn biceps wil verlengen. Op klaarlichte dag en nuchter als een kalf vind ik het helemaal niet leuk dat ze aan me plakt als waren we een verliefd stel. Het ontgaat me trouwens niet dat heel wat mensen naar ons kijken met een bedenkelijke blik. Anderzijds ben ik haar dankbaar dat ze me wil vergezellen. Ik moet toegeven dat ik me een beetje verloren voel in deze grote stad. Ik kom zelf uit een onooglijk provincienest waar de bakker iedere inwoner bij naam kent. Hier kijken de mensen dwars door je heen. Ik ben blij dat iemand me bij het handje neemt.   Op weg naar het concertgebouw herken ik de straat waarin zich het hostel bevindt waar ik mijn koffer heb achtergelaten! Ik meld het aan Marianne, die me meteen de straat in sleurt. Samen wurmen we ons doorheen de toegangsdeur van het hostel. Marianne lijkt mijn arm maar niet los te willen laten. Pas bij de balie kan ik me uit haar omklemming bevrijden. Uit een belendend bureau daagt een meisje op. “Can I help you?” vraagt ze. Ik voel mijn adem stokken. Mijn god, wat is deze jonge deerne bloedstollend mooi! Ze is niet groot, maar de grondstoffen waaruit ze is opgetrokken zijn van superieure kwaliteit! Ze heeft hoogrood krullend haar en een gezicht dat bezaaid staat met sproetjes. Haar neus lijkt wel een poppenneusje: klein, uitlopend in een schattig puntje, welgevormde vleugeltjes en een kaarsrechte brug. Haar lippen zijn dun, maar o zo sensueel. Haar ogen, waar haar fijne wenkbrauwen in een boogje overheen lopen, zijn helderblauw en glinsteren als sterretjes. Bovendien draagt ze een weinig verhullend mouwloos zomerjurkje wat haar slanke figuurtje perfect accentueert en waarin haar kleine, stevige borstjes haarfijn staan afgetekend. Rond haar beide slanke polsen draagt ze een brede metalen armband waarrond ze een schier eindeloze veter heeft gewikkeld. Ik ben zo onder de indruk van haar verschijning dat ik nauwelijks een woord gezegd krijg. Ik vorm aarzelend en hakkelend een zin waarin de woorden bagage, gisteren en ophalen voorkomen, maar waar verder geen jota uit te begrijpen valt. Gelukkig schiet Marianne me ter hulp. De conversatie die volgt, gaat volledig aan me voorbij omdat ik helemaal in beslag word genomen door de aanblik van het meisje. Pas wanneer Marianne zich expliciet tot mij richt, kom ik weer tot mezelf.   “Ben je zeker dat dit het hostel is waar je je bagage hebt achtergelaten?” vraagt ze.   “Hè, wat? Ja, natuurlijk!” Ik kijk voor de zekerheid nog eens rond, maar ben zeker dat ik het interieur herken. Ik knik bevestigend.   “En heeft deze jongedame jou geholpen?”   “Hè? Nee. Het was een vent. Waarom?”   “Omdat de young lady beweert dat er geen onbeheerde bagage is achtergebleven.” Ik voel een koude rilling over mijn rug lopen, alsof iemand een ijsblokje in mijn kraag heeft laten vallen. Ik weet even niet wat te zeggen, maar dan zie ik in het bureau achter de lobby de man zitten aan wie ik mijn bagage een dag eerder heb toevertrouwd.   “Dat is ‘em!” wijs ik. Het meisje kijkt om en roept de man erbij. Marianne doet het hele verhaal nog eens over. Ik wacht geduldig, hoopvol, maar nadat de man me aandachtig heeft bekeken, schudt hij vastberaden het hoofd en zegt: “Sorry, but I never laid eyes on this guy before.” Marianne kijkt me verward aan. “Ben je zeker dat het hier was?” vraagt ze nog eens. “Deze man beweert dat hij jou nooit eerder heeft gezien.”   “Wat? Hij liegt!” roep ik uit. “Ik heb hem dertig dollar betaald!”   “Heb je een receipt?” vraagt ze.   “Een wat?”   “Een reçu. Een bewijs dat je betaald hebt?”   “Nee,” doe ik aarzelend.   “Nou, dat is dan niet erg pienter van je,” zegt ze. “Als je wat betaalt, moet je altijd om een reçu vragen, anders heb je geen poot om op te staan.”   “Maar… ik héb hem die dertig dollar gegeven! Echt!”   “Dat kan best, lieve Boris, maar als je daar geen bewijs van hebt, is het jouw woord tegen het zijne,” besluit ze. Het is alsof de hemel op mijn hoofd valt. Ik voel een paniekaanval opkomen, maar Marianne sust me door haar hand op mijn arm te leggen. Het is alsof ze bovennatuurlijke krachten bezit. De plek waar ze me aanraakt lijkt warm te worden.   “Wees nou maar rustig,” zegt ze. Ik wil nog even protesteren, maar ze legt haar vingers op mijn mond om me het zwijgen op te leggen.   “Ik geloof nooit dat er opzet in het spel is,” vervolgt ze. “Volgens mij berust alles op een misverstand. Laat ons de dingen even aankijken. Ik maak me sterk dat jouw koffer over enkele dagen vanzelf weer boven water komt.”   “Maar… dan heb ik geen reserve kleren!” is het enige wat ik kan aanvoeren. Ze bekijkt me van onder tot boven. “Hoe groot ben je?” vraagt ze.   “Een meter drieënnegentig.”   “Nou, dan heb je geluk. Ik heb nog kleren liggen van dad. Hij was ook flink de hoogte ingeschoten…” Ik sla bleek uit. Meent ze dat? Wil ze dat ik me in afgedragen lompen van haar overleden vader ga hullen? Ze drukt me op het hart dat haar vader jong was van geest; dat hij ‘hippe’ kleren droeg. Dat wil ik best aannemen. Niet alle ouders zijn zo ouwerwets als de mijne. Mijn vader loopt dagelijks gekleed in een das en een pantalon waar een keurige vouw inzit. Misschien liep haar vader wat hipper gekleed. Maar kleren die vijfentwintig jaar geleden hip waren, zijn dat nu niet meer… Ik besef echter dat ik geen keuze heb.   Voor we de deur uitgaan, wendt Marianne zich nog even tot het meisje achter de balie. Ze lijkt iets te dicteren waar het meisje een notitie van maakt. Daarna neemt ze me bij de arm en leidt me als een blinde naar buiten. Voor ik de deur uitga, kijk ik nog één keer om. Het meisje glimlacht vertederend naar me. Ik vraag me af of ze gelakte teennagels heeft.   Buitengekomen vraag ik aan Marianne wat ze nog heeft gezegd. Ze antwoordt dat ze haar telefoonnummer heeft gegeven, zodat ze haar een seintje kunnen laten zodra mijn koffer wordt gevonden. Daarna gaan we op pad.   Het plein voor het operagebouw baadt in een verblindend zonlicht. Het is er warm, maar draaglijk omdat een briesje uit de baai het land inwaait. Samen bestijgen we de trappen van het majestueuze Opera House. Marianne loopt voorop met een soort van soldatenpas. Haar hielen hakken in op de treden en haar armen zwieren beurtelings voorwaarts en achterwaarts. Ze toont zich vastberaden. Vind ik goed, want zelf voel ik me hulpeloos. Ik ben net een welpje dat slaafs achter zijn Akela aanhuppelt.   In de grote inkomhal wurmen we ons doorheen het talrijk opgekomen publiek dat de namiddagvoorstelling komt bijwonen. Marianne mag dan wel beweren dat Australiërs niet zo vasthouden aan tradities, toch lijken de vestimentaire regels onder het opera-minnende publiek hier net zo goed te gelden als bij ons. Met mijn sjofel plunje lijk ik net als gisteren een wesp in een bijenkorf.   Achter de balie treffen we een man die gekleed gaat in een net pak, maar verder meer op een vogelverschrikker lijkt dan op een heer van standing. Hij draagt een baard die op zijn kin een stuk langer is dan op zijn wangen, en heeft zijn lange haren bovenop zijn kruin in een strak dotje geknoopt. Marianne doet de uitleg. Van een gebrek aan ondernemingslust kan ik haar niet betichten. Na het aanhoren van het relaas richt de man zich tot mij.   “You carry your ticket, son?” vraagt hij. Ik kijk vragend naar Marianne. Een ticket? Waar heeft hij het over? Ze herinnert me eraan dat ik in ruil voor mijn computer een plastic kaartje kreeg waarop het nummer van de locker stond. Ik begin als een gek mijn zakken af te tasten. Dat blijken er plots bij benadering vierhonderd te zijn. Ik tref het bewuste ding uiteindelijk aan diep weggemoffeld in mijn achterzak en overhandig het aan de man. Nadat die er zich mee naar een achterliggende ruimte heeft begeven, komt Marianne pal voor me staan. Ze kijkt me moederlijk aan en strijkt met haar hand de haren van mijn voorhoofd, net zoals moeder altijd doet. Ik trek mijn hoofd geërgerd weg en leg de lok meteen weer op zijn plaats.   “Waarom doe je dat nou?” vraagt ze. “Met je haren zo kinderlijk vooruit gekamd, lijk je wel een jongentje van twaalf! Laat nou eens zien dat je een man bent.” Ze wil voor de tweede keer mijn voorhoofd ontbloten. Deze keer weer ik het gebaar af door een stap achteruit te zetten. Ze kijkt me aan met een blik die het midden houdt tussen medelijden en afkeuring.   Wanneer de man met de dot weer op ons toe komt lopen, voel ik me lam worden in mijn benen. Hij heeft geen laptop bij zich en kijkt bedrukt. Hij zegt iets wat mijn hersenen weigeren te begrijpen. Gelukkig is Marianne er weer.   “Hij beweert dat er geen laptop in de locker met dit nummer zit,” vertaalt ze. “Ben je zeker dat je het juiste ticket hebt gegeven?” Ik bekijk haar vol ongeloof. Wat denkt ze? Dat ik een hele verzameling van die dingen heb? Natuurlijk heb ik het juiste ticket gegeven! Ik heb er maar één! Marianne wendt zich weer tot de man. Er volgt een discussie die eindigt met een duidelijk “Sorry, I can’t help you!” Meteen na die woorden wendt de vogelverschrikker zich tot een heer die dringend zijn jas kwijt wil. Marianne kijkt me bezorgd aan. “Heb je begrepen wat ie zei,” vraagt ze.   “Ja, ik heb het begrepen,” bijt ik haar toe. “Godverdomme! Door jouw toedoen heb ik nu niks meer!”   “Door mij?” vraagt ze hogelijk verbaasd.   “Ja, door jou! Als jij me niet had meegevraagd naar die stomme klote-opera, dan was ik gewoon in het hostel gaan slapen en had ik nu mijn koffer en laptop nog gehad!” Mijn stem klinkt luider dan verwacht. Zowat alle aanwezigen richten hun blik op mij en kijken me afkeurend aan. Marianne legt opnieuw haar hand sussend op mijn arm, maar deze keer sla ik ze van me af en loop het gebouw uit.   Met drie treden tegelijk storm ik de trappen af. Ik wil vluchten. Weg van het onheil! Weg van Marianne! Weg uit Sydney! Maar eens beneden weet ik niet meer waar naartoe, als een opstandige puber, die het huis uitvlucht in de overtuiging er nooit meer terug te keren, maar op het eind van de straat al spijt heeft van zijn beslissing omdat hij geen kant uit kan. Ten einde raad zak ik neer op de onderste trede en laat mijn hoofd diep tussen mijn knieën hangen. Wat aanstellerij lijkt me op zijn plaats. Als ik dan niet kan vluchten, dan maar tonen dat ik kapot ben van ellende. Niks overdreven.   Ik blijf een hele tijd voorover geheld hangen. Minutenlang. Het bloed pompt als gek door mijn slapen, maar van Marianne geen spoor. Godverdomme, waar blijft ze nu? Waarom is ze niet gewoon achter me aan gehold? Wat voor zin heeft het me aan te stellen als niemand aandacht aan me schenkt?   Net wanneer ik denk dat mijn hoofd uit elkaar gaat spatten, hoor ik haar hakken achter me klinken. Ze komt de trappen afgedaald en houdt halt naast me.   “Boris?” zegt ze. Ik richt mijn bloedrode hoofd op. “Waar bleef je zo lang?” bijt ik haar toe.   “Ik ben even naar de wc gegaan,” antwoordt ze. “Mag het?” Haar antwoord doet mijn bloed kolken. Ik ben alles kwijt, als een markies die door een struikrover in zijn blootje is gezet, en het enige waar zij aan kan denken is pissen! Ze zet zich naast me neer en legt haar arm troostend over mijn schouders.   “Boris, wees rustig,” zegt ze. “Je hoeft echt niet zo vervelend tegen me te doen. Dat heeft geen enkele zin. Ik geef toe dat je een ongelofelijke pech hebt. Alles lijkt mis te lopen, maar daar kan ik niks aan doen. Trouwens, ik weet zeker dat het allemaal goed komt. Voor alles is een verklaring, alleen kennen we ze op dit moment nog niet. Iemand heeft wellicht ter goeder trouw die laptop meegenomen en hem in veiligheid gebracht. En die bagage krijg je ook vast terug.”   “Dat kan allemaal best zijn, maar hoe kan ik nu doorreizen naar Newcastle als ik geen bagage en geen laptop heb?” voer ik aan.   “Waarom wil je doorreizen naar Newcastle?” vraagt ze.   “Omdat Sydney onbetaalbaar is. Dertig dollar voor één nacht, weet je hoeveel dat is?”   “Da’s een hoop geld,” geeft ze toe, “maar je kunt zolang toch bij mij logeren.” Ik kijk haar in de ogen om te peilen of ze meent wat ze zegt.   “Kijk eens, Boris,” gaat ze verder. “Ik ben alleen. Ik heb niemand om rekening mee te houden. Voor een bordje meer op tafel kan ik makkelijk zorgen. Het is overigens een stuk leuker met z’n tweeën dan alleen. Wat mij betreft mag je dus blijven zo lang je wilt.”   “Maar ik kan toch niet op jouw kosten leven,” werp ik op.   “No, you can’t,” zegt ze onomwonden. “You have to earn a crust for yourself, dat spreekt voor zich. Ik kan niet de hele tijd alles voor je zitten betalen. Maar je kunt wel gratis bij me inwonen. Nou, wat denk je?” Ik twijfel even, maar zie geen andere oplossing. Alles bij elkaar is het voorstel dat ze me doet een godsgeschenk. Ik zou wel gek zijn om het af te wimpelen.   “Oké dan,” zeg ik.   “That’s the spirit!” doet ze verheugd. Ze staat op, steekt een arm onder mijn oksel en trekt me overeind.   “En dan is het nu de hoogste tijd om een glas te drinken. Ik weet een leuke bar hier om de hoek. Heb je zin? Ik betaal!” Hoewel mijn maag nog steeds een beetje scheef in mijn lijf zit, durf ik niet te weigeren. Ze klapt in haar handen als een kind dat een ijsje is belooft en haakt haar arm in de mijne. Als een Siamese tweeling vervolgen we onze weg.   foto: ©photosuus

Lou Van Lier
47 0