Evelien Meulders

Over Evelien Meulders

Stel dat ik lid ben van een scoutsgroep, dan is mijn totemnaam 'plichtsbewuste speelvogel'.

Ik ben een beginnend schrijver. Ik schrijf het liefst herkenbare taferelen met humor.

Ik woon in het Waasland. Mijn wortels krioelen echter tot in het witte zand van de Kempen.

Mijn debuut heet 'Zout erop' . Het verhaal speelt zich af in een frituur. Het is een humoristische novelle.

Teksten

Brokkenmaker

Slordig aangekleed strompel ik hijgend tot aan het witte bushokje met een geel dak. Ik leun voorover met mijn handen op mijn bovenbenen en adem zwaar in en uit. Mijn maag rommelt als een ferme onweersbui. Het brokgevoel zit tot in mijn keel. Een koddige vrouw met grijze lokken zit op de blauwe tweepersoonsbank. Lekker uit de wind.  Ze leest een stationsromannetje: ‘Ah! Ge moet u niet haasten! De bus van twee is altijd twintig minuten te laat’ Ze kijkt me bezorgd aan, duwt haar afgeschoven bril met ronde glazen terug omhoog op haar neus: 'Daar kunt ge uw klok op gelijk zetten’  Ik voel me draaierig, krijg het warm en koud, open mijn benen en leun terug naar voren. Alles wat in mijn maag zat, komt onophoudelijk met golven weer uit mijn mond. Het braaksel gutst op de grijze vierkante klinkers van het voetpad. De spetters pletsen op mijn zwarte winterbottines: ‘Ooh, ik voel me echt niet goed’ Opnieuw bijt er een steek in mijn maag gevolgd door een gevoel van misselijkheidsgraad tien op de schaal van misselijkheid. Ik leg mijn hand op mijn buik en waggel naar de zitbank in het schuilhuisje. ‘Een Tic-Tac?’, offreert de aardige dame. Ze rommelt in haar grote cognackleurige reistas.  Een dik uur geleden ontwaakte ik slap in een veel te witte kamer. Mijn ogen prikten. Ik voelde me moe. Alles was vaag. ‘Waar ben ik?’, mompelde ik zacht. De contouren van een Scandinavisch interieur werden scherper. De witte matras zonder lattenbodem lag pal op de lichtbruine parket. Ik voelde de vloer onder mijn ruggengraat. Ik rolde kreunend op mijn zij. De klophamers in mijn hoofd mokerden erop los. ‘Waar ben ik?’, probeerde ik met veel moeite voor een tweede keer. Geen antwoord. Ik trok het witte donsdeken hoger tot over mijn buik en wreef met één hand door mijn gezicht. De mokerslagen bleven maar komen: ‘Waar ben ik? En van wie is deze loft?’ Op een paar groene kamerplanten na, was nagenoeg alles hier wit.  Een vage gouden vlek bewoog gezwind in de verte. Het stuitte en danste naar me toe: help! Ik trok angstig het dekbed tot voor mijn neus. De golden retriever sprong bij mij in bed, landde met zijn twee voorpoten op mijn buik en likte in mijn gezicht. ‘Eiikk! Zeg! Allez, ‘t is goed!’ Ik probeerde de harige loftbewoner van me af te duwen. Het vrolijke beestje lekte me een tweede keer, op mijn wang. ‘Allez zeg! ’t Is goed!’, en duwde hem met mijn handen weg: ‘Af! Zit! Lig! Allez!’ Hij zette zich keurig op zijn poep en wachtte op een beloning. Ik steunde op mijn onderarmen, zuchtte diep en streelde hem over zijn hoofd met mijn linkerhand. Een walm van misselijkheid steeg weer op: ik heb een kater. Ik kriebelde hem verder in zijn nek: ‘Ja! Nu weet ik het weer. Gij zijt, Batsie! En gij woont hier, hè? Is het niet? Batsie? Ja, hè?’  Batsie sloot zijn ogen en genoot van de kriebelmassage. Ik ging ervanuit dat dit een ja was, stopte met flemen en plofte naar achter met mijn hoofd in de donzige witte hoofdkussens: ‘Pfff, ik voel me mottig. Jaag jij die kater weg, Batsie?’  Het liep al mis bij het nemen van de eerste horde in het kampioenschap voor beste werksfeer van weggesnoeide teams. In de vergaderzaal met een massief houten ovale vergaderzaaltafel had Nikhiel, de chef van de chefs net zijn twee agendapunten aangekondigd. Onze dienst medische ruimten en implementaties wordt stopgezet en de datum voor de teambuilding is gepland.  Daar zaten we dan: Nikhiel, Florenza, Geeta en ik, elk in een mosgroene bureaustoel met zwenkwieltjes rond het platte houten ei. Analoog met de boodschap van ons ontslag vulde de vergaderzaal zich met ongeloof, verdriet, frustratie en gelatenheid, en het enthousiasme van een zelfvoldane manager. Hij bleef maar doorbomen over hoe goed deze beslissing is: ‘Ge gaat er allemaal beter van worden. Nieuwe wegen worden ingeslagen! En, ik heb mijn best gedaan om alsnog een budget voor de geplande teambuilding vrij te krijgen. Allez, Geeta. Trek eens een kaartje! We gaan er een lap opgeven!’ In het midden van de vergaderzaaltafel stond een visbokaal zonder water met een bodempje van gekleurde dichtgevouwen ideeënbriefjes. Ik keek hem scheef aan: meent hij dit nu echt? Ik draaide me hoofd naar rechts en lonkte naar Florenza, collega implementatie van voorzieningen. Haar lange zwarte krullen rustten op haar schouders. Ze daagde me regelmatig uit. Zomaar, uit het niets, op een doodgewone grijze dinsdagnamiddag wanneer Geeta weer eens vroeger vertrokken was.  Er kwam nooit iets van. We lagen allebei in de knoop van vroegere liefdesprobeersels. Florenza’s echtscheiding was te rauw om nu, of zelfs ooit aan iets nieuws te beginnen. En ik, lijmde nog de brokken van de laatste poging tot een relatie, aangegaan onder het motto ‘alleen is maar alleen’ ,en celibatair door het leven gaan, vond ik een hele andere uitdaging, zelfs onmenselijks las ik ooit in de krant. Ze staarde ijzig naar beneden. Florenza, ik ga je missen. Mijn dichtste collega, mijn bureaubuddy aan ons landschapsbureau.  ‘Allez Geeta! Komaan! Eens goed roeren in de visbokaal en een kaartje pakken. Waar gaan we naartoe met dit team?’, bulderde Nikhiel ongegeneerd verder. Geeta, collega van enveloppefinanciering, leunde naar voren en strekte haar arm naar de visbokaal. Ze husselde met haar hand door de briefjes, plukte een fluo roze post-itje en plooide het open. Haar diepbedroefde stem zei zacht: ’We gaan… we gaan met z’n allen…’  ‘Allez, wat luider en enthousiaster, hè Geeta’, dreunde Nikhiel ertussen. Ik draaide met mijn ogen: wat een walgelijke man. Geeta schraapte haar keel en zei stevig: ‘We gaan met zijn allen teambuilden op de Warme Winter Openlucht Kermis!’ Het bleef muisstil. Niemand applaudisseerde. Nikhiel sloot af met de idiote woorden: ‘Goed, dat is dan geregeld’ Hij leunde naar achter in zijn bureaustoel, keek op zijn horloge, stond naarstig recht en haastte zich de vergaderzaal uit.  De draaimolens toerden rond op orgelmuziek. Smikkelende mensen in wollen winterjassen, mutsen en sjaals met suikerspinnen en appelbeignets wandelden me tegemoet. Ik had afgesproken met Florenza en Geeta aan de eetkraampjes. De natte vrieskou deed me rillen. De botsauto’s karden rond onder een tentvormig dak met een metalen vloer op de beats van een oude disco-hit. Hun remlichten knipperden rood. De man van de rupsbaan verkondigde in zijn microfoon om te blijven zitten, want de rups gaat nog achteruit. Uit de frisbee, een schommelende klepel met daaraan draaiende gondels kwam een hels geschreeuw. De kermisverlichting kleurde vrolijk groen, roze, wit en geel. De attracties waar behendigheid een rol speelt, hadden minder succes. Een donzige knuffelbeer keek me zielig aan: grijp mij!  'Joehooee!! Hier is het te doen!’ Twee gedaantes, ingeduffeld alsof ze op wintersportvakantie vertrekken, wuifden naar mij. Ze misten enkel skilatten en stokken. Klaar om een afdaling te maken. Klaar om plezier te maken. Ik gaf de twee dames elk een zoen. De elektrische heteluchtblazer ronkte zich te pletter om ons en de andere winterkermisgangers warm te blazen. ‘We staan hier al een kwartier op u te wachten’, mopperde Geeta. De groene lichtslinger van het drankenkraam knipperden aan en uit. Uit de muziekboxen klonk er kerstmuziek. Geeta lachte half gesmoord: ‘We hebben dan maar ééntje gedronken zonder u’  Florenza grinnikte: ‘De Nikhiel is er niet bij. Die komt niet. Griep volgens zijn sms. Zijn deel van het budget hebben we dan maar opgedronken’ Geeta haalde haar neus op.  ‘Ik trakteer op hot mojito’s!’, flapte Florenza enthousiast eruit. Ze rammelde met haar want een plastiek zakje gevuld met rode muntjes in de lucht: ‘Hier! Van dit kraam! Ik heb bonnetjes gekocht’ We stonden klaar voor de volgende horde van het kampioenschap voor de beste werksfeer van weggesnoeide teams.  ‘Maar allez, Florenza, meent ge dat nu? Hot mojito’s? Dat kan toch niet lekker zijn? Welke crimineel heeft dat uitgevonden?’ Aan de binnenkant van het kraam stond een forse barman met kerstrui en kerstmuts. De barman spitste zijn oren en draaide zich om: ‘Ha! Jungen man! Sie haben jetzt ganz nichts so gedrünken. Vielleicht dieses mojitos! Fragen sie an die Damen. Sie smecken die mojito’s’ Hij keek me aan met zijn roodgloeiend gezicht. In het kraam is het wel lekker warm, dacht ik. Geeta kon het niet houden van lachen. Florenza beaamde: ‘Sehr schön, Sehr schön. Proef maar eentje, ik trakteer’ Door de beruchte vergadering van een paar dagen geleden, was de warme rumdrank meer dan welkom en tegen haar kon ik geen nee zeggen.  De barman prepareerde drie warme cocktaildranken met munttakken in. ‘Ik ben mijn job kwijt, Flo’, wauwelde ik: ‘Wat moet ik nu doen?’ ‘Hetzelfde als ik en genieten van onze laatste momenten samen’  Geeta hees ondertussen de ene hot mojito achter de andere binnen en begon emotioneel te lallen: ‘Jullie jongen vogels, hebben chance. Ik! Ik? Wat moet ik zeggen? Nog twee jaar en ik was klaar. Op pe… pe… soen. Op pensioen!’  Ik dronk gulzig. Florenza slurpte en keek me in mijn ogen: ‘We gaan elkaar na deze kermis nooit meer zien’ Ik verslikte me: hoor ik dit goed?  ‘Ik heb een job aangeboden gekregen in Liezele. Volgende week kan ik beginnen’ Deze mokerslag had ik niet zien aankomen. Waren alle mokerslagen van deze week niet uitgedeeld? De knipperende kerstlichtjes werden vaag. De kerstmuziek fadede uit. Als flirtende bureaubuddy’s deelden we toch alles? Ik dronk de warme rumdrank in één teug uit: ‘Bbbuurrpppp! Nog één voor mij, Geeta. Wieder jetzt mojito!’  ‘Geen probleem. We hebben bonnetjes genoeg!’, juichte ze veel te luid.  ‘Die gaat morgen een kater hebben’, fluisterde Florenza in mijn oor. Ze omhelsde me rond mijn middel en trok me tegen haar aan. Ze staarde naar de grond.  ‘Batsie? Batsie!’ Ik schiet paniekerig wakker en sla het witte donsdeken van mij weg: ‘Batsie? Batsie?’ De goudkleurige speelvogel komt vrolijk kwispelend aan gewaggeld en drukt zijn natte neus tegen mijn voorhoofd. Ik streel hem over zijn kop. ‘Batsie? Zijt gij de hond van Flo?’ Ik kijk naarstig rond en zie op het witte Ikeanachtkastje vrolijke foto’s staan: Florenza op vakantie in de bergen, Florenza met hoogstwaarschijnlijk haar moeder, Florenza met een aandoenlijke Batsie.  ‘Dat kan niet! Kut, kak, kut! Niet met Florenza!’ Mijn hersenen knetteren op volle toeren: we zijn collega’s, goede vrienden, waren goede vrienden, waren collega’s. Ik krijg het benauwd: ze laat me in de steek. Ik schiet in een kramp. Ik moet hier weg. Opgejaagd als jong wild, trek ik mijn kleren aan: waar zijn mijn schoenen? Waar is mijn portemonnee en telefoon? ‘Allez Batsie! Zit zo niet te kijken! Zoek mijn telefoon!’ De hond gaapt groot en legt zich neer in het overhoopgehaalde bed. Mijn ringtone verstoort de stilte. Het geluid komt van onder het donsdeken. Ik gooi het in de lucht. Batsie springt recht. Mijn telefoon rolt op de parketvloer: ‘Sorry Batsie. Ik moet weg!’ Ik check mijn telefoon. Gemiste oproepen, gemiste berichten en scrol naar de app van de regionale bus. ‘Fuck! Over een paar minuten is de bus van twee uur er al’  Ik schiet uit de startblokken: weg uit deze beklemmend plek. Weg uit deze hachelijke situatie. 

Evelien Meulders
12 0

Worstkaasscenario eten we vegan

Dennis rolt de steekwagen met zwarte plastiek stapelbakken en kartonnen dozen de winkelruimte met aan beide zijden een etalage in: ‘Voilà, dit is het laatste van de levering van de traiteur, Beppie!’  Hoge receptietafels met mooie minibloemstukjes staan tussen de winkelrekken en de toonbank verdeeld.   ‘Zeg, veel volk op de gastenlijst. En niet de minste, zelfs de burgemeester komt af!’, roept hij naar de dame op het aluminium inklapbaar trapladdertje met twee treden. Hij zet de steekwagen neer en trekt zijn afgezakte joggingsbroek op tot boven zijn navel: ‘Oei, de rek van mijn broek is kapot’, en knoopt op goede hoop het elastisch koord in een schoenveterknoop.  De kokette kleine dame, gekleed in donkergroene kokerjurk met bijpassende zilveren pumps draait zich minutieus om, op de bovenste trede van het trapladdertje met het einde van een gouden slinger in haar rechterhand: ‘Ja, ons Trea mag trots zijn. De opening van haar eigen zaak. Een speciaalzaak in houten lepels. Dat bestaat in heel Vlaanderen nergens niet!’ Ze draait zich terug om, strekt zich volledig en probeert met een punaise de slinger vast te pinnen. Maar het lukt niet: ‘Lap hè, ik ben te kort’ Dennis grabbelt naar zijn leesbrilletje in de buidelzak van zijn grijze kaptrui, plooit de twee benen open en zet hem op zijn neus. Hij leest de bestelbon: ‘Beppie? Beppie! Kom eens! Dat zijn hier problemen! Dat klopt hier niet. De bestelling is niet compleet!’ ‘Oei, bel de traiteur dan maar op! Binnen een halfuur begint dat hier. En u niet laten doen, hè! Die zelfstandigen met hun smoesjes altijd. Mijn gsm ligt daar, op die tafel. Gebruik die maar!’ Ze probeert nog een tweede keer en mompelt: ‘Komaan Beppie! Op 3, en dan volledig strekken. 1… 2… 3…!’ , strekt zich volledig en staat op de toppen van haar tenen. Maar het lukt niet. Ze zucht: ‘Lap hè, ik ben te klein’ Dennis duwt gefrustreerd de gsm uit: ‘Ik kan de traiteur niet bereiken. De helft van de levering is niet gebracht. Enkel de dozen en bakken met ‘vegan’ op zijn geleverd.’   Beppie geeft het op en laat de gouden slinger voor wat het is. De laatste dertig centimeter bengelt naar beneden, net tot boven de toonbank. Ze stapt statig van het trapladdertje: ‘Laat mij eens kijken!’ , en grijpt de bestelbon uit Dennis’ handen . Ze snuffelt controlerend in de dozen en bakken: ‘Ja, lap! En de drank is er ook al niet bij! En nu? Wat gaan we nu doen? Binnen een half uur staat ons Trea hier. Samen met de burgemeester en de rest van al het volk’  Dennis neemt zijn leesbril in zijn linkerhand en denkt na: ‘Hmmm… Worstkaasscenario eten we vegan, hè’ Hij haalt zijn schouders op. Ze trekt een bedenkelijk gezicht: ‘Hoe? Wat? Worst? Kaas?’ ‘Awel, zo zeggen ze dat toch? Worstkaasscenario, in het allerslechtste geval, eten we vegan. Zo slecht kan dat toch niet zijn?’  ‘Ah, ge zijt in het Engels bezig. Worstcasescenario! Ja, oké! Nu snap ik het. Hoe? Kunnen we dat wel maken? Zo, alleen maar vegan en dat zonder drank? Dan doe mij sowieso maar met extra mayonaise.’ Ze trekt een verontrustend gezicht: en volgens mij ben ik allergisch aan avocado’s. Doeme toch!

Evelien Meulders
32 1

Strak plan

De achtergrondmuziek van Radio 2 probeert de wachttijd korter te doen lijken.  Samen met een gebrilde medemens, zit ik in de wachtzaal van de oogarts voor mijn jaarlijkse controle. De zwarte goedkope kuipstoelen uit kunststof hangen per drie aan een metalen onderstel. De andere gebrilde patiënt zit in de hoek op de volgende driezitter. Ik wemel en strek mijn rug. Een kussen zou hier wel op zijn plaats zijn. Wat een harde stoel! Op het lage tafeltje in het midden liggen kleurrijke tijdschriften en roddelboekjes met in het oog springende titels. De aanwezigheid van planten wordt hier niet getolereerd. De steriele look, een modetrend die nooit mode werd, wordt versterkt door het witte industriële licht van de tl-verlichting, waarvan één buis de geest schijnt te willen geven, door onregelmatig kortstondig te flikkeren. Synchroon met de gebrilde man, zuchten we en kijken we op onze horloge. Het is fijn om hier zo snel mogelijk weg te zijn. Verveeld, snuister ik door de boekjes met opvallende titels en tips.   ‘Nooit meer diëten!’ ‘Eet de regenboog! Strak de zomer in met het kleuren-eetplan! Welke kleur eet jij?’ ‘Bekende Vlaming, bekend van die ene film en andere bekende serie vertelt: Sinds ik deze afslankpillen neem, ben ik tientallen kilo’s verloren! Zonder enige inspanning!’ Rond het tijdschrift is een omslag met tegoedbonnen geniet, om de pillen te kopen met een flinke korting. ‘Sporten gaat vanzelf met deze handige oefeningen! Voor thuis, op je werk, overal!’ Naast de bonte titel pronkt een slanke, blakende dame in een stretch sportoutfit. Ze lacht en is duidelijk blij met het resultaat. Ik lees verder over turnoefeningen om thuis te doen en over een fruitdieet, volledig uitgeschreven om tot drie kilogram per week af te vallen. Elke dag één soort fruit met als start op de eerste dag enkel ananas op je bord. Enkel dag ananas? Ik geloof dat ik niet goed word. Ik voel me misselijk. Ben ik dan echt zo slecht bezig? Die afslankpillen op de voorlaatste bladzijde zien er aanlokkelijk uit. Zeker, als ik zo’n tegoedbon gebruik. Zucht! Ik heb nood aan een strak plan met structuur, doelen, discipline en geen gezeur. Ik zak achterover in de kuipstoel en sluit mijn ogen. Opeens hoor ik iemand mijn naam roepen: ‘Mevrouw Verdict? Mevrouw Verdict? U bent de volgende! Onderzoekskamer 2. Oei? Alles goed? U ziet zo bleek.'

Evelien Meulders
56 0

Toontje lager

‘Sorry, sorry! Mijn bus was te laat. Het is zaterdag vandaag, hè! Dan zijn de uren anders. Nog eens sorry dat ik te laat ben!’, roep ik door de half openstaande toegangsdeur van de concertzaal. Op het podium zingt een twintigkoppig koor een gregoriaans muziekstuk. De twee verchroomde afzetpalen met daartussen een donkerrood fluwelen toegangskoord beletten me om de zaal binnen te gaan. De zaalstoelen zijn dichtgeklapt, geen publiek. De dirigente op het podium laat haar dirigeerstok zakken. Ze draagt haar kapsel in een strakke french twist. Haar zwarte kokerrok past perfect bij de elegante beige blouse. Haar lange oorbellen fonkelen in het spotlicht van de bühne. Het koor stopt met zingen. Ze draait zich om en kijkt me scherp aan. Eenentwintig blikken kogelen me bijna neer. ‘U bent te laat!’, zegt ze op een luide strenge toon, vanop het verre podium. Amai! Wat een stem! ‘U bent te laat, mevrouwtje!’, maant ze me overtuigd aan. Hoewel ze meters van me af staat, voel ik me niet op mijn gemak. Zou ik nog iets durven antwoorden? Of is er geen vraag? Ik zwijg wijselijk en sta vastgenageld aan de grond voor het toegangskoord. ‘Aangezien u zelf niet vertrekt! Laat dan maar horen wat u kan!’, daagt ze me uit. Ze lacht hautain en kruist haar armen. Enkele koorleden gniffelen als support. Super! Hiervoor ben ik gekomen! Ik doe me schoudertas af en zet ze tegen een verchroomde afzetpaal. Ik adem in en zing uit volle borst: ‘BAMMM BOOOO LEI JAAAAAA BAM BOOO LEI JOOO!!’ De dirigente slaat met haar stok op de pupiter: ‘Genoeg! Genoeg! Afgekeurd! Denkt u dat dit hier voor te lachen is?! U kan gaan! We zijn een uitmuntend koor, dankzij discipline en professionaliteit. En daar hoort U NIET bij!’ Ze draait zich met haar rug naar me toe, richt haar blik op de koorleden en zwiept een maatsoort in de lucht, waarop de alten hun zangstonde terug inzetten. Waarom mag ik er niet bij? Stom koor! Ik grijp mijn schoudertas, wandel beteuterd het concertgebouw uit en slenter verzonken in gedachten de namiddagzon in, op het beklinkerde concertplein, wanneer er melancholische muziek me tegemoet komen. In het midden van het plein speelt een straatmuziekkant op een peervorming houten instrument. Hij slaat de twaalf snaren aan en zingt weemoedig een levenslied.  De fadoklanken werken op mijn gemoed. Ik wandel droevig tot bij hem. Zijn olijfkleurig overhemd hangt half open. Hij speelt een hoogtepunt op zijn viola de fado. In de openstaande instrumentenkoffer liggen koper- en zilverkleurige munstukken, biljetten en zelfgemaakte cd’s. Wauw! Da’s klasse! Hij heeft zelfs een eigen cd. Ik gooi een biljet in de koffer en koop er eentje met fadoklassiekers. Hij stopt met spelen: ‘Bedankt! Come estàs? Je kijkt zo triste? Is het mijn muziek? Of is het leven, de reden?’ ‘Goh, ja! Ik heb net auditie gedaan. Daar! Binnen! Bij het zangkoor van het concertgebouw. Ik mag niet meezingen. Ik ben afgekeurd’, mopper ik: ‘Ik mag dus niet mee doen, zeg!’ ‘Ai ai ai, dat is niet simpàtico! Maar dat is ook geen probleem! Dan zingen wij toch samen! Ons levenslied…’ Mijn humeur fleurt op: ‘Ja? Echt? En kan jij Gypsy Kings op je fadogitaar?’ ‘Ja, zeker en vast! Die liedjes beginnen met een si mol…’ en hij slaat een snaar aan: ‘La la! Si mol,  si mol! Laaa! Si mol , si mol… Klaar? 3… 2… 1…’ ‘BAMM BOOO LEEII JAA !!! BAM BOOO LEII JOOO!!’ , zingen we samen uit volle borst: ‘Porque mi vida yo la prefiero vivir así’ Hij stampt met zijn olijfkleurige instapper op de grond en ik zing: ‘Bem, bem bem bem, bem bem bem!’  Twee toeristen, een man en een vrouw komen erbij staan. Elk gekleed in dezelfde sportkledij met bijpassend Nordic Walkingstokken. ‘Amai goed goed! Dat is tenminste nog eens muziek! Dat is nog eens sfeer! Allez, Leo geeft eens 5 euro aan die muziekkanten hier. Goed!’ De vrouw klapt enthousiast mee. De man zoekt naar geld in zijn portemonnee.  Een gepensioneerde bebaarde man met een beige schoudertas komt aangezoefd op zijn elektrisch step. Hij grabbelt een hoopje muntstukken uit zijn broekzak en gooit ze samen met een kleurrijk briefje in de openstaande instrumentenkoffer.  Op de vrolijke flyer staat: ‘Lokale talenten gezocht voor wekelijks optreden in de tuin van de plaatselijke bibliotheek!’ Hij knipoogt, steekt zijn duim omhoog en zoeft weer weg. Yes! Onze carrière is gestart. We worden beroemd!

Evelien Meulders
39 0

Eentje voor de buren

‘Bestemming bereikt!’, schettert de Nederlandse stem van mijn GPS. Ik parkeer mijn wagen naast de drukke provinciebaan. De neonverlichte letters knipperen in het goudgeel: “The Needle Pricker”. Ik bibber. De autoverwarming staat nochtans aan. Ik aarzel en tuur in het rond. Aan de overkant van de baan plakt een groot rood kruis op de dubbele schuifdeur van de hulpdienstenwachtpost. Ik adem stevig in en terug uit, klik mijn gordel los en stap uit. Het kiezelpad kraakt onder mijn schoenen. Volgens de aangetroffen pijl, is de ingang achterom. Plots staart een geschilderd drankenhoofd met wijde glimlach me oog in oog aan. Tussen zijn scherpe hoektanden pronkt “Welkom” in sierlijke letters. Uit zijn neusgaten stuiven grijze rookwolken. Ik duw de deurklink omlaag en wandel binnen in een donkere rechthoekige ruimte, met langs weerskanten lederen zetels en posters aan de muur met voorbeeldtatoeages. Achter de glazen toonbank met kassa erop, staat niemand. De radio speelt een rustgevend popnummer. In de ronde hondenmand ligt een goudkleurige labrador op leeftijd te snurken. Een deurgat met bronzen omlijsting en een deurgordijn van donkerrode fluwelen linten leidt naar een achterkamer waaruit een eentonig nasaal zoemend geluid klinkt. Hier staat de verwarming ook aan. De warmte stijgt instant tot aan mijn wangen. Mijn hart bonst sneller en sneller. Ik doe mijn sjaal los en knoop mijn mantel open. Bij deze beweging, schiet de hond recht uit zijn slaapritueel, wandelt kwispelend tot bij en likt aan de vingers mijn rechterhand. In het deurgat duikt een robuuste man op: ‘Da’s onze Basti. Hij doet geen vlieg kwaad. Allez, Basti! Terug in de mand!’ De schattige bejaarde labrador druipt af en slentert terug naar zijn mand om verder te relaxen. ‘Kom, maar verder… kom binnen. Wees welkom! Ik ben Tygo. Hang je jas maar aan de kapstok!’, gaat hij vriendelijk verder. Hij wandelt op zijn slippers tot achter de toonbank, draagt een bermuda en een wit onderhemd. Zijn benen, armen en handen pronken vol met gekleurde tatoeages. Daarmee is het hier zo warm, denk ik bij mezelf: en het is precies een kenner. Hij haalt lucifers boven en steekt de kaarsen naast de kassa aan. ‘Zo, gezellig! Da’s toch ineens een heel andere sfeer, toch?’ Hij glimlacht zijn tanden bloot. In zijn gebit verschijnt er een gouden tand. Cool! Zou dat pijn doen? Zo’n gouden tand? Focus! Ik kom voor iets anders! ‘Goedemiddag, ik maakte een afspraak voor een tattoo’, antwoord ik schamper en schuifel tot aan de toonbank. ‘Mooie zaak heeft u. Doe u dit al lang?’‘Al 18 jaar… Samen met mijn vrouw, Cornelia. Je zal even moeten wachten. Mijn vrouw is de vorige klant nog aan het bijkleuren. We zullen ondertussen iets kiezen uit de map. Aan wat voor een tattoo had je gedacht?’ Hij slaat een soort van portfolio open met een variëteit aan prenten, figuren, symbolen en foto’s met reeds getatoeëerde ledematen. Hmmm… Zoveel keuze… Ik twijfel en blader verder… Blijft het hier nu  zo warm? Of ligt het aan mij? Tussen de fluwelen linten komt een slanke pittige dame met aangestipte lippen en lang zwart haar in een staart te voorschijn. Ze draagt een strakke legging, witte T-shirt en een luipaardbril. In haar handen draagt ze een tatoeëermachine met gouden handgreep. Haar witte latex  handschoenen zijn bemorst met rode vlekken. ‘Zeg, Tygo , ik zit zonder rode inkt. Hebben we er nog in voorraad voor in mijn tattoo-gun?’ Het attribuut in haar handen produceert het eentonig nasaal gezoem. ‘Ah oei, je bent bezig met een klant! Dat wist ik niet. Sorry voor het storen. Hoi! Ik ben Cornelia. Tot zo dadelijk, hier bij mij, in de tattoo-stoel’ Ze kijkt recht in mijn ogen, lacht hartelijk met het pistool in haar bloedrode handen. Opeens slaat de verwarming aan. Of toch niet? Ik begin te zweten, voel me duizelig en verlies mijn bewustzijn. Met een luide bonk val ik op de zwarte laminaatvloer. Tygo en Cornelia buigen zich over mij. ‘Lap, da’s weer eentje voor de buren van het rode kruis’, zegt Tygo. ‘We zitten weer met een fase 3’, zegt Cornelia: ‘Ik bel de overburen.’  

Evelien Meulders
0 0

Jobstudenten aan de macht

De airconditioning blaast op 12. De muziek dreunt 28. Welkom op Camping Summer Bash Supermarkt! “This ain't nothin' but a summer jam. We're gonna party as much as we can”De overheid kondigde gisterenavond een hitteplan af. Als een brave burger met burgerzin winkel ik in de voormiddag en schuil voor de rest van de dag, thuis met de rolluiken dicht. Eindelijk, ik heb de zelfscankassa bereikt. Ik wil hier weg! Mijn maag krimpt voor de zoveelste keer in elkaar. Waarom staat die airco zo koud? En de muziek zo luid? Ik word oud.Ik scan haastig mijn laatste boodschappen: nog één krop botersla en vier tomaten. ‘Hallo mevrouwtje! Even controle van uw boodschappen!’ , een zestienjarige in een donkerblauw t-shirt met op zijn rug in witte letters “Jobstudent”, spreekt me iets te vlot aan.Ah, zo wordt hier de rangorde bepaald. Ik kijk terug de supermarkt in: vandaag zijn er alleen maar donkerblauwe t-shirten aan het werk. ‘Moet dat echt? Ik heb net alles in mijn rugzak gestoken. Alleen nog deze tomaten…’‘Ja, sorry mevrouwtje, ik doe ook maar mijn werk’, zegt hij met kalme stem en laadt mijn rugzak terug uit. Hmmm… De sfeer tussen ons zakt tot onder het vriespunt. Als hij hier de regels maakt… Wat een sfeerspons! ‘Ben jij dan ook verantwoordelijk voor de airco en de muziek? Moet ik voor mijn bezorgdheden daarover bij jou zijn?’ , antwoord ik bits. Hij reageert extreem ontspannen: ‘Nee mevrouwtje, daarvoor moet je bij Jeffrey zijn. Hij zorgt voor de coole sfeer en de heerlijke beats. Zal ik hem voor u oproepen? Hij is vanachter de camion aan het lossen’ en tikt op zijn zwarte walkie-talkie-headset. Lap! Hier weet ik geen repliek op. Dju! Ik weet niet wat zeggen. Op mijn plaats gezet door een zestienjarige jobstudent. Ik prop verongelijkt mijn boodschappen in mijn rugzak en zwier hem op mijn rug. Ik marcheer met mijn neus in de lucht naar buiten en scoot weg, als een hippe vogel op mijn elektrische step. ‘Zucht! De jeugd… Sinds wanneer hebben die het hier voor het zeggen…’

Evelien Meulders
44 1

Afscheidsfeest in de bib

Alle lichten zijn gedoofd in de bibliotheek. Enkel op de benedenverdieping, boven de grote ronde krantenleestafel, branden de plafondspots. Het gedempte licht maakt een gezellige sfeer. Stagiaire Amandien werkte haar laatste dag. Ze stalt op de krantenleestafel verschillende traktaties uit als voorbereiding van haar afscheidsfeest. Naast de papieren slingers, legt ze gekleurde glinsterkartonnen feesthoedjes op een stapel, vrijblijvend te nemen en op te zetten. Ze begint met het in stukken snijden van zure haring. Ook Chantal van de balie bereidt het feest mee voor. Ze sluit de bib vroeger dan normaal. Chantal plakt een zelfgeschreven briefje met de boodschap: ‘Uitzonderlijk vroeger gesloten’ op de buitenkant van één van de deuren, gaat zelf terug naar binnen in de bibliotheek, neemt de gouden  handgrepen tegelijk vast en draait de twee zware ebbenhouten toegangsdeuren terug dicht en mompelt tegen zichzelf: ‘Zo, dan worden we niet gestoord.’ Bibliothecaresse Ingrid en klusjesman Andree, elk met een rood feesthoedje op hun hoofd, keuvelen gezellig met zijn twee. De tonen van het gesprek klinken unaniem. Ze zijn het eens met het nieuwe bibliotheekreglement over de uitleentermijnen. Bibliotheekmedewerker Nikolai komt aangewandeld met een oude kartonnen doos uit de kelder en zet ze op de krantenleestafel: ‘Zie ne keer Amandien! Wat ik hier allemaal heb gevonden voor uw feest. Borden met het wapenschild van onze gemeente op en kristallen glazen van vroeger.’ Stagiaire Amandien apprecieert de hulp: ‘Zitten er ook borrelglaasjes in, Nikolai? Vava heeft een fles Oude Graanjenever meegegeven.’ Ze toont de lichtbruine jeneverfles: ‘Volgens Vava, vijf jaar gerijpt op eikenhouten vaten. Kan niet slecht zijn, toch?’ ‘De Vava zal wel trots zijn zeker? Vooral over uw project, wat een succes!’, zegt Nikolai.   ‘Ik ben blij dat ik mijn ei hier kwijt kon en mocht werken rond diversiteit, inclusie en LGBTQ. Ik vind dat belangrijk, Nikolai’, en zet een rood feesthoedje op. Ze trekt de rekker tot onder haar kin. ‘Dat is ook. Dat klopt.’ , antwoordt Nikolai: ‘En wat zijn de toekomstplannen? Wat gaat ge nu doen?’ ‘Ik ga een project doen in het Thais dorpje: Wat Boek Prai. Volgens wetenschappelijk onderzoek hebben ze daar nog geen bibliotheek. Een kans, denk ik dan!’. Amandien klinkt strijdvaardig. Ze hakt de laatste haring krachtig in stukken. Daarna schikt ze de stukjes op de borden met het wapenschild van de gemeente op en verspreidt ze over de tafel. Chantal van de balie komt erbij staan. Ze snuffelt in de kartonnen doos en botst op een dozijn kristallen jeneverglaasje. Ze zet ze in een rij, als een paradestoet op de tafel en vult de borreltjes tot op het randje met de gekregen drank van Vava: ‘Zo, da’s perfect.’ ‘Gij ook een hoedje, Chantal? Een geel of een groen?’, vraagt Nikolai. Hij steekt bij wijze van keuze een geel in zijn linkerhand en een groen exemplaar in zijn rechterhand omhoog. ‘Geef me maar een groen.’, kiest Chantal: ‘Dat past bij de kleur van mijn ogen.’ Klusjesman Andree en bibliothecaresse Ingrid ronden hun onderling gesprek af en zetten enkele stappen dichter. Ze sluiten daarmee de kring met de andere collega’s rond de tafel. Als degelijke met aanzien gekende bibliothecaresse, vraagt Ingrid om stilte door één blik te richten naar alle aanwezigen en neemt het woord: ‘Beste Amandien, bedankt voor jouw waardevolle stage, hier in onze bibliotheek. We gaan u missen Amandien. In naam van iedereen hier, wens ik je veel succes in Thailand! Daar klinken we op. Schol!’ Iedereen richt zijn glaasje omhoog als toost. Ingrid en Andree drinken het in een teug leeg. ‘Amai, zure haring en jenever. Da’s feest.’ , juicht Andree enthousiast. Chantal van de balie duwt de muziekinstallatie aan. De geleende cd van de afdeling Muziek, speelt een bekend afscheidslied. Het lied Time to say goodbye van Andrea Bocelli en Sarah Brightman klinkt door de boxen van de ganse benedenverdieping. Bibliotheekmedewerker Nikolai, overweldigd door de emoties van het moment, kijkt met een mix van droefheid en trots de groep aan en zegt :‘We gaan u missen Amandien. Doe ze daar de groeten van ons in Wat Boek Phrai!’

Evelien Meulders
36 1

Kunst in de bib

Maandagvoormiddag, officieel is de bibliotheek gesloten. Toch staan de twee ebbenhouten toegangsdeuren van de ingang wagenwijd open. Er is duidelijk begankenis, ondanks er geen ontleners zijn. Het licht brandt in de hoge inkomhal. Door de kleurrijke glasramen aan de voorzijde van het gebouw vallen zonnestralen rijkelijk binnen. Precies een Egyptisch tafereel. Op de beige marmeren vloertegels schitteren oranje, gele en blauwe schakeringen. De klusjesman rijdt met een kleine heftruck voorzichtig rond in de inkomhal met een zware lading vooraan op de vork. Hij rijdt achteruit met zijn machine. Een piepend alarm verstoort het geroezemoes en de instructies die worden gegeven door de medewerker van de dienst Cultuur, eenmalig afgezakt naar de gemeentelijke bibliotheek. ‘Meer naar achter, Andree!’, brult ze met haar armen zwaaiend, gericht naar de klusjesman. ‘Piep piep piep piep’ , de achteruitrijlichten springen op wit licht. De gebrilde bibliothecaresse roept: ‘Pas op Andree! Dat is hier allemaal art-deco. Da’s nog van vroeger. Als ge hier botst en iets kapot rijdt of een kras maakt, kan het niet gemaakt worden. En de vloertegels kunnen we niet vervangen. In de kelder liggen er geen meer, sinds de wateroverlast van 1995.’ De klusjesman draait naarstig aan zijn stuur en bolt met de vorkheftruck meer naar links, terug naar rechts en terug in achteruit: ‘Piep piep piep.’ De bibliotheek-assistent, gekleed in keurig hemd en zwarte broek met een semi lederen boekentas in de hand, snelt opgejaagd de inkomhal binnen. Net ingeprikt, stipt om 9u00, de start van de werkdag en klaar voor een rustige gemoedelijke maandagvoormiddag. Behalve vandaag, ‘Wat gebeurt er hier allemaal? Het is maandag negen uur. We zijn toch gesloten’ , zegt de bibliotheek-assistent overrompeld. Alvorens de bibliothecaresse kan antwoorden op deze vraag, stapt de medewerker van de dienst Cultuur dichter tot bij de twee heren en antwoordt in zijn plaats: ‘Dit mijn heren is een unicum voor onze gemeente. Ik presenteer u dit hedendaags modern kunstwerk. Vorige week nog te bewonderen in het Centraal Station van Brussel. Dankzij enig telefoonverkeer van mijnentwege tussen de gouverneur en het diensthoofd Algemeeniteiten is het mij gelukt, om van deze creatie de komende weken te mogen genieten. Hier, in onze gemeentebibliotheek! Dit gaat bezoekers aantrekken. Ik voel het!’ Ze spreekt laaiend enthousiast, duidelijk trots op haar lobbywerk en het feit dat dit houten misbaksel  nu in de hal van de bibliotheek staat. ‘Ik ben trouwens Pretoria, aangename kennismaking.’ De bibliotheek-assistent richt zich tot de bibliothecaresse: ‘Ingrid, waarom weet ik hier niks van? En hoe lang blijft dat hier staan?’ De bibliothecaresse antwoordt apathisch. Dit is niet haar beslissing: ‘De mail is niet tot bij ons geraakt. Ik wist hier ook niks van. Blijkbaar, een volledige maand hier in de hal, en elke burger van onze gemeente krijgt een foldertje in de bus. Het zal hier druk worden, Philip.’ De assistent zucht en denkt: Niks heb ik hier te zeggen, niks. Folders over heel de gemeente… Hoe is het mogelijk?! Hij stapt bokkend weg. Het verhuisspektakel gaat ondertussen voort. De cultuurmedewerker en de klusjesman werken samen verder: ‘Ja Andree, nog een beetje draaien en laat maar zakken.’ Een zachte bonk maakt een einde aan de plaatsing.  Ze inspecteert met volle bewondering de nieuwe aanwinst: dit gaat allure geven aan onze streek. Yes. Een pluim voor mezelf. De klusjesman stapt uit het truckje en voegt zich bij anderen, veegt met zijn zakdoek het werkzweet van zijn voorhoofd en zegt: ‘En wat is dit nu precies?’ Hij ziet enkel aan elkaar geplakte panelen en geverfde paletten, bijna tot aan de nok van de inkomhal. ‘De kunstenaar had een moeilijke jeugd en zijn worsteling met zijn identiteit, toont hij via deze kunstinstallatie. Hij had het vooral moeilijk met zijn moeder’ , legt de cultuurmedewerker uit. ‘Ah, vandaar die losgeslagen oranje planken’ , antwoordt de bibliothecaresse. Het kunstwerk lokt al de eerste nieuwsgierigen. Buiten kijken twee gemeentearbeiders met een verbaasde blik op van hun veegwerken.    

Evelien Meulders
77 1

Publicaties

'Zout erop'

Een verhaal over een frituur. Een humoristische novelle

https://www.uitgeverijhetpunt.be/product/zout-erop/