Lezen

Schrijversacademie beloftevol van start OF Schrijversacademie beloftevol uit de startblokken

Schrijversacademie beloftevol van start OF Schrijversacademie beloftevol uit de startblokken   (Artikel VERZIN)   Door Karolien Selhorst   De Schrijversacademie biedt veelbelovend schrijftalent de kans om gedurende twee jaar onder begeleiding van professionals te werken aan een literair project. In september ging een nieuwe ploeg aspirant-schrijvers aan de slag. Verzin ging met een aantal onder hen praten over hun dromen en ambities.   Goedele Ghijsen is een 41-jarige leerkracht Nederlands met een passie voor kinderverhalen. Schrijven is een constante in haar leven. “In de lagere school zat ik in de redactie van een zelfgemaakt schoolkrantje en als tiener ontdekte ik de wereld van de poëzie. Toen ik het moeilijk had op het werk bracht schrijven weer rust in mijn leven.” Na enkele korte opleidingen via Wisper begon ze vier jaar geleden aan de opleiding Literaire Creatie bij Kaat Vranken op de Academie Muziek en Woord te Genk. “Daar leerde ik vooral dat schrijven een ambacht is. Een goed verhaal bouw je langzaam op en polijst je door het vaak te herschrijven.“ Nu wil ze haar eigen literaire project realiseren. “Als eindwerk voor de opleiding Literaire Creatie schreef ik zeven verhalen voor eerste lezers en Kleurloos – Verbannen, een interactief verhaal voor lezers vanaf tien jaar over twee jongeren die opgroeien in een samenleving zonder individuele expressie. Hierbij hoort een koesterdoos met aansluitende opdrachten voor de lezer om zelf aan de slag te gaan. De komende jaren wil ik dit verhaal bijschaven en verder werken aan het vervolg. Ik vind het belangrijk dat het verhaal dat in mijn hoofd ontkiemt bij de lezer terechtkomt. Daarom wil ik het zo goed mogelijk uitwerken.” Aan de Schrijversacademie hoopt ze vooral verder te groeien als schrijfster. “Een goed verhaal schrijven volstaat niet voor mij. Ik wil graag verhalen met een ‘kloppend hart’ schrijven.”   Deelneemster Moya De Feyter is 22 en pas afgestudeerd in de Theater- en Filmwetenschap.  Dit voorjaar won ze de finale van de TXT-on-stagewedstrijd Frappant TXT, wat haar haar een deelname opleverde aan de finale van het Belgische Kampioenschap Poetry Slam in oktober. Met de Schrijversacademie wil ze een andere ambitie verwezenlijken, namelijk het schrijven van een roman. “Ik schrijf al lang en ik treed ook sinds een paar jaar regelmatig op, maar ik heb nog nooit een verhaal van meer dan twintig bladzijden geschreven. Het basisjaar Literair Schrijven heb ik bewust niet gevolgd, omdat ik op zoek was naar begeleiding voor mijn roman en niet naar een basiscursus schrijven. Eerlijk gezegd denk ik dat schrijven iets is wat je maar in heel beperkte mate kunt leren. Ik hoop de komende jaren vooral verhaaltechnische en romangerichte vaardigheden aan te leren en hier en daar individueel begeleid te worden. Ik heb vooral nood aan iemand die over mijn schouder meekijkt, een tweede ‘hoofd’ dat mijn personages leert kennen en me terechtwijst wanneer het boek in ‘ijdeltuiterij’ verzandt. Ik hoop wel dat de kritiek me niet zal verlammen, want mijn schrijven was tot op heden een eenzame en ietwat sacrale bezigheid. Het beangstigt me wel een beetje om dat nu met de buitenwereld te delen. Toch denk ik dat het leerproces me zal verrijken en dat het het boek, waarvan ik hoop dat het ooit gelezen zal worden, beter zal maken.   Jelle Dehaes (37) is deeltijds leraar zedenleer en filosofie in het secundair en is naast schrijven gepassioneerd bezig met muziek en interieurvormgeving. In tegenstelling tot de anderen heeft hij niet altijd even veel geschreven. Meer nog: hij moet ook niet echt schrijven. Toch kroop hij al op jonge leeftijd geregeld in de pen mét succes: ‘Toen ik op de lagere school zat won ik enkele wedstrijden en droomde ik over het schrijven van een boek. Het is pas tijdens mijn opleiding filosofie dat ik de smaak weer te pakken kreeg.” Diezelfde liefde voor filosofie heeft hem ook geïnspireerd voor zijn schrijfproject. “Ik wil een maatschappelijk relevante literaire thriller schrijven waarin de filosofie niet onbelangrijk is. Een seriemoordenaar moordt ideologisch en laat filosofische sporen na. Denk wat het plot betreft aan films als 'Se7en' en 'The life of David Gale'.” Van de Schrijversacademie verwacht hij vooral begeleiding bij het verder verfijnen van zijn ideeën. Daarnaast is hij nieuwsgierig naar hoe de verhalen van de andere collega’s zullen evolueren. Het Basisjaar Literair Schrijven dat hij volgde als voorbereiding op de Academie vond hij erg nuttig: “Je werkt tegen deadlines, je krijgt voortdurend feedback en je wordt helemaal ondergedompeld in het literaire bestaan met gelijkgestemden.”   Levensgenieter, zanger, gitarist en vader van twee, Nick Sabbe (39) heeft een heel andere ambitie, namelijk het schrijven van een bundel erotische kortverhalen. “Het liefste doe ik dat in uiteenlopende stijlen en ‘diepgang’. Ik heb op dit moment twee verschillende concepten in mijn hoofd om een link te maken tussen de verhalen zodat ze een vlot leesbaar geheel vormen enerzijds, maar dat je ze anderzijds ook apart kunt lezen. Het hangt er vooral van af waar de inspiratie me brengt. Schrijven over seks vraagt een wulpse muze, die zich maar lastig laat sturen.“ Of hij voorbeelden heeft? “Ik heb nog maar weinig erotische literatuur gelezen die me blijvend kon boeien. Of het zou ‘Histoire d’O’ moeten zijn, hoewel ik het einde van de film beter vond.” Het Basisjaar Literair Schrijven was voor hem vooral een confronterende ervaring. “Het feit dat de medecursisten vonden dat ik vlot schrijf deed me even zweven, maar de kritiek achteraf was ontnuchterend. Toch heb ik er veel uit geleerd.” Net als de anderen kijkt hij bijzonder uit naar de persoonlijke begeleiding van de docenten van de Academie of zoals hij het zelf verwoordt: “Een ervaren schrijver die over je schouder meekijkt en je tot grotere hoogte stuwt, tot het punt dat hij niet meer over die schouder kan zien.”   Rita Depestel, ten slotte, vertrok in de jaren zeventig – in volle koude oorlog – naar Polen om er Nederlands te doceren aan de universiteit van Wrocław. Het idee voor haar toekomstige boek ontstond toen ze een brief kreeg van haar oncle Marcel uit Frankrijk waarin hij haar vroeg om vlakbij Wroclaw de Duitse familie op te zoeken waar hij tijdens de oorlog ingekwartierd was als krijgsgevangene. “Mijn zoektocht was interessant maar liep op niets uit, omdat de streek na de oorlog was aangehecht bij Polen. De Duitse inwoners werden verdreven en vervangen door Polen waaronder de ouders van mijn Poolse echtgenoot. Het is op dit punt dat onze familiegeschiedenissen elkaar kruisen. Tijdens zijn legertijd in Frankrijk en zijn krijgsgevangenschap in Duitsland schreef mijn oncle Marcel iedere dag een brief naar zijn vrouw, mijn oudtante Clara. Die honderden brieven vond ik enkele jaren geleden terug op de zolder van de boerderij in Picardië waar ze gewoond hadden. Ik besloot alle brieven over te typen op de computer en zo rijpte het idee om het verhaal te schrijven van de twee gewone families die door de oorlog uit hun gewone doen gerukt worden en de hele tijd verlangen naar het gewone. Dat verhaal vormt tegelijkertijd het verhaal van Europa, een verhaal van migratie en oorlogen waarin alles samenkomt in die twee families en in mijn eigen leven. Ondertussen schrijf ik zo’n tien uur per week. Van de cursus verwacht ik vooral veel van het gezamenlijk zoeken naar een uitgever en kijk ik uit naar tips en ondersteuning bij het structureren van de tekst en het verduidelijken van de inhoud voor mensen die het relaas niet hebben meegemaakt. Dat vind ik nog altijd het moeilijkste. “

karosel
0 0

Vijftigste bedrijf in Gent verdiept zich in de energiefactuur met hulp van de energiecoach

  Ontdek in een interview met Barbara Govaert (Dienst Milieu en Klimaat – Stad Gent) waarom ze jouw bedrijf ook wil begeleiden. Barbara is de projectleider van “Energiecoaching op maat van uw bedrijf”. Het is een van de projecten die van Gent een klimaatstad maken. Barbara, wat kan een bedrijf zich voorstellen bij een energiecoaching traject? Voor een bedrijf voelt de start vaak aan alsof ze een sprong in het diepe wagen. Na een inleidend gesprek doorspit de energiecoach de bedrijfssite en verdiept hij zich in de belangrijkste energieverbruikers. Na het bezoek giet de energiecoach zijn vaststellingen in een energieactieplan. Twee maanden later keer ik met de energiecoach terug om het plan voor te stellen. Ik voel dat het vertrouwen van het bedrijf toeneemt en het enthousiasme borrelt om aan de slag te gaan. De bedrijfsleider verfijnt het plan op basis van de financiële cijfers. De tien maanden die daarop volgen voert het bedrijf het plan uit met de hulp van de energiecoach. Zo helpt de energiecoach bijvoorbeeld bestekken opmaken en offertes vergelijken. Ook kan de energiecoach acties meer in de diepte uitspitten. Dit spitwerk blijkt vooral nuttig voor acties die niet voor de hand liggen. Sowieso verwacht ik van de energiecoach dat die de vinger aan de pols houdt gedurende de tien maanden. Op het einde van het traject, dat dus een jaar duurt, ga ik nog eens langs samen met de energiecoach. Dan blikken we samen met het bedrijf terug op de realisaties en kijken we ook vooruit. Korter kan ik het jaartraject niet voorstellen. Ik besluit dat als je echt doortastend aan energiebeheer wilt doen, je een sprong in het diepe moet wagen. Het bedrijf waardeert de energiecoach omdat deze veel zorgen wegneemt. Emmanuel Hernandez, werkzaam bij Oiltanking Ghent nv getuigde over onze aanpak: “We vinden het een goed initiatief dat bedrijven op deze manier gestimuleerd worden om actief op zoek te gaan naar energie-optimalisatie. De ondersteuning van een specialist/consultant is noodzakelijk om een onafhankelijk beeld te krijgen van de effectiviteit en rendabiliteit van de maatregelen. Op deze manier kunnen de juiste prioriteiten gelegd worden.”   Interessante aanpak, maar welk type maatregelen staan in een energieplan? Diep in de ondergrond boren zoals in de Kempen niet, maar ons beperken tot de organisatie van een dikke truiendag ook niet. Welke acties dan wel? De zon gebruiken (daglicht binnenhalen en groene energie opwekken), De verwarming en koeling anders regelen, Isoleren van leidingen en pompen Om ook de techneut te verleiden, kan ik niet anders dan enkele moeilijke termen op te werpen: destratificatoren, ultrasone persluchtlekdetectie, thermografisch onderzoek, relighting, frequntiesturing en energiemonitoring.   Hoeveel betaalt het bedrijf? Diep in de zakken tasten is niet nodig. Stad Gent betaalt 90% van het energiecoaching traject. Het bedrijf moet volgens mij niet denken aan die 10% (maximum 700 euro), maar wel aan de duizenden euro’s die het jaarlijks zal besparen door in te schrijven. De eerste vijftien Gentse bedrijven bespaarden tot 20% energie, goed voor een totaal financieel voordeel van 360.000 euro. Els Kindt, werkzaam bij Milliken Europe kwam ook tot deze conclusie: “De energie-audits zijn diepgaand en brachten heel wat interessante opportuniteiten aan het licht. Zaken waar we vroeger niet stil bij stonden of die bij andere audits over het hoofd werden gezien. Er zijn meerdere quick wins gedetecteerd die we zeker gaan doorvoeren. Heel eenvoudige zaken die ons samen toch tot vele (tien)duizenden euro’s per jaar kunnen besparen.” Dat lijkt me een koopje. Welk type bedrijven begeleidt stad Gent reeds? De teller staat nu op 50 bedrijven actief op Gents grondgebied in heel uiteenlopende sectoren zoals opslag en overslag, bouw, banken, drukkerij, vleeshandel, apotheken, culturele sector, staalindustrie, recreatie of tertiaire sector (kantoren). De Handelsbeurs, ICC Ghent, Bond Moyson, Stadium sportcentrum, Confederatie Bouw Oost-Vlaanderen,  VDK Spaarbank, Inter-Beton, Lidl Belgium, DFDS Logistics, Bayer Cropscience, Citroën Belux en Durabrik zijn enkele bekende namen. Is er nog plaats en komt elk bedrijf in aanmerking? Ja, ik wil nog een zestigtal bedrijven overtuigen om in te stappen. Nu begeleiden we vooral grotere verbruikers vanaf 100.000kWh elektriciteit, maar in dit najaar hebben we een vergelijkbaar aanbod voor elk bedrijf in Gent. Wens je ook deel te nemen? Bel me op het nr. 09/2682382 of stuur een bericht naar barbara.govaert@stad.gent. Wil je graag meer getuigenissen lezen? Klik dan hier. Als ik nog een tip mag geven om af te sluiten: wacht niet tot er een sissend geluid uit de buizen komt of tot de ketel uitvalt om een afspraak te maken                                                

Barbara Govaert
0 0

Cursus “Schrijven voor Lezers”

Waar ben ik aan begonnen?  Ik ben altijd al heel leergierig geweest en heb al heel wat cursussen gevolgd maar een schrijfcursus volgen is nooit bij mij opgekomen.  Waarom volg ik dan deze cursus en ben ik mijn hersenen aan het pijnigen om inspiratie te vinden om teksten te schrijven ?  Wel eigenlijk is dat de schuld van mijn baas.  Neen, eigenlijk is het niet zijn schuld maar wel die van onze flamboyante zuiderburen.  Ik neem aan dat er nu wel wat vragen zullen rijzen.  Wat hebben onze zuiderburen nu met mijn schrijfstijl te maken? Ik werk al heel wat jaren als personal assistant voor de CEO van Arcadis.  Arcadis is een studiebureau dat de voorbije jaren wereldwijd een enorme groei gekend heeft en ondertussen al een 30.000-tal mensen tewerkstelt.   Het bedrijf groeide, de strategie werd bijgestuurd en ook de verantwoordelijken van mijn directeur wijzigden.  Hij is nu niet enkel CEO meer van België maar ook van Frankrijk, Italië en Spanje.  Hij is een drukbezet man, reist veel en ik tracht hem dan ook te helpen waar ik kan, zo ook in het voorbereiden en beantwoorden van zijn e-mails.  Waarom volg ik nu deze cursus?  Wel, ik heb nogal een “straight to the point” karakter en dat vertaalt zich natuurlijk ook in mijn schrijfstijl.  “Less is more” en “time is money”.  Dus waarom lange epistels schrijven als het ook in enkele krachtige zinnen kan.  Dit was prima voor onze nuchtere Vlamingen maar nu ik ook veelvuldig mails naar onze zuiderburen moet sturen blijkt dit toch een probleem te zijn.   Zij schrokken blijkbaar wel  van de korte antwoorden van hun “CEO” op de mail die zij hem gestuurd hadden.  Ze hebben een heel andere schrijfstijl dan ik gewoon ben.  Maar ja, ik hou nu eenmaal van het internationale karakter van ons bedrijf en daaruit volgt dan ook dat we moeten omgaan met de diverse culturen en gebruiken.  Tijdens mijn laatste functioneringsgesprek suggereerde mijn baas dan ook om eens een cursus “verhalend schijven” te volgen.  Ik meldde hem dat ik het zeker zou overwegen maar  ik moet eerlijk toegeven dat deze cursus wel een beetje buiten mijn comfortzone is want ik ben niet echt een boekenwurm.  In mijn vrije tijd hou ik mij vooral actief en creatief bezig.  Boeken lees ik in de vakantie aan het zwembad of op het strand onder een parasol.  Maar wie weet gaat er nu een heel nieuwe wereld voor mij open.   Ik ben echt benieuwd naar de inhoud van deze cursus en misschien heb ik wel een verborgen schrijverstalent.  Wie weet ?  Aan jullie om dit na mijn drie cursusdagen te beoordelen.

Ingrid Van der Aa
0 0

Coke-cooning

Aan het geluid te horen, zat de stemming er al aardig in toen ik met mijn vrouw de woonkamer binnentrad. Een zeer ruime kamer waarvan het salongedeelte goed bevolkt was. ‘Aha, daar zijn jullie’, riep mijn collega van de universiteit terwijl hij naar ons toekwam. Hij draaide zich om en riep de anderen: ‘Mag ik jullie voorstellen, mijn collega, een fysicus met zijn echtgenote.’ Handen werden geschud en iedereen stelde zichzelf voor, de meesten ook met zijn of haar beroep. We kregen een plaats aangewezen op een grote hoekzitbank. ‘Wat mag het zijn?’, vroeg mijn collega met een drinkbeweging. ‘Voor mij een gin-tonic, graag’, antwoordde mijn vrouw, waarna ik een whisky zonder ijs vroeg. Hij bediende ons snel met de drankjes. Ik proefde van mijn glas. Een milde whisky met een fruitige smaak. Ik vermoedde een twaalf jaar oude Glenfiddish of iets in dat genre. Pas later zag ik de bevestiging van mijn vermoeden aan een typische Glenlivetfles die op de bar stond. Ik zat er wat onwennig bij, terwijl mijn vrouw al gauw een gesprek had aangeknoopt met haar buurvrouw. Het was voor mij een onverwachte uitnodiging van een collega, die mij uit mijn ivoren toren wilde losweken en meer onder de mensen van diverse pluimage laten komen. Ik bestudeerde het gezelschap. Het zag er op het eerste gezicht een gezellige bende uit, tamelijk sportief gekleed en lichamelijk van uiteenlopende grootte en breedte. Er waren zeven mannen, veertigers en vijftigers, schatte ik, en zeven vrouwen van wie de leeftijd wel iets meer was gespreid. Met de diverse beroepen leek het gezelschap op een mini serviceclub. De gesprekken liepen door elkaar. Ik hoorde naast mij vragen: ‘Hoe heb je dit huis gevonden?’ ‘Ik ken dit huis en zijn eigenaar al lang. De verkoop van dit pand is ooit in mijn studie gepasseerd. Je kan dit hier huren voor een dag, een week, een maand, zo kort of zo lang je maar wil’, antwoordde de notaris met een zekere air. Ik kon de bankfiliaalhouder, drie plaatsen verder, horen vertellen dat het nettoresultaat van Inbev voor het tweede jaar na elkaar gedaald was zodat het niet opportuun was om nu aandelen te kopen. Het ging verder nog over Mittal-Arcelor, maar ik werd onderbroken door mijn buurman die plots zei: ‘Zo, en jij bent een vieze kus’, en luid lachte. ‘Jawel, maar die is al een ouwe’, zei ik en glimlachte fijntjes. ‘Ik ben rechter en dit hier is een procureur’, zei hij terwijl hij de man naast hem uit zijn gesprek haalde en hem omarmde. ‘Aangenaam’, zei ik kort. ‘In de rechtbank ben ik de regisseur en hij verdeelt de rollen, twee in elk toilet’, zei hij en schaterde het uit. De procureur liet een cynische ‘hahaha’ horen en draaide zijn hoofd terug naar de dames met wie hij bezig was. Wat een verwaande, boertige kwast en dat voor een rechter. Ik wou opstaan en een andere plaats nemen, maar twee dingen hielden mij tegen. Ten eerste, ik had die plaats toegewezen gekregen en het zou onbeleefd zijn om te ruilen, zeker nu de zitbank en alle stoelen bezet waren. Ten tweede, mijn echtgenote, die toch graag in mijn buurt bleef, was lekker aan het keuvelen met de dame naast haar. Aan de andere kant van de zitbank riep er iemand plots luidkeels: ‘Zwijg, dat gebouw heeft mij bijna een faillissement gekost.’ De gesprekken stokten en alle hoofden draaiden simultaan in de richting van de aannemer. ‘Komt ervan als je net voor belangrijke beslissingen aan de coke zit’, brak iemand de stilte. ‘Nu je over coke spreekt, dokter. Wordt het niet stilaan tijd?’, vroeg de advocaat. ‘Wie trakteert hier eerst?’, vroeg de rechter. ‘Ik zal het ijs breken’, zei de aannemer. ‘Hier heb je twee zakjes’, zei hij en smeet twee plastic minizakjes op de salontafel. ‘Hoe is het mogelijk. Je moet toch maar eens leren de juiste term te gebruiken. Snowsealtjes, heet dat’, zei de advocaat belerend. ‘Potvolkoffie, snowzeeltjes of wat dan ook, als het spul maar van goede kwaliteit is. Dat is wat telt.’ De notaris riep zijn vrouw toe: ‘Lieve, breng de schaaltjes.’ Een dame met een nogal opvallend, klassiek kapsel stond op en liep naar de keuken. Ze kwam terug met twee blinkende roestvrije schaaltjes en gaf ze aan de procureur. Die ging op zijn knieën voor de lange lage salontafel zitten, als ’t ware in een ceremoniële houding voor wat komen zou. Iedereen keek stil toe. Hij pakte een sealtje, trok het voorzichtig open en deponeerde de inhoud op een schaaltje. Nadat hij met iets dat leek op een scheermesje in een houder het witte poeder nog wat fijn had gehakt, verdeelde hij het minutieus over tien gelijke lijntjes, twee aan twee, die hij met het mesje nog eens netjes uitlijnde. Hij was als een kok die een bord prepareerde en deed dat met een cachet alsof het zijn beroep was. Hij herhaalde het protocol met het tweede sealtje op het andere schaaltje. Vervolgens opende hij een sigarettenkistje en nam er een aantal dunne rolletjes van wit glanzend hardboard uit. Onbewust viel mij dat tegen, omdat ik verwachte dat de portefeuilles zouden opengaan en biljetten van ten minste honderd euro zouden verschijnen om er een rolletje van te maken. Zo had ik het mij altijd voorgesteld uit de films waar ze met een honderd dollarbiljet de klus klaarden. De rechter had de eer de zitting te openen. Hij snoof gulzig twee lijntjes op, kneep opeenvolgend elk neusgat dicht terwijl hij telkens nog eens hard snoof. Hij gaf het schaaltje door aan de procureur. Ik bestudeerde nauwgezet het gezelschap. Ik zag telkens de lijntjes verdwijnen, nog even snuivend aan de neus vingeren en dan de gezichten veranderen. Gelukzalige blikken, de mondhoeken lichtjes naar beneden als teken van stijgend zelfvertrouwen. Het viel mij op dat slechts twee vrouwen aan de ceremonie deelnamen en allebei ook minder uiterlijk reageerden op hun gesnuif. Plots kwam er een schaaltje voor mijn neus. Er lagen nog slechts twee lijntjes op. Ik was blijkbaar de laatste en iedereen keek afwachtend naar mij, behalve mijn vrouw die mij eerder een argwanende blik toewierp. ‘Zou jij dat wel doen? Je zit al regelmatig aan de Avamys met je neusproblemen.’ Die blikken. Ik behoorde die avond nu eenmaal tot dit exquise gezelschap. Ik zou geen zwakheid demonstreren en moest mijn mannetje staan. Dus doen. Nu of nooit. Ik haalde diep adem alsof ik mij voorbereidde op het record hoogspringen. Ik blies de adem uit en snoof een lijntje op. Ik herhaalde de ademcyclus om het tweede lijntje in mijn andere neusgat te laten verdwijnen. Met de rug van mijn hand wreef ik mijn neus af, een handeling die blijkbaar afkeer opwekte volgens de samengetrokken gezichten van sommige mannen. De kamer werd ineens helderder. Ik voelde mij super in mijn vel. Mijn vrouw keek nog altijd afwijzend. Ik pakte haar stevig vast en gaf haar een kus. Hoe kan je zo kijken, het leven is toch mooi, niet? Had ik dat nu gezegd of gedacht? Het geroezemoes van het gezelschap vervaagde. Ik stond daar boven. Onbewust ging ik rechtstaan en legde het gezelschap het zwijgen op. Ik bekeek eerst een voor een de toehoorders aandachtig met een energieke blik en vertelde daarna hoe je een olifant kon vangen met een Grieks-Latijns woordenboek, een verrekijker, een pincet en een luciferdoosje…

Bert Bergs
0 0

Tot ziens, Marianne (deel 6)

Het vliegtuig is neergestreken op de landingsbaan van Sydney, gracieus als een engel. Omgeven door een drummende massa sta ik op mijn bagage te wachten. De band is nog niet beginnen te lopen, wat me de gelegenheid biedt om moeder een sms’je te sturen. Het mens heeft langer dan een etmaal niets van me gehoord en zal doodongerust zijn. Ik diep mijn mobieltje op uit mijn broekzak en druk de aan-knop in, maar er gebeurt er niets. Het display blijft zwart als de nacht. Ik doe een tweede poging, maar ook die heeft geen succes. Om de één of andere reden is er geen leven in het toestel te krijgen. Nochtans is de batterij pas opgeladen. Ik hoop maar dat het aftandse ding niet finaal de geest heeft gegeven. In dat geval ziet het er slecht uit. Geld voor een nieuwe telefoon heb ik niet. En wisselstukken voor dit antieke exemplaar vind je ten hoogste met enig geluk nog op een brocantemarkt.   Met een paar nijdige biepjes wordt aangekondigd dat de bagageband in beweging zal worden gezet. Meteen beginnen de wachtende passagiers elkaar te verdringen. De ikke-eerst-mentaliteit laat geen spaander heel van enige hoffelijkheid. Wanneer de eerste koffers zich door de rubberen flappen wurmen, begint de dans der dwazen. Mensen lopen elkaar voor de voeten, er wordt geduwd en met ellebogen gewerkt. Wat is de mens toch een verachtelijk wezen, bedenk ik me.   Als één der laatsten wringt mijn gifgroen valies zich een weg naar de vrijheid. Als een peuter op een kermismolen, komt ze mijn richting uit gedraaid. Zodra ze binnen mijn bereik is, grijp ik het koorden handvat beet en hef het gevaarte van de band. Ik moet al mijn kracht aanwenden om niet meegesleurd te worden. Wanneer ik het onhandige ding heb neergezet, gloeit mijn handpalm, alsof ik een smeulende blok houtskool heb vastgehad. Ik kijk om me heen en kan me niet van de indruk ontdoen dat iedereen me spottend aankijkt. Meteen daagt het me dat ik wellicht de eerste backpacker ben die een spuuglelijke koffer met zich mee zeult in plaats van een handige rugtas. Er overvalt me een gevoel van schaamte. Waarom heb ik me in godsnaam die groene draak laten opsolferen door mijn ouders? Ik til de koffer op en maak me uit de voeten. Bij iedere stap die ik zet, gaat het gevaarte zwaar tegen mijn onderbeen leunen waardoor ik telkens even uit evenwicht raak.   Wat later loop ik toevallig in op de publieke telefoons. Ik zet mijn koffer aan de kant en haal mijn portefeuille tevoorschijn. Net voor mijn vertrek heeft moeder het nummer van haar mobieltje op een briefje gekrabbeld. Op dat ogenblik leek me dat een ridicuul idee, aangezien haar nummer in de contactenlijst van mijn telefoon staat. Maar voor één keer blijkt haar pathologische nauwgezetheid een goddelijke voorzienigheid te zijn geweest. Ik haal het briefje tevoorschijn en leg mijn portefeuille bovenop het telefoontoestel. Ik toets het nummer in en houdt de hoorn aan mijn oor. Secondenlang hoor ik niets, tot plots een vriendelijke stem me meldt dat het betreffende nummer niet is toegekend. Ik trek mijn wenkbrauwen hoog op en probeer opnieuw, maar krijg dezelfde boodschap te horen. Ook de derde poging loopt uit op een sisser.   “Fuck!” zeg ik bij mezelf. Typisch moeder! Enkel een ongeletterde Neanderthaler en mijn ouders slagen er in hun eigen telefoonnummer fout te noteren!   Ik hang de hoorn aan de haak en keer me om. Wat nu? Misschien moet ik eerst maar eens wat eten. Ik verga van de honger. Azië met zijn vieze eetgewoonten ligt nu ver achter me. Ik weet zeker dat ze hier dingen serveren die me beter zullen bekomen dan een zieke straathond. Mijn eetlust wordt trouwens stevig aangewakkerd door de bedwelmende geur van pizza. Als er één volk is dat de wereld nog eens onder de voet mag lopen zijn het wel de Italianen. Jammer dat de oude Romeinen de ondergang van hun eigen beschaving in de hand hebben gewerkt door hun uithollende decadentie. Stumperds!   Ik loop op een eettent toe waar het aroma van pizza uitslaat als vlammen uit een brandend benzinedepot. Een jongeman met een omgekeerd frietbakje op zijn kop vraagt me met een hoofdknik wat ik moet. Ik wijs een stuk pizza aan dat begeerlijk naar me ligt te lonken, als een hoer naar een potentiële klant. De jongen schuift de spie in een oventje en verzoekt me door te schuiven. Afrekenen moet ik al voor de buit binnen is. Ik loop door tot bij de kassa en tast naar mijn portefeuille. Mijn hand verdwijnt in mijn achterzak en komt er leeg weer uit tevoorschijn. Meteen breekt het koude zweet me uit. Mijn portefeuille! Waar is mijn portefeuille??? Ik keer me om naar de kerel achter me en bekijk hem indringend. Ik tracht van zijn gezicht af te lezen of hij het is die me bestolen heeft. Hij kijkt me aan als een struisvogel die zichzelf in een spiegel ziet: dom en niet wetend wat dat vreemde wezen van hem moet. Ik werp een blik op de man achter hem. Ook die oogt niet helemaal betrouwbaar. Maar die vrouw achter hem nog minder, met haar ontwijkende blik! Ik weet niet meer wie ik moet verdenken. Maar dan galmt plots een stem door de intercom: “Mister Boris Wolfs. Mister Boris Wolfs. Please report to the reception.” Ik kijk verbaasd op. Hoe kan het dat iemand mijn naam hier kent? De jongen met het omgekeerde frietbakje op zijn hoofd komt met mijn stuk opgewarmde pizza aanzetten. Het water loopt me uit de mond, maar ik heb geen geld om het te betalen! In een impuls zet ik het op een lopen. Mijn koffer hakt daarbij mijn onderbeen zowat aan spaanders. Ik hol het halve luchthavengebouw door, tot ik plots de onthaalbalie ontwaar. Ik haast me er naartoe, gooi mijn koffer neer en hijg mijn ziel uit mijn lijf.   “Can I help you, son?” vraagt de man achter de balie. Ik hap naar adem en zeg hem dat ik Boris Wolfs ben, dé Boris Wolfs die hij net heeft omgeroepen. Bij het horen van mijn naam richt een tweede man, die ontspannen met zijn elleboog op de balie leunde, zich op. Het is een soort van Crocodile Dundee, een gebruinde kerel met een cowboyhoed op en een lederen gilet om zijn gespierde bast. “G’day, mister Wolfs,” zegt hij. Ik bekijk hem argwanend. Dit lijkt wel een scène uit een slechte film: een rechercheur die de naam van een man laat afroepen om hem rustig in de boeien te kunnen slaan. Een secondelang voel ik de neiging om op de vlucht te slaan, maar ik weet niet waar naartoe. Ik kan nergens heen zonder paspoort of visum en met die zware koffer raak ik geen meter vooruit. Ik blijf dus noodgedwongen mijn lot afwachten. Wanneer de man met zijn hand naar zijn achterzak reikt, voel ik me week worden. Daar komen de boeien! Of erger: het pistool! Maar nee, hoor! Wanneer zijn hand weer tevoorschijn komt, zie ik dat hij een portefeuille vastheeft. MIJN portefeuille! Ik herken hem onmiddellijk.   “I guess this belongs to you!” zegt hij. Mijn hart springt op. “Where did you…” Ik raak niet uit mijn woorden en kijk vol verbazing naar mijn brieventas. Hij vertelt me dat hij mijn portefeuille bovenop een telefoontoestel heeft aangetroffen. Mijn god! Dat is waar ook! Ik had hem er opgelegd toen ik moeder wilde bellen! Wat een geluk dat deze eerlijke man de vinder is van mijn portefeuille en niet één of andere schurk die er mee aan de haal zou zijn gegaan. Ik slaak een zucht van verlichting, maar een seconde later bekruipt me alweer een paniekerig gevoel. Wat als ik een lege portefeuille terugkrijg? Dat hij mijn geld er heeft uitgehaald, mijn paspoort verkocht en mijn visum aan de haaien gevoerd? Geen mens is nog te vertrouwen vandaag de dag! Ik open mijn brieventas en werp een blik op de inhoud. Alles blijkt er nog in te zitten. Ik kijk verbaasd naar hem op. Hij glimlacht en werpt me een veelbetekenende knipoog toe. O! Ik begrijp het. Hij verwacht een beloning. Hij wriemelt al met zijn vingers alsof er een bankbiljet tussen zit en hij aan de hand van de structuur voelt of het een echt is! Ik diep een briefje van vijf dollar op en bied het hem aan.   “What’s that, mate?” vraagt hij verbaasd.   “For you,” zeg ik. Hij kijkt me aan met schuine blik en zegt me dat hij geen geld van me wil. Ik sta hem versteld aan te kijken. Wat een eerlijkheid! En dan te bedenken dat een aanzienlijk deel van de Australische bevolking afstamt van Brits geboefte dat onder koning George III naar hier werd verkast. Het kan verkeren. Jan Byttebier heeft geen seconde gelogen toen hij zei dat Australiërs vriendelijk en behulpzaam zijn. Ik berg mijn bankbiljet gauw weer weg, bedank hem en maak aanstalten om verder te gaan, maar hij neemt me bij de mouw. Hij vraagt me wat mijn bestemming is. Ik vertel hem aarzelend dat het mijn bedoeling is rond te trekken.   “With that suitcase?” roept hij met hoog opgetrokken wenkbrauwen uit. Ik bekijk mijn gifgroene koffer en neem een besluit. Van zodra ik een paar dollar heb verdiend, koop ik me een grote rugtas, hevel alles over en kieper die oude draak in de baai van Sydney! Ik wil opnieuw verdergaan, maar weer houdt hij me staande. Deze keer wil hij weten wat mijn eerste bestemming is. Ik herinner me het verhaal van Jan Byttebier en antwoord voor de vuist weg: “Newcastle!”   “Good idea!” slaat hij me op de schouder. Zijn hand is van beton. Het voelt aan alsof er een hijskraan op mijn schouder gevallen is. Opnieuw wil ik me van hem losmaken, maar dan zegt hij me iets wat me verstomd doet staan. Hij drukt me op het hart om tenminste één dag in Sydney te blijven. Tot mijn verbazing doet hij dat met precies dezelfde woorden als in het sms’je dat ik op de luchthaven kreeg toen ik op het punt stond te vertrekken. “Stay in Sydney for at least one day!” Mijn argwaan wordt gewekt. Ik vraag hem waarom hij dat zegt.   “Because Sydney is great, dude!” roept hij uit, om er mysterieus aan toe te voegen: “And you never know what’s gonna happen to ya.” Ik weet niet wat ik ervan moet denken. Ik vertrouw het zaakje voor geen meter. Maar dan doet hij een voorstel dat ik niet kan weigeren. Hij biedt me aan me naar Sydney te brengen met zijn auto. Om zijn woorden kracht bij te zetten, houdt hij zijn klingelende autosleutels voor mijn neus. Aangezien een taxirit van de luchthaven naar de stad me een flinke som uit de zakken zou slaan, kan ik maar beter gebruik maken van de Australische gastvrijheid.   “Oké then,” mompel ik.   “Good on ya!” zegt hij. Hij neemt mijn koffer van me over. “By the way, I’m Jason.” Hij drukt me de hand. Alsof hij mijn persoonlijke lijfwacht is, begeleidt hij me naar de uitgang van de luchthaven. Tijdens de rit naar Sydney onderhoudt Jason me met wetenswaardigheden over de stad. Hij vertelt me dat Sydney de grootste en oudste stad is van Australië die 4,2 miljoen inwoners telt; dat ze zich heeft ontwikkeld vanuit de natuurlijke haven Port Jackson, en dat ze zich uitstrekt van aan de Blue Mountains tot aan de kustlijn van de Grote Oceaan. Ook vertelt hij me dat de stad is gesticht in 1788 en dat ze sindsdien is uitgegroeid tot een belangrijke metropool op economisch en cultureel gebied. Allemaal erg interessant, maar het leert me weinig over het leven in de stad zelf. Ik heb bijgevolg nog steeds geen idee waarom ik er per se een dag in Sydney zou moeten blijven. Wat later nemen we afscheid, pal voor de deur van een hostel, waar ik volgens Jason “voordelig” zal kunnen overnachten. Voordelig? Voor een schamel bed met doorgezakte matras en muffe deken betaal ik dertig dollar. “In advance”! Nou, dat is dan goed voor één nacht. Ze mogen zeggen wat ze willen, maar morgen trek ik de ‘outback’ in, op zoek naar een fruitboer die me aan de pluk kan zetten.   Nadat ik me heb geïnstalleerd in het hostel, ga ik op stap. Jason heeft me gewezen hoe ik bij het Opera House geraak. Op de trappen van dat futuristische gebouw zou er volgens hem free wifi zijn. Erg handig, aangezien ik moeder dringend gerust moet stellen, voor ze een internationaal opsporingsbericht laat uitvaardigen.   De trappen van het fameuze Opera House zijn eindeloos. Een comfortabele zitplaats vormen ze niet, maar de free wifi werkt perfect! Ik zet me meteen aan het schrijven van een mail.   Dag moeder,   Sorry dat je niet eerder iets van me hebt gehoord, maar mijn telefoon is kapot! Geen leven meer in te krijgen. Zelfs niet nadat ik de batterij heb opgeladen. Ik probeerde je daarom te bellen vanuit de luchthaven met een publieke telefoon, maar kreeg de melding dat je nummer niet in gebruik was. Ik vermoed dat je het fout hebt genoteerd. Maar goed, het bijzonderste is dat ik veilig ben aangekomen in Sydney. Ik blijf nu één nacht hier voor ik verder trek. Langer kan ik me niet veroorloven. Het leven is hier duur! Morgen reis ik door naar Newcastle in de hoop daar ergens werk te vinden. Momenteel zit ik op de trappen van het concertgebouw. Hier heb ik gratis internet. Dus als je zin hebt, kunnen we misschien skypen. Bel maar in als je wilt. Ik blijf hier nog wel een halfuurtje zitten. Je weet toch nog hoe het moet?   Boris   Ik druk op verzenden en kijk op. Het grote plein voor het operagebouw is het laatste halfuur aardig vol beginnen te lopen. Allemaal mensen die er stuk voor stuk op hun paasbest uit zien. Ik denk dat het allemaal operaliefhebbers zijn. Er hangen grote affiches uit waarop staat aangekondigd dat ‘Lucia di Lammermoor’ in première gaat. Zelf heb ik geen affiniteit met opera. Misschien moet je een zekere leeftijd hebben om van dat soort muziek te houden, maar daar ben ik nog lang niet aan toe. Vader houdt wél van klassiek, maar dan eerder het lichtere genre. Operette, het achterlijke neefje van opera. Dat is nog minder aan mij besteed, net als die Duitse marsmuziek die hij zo graag op zondagochtend door de woonkamer laat galmen. Telkens ik zo’n militaire kapel van jetje hoor geven, zie ik in gedachten gelaarsde militairen met lange lederen overjassen door de straten marcheren, de blik allemaal op hetzelfde punt gericht en mooi synchroon armen en benen uitslaand: links, rechts, links, rechts…   Ik schrik op van het inbelgeluid voor een skypegesprek. Tjonge, dát is snel! Het kan niet anders of moeder heeft zitten waken bij haar computer als het hondje van “his master’s voice” bij zijn grammofoon. Ik wed dat ze de afgelopen vierentwintig uur geen oog heeft dichtgedaan. Ik maak verbinding en wacht tot moeders bezorgde kop zal verschijnen, maar er loopt blijkbaar wat mis. Ik krijg een donker scherm te zien, terwijl ik vaag een geluid opvang wat op een dof en gedempt gekreun lijkt, als van een man die dagenlang de vreselijkste martelingen heeft ondergaan en de kracht ontbeert om nog te schreeuwen. Maar dan klaart het beeld plots op en zit ik oog in oog met mijn ouders. Moeder zit met kaarsrechte rug naar het oog van de camera te staren, terwijl vader schuin achter haar staat met zijn hand op haar schouder, stijf als een hark. Ze lijken te poseren voor een ouwerwets familieportret. Ik beeld me een fotograaf in die met zijn hoofd onder een zwart doek verscholen zit, terwijl hij een magnesiumlamp in de aanslag houdt, klaar om het tafereel voor het nageslacht te vereeuwigen.   “Hallo!” zeg ik koeltjes. De manier waarop ze me aankijken, nodigt niet uit tot spontaniteit. Er volgt geen reactie. Vader en moeder blijven onbewogen naar het scherm staren. Even meen ik dat het beeld bevroren is, maar de secondewijzer van de klok, die achter vader aan de muur hangt, tikt onvermoeibaar verder.   “Kunnen jullie mij horen?” Meteen nadat ik mijn vraag heb gesteld, barst een onverstaanbaar gebrabbel uit de luidspreker van mijn laptop; een spervuur aan klanken dat wel een minuutlang aanhoudt. Het vreemde is dat ik moeders noch vaders mond zie bewegen. Ze blijven me heel de tijd aanstaren als twee wassen beelden. Het geluid dat ik hoor lijkt uit het niets te komen.   “Hallo! Horen jullie mij?” roep ik doorheen het gebrabbel. Ze reageren niet. Nog even houdt het geluid aan, maar dan volgt plots een verlossende stilte. Ik haal opgelucht adem, maar dan begint moeders gezicht plots vreemde grimassen te trekken. Haar hoofd beweegt met korte schokken van de ene naar de andere kant, terwijl haar ogen tollen als knikkers en haar mondhoeken alle kanten uit schieten. Ik zit verbijsterd toe te kijken tot plots een ijselijk geluid uit de luidsprekers spat dat het bloed in mijn aderen doet stollen. Het is een gekrijs als van een heks die op de brandstapel staat en de vlammen aan haar voeten voelt likken. Ik dek met één hand een oor af en tokkel intussen als bezeten met mijn wijsvinger op de toets waarmee ik het geluid kan dempen. Het mag niet baten. Het ijzingwekkende gekrijs blijft onverminderd aanhouden. Ik kijk verschrikt om me heen en merk dat tientallen mensen me afkeurend staan aan te staren. Ik klap mijn laptop dicht om het geluid te smoren, maar ook dat heeft geen resultaat. Ik word nu haast gek en voel de neiging in me opkomen om mijn computer van de trappen te gooien… maar dan houdt het afgrijselijke geluid plots op. Even abrupt als het is begonnen. De stilte die volgt is oorverdovend. Ik kijk beschaamd om me heen en merk dat ik nog steeds word aangestaard alsof ik van een andere planeet kom. De enige die geen greintje interesse in me heeft, is een dame die onderaan de trappen over en weer staat te drentelen. Ze houdt haar mobieltje tegen haar oor gedrukt en praat geëxalteerd. Ik houd mijn blik op haar gericht en raak gebiologeerd door haar, al heb ik geen idee waarom. Ze is niet lelijk, maar - in verhouding tot de blondine in de luchthaven van Singapore - allesbehalve goddelijk. Daarvoor zit ze een tikkeltje te stevig in het vlees. In haar nauw aansluitende zwarte jurk, die net iets te kort is waardoor de aandacht op haar forse dijen wordt gevestigd, tekent zich een gigantisch stel borsten af en een buikje. Bovendien is ze een flink stuk ouder dan ik, makkelijk twintig jaar. Maar ze heeft iets dat mijn aandacht trekt.   Ik doe een poging om te verstaan wat ze zegt, maar de afstand tussen ons is te groot. De expressie op haar gelaat laat er echter geen twijfel over bestaan dat ze iets te horen krijgt wat haar niet bevalt. Met heftige handgebaren accentueert ze de woorden die ze in de microfoon van haar mobieltje spuwt.   Nadat ze het gesprek heeft afgebroken, lijkt ze even niet te weten wat te doen. Ze steekt een sigaret op en loopt te ijsberen onderaan de trappen. Met haar hoge naaldhakken hakt ze stevig in op de harde straatstenen. De hele tijd blijf ik haar aanstaren. Het lukt me gewoon niet om van haar weg te kijken. Dat doe ik pas wanneer ze plots haar blik op me richt en me intensief aankijkt. Ik wend in allerhaast mijn ogen af en doe alsof ik de unieke inheemse fauna bestudeer, die niet bestaat uit ordinaire mussen of duiven, zoals bij ons, maar uit bonte regenbooglori’s, kaketoes en ibissen met lange kromme snavels. Maar lang hou ik dat niet vol. Mijn blik wordt als vanzelf weer naar haar toe gezogen. Het is sterker dan mezelf. Ik merk dat ze nog steeds naar me kijkt. Haar blik doorboort me haast. Even nog lurkt ze aan haar sigaret, alsof het haar laatste is, maar werpt dan haar peuk op de grond en vermorzelt ze onder haar schoenzool. Ze bestijgt de hoge trappen. Haar korte jurk schort bij iedere trede die ze neemt hoog op waardoor haar forse dijen zich beurtelings ontbloten. Ze lijkt recht op mij af te stevenen. Hoe dichter ze me nadert, hoe meer ik mijn rug recht.   “G’day,” spreekt ze me aan. “Can I ask you something? Do you like opera?” Ik zit haar met open mond aan te kijken. Nooit eerder werd ik spontaan aangesproken door een dame van haar leeftijd. Dat is één. Maar ik heb ook nog nooit een opera gezien en weet dus niet wat te antwoorden. Toch hoor ik mezelf zeggen: “Yes, I do.”    “Great!” roept ze uit. Ze zet zich zowaar naast me neer, op de harde trappen. Ik kan mijn ogen niet van haar dijen afwenden. Zulke kolossen! Daar verbrijzel je een molensteen mee! Ze vertelt me dat haar beste vriendin haar net wist te melden dat ze niet op de afspraak kon zijn. Het was de bedoeling dat ze met z’n tweeën naar de opera gingen, maar dat kan nu niet.   “So… would you like to have her ticket?” vraagt ze. Ik slik een hap lucht weg en murmel dat ik geen geld heb om het kaartje over te kopen. Ze wuift mijn woorden weg en zegt me dat ik er niks voor hoef te betalen; dat ze er beter iemand plezier mee kan doen dan het weg te gooien. De enige voorwaarde die ze eraan verbindt, is dat ik met haar meega. Blijkbaar ziet ze er tegen op om de hele voorstelling alleen uit te zitten. Ze kijkt me aan met een smekende blik.   “O, come on!” roept ze uit. “You never get a chance like this again!”   “Okay then,” hoor ik mezelf antwoorden.    “Far out!” doet ze verrukt. Ze duwt me de toegangskaart in handen. “Here you are! By the way, you're not an Aussie, are ya?”   “Me? No, I'm from Belgium,” antwoord ik.   “Really? French or Dutch part?” Ik sta er van versteld dat een Australische weet dat een land ter grootte van een reigerspetter, dat zich aan de andere kant van de wereld bevindt, uit twee afzonderlijke gemeenschappen bestaat.   “Dutch,” antwoord ik.   “Nou, dan kunnen we net zo goed Nederlands praten,” zegt ze met een Noord-Hollandse tongval. Mijn mond valt open. Ze glimlacht. “Mijn moeder was Nederlandse,” verduidelijkt ze. “Van Hilversum. You know that place? Het schijnt dat ze er ‘de televisie’ maken.” Het is grappig hoe haar Noord-Hollandse accent zich met haar Australische tongval vermengt.   “Nou, ik vind het erg leuk dat je met me naar de opera wilt,” besluit ze. Ze hijst zich overeind en trekt haar opgeschorte jurk naar beneden. Ik ben er in geslaagd even de doorschemering van haar witte slip te zien in haar zwarte panty.   “Kom je?” Ze wenkt me met haar hoofd. Ik schud mijn hersencellen los alsof ik uit een droom ontwaak.   “Nou?”   “Ik heb wel niks om aan te trekken,” zeg ik.   “Hoezo?” roept ze uit. “Je loopt toch niet in je nakie!” Haar lach galmt over het grote plein.   “Ja, maar geen kostuum,” antwoord ik stil.   “Een kostuum?” Ze gooit haar hoofd in haar nek. Er klinkt een hoog klokkend geluid op uit haar keel. “Nou, je hoeft niet mee te spelen, hoor!” schatert ze. “Alle rollen zijn ingevuld!”   “Dat bedoel ik niet,” zeg ik bedeesd. “Ik bedoel… nette kleren.” Ik wijs op de chique outfit van enkele mannen die wat verderop staan te keuvelen.   “O, je bedoelt een pak! Ach, jôh, wie maalt daar nou om! Je kunt toch best zo mee. Aussies don’t stick to traditions, you know.”   “Oké. Maar mijn laptop. Wat doe ik met mijn laptop?”   “Die kun je in bewaring geven aan de receptie,” antwoordt ze. “They have lockers, you know! Come on, let’s go!” Ze wenkt me met een hoofdknik en loopt naar de ingang van het gebouw. Ik grabbel gauw alles bij elkaar en loop als een schoothondje achter haar aan.   (foto: ©photosuus)

Lou Van Lier
0 0

Heimwee naar het paradijs

een reisverhaal Mizmizy ‘Mag ik hier roken?’ vraagt een klant.‘Roken is ongezond,’ antwoordt ze dan. Ze staat achter de toog en trekt even aan haar sigaret. Ze glimlacht naar hem. De klant kijkt verbaasd. Hij schudt zijn hoofd en licht een sigaret op terwijl zij een asbak onder zijn neus schuift. Ik leerde Thamina kennen in een taverne te Brussel, waar ze werkte om haar studies te kunnen betalen. Ze zuipt als een koe en rookt als een schoorsteen. Haar ouders denken dat ze een keurig moslimleven leidt en ijverig studeert voor dokter, dit onder toezicht van haar oudere broer, Iqbal. Hij volgt politieke studies aan de internationale school om erna de politieke carrière van vader in Bangladesh voort te zetten. Iqbal heeft zich echter bij een hippiegemeenschap aangesloten, dweept met zen en softdrugs en wil een roman schrijven waarin hij Oost en West verenigt, een wijs man met idiote doelen. Thamina maakt zich zorgen om hem. Hij maakt zich geen zorgen. Haar ouders willen dat zij gaat trouwen, nu ze nog jong is en een goede familie kunnen vinden voor haar, er is namelijk interesse. Maar dat ligt nogal complex. Zowel zij als ik hebben zo onze eigen voorkeuren en zijn uiterst koppig als het gaat om keuzes maken.We kennen elkaar al sinds onze job in de taverne, nu drie jaar geleden. Ik als keukenhulp en zij als notoire en beruchte toogverantwoordelijke – zoals ze dat zeggen. Dat er hier, in deze oubollig ogende taverne, zoveel volk komt, heeft vooral te maken met haar eigenzinnige kijk op de dingen en haar vlotte sociale babbel. Sinds de eerste avond dat we samenwerkten, een heel chaotische avond, zijn we beste maatjes en helpen elkaar waar het kan.En zo komt het dat ik hier met haar in een provinciaal stadje ben aanbeland met de charmante naam Mizmizy. Ik mocht mee met haar. Dat haar ouders dat vertrouwden heeft wellicht te maken met het feit dat ze mij niet echt kennen. Ze ontvingen me de eerste avond meteen heel gastvrij en hadden een apart kamertje voor mij voorzien. Ik ben hier nu voor de tweede dag en heb net een hele rij familie van haar ontmoet. Volgepropt met oosters lekkers zit ik rond de tafel met haar en haar ouders in de woonkamer en net als mijn maag voelt de sfeer momenteel erg gespannen aan. Thamina zit met haar handen voor de ogen en ellebogen op de tafel. De hele familie om haar heen. Ze huilt. En zij praten, veel. ‘Als je nu niet trouwt wil niemand nog met je trouwen!’ zegt haar moeder dwingend.‘Maar ik ben nog maar zevenentwintig!’‘Je had al zeven kinderen moeten hebben, ja. Kijk naar je zus. Die heeft alles wat ze moet hebben.’En ze knipoogt even naar Thamina’s zus die net met een schoteltje hapjes komt aangelopen. ‘Jong trouwen en baren. Zo hoort het ook,’ vult haar vader verder aan.‘Niet waar ik leef, daar ben ik nog jong.’ Haar vader probeert de partijen te sussen: ‘Je bent jong, prinses, maar je weet dat geen Bengaalse man je nog wil zodra je de dertig bent gepasseerd. Nu kan je nog een deftige partij vinden. En de man die wij hebben gevonden komt uit een echt goede familie.’ ‘Wie zegt dat ik een Bengaalse man wil?’Haar ouders kijken haar geschrokken aan.‘We hadden haar nooit naar Europa mogen sturen,’ reageert haar moeder verwijtend.‘Dat was het beste voor haar en Iqbal,’ zegt de vader beslist. ‘Maar ze moet een Bengaalse man trouwen, denk aan jouw positie...’ Thamina kijkt treurig op. Ze weet wat haar moeder bedoelt. Haar vader is burgemeester van het dorp en ambieert een carrière in de politiek. Een man met aanzien, waarvoor tradities – zeker naar de buitenwereld toe – erg belangrijk zijn. Dat is toch wat ze mij ooit eens vertelde, de reden waarom ze liever niet terugging. Het aanpassen aan onze cultuur ging haar redelijk vlot af, maar het weer aanpassen aan haar eigen wereld ligt voor haar veel moeilijker. Ze staat op en kijkt naar mij. ‘Heb je ooit de Baai van Bangladesh in het echt gezien?’Ik schud van niet.Haar moeder zucht.‘Nu nog niet,’ besluit ze. ‘Nu wil ik nog niet trouwen.’ ‘Maak je studies dan eerst af!’ roept haar vader haar nog na, wanneer ze opstaat en de kamer verlaat. Alsof hij zo zijn bronnen heeft en weet dat zij nog niet echt veel aan haar studies heeft gedaan. Cox's Bazar De volgende ochtend staan we vroeg op. Het is de bedoeling dat we in Cox's Bazar terechtkomen, tegen de avond. Het is een klein kuststadje aan de Bengaalse baai, waarvan men ooit het Saint-Tropez van het Oosten wil maken.‘Ik wil nog een jaar uitstel,’ vertelt ze haar ouders vlak voor we vertrekken. Haar moeder houdt haar handen voor haar ogen. Ze stapt in het busje dat ze voor haar en mij regelden en kijkt niet om. Voor ik het goed en wel besef, rij ik samen met Thamina dwars door Bangladesh, door het meer bergzame gedeelte van de Chittagong Hill Tracts, de grens met India en Birma. Ik mag haar graag. Ze heeft een heel eigen lichte kijk op de dingen, een mix tussen Oost en West, het beste uit beide werelden zeg maar, daar is geen boek voor nodig; zij is het levende bewijs dat het kan. Zo zie ik haar althans. Er is verder niets tussen ons.   Ik voel me wereldburger en ben blij een vrij man te zijn, dus zoek ik ook niet verder. Ik heb al teveel gezien dat kapot ging en heb enkele jaren geleden besloten dat relaties, laat staan de liefde, niets voor mij is. Zij vindt dat ik te veel nadenk over die dingen en daarom van die domme principes heb die me niet toelaten echt te leven. En zo hebben we ‘s nachts na het werk vaak diepe discussies waarvan één plus één uiteindelijk leidt tot nul. Op een fijne manier. ‘Misschien lukt het wel om iemand te ontmoeten, zonder te moeten, gewoon iemand die mij en mijn afkomst zou kunnen respecteren, een man die mij niet gebruikt als huismeid maar die me zal liefhebben om wie ik ben.’Dat zegt ze terwijl de wagen al meer dan twee uur door het landschap raast en ik dringend ergens zou willen stoppen. ‘Gelijk heb je,’ bevestig ik zacht. Een naïeve gedachte, maar ik geef haar graag gelijk.De zon komt op en we stoppen eindelijk even met het minibusje in een dorpje langs de hoofdweg Dhaka-Chittagong. Een kopje thee zal smaken, besluit onze chauffeur, Salim. Hij verstaat gelukkig geen Nederlands en zelf kan ik met veel moeite zijn gebroken Engels verstaan als ik hem een vraag stel. Hij is een grote, slanke, netgeklede man in een kostuum met donkerblauwe blazer, wit hemd en blinkende, zwarte lederen schoenen. Voorts is hij erg hoffelijk naar ons toe en zijn diepe donkere ogen maken indruk wanneer hij je recht in de ogen aankijkt, een Bengaalse James Bond als het ware. Hij zou veel succes hebben bij de vrouwtjes en de mannetjes in Europa, bedenk ik. Thee is hier de nationale drank, het smaakt romig zoet en heeft de kleur van koffie verkeerd.Het is een mooie streek en hoe dieper we het land inrijden, hoe anders alles wordt: minder rijstvelden, meer heuvels en bebossingen, meubelwinkeltjes, mannen in witte 'panjabi's' die hand in hand lopen in de stad. Nog verder weg, koeien die magerder worden op de weg, mensen die afdunnen op het land en meer en meer kinderen met bamboestokken op hun rug, zeulend langs wegen die slechter worden dan ze al waren. Soms mogen we niet doorrijden en moeten dan een heuse omweg maken. Er leven hier volksstammen in de bergen die hun tradities wensen te bewaren en een bloedhekel hebben aan pottenkijkers. Ze hebben  gelijk. Na enkele hobbelige omwegen naderen we de zee. Salim is een ongelooflijk goede chauffeur die steeds voor het middengedeelte van de weg kiest om zo toeterende tegenliggers sneller te kunnen ontwijken. Totdat hij de zee ruikt, dan slaakt hij een kreet en duwt het gaspedaal volledig naar beneden, waarna we ons als een bende krijsende lemmingen richting de afgrond storten, door het laatste dorpje, over een koppeltje aan elkaar snuffelende honden, tot het einde van de weg, waar de zee de wielen nat likt. Hij stapt uit, zijn ogen tranen van geluk. Ik vraag hem voorzichtig of zijn familie hier woont? Hij schudt van niet en beantwoordt in enkele zinnen: ‘No Family… my family… is the sea. I worked for years on a ship. I still feel the sea inside.’ Hij werpt zijn sandalen uit en laat zijn voeten de zee proeven. Het is nacht, we zijn er en ik kan er niet echt van genieten. Ik zit met mijn gedachten bij die twee honden, zomaar omver gereden, want ze liepen in de weg. Het leven is hard hier en dus ook voor honden. Thamina, Salim en ik checken in bij het eerste hotel dat we tegenkomen. We laten onze reispas zien terwijl een tweede bediende zoekt naar een pen om ons bestaan te kunnen bevestigen. Salim kijkt streng toe dat we een eigen kamer nemen. Hij is niet alleen onze chauffeur, maar ook opzichter en bodyguard van de familie en dus ook van ons. We eten eerst nog iets. Een bhat-schotel, witte gepelde rijst, illich, de plaatselijke vis en een pikante groentesaus met linzen. Er wordt met de handen gegeten. De bhat wordt samen met een stukje vis tot een balletje gekneed en met de duim in de mond geschoven. Met de handen eten smaakt anders, voller, een onmiddellijk soort contact met de smaakpapillen. Het eet alleen minder prettig, of ik ben gewoon te onhandig, want voor ik het goed en wel besef lacht Thamina me recht in het gezicht uit. ‘Zelfs de honden eten hier beschaafder dan jij,’ lacht ze.‘Ik leef tenminste nog,’ zeg ik bits.‘Oh, is het dat wat je dwarszit?’ Ze heeft duidelijk door dat ik niet blij ben met de manier waarop het laatste stuk van de rit verliep.‘Honden zijn geen huisdieren bij ons, dus ...’‘Dus, moet je ze daarom maar...’‘Nee, dat moet niet...’‘Net zo min als men je kan dwingen om te trouwen?!’Ze kijkt me ontdaan aan.‘Je kunt dit moeilijk vergelijken,’ zegt ze gebeten terug, ‘het is een traditie hier en ik begrijp wel die traditie, voor velen werkt het, als de keuze goed gemaakt is door de ouders.’Ik knik en prop nog wat in m’n mond zodat ik haar daar niet op hoef te antwoorden.‘Het is net als in Europa.’Ik kijk haar vragend aan.‘Ook daar weet je niet op voorhand of de keuze goed is...’‘Nee... maar je kiest wel zelf...’Stilte. Ook mijn keuzes waren tot hier allesbehalve goed en dat waren vrije keuzes, maar daar was ik zelf verantwoordelijk voor en daarbij had ik ook zelf de keuze om het stop te zetten. Thamina denkt er verder over na, ze fronst haar wenkbrauwen, alsof ze nog een nieuw argument gevonden heeft.‘En toch, je schoonouders kies je ook niet, en bij ons komen ze vanaf het begin al overeen...’‘Soms...’‘Ja, soms.’Ze kijkt mijmerend naar een affiche van een Bollywoodfilm met voorop de cover een wel heel rondborstige danseres en daarachter een hongerig kijkende man.Ik kuch even. ‘Wil je zeggen dat je over het voorstel van je ouders nu echt nadenkt?’‘Wat moet ik anders...’ zegt ze bijna alsof ze een keuze heeft gemaakt, alsof de reis door het landschap haar meer en meer begint te verbinden met haar wortels. Trekkend aan haar lijf en leden, fluisterend in de oren, jij bent een vrouw van hier, jij doet wat er hier al eeuwen gedaan wordt. Ik doorbreek de stilte: ‘Met je hart kiezen moet je doen.’‘Mijn hart is al lang in de war, misschien moet ik hen inderdaad wel laten kiezen voor ik als oude vrijster na m’n werk op straat sta te paffen in de hoop een beurt te kunnen scoren.’ Ik kijk haar aan. Ik wil haar zeggen hoe mooi ze is, dat ze zeker iemand zal vinden die haar waard is. Dat ik haar zielsgraag mag en... Maar daar blokkeren mijn gedachten. Ik wil niets, enkel warmte zonder teveel nadenken. Op lange termijn is dat niet voldoende. We besluiten onder zachte dwang terug te keren naar het hotel. ‘So late, it’s not safe for tourists here, not yet,’ komt Salim ons zeggen, vlak nadat hij een gesprek op zijn smartphone van wel zeker een uur heeft beëindigd. Grote grijze plekken die als boosaardige ogen naar je staren sieren de muren, vet en bloed kleeft op de lakens. Ik besluit om de matras buiten op het balkon te leggen, zonder lakens. Thamina’s kamer is vlak naast de mijne. Ook zij staat op het balkon. Ze draagt een paars nachthemd, mooi en doorschijnend door het invallende maanlicht. Ik kan haar golvingen zien zonder dat je de details ziet, enkel de puntjes van haar tepels door de koude nachtwind. Niet alleen de hemel is beloftevol.‘Kun je niet slapen?’‘Mwah, te warm en te vuil daar binnen, dan maar liever buiten.’ Ze glimlacht en klimt over de reling van het balkon, haar nachtjapon licht opheffend tot aan haar knieën, mooie slanke benen. Voor ik het goed en wel besef, staat ze vlak naast me op een manier zoals ik haar nog nooit zag.‘Zullen we samen slapen?’‘Euh... en wat als Salim...’‘Oh, die slaapt naast mijn kamer en ik hoorde hem al snurken tot in m’n eigen kamer. Trouwens, ik zei dat we samen gingen slapen, daar doen we niets verkeerds mee.’ Ze knipoogt.We nestelen ons zwaar vermoeid op de matras. Alsof de nacht ons alleen nog maar een klein zetje hoeft te geven voor we als een blok in slaap zullen vallen. Zij duwt zich dicht tegen mij aan met haar zij, armen tegen elkaar, de blik gericht op de sterrenhemel. Ze legt haar hand zachtjes op mijn boxershort. Ik leg mijn arm om haar schouders, mijn hand zachtjes vallend op haar nachtkleed. En trek haar dichter tegen mij aan. Ik voel haar tepels vanonder het stof. Zij voelt mij steviger worden, langzaam hard. Ze streelt hem zacht, zonder meer. Strelen alsof ze een puppy aait en zijn gehijg zachtjes kalmeert.Ik voel me zwaar worden, uitgeput van de rit. Ik word weer slap. Ze draait zich om, duwt haar kontje tegen mij aan en pakt mijn arm vast, die ze rond haar middel slaat. Ik geniet van haar warmte en haar zo bevreemdende zachte geur. Ze neemt mijn hand vast en streelt zacht mijn vingers. Als een schommel bewegen we tegen elkaar aan, lepeltje in lepeltje bereiken we als twee oude zielen op het ritme van de geluiden van de zee het land van duizend en één nachten.Everest water Rond zes uur 's morgens wekken bussen met reuzenluidsprekers ons. Ik voel me ziek, erg ziek en misselijk. Dit wordt een dag om te mediteren en ansichtkaartjes te schrijven in bed. Salim gaat ondertussen op zoek naar een beter hotel. Na een half uurtje komt hij terug en voert ons naar een recent gebouwd hotel, waar ik op nette lakens mijn dag verder mag uitzieken. Salim gaat enkele vrienden van hem bezoeken en Thamina besluit om bij me te blijven.Ze houdt mijn hand vast als ik op bed lig. Mijn gezicht vertrekt van de buikkrampen om erna enkele seconden te ontspannen. Een tweetal uur strijden tegen een zware misselijkheid en toiletgeluiden die de rust van de buurt verstoren. Zij blijft in de buurt, helpt waar ze kan en dept mijn bezwete voorhoofd telkens na een van die weerkerende stuiptrekkingen. Na een tijdje word ik rustiger. Ook zij is moe. De reis, de korte nachten, de vele gedachten, de keuzes en het wilde van het land putten een mens uit. Zij valt naast me in slaap. Ik kijk naar haar kleine fijne lippen, haar ogen die rusten, haar smalle wenkbrauwen die onrustig liggen, haar zachte mokkaroomkleurige huid. Ik val in slaap, tegen haar aan. Thamina wordt huilend wakker, ik houd haar vast en troost haar. Ze droomde dat ze te laat zou komen op het sterfbed van haar vader. Het witzouten zakje in de fles water Everest, do not drink without protection seal smaakt slecht. Thamina doucht zich, ze voelt zich vuil en radeloos. Ze houdt van haar ouders maar wil een eigen leven, vertelt ze, en toch lijkt het alsof ze hen verraad als ze niet volgens hun verwachtingen vrouw wordt. Uit de vele huwelijksfoto’s die ik van haar familie zag belooft dat niet veel goeds. Terwijl de man zijn bolle wangen in een glimlach naar boven krullen zie je haar jonge felrode lippen angstig naar beneden hangen, als een vogel die ieder moment zal neerdalen en beseft dat ze nooit meer zal vliegen. Mooie meisjes die zich gedragen als giechelende tieners tot ze weggeplukt worden. Vrouwen die je zou willen weghalen om hun dit duizenden kilometers verder te besparen. Of hetzelfde te laten gebeuren in een 'strakker' kleedje, hoewel je dan zou kunnen beweren dat ze toch een keuze hebben gehad. Kaartjes naar mijn vrienden. Ik mis hen, het zijn fijne vrienden. Enkel hoorde ik toen nog te veel verhalen die op elkaar leken, zoals een flauwe grap die al twintig keer verteld werd en toch steeds leuker wordt omdat ze zo flauw is en je zo dronken bent. Misschien komt dit doordat er zo weinig gebeurde vlakbij de toog van nooitgedachtenland of wilde ik gewoon niet praten over wat ik echt dacht en voelde en wenste, te vermoeiend. Misschien was ik te vaak bij hen en te weinig bij haar, mijn Vlaamse vlam. Zij die mij voor het eerst wist mee te nemen naar onbekende werelden en me daarna telkens weer de deur tegen het gezicht aansmeet. Zij wilde veel, te veel en ze was grillig; dan weer wel, dan weer niet, dan vrolijk, dan woedend, zelfs geweld was haar niet vreemd. Ze had pijn. Ergens diep vanbinnen en niet alleen zij zou dat voelen, ook hij die te dicht bij haar kwam. Zo hard, dat ik wegliep.‘We stoppen ermee.’ Hoe kon ik dat zeggen tegen iemand van wie ik nog hield… en toch. Ze schokte in mijn armen terwijl ze hard met haar vuisten tegen me aan sloeg. ‘Moet ik je nu wurgen of omarmen?!’‘Wurg me maar.’ Zij voelde warm aan en ik voelde me kouder worden. Het afschuwelijke besef dat dit niet voor mij was weggelegd deed me sindsdien hyperventileren wanneer een vrouw nog maar aanstalten deed om me beter te leren kennen. Geen 'normaal' leven of, misschien, als de kippen niet meer kakelen maar praten. Ik vertrok. Haar naam was enkel nog een kleur in een dagboek. Tot ik Thamina tegenkwam. Voor het eerst sinds jaren was dit anders. Alsof ik me bij haar wel veilig voel. Ik ga op het balkon zitten en neem een paar foto’s. Overal loopt men rond, hard werkend, kriskras door elkaar, een mooi en druk volk, dat steeds weer opbouwt. Van hieruit kan ik beter de videofunctie nemen. Normaal geef ik de voorkeur aan foto's, zeker op locatie, omdat je voor foto's de tijd moet nemen om te kijken en te plaatsen, die tijd neem je meestal niet wanneer je filmt. De camera registreert en jij beweegt met spastische neigingen om zoveel mogelijk tegelijk te zien. Beelden in een vast kader die even snel zouden moeten zijn als de ogen, duizenden frames die uiteindelijk het hoofd doen duizelen, de oren tuiten en de ogen sluiten voor het geweld aan beelden. De zon gaat hier snel onder en ik voel me al wat beter, maar van het eten in het plaatselijk restaurantje, met zijn toilet dat er nog gruwelijker uitzag dan deze in de film Trainspotting, blijf ik voorlopig af. Thamina en Salim zijn er een rijke Bengaal tegengekomen die graag kindjes wegschopt als ze voor zijn voeten lopen en zijn nu met hem mee. Hij beloofde hen een ritje met de speedboot en een beerparty. Ik wilde liever in het hotel blijven.   Asalaam aylekoumIk besluit om mijn stoute schoenen aan te trekken en alleen op pad te gaan, misschien kan ik naar één van de rieten dorpjes wandelen die ik in de duinen zag liggen, waarom niet. De zee ruist. Even alleen. Heerlijk. ‘My name is Ruby.’ Een meisje van ongeveer tien in zwart Ajax-shirtje en roodgebloemd broekje groet me. Een ander meisje, iets ouder, staat naast haar en prevelt iets. Haar armen zien eruit als schuurpapier en op haar lippen kleeft dik, rood doorlopen lippenstift. Haar ogen zijn grotesk blauw geschminkt. Ze kijkt me wazig aan en wil me iets vertellen. Ik vraag aan Ruby wat er mis is met haar. Ze vertelt dat ze geen vader, geen moeder, geen zuster meer heeft; iedereen weg sinds de vloed kwam. Ze wijst naar een klein rieten hutje dat lijkt op zo'n Indiaanse zweethut. Daar woont zij alleen. Ruby zelf neemt me bij de hand en trekt me mee naar een iets grotere bamboehut. ‘Here lives my family.’ Een oude, breedglimlachende man komt naar buiten. Hij verwelkomt me en nodigt me uit even mee binnen te komen. Het hutje bestaat uit twee kleine vertrekken en één halfopen, blijkbaar de keuken, in de andere twee staan verharde rieten bedden. Ik tel een hele familie kinderen en grootouders, pal voor mijn neus. Ze kijken me verbaasd aan, een blanke westerse man is hier een rariteit. Ik glimlach wat en speel handjeklap met Ruby. Even later zitten de andere kinderen naast mij op het grote bed. De grootouders brengen een kom in zon gerijpte kleine vruchtjes. Ze lijken op appeltjes. Ik waag het erop, al is het maar uit beleefdheid. Ze smaken naar een super geconcentreerde Granny Smith. Het valt best mee en mijn maag lijkt het te verdragen. Ik dank hen en neem afscheid, ze stralen. De kinderen wuiven me enthousiast uit. Even verder draai ik me nog eens om en zie het meisje met de blauwe ogen. Ze kijkt me na met een blik die dwars door me heen gaat. Dit is geen toeristisch land. Wat doe ik hier eigenlijk? In de winkelstraat met schelpen- en stoffenkraampjes hoor ik enkele mannenstemmen me iets toeroepen en lachen, ik reageer niet en loopt verdwaasd verder, te ver weg van huis. Ik wilde graag weg van huis, van haar, van alles, maar wist niet waarnaartoe en belandde met een Bengaalse schone ergens waar ik niet thuishoorde. Vanaf het balkon van mijn hotelkamer kijk ik naar de mensen op het dak van een versleten bus die druk in de weer praten en op het dak lijken te barbecueën. Mooi, zo onder het licht van een straatlamp. Ik denk aan mijn vrienden. Ik denk aan het ouderloze meisje. Verder denken wil ik niet, de verschillen zijn hier te groot; ik voel me er ongemakkelijk bij en zelf ben ik moeder Theresa niet. Ik luister naar de zee, de krekels, het gezang, protesterende megafoons en luid klappende mensen. Die nacht krijg ik bezoek van een horde muggen die als wilde prairiehonden op zoek zijn naar bloed. Tegen de ochtend val ik pas in slaap en droom van haar. De wind maakt me wakker, ik open mijn ogen en Thamina staat voor het vensterraam, ze rekt zich uit als een jonge wolvin. De zon valt binnen.‘as-salāmoe `alaykoem.’‘wa alaykoem as-salām’‘En hoe voel je je?’‘Beter, veel beter.’ Ze glimlacht, ze kan zo lief glimlachen achter dat masker van haar; de meid die alles aankan, die alles weet en nooit verveelt. ‘Hoe was de beerparty?’‘'t was een aansteller.’ Ze zucht even, heft haar hoofd op, strekt de armen en laat haar ogen schitteren. ‘Als we vandaag eens gaan zwemmen?’‘Mag dat?’‘Wel als we lange badkleding dragen.’‘Dat heb ik niet.’Ze glimlacht en kijkt me ondeugend aan. ‘We zullen zien.’ Salim heeft haar verteld dat er vandaag noch gereden noch gewerkt mag worden, zelfs de riksja’s worden tegengehouden. Het is staking en hij weet niet hoelang het zal blijven duren. Nog meer bussen zijn deze nacht aangekomen en de luidsprekers staan niet stil.  On-rustOp de gang ontmoet ik voor het eerst mijn buurman, een in net pak geklede Pakistaan, waarschijnlijk een zakenman. Hij knikt me relaxt toe en vraagt me naar mijn business hier. Ik ben het beu om me als toerist voor te stellen en vertel hem dat ik hier ben om een roman te schrijven over Bangladesh. Hij glimlacht alsof hij er niets van gelooft en stelt zichzelf voor als Hassan, journalist van de Khalied Times. Hij vertelt dat ik hier waarschijnlijk nog wel een tijdje zal vastzitten, dat de bevolking op scherp staat momenteel en diegene die niet participeert in de staking zal gestraft worden. De bussen hier zijn volgeladen met studenten  die hun onvrede uiten tegenover de regering. Er rijden patrouillewagens van het leger rond en er heerst een onrustige stilte. Snel wandelen we door naar het strand, waar de zon schijnt en de zee alles wegspoelt. Er is veel volk aan het strand. Zwemmen gaat nu niet, nee, we zijn nog net niet gek. Enkel de voeten raken de Bengaalse baai. De volgende dag. De staking woedt voort, de bergen mogen we niet in, want die zijn te gevaarlijk, zodat wat ik vreesde waar blijkt te worden: vastzitten aan het langste zilverstrand ter wereld, samen met een chauffeur die zich meer en meer als een overspannen bodyguard begint te gedragen en dorpsbewoners die je angstvallig aansporen om terug naar het hotel te keren: ‘Blijf in uw kamer en kijk maar wat naar de zee.’ Net zoals de vakanties in Blankenberge met mijn ouders. Help. De journalist hangt over de reling en staart naar beneden. Ik groet hem en vraag of er in de omgeving iets te zien is dat te voet haalbaar is en niet verboden. Hij stelt voor om vandaag onze gids te zijn. Eerst moet ik nog aan geld zien te komen, voor als ik straks nog iets wil drinken of eten, met de dollars die ik nog heb zal ik niet ver geraken. Banken en postkantoren zijn gesloten, dus vraag ik om het te wisselen in taka's aan de receptie. De receptionist vertelt me dat dat niet mogelijk is. Terwijl ik teleurgesteld in een van de hotelstoeltjes ga zitten en wacht op de rest, komt er een tiener op me af die geïnteresseerd vraagt waar ik vandaan kom. ‘Belgium.’‘Ooh Nilis, you know Nilis, and euhm, Scifo, great players.’Een oom van hem heeft in België gewoond. De Engelse uitspraak van de jongen is ook veel beter dan dat van de meeste Bengalen hier, wat een hele verademing is. Hij zou later graag naar de universiteit willen en met veel respect praat hij over zijn leermeester die hem hierbij helpt. Ik vraag hem of hij misschien weet waar ik geld kan wisselen. De receptionist is een vriend van hem en speelt in hetzelfde cricketteam. Mijn geld wordt gewisseld. Ondertussen komen Thamina, Salim en Hassan keurig opgefrist in de hal aan. Ik wil hen voorstellen aan de student. Hij wordt echter op een brute manier door Salim weggejaagd. Het wantrouwen is groot en de bezorgdheid nog groter. We volgen enkele weggetjes richting de heuvels en ik voel mijn bloed stromen, warm en opgewonden. We komen in straten terecht waar de varkens in het vuil wroeten en naar zwavelzuur geurende dampen uit de open riolen stijgen langs de houten winkeltjes met schreeuwerige Pepsi- en Coca Cola-reclameborden. Het is warm en stofwolken weken zich los. We stoppen voor een groot grijs-wit betonnen gebouw. Even later bevinden we ons binnen. Geen receptie, gewoon een lange donkere gang met grijze zuilen die via een platte kronkelweg naar twee verschillende verdiepingen leidt. Een ziekenhuis. De eerste verdieping is voor de minder zware gevallen, de tweede verdieping lijkt meer op een oorlogscentrum. Hier liggen vooral mensen met leveraandoeningen, ‘opvallend veel leveraandoeningen,’ benadrukt Thamina. ‘M’n ouders willen dat ik ook in zo’n ziekenhuis ga werken, ooit, als arts, en als dat niet wil lukken, als verpleegster.’‘Het is een nobel beroep.’‘Ja, maar hier... het is hier echt werken met de middelen die er zijn en veel is er niet.’‘Liefst niet hier... ’ zeg ik zachtjes en ik neem haar hand vast. Ze knijpt zacht terug. Dan laat ze snel los. Ik zie haar nadenken, twijfelen, alsof ze echt nadenkt om eventueel haar leven om te gooien, om alles vanaf nu anders aan te pakken. Het is een grote witte zaal vol kleine bedden waar veel kinderen rondlopen, met hier en daar een netgeklede zuster die naar het laboratorium snelt, een rommelig lab in een ruimte dat weg heeft van een schuilkelder. Zelfs dat van mijn middelbare school zag er beter uitgerust uit. En dan zijn er de zieken, mensen die hardop hallucineren en creperen van de pijn; een pijnverdovend middel zou hier goud waard zijn. Zoveel pijn dat ik snel naar buiten vlucht, hier kan ik geen foto's van nemen.  "Als er een hel is op aarde   is het een derde wereld hospitaal   Waar geboorte en dood   beide huilen voor hulp   samen met dezelfde adem "                                     Nadeem Rahman De staking eindigt even plots als die begon. Het is acht uur ‘s avonds, we vertrekken onmiddellijk. Het is genoeg geweest en Thamina heeft een besluit genomen; ze wil zo snel mogelijk weer naar België. In Chittagong City verdwalen we en verliezen zo een paar uur. Thamina knikkebolt in slaap, ik neem haar in mijn armen. Slaap maar, rust nu uit. Het is nacht en de maan voelt jong.Afscheid De laatste dag, we moeten gaan eten bij twee families. Zij heeft een fijne familie, niet te vergelijken met dat van mij, dat in stukken is gescheurd. Daarna gaan we met z'n allen naar de kermis. Allemaal kleurrijke kraampjes met lekker geurende zoetigheden en foto's van Indiase en Bengaalse cricketvedetten. Er is ook een rad, uit hout gemaakt, met twee stoelen die elk om beurten worden voortgeduwd. Het is een mooie avond. Thamina blijft de hele nacht nog bij haar ouders. Ik wacht op het dak. Laat in de nacht, als het bijna ochtend wordt, komt ze naar boven. Haar donkere wangen blinken zacht. Ik omarm haar troostend. We besluiten om nog een wandeling te maken. Bij een bruggetje gaan we zitten en legen de laatste fles taxfree paper bag whisky. De lege fles droppen we in het riviertje en terwijl we kijken hoe het in een dunne duisternis verdwijnt, streel ik zacht haar haren en vertelt zij dat ze mijn hart hoort kloppen. Dat kan alleen in Bangladesh. ‘Dat hart doet nog steeds pijn,’ zeg ik met een oprechte blik en een je-weet-wel-vanwaar-het-komt zucht.‘Goed, dan zijn we met z’n tweeën en zeker niet alleen.’ Afscheid en tranen en hen die we achterlaten. De luchthaven. Duty free shoppen. Laat de dollars maar rollen, we zitten hier tien uur vast, it's a Dubai material world, we komen dollars tekort. We slapen op de grond. Zij is mooier geworden, ze is veranderd, 'amio', ik ook. Brussel. Sneeuw en sneeuwwitte zelfbewuste vrouwen die dromerig kijken naar newage-etalages. Olifantjes en een domme wazige sluier overvallen mijn ogen. Mijn handen voelen koud en mijn vingers, met fluo-orange hennanagels, versierd bij mijn vertrek door Thamina’s nichtjes, zoeken warmte bij het vasthouden van een zak friet met mayonaise. Het aanpassen duurt niet zo lang. Thamina heeft zich opnieuw ingeschreven op de universiteit, ze wil dokter worden. Ik doe verder waar ik goed in ben: zoeken. Ik voel me terug. Afwezig.                                      Voor Iqbal, Bengaalse wijze vriend, het ga je goed en licht.    

Bart Vermeer
36 0

opdrachten Anke (Huis) en Els (Welkom)

Huis   Ik kijk naar mijn hand op de ruwe muur. Mijn huid glimt. De geur van rivier zit in me. Ik weet dat ik gestorven ben, maar ik weet niet meer wanneer. Ik kan me niet meer voorstellen dat ik dat ooit deed: het meten van de tijd. Hoe vreemd. Het aanraken van de vierkanten bakstenen, rood, korrelig, bovenop elkaar, maakt me bang. Dingen staan zo vast in hun vorm hier. Ik weet niet meer goed hoe dat was. Ik kan de trillingen in de muur voelen. Telkens de mannen op het huis inbeuken, gaan de vibraties door mijn botten. Een zoete, muffe geur vult me op. Ik zie behangpapier. In detail. Roodrozige bloempjes op een crèmekleurige achtergrond. Gebakken appels in de keuken. Neen. Dat wil ik niet. Ik sta weer buiten. Ik ga huilen. Dat er iets bestond als huilen. Dat was ik vergeten. Een nieuwe trilling. De zoete geur, samen met het beeld van het behangpapier, vult me weer op. Dit is een herinnering. En ik wil geen herinnering. Ik wil terug naar de slijmerige, dikke laag onder het water. Waar alles koud is. En stil. Waar ik mijn vorm kan verliezen om uit te lopen tegen de oever. Maar ik kan niet vertrekken. Niet nu. Een regendruppel valt op mijn wang. Ik kijk naar boven. De lucht is wit en dik. Een volgende beuk. Dit huis zal verdwijnen. Een lijn van verdriet opent zich in het midden van mijn lichaam en splijt me uit elkaar. Dit is mijn laatste ankerpunt.       Welkom   Ik ben op dit kamp de moederkloek ! Dus, is je blijdschap eventjes zoek? Ben je van iets geschrokken, of wil je ineens naar huis? Verloor je je favoriete sokken, of is er iets niet pluis? Kom dan gezellig naar mijn tatersalon waar je alles mag vertellen, zonder pardon! Verder kan je naar me komen om samen een beetje te dromen, om te rusten na een hele dag druk spelen en je belevenissen zomaar te delen. Ik maak je ’n kopje thee, en breng zelfs mijn dambord mee. In mijn salon is het lekker stil, dus je mag zelfs ’n dutje doen, als je dat wil!  

Sharmila Madhvani
2 0

Weg- en rioleringswerken in de Heidebloemstraat

Over een aantal maanden gaat de Heidebloemstraat er helemaal anders uitzien. Momenteel is de wegbedekking in slechte staat en het gemengde rioleringsstelsel zorgt ervoor dat het afvalwater in de waterlopen terecht komt. Daarom heeft het lokaal bestuur de opdracht gegeven om de straat opnieuw in te richten. De kostprijs van zo’n 900.000 euro wordt volledig door de stad gedragen. De Heidebloemstraat krijgt een gescheiden rioleringsstelsel, een nieuwe wegbedekking en er wordt een parkeerstrook aangelegd. Daarnaast zal er plaats zijn voor groen in het straatbeeld. Om de straat aangenaam te maken om te vertoeven, zullen er zitbanken voorzien worden. De fietsers kunnen hun rijwiel veilig parkeren aan fietsbeugels. Verder gaan er vuilbakken en afbakeningspaaltjes geplaatst worden. In het deel van de straat tussen Rozendaal en Fabriekstraat zal tweerichtingsverkeer voorzien worden. Het deel tussen Stationsstraat en Rozendaal blijft eenrichtingsverkeer. In de hele straat is de aanleg van een parkeerstrook en een voetpad gepland. De verlichting zal voorzien zijn van LED-verlichting. Dit is niet alleen duurzaam en dimbaar, maar geeft ook wit licht dat beter is voor de zichtbaarheid en de veiligheid. De straatverlichting zal na 22 uur gedimd en niet gedoofd worden. De werken verlopen in verschillende fases. In een eerste fase gaan de nutsmaatschappijen aan de slag. De start is voorzien meteen na Palmenmarkt als het weer dit toelaat. Tijdens deze periode zal er verkeershinder zijn, maar de doorgang blijft wel verzekerd. Er komt een parkeerverbod indien dit nodig blijkt. In een tweede fase wordt er gewerkt aan het kruispunt Rozendaal – Heidebloemstraat. Om het verkeer vlotter te laten verlopen, is er in Fabriekstraat, Rozendaal en Heidebloemstraat tussen Pallo en Rozendaal tweerichtingsverkeer mogelijk, zodat bewoners en lokaal verkeer tot aan hun bestemming geraken. Hier komt een parkeerverbod waar nodig voor een goede verkeersafwikkeling. De werken aan de Heidebloemstraat worden opgesplitst: het deel tussen Stationsstraat en Rozendaal en het deel tussen Rozendaal en Fabriekstraat. De volgorde waarin de werken plaatsvinden, moet nog bepaald worden. Tijdens de werken tussen Stationsstraat en Rozendaal geldt er in Rozendaal en Pallo tussen Heidebloemstraat en Schoolsteeg tweerichtingsverkeer. In de Fabriekstraat is er verkeer in twee richtingen mogelijk tijdens de werken tussen Heidebloemstraat en Rozendaal. In beide fases is er parkeerverbod voor de straten waar er op dat moment tweerichtingsverkeer is. Om de verkeershinder te beperken, wordt er een omleiding voorzien richting St.-Dimpna. Voor het verkeer dat uit de richting van Ten Aard komt, loopt de omleiding langs de Ring, vervolgens langs Pas, Fehrenbachstraat en zo langs Gasthuisstraat naar St.-Dimpna. Het verkeer dat van Larum naar St.-Dimpna wil rijden, wordt omgeleid via Dr.-Peetersstraat naar Pas. Meer info: infocel technische diensten, 014 56 62 50, infocel.td@geel.be

Lieve Geuens
0 0

De Ipod-generatie (voor Charmila) / Turkenzakken (voor Anke)

De ipodgeneratie   “Moet ik creatief bezig zijn? “ vraagt Corneel aan zijn moeder? Hij ligt op een eigenaardige manier in de zetel. Op zijn buik, voeten opgetrokken, met in zijn hand de eeuwige Ipod. Zijn moeder mag niet zien waar hij mee bezig is, maar ze vermoedt dat het weer dat voetbalspelletje is.   Uren kan hij zich daar mee bezig houden. “Wat ben je aan het doen?” vraagt ze? “Gewoon”. “Gewoon? Wat zeg je daar nu mee? Daar weet ik toch niets mee?”. De spanning stijgt. Moeder voelt de ergernis in haar opkomen. Ze probeert te kalmeren. Ze weet immers dat het niets uithaalt om met haar zoon in discussie te gaan.   Allerlei gedachten gaan vliegensvlug door haar hoofd. Het stemmetje van haar boezemvriendin, die het niet zorgwekkend vindt dat Corneel thuis weinig initiatief neemt. Gedachten over Robbe en Pablo, vriendjes van Corneel, die ook niet van de schermen zijn weg te slaan. Haar dochter, die floreert en altijd op stap is met haar vriendinnen, de ruzies die ze al gehad heeft met Corneel over zijn ipod-verslaving. Moeder ademt diep. Ze bijt op haar tanden om niet in discussie te gaan. Ze draalt een beetje rond in de living en besluit dan om even naar boven te gaan. Op haar eigen kamer komt ze tot rust. Na even nadenken komt ze tot het idee om over een half uurtje naar beneden te gaan en Corneel voor te stellen samen een filmke te kijken.     Turkenzakken   Oma staat er beteuterd bij te kijken. Het huis waar ze heel haar leven gewoond heeft gaat tegen de grond. Ze ziet er moe en versleten uit. De pijn van het afscheid is van haar gezicht te lezen. Samen met haar heb ik vorige week haar kasten leeggemaakt. Haar linnenkast op haar kamer was pure nostalgie. De schimmelgeur van oude, verstorven kleren zit in mijn geheugen gegrift. Terwijl oma op een stoel vlak voor haar grote linnenkast in haar slaapkamer zat nam ik alles heel voorzichtig uit de kast en bekeek het samen met haar. Hopen lakens, oude kleren, sjaaltjes en jassen, een tot op de draad versleten kamerjas, zwarte en bruine ouderwetse handtassen. De geur deed me denken aan de tweedhandswinkel achter mijn hoek.     Bij elk stuk vroeg ik of ze dat nog nodig had. Een domme vraag natuurlijk. Wat heb je nu nog nodig als je naar het rusthuis gaat? Maar oma wou geen afscheid nemen van haar spullen. De lakens waren van het zuiverste katoen. Die wou ze bewaren voor als mijn dochter het huis uit ging. Haar vele jurken zou ze in het rusthuis wel nog dragen. Haar nertssjaaltje moest mee omdat ze dat ooit gekregen had van opa. De leren handschoenen stonden stijf van de ouderdom, maar als ze in de winter eens naar een begrafenis moest, wou ze die graag aandoen. En zo ging alles van de kast naar de turkenzakken. Ik probeerde wel om haar te overhalen enkele dingen weg te doen, maar ze keek naar alle spullen met zoveel weemoed dat ik het niet over mijn hart kreeg tegen haar wil in te gaan.

Els Maton
0 0
Tip

Wat bindt meisjes van 54 en Peter Sagan?

Het moest er van komen. Mijn hele ik verzet zich tegen onontkoombare verzakkingen, blubber, flapperende bovenarmen en een middel dat langzaam verdwijnt als de dooi die traag maar zeker verder schrijdt. Alleen kondigt de dooi een blij begin aan, mijn dooi is het startschot van een langzaam verdwijnend meisje. Ik heb mij nog niet overgegeven. Het wereldbeeld van een horde dames in bruine driekwartbroek en een blauwe fleecetrui op een rustig fietstochtje op een warme maandagmiddag bestrijd ik met elke snelle vezel die ik nog heb. Ik sta dan ook op de eerste rij in een workshop high-energy dancing. Ik moet mijn buik intrekken om er even lichtvoetig, strak en gezwind uit te zien als mijn lerares. Beeld ik het mij in of kijkt zij bij tel “twee” iedere keer bezorgd in mijn richting? Mijn klasgenoten volgen haar feilloos, maar ik vind dat de pasjes meer iets zijn voor the Royal Ballet School. Ik benadruk bij mijn lerares dat mijn gebrek aan coördinatie een probleem is dat ik al had van mijn kindertijd. Zij moet begrijpen “niet iets dat te maken heeft met mijn leeftijd”. Zij knikt dan ook begripvol en stuurt mij heel vriendelijk oefeningen op die deze zwakte moeten repareren. Veel oefenen voegt zij er aan toe, maar wij weten allebei beter. Het is tijd voor fase 2. Ik trek mijn stoute schoenen aan en schrijf mij in bij een fitnessclub. Wat ik precies wil? vraagt de jonge balie-en sportbegeleider. “Ik wil spieren”, hoor ik mezelf zeggen.  De jongen loodst mij door de inschrijving en neemt mij mee, na een haperende start bij het toegangshek, op tocht doorheen het hele centrum. Ben ik echt de enige die in het draaihek blijf hangen?  “Hier is er iets dat heel vriendelijk is voor de gewrichten”, toont hij met een wijsvinger aan. “Altijd heel veilig en toch een volledige work-out voor alle leeftijden.” Heeft hij mijn vraag niet gehoord? Ik wil spieren. Dat zeg ik dan ook nog eens met veel zelfvertrouwen en zelfs aplomb. Hij knikt maar zijn linker wenkbrauw toont grote twijfel. Wij komen aan in de spierafdeling. Het lijkt mij net de opslagruimte van het materiaal uit een hardcore pornofilm. Er hangen overal instructieplaatjes merk ik, maar toch….ik bedenk in een angstige flits dat dit wel eens de little death te veel voor mij zou kunnen zijn.  Het zal weken duren voor ik alle standjes zal snappen en nog eens weken om aan een uitvoering toe te komen die verborgen camera toelaat.  Toch ga ik naar huis met een goed gevoel. Ik heb gedurfd! Ik ben een fitnessruimte binnengewandeld en niemand is gillend naar de nooduitgang gerend. De rest van de dag maken mijn endorfines overuren. Ik heb dan ook geen scrupules als ik languit in de zetel Gent-Wevelgem bekijk met nog 140 km te gaan. De bijendans tussen Cancellara, Sagan, Vanmarcke en Kutznetsov overstijgt de dagelijkse portie soap, fictieve en de mijne. Als Peter Sagan even later wint, besef ik dat mijn gekozen weg, weliswaar vol koppige ontkenning en onbegrensd naïef geloof in eigen lichaam, de enige juiste is. Peters overwinnaarsinterview barst van een ongecompliceerde vanzelfsprekendheid. Het was de hele dag “volle gas” en er was een sterke wind licht hij toe. Ondertussen steekt hij achteloos een haarstreng vast en wrikt hij het micro-oortje los. Ik streel teder mijn glanzende fitnessclublidkaart.

Anne-Marie De Clercq
18 2

Het bezoek (voor Dorinne) - Het boodschappenlijstje (voor Anna)

Het bezoek Hij had enkel een krant meegenomen. Aan een geschenk had hij te laat gedacht. Een voorverpakte tuil bloemen uit de winkel van het ziekenhuis zou die nalatigheid alleen maar uitvergroten, dacht hij. Ze had hem aan de telefoon uitdrukkelijk gezegd niets mee te brengen. Ze bedoelde chocolade. De dokter had haar op een streng dieet gezet.    Hij zag haar voor het eerst in zijn leven in een nachtkleed. Ze droeg geen make-up. De verpleging had haar haren losjes gekamd. Het besje in het bed strookte niet met het beeld dat hij van haar in zijn herinnering bewaarde. Hij had het nochtans ingrijpend bijgesteld na de telefoons die ze vóór zijn bezoek hadden gevoerd. De eerste dagen na haar opname begreep hij amper wat ze zei. Tijdens hun eerste gesprek kreeg ze enkel het woord ziekenhuis redelijk verstaanbaar over haar lippen. Via 1207 kwam hij na drie keer doorschakelen op een afdeling intensieve zorgen terecht. De verpleegster vroeg tot twee keer toe wie hij was. Ten slotte zei ze: ‘Ik schrijf in het dossier dat u een zoon bent.’ Hij protesteerde niet.   Ze glimlachte toen hij de kamer binnenkwam. Haar ogen blonken nog. Dat stelde hem enigszins gerust. Haar stem, eerst nog zwak, won aan kracht naarmate het gesprek vorderde. Haar lichaam daarentegen zakte steeds dieper weg in het kussen en de matras.    ‘Soms kijk ik tv,’ zei ze. Aan de muur tegenover het bed hing een flatscreen. Het toestel was hem tot dan toe niet opgevallen, maar vanaf dat moment betrapte hij zichzelf erop dat hij af en toe naar het scherm keek, zelfs al was het zwart. Het weerspiegelde de ziekenhuiskamer.    ‘Ik heb iets voor je meegenomen,’ zei hij, ‘om te lezen.’ Hij wilde haar de krant geven, maar haar handen lagen onder het laken. Op haar nachtkastje stonden een fles water en twee glazen. ‘Leg ik het hier?’ vroeg hij. Hij wees naar de tafel bij het raam. Dat vond ze prima. ‘Al lees ik niet veel,’ voegde ze daaraan toe.    Op de vensterbank stond een vaas met margrieten. De verpakking van cellofaan zat nog rond de bloemen. De stelen werden door een blauw elastiekje bij elkaar gehouden. Ik had bloemen moeten meebrengen, dacht hij. Hij was daags voordien nog in de stad geweest. Op zijn route hadden wel drie bloemisten gelegen. Zijn blik viel opnieuw op het televisietoestel, daarna op de krant.    Waar kwam toch die impuls vandaan om een zieke bloemen te geven, vroeg hij zich af. Probeerde het bezoek daarmee de inwisselbare kamers enig karakter te geven? Of ging het om het achterlaten van een bewijs van bezoek? Chocolade wordt opgegeten en een krant weggegooid, maar een plant houdt het meestal vol tot aan het einde van een verblijf. Hij herinnerde zich een verhaal over een ziekenhuis dat een verbod op bloemen invoerde. Het had iets met bacteriën te maken. Ze vermenigvuldigden zich razendsnel in het water. In een ander ziekenhuis zette het personeel ’s avonds alle bloemen op de gang. Hij stelde zich de nacht voor die zwart voor de ramen hing en de helverlichte gang gevuld met enkel bloemen, verdieping na verdieping na verdieping. Hij wist niet meer waar hij die verhalen had gehoord of gelezen. Hij was vrij zeker dat hij zelf nooit in zulke ziekenhuizen had rondgelopen. Misschien waren het wel verdichtingen van de stortvloed aan nutteloze nieuwsberichten die hij dagelijks met een vinger op zijn smartphone wegveegde.   Hij beloofde haar binnenkort nog eens langs te komen. ‘In het ziekenhuis,’ zei hij ‘of thuis, tenzij je dat in het begin niet graag hebt?’ Ze antwoordde dat ze altijd graag bezoek kreeg. De woorden kwamen, voor hem althans, onverwacht kribbig uit haar mond. ‘Zoveel heb ik niet te doen.’ Ze wees daarbij met haar hand in de richting van de televisie. Hij twijfelde eraan of ze zich erg bewust van die handeling was. De schaarse bewegingen die ze tijdens zijn bezoek had gemaakt, waren traag en ongecoördineerd geweest. Ze probeerde onder andere een droog vel van haar mond te krabben, maar haar vinger was op een neusvleugel geland. Ze had enkele keren geveegd alsof dat altijd al de bedoeling was geweest. Het scheen hem toe dat het oorspronkelijke voornemen haar ondertussen zelf was ontgaan.    Hij gaf haar een zoen op haar wang en zei: ‘En je weet het.’    ‘Als er iets is, mag ik je bellen,’ maakte ze de zin voor hem af.   Het boodschappenlijstje Dan valt zijn oog op het laatste, nog niet doorgestreepte woord op het lijstje: broekjes. Broekjes? Is zijn moeder vergeten dat hij geen kind meer is of heeft ze zich vergist en bedoelt ze … brokjes? Voor zover hij weet, heeft ze geen beest in huis gehaald. Hij vraagt een winkelbediende om hulp. Bang een mal figuur te slaan, wijst hij het meisje het woord op het lijstje aan.    ‘We hebben mini, medium en maxi,’ zegt ze. Ze laat hem achter bij het rek met incontinentiemateriaal.    Dus daarom heeft mijn moeder dit lijstje vóór ik vertrok niet hardop voorgelezen, denkt hij. Die gewoonte had ze aangenomen toen hij ooit eens – hij moet toen een jaar of zestien zijn geweest – een groene in plaats van een witte selder had gekocht.    Elke week zag het lijstje er ongeveer hetzelfde uit. Ze gaf hem dan ook elke keer ongeveer dezelfde toelichting. Na twee à drie producten kreeg hij zin zichzelf op te knopen en dan kwamen er nog een stuk of twintig.    Die fameuze selder had overigens wel bij het bordje met daarop het woord witte gelegen, maar dat had ze niet willen geloven. Uit pure colère kieperde hij die verrekte groente in de vuilnisbak en sloeg de deur van de keuken achter zich dicht. Toen zijn woede enigszins was gezakt, ging hij terug naar binnen. Zijn moeder zat op een kruk aan de tafel. Ze had de selder uit de vuilnisbak gevist en wiegde hem als een kind in haar armen.

Ward Mertens
0 0

Schrijfopdracht Sigrid & Nathalie

Ochtend op het eiland Hij zit al een hele tijd stil op het terras van het huis langs de zee en geniet van de ochtend op het terras van het huis langs de zee. De kleuren in de lucht veranderden van donkerpaars over lila naar oranje tot er plots een zonnestraal als een pijl over de zee schiet. Hij geniet van de zon die uit de zee komt en haar eerste warme stralen over het water gooit. Ze trekt lange schaduwen achter de cypressen. Hij geniet van de geur van de ochtenddauw. Het zal niet lang duren vooraleer de eerste warmte de ochtenddauw in het gras en de bomen zal verdampen. Blootvoets loopt hij de keuken in en voelt de koele stenen vloer onder zijn voeten. De ochtendkrant viel zonet door de brievenbus. Hij neemt een kop koffie en nestelt zich met de krant op het terras. Tegen de tijd dat hij de krant gelezen heeft, staat de zak met verse broodjes aan de voordeur. De geur die opstijgt uit de zak versterkt zijn appetijt, het water loopt hem in de mond. Hij maakt een kan verse koffie, perst een viertal sinaasappelen en kookt enkele eitjes, want zo dadelijk zal zijn huisgenoot wakker worden en kunnen ze samen ontbijten. Terwijl hij de broodjes in de mand schikt, komt zij met een slaapkop het terras op. Zij rekt zich uit en knuffelt hem. “Eitjes, vers brood en fijn gezelschap”, zucht zij, “meer heeft een mens niet nodig.” Samen dekken ze de tafel en genieten van een ontbijt in de ochtendzon. De dag ligt voor hen open, een zee van tijd strekt zich uit. Wordt het een luie dag met een boek aan het strand of zullen ze iets ondernemen? “Heb je plannen vandaag?” “Niet echt…”  Agnes Mus

agnes
0 0

Staatsveiligheid voor Hilde & Momentopnamen Molenbeek voor Lode

Staatsveiligheid Koning Albert II-laan 6 1000 Brussel   De heer Gert Verhulst Halfstraat 80 2627 Schelle   23 maart 2016 Uw verdoken oproepen tot jihad   Beste heer Verhulst   Lang dachten wij dat u zich slechts bezighield met onschuldig vertier. Zelfs links-georiënteerde naïevelingen menen dat u verdraagzaamheid, mededogen, diversiteit bijna, predikt voor hen die te immatuur zijn om werkelijk te zien waar in ons land de klepel hangt. Uw boodschap zat goed verborgen, tot wij doorhadden wat u vraagt van Afrika tot in Amerika en zelfs van in de Himalaya tot in de woestijn. U schroomt dus zelfs niet de Hindoes, die niets méér van hun leven verwachten dat niet herboren te worden als schildpaddendrol, mee te sleuren in uw snode, haast boosaardige plan. Wij hopen dat u in naam van onze beschaafde, westerse, christelijke God nalaat nog langer onze kinderen aan te sporen tot deelname aan een strijd die niet de hunne mag zijn. Wil u de goedheid hebben om niet langer in de nacht aangeslopen te komen en zelfs boudweg de bom de allerliefste te noemen. Dat laatste, heer Verhulst, was een brug zo ver dat u haast zelf in Afrika zat. Wat wij ten stelligste afraden mits de vereiste vaccinaties. Natuurlijk begrijpen wij dat u uw inkomsten ergens vandaan moet halen. Om die reden contacteerden wij uw Iraakse tegenpool, die om begrijpelijke reden geen hond als huisdier heeft maar wel een uiterst charmante, minzame ezel. Uw collega zal uw teksten in het Arabisch laten zingen, zodat zij de correcte doelgroep bereiken. Auteursrechten en wat dies meer zij, ontvangt u uiteraard gewoon verder. Als u de goedertierenheid aan de dag wil leggen om deze inkomsten correct aan te geven, zodat ons land de gepaste belastinggelden kan innen, volstaat die medewerking van uwentwege om niet meer verder bevraagd te worden. Wij menen dat de drie deernen ook liederen zonder islamitiserende boodschappen ten beste kunnen brengen. Een fijnbesnaarde mare over ons blanke land, een ode aan ons onbesproken Beierse koningshuis,… Wij danken u alleszins voor uw medewerking en wensen u en uw hond nog een mooie loopbaan.   Met vriendelijke groet   De Staatsveiligheid   Mijn voorwerpen: wasspelden, een pot deeg en een glas trappist. Alle drie verschillende schakeringen bruin.   Momentopnamen Molenbeek Het terras Mijn wasspelden marcheren over het terras. In rechte rijen gedisciplineerd gehoorzaam helemaal zoals ik het wil. De tegels duwen mijn knieschijven naar mijn schouders. Bobonne hangt haar was op. Met de helft van de wasspelden. De waslijn houdt de muren bij elkaar. En de was omhoog. De keuken Mijn benen wiebelen. Mijn voeten kletsen tegen de keukenkast. Niemand kletst tegen mijn hoofd omdat mijn benen wiebelen. Ik klets tegen mijn bobonne. Eén oog op haar. Eén oog op de pot deeg. De wafels op het metalen rooster klauteren naar het plafond. Als ze halfweg zijn, mag ik de pot uitlikken. Te weinig om nog een wafel van te bakken. Eigenlijk genoeg om nog twee wafels van te bakken. Dat weet ik. Dat weet zij. De vensterbank Mijn bobonne wiebelt. Op de vensterbank. Drie hoog in Molenbeek. Roeten kosjen. Mijn wiebelende bobonne balanceert drie hoog in Molenbeek op een vensterbank die te smal is voor mijn smalle wiebelende bobonne. Ik gedisciplineerd gehoorzaam helemaal zoals mijn bobonne het niet wil naast het raam. Klaar om met één haal mijn smalle wiebelende bobonne naar binnen te trekken wanneer zij richting afgrond davert. De zetel Mijn bobonne wiebelt. Haar glas trappist wiebelt mee. Haar voeten wiebelen mee. Haar armen. Haar hoofd. Alles wiebelt in democratische consensus mee. Haar bovenlijf probeert mee te wiebelen. Vastgeklemd in kussens in de zetel. Haar trappist kletst over haar schoot. Spat in haar gezicht. Genoeg trappist gaat naar binnen om het gewiebel draaglijker te maken.   Ik klets tegen mijn bobonne. Niemand kletst tegen mijn hoofd.

Ariane D'Hondt
0 0